BEDACHTZAME VERSPREKINGEN

De dagen hangen aan elkaar met de lijm van de eentonigheid. De wereld is uit zijn voegen; rampspoed, ongenoegen, woede alom. Toch zit ik maar wat voor mij uit te staren, ternauwernood bij iets betrokken, uitgeteld, van het warme leven uitgesloten. Weinig langspeelplaten worden uit hun hoezen gehaald, weinig boeken uitgelezen, geplande teksten blijven ongeschreven. Alleen in een al aan de randen afgesleten scherf van het verleden leef ik in woorden soms wat op, in het gezelschap van een goede vriend, hij die in de herfst van 1991 uit het leven stapte. Van hemzelf, de man, blijft weinig meer over dan de overwoekerde herinneringen die ik aan hem heb en enkele boeken – verzamelingen van ooit onsterfelijke dichters, een encyclopedie van onzichtbare films – die hij me schonk. De gulle, onvervangbare vriend. Vaak denk ik nu aan Coming Down Again van the Rolling Stones, opnieuw zo toepasselijk geworden:

Coming down again, coming down again
Where are all my friends?

Soms ben ik nog boos. Zoals maandag en dinsdag over het misdadige taalgebruik van Vlaamse politici, niet die ene, meerdere. Ik uitte mijn ongenoegen op facebook en wens die weloverwogen boze woorden hier niet te herhalen. Mijn protest kreeg bijval, maar wat had ik anders verwacht? De meeste van mijn facebookcontacten (en al mijn vrienden, hoe ver weg ook) zijn beschaafde mensen. Hopelijk zijn die onzichtbare, met rede begiftigde zielen, dat zelfs allemaal. Toch zie ik ook bij sommigen in dat algoritmische universum redenen tot ongerustheid. Ik zie onder hen de wanhoop en uitzichtloosheid toenemen. Verontrustend is dat sommigen in fanatici veranderen. Zo is er een kunstenares die elke dag opnieuw beweert dat het levens verwoestende virus – 200.000 doden in de VS, 10.000 in ons land – niets bedreigends heeft, waarvoor ze uit een groot aantal onbetrouwbare bronnen ‘bewijsmateriaal’ aanvoert. Zo zijn er meer en hun aantal lijkt toe te nemen. Zelfs Van Morrison, van wie ooit werd gedacht dat hij een visionair was, is toegetreden tot de Confederacy of Dunces, om het zo oneerbiedig met die woorden van John Kennedy Toole uit te drukken. Zal ik haar, de kunstenares, ontvrienden? Ik bewonder haar werk al zo lang. De boeken met reproducties van haar schilderijen liggen en staan hier binnen handbereik. Je ontvriendt niet iemand die anders denkt, dat weet ik. Maar is het wel denken wat mensen als zij doen, of is het fanatisme, mogelijk ingegeven door angst of existentiële onzekerheid?

Soms ben ik nog bedroefd. Als ik van oude vrienden maandenlang niets hoor. Maar dan vraag ik me meteen af of ik zelf wel een levensteken geef. De sociale media hebben wat mij betreft het briefschrijven onmogelijk gemaakt. Dat was al begonnen met e-mail, maar lange tijd ben ik toch in die vorm brieven blijven schrijven, ben ik blijven doen alsof het brieven waren. Ik dacht modern en zelfs postmodern te zijn en tegelijk de stijlen en gebruiken van de negentiende eeuw – en antieker – te continueren. Soms ben ik ook bedroefd omdat ik degenen die ik niet hoor zelfs niet zie. Dat geeft mij het gevoel dat ik al niet meer besta. Op zes maanden tijd heb ik één keer mijn zoon gezien. Buitenshuis, omdat mijn huisarts dat adviseerde. Af en toe praat ik even met de buren van hiernaast, als ze hier voor de deur staan met wat boodschappen voor ons, water en bier. Een keer zaten we een middag bij hen in de tuin, te converseren en wijn te drinken, op voldoende afstand, op onze hoede. Met mijn vrouw voer ik natuurlijk ook nog gesprekken. Maar die gaan bijvoorbeeld over dat ik niemand meer zie en met niemand meer praat, dat de wereld uit zijn voegen is. Vervolgens laat ik haar Coming Down Again horen.

Soms ben ik nog ontzet. De toestand in de Verenigde Staten is explosief. In mijn jeugd en ook later was the Big Country het land van mijn dromen. Toen ik in de eerste helft van de jaren negentig eindelijk met de Greyhound door Amerika kon gaan reizen ging een lang gekoesterde wens in vervulling. Elke straat, elk dorp, elke grootstad, elke staat en alle woorden die mij tegemoet kwamen en alle muziek in alle bars en clubs en platenwinkels – alles daar wond mij op en veroverde mijn hart. Nu blijft van die gigantische betovering weinig over. Sinds de tiran Trump met zijn hart van geld is opgedoken, maar eigenlijk al langer, is het een land waar ik bang voor ben. Het lijkt op een instortend rijk, ten prooi gevallen aan waanzin en zelfvernietiging, maar nog steeds gevaarlijk vanwege zijn leger, zijn nucleaire wapens.

Soms ben ik nog bezorgd. In Europa staat de enige politieke leider waar ik vertrouwen in had op het punt te vertrekken. Angela Merkel heeft er alles voor gedaan om ons met elkaar en met de rest van de wereld te verzoenen; vooral met degenen die in angst voor geweld en oorlog en in armoede naar hier komen, omdat ze denken dat het hier beter is. Ze is daar zo te zien niet in geslaagd. Zal iemand als Ursula von der Leyen zich even sterk tonen, zal zij ons weer verenigen? Zal zij een politicus met een menselijk gelaat zijn? Ze lijkt me een moedige en doortastende vrouw, maar de vijanden van de rede staan al klaar om uit hun duister moeras tevoorschijn te treden, met hun irrationele slogans en hun haatvolle monden, met hun voor het hanteren van wapens afgerichte handen.

Wou je mij iets zeggen, iets schrijven? Heb je mij iets te vertellen? Is dit leven nog de moeite waard om te leven? Is het verkeerd te denken dat de jongeren ons hebben opgegeven? Dat ze niet langer, zoals wij in het verleden deden, te rade willen gaan bij oudere, door ervaring wijzer geworden vrouwen en mannen? Dat ze ons liever kwijt dan rijk zijn? Vergis ik mij? Waarom hoor ik je stem niet? Ben je met verstomming geslagen of ben je even sprakeloos als ik? Leef je net zoals ik alleen nog maar in het verleden, in een klein deeltje daarvan, in die korte tijdspanne waarvan je denkt dat je toen alles had wat je nodig had en al de rest, auto’s en huizen en reizen naar exotische stranden en steden, overbodig was? Ik weet het niet. Ik weet niet wat we nog zijn en waar we nog zijn en waar we naartoe gaan.

*
Foto: Agnes Anquinet

OPGEKLAARDE HEMEL

1979-1980-aurora 6 001

[NACHTEN AAN DE KANT 18]

Januari 1979 loopt ten einde. Af en toe klaart de hemel op en dan schijnt de zon zo fel naar binnen dat ik een ogenblik verblind ben, wat mij, zeker omdat het maar van korte duur is, een prettig gevoel geeft. Op een kille winterdag zo onverhoeds de zon je huid voelen strelen, je verrukt voelen door haar unieke warmte: plots weer blij zijn dat je leeft. Het donkere seizoen heeft je niet klein gekregen. Om een dergelijke vreugde uit te drukken bestaan geen adequate woorden, er is muziek voor nodig, een wijsje dat wordt gefloten of geneuried, of gescat in de stijl van Louis Armstrong.

Gisteren kwam Paul Rigaumont ons goed nieuws brengen in verband met de filosofische kring Aurora en ons tijdschrift. Ons BTK-project is goedgekeurd [1]. Je zal je misschien afvragen wat dat was, een BTK-project. BTK was het acroniem voor Bijzonder Tijdelijk Kader. Het ging om een plan van de socialistische politicus Guy Spitaels, toenmalig minister van Arbeid en Tewerkstelling, dat in leven was geroepen om de toenmalige gigantische werkloosheid te bestrijden. Deze BTK-projecten hebben niets te maken met de BTK-moordenaar Dennis Rader, een man die tussen 1974 en 1991 onder het motto Bind, Torture en Kill in Wichita in de staat Kansas minstens tien mensen vermoordde. In brieven aan burgers en aan de politie beschreef hij zijn moorden in detail. Aangehouden werd hij pas in 2004.
Voor Senga, Paul en mij is het net een levensbevestigend project. Binnenkort zullen we, alvast gedurende een jaar, uit de ellende van de werkloosheid ontsnappen (en uit de statistieken). Voor die duur zullen we een vast inkomen hebben en niet meer dagelijks op een ander uur een stempeltje moeten gaan halen in het stempellokaal in de Lange Kievitsstraat. Het betekent vooral dat we voltijds kunnen gaan werken aan een project dat ons na aan het hart ligt. We zullen er onze eigenheid niet voor moeten opgeven, integendeel, onze zelfverwezenlijking [1] zal deel uitmaken van het project. We zullen zowel de kwaliteit van het driemaandelijks tijdschrift Aurora kunnen verbeteren als een echt en levendig centrum voor filosofie, kunst en literatuur worden. Naast het tijdschrift zullen we andere filosofische en literaire werken kunnen uitgeven, we zullen lezingen, performances, tentoonstellingen en poëziemiddagen organiseren.

Vorig jaar, op een donkere herfstdag, had Paul ons in ons Dolfijnhuis al eens met een bezoek verrast. We hadden al vaker over een wat minder amateuristische aanpak van de activiteiten van de filosofische kring Aurora gediscussieerd. Amateuristisch waren we omdat we geen geld hadden, geen subsidies, niets. We hadden alleen maar een huis in de Lange Leemstraat 58, dat ons gratis ter beschikking werd gesteld door een zekere dokter Stienlet. Onze kleurrijke verbeeldingskracht was ons enige wapen tegen het antraciet van de crisistijd [2]. Die dag was Paul ons komen meedelen dat de situatie mogelijk zou verbeteren. Paul had de ambtenaren van de RVA kunnen overtuigen van de culturele en maatschappelijke waarde van ons Aurora-project. Hij had kunnen bewerkstelligen dat we met zijn drieën een bediendencontract zouden krijgen.

Die dag had Paul nog een andere verrassing: hij zou opnieuw gaan schilderen. Zijn ogen kregen een vrolijke uitdrukking toen hij ons dat toevertrouwde. Tot dan had ik hem altijd als een ernstige jongeman gezien, nu kreeg hij iets speels over zich. Dat vrolijke, speelse zou ik later, als hij stond te schilderen of gewoon maar wat met me praatte, vaak terugzien. Als bewijsmateriaal, als wilde hij duidelijk maken dat hij het meende, had hij een klein schilderijtje op papier voor ons meegebracht. Achteraf besefte ik dat het al grotendeels een Paul Rigaumont was geweest terwijl ik op dat ogenblik vooral de invloed van Paul Klee ontwaarde.

Gisteren dan dit opbeurende nieuws. Alle redenen zijn goed om feest te vieren, maar een betere dan deze, dat onze praktische levens zo’n positieve wending krijgen, kan ik me niet voorstellen. Senga is een fles Jim Beam gaan kopen. Deze middag was Guy hier even om mij zomaar een cadeautje te brengen, een Greatest Hits-album van Del Shannon, een zanger die ik al sinds mijn elfde, toen ik voor het eerst zijn Runaway hoorde, uitermate bewonder. Jammer dat Guy geen tijd had om wat langer te blijven. Giuseppe, die ons toevallig ook even kwam begroeten, is wel gebleven. Met hem hebben we er een feestelijke Del Shannon- en BTK-avond van gemaakt. Giuseppe zat Stranger in Town mee te zingen, met zijn mooie, gevoelige stem waarmee we hem destijds in Brussel songs van Neil Young hadden horen coveren. Daarna kwamen Armed Forces van Elvis Costello & the Attractions en Street Hassle van Lou Reed nog aan de beurt, elpees die ik enkele dagen geleden heb aangeschaft. Ik denk dat Street Hassle tot op vandaag de meest geslaagde soloplaat van Lou Reed is. Alleen al dat nummer Dirt:

You remember that song
by a guy named Bobby Fuller?
It goes like this:
I fought the law
and the law won
I fought the law
and the low won.

Wij waren die avond echter lang niet zo pessimistisch. Voor een keer hadden wij de wet  aan onze kant. Ook al was dat maar voor een jaar.

[1] Zelfverwezenlijking: een begrip van de humanistische psycholoog Abraham Maslow.

[2]  De film ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta was in die dagen in de Cartoons of in het Filmhuis te zien. Het was een drama over Gudrun Ensslin en haar zus Christiane. Gudrun Ensslin was vanaf 1970 lid van de eerste generatie van de Rote Armee Fraktion, werd in 1972 gearresteerd en opgesloten in de Stammheim-gevangenis in de buurt van Stuttgart. Ze ging talloze malen in hongerstaking tegen het strakke gevangenisregime. In 1977 hing ze zichzelf op in haar isoleercel. ‘Bleierne Zeit’ (loden tijd) is inmiddels een gevleugelde uitdrukking die naar de jaren van de links-radicale terreur in Duitsland en Italië verwijst. Margarethe von Trotta vond de woorden in een elegisch gedicht van Hölderlin, ‘:
“Trüb ists heut, es schlummern die Gäng und die Gassen und fast will
Mir es scheinen, es sei, als in der bleiernen Zeit.”

1979-1980-aurora 11 001

Foto’s: Tijdens een evenement van de filosofische kring Aurora; Senga aan het werk bij Aurora.

1968: PROEVEN VAN VRIJHEID

hangman1

Waarom sloeg ik 1968, voorlopig dan toch, over? Was het een te moeilijke opdracht? Voelde ik opeens weer het immense gewicht van dat memorabele jaar? Een paradoxaal gewicht – omdat veel van wat zich in onze nog korte levens voordeed zo vederlicht leek – dat woog op elk facet van de toenmalige samenleving,  die op het punt stond een global village te worden, of dat al was? Het gewicht van de opstanden, rebellies, revoltes, censuur en repressie. Het gewicht van de veranderingen in stijl, mode, muziek, kunst, literatuur, film, seksuele normen, enzovoort.
In mijn stukje over de betere muziekalbums van ’69 verwees ik wel naar twee boeken over 1968 en ik had er heel wat meer kunnen noemen, maar dat was niet nodig: je hebt maar enkele minuten nodig om een behoorlijke literatuurlijst te vinden. Het boek De jaren zestig van Geert Buelens alleen al bevat een bladzijdenlange bibliografie, zij het over het hele decennium.

Mogelijk was er ook schaamte gemoeid met die sprong in de tijd, al zal het dan zeker onbewuste schaamte geweest zijn. Ik was namelijk helemaal vergeten dat ik op 25 januari 1968 mee ben gaan betogen voor Leuven Vlaams. Inderdaad iets om je voor te schamen. In het euforisch tienerdagboek dat ik dat jaar bijhield lees ik dat er zo’n drieduizend leerlingen deelnamen, van zowat alle Tongerse scholen. Het is heel goed mogelijk dat de schooldirecties ons aanspoorden om mee te doen, maar dat weet ik niet zeker. Ongetwijfeld was het een politieke kwestie, een belangenkwestie ook. Ik was naïef en had beter moeten weten: mijn vader, meestal een stille man, had zich voor een keer duidelijk uitgesproken over de opkomende Volksunie. Dat waren allemaal zwarten, waarschuwde hij. Je mag dat soort mensen niet vertrouwen. Voor mij had die partij, denk ik, een jong en fris imago. Hoe het ook zij, die dag geloofde ik in die belachelijke slogan. Walen buiten, noteerde ik hysterisch. Wij internen waren verplicht om om vier uur weer op school te zijn. Maar mijn vrienden en ik hadden van de vrijheid geproefd – niet die van een bevrijd Leuven, maar van een bevrijd Leven – en gaven die niet zomaar op. Luc, Jan, Godelieve, Ivo, Anita, lees ik in mijn dagboek, begaven ons na afloop van de betoging eerst naar de boetiek King & Queen, ons toenmalig hoofdkwartier, en gingen dan nog een gin fizz drinken en wat dansen in de Baccara. Uiteraard werden we ’s anderendaags bij de prefect op het matje geroepen.
Op 29 januari ben ik samen met mijn vriend Jan en vijf leerlingen van een paar andere scholen weer gaan betogen. Zeven jongens in de straten van Tongeren voor Leuven Vlaams… Ik zal wel overtuigd geweest zijn van de juistheid van deze zaak. Tegelijk ben ik er zeker van dat het mij vooral om de kick van de vrijheid te doen was. Na die 29 januari is er in mijn notities geen sprake meer van Leuven Vlaams en Walen Buiten. Het gaat dan bijna alleen nog maar over popgroepen, over ons tijdschrift Testament, over een toneelstuk dat ik aan het schrijven was, soms over de lessen Nederlands en Engels. De Nederlandse televisie, onderdeel van die global village, was mijn redding, stel ik nu vast. Ik was zeer onder de indruk van Simon Vinkenoog, Robert Rauschenberg en Salvador Dali, die in dat voorjaar de revue passeerden. Een andere reddingsboei was de literatuur. Dat kan ik niet voldoende benadrukken. De notities van na mijn Leuven Vlaams-escapade gaan dan een hele tijd over het verdriet om het verlies van mijn eerste Ware Liefde, de mooie, blonde José-Anne, die ik Josy noemde, zoals in de song van Donovan. (Nog een spoor van mijn anti-Waalse gevoelens van toen?).  José-Annes ouders hadden hun dochter gedwongen om met mij te breken. Een dochter van apothekers met een schipperszoon, langharig tuig dan nog, wat denk je wel. Zo was het leven in Tongeren in 1968. Er was evenwel nog een tweede leven, in Neerharen, met andere vriendinnen en vrienden: Martin en Jean en vooral Anita (een andere Anita dan die hierboven) en haar zus Linda, waar ik meer verliefd op was dan op Anita, maar Linda was al verloofd en Anita hield van mij. Soms waren er nog Sylvia en Yvonne. Namen waarvan ik mij de erbij horende gezichten niet meer herinneren kan.  Die bucolische kant van mijn gespleten adolescente leven laat ik hier buiten beschouwing. In de dorpen waren, denk ik, de jaren zestig nog niet begonnen. Het leek er meer op The Last Picture Show en American Graffiti, maar dan op de fiets in plaats van in de auto.
Zowel in de wereld van de stad als die van het dorp vond ik troost in liedjes, opnieuw en opnieuw.

Omdat 1968 in elk opzicht zo uitzonderlijk was heb ik er niet aan kunnen weerstaan om een lange lijst te maken. Er zijn dat jaar massa’s gedenkwaardige langspeelplaten uitgekomen; sommige zijn mijlpalen geworden, aan de tijd onttrokken artefacten.

godblesstinytim

  1. White Light / White Heat – Velvet Underground
  2. The Notorious Byrd Brothers / Sweetheart of the Rodeo – The Byrds
  3. Beggars Banquet – The Rolling Stones
  4. Electric Ladyland – Jimi Hendrix Experience
  5. Astral Weeks – Van Morrison
  6. Music from Big Pink – The Band
  7. Gris-Gris – Dr. John, The Night Tripper
  8. The Hangman’s Beautiful Daughter – The Incredible String Band
  9. We’re Only In It For The Money / Cruising With Ruben And The Jets – The Mothers Of Invention
  10. A Saucerful of Secrets – Pink Floyd
  11. Waiting for the Sun – The Doors
  12. The Beatles (“The White Album”) – The Beatles
  13. The Kinks Are The Village Green Preservation Society – The Kinks
  14. Traffic – Traffic
  15. Wheels Of Fire – Cream
  16. The Fantastic Expedition of Dillard & Clark – Dillard & Clark
  17. Wow – Moby Grape
  18. Crown of Creation – Jefferson Airplane
  19. Cheap Thrills – Big Brother and the Holding Company
  20. Supersession – Mike Bloomfield, Al Kooper, Steve Stills
  21. Friends – The Beach Boys
  22. Randy Newman (Creates Something New Under the Sun) – Randy Newman
  23. Lady Soul – Aretha Franklin
  24. S.F. Sorrow – The Pretty Things
  25. Nico – The Marble Index
  26. Song Cycle – Van Dyke Parks
  27. Last Time Around – Buffalo Springfield
  28. Introspect – Joe South
  29. Nancy & Lee – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood
  30. Blues From Laurel Canyon – John Mayall
  31. This Is My Country – The Impressions
  32. Taj Mahal – Taj Mahal
  33. Roots – The Everly Brothers
  34. Neil Young – Neil Young
  35. Balaklava – Pearls Before Swine
  36. Ogdens’ Nut Gone Flake – The Small Faces
  37. Everything Playing – The Lovin’ Spoonful
  38. The Soft Machine – The Soft Machine
  39. God Bless Tiny Tim / Tiny Tim’s 2nd Album – Tiny Tim
  40. Suddenly One Summer – J.K. & Co.
  41. H.P. Lovecraft II – H. P. Lovecraft
  42. The Hurdy Gurdy Man – Donovan
  43. The United States of America – The United States of America
  44. New Grass – Albert Ayler
  45. Tell Mama – Etta James
  46. Dance to the Music – Sly & the Family Stone
  47. Odessey and Oracle – The Zombies
  48. Vincebus Eruptum – Blue Cheer
  49. Comment Te Dire Adieu?- Françoise Hardy
  50. Sailor / Children of the Future – Steve Miller Band
  51. In My Own Dream – The Paul Butterfield Blues Band
  52. Spirit / The Family That Plays Together – Spirit
  53. A Beacon From Mars – Kaleidoscope
  54. Picknick – Boudewijn de Groot
  55. Live Wire / Blues Power – Albert King
  56. Who Knows Where The Time Goes – Judy Collins
  57. This Was – Jethro Tull
  58. Boogie With Canned Heat – Canned Heat
  59. Eli and the Thirteenth Confession – Laura Nyro
  60. Peter Green’s Fleetwood Mac / Mr. Wonderful – Fleetwood Mac
  61. CQ – The Outsiders
  62. Jacques Dutronc – Jacques Dutronc
  63. Initials B.B. – Serge Gainsbourg
  64. The Move – The Move
  65. Bradley’s Barn – The Beau Brummels
  66. Head – The Monkees
  67. Who’s Making Love? – Johnnie Taylor
  68. Bookends – Simon & Garfunkel
  69. Silver Apples – Silver Apples
  70. Sweet Child – Pentangle
  71. Volume 3: A Child’s Guide To Good And Evil -The West Coast Pop Art Experimental Band
  72. The Doughnut In Granny’s Greenhouse – The Bonzo Dog Band
  73. Idea / Horizontal – Bee Gees
  74. I’m Gonna Be A Country Girl Again – Buffy Sainte-Marie
  75. The Delta Sweete – Bobbie Gentry
  76. Love Is All Around – The Troggs
  77. Love Is – Eric Burdon & The Animals
  78. Bonnie And Clyde – Brigitte Bardot & Serge Gainsbourg
  79. A Long Time Comin’ / An American Music Band – The Electric Flag
  80. The Secret Life Of Harper’s Bizarre – Harpers Bizarre
  81. The Voice Of The Turtle – John Fahey
  82. Rainbow – Bobby Callender
  83. Another Place Another Time – Jerry Lee Lewis
  84. A Man Needs A Woman – James Carr
  85. The Further Adventures Of Charles Westover – Del Shannon
  86. Insect Trust – Insect Trust
  87. It Crawled Into My Hand, Honest – The Fugs
  88. Tim Hardin 3: Live In Concert – Tim Hardin
  89. Harlequin Melodies – Mickey Newbury
  90. D-I-V-O-R-C-E – Tammy Wynette
  91. Together – Country Joe And The Fish
  92. Blues Helping – Love Sculpture
  93. Flash – Moving Sidewalks
  94. Tape From California – Phil Ochs
  95. Birthday – The Association
  96. Did She Mention My Name / Back Here on Earth – Gordon Lightfoot
  97. Dino Valente – Dino Valente
  98. Stoned Soul Picnic – Roy Ayers
  99. I’m Going Back To The Country Where They Don’t Burn The Buildings Down – Juke Boy Bonner
  100. John Green – St. John Green

1968-carnaval-3b

DAKOTA FANNING

Dakota Fanning was presidentskandidaat voor de democratische partij in de Verenigde Staten. Zelf was ik bij de democratische verkiezingscampagne betrokken. Ik was de adviseur van de jonge Hollywood-ster, op wie ik al gauw verliefd werd. Aanvankelijk verbaasde het mij dat een jonge vrouw als Dakota de democratische voorverkiezingen had gewonnen. Vond zij het zelf ook niet een beetje eigenaardig? Maar je hoorde mij niet klagen: ze was mooi, blond, charmant, zachtaardig én een uitstekende actrice. Aangezien verkiezingen niet uitsluitend om geld draaien maar ook om charisma, waarbij houding, gebaren, blikken en stem een grote rol spelen, maakte Dakota ongetwijfeld kans om de 46ste president van Amerika te worden. Overigens was zij niet alleen mooi, zij was ook intelligent. Haar politieke standpunten waren niet zo verschillend van die van Bernie Sanders of van die van de jonge Tom Hayden, meer bepaald van wat lang geleden New Left werd genoemd. Ik vervulde mijn opdracht met plezier. Elke dag zo dicht bij Dakota Fanning doorbrengen, haar zachte stem horen, haar bekoorlijk zien glimlachen, dat kon je geen werk noemen, eerder een beloning. Hoe had ik die positie weten te bemachtigen?

Eens wakker vroeg ik mij af waarom ik over Dakota Fanning had gedroomd. Ik kende de naam wel, wist dat ze een jonge actrice was. Maar had ik haar ooit in een film gezien? Ik zocht het op. Kennelijk had ze een rol in American Pastoral, een film die mij even weinig deed als de roman van Philip Roth waarop hij gebaseerd is, en in War Of The Worlds, een indrukwekkende spektakelfilm. Dat is het. Van die twee personages herinnerde ik me niets. In American Pastoral blijkt zij de rol van Merry Lvov te spelen, het meisje dat in de late jaren zestig radicaliseert en zich bij de revolutionaire beweging the Weathermen voegt en mee bomaanslagen pleegt. Is dat laatste in mijn onbewuste blijven sluimeren? Wilde ik werken voor een presidentskandidaat die ooit een antikapitalistische terrorist was geweest, lid van een beweging genoemd naar een woord [1] dat Bob Dylan gebruikt in zijn song Subterranean Homesick Blues? Dat is wat te ver gezocht, denk ik.
Ik proef de naam op mijn tong, Da-ko-ta Fan-ning. Da-ko-ta. Fan-ning. Nee, er gebeurt niets. Er wordt niets opgehelderd. De droom is even nietszeggend als het leven dat ik al weken leid, noodgedwongen opgesloten in deze kamers, wachtend op het einde van dit in alle opzichten donkere seizoen. Terwijl ik net zo gezond ben en daar buiten in het licht, ver van hier, mijn laatste grote avonturen zou kunnen beleven.

new left 001

[1] You don’t need a weatherman to know which way the wind blows

BURGERLIJKE ONGEHOORZAAMHEID: OVER NANCY PELOSI

Abbie_Hoffman_visiting_the_University_of_Oklahoma_circa_1969

“Wat het individu verstart, wat zijn machteloosheid bepaalt is de angst. Niet zozeer angst voor onderdrukking en smart als wel de angst niet langer het weinige te zijn dat men is, niet langer het weinige te hebben dat men heeft. De eerste daad die tot inlijving bij het collectivum en tot de creatieve transcendentie leidt, is niet langer bang te zijn.”
Alain Badiou, De twintigste eeuw

Niets dan respect voor Nancy Pelosi. Met het hart op de juiste plaats en als een waarachtig democraat scheur je die leugenachtige en opruiende speech van Trump, die hij ‘the state of the union’ durft te noemen (en zijn bange horigen met hem), toch aan flarden? Dat is niet alleen moedig, het is zelfs noodzakelijk. Het is een daad van verzet, van burgerlijke ongehoorzaamheid.
Van die civil disobedience, die een deel van de Amerikanen al van in de negentiende eeuw  – sinds het verschijnen van Henry David Thoreaus ‘On the Duty of Civil Disobedience ‘ – zo nauw aan het hart ligt, merk je in deze tijden van leugens, bedrog en wat werkelijk begint te lijken op dictatuur niet veel. Dat was in ze jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw wel anders. Terwijl Johnson en Nixon in vergelijking met de dictator die nu in het Witte Huis zit bijna voorbeeldige democraten mogen genoemd worden.
Waar zijn de hedendaagse Country Joe & the Fish, the Fugs, Jefferson Airplane, Angela Davis, de Yippies, Abbie Hoffman, John Sinclair, Tom Hayden, Malcolm X, Jerry Rubin, Living Theater, Black Panthers, Eldridge Cleaver, LeRoi Jones, Mario Savio, Frank Zappa, Huey Newton, enzovoort?
Vandaag hoor ik ze niet en zie ik ze niet. Maar het zou kunnen dat ik niet voldoende aandachtig ben.

Afbeelding: Abbie Hoffman visiting the University of Oklahoma to protest the Vietnam War, Richard O. Barry.

ASTRIDPARK:79 BOMEN WEG

IMG_20190828_192617

Het Astridpark krijgt zijn luister van weleer terug, lees ik in Anderlecht Contact, het krantje van de gemeente. Om alvast te beginnen met de verfraaiing hebben de gemeentediensten 79 bomen geveld. De meeste van die mooie oude bomen moesten om fysosanitaire redenen worden verwijderd, zo staat er in de mededeling. “De aannemer verwijderde 51 zieke en 9 dode bomen, terwijl 19 andere bomen moesten worden verwijderd in het kader van de werkzaamheden.”
De bomen en het struikgewas onttrokken het wanstaltige voetbalstadion, een van de lelijkste architectonische creaties ooit door mensen ontworpen, aan het zicht. Bijna dertig jaar lang kon ik naar de metro lopen zonder depressief te worden van die wanstaltige kolos. Dat is nu definitief voorbij. Bovendien heet het voetbalstadion nu ook nog eens Lottostadion. Als het zo doorgaat heet binnenkort elk stadion, elke concertzaal, elk administratief gebouw Lotto dit of dat. Wordt er iemand betaald om dergelijke namen te verzinnen? Wat ik nog niet weet is of het Astridpark nu officieel Lottopark heet, maar het zou me niet verbazen. En nog iets: je wint sneller met de loterij dan dat Anderlecht een match wint.

IMG_20190828_192640

IMG_20190828_192707

IMG_20190828_192732

 

 

EEN VREEMDE REDENERING

STEAMBOAT BILL JR.

Ring ring ring (ringtone )…
Dita: Hallo, dag Marius, hoe gaat het?
Marius: Goed… Heb je het gehoord, Dita? De Vlaamse politici hebben een akkoord bereikt over de kleur van de burgemeesterssjerp. Zowel het model in zwartgeel als dat in zwartgeelrood mag. Daarover onderhandelen ze een hele nacht, terwijl wij met zijn allen in de buurt van de afgrond rondslenteren.
Dita: Je zou ze een provincialistische mentaliteit gunnen, maar zelfs dat hebben ze niet. Het zijn dorpelingen, waarmee ik niets negatiefs over de mensen uit mijn dorp wil zeggen.
Marius: Weet je waar ze vergaderen? In Wenduine…
Dita: Ik begrijp wat je bedoelt. Als die vergadering nog lang blijft duren zullen ze hun rubberen laarzen moeten aantrekken.
Marius: Verzuipen met een zwartgele sjerp aan, het is ze gegund.
Dita: Mijn therapeut wist me te vertellen dat het moeilijker is een auto te bezitten en die niet altijd te gebruiken dan helemaal geen auto te bezitten.
Marius: Wat een vreemde redenering.
Dita: Ze zegt dat je als je nooit een auto hebt gehad, dat je die dan ook nooit nodig had. Wat je nooit nodig had mis je niet, zegt ze.
Marius: Ze schijnt niet te beseffen dat je ook al heb je geen auto toch kunt dromen van een reis door Amerika, van Oost naar West, of omgekeerd, met een auto die je niet hebt. Ik geloof dat het veel moeilijker is om geen auto te bezitten.
Dita: Dat heb ik haar ook gezegd. Ik vermoed dat ze zich schuldig voelt over haar rijgedrag.
Marius: Ze zou best eens bij een therapeut langsgaan. Schuldgevoelens zijn zo passé.
Dita: Waarom belde je eigenlijk?
Marius: Zomaar. Ik verveelde me een beetje. Ik verwacht een pakje. Wat een shit zeg, die online bestellingen. Ik vraag me af waar het nu ergens zit.
Dita: Waarom zet je geen stomme film op, iets van Buster Keaton of zo.
Marius: Daar word ik veel te triest van.
Dita: Dat geloof ik niet, Marius.
Marius: Tot gauw, Dita.
Dita: Tot gauw, Marius.

Afbeelding: Buster Keaton in Steamboat Bill Jr.

SIRENENZANG IN BRUSSEL

IMG_20190701_093324

Altijd weer als je terugkeert uit het buitenland valt het je op hoe smerig Brussel is. Je hoeft maar enkele stappen buiten het Zuidstation te zetten om al meteen te willen terugkeren naar de plek waar je vandaan komt. Brussel moet zowat de vuilste en lawaaierigste stad van Europa zijn. Bovendien blijft het een erg gevaarlijke stad. Een paar dagen geleden las ik op facebook nog dat Tom Hox, een muziekliefhebber die ik soms in de AB tegen het lijf loop, enkele dagen geleden werd overvallen, pal in het centrum van de stad. Dat is zo erg dat ik er sprakeloos van word. Bij dergelijk nieuws word je geconfronteerd met je machteloosheid, met je woede die zich niet kan manifesteren, die zich op niets concreets kan richten. Zelf ben ik in het centrum van Brussel ook meermaals overvallen en beroofd, in de jaren negentig meer dan daarna. Twee of drie keer ben ik zo in het ziekenhuis beland. Gewond, werkonbekwaam, posttraumatische shock.
Kennelijk is er niet veel veranderd. Komen ‘onze’ politici niet buiten? Maken zij de vergelijking niet met steden als Berlijn, Stockholm, Kopenhagen, Sevilla? Worden zij met hun chauffeurs van de ene vergadering naar de andere gevoerd, en tussendoor bij de escortes? Hebben zij geen oog voor de realiteit? Ruiken zij de urinestank niet? Denken zij alleen maar aan goedbetaalde postjes? Ook het vervuilende en soms dodelijke verkeer wordt geen halt toegeroepen. Nergens is het zo druk als in Brussel en in de wagens zie ik voornamelijk eenzame mannen (en wat vrouwen).

Ik hoopte dat dank zij de mooie uitslag (dacht ik) van de voorbije verkiezingen de ergste pijnpunten heel snel zouden worden aangepakt. Maar ik zie helemaal niets veranderen. Integendeel: tijdens mijn wandelingen ontwaar ik overal vuilnis en voel dreiging op elke staathoek. “Everybody on the street / has murder in his eyes”, zong Steely Dan op ‘Can’t Buy a Thrill”, zo lang geleden. Overdreven, dacht ik, maar nu denk ik er anders over. Na zonsondergang haast ik mij meestal naar huis, want mijn leven is me lief. Soms echter kan ik de lokroep van de stad niet negeren: Brussel is ook zo’n mooie stad en heeft op elke dag zoveel te bieden, ook ’s avonds en ’s nachts. Dan wil ik de sirenenzang horen en hoop ik dat ik na afloop van het laatste lied net als Odysseus ongeschonden weer naar mijn eiland zal kunnen terugkeren.

IMG_20190701_093355

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, juni 2019

DOOR DE TUIN NAAR DE HEL

odilon redon afdaling in de hel

 

Zaterdagavond keek ik door het raam naar de grote, verwilderde tuin. Het was bijna donker, de bomen en struiken zwiepten in de felle wind.
Er was een gat in de tuinmuur geslagen. In de richting van dat gat, bijna niet meer zichtbaar, zag ik Peter De Roover, Jan Jambon, Bart De Wever en een tweetal naamloze figuranten, zich uit de voeten maken. Ze liepen gebukt, met angstige passen, alsof ze zich schaamden. Bijna al waren ze opgeslokt door het donkerste donker, het grote en ultieme Niets. Nog enkele seconden in de schaduw en dan weg, voor altijd. Dat is het lot van landvernietigers, dacht ik.
Zondagochtend ging ik even poolshoogte nemen. Van de hopelijk voor goed verdwenen vluchtelingen geen spoor. Mogelijk had de felle regen hun voetafdrukken uitgewist. Maar ook het gat in de muur was er niet langer. Goed, dacht ik, dan zijn we veilig, dan kunnen ze niet meer terugkeren. En zeker niet via deze tuin. Nimby!

Afbeelding: Odilon Redon, Afdaling in de hel, 1873.

MINISTERS VAN ANGST

brussel nacht

De bedenkingen hieronder schreef ik vorige week, enkele dagen na de verkiezingen van 26 mei. Ik ben geen politiek denker, geen politiek essayist, nauwelijks een politiek observator. Dat belet niet dat ik wel degelijk oog heb voor de wereld rondom me, voor de samenleving waarin ik toevallig ben beland (“geworpen”), voor de politieke omstandigheden die mede mijn reilen en zeilen bepalen (ook als ik ‘veilig’ in de haven blijf).
Ik geloof dat dit in korte tijd mijn derde politieke tekst is. Heel goed mogelijk is het ook mijn laatste. Omdat ik niet zo vertrouwd ben met de taal en de stijl van het politieke discours zou het kunnen dat ik verkeerd begrepen word. Mijn reacties op wat ik een catastrofale stand van zaken wens te noemen, met name de uitslagen van de verkiezingen, zijn voornamelijk emotioneel van aard. Al denk ik dat ik toch ook altijd enigszins redelijk blijf. Scheldproza is niet mijn uitverkoren stijlmiddel.
Sommige lezers vonden mijn vorige notitie, ‘Over domheid en verblinding’, van arrogantie getuigen. Ik vermoed dat drie boze zinnen tot dat oordeel hebben geleid. Te emotionele uitspraken, die ook weer tot verblinding leiden, waardoor je mijn verontwaardiging niet meer ziet, net zomin als mijn mededogen en verdriet. Toch heb ik die paragraaf laten staan: ik wil niet aan zelfcensuur doen, ik moet zo eerlijk mogelijk blijven.

De verkiezingen zijn nog maar net achter de rug en daar is BDW al met zijn angstdiscours. België wordt onbestuurbaar, er is een grondige staatshervorming nodig. De enige juiste oplossing is confederalisme. Ik ken weinig of geen mensen die weten wat die obsessie van BDW (en van andere leden van de Nieuwe Vlaamse Alliantie) precies betekent. Wat is dat, confederalisme, hoe werkt het, zijn er voorbeelden van te vinden, en waarom zou het een betere staatsvorm dan federalisme zijn?
De splitsing van België en de stichting van een onafhankelijke Vlaamse Staat, dat begrijpen we natuurlijk wel. Is het niet precies dat, wat BDW wil? Terwijl zijn partij net het tegenovergestelde eist van Brussel: dat de negentien deelgemeenten en de zes politiezones een geheel gaan vormen. (Wat me ingegeven lijkt door gezond verstand.)
Door de uitslag van de verkiezingen is België onbestuurbaar geworden, is nu het angstmantra van BDW. Onbestuurbaar omdat in het Vlaamse gedeelte van het land overwegend rechts werd gestemd en in het Waalse en Brusselse gedeelte (zowel door Franstaligen als Nederlandstaligen) overwegend links. Hoezo? Behoort het dan niet tot de spelregels van de democratie dat er anders mag en kan gestemd worden, en dat de uitslagen van verkiezingen grote verschillen en tegenstellingen kunnen vertonen? En dat daar bij een regeringsvorming rekening mee wordt gehouden? Dat pogingen worden ondernomen om de tegenstellingen met elkaar te verzoenen? Getuigt net dat niet van groot staatsmanschap (of -vrouwschap)?
Uiteraard betreur ik de winst van Vlaams Belang in Vlaanderen. Maar daar heb ik het nu niet over. Ik heb het over goede wil en kwade trouw. Over het verschil tussen theater en politiek. Ik heb het over de opkomst van angstpolitici en de neergang van verkozenen die regeren op basis van gezond verstand, emotionele intelligentie en empathie.
België davert helemaal niet op zijn grondvesten. In de samenleving heb je verschillende stromingen die met elkaar botsen, in sommige gevallen hard, in sommige gevallen minder hard. Maar België heeft veel woeliger momenten gekend dan nu. Ik denk aan de Koningskwestie (1945-1950), de tweede Schoolstrijd (1950-1958) en de grote stakingen tegen de Eenheidswet (1960-1961). Als België toen niet moest gesplitst worden, waarom zou dat dan nu wel moeten gebeuren? De politici van de Nieuwe Vlaamse Alliantie (hoe nieuw zijn ze, hoe Vlaams en met wie zijn ze eigenlijk geallieerd?) moeten maar eens ophouden met te proberen ons bang te maken. Dat liedje duurt nu lang genoeg. Ze moeten maar eens ophouden met het verleden te verheerlijken. Ze moeten maar eens hun blik gaan richten op een toekomst waarin elke inwoner van dit land redelijke kansen krijgt. De zogenaamde politieke visie van de Nieuwe Vlaamse Alliantie is inderdaad grotendeels op het verleden gericht. Een verleden dat op een verblindend-romantische manier geïdealiseerd wordt. Het is een langetermijnvisie in de omgekeerde richting: ze gaat terug tot de veertiende eeuw en verder, mogelijk zelfs tot de Eburonen en de Menapii. Het is een visie met de ogen gesloten voor de rijke dwarreling van het nu, voor de kansen die deze boeiende tijd te bieden heeft. In die partij hoor ik voornamelijk holle woorden. Ik zie haar geen oplossingen aanreiken voor migratie, stadsvernieuwing, milieu, klimaatproblematiek, armoede, veroudering, eenzaamheid, globale cultuur, et cetera.

Ik noemde in mijn vorige tekst de mensen die voor Vlaams Belang hebben gestemd dom. Ik weet dat dat een harde uitspraak is en dat ze polariserend wordt genoemd. Het zij zo. Wat ik inmiddels heb begrepen is dat de grote meerderheid van die groep niet voor het Vlaams Belang en voor de Nieuwe Vlaamse Alliantie heeft gestemd omdat ze nationalistisch is en per se een onafhankelijk Vlaanderen wil en zo graag de Vlaamse Leeuw zingt, maar omdat ze boos en bezorgd is. Deze mensen vrezen voor hun toekomst en de toekomst van hun kinderen en kleinkinderen. Ze stellen vast dat ze in een keiharde, onzekere en erg ongezonde wereld leven en dat ze met hun zorgen niet meer terecht kunnen bij de politieke klasse waar ze in het verleden wel – in mindere of meerdere mate – op konden rekenen. Tot niet zo lang geleden waren we in dit deel van de wereld met zijn allen nog zeker van de sociale zekerheid. Als zelfs die bedreigd wordt, slaan mensen gemakkelijk op hol.

Foto: Martin Pulaski, Brussel

OVER DOMHEID EN VERBLINDING

PARDON MY HEART

Je mag ze niet dom noemen. Je moet naar ze luisteren, begrip opbrengen voor hun problemen. Beseffen dat ze soms – of vaak zelfs – gegronde redenen hebben om voor een fascistische partij te stemmen. Maar zijn ze dan niet dom? Ben je niet dom als je je ophangt aan het touw dat je door je grootste vijand wordt aangereikt? Ben je niet dom als je op het glimlachend bevel van je grootste vijand ten strijde trekt tegen degene die als puntje bij paaltje komt in hetzelfde schuitje zit als jij?
Het spijt me, maar ik noem die mensen dom.
Mensen die beweren dat ze het moeilijk hebben, en dat wil ik best geloven, dat hun lonen te laag zijn om behoorlijk van te kunnen leven, dat hun pensioenen te laag zijn, dat het werk dat ze doen te hard is en te zenuwslopend, dat ze slecht behuisd zijn, enzovoort, zouden toch moeten weten hoe dat komt. Hoewel het in België en zeker in Vlaanderen nogal meevalt, is het overal ongeveer hetzelfde: de kleine groep die het geld, het bezit en de macht heeft bepaalt de arbeidsvoorwaarden. De extreemrijken, die we best van al uitbuiters en parasieten zouden noemen, zijn verantwoordelijk voor de miserabele situatie waar de harde werkers, de armen, de zieken, de werklozen terecht over klagen. Het is waar dat deze kleine groep van parasieten nogal onzichtbaar is en bijna nooit gestraft wordt voor haar misdaden, er zelfs niet voor aangeklaagd wordt. Maar anderzijds valt er niet naast te kijken. De horrorverhalen waarin personages uit die schaduwwereld opduiken zijn legio (in romans, films, theater, games, songs, krantartikels, essays, cafépraat). Het kan niet dat degenen die zo schandelijk worden uitgebuit dat niet weten. Ik kan niet geloven dat de mensen die we niet dom mogen noemen dat niet weten.
Stemmen deze mensen echter voor een partij of sluiten ze zich aan bij een beweging die voor hun belangen opkomt? Stemmen ze voor een partij die iets wil doen aan de armoede, aan het harde werk, aan het lage pensioen, aan de minuscule uitkeringen, aan de slechte behuizing, enzovoort? Nee, de meesten doen dat niet.
Zij stemmen liever voor een racistische, elitaire partij. Voor een groepje mannen in dure maatpakken van Italiaanse couturiers met overvloedig veel exquise brillantine in de haren, hun schoenen blinkend als destijds het koper in mijn moeders keuken. Voor een bende leugenaars, hun ogen vochtig van het grijnzen achter de schermen, van kijk, we hebben die dwazen weer goed liggen gehad. Zij stemmen voor ideologen van de Apocalyps, voor krijgsheren die onze samenleving willen vernietigen in naam van een verzonnen ideaal, het Arische Utopia. Deze met ‘smaak’ geklede mannen willen een leger van gehoorzame werkers en strijders, mensen die bereid zijn om vrienden, familie, vaderland, moederland, genot, plezier, dromen op te offeren voor een abjecte illusie. Hun dure campagnes zijn even perfide als die van alle would-be dictators en machtswellustelingen. Hun dure campagnes worden betaald door degenen die voor hen stemmen: de werkers, de armen, de zieken, de werklozen, et cetera. Hun dure campagnes worden met enthousiasme betaald door de kleine groep uitbuiters en parasieten die alles te winnen heeft bij een onderdanige, door woede en domheid verblinde massa die tot alles bereid is wat hun partij hen opdraagt. Een kleine groep uitbuiters en parasieten die alles te verliezen heeft bij solidariteit en gezamenlijke strijd tegen uitbuiting en onderdrukking. Die er alles voor doet opdat de bevolking maar niet zou zien dat zij de regels van het spel bepalen en de mooie wereld waar wij in leven voor eens en voor altijd vernietigen. Voor die kleine groep en voor de partij(en) die van haar het kapitaal te leen krijgen voor hun haatcampagnes en even van de macht mogen proeven – want lang duurt die niet – brengen deze verblinde en domme mensen hun stem uit.
Domme mensen zijn het en ik ben niet bereid naar hun domme ‘argumenten’ te luisteren. Niet wij moeten luisteren, zij moeten luisteren. Of liever: zij moeten eindelijk eens leren luisteren en zien hoe de regels van het spel in elkaar zitten.

Eigenlijk zou de verrotte situatie in Vlaanderen me geen hartpijn moeten bezorgen. Ik woon immers in Brussel, waar de democratie gedijt, hoewel hier lang niet alles rozengeur en maneschijn is. Mogelijk zijn de problemen hier zelfs groter.
Maar dat doet deze situatie wel, en niet weinig. Het is niet waar dat half Vlaanderen opeens fascistisch en racistisch is geworden – en Vlaams-nationalistisch al helemaal niet. De meerderheid van de Vlamingen is nog steeds democratisch, Belgisch en Europees. Daar twijfel ik geen seconde aan. Ik maak me alleen zorgen over hen omdat de antidemocraten harder kunnen roepen, meer geld hebben en gesteund worden door een aanzienlijk deel van de media.
Nee, ik ben er niet gerust in. De nabije toekomst ziet er niet goed uit. Maar ik weet eveneens dat lelijke liedjes nooit lang duren. En als ze wel te lang duren zetten we de plaat af. Dat is ook nog een mogelijkheid.

IK KENDE JE NIET, LOUISE VANDER MEERSEN

Voor Louise Vander Meersen

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Een tragisch voorval voerde je mijn leven binnen.
Een doodgewone alledaagse man,
Een van de vele racers hier in onze straten,
Reed je van het zo vaak begane pad
En slingerde je tot in niemandsland.

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Dame met het hondje, eenenvijftig jaar.
Het wandelen voor goed ten einde.
Nooit zullen wij elkaar hier nog eens ontmoeten,
Naast elkaar op een bank gaan zitten
En over onze levens praten.
Er viel, er valt zoveel te zeggen.
Alle kansen die er waren zijn er nu niet langer.
Je bent weg.

Maar nu ik je naam ken, wil ik hem ook niet meer vergeten.
Wij die hier nog zijn moeten je in ons geheugen bewaren,
Louise Vander Meersen,
Doodgereden door een dronken racer,
Zo zinloos, zo overbodig.
Wij die even kwetsbaar zijn als jij
Maar geluk hebben gehad:
Wij moeten deze wereld ten goede keren.

Voorgelezen tijdens een ingetogen wake voor Louise Vander Meersen op 21 mei 2019 aan het Verdiplein in Anderlecht. Op 10 mei werd Louise daar om vier uur ’s middags op het zebrapad doodgereden door een dronken chauffeur.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
Un incident tragique t’a fait entrer dans ma vie.
Un homme comme un autre, ordinaire,
Un des nombreux coureurs ici dans nos rues,
t’ a renversée sur le sentier si souvent emprunté
et t’a balancée au milieu de nulle part.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
La dame avec le petit chien, 51 ans.
Marcher c’est définitivement fini.
Jamais, nous nous verrons encore ici,
Pour s’asseoir sur un banc, l’un à côté de l’autre
Et parler de nos vies.
Il y avait, il y a tant de choses à dire.
Toutes les possibilités qui existaient n’existent plus.
Tu n’es plus là.

Mais maintenant que je connais ton nom, je ne veux pas l’oublier non plus.
Nous qui sommes encore là, nous devons te garder dans notre mémoire,
Louise Vander Meersen,
Conduite à la mort par un chauffeur-coureur ivre
Si inutile, si inutile.
Nous qui sommes aussi vulnérables que toi.
Mais qui avons eu de la chance.
Nous devons changer ce monde pour le mieux.

[Franse vertaling door de moeder van Bieke Comer.]

plantsoen 1

 

DE ROBINSONS VAN HET MARXISME-LENINISME

la chinoise

“Tegenover de metafoor staan twee bekende representatieve procédés. In de eerste plaats is er het surrealistische procédé dat de metafoor letterlijk neemt. Sinds de oudheid hebben logici uitgelegd dat wanneer wij het woord ‘kar’ uitspreken geen voertuig van dat type tussen onze lippen passeert. (…) Volgens het surrealistische procedé echter, zou de kar (…) worden afgebeeld terwijl hij tussen de lippen passeert. (…) Godard laat zelden een gelegenheid voorbijgaan om het te gebruiken. Hij doet het expliciet wanneer Jean-Pierre Léaud rubberen pijlen met zuignappen afschiet op afbeeldingen van vertegenwoordigers van de burgerlijke cultuur, ter illustratie van het idee dat het marxisme de pijl is waarmee het doel van de klassenvijand onder vuur wordt genomen. Het wordt direct toegepast wanneer Juliet Berto het idee dat het Rode Boekje het bolwerk is dat de massa tegen het imperialisme beschermt, illustreert door achter een muur van rode boeken te verschijnen (…).”
De fabel van de cinema, Jacques Rancière

la chinoise 1

Ik ben niet altijd in de stemming voor een cerebrale film als La chinoise van Jean-Luc Godard. Hoewel het niet om een zuiver intellectueel werk gaat en het ook niet van streng maoïsme getuigt, is een helder hoofd toch een voorwaarde. Best wat zuinig zijn met de wijn en de cannabis voor je eraan begint, is de boodschap. Hoewel ik zelf al veertig jaar geen cannabis meer gezien heb, laat staan gerookt.

La Chinoise is een eerder vrolijke en soms grappige film, hoewel Godard het Rode Boekje van voorzitter Mao heel ernstig nam. Dat blijkt uit Anne Wiazemsky’s Une année studieuse, haar herinneringen aan haar jaren met Godard:  “Pourquoi filmer Le Petit Livre Rouge en noir et blanc? C’est absurde! Le rouge si éclatant de la couverture dit à lui seul la grande Révolution Cuturelle!” Omdat een film in kleur nogal duur zal uitvallen vat hij het idee op om in hun appartement in de rue de Miromesnil te gaan filmen. “Notre appartement sera l’appartement provisoire de mes chers petits “Robinsons du marxisme-léninisme”. Du coup, je le ferai repeindre entièrement comme je le veux et ce seront les producteurs qui payeront tout! Malin, non?”

Het ‘verhaal’ van La Chinoise is gebaseerd op De bezetenen van Dostojewski. Je kunt plezier beleven aan de talloze verwijzingen naar van alles en nog wat. De film is natuurlijk ingebed in de Franse cultuur van die dagen. In zekere zin is hij profetisch. Ik houd van het weinig professionele acteerwerk van Juliet Berto en Anne Wiazemsky. En Jean-Pierre Léaud is als altijd Jean-Pierre Léaud. Dat hij in elke film dezelfde rol speelt is een geruststelling. Jean-Luc Godard wordt dit jaar 89.

la chinoise 2

VROUW DOODGEREDEN IN ANDERLECHT

DSC_0067

Vrijdagmiddag omstreeks vier uur werd hier beneden op het zebrapad aan het Verdiplein een vrouw doodgereden. Een paar uur later liep ik voorbij de plaats van het ongeval. Ik was op weg naar het vlakbij gelegen metrostation Veeweide en vandaar naar de AB voor een concert van de Amerikaanse folkzanger en -muzikant Sam Amidon. Daarover later misschien meer. De straat was afgezet, er was politie, er stonden groepjes mensen in stilte te kijken. Alleen al aan die stilte kon je horen dat er iets ergs was gebeurd. Op dat ogenblik wist ik nog niet precies wat.
Even later vernam ik dat de dader dronken aan het stuur van een witte bestelwagen had gezeten en in volle vaart tegen de vrouw was aangereden. De vrouw was enkele meters verder op de rand van het plantsoen in het midden van de rotonde terechtgekomen. Er was nog geprobeerd haar te reanimeren, maar dat had niet geholpen.
Omstreeks middernacht op weg naar huis liep ik weer voorbij de plaats van het ongeval. Op de grond geheimzinnige maar toch duidelijke tekens. Hier was de vrouw aangereden. In die richting was ze geslingerd. Daar was ze weer neergevallen, haar dood tegemoet.

Was er zaterdag al meer nieuws? En gisteren? Niet veel. Alleen dat de vrouw, die daar in de buurt woonde met haar hond was gaan wandelen. Dat de bestuurder positief had geblazen en was opgepakt. Vandaag werden wat meer details bekend gemaakt. De vrouw heette Louise Vander Meersen, ze was 51, woonde alleen, werkte in een school als oppas. De hond heeft de aanrijding overleefd en werd ondergebracht in een asiel.

Waarom maakt niemand zich druk over deze tragische gebeurtenis? Waar is de verontwaardiging nu? Wat is het verschil tussen deze vrouw en die in Koekelberg, die twee maanden geleden op een zondagochtend werd doodgereden door een dronken automobilist? Toen werd er meteen actie gevoerd door buurtbewoners en verenigingen en al een dag later nam de burgemeester daar maatregelen (absurd genoeg alleen op die ene plek waar het ongeval gebeurd was, terwijl er in Brussel alleen al tientallen dergelijke onheilsplaatsen bestaan).  Hier in Anderlecht hoor je niets.

Wie was Louise Vander Meersen? Had zij familie, vrienden, kennissen? Wie is de dader, de doodrijder? Wat gebeurt er met hem? Wat gebeurt er met de hond? Welke maatregelen om de voetgangers beter te beschermen neemt de burgemeester? Want telkens als je hier de straat oversteekt riskeer je je leven. Rodeorijders zijn hier schering en inslag. Het lijkt wel of ze denken dat onze straten gewoon maar verlengstukken zijn van de Ring, die in Anderlecht drie af- en opritten heeft. Natuurlijk zijn de straten zo aangelegd om ze dat gevoel te geven. De racers krijgen alle ruimte om ons van de weg te maaien. En iedereen blijft onderdanig zwijgen. Hoe lang nog?

EEN NIEUWE POLITIEKE TAAL

POIX 095

Een paar dagen geleden had ik voor de eerste keer in lange tijd opgewekte gevoelens bij het kijken naar Terzake: twee Franstalige politici, Jean-Luc Crucke (MR) en Nicolas Martin (PS) lieten zien hoe politici ook hoffelijk kunnen zijn. Ze lieten elkaar uitspreken, luisterden naar elkaars standpunten, toonden respect voor anderstaligen, zelfs voor die Vlamingen die voor Wallonië en de Walen geen goed woord over hebben. Ze spraken zelfs beter Nederlands dan heel wat Vlaamse politici. Bovendien hebben deze twee mannen  gevoel voor humor.

Uit de hele reportage – ik zag onder meer gesprekken met een bio-landbouwer en een bedrijfsleider – bleek dat de toekomst aan Wallonië is. Dat een groot deel van de Vlaamse politieke klasse, en in haar kielzog een aanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking, in het verleden is blijven steken, in de overtuiging dat de Vlamingen een ‘volk’ zijn en een ‘volk’ dan nog waarvan de identiteit voor eens en voor altijd vastligt. Veel Vlaamse politici en hun volgelingen sluiten zich af voor wat zij als het andere zien. Zij schijnen geen oog te hebben voor wat opwindend en nieuw en op een verfrissende manier anders is. Zij zitten met de roestige gevoelens van het eigen volk in hun hoofd. Elke invloed van het vreemde zien zij als negatief. Alleen voor de negatieve kracht van het geld en voor de taal van de technocratie schijnen zij niet bevreesd te zijn. Zij deinzen er echter niet voor terug om de oude, onveranderlijke Vlaamse ziel aan monsterbedrijven te verkopen, die de mensen die hier wonen alleen maar uitbuiten en de ‘heilige grond’ blijvend verwoesten. Zij zijn blind en doof voor de lust die echte verandering brengt, voor een andere indeling van de ruimte, voor gezonde lucht, voor planten en bomen, voor een sociale ecologie, voor mededogen en empathie. Voor alles wat sociaal en ecologisch is zijn zij bang. Zij huiveren voor solidariteit. Zij zien dat als een geldstroom naar de vijand. De meest perfide onder deze politici willen niet alleen de solidariteit onder de bevolking vernietigen maar ook de sociale zekerheid. Geert Van Istendael noemt dat laatste terecht een van de grootste verwezenlijkingen van de westerse beschaving. Deze politici streven naar onderdanen die niet meer dan naakte, kwetsbare individuen zijn, die bij niets of niemand meer terecht kunnen en op die manier zonder weerstand tot een nieuwe manier van slavernij kunnen worden gedwongen.

Ik was blij dat ik bij deze Franstalige politici een nieuwe – niet eens zo radicale – taal hoorde, die nu eens geen angst aanjoeg maar eerder verzoenend en troostend klonk. Een warm alternatief voor het negativisme, de angstpolitiek, de businessterreur van de Vlaams-nationalisten.

Hiermee wil ik niet beweren dat alle Vlamingen onverdraagzaam en gesloten zijn, integendeel. Het gedeelte van de bevolking dat de angst propageert en het model van de businessterreur onderschrijft is eerder klein. Alleen doordat dit segment van de samenleving zo extreem veel aandacht krijgt, lijkt het alsof er helemaal geen andere stem meer overblijft, alsof Vlaanderen één dorre betonnen vlakte is geworden, één grote grijze zone van angst en bekrompenheid met voor de afwisseling alleen wat geel-zwarte toetsen. Het is tijd om gedaan te maken met die illusie en aandacht te geven aan mensen die een warmere kijk op de wereld en onze soortgenoten hebben.

“Je standpunt bevriezen is een teken dat je geen toekomst hebt. Jezelf opsluiten, terugplooien op jezelf, vasthouden aan het verleden is vragen om te verliezen. De geschiedenis wijst dat uit.”
Jean-Pierre Dardenne

P1020206(1)

Foto’s : Martin Pulaski

 

EEN MEIKEVER MAAKT HET VERSCHIL

sdr

Iedereen weet dat ook in een democratie een stem weinig betekent. Toch telt voor het geheel elk deel, zelfs het allerkleinste. Eén meikever kan het verschil maken: krijg er maar eens eentje in je oog.
Daarom ga ik stemmen. Als inwoner van Brussel geef ik die kleine stem van mij echter alleen maar aan een partij (of politica / politicus) die onvoorwaardelijk de strijd zal aangaan tegen armoede en uitsluiting en die er meteen alles zal voor doen om deze vuile stad van ons weer schoon te maken. En daarmee bedoel ik niet opkuisen in de betekenis die mijnheer Jambon en zijn Vlaams legioen eraan geven maar wel: dat de vuilnis uit onze straten en pleinen en parken en vijvers verdwijnt, dat onze lucht zuiver wordt, dat de gevels worden geschilderd. Ook moet de partij (of politica / politicus) voor wie ik stem voor een beleid gaan dat voorrang geeft aan voetgangers en fietsers en openbaar vervoer. Ik stem voor iemand die zich met hart en ziel inzet voor een leefbare stad voor iedereen.
Mocht ik in een andere stad dan Brussel wonen zou ik hetzelfde doen, maar in dat geval zouden propere straten misschien minder aandacht krijgen. Van alle steden die ik ooit bezocht, is die van ons werkelijk de smerigste. Ik kan er niet meer tegen.

Even concreet in verband met mobiliteit. In Anderlecht, het deel van Brussel waar ik woon, ondergaan wij het verkeer van drie afritten van de ring naar het centrum van Brussel (en die auto’s moeten ook weer terug). Er lopen vijf brede, extreem drukke lanen door Anderlecht. Eigenlijk zijn het autosnelwegen maar dan wel met verkeerslichten, wat voor nog meer vervuiling zorgt. In de historisch belangrijkste winkelstraat van Anderlecht, de Wayezstaat, inmiddels groezelig en verpauperd, moeten bus en tram tijdens werkdagen achter auto’s die daar niet horen in de file staan. De meeste straten in Anderlecht hebben tweerichtingsverkeer. Waar in de wereld vind je dat nog?
Ook dat is een vorm van smerigheid waar ik niet meer tegen kan.

Al die dingen bepalen mijn identiteit veel meer dan de Guldensporenslag of de Vlaamse Leeuw of het Belgisch volkslied. Al die klauwen en het hele heilig land der Vaad’ren kunnen mij gestolen worden. Mijn stem gaat naar een partij die oog heeft voor de werkelijkheid, voor het hier en nu en voor de toekomst.

MET DAVID LYNCH IN SRI LANKA (WAAROM IK STIL BLEEF NA PASEN)

large_xDavid_Lynch__Someone_is_in_My_House__2014__lithograph__courtesy_the_artist_and_Item_Editions

Pasen is voor mij en voor velen samen met mij de mooiste feestdag van het jaar. Het is het echte begin van de lente, het einde van de grauwe dagen, van de vasten: de wederopstanding uit de dood. Je weet dat ik een diepgelovige katholieke jongen was. Van mijn achtste tot mijn dertiende, toen ik mijn geloof verloor, ging ik elke dag naar de mis. Daar en op andere plaatsen waar ik rust vond bad ik in stilte tot God. Op de dag van Pasen, als de verrijzenis van Jezus wordt gevierd, voel ik ook nu nog steeds iets heiligs. Het is soms, niet altijd, meer dan een euforisch, juichend gevoel; het is een gewaarwording die al het bestaande overstijgt. Ik noemde dat gevoel, die ervaring lang geleden al anastasis en doe het nu nog.

Om acht uur vorige zondag zette ik de radio aan en hoorde het nieuws van de aanslagen in Sri Lanka. Gevoelens van verbijstering, intens verdriet, woede, verscheurdheid overmanden me. Hoe kon ik dit verwerken? Het was Pasen en er waren in meerdere kerken op Sri Lanka tientallen mensen vermoord. Ik voelde een stekende pijn in de borst, bijna alsof mijn hart werd uitgerukt. Nu kwam het erop aan mijn kalmte te herwinnen. Ik moest mijn geliefde nog gaan wekken voor het ontbijt. Maar die kalmte kwam niet, niet echt.

Een paar dagen eerder had ik in het Bonnefantenmuseum in Maastricht de tentoonstelling Someone is in my house, een overzicht van het werk van David Lynch, gezien. In dat werk toont hij de menselijke conditie zoals die zich in Amerika voordoet. Onder groene weiden, onder zacht glooiende velden en onder de fundamenten van lieflijke en veilige huisjes gaapt de afgrond. Binnenskamers maar soms ook op straat rukken mannen maar soms ook vrouwen hun maskers af en laten hun ware gelaat zien. Achter de brave schijn van truly fine citizens gaat wreedheid en agressie schuil. De steden maar ook de dorpen puilen uit van schijnheiligheid en ingehouden geweld. Soms komt het geweld tot uitbarsting. Er wordt verkracht, gefolterd, gemoord. Change the fucking channel fuckface. Velden staan in brand, huizen vatten vuur. David Lynch plaats zichzelf ook in die arena: my shadow is with me always. Waar is de liefde naartoe? [1] Hoewel de beelden van David Lynch me daar in Maastricht wisten te verleiden en te bekoren gaven ze mij toch ook een naar gevoel. Ik was een ramptoerist, een indringer. Zoals in de meeste hedendaagse kunst is ook bij hem de schoonheid ver te zoeken, hoewel ze er tegelijkertijd ís. Het universum van David Lynch is zacht, rooskleurig en verschrikkelijk. Je krijgt er ademnood en tegelijk adem je zuivere lucht in. Als de wanhoop nabij is schater je het opeens uit. Godzijdank is er humour noir!
Omdat het mysterieuze, onheilspellende universum van David Lynch een creatie is, het resultaat van verbeeldingsontginning en taalspel, kon ik de verschrikkelijk kanten ervan relativeren. Het is immers kunst, geen werkelijkheid, meende ik. Als er al iets werkelijk aan is komt dat voort uit heel persoonlijke angsten, nachtmerries, psychotische episodes. Dit is niet dé werkelijkheid, sprak ik – nogmaals – mezelf sussend toe. Wat aantoont dat ik een romantische optimist ben. Zoals de meeste mensen kan ik de gruwelijkheid van onze soortgenoten bijna meteen vergeten en doorgaan met mijn klein melodrama op mijn piepklein podium ver weg van de zorgen en beslommeringen van degenen die ik soms mijn zusters en broeders noem en die hier op aarde hun hindernissenparcours afleggen.

change the fucking channel fuckface

Over Sri Lanka moest ik er lang het zwijgen toe doen. Over die gruwelijke ochtend van 21 april, de dag van Pasen moest ik zwijgen. Ik kon niet anders. Wat wil je?
Een dag of zo later hoorde ik kardinaal Ranjith, de aartsbisschop van Colombo en metropoliet van Sri Lanka, gerechtigheid eisen: “Find out who was responsible behind this act.  And also to punish them mercilessly because only animals can behave like that,” zei hij. Elke mens zou echter moeten weten dat beesten zich nooit op die manier zouden gedragen. Alleen wij mensen zijn zo wreed. Worden wij beter is de vraag. Worden wij beter? Kijk eens naar de geschiedenis, of alleen nog maar naar de recente geschiedenis. Wij worden niet beter. Ik heb niet de indruk dat wij beter worden. Change the fucking channel!

David-Lynch-I-Write-on-Your-Skin-How-Much-I-love-You-lithography-2010-lithography-64-x-94-cm.-Curtesy-Item-Editions.-1200x831

[1] Ik zag slechts één werk waarop liefde ter sprake kwam (en er wordt nochtans veel gesproken op de kunstwerken van David Lynch), namelijk op de lithografie ‘I write on your skin how much I love you’ uit 2010

Afbeeldingen: David Lynch, Someone is in my house (2014); Change the fuckin’ channel fuckface (2008-09); I write on your skin how much I love you (2010)

GIFTIGE LUCHT

IMG_20190816_170541

Een jaar geleden noteerde ik een klacht die nu best wat luider mag gaan klinken. Elke dag zonder heel precieze maatregelen van de beleidsmakers is een verloren dag, een dag die ons dichter bij een globale noodtoestand brengt.

Ons wordt aangeraden om een maand lang geen alcohol te drinken. Om voldoende te bewegen. Om veel groenten en fruit te eten. Om niet te roken of ermee te stoppen. Om aan veilige seks te doen. Om opgewekt door het leven te gaan. Om niet te klagen. Om tevreden te zijn. Om de dag te plukken. Maar dat allemaal in giftige, verstikkende uitlaatgassen van auto’s, salariswagens, vrachtwagens, grootschalige industrie… In een milieu dat ons de adem beneemt, dat ons ertoe dwingt onze dagen hoestend in onze kamers door te brengen. Verlangend naar elders, naar een paradijs dat voorgoed verloren lijkt te zijn.
En elke dag zijn de eindeloze files er weer en elke dag zeggen de politici die we verkozen hebben er iets aan te zullen doen. Terwijl zij, dezelfde vuile lucht inademend, de andere kant uitkijken, in de richting van aanzuigeffecten, van economische groei, van winstmarges, van de eigen Vlaamse aard. Het lijkt wel alsof niemand van hen er iets aan wil doen. Terwijl het voor velen onder ons al te laat is. Maar voor de kinderen, voor de kleinkinderen misschien toch nog niet?

Het credo dat het allemaal bij jezelf begint heb ik wat te vaak gehoord en ik heb er zelfs wat te vaak naar geluisterd. Na al die jaren weet ik dat het geen individueel probleem is, tenzij je doelbewust en met grote onverschilligheid voor de anderen de precaire toestand verergert. Het is een mondiaal probleem dat dringend moet worden aangepakt. De beleidsmakers die door ons verkozen zijn, moeten dat doen en als ze niets doen moeten we ze ter verantwoording roepen. Zelf zijn wij uiteraard geen passieve wezens: wij kunnen de juiste dingen doen en ons voorbeeldig gedragen. Daarom geef ik toe dat de enkeling, hoe machteloos hij ook mag wezen, net zo goed een rol kan spelen. Ik probeer niet in wij/zij te denken. Maar soortgenoten die op hun eentje in hun salariswagens onze steden ’s morgens binnenrijden en er ‘s avonds weer uit, lijken mij toch een klein beetje medeverantwoordelijk voor onze ziekmakende lucht? En politici die dit niet als prioriteit nummer één beschouwen zijn al net zo verantwoordelijk.
Wat mezelf betreft: ik heb geen auto, ik heb zelfs geen rijbewijs. Mijn vrouw heeft al evenmin een auto. Toen ik jong was liftte ik wel af en toe, maar in die dagen was ik nog naïef. Al vele jaren maak ik voor al mijn verplaatsingen gebruik van het openbaar vervoer. Het enige wat ik ‘verkeerd’ doe is een tweetal keer per jaar een vliegtuig nemen (maar al heel lang niet meer buiten Europa) en dat doe ik omdat ik aan de vuile stad die Brussel is soms moet ontsnappen en omdat ik de al te dure treinreizen niet kan betalen van mijn klein pensioen.

Ik begrijp niet dat sommigen onder ons zich ergeren aan mensen met een doek op hun hoofd en met een niet-Vlaamse naam, terwijl we met z’n allen kapotgaan van de smog. Dat is wij/zij, dat geef ik toe. Soms sta ik lang te wachten aan een kruispunt tot de verkeerslichten voor de voetgangers groen worden. Dan zie ik bijna alleen maar wagens met slechts een bestuurder en geen passagiers voorbijrijden. Eindeloze files met eenzame mensen alleen in hun traag bewegende blikken dozen. Als ze dan toch zo graag rijden, waarom dan niet met zijn vieren of vijven? Is dat niet veel gezelliger?

Maar nogmaals: de grootste verantwoordelijkheid ligt bij de beleidsmakers, zij moeten zorgen voor degelijk en frequent openbaar vervoer. Zolang dat er niet is zullen maar weinigen van ons van hun wagen naar het automuseum brengen. Zolang dat er niets is wordt de lucht die wij inademen met de dag giftiger.

 

Afbeelding: Martin Pulaski

 

OMTRENT SABAUDIA (EN PAOLO SORRENTINO)

amico-di-famiglia_

Opgedragen aan Bernardo Bertolucci en Pier Paolo Pasolini.

Tijdens het kijken naar Paolo Sorrentino’s L’amico di famiglia dacht ik terug aan een verblijf in Sezze en een bezoek aan Sabaudia in de zomer van 1996. Niet alleen omdat ik mijn buik vol heb van mijn geliefde Italië was ik met enige tegenzin naar die film beginnen te kijken. Het afbraakwerk waar Berlusconi mee begonnen is wordt nu door schurken als Matteo Salvini voltooid. De hatelijke Benito Mussolini had nog een zeker gevoel voor schoonheid en poëzie. Zo was hij een bewonderaar van het futurisme van Marinetti (een bewondering die wederzijds was). Bij de machthebbers van vandaag blijft daar weinig van over. Als ik in de toekomst nog naar Italië ga, wat ongetwijfeld zal gebeuren want mijn zoon woont er, zal het met dezelfde weerzin zijn als waarmee ik mij aan L’amico di famiglia overgaf. Daar komt nog bij dat ik een liefde-haatverhouding heb met regisseur Paolo Sorrentino. Ben ik de enige levende ziel die niet van La grande bellezza houdt? Bijna alles aan die film is wat mij betreft fake. De film lijkt wel een Italiaanse versie van Curtis Hansons geestige Wonder Boys, wat evenmin een meesterwerk was maar het personage van Michael Douglas als opgebrande schrijver was wél geloofwaardig. Jep Gambardella (rol van Tony Servillo, een acteur die ik niet mag) daarentegen is van bordkarton. La grande bellezza werd vergeleken met La dolce vita. Laat me niet lachen! Waar is Marcello, waar Anita Ekberg, waar de gracieuze en langoureuze Nico? Sinds ik schoorvoetend heb durven toegeven dat ik niet van De grote schoonheid houd, wil zelfs mijn beste vriendin me niet meer zien.

Maar L’amico di famiglia was anders. Mogelijk is de film even cynisch als ‘La grande bellezza’, met een even onuitstaanbaar hoofdpersonage, de zeventigjarige Geremia De Geremei, een achterbakse en gemene woekeraar, een lelijk en venijnig ventje. Nu echter kwam ik er al gauw achter dat een cynisch hoofdpersonage niet noodzakelijk betekent dat de bedenker ervan een vergelijkbaar mens- en wereldbeeld heeft. Cynisme zou wel eens een methode kunnen zijn om het cynisme van de politiek en de samenleving te lijf te gaan, in dit geval ten tijde van Berlusconi. Zou het mogelijk zijn dat het cynisme van Paolo Sorrentino een aanklacht is tegen gedegenereerd kapitalisme, geldzucht en woeker? Overigens vind je die afkeer van woeker al terug bij Mussolini-bewonderaar en antisemiet Ezra Pound, lees er de Pisaanse Canto’s maar op na. Maakt dat ook van Sorrentino een antisemiet? Zeker heeft die akelige Geremia De Geremei semitische trekken. Hij heeft inderdaad wat van Shakespeare’s Shylock, terwijl je De koopman van Venetië toch moeilijk een racistisch stuk kunt noemen. Hath not a Jew eyes?, et cetera.

Sabaudia_35

Het verhaal is gesitueerd – en de film gedraaid – in en rond Sabaudia, een stadje in het vroegere moerasland Agro Pontino. Dat werd ten tijde van Mussolini drooggelegd, zogezegd om de malariaplaag uit te roeien maar zeker ook om de bevolking te imponeren met grootse bouwwerken in modernistisch-fascistische stijl. Het moeras is inderdaad verdwenen, al wordt in de film nog wel een dikke mug dood geklopt. Dichter en filmregisseur Pasolini toont al in 1974 aan de hand van Sabaudia aan dat het fascisme niet bij machte geweest is om de eeuwenoude schoonheid van Italië kapot te krijgen.[1] De fascisten waren een bende misdadigers die in Italië tijdelijk de macht gegrepen hadden maar geen vat hadden op de cultuur, de esthetiek en de creativiteit van het land. Wat Mussolini en zijn medestanders niet was gelukt zag Pasolini in die dagen wel reeds gebeuren ten gevolge van het snel oprukkende consumentisme.
Mussolini legde het moeras letterlijk droog, Trump en zijn soortgenoten doen het nu op symbolische wijze. Voor Trump staat het moeras voor democratie, goede smaak, cultuur, hoffelijkheid, bereidheid tot dialoog en compromis. Voor volksmenners van nu – ook bij ons, kijk maar eens naar de mannen van N-VA en Vlaams Belang – zijn dat stuk voor stuk verwerpelijke verworvenheden. Zo wordt dan Sorrentino een beetje een profeet: je ontwaart in L’amico di famiglia al het hedendaagse extreemrechtse Italië, opgetrokken op de ruïnes van Berlusconi’s media-imperium.

Ik dacht terug aan die warme dag in juli 1996 toen ik was aangekomen in Sezze, in de provincie Latina en gelegen in de heuvels boven Sabaudia, ongeveer 150 kilometer ten zuiden van Rome. Samen met een twintigtal jongeren uit diverse landen van de Europese Unie verbleef ik daar een week in een dorpsschooltje voor een reeks seminaries over de multiculturele samenleving. Veel details van de lezingen zijn me niet bijgebleven. De sprekers op het seminarie waren stuk voor stuk Italiaanse intellectuelen die uitsluitend Italiaans spraken. De vertaling naar het Frans was zo erbarmelijk dat ik mij inspande om de taal van Dante zelf te verstaan. Het filosofisch, politiek en religieus discours klinkt niet zo heel anders in Italië dan in Frankrijk: er worden dezelfde basisbegrippen gehanteerd. Maar het schrille gezang van de miljoenen cicaden om ons heen maakte ook dat moeilijk. Vaak had ik op de koop toe hoofdpijn van de miserabele wijn uit kartonnen dozen die we ’s avonds bij het smakeloze eten kregen. Het project “Dialogo interculturale e convivenza” werd gesubsidieerd door de Europese Unie. Misschien zat de maffia er ook wel voor iets tussen, dacht ik oneerbiedig. Want waar ging het mooie budget naartoe? Zeker niet naar die giftige wijn. Naar ons ‘hotel’ dan? De hele groep verbleef in de sterk vervallen lagere school Colli di Susi; overnachten moesten we in een klaslokaaltje en voor alle deelnemers samen was er maar één douche en één toilet. Of moesten we aan den lijve ondervinden wat armoede betekende en wilden de organisatoren zo onze compassie doen toenemen?

Wat ik van de lezingen begreep was dat de armen armer worden, de rijken rijker. Ten gevolge van het kapitalisme en de erbarmelijke werk- en levensomstandigheden ontstaan er grote migraties van het zuiden naar het noorden. De vijandschap ten aanzien van vreemdelingen en vluchtelingen neemt toe. Vooral begreep ik dat we meer compassie nodig hebben. Dat waren duidelijke inzichten. Tweeëntwintig jaar later is het alleen maar erger geworden.

pasolini

Er waren die week zoals het betaamt ook vrije momenten. Zo kwam het dat ik op een middag met mijn vrienden Isabelle D. en Hotman H. in een café aan de Strada Lungomara zat. Ik had me verbaasd over de foto’s aan de wand van Bernardo Bertolucci en Stefania Sandrelli, die er ooit te gast waren, en liet nu mijn blik rusten op de vredige Tyrreense zee.
Ik had tevoren met onze gids, mijnheer Mancini, een wandeling in het stadje Sabaudia gemaakt. Mijnheer Mancini was een van de projectleiders. Hij was afkomstig uit Brooklyn maar nu woonachtig in Italië. Zijn vader was destijds uit deze streek vertrokken naar New York en had tijdens de tweede wereldoorlog als Amerikaanse onderdaan en piloot bij het Amerikaanse leger de dorpen rond Sezze mee gebombardeerd. Ondanks of misschien net door deze tragische contradicties was zijn zoon, onze mijnheer Mancini, een beminnelijk man. Hij was tot zijn grote spijt geen familie van de componist Henry Mancini, zei hij terloops op een vrije avond, terwijl we op weg waren naar een ijssalon pal tegenover La Fontana dei Quattro Fiumi van Gian Lorenzo Bernini op Piazza Navona in Rome.
Vanuit mijn antifascistische overtuiging, nog verhevigd door de voordrachten van de Italiaanse filosofen, – vooral het pathos van hun vertogen had aanstekelijk gewerkt – was het voor mij onmogelijk om die fascistisch-modernistische architectuur te appreciëren. Ik vond het allemaal even lelijk en deprimerend. De strakke, harde lijnen deden me aan die verschrikkelijke gebouwen aan de Kunstberg in Brussel denken en uiteraard ook aan de EUR-wijk in Rome. Was dit alles maar moeras gebleven, dacht ik in alle stilte. Sommige gedachten mag je natuurlijk niet uitspreken, maar het is al goed mama, dat is het leven en alleen maar het leven.

L’amico di famiglia veranderde niets aan het negatieve beeld dat ik mij in 1996 van Sabaudio heb gevormd. Toch wil ik er graag nog eens terugkeren en met de heldere blik van Pasolini naar de stad kijken en mijn ogen daarna laten rusten op de Tyrreense zee en mij proberen voor te stellen hoe Bernardo Bertolucci  zo lang geleden naar diezelfde zee heeft gekeken.

[1] Now we find ourselves in front of the structure, the shape, the profile of another city bathed in a sort of grey lagoon light, although surrounded by a beautiful Mediterranean maquis. This is Sabaudia. I can’t tell you how much we intellectuals laughed about the architecture of the regime, about cities like Sabaudia. But now, observing this city closely, we feel something totally unexpected. There is nothing unreal or ridiculous about Sabaudia’s architecture. With the passing of the years, this lictorian architectural style has become the meeting point between metaphysical and realistic linked feelings. On the one hand, it evokes metaphysic related feelings in the most genuine European meaning of the word ‘metaphysic’ because it reminds us, for example, of De Chirico’s metaphysical painting. On the other hand, it evokes realistic related feelings because you can see even from a distance that these cities are truly suitable for human beings. One feels that there live regular families, human beings, complete living beings who are fully immersed in their umility.
How did this almost miraculous fact happen? How come that a ridiculous, fascist city suddenly seems to be charming?
We must examine this case a little more closely: there is no doubt that Sabaudia has been created by the regime, but actually there is nothing fascist about this city, apart from some external aspects. Therefore, I say that fascism, the fascist regime, was nothing else than a group of criminals who came to power. It wasn’t able to do anything, neither to affect the Italian reality, nor to scratch its surface. Therefore Sabaudia, although arranged in a rationalistic, aesthetising, academic way, is not rooted in the fascist regime by which it was created, but rather it is rooted in the Italian provincial reality that has been tirannically dominated and never conquered by fascism. In other words, it was the provincial, rustic and paleo-industrial Italian reality that created Sabaudia, and not fascism.
Now, instead, the opposite is the case. The regime is a democratic one, but fascism was unable to obtain both acculturation and homologation that today’s consumer society succeeds in obtaining by destroying the several micro-realities that made up Italian society in the past. This acculturation is actually destroying Italy. Therefore, I can state with absolute certainty that the true fascism consists in the power of today’s consumer society, which is destroying Italy. This happened so fast that we basically did not realise it. Everything happened in the last five, six, seven, ten years. It has been a kind of nightmare, in which we saw Italy around us destroying itself and then disappear.
And now, perhaps awakening from this nightmare and looking around us, we realise that there’s nothing to do.
Pier Paolo Pasolini, 7 februari 1974 (vertaald uit het Italiaans)

Latium_et_Campania

Afbeeldingen: L’ amico di famiglia; Sabaudia; Pasolini; landkaart van Latium

 

GELDSTROOM

grosz_wintermaerchen-1

De geldstroom gaat van het rijke Vlaanderen naar de parasieten in Brussel en Wallonië zegt de NVA en blijven de ‘grote denkers’ van de Vlaamse Gedachte als een mantra herhalen. In werkelijkheid gaat de geldstroom zowel in Vlaanderen als Brussel en Wallonië – en overal ter wereld – van de armen en de middenklasse naar de rijken. Een miserabele stroom in één enkele richting. Naar wie gaan de belastingen, naar wie de opbrengsten van de handel in gas en elektriciteit? Van spectaculaire festivals, autosalons, verzekeringen, consumptietempels, halloween- en kerstmisrommel, vastgoed, huishuur?
Vanuit hun hoogte kijken de rijken samen en eendrachtig vol minachting neer op het gepeupel (wij) dat hen onderdanig aanbiedt wat zij eisen. Wie begrijpt waarom die uitbuiters zonder grenzen zo geliefd zijn en zoveel krediet krijgen?

Afbeelding: Georg Grosz, Deutschland, ein Wintermärchen