OP ZOEK NAAR MIJN SCHADUW

hc andersen

Vandaag ging ik op zoek naar mijn schaduw. Soms denk ik dat het de enige ware vriend is die me nog rest. Maar wellicht is dat een combinatie van verblinding, ijdelheid en narcisme. Verblind door te lang in de spiegel te kijken? Mijn schaduw heb ik niet gevonden. Het verbaast me niets dat hij het hazenpad heeft gekozen. Voortdurend mijn geweeklaag aanhoren, ook al is het voortreffelijk geformuleerd, moet op den duur moedeloos maken. Dat kan niet anders. Verblind, daarom, liep ik door het centrum van Brussel met niets dan muziek in mijn hoofd. Al het andere was in het niets verzonken; zelfs de politie in de buurt van de Amigo bracht me niet aan het schrikken. En zo gebeurde het dat ik bijna de bijbel kocht, terwijl ik hier thuis al een flink uit de kluiten gewassen exemplaar heb liggen. Net op tijd ontwaakte een heldere gedachte. Dit gaat te ver, leek ze te zeggen. Die sprekende gedachte werd net niet overstemd door Vic Chesnutt, die een klaagzang over jong sterven had ingezet. Dankzij dat lied rees er een andere gedachte op, of veeleer een herinnering aan een overleden broer en vriend, Ludwig, en het overweldigende van die herinnering deed de wereld weer opengaan, de wereld van de levenden en de doden. Zink niet weg in de rampspoed, jongen, laat je niet vernietigen door bijkomstigheden. Schud de platvloerse en onbeschofte mensen, het crapuul met messen in de zakken en geld in de ogen, van je af en omhels degenen die in liefde leven. Of zoals Robin Williams zei: Carpe Diem. Later, in de metro, las ik een interview met Crispin Glover, die treurt over de afwezigheid van een tegencultuur. En ik dacht, zijn treurnis is al een bewijs van het bestaan van een tegencultuur. Met die tegencultuur, die de echte cultuur is, wil ik me opnieuw vereenzelvigen. Daar ligt de toekomst. Ooit is het met liefde en de absolute zekerheid van de authenticiteit van de eigen stem begonnen. Als je de weg terugvindt, met of zonder Ariadne, naar die oorsprong, dan raak je weg uit dit labyrint van tegenslag, mislukking en verdriet. Opnieuw de schittering zoeken, het sublieme, niet zozeer in je spiegelbeeld, maar vooral in de andere mensen, die je tegemoet treden als je dat het minst verwacht. Treed jij hen nu ook maar tegemoet. Maar wees voorzichtig, man!

“‘Weet u wie daar woonde in het huis van de overbuur?’ zei de schaduw, ‘dat was de verrukkelijkste van allen, dat was de poëzie! Ik was daar gedurende drie weken en dat werkt net zo in, alsof men gedurende drieduizend jaar leefde en alles las wat er gedicht en geschreven was, want dat zeg ik en dat is waar. Ik heb alles gezien en ik weet alles!'” H.C. Andersen, De schaduw.

EEN DEFINITIE VAN DE ZIEL

green on red

Er is geen bepaalde reden waarom ik almaar terugkom op de ziel. Ik denk alleen dat er een verband is met mijn liefde voor soulmuziek. In een boek van Michel Onfray las ik iets over het sublieme in verband met de ziel (en zoals je weet was ik zo vol van ons subliem anders-zijn voor ik – nu bijna een week geleden – een toontje lager ben gaan zingen). Onfray schrijft dat het sublieme een vreugde is “die aangrijpend werkt op de ziel, ofwel op hetgeen in de materie de impulsen wekt waardoor je geschokt wordt – het door de cultuur gevormde zenuwstelsel, dat op zijn beurt vormgeeft aan de beschaving.” Hier heb ik dan eindelijk een sluitende definitie van de ziel. Misschien kan ik er voortaan over zwijgen, er van uitgaande dat iedereen weet waarover ik het heb als ik me aan metafysische uitspraken te buiten ga, terwijl ik me tot de rock & roll zou moeten beperken.

Op dit ogenblik luister ik overigens naar een oude plaat van Green On Red, een van de betere bands uit de jaren tachtig, een van de weinige die toen nog gitaar durfde spelen en songs maken over het werkelijke bestaan. Als er iemand is die weet wat er met Dan Stuart is gebeurd: je kent mijn adres. That’s what dreams are made for.

TROOSTENDE ENGEL

filippino lippi tobias en de engel

Een heel goede vriendin was boos op me omdat ik me zaterdagnacht doelbewust in een onveilige situatie had begeven. Ze zegt dat ik zoals de hindoes moet vertrouwen op God maar wel een paraplu meenemen. Voor een atheïst als ik, zegt ze, komt dat neer op vertrouwen op het leven maar niet dansen op dun ijs. Ze heeft natuurlijk gelijk en nog belangrijker is dat ik me getroost voel door haar bezorgdheid, die volkomen in tegenspraak is met wat ik schreef over het egoïsme van de mensen. Er zijn toch nog lievelingen in deze hel die wij zelf maken. Mensen die we graag engelen zouden noemen en lang in onze armen houden om hun warme te voelen, het vibreren van hun ziel. Toch zou ik nog altijd de vrijheid willen hebben om te kunnen dansen wanneer ik dat wil, ijs of geen ijs. En als je geen risico’s neemt verandert er ook niets en blus je na een tijdje uit. Dat dreigt nu te zullen gebeuren. Wat aanbreekt is een periode van aangename zomeravonden met vrienden, thuis of op terrassen, een gezellige babbel, een paar glazen wijn en dan naar bed. Gedaan met onverwachte ontmoetingen en ‘the kindness of strangers’. Maar wie bepaalt ons lot en hoe weten wij waar wij naartoe gaan? Waar zijn wij eigenlijk? En wie zijn wij?

Foto: Filippino Lippi, Tobias en de engel

OMGEVEN DOOR ALLERHANDE OBJECTEN

lucian freud - closed_eyes

Problemen! Ik heb een iPod gekocht, en toch ben ik geen dief. Als je een dergelijk toestelletje aanschaft word je nochtans via een sticker gewaarschuwd dat diefstal van liederen een doodzonde is, of iets dergelijks. Je kunt er zelfs voor gestraft worden, geloof ik. Met wat is me onduidelijk, het zou wel eens verbanning kunnen zijn naar een streek waar geen muziek bestaat. Dat is dan zeker niet de hel, want daar zitten de allerbeste muzikanten, onder wie Wolfgang Amadeus Mozart en Robert Johnson. Iedereen weet toch dat Wolfgang een vrijmetselaar was; en Robert verkocht op een kruispunt in de staat Mississippi zijn ziel aan de duivel, net zoals Faust. Op mij is die waarschuwing echter niet van toepassing, want zoals ik al zei ben ik geen dief. Voorlopig toch niet. Wat ik doe met die iPod is combineren, verbanden leggen, verzamelingen maken, radioprogramma’s – alleen maar voor mezelf – samenstellen. Ik gebruik daarvoor mijn zeer uitgebreide cd-collectie, die onder meer door iPod en i-tunes stilaan overbodig wordt. Soms laat ik mijn iPod gewoon zijn zin doen en dan word ik telkens weer verrast door zijn goede smaak: hij is een uitstekend mixer. Maar wat is er dan aan de hand? Het probleem is dat ik niets meer doe. Ik schrijf niet meer, lees niet meer, bekijk geen films meer en beluister nog nauwelijks muziek! Al mijn vrije tijd gaat naar het op harde schijf zetten van mijn uitverkoren songs en daar dan weer selecties uit maken voor mijn ipod. Doodmoe van dat zenuwslopend met schijfjes jongleren ga ik dan (veel te laat) naar bed en doe meteen het licht uit, zonder eerst nog een uurtje of een half uurtje wat te lezen in het verzameld werk van Giorgio Bassani of in ‘Op zoek naar de verloren tijd’, of in om het even welk ander meesterwerk. Wel stop ik voor ik het licht uitdoe de oortjes van de ipod in mijn oren, na eerst vlug een selectie gemaakt te hebben van wat ik bij het in slaap vallen wil horen. (Dat boek van Martha Nussbaum over de emoties zal nog lang ongelezen blijven liggen, denk ik.) Die ipod is een verjaardagsgeschenk aan mezelf: morgen is het mijn verjaardag (ook die van Markies De Sade, Thomas Hardy en Charlie Watts). Ik begin te vermoeden dat ik mezelf er de duivel mee heb aangedaan. Hoe meer je toestaat dat de objecten je leven gaan beheersen, hoe ongelukkiger of ontevredener je wordt. ’s Nachts keer je dan terug naar een wereld zonder objecten en ’s morgens word je uitgeput en vooral boos wakker: terug in de werkelijkheid. Het paradoxale van zo’n iPod is dat het een object is waarmee je je voor de andere objecten kunt afsluiten. Een ideaal cadeau voor narcisten en escapisten die vol angst en beven door het leven gaan.
Reproductie: Lucian Freud, Closed Eyes.

HOE NEEM JE AFSCHEID?

COO

De seizoenen volgen elkaar vliegensvlug op. Het is nog maar net m’n verjaardag geweest en ik ben al opnieuw aan de beurt. Ons leven op aarde is een korte vakantie (of een werkkamp, zo je wilt). We zijn nergens gelukkig maar willen toch blijven. Dat is paradoxaal. Je komt dat bij heel veel schrijvers tegen: het beste is zo snel mogelijk terug te keren naar waar we vandaan komen. Ook bij Leopardi, in ‘De herinneringen’, een van de mooiste gedichten die ik ken. Het leven op aarde is een hel, maar we zijn verontwaardigd als we worden verdreven. Leven is afscheid nemen. Elke dag moet je van iets afscheid nemen. Als we op reis zijn, zeg ik vaak tegen Laura: hier komen we nooit terug. En dan overvalt me zo’n wee, droevig gevoel. De meeste streken die we hebben bezocht, zullen we nooit weerzien. En dan zijn er nog zoveel plaatsen op deze wereld die we nooit zullen bereiken: Azië, Afrika.

‘s Nachts voor het slapengaan komt het vaak voor dat ik plotseling denk, het is toch een groot bedrog dat wij moeten sterven. Leven is eigenlijk iets dat niet mag ophouden. Sterfelijkheid is een schande, zei Elias Canetti. Afscheid nemen is voor mij altijd moeilijk geweest. Afscheid van mijn moeder toen ik naar ‘de kolonie’ (het Kinderdorp in Rekem) moest, op mijn achtste. Ik had tot dan in de veilige cocon van het schip en kort bij de warmte van mijn moeder geleefd. ’s Nachts het geklots van het water, dat zal hebben geleken op de tijd in de baarmoeder. Of het gebonk van de motor, als vervanger van het hart. Verdreven worden uit de baarmoeder is verdreven worden uit het paradijs. Roger Lewinter: “Précisément parce que l’être humain se conçoit dans un dehors extatique, où il s’élabore en dedans, après la naissance, expulsion du paradis, pour retrouver l’adéquation existentielle, l’état duel, confusionnel, du dehors-dedans, le dedans doit devenir à soi-même son dehors. Le corps, après la naissance, est ainsi le lieu de tout dehors, où l’être humain se représente la relation paradisiaque initialement vécue dans la matrice. » (Groddeck et le royaume millénaire de Jerôme Bosch,20.)

Soms sta ik voor mijn boeken en wordt het me teveel omdat ik dan besef dat ik de meeste werken nooit meer zal lezen. En mijn platen- en cd-collectie is zo groot, dat ik er nooit voldoende tijd voor zal vinden om alles te beluisteren, zelfs niet één keer. (Toch wel gek dat je dan toch CD’s blijft kopen, als je weet dat je ze misschien maar één of twee keer zal beluisteren. Na een maand afwezigheid uit de winkels heb ik vandaag weer heel wat schade ingehaald. Zo zit ik nu te luisteren naar Devils and Dust, niet slecht maar ook niet echt ontroerend.).

De melancholie van de middelbare leeftijd. Mijn jeugd is voorgoed voorbij. Maar in mijn bewustzijn ben ik een jonge man gebleven. Ik voel me misschien wel beter bij jongere mensen. Mijn leeftijdgenoten hebben het gemaakt in de maatschappij. Er gebeurt niets nieuws meer in hun leven. Ze staan niet meer open voor ‘het nieuwe’, denk ik soms. (Maar ik mag niet veralgemenen. Ik heb vrienden van mijn leeftijd die helemaal niet aan dit beeld beantwoorden. Zij hebben zich nooit aangepast aan de middelmaat.) Bij jonge mensen voel ik me goed. Maar ik weet niet hoe zij mij zien. Waarschijnlijk ben ik voor hen een oude kerel. Ik geloof niet dat vroeger alles beter was. Ik heb geen nostalgie naar een bepaalde periode. Wel naar dingen die gebeurd zijn in mijn jeugd, omdat ik toen jong was. Als je jong bent is altijd alles beter. Het pijnlijke van je bestaan is dat je niet jong meer bent. Dat zegt Leopardi ook in De herinneringen.Het geeft mij een elegisch en bitter gevoel te weten dat wij moeten verdwijnen en dat de dingen blijven. De stoel waarop ik zit, de tafel waarop mijn koffie staat te dampen. De boeken die ik heb gelezen of die ik in mijn handen heb gehouden blijven na mijn dood achter. Ik houd ze nu samen, ik heb ze bijeengebracht. Als ik dood zal zijn, zullen ze hun betekenis verliezen. Denk maar aan wat er met de boeken van Jos is gebeurd, na zijn dood. Ze hebben hun lezer verloren, die ze leven gaf, ze zijn betekenisloos geworden en mensen met ruwe zeden hebben ze in dozen gestopt en naar markten en tweedehandsboekenwinkels gebracht. Kopers zullen wellicht geprobeerd hebben zijn naam te verwijderen, evenals het gekke ventje dat hij altijd bij zijn naam zette. Dat ons leven korter is dan dat van een boom. Is het daarom dat sommige mensen zo graag bomen omhakken, hele wouden platbranden? Het regenwoud in Brazilië wordt grondig aangepakt. Is het jaloezie van sommige mensen? Kunnen zij het niet verdragen dat het woud hen overleeft en zuurstof zal geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden het meest geliefd op aarde. Dat zegt iedereen. Maar als je ziet wat er met het regenwoud gebeurt, ga je daar toch sterk aan twijfelen.

Tussen mijn twintigste en dertigste voelde ik mij heel sterk aangetrokken door alles wat melancholisch was. Vooral de romantiek. Schrijvers als Shelley, Heinrich Von Kleist, Leopardi, Gérard de Nerval. Dat heeft wel sporen nagelaten, denk ik. Wat hield ik van de zwarte zon van de melancholie.
Eigenlijk zijn er twee vormen van melancholie, tenminste twee vormen: de ene is de zoete melancholie waarbij je terugdenkt aan de gouden tijd van je kinderjaren, de andere is de wrange, tragische melancholie, waarbij je beseft dat je sterfelijk bent, en dat je leven kort is.

Ik heb vandaag een boek gekocht van Martha Nussbaum om geen enkele andere reden dan dat het over emoties gaat. Ik ken die Nussbaum niet, maar emoties wel, en ook de afwezigheid ervan. Waarom zijn de mensen zo afstandelijk, verbergen zij hun emoties, hun gevoelens? Waarom zijn ze er niet als je hen het meeste nodig hebt? Ook weer retorische vragen, natuurlijk, want ik ben zelf een mens. Heel vaak ben ik afwezig geweest, heel vaak ben ik afwezig. Probeer het maar eens, vraag mij eens iets, neem de proef op de som. Terwijl ik naar Bruce Springsteen luister wacht ik af in mijn kamer.

Foto: met mijn ouders en hun vrienden bij de Waterval van Coo

MELANCHOLIE, DOODSANGST

repulsion deneuve mirror

Ik zit vandaag vooral veel voor me uit te staren en te piekeren. Niet echt voor me uit staren: de blik is veeleer naar binnen gericht, ik zie nauwelijks wat er zich om mij heen bevindt. In de supermarkt ben ik vervreemd van de andere consumenten. Ik zet zonder iemand te zien mijn waren op de transportband, stop de etenswaren in mijn rugzak, betaal en ben weer weg. Mijn huidige toestand doet me denken aan die van Cathérine Deneuve in ‘Repulsion’. Dacht zij ook zo veel aan de dood? Dat is vandaag namelijk bij mij het geval. De dood zit mij dwars. Het is diepe melancholie, die verlammend werkt. De zekerheid dat je moet sterven. Het treuren om de dood van vrienden, familieleden, ouders, bewonderde helden.

De kwaal waar ik het enkele dagen geleden over had zit in mijn onderlijf, maar ze zit natuurlijk ook als idee in mijn hoofd – en langs die weg heeft ze mij al nare dromen over knekels en uiteenspattende vruchten bezorgd, dromen die zich afspelen in het onder een gouden nevel rustende rijk van de dood. Ik probeer aan die melancholie te ontsnappen met Brian Wilson en the Beach Boys (‘Cabinessence’, ‘Wind Chimes’, ‘Heroes and Villains’), maar veel helpt het allemaal niet. Ik zal geduld moeten oefenen en wachten tot de zon weer gaat schijnen, of me wat meer inspannen en troost zoeken in de wijsbegeerte.

JUDAS, PAUS JOHANNES PAULUS II EN SAUL BELLOW

SaulBellow

Door al het gedoe in verband met de dood van die verduivelde paus zou je nog gelovig worden. Er wordt over niets anders meer geschreven. De televisie zet ik in ieder geval niet aan: dat is al Johannes Paulus II wat de klok slaat, als er tenminste geen wielerwedstrijden of voetbalmatchen gaande zijn. Voor de rest schijnt er niets meer te gebeuren. Ondanks al die drukte om niets heb ik toch kunnen lezen dat Saul Bellow overleden is. Niet meteen de beste schrijver die ik ooit heb gelezen, maar toch zeker iemand die boven de middelmaat uitsteekt. Humboldt’s Gift zal ik nooit vergeten, onder meer omdat het over Delmore Schwartz gaat (in het boek heet de dichter Von Humboldt Fleisher), en over de dood natuurlijk. Delmore Schwartz’s werk leerde ik dan weer kennen via de hoes van de eerste LP van the Velvet Underground. Het nummer The European Son was opgedragen aan de dichter. Later las ik dat Lou Reed veel had geleerd van Schwartz.

Behalve over de paus is er ook veel te doen over het Judas Evangelie. Vorige week toen ik in de file stond aan de kassa van de Delhaize begon een wildvreemde man die achter mij stond erover. En vandaag las ik zelfs fragmenten van dat Evangelie in de Standaard. Die gnostische tekst spreekt me wel aan. De bijbelse god is eigenlijk slecht en Judas is goed omdat hij Jezus heeft verraden. Als Judas Jezus niet had verraden was de heiland nooit de heiland geworden, want niet aan het kruis gestorven. En dan bevonden zich op dit ogenblik geen miljoenen pelgrims, verblinde uilen eigenlijk, in Rome. Wat vind je trouwens van dit fragment: “Zie op mij neer en hoor mij aan, omdat ik in het lege eenzame land ben” ? Ik hoor er meteen de stem van Bobby Bland bij, vooral als hij zingt “I know how it feels to be a stranger in this unfriendly land” (uit Lead Me On). Ik kon me daar altijd heel goed in herkennen, en nu blijkt dat Judas zich daar ook heel goed in zou kunnen herkennen, als hij nog zou leven. Maar hij is natuurlijk dood. Deze middag, op weg om de neurotische honger te stillen met een aantal muzikale schijfjes, zag ik arbeiders de straat betegelen. Het was lang geleden dat ik er nog bij had stilgestaan hoe belangrijk deze mensen zijn. Zonder hen zouden er geen straten zijn; zonder dergelijke echt werkende mensen zou er bijna niets zijn. Wat betekenen wij dan, wij die geen arbeiders zijn, wij die soms denken dat we veel inzicht hebben en onmisbaar zijn omdat we denken dat we veel weten of omdat we wat woorden aan elkaar kunnen rijgen? Helaas moet ik deze diepgravende overwegingen onderbreken omdat ik me klaar moet maken voor een belangrijk gesprek. Daar buiten wacht iemand op mij, aan wie ik mijn zorgen en mijn angsten kan vertellen. En daarna zien we wel weer.

Foto: Saul Bellow