TEACH ME TO FORGET YOU, WALLY TAX

wally tax love in

Nederland was zo al geen bezoek meer waard en nu Wally Tax overleden is mag dat land van de kaart worden geveegd (ik maak een uitzondering voor Bergen en Schoorl, echte dichtersoorden). The Outsiders waren in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw de ruigste en beste beatgroep van Nederland, en na the Rolling Stones en the Who, van de hele wereld. Wally Tax was hun charismatische zanger en mondharmonicaspeler.Als hij zong kreeg je meteen kippenvel. Dat is niet zomaar een gratuite bewering: ik heb het echt meegemaakt in de Teeny Club in Hasselt, omstreeks 1967. The Outsiders speelden loeihard, en produceerden zeer hoge tonen. Een week later in het Koninklijk Atheneum in Tongeren hoorde ik Ron Splinters gitaarsolo’s nog altijd nafluiten in mijn oren. Eigenlijk hoor ik dat geluid nog steeds een beetje. Maar wat ik vandaag vooral hoor is die soulvolle, tegelijk dreigende en strelende stem van Wladimir Tax. De man was ongeveer vijftig procent romanticus en vijftig procent punk. De muziek die hij schreef (samen met Ron Splinter) was emotionele, tedere en boze rock &roll. Hoe vaak heb ik niet geluisterd naar Afraid Of the Dark, Teach Me To Forget You, The Filthy Rich, Touch en natuurlijk Lying All the Time. Ik heb die platen ook niet van de hand gedaan of op zolder gelegd: ze horen bij mijn wereld. Net zoals de romans van Remco Campert, de essays van Simon Vinkenoog (die over the Outsiders heeft gepubliceerd in het boek Vogelvrij) en de platenbesprekingen van Jan Donkers – allemaal Grote Nederlandse Helden – blijken de liedjes van Wally Tax en Ron Splinter bouwstenen voor mijn bestaan te zijn geweest. “You taught me how to love you / Now better teach me how to live without you.” Het leven heeft weer wat minder zin in mij. Zo blijf ik nu zonder woorden achter tot iemand ze weer tot leven wekt. Jij?

ADOLESCENTIE IN LIMBURG

tinke

Eergisteren vertelde ik Laura nog een paar dingen over mijn adolescentie in Limburg. Er waren, zoals bij Marcel Proust, twee kanten : de kant van Hasselt (mijn vrienden Jan en Luc) en de kant van Neerharen (mijn vrienden Valère, Jean-Pierre, Martin, Jean en mijn vriendinnen Anita, Linda en Sylvia). Die twee werelden liet ik niet met elkaar in aanraking komen. Er is veel te vertellen over die periode, het midden van de jaren ’60. Je had de lokroep van de ‘misdaad’ – meer bepaald spionage – ontstaan uit fantasieën over James Bond met zijn Lüger en zijn goudgelakte vriendinnetjes. In Eisden Cité toonden wat oudere, gevaarlijkere jongens mij hun fonkelende knipmessen. Zelf had ik een luchtkarabijn en een luchtpistool, waarmee ik soms wel eens op vogels en zelfs op kippen schoot. Die kakelden dan alleen maar even en dan zochten ze weer verder naar iets eetbaars in de ondankbare aarde. Gaia bestond toen natuurlijk nog niet. Dan waren er ook de verlokkingen van de Congo Bar en de Paddock waar je gin fizz en zelfs pure Gordon’s Gin kon drinken. Ik was altijd de leider van de groep in Neerharen. Maar leiders worden verraden, dat moet je erbij nemen, ook al ben je Napoleon Solo II. En toen kwam 1967: flower power en een nieuwe wending in het leven van talloze jongeren. Weegaloze jaren braken aan. Mijn achttiende verjaardag. De twee kanten kwamen voor het eerst samen: Luc, Henri, Jan, Anita en nog een ander meisje (haar naam voor altijd weg, nee, die staat wellicht in een dagboek uit die tijd). De meisjes uit Neerharen waren welkom op mijn feestje, de jongens kwamen uit Hasselt. Doctor John the Nighttripper, zoals hij toen nog heette. Die voodoo had nog nooit iemand gehoord. En niemand maar dan ook echt niemand kende White Light White Heat. Hoe dat in 1968 klonk, dat kon je aan geen mens vertellen. It’s like telling a stranger about rock and roll. Daar dansten we dan op: Doctor John, the Velvet Underground… En op Vincebus Eruptum van Blue Cheer. De vader van Anita was rijkswachter, geloof ik, of toch politieagent, Anita zelf een fan van Engelbert Humperdinck. En waarom ook niet. Op Anita’s zus Linda, een onderwijzeres, was ik verliefd, maar zij had al een verloofde. Slechts één avond heeft ze mij gegund, meer niet. Waarom maar één avond en geen twee of helemaal geen, las ik ergens. Je bent natuurlijk nooit origineel in deze tijden van walging en afgrijzen. Wist je al dat de paus dood is?

Op 7 juni vind je mij in het Koninklijk Circus, bij Mercury Rev. Er is nog niet veel veranderd. Vorige zaterdag luisterden we in Antwerpen naar liedjes van the Mamas en the Papas en the Searchers en dansten we in Gent op Jackie DeShannon en Big Star. De bruid danst nog steeds rock & roll of struikelt, blind van dronkenschap, en valt in een ondiepe put. De taxichauffeur wacht stoïcijns, of is het onverschillig, tot het stof is weggewaaid. Over de vreemde gebeurtenissen van gisteren vertel ik morgen of later, veel later. Je moet de dingen doseren. De weinig slaap die je is gegund moet je als was het een vrouw of een grote teddybeer knuffelen tot je ervan in slaap valt!

Foto: Tinke (Martin) en ik in Neerharen.

HELDEN EN HYPOCHONDERS

België is een goed land voor hypochonders. Hier is altijd wel iets wat je ziek maakt of je het gevoel geeft dat je ziek bent of binnenkort ziek zal worden. Gisteren hoorde ik dat we binnenskamers voortdurend formaldehyde, een kankerverwekkende stof, inademen en vandaag las ik in de krant dat de lucht buitensporig vervuild is. Ik had al net zo goed mijnwerker kunnen worden… Van mijnwerkers gesproken: ik heb een paar dagen geleden beslist dat Working Class Hero – in de originele versie van John Lennon – op mijn begrafenis ten gehore zal worden gebracht. Ik ben bezig aan een nieuwe lijst begrafenisliedjes… Dat is een lastige onderneming. Er is zoveel keuze. De requiems kan ik natuurlijk al elimineren, want die liggen te zeer voor de hand (ook al is het requiem van Berlioz zeer opwindend). Het is overigens de tijd van de helden: de media zijn koortsachtig op zoek naar grote Belgen, waarschijnlijk omdat er geen grote Belgen meer zijn of niemand nog durft zeggen dat hij of zij een Belg is. Ik ben alleszins een echte Belg, maar dan wel een kleine. (Tenzij na middernacht, onder invloed van voldoende wijn, of soms ook wel overdag en nuchter, maar dan in het diepst van mijn gedachten). Er is een tijd geweest dat er geen helden meer waren; het was in ieder geval niet cool en niet politiek correct om aan heldenverering te doen. Zelfs Thomas Carlyle werd om die reden fascisme – avant la lettre – aangewreven. Alleen met kunstenaars en filmsterren mocht nog gedweept worden, maar ook dat deden alleen naïeve mensen. No more heroes anymore, zoals the Stranglers al zongen. Ik heb me daar nooit om bekommerd. Voor mij zijn er altijd helden geweest, grote historische figuren, lichtende voorbeelden, kunstenaars, filosofen, schrijvers, songschrijvers… Van Alexandre Dumas, Edgar Allen Poe en Elvis Presley in mijn kinderjaren via Jean Eustache, Virginia Woolf en Friedrich Nietzsche in mijn studententijd tot Paul Auster en Gillian Welch in deze prachtige tijd waarin we nu leven. En honderden anderen natuurlijk. Lijstjes volgen later. Lijstjes maken, een mooie obsessie.

STEMMEN, ACTRICES EN ZANGERESSEN

Eindelijk nog eens genoten van een Franse film: Le goût des autres van Agnès Jaoui. Een subliem moment is de scène waarin Castella (Jean-Pierre Bacri) geraakt wordt door de ziel van het theater en tegelijk ook in vuur en vlam schiet voor de actrice Claire (Anne Alvaro). De ‘goede smaak’ wint het voor een keer van de onverschilligheid en de botte zakelijkheid. Ik denk dat het de stem van Claire is die zulke verstrekkende gevolgen heeft, de stem van Bérénice, de stem van Anne Alvaro. Deze film getuigt van veel liefde voor het theater; hij geeft je alvast zin om de werken van Racine te (her)lezen en indien mogelijk te gaan zien. Ik herinner me dat ik een tweetal jaar geleden nog zeer genoten heb van de Andromache-voorstelling van Paul Peyskens in de Bottelarij (KVS). Ik dacht toen dat ik me erg zou moeten inspannen om zo’n klassiek stuk te kunnen appreciëren, maar dat bleek helemaal niet het geval te zijn. Tragische heldinnen liggen mij wel. Eigenlijk heb ik een zwak voor zowat alle actrices en zangeressen kunnen voor mij ook niet veel verkeerd doen. De voorbij dagen heb ik nog geboeid zitten luisteren naar Uh Huh Her van PJ Harvey. Ook zij heeft iets van een tragische heldin, ook al is ze dan een 50 ft. Queenie.Voor dronken nachten word ik te oud, ook al heffen wij het glas (de tientallen glazen) op de verjaardag van een radicale breuk in onze persoonlijke geschiedenis en vieren wij ineens ook de mooiste dag van het jaar. De ellendige nasleep van zo’n feest duurt ettelijke dagen. Misschien is de tijd aangebroken van soberheid, van abstinentie, van water en eenvoudig brood. Misschien… Maar terwijl ik dit schrijf hoor ik al de belletjes rinkelen van het carpe diem. Zal ik dan toch in de voetsporen van Fernando Pessoa moeten gaan? Dat getuigt dan wel van weinig persoonlijkheid, van weinig karakter. Ja, ik weet het, ik bijt in mijn eigen staart, ik ben een oeroboeros… Voilà, zo is het weer goed geweest.

DE GEEST VAN ROCK & ROLL

marina

Tequila als medicijn tegen nostalgie en afgrijzen. De dagen na 1956, na Hongarije, na de wereldhonger van de twee verbeten broeders. Het groene loof en de dennen lachten hem toe toen hij met zijn jonge bruid de paden plat trad. Maar het sprookje bevatte ook een beproeving: verbanning in een oneindig woud. Lang voor het midden van het leven vond hij al geen uitweg. Mission Impossible. Kuifje in de hel, tussen de vijanden in nonnenkleren, die hem nog het liefst van al dood hadden geknuppeld.Een wildernis, nog zonder beschaving. Tenzij die van de zoetere huid van de jonge vrouwen voor wie hij danste als een bosgod. Je had zijn grimassen moeten zien, zijn rubberen gewrichten. Allemaal voor de witgejurkte bosmeisjes. Zij vonden hun orgasme uit tijdens zijn ontdekking van de rock & roll. Graag hadden ze hem in hun bed genomen. Maar er waren hindernissen, heilige en schijnheilige normen. Was hij niet veel te jong?

Overigens droomde hij zelf van een andere, zuivere liefde voor een meisje even ongeschonden als hij. Zo bestonden er volgens hem twee, de ene een Griekse, de andere half Hongaars. Veronica S en Henriëtte P. Was hij een vriend van de vreemden? Ja. Het kon ook niet anders. Hij was zelf een vreemde.Hij dacht, laten we maar eens écriture automatique proberen. Zoals in de naïeve tijd na 1956. Maar hij denk teveel na. Keer terug in de tijd… De tijd dat hij gekweld en gelukkig was. Een heilige die de wereld van goud zou maken, dacht hij. Hoe? Dat zou hij onderweg wel zien. Mission Impossible. Voorlopig was er toch al het lichaam, zacht en hard als koorts. Vrouwen werden zwanger en bevielen…

Niet dat alles gesmeerd liep. Ze waren geen machines, liepen niet op wieltjes. Voorlopig waren er boeken. Hendrik Conscience, Dostojewski, Tolstoj, Alexandre Dumas. Voorlopig was er rock & roll. Wat hij rock & roll noemde. Elvis Presley. Het verdriet van Connie Francis en het wild genot van Wanda Jackson. Fats Domino met zijn platte kop en New Orleans funk. The Land Of 1000 Dances. Little Richard’s oerschreeuw. De geboorte van de soul en meteen ook van de zwarte country in de stem van Ray Charles. Alles moest nog beginnen: weelderige angsten, tulpensnijdend lachen.

Weet je wat je bent? Een benevelde agrariër. Armand zei dat, en hij had gelijk. En alles wat je zegt ben je zelf. Uit rock & roll geboren. Was dat Nietzsche, die dat zei?

 

DAGEN ZONDER ZORGEN

Slapeloze nachten en dagen zonder dromen. Boeken blijven toe, poriën gesloten. Je vraagt me iets nieuws te schrijven, maar er is niets nieuws. Alleen maar klachten, zoals je ziet. Ik denk dat het beter is de dingen op hun beloop te laten; het water in de rivieren stroomt zo ook wel naar de zee. We kunnen er wel eens in zwemmen of pissen of vissen, maar veel meer is niet mogelijk. Je kunt natuurlijk net zo goed een wijsje fluiten als zwijgen of een blues aanheffen in plaats van over maagkwalen en muffe slaapkamers te zaniken. Dat kan allemaal, maar ook dat zal geen renaissance veroorzaken. Sommige mensen zijn voor kleine nachtmuziekjes geboren, anderen, zoals Matthew Barney, waar S. en ik het deze middag over hadden, voor schetterende trompetten en paukenslagen. De ene mens houdt het bij schaarste, de andere plooit zich naar overvloed.

Deze morgen hoorde ik Ray Davies nog eens zingen:You worry ‘bout yourself /What’s the use of worrying now you’re almost grown / You worry ‘bout your own / What’s the use of worrying ‘cause you’ll die alone / Times will be hard, rain will fall / And you’ll feel mighty lowBut the world keeps going round / The world keeps going round / You just can’t stop it / The world keeps going round (uit: The World Keeps Going Round). Troostende woorden zijn dat, uit de mond van een eenvoudige Britse jongeman.

DE MELANCHOLIE VAN LILIUM

Het sluimerende bewustzijn bij het begin van de lente is iets om te koesteren. Die dierlijke loomheid waarbij het verlangen naar het hart van de wereld toch al op de loer ligt. Je zal geen revolutie ontketenen, maar voor de rest is alles mogelijk. De film Sideways heeft je enigszins verzoend met je mislukkingen en heeft je heel veel zin gegeven om naar Californië te reizen en er wijn te gaan drinken. Cool jazz, zonneschijn, vriendelijke mensen en zinnenstrelende wijngaarden. Nu nog een rijbewijs halen.Ik heb de voorbije dagen met bijzonder veel genoegen geluisterd naar Short Stories van Lilium (het project van Pascal Humbert en Jean-Yves Tola uit 16 Horsepower). Zeker het nummer Sorry met gastzangers Tom Barman en Kal Cahoone klinkt aangrijpend. Tijdloze melancholie en grenzeloze begeerte op muziek gezet. Ja, woorden schieten altijd tekort als je iets over muziek wil uitdrukken.

GUN CLUB EN WOVEN HAND

gunclubmiami2

Op de achtergrond David Eugene Edwards en Woven Hand. Troost voor de eenzame vent verloren gelopen op de Vlaamse kermis. Ik spits mijn oren voor de stem van een man die kennelijk definitief aan het gewauwel is ontsnapt. Iemand die de tragedie van het bestaan en de onverbiddelijkheid van het lot heeft aanvaard maar toch niet gaat liggen in de sneeuw. Een geestesgenoot van de betreurde Jeffrey Lee Pierce, aanvoerder en bezieler van the Gun Club, wellicht de beste rockband in de jaren ’80 van de vorige eeuw. Een aanrader is hun tweede album Miami, onlangs heruitgebracht. Luister toch eens naar Mother Of Earth: het is een klacht, een gebed, maar de zanger weet dat het allemaal geen zin heeft, want natuurlijk is er geen god, zoals Hölderlin, en na hem Nietzsche, al zei. Jeffrey Lee Pierce, bijna negen jaar geleden gestorven (31 maart 1996). De Vlaamse kermis vervult mij met afgrijzen. Wat willen al die leeuwtjes toch bereiken. Eigenlijk zijn het haantjes maar dat beseffen ze niet eens. Je wordt er zo moedeloos van. Brussel, Halle, Vilvoorde, jongens toch, lees eens een boek of ga naar de cinema. La chair de l’orchidée, als ik jullie een film mag aanraden, van Patrice Chéreau. (Aan die man zou het Blok nooit subsidies geven, ze zouden hem nog eerder beroven!) Of eens lekker neuken, daar is ook niets mis mee. Maar stop met het geleuter over splitsen en barsten. Stop al jullie energie liever in België, maak daar een mooi land van. Ruim al de rotzooi op. Vriendelijke mensen hebben we nodig, bezieling, verlangen, amour fou. En af en toe the blues, het maakt niet uit in welke taal, het mag zelfs die van Themroc zijn. Het land behoort aan iedereen. Woody Guthrie had gelijk.

Foto: Agnes Anquinet

ONGEWOON VERTREK

vertrek

Dit zijn mijn eerste notities op Hoochiekoochie. Heb ik iets mee te delen? Over het gevecht met duivel van de verveling. Over kopen om aan die Lucifer te ontsnappen. Vandaag gedichten van Pindaros (de uitverkorene van mijn uitverkoren Hölderlin, dat zit wel goed); nog meer gedichten, van Coleridge en Oscar Wilde; Het seksuele leven van Cathérine M. Dat laatste zal ik waarschijnlijk niet lezen. Ik heb er al fragmenten van gehoord in een voorstelling van Needcompany: No comment. Een onvergetelijke ervaring, om dat te horen en te zien, maar het heeft geen zin gegeven om het boek te lezen. Waarom koop ik het dan? Omdat ik niet goed wijs ben, zeker? Boeken zijn trouwens geen cent meer waard. Ik ben het bij De Slegte gaan vragen. Zelfs voor vijfhonderd boeken komen ze niet meer bij je thuis, vooral niet als het om romans en verhalenbundels gaat. Mijn huis staat vol oud, waardeloos papier.

Gisteren ben ik op zoek geweest naar de oude tijd, dit keer in de muziek. Dat gebeurt wel vaker. Robert Nighthawk, een nogal gespleten bluesman, Earth Opera (met Peter Rowan, Richard Greene en David Grisman) en de eerste elpee van the Allman Brothers Band, uitgebracht in september 1969. Op die dag begon voor ons luisteraars de southern rock. Van Dreams heb ik altijd kippenvel gekregen, gisteravond is gebleken dat dat nog altijd het geval is.  Het nummer roept steevast herinneringen op aan een wandeling in het Zoniënwoud met mijn oude vriend E.. We hebben een kleine cassettespeler bij en opeens weerklinkt dat bijna dreigende en toch dromerige jazzy orgel en even later de machtige stem van Gregg Allman: “Just one more mornin’ / I had to wake up with the blues / Pulled myself outta bed, yeah / Put on my walkin’ shoes, / Went up on the mountain,: / To see what I could see, / The whole world was fallin’, / right down in front of me. Kippenvel en tranen van ontroering.

Toch leef ik niet voortdurend in het verleden, gelukkig maar. Een paar weken geleden zag ik Rilo Kiley en Bright Eyes in de Botanique (hoewel een paar weken geleden: dat is ook al verleden). Ook die twee bands hebben mij behoorlijk van m’n stuk gebracht, vanwege hun lyrische kracht en hun authenticiteit. En Jenny Lewis is natuurlijk een heel mooi meisje.

Foto: François Brouns