MEG BAIRD EN KURT VILE IN DE AB

kurt vile

Hebben jullie ook zo genoten van het concert van Kurt Vile, gisteren in de AB? Ik wel. Ik ben er zelfs vrolijk van geworden. Een paar danspasjes in het donker. Jammer dat het publiek nog volop aan het praten was tijdens de romantische en breekbare folk van Meg Baird en Mary Lattimore. Ik dacht, ik sluit de ogen en geef me als aan een droom over aan de geluiden van Meg’s stem, van haar gitaar, van Mary’s harp. Al gauw slenter ik over een zomers strand ergens in Engeland. De negentiende eeuw is maar net begonnen. Wat verderop zitten Shelley en Keats de zonsondergang te bewonderen.
Het lawaai van de mensen beneden was nu dat van de zee geworden. De golven grijs en blauw, witte meeuwen erboven. Meg Baird’s zachte hoge stem is in de natuur, in het grote geheel opgenomen. Het harpspel van Mary Lattimore een lichte bries. Ja, ik hoor nu de muziek die moeder aarde lang geleden toen wij mensen goed voor haar waren voortbracht.
En Kurt Vile? Kurt Vile is bescheiden en lief en speelt mooi gitaar. Hij kan er wat van! Veranderen wil hij wel, Skinny Mini, zegt hij, maar hij wil ook hetzelfde blijven. Hij is een van die kunstenaars die goed zijn in herhalen. Kurt heeft een grappige stem, een beetje die van een Flintstone of een andere mannelijke stripfiguur. Zijn teksten zijn ontwapenend. Ze dreigen te ontsporen, maar dat doen ze net niet. Onmogelijk Kurt Vile niet aan je hart te drukken. Kurt komt uit een gezin van tien kinderen en heeft geen universitair diploma. Mooi gedaan, Kurt!
(Hij is helemaal geen Kurt Weil, de wereld veranderen kan hij langs geen kanten. Vergeet dat maar. Je zal je tevreden moeten stellen met zijn wilde verbeelding.)

Meg-Baird-6-23

VAN DE WREEDHEID EN DE TROOST

puinvrouwen 1

Een van de weinige lezers van hoochiekoochie die af en toe nog commentaar geeft (het is ooit anders geweest) vond mijn beschouwingen van enkele dagen geleden over De roverbruidegom en Friedrich II wreed. Wat zeker het geval is. Waarom schrijf ik soms zulke naargeestige teksten? Het zou kunnen dat ik mezelf, en zo ook mijn lezers, gerust wil stellen. Dat de wrede wereld waar we nu in leven nog wel meevalt, dat de menselijke werkelijkheid vroeger veel erger, veel gruwelijker was.
Omdat ik zelf vond dat zoveel bloedvergieten in het echte leven (geschiedenis) en zoveel gruwelijks in een sprookje (verbeelding) nogal ver ging heb ik er op het einde het droomstukje in conversatievorm aan toegevoegd. Ik houd niet van horror in film en literatuur, al zijn er enkele uitzonderingen, waaronder The Shining van Stanley Kubrick en Sisters van Brian De Palma, en wil mij ook niet aan dat genre wagen. Maar bij het herlezen van mijn tekst vond ik de dialoog van de prins van Homburg en zijn geliefde Natalie een beetje artificieel. Die hele droomscène was er met de haren bijgesleept. Heinrich von Kleist komt wel vaker op de proppen als ik hem niet echt nodig heb. Je zou hem een obsessie kunnen noemen. Nu is hij mijn kroniek binnengeslopen omdat ik net een Italiaanse filmversie van zijn geniaal stuk had gezien, Il principe di Homburg van Marco Bellocchio, waarin de romantische droomwereld van Kleist en zijn personages waarheidsgetrouw wordt geëvoceerd. Een paar dagen eerder had ik voor het eerst de heel bijzondere film Deutschland, bleiche Mutter van Helma Sanders-Brahms gezien. Het toeval wil dat deze enigszins miskende regisseuse debuteerde met een biografie van Heinrich von Kleist én zijn verhaal Das Erdbeben in Chili verfilmde. Dat had ik als Kleist-bewonderaar moeten weten, maar ik wist het niet. Ik vond het vooral een mooi toeval. Twee films gekocht in Berlijn, allebei met een Kleist-connectie. Terwijl ik dit jaar niet eens zijn graf aan de Wannsee ben gaan bezoeken.
Maar je laten leiden door het toeval is niet altijd wenselijk. Als je ziek bent laat je je toch ook niet door het toeval leiden om de juiste arts te vinden? Je zou een tekst als een soort van ziekte kunnen beschouwen. Die heeft de juiste geneeswijze nodig, in dit geval is dat het einde. Er moet over nagedacht worden, gewikt en gewogen, gekozen.

homburg 3

Het einde behoorde de bomen van het volkspark in Friedrichshain toe. De meeste bomen daar zijn recent, de overgrote meerderheid werd tijdens de tweede wereldoorlog verwoest. Wat overbleef werd opgestookt tijdens de barkoude winters na de oorlog. Hetzelfde lot ondergingen de bomen van Tiergarten en andere Berlijnse parken en bossen. De dappere Trümmerfrauen [1] is het allang vergeven dat ze niet wilden doodvriezen. Ze stonden voor ongeveer alles alleen, hun mannen waren gedood aan het front of in krijgsgevangenschap afgevoerd.
De torens en bunkers die zich in het park bevonden werden opgeblazen, de gaten met puin gevuld en met aarde toegedekt. Het zijn nu heuvels, geschiedenisbergjes noem ik ze. Om eerlijk te zijn lijken de bomen helemaal niet op die van het bos dat ik me bij De Roverbruidegom voorstel. Maar zoals zoveel in Berlijn groeien ze op bloed doordrenkte grond. Als ik de geschiedenis laat rusten herinneren de heuvels mij vooral aan wat in de Maasvallei ‘de kip’ werd genoemd, de heuvels aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart, waar ik als kind zo vaak heb gespeeld en gedroomd. Ik was een romanticus lang voor ik wist wat dat woord betekende. Hele zomerdagen zat ik daar in de bomen met mijn pennenmes figuren te snijden uit boomschors en boeken van Alexandre Dumas en Victor Hugo te lezen. Zo reis ik in mijn gedachten van een eerder gruwelijke omgeving naar het pastorale landschap van mijn kinderjaren en vind ik tegelijk troost voor de verschrikkingen van deze tijd.

monte cristo dumas

[1] De puinruimsters worden ook getoond in Deutschland, bleiche Mutter. Helma Sanders-Brahms gebruikte voor haar film échte actualiteitsbeelden.

Afbeeldingen: Trümmerfrauen (puinruimsters); Il principe di Homburg van Marco Bellocchio; De graaf van Monte Cristo van Alexandre Dumas, een kopie van de uitgave die ik in een boom in Neerharen las.

MUZIEK VAN DE GRENS

WoodyGuthrie

Gisteravond luisterde je naar muziek van de grens. De tijd van Zéro de conduite is begrensd, maar de geselecteerde muziek is dat nauwelijks. Componisten, songschrijvers, muzikanten, zangers en zangeressen nemen ons mee op hun reizen en vertellen ons over hun observaties en ervaringen. Met hen ontdekken we waarom mensen op reis vertrekken, voor korte of langere tijd, voor altijd. Waarom ze op de vlucht gaan, waarom ze in een vreemd land hun heil gaan zoeken. Met hen tasten we grenzen af. We schaffen visa, paspoorten, geschikte kleren aan. Met hen steken we grenzen over. In nieuwe streken, op het platteland of in de steden voelen we ons beter, slechter, gelukkiger, eenzamer, verstoten, verwenst, met gastvrijheid bejegend. Oude dichters zoals Remco Campert zijn begaan met ons lot. We lezen zijn droeve woorden en voelen ons getroost.
Aan de grens controleert de douane onze al dan niet schaarse bagage. Sommigen van ons worden bedreigd. In het akelige grenslicht ontwaren we politieagenten met wolfachtige honden en machinegeweren. Brutale woorden, geweld, folteringen zijn geen uitzondering.

We reizen uit liefde voor de anderen. We ontmoeten zachtaardige medemensen. In Rome, in Essaouira, in Stockholm. In Barcelona ontmoeten we Catalanen die zich goed in hun vel voelen in Spanje. Ze verschillen niet van Basken of Andalusiërs.
Onze liefde voor muziek en films voert ons naar Louisiana. We verblijven dagen en nachten in New Orleans, the Big Easy. Het is er gevaarlijk, waarschuwt Geoff Dyer ons. Maar niemand probeert ons te beroven of op een andere manier kwaad te doen. Canal Street lijkt wel de veiligste straat van de wereld. Van Louisiana reizen we door naar Texas en dan de grens over naar Mexico. Luister je mee naar Border Radio? The Blasters op A1 op de jukebox. Chain Of Fools van Aretha. Mad dog Margaritas. Naar Acapulco rijden we, op zoek naar Elvis, die er zoveel plezier beleefde en naar Bob Dylan. (Wat in hemelsnaam betekent ‘soft gut’?)

Op de spooktrein van Rickie Lee Jones zit je niet voor de kicks, maar alles wat schrik aanjaagt heeft toch een grote aantrekkingskracht. The imp of the perverse. Deed Edgar Allan Poe aan grensoverschrijdend gedrag? Met dat nichtje van hem? Een voorloper van Jerry Lee Lewis, last of the rock stars. Uit Ferriday in Louisiana afkomstig. Herinner je je Great Balls Of Fire nog, de film van Jim McBride met Dennis Quaid in de rol van Jerry Lee?

We schrikken van de volstrekt onmuzikale man Van de Lanotte, die in een straatje in Laredo de hoek omkomt. Blootshoofds. Waarom draagt hij geen sombrero? Afhandelcentra hebben we nodig voor wie de Oostendse grens oversteekt zonder papieren, brult hij. Echt waar? Afhandelcentra in de koningin van de badsteden? We geloven hem niet. Keren hem de rug toe. Gaan een bar binnen, luisteren naar liedjes over Matamoros, Vera Cruz, Oaxaco. Pas op in de steegjes van Juarez, zingt een Indiaan, de kans is groot dat ze je daar de keel oversnijden. Mijn hart is in de Highlands, aldus een oude cowboy.
Twee Belgen, uit het met de dag racistischer wordende Vlaanderen, nemen ons mee naar Memphis. Bobby Bland treedt op in de club van BB King op Beale Street. Hoor mijn verdriet, zingt hij met zijn hartverscheurende stem. Ach, we zijn zo’n vreemden in dit onvriendelijke land. Het wordt al gauw duidelijk: in Amerika is het niks beter. Old man Trump legt de rede het zwijgen op. In de dorpen zitten de meeste jongeren aan de crystal meth of erger. Overal, niet alleen in Texas, worden muren opgetrokken. De wereld wordt een grote gevangenis, een krankzinnigengesticht. Waar we ook komen stoten we op grenzen. Dat horen we veel zangers zingen. Hun oude liederen zijn weer actueel geworden. Die van Leadbelly, Cisco Houston, Woody Guthrie, Joan Baez en vele andere opstandige mannen en vrouwen.

Als de stilte intreedt herinner ik me dat ik als jongeman van een wereld zonder visa, zonder paspoorten, zonder ambassades, zonder grenzen droomde. Daar droom ik tegen beter weten in nog steeds van. Zéro de conduite, bedenk ik, is een radioprogramma voor dromers.

Foto: Woody Guthrie, 1941

DEEL VAN DE WERELD

cof

‘Veilig thuis in een welvarend Vlaanderen’ bazuint de Nieuwe Vlaamse Alliantie. Ik wil niet veilig thuis zitten. Ik wil buiten komen en me overal thuis voelen. Ik wil zeker nog wel varen, maar niet alleen maar op de rijke rivieren Schelde, Maas en IJzer. Ik wil nog wel klimmen, maar niet op de maatschappelijke ladder. Nog altijd wil ik de wereld zien en vaststellen dat wij allen broeders zijn, dat we op veel manieren verschillen maar in wezen toch ook gelijk zijn. Dat we overal dezelfde rechten hebben. Ik wil geen muren en geen grenzen. Ik wil dat iedereen waar ik ook kom – of niet kom – gelukkig is, of toch dezelfde kansen voor geluk heeft als ik. Wat heb je eraan veilig en rijk thuis te zitten bij de televisie of de barbecue terwijl buiten de wereld ten onder gaat? Terwijl buiten de aarde stilaan de geest geeft als gevolg van al dat blind en armzalig gezwoeg voor wat weelde en van de strijd voor het behoud ervan? Terwijl 99 procent van de dingen die je thuis welvarend hebt vergaard niets voorstelt in vergelijking met een nacht van liefde onder heldere sterren.

Foto: uitzicht op de Antwerpse gevangenis, Martin Pulaski, augustus 2018

DEVIL’S ISLAND

devils island (2)

Mogelijk werd al gedacht dat ik naar Devil’s Island was verbannen, maar dat was dan een verkeerde conclusie. Nooit eerder was ik zoveel uur per dag aanwezig dan de voorbije drie maanden. Onzichtbaar, dat wel. Aanwezig hier, aan de achterkant van mijn blog, om aan de zichtbare voorkant te werken. Na de export van Skynet – ik wil die naam niet meer horen – naar WordPress zag hoochiekoochie er niet meer uit. Het leek wel of er een stijloorlog had gewoed, een layout-revolutie. Hoewel ik me bij het woord revolutie mooiere dingen voorstel.
In zekere zin was ik dan toch naar Devil’s Island verbannen, want daar leek hoochiekoochie op, of op welke andere plek dan ook waar het niet aangenaam is om te vertoeven.

1978 teksten en op z’n minst evenveel foto’s zijn gedurende die hete zomerdagen de revue gepasseerd en werden door mij gecorrigeerd en (wat de foto’s betreft) waar nodig vervangen of verbeterd. Aan de teksten zelf is qua vorm en inhoud niets veranderd.
Hopelijk is er nu ruimte en komt er nu tijd voor nieuwe woorden, nieuwe verhalen. Voor spannende avonturen en meeslepende verzinsels, voor mysterieuze mijmeringen en ongerijmde onthullingen. Moet het? Ja, het moet.

HET GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG VAN THE SLITS

‘Cut’ [1], het wonderlijke debuut van The Slits, verschijnt op 7 september 1979. Op 4 mei is Margaret Thatcher premier van Groot-Brittannië geworden, een gebeurtenis waarvan we ook in ons land nog steeds de gevolgen ondervinden. Privatiseringen, afbraak van de sociale zekerheid, verarming van de armen en de lagere middenklasse, verrijking van de rijke parasieten. Iran wordt een islamitische republiek, geleid door ayatollah Khomeini. Ook die religieuze revolutie heeft tot nu toe in ons land en op wereldvlak verstrekkende gevolgen. Ondanks massale demonstraties [2] gaat de Belgische regering akkoord met de plaatsing van 48 kruisvluchtwapens op de Belgische vliegbasis Florennes. De eerste Walkman komt op de markt.

Ik woon op dat ogenblik al twee jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Over mijn toenmalige habitat en levensstijl heb ik al eerder geschreven. Details laat ik voor dit verhaal even weg. Je kunt er meer over vinden in mijn tekst ‘Antwerpen in de jaren zeventig’ en zeker ook in de geweldige lezerscommentaren daarbij.
Net als de samenleving en de stad waar ik in leef is mijn leven dramatisch veranderd, ook op muzikaal gebied. Economie, leefomgeving en cultuur gaan hand in hand. Punk, new wave en reggae maken in die die barre dagen en nachten de soundtrack van mijn leven uit. Hoewel ik de grensoverschrijdende popmuziek uit de late jaren zeventig niet graag in de hokjes van de muziekindustrie onderbreng. Een van de reclameslogans van toen was “geef voor new wave”, belachelijk toch? Overigens denk ik dat the Slits er geen bezwaar tegen hebben dat wij hun elpee gaan stelen. Maar dat willen we de sympathieke platenzaak Brabo, waar we veel van ons vinyl aanschaffen, niet aandoen.

De rebelse en zelfs revolutionaire platen van die dagen zijn zoals altijd slechts onderdeel van een groter geheel. Ondanks de zware economische en existentiële crisis waar wij tot over onze oren in zitten, ondanks de overtuiging dat er geen toekomst voor ons is, gebeuren er op heel wat ‘vrijplaatsen’ verrassende en hartverwarmende dingen. Buiten is de sfeer dan wel terneerdrukkend en uitzichtloos, binnen wordt er met hart en ziel geleefd en feest gevierd. In het witte café het Pannenhuis aan het Conscienceplein komen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. De kunstenaars die ik daar en op andere subculturele plekken ontmoet, proberen koortsachtig hun nieuwe ideeën te verwezenlijken. Er zijn veel performances, onder meer in de immense Montevideo, gerund door Annie Gentils en haar kleine team. In het Aurora Atelier, een vrijplaats voor filosofie, literatuur en plastische kunst, waar ik zelf aan de slag ben gegaan, maak ik kennis met het werk van Ria Pacquée, waarin ze voornamelijk het gezag ondermijnt, met de ironische inbeslagnemingen van Guillaume Bijl, met de mailart-fantasieën van Guy Bleus en met Guy Rombouts’ bizarre alfabet. Elders ontdek ik de Belgische schande gezien door de ogen van Wout Vercammen, de perverse filosofische ‘tractaten’ en oefeningen van AMVK en DDV en de vuilniskunst van Frank Castelyns. De enige kunstenaar die niet schijnt te veranderen is Ludo Mich. Al verrijst hij binnenkort wel als de goeroe van de hologramkunst (ook in Montevideo). Geheel in de sfeer van het Slits-debuut is er Musical Snack Attack, een cafetaria waar je elders onvindbare reggaeplaten kan beluisteren en kopen. Geregeld zijn er in de buurt van de Wolstraat en de Stadswaag alternatieve modeshows te zien, met al die mooie boze mensen altijd een lust voor het oog. De Antwerpse Zes zijn niet uit het niets voortgekomen.
Eveneens op de Stadswaag, in Cinderella’s Ballroom, draait deejay Maryse de meest relevante én dansbare muziek van het moment. Op Assepoesters vochtige dansvloer leer ik eindelijk ongedwongen dansen, zij het op mijn idiosyncratische manier. Jongens mogen er aan het eind van de jaren zeventig ‘anders’ uitzien. Denk aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne. De freaks uit de gelijknamige horrorfilm van Todd Browning uit 1932 zien er nu voor ons bijna gewoontjes uit. Die voorbeelden spelen ongetwijfeld een rol in onze zelfaanvaarding. Niemand bekijkt je boos of fronsend als je tegen het ritme in danst of een beetje spastisch beweegt. Ik vermoed dat hetzelfde opgaat voor de meisjes. Een groep als the Slits zal voor hen ook wel een rolmodel zijn, net als the Raincoats, Lydia Lunch, Poly Styrene en Lora Logic.
Viv Albertine, gitarist en songschrijfster van the Slits, vertelt naar aanleiding van de cd-uitgave van ‘Cut’ dat haar band niet langer typisch mannelijke ritmes en structuren wilde nabootsen. De groepsleden gingen op zoek naar typische meisjesritmes, “skippy and light”. Een belangrijke bouwsteen voor hun sound is dub. Dat geluid hoorden de meisjes bij de DJ en cultfiguur Don Letts, die dansavonden organiseerde in de Roxy, de Londense punktempel. Don Letts is van mening dat the Slits met hun heel eigen geluid ver vooruit waren op hun tijd. Van de reggae namen zij het primaat van de baslijn over, waar zij gitaarspel en melodie ondergeschikt aan maakten. Ook het mengpaneel gebruikten zij als een instrument. Voor deejay Maryse vormen enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer inlast in haar lange set. (Overigens deinst Maryse er niet voor terug om ook oud werk uit het rek te halen, onder meer van the Kinks, Rolling Stones, the Doors, Neil Young en Jimi Hendrix.)

slits 3

De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom lijken op personages die je aantreft op foto’s van Nan Goldin, pas later berucht en beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Niemand van ons lijkt geschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij. We zijn tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers. In de Gnoe, een kroeg in de Wolstraat die tot het krieken van de dag openblijft, dansen we op de tafels. “Boys keep swinging”, zeg ik tegen A., in de vroege ochtend op weg naar huis en nog meer extase. En zij: ‘typical girls are emotional’. Ja, zeg ik, en van shoplifting zijn ze ook niet vies.

Wellicht omdat ik een jongen ben, heb ik in die transittijd een voorkeur voor the Clash, the Ramones, Modern Lovers, Television en Elvis Costello. Maar zeker ook voor the Slits en hun elpee ‘Cut’ heb ik een zwakke plek. Wegens geldgebrek ga ik weinig naar concerten maar voor the Slits maak ik een uitzondering. The Slits treden op in de legendarische club Plan K. in de Manchesterstraat in Molenbeek. Jos D. leent me geld voor de reis naar Brussel en voor twee kaartjes.  A. en ik moeten eerst uren wachten op de binnenkoer van het gebouw, waar het vreselijk koud is. Een longontsteking zit er dik in. Opener The Pop Group kan me maar matig bekoren, misschien ben ik nog te verkleumd. Maar van the Slits word ik helemaal warm en helemaal gek. Ari Up, Viv Albertine en Tessa Pollitt kun je moeilijk klassieke schoonheden noemen. Ze zijn zeker geen modellen van het jaar, waar Elvis Costello een jaar geleden over zong. Maar deze meisjes zijn echte meisjes, sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Opgewonden keren we naar Antwerpen terug, met de zekerheid dat we deze show wel nooit zullen vergeten.

‘Cut’, is meesterwerk van blanke reggae en vrouwelijke ‘punk’. The Slits is de girl group van de late seventies, maar controversiëler en rebelser dan hun voorbeelden uit de sixties. Vrouwelijker. Los van rebellie en seksueel-politieke boodschappen is het een groot genot om te dansen op de sound van the Slits. Ook vandaag nog klinkt ‘Cut’ cool en opwindend.

2018-05-01-slits 003

[1] Vier jaar later, op zondag 23 oktober 1983, betoogden 400.000 mensen tegen de plaatsing van Amerikaanse en Russische kernraketten in West- en Centraal-Europa. Het was de grootste manifestatie die ons land ooit gekend heeft.

[2] ‘Cut’ van The Slits. Verschenen op Island op 7 september 1979.
Een creatie van the Slits en Palmolive.
The Slits zijn:
Ari Up – vocals
Viv Albertine – guitar
Tessa Pollitt – bass guitar
en
Budgie – drums
Dennis Bovell – sound effects
Producer: Dennis Bovell.
Alle songs werden geschreven door Viv Albertine, Tessa Pollitt, Ariane Forster (aka Ari Up) en Paloma Romero (aka Palmolive).

BEGGARS BANQUET

cof

Op facebook wordt aan muziekliefhebbers door andere muziekliefhebbers al een tijdje gevraagd een selectie te maken van 10 elpees die een blijvende invloed op hun leven hebben gehad. Je vertrekt van de hoes en vertelt er, als je daar zin in hebt, een verhaal bij, maar dat hoeft niet. Soms onthullen de naam van de artiest, de titel van het album en de afbeelding van de hoes al een heel stuk van dat verhaal. Ik wil vandaag ook aan zo’n reeks beginnen, zonder dat ik weet wat het gaat worden. Een plan heb ik niet. Ik wil mezelf geen regels of beperkingen opleggen. Misschien worden het stukjes van niet veel meer dan driehonderd woorden.

godard sympathy for the devil

De eerste langspeelplaat die ik uit mijn rek haal is ‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones. Dat baanbrekend rockalbum verscheen in december 1968, nu bijna vijftig jaar geleden. Ik hoorde het voor het eerst in de kerstperiode in het legendarische bruine café De Kroeg in de Wolstraat in Antwerpen. Ik had in Wijnegem aan de sluis die ochtend de bus genomen voor een dagje in mijn toen favoriete stad (samen met Maastricht). Ik had het gevoel dat alle hippe mensen en alle mooie meisjes in Antwerpen rondhingen. Overal hing de geur van wierook en patchoeli en hoorde je het gerinkel van Tibetaanse belletjes; het Conscienceplein was een magische plek. Meisjes in heel korte minirokken, jongens met lange haren. Kleren even kleurig als die in San Francisco, London of Parijs. Nu het winter was zag je ook meisjes in van die prachtige Afghaanse jassen waaronder hun gelaarsde lange benen uitstaken. Met mijn hart en ledematen trillend van euforie liep ik, schipperszoon en intern in het provinciestadje Tongeren, door de betoverde straten, ging hier en daar een boetiek binnen, kocht enkele undergroundtijdschriften en boeken van Simon Vinkenoog en Hugo Raes. Tenslotte stapte ik met veel schroom De Kroeg binnen. Daar kende ik volstrekt niemand. Ik was er ook nooit eerder geweest. Ik ging aan de toog zitten, bestelde een pintje (hoewel ik bier helemaal niet lekker vond) en keek stilzwijgend voor mij uit. Hoewel mijn haren net zo lang waren als die van de meeste andere jongens en meisjes, kreeg ik al gauw het pijnlijke gevoel buiten gekeken te worden. Maar lang zat ik daar niet over te piekeren, want al bijna meteen weerklonk de nu overbekende riff van ‘Sympathy For The Devil’, het openingsnummer op ‘Beggars Banquet’. Je moet daarbij voor ogen houden dat we toen niets wisten. Er bestonden in het Nederlands nog geen noemenswaardige platenrecensies, met uitzondering van die in het Nederlandse weekblad Hitweek/Aloha. Popmuziek hoorde je alleen op de piratenzenders Radio London en Caroline en voor undergroundmuziek, genre Dr. John the Nighttripper en Tyrannosaurus Rex, moest je op het Nederlandse programma Superclean Dream Machine afstemmen. De film van Godard ‘One Plus One’ over de opname van ‘Sympathy For The Devil’ was bij ons nog niet in de bioscoop of op televisie geweest (en het zou nog lang duren eer ik hem zou kunnen zien). Wat betere popmuziek en progressieve pop en underground werd genoemd leek het terrein te zijn van een sekte van ingewijden, en dat was het ook. Een elpee was een geheim dat we deelden. Mijn vrienden en ik luisterden maandenlang naar één album en ontdekten er steeds nieuwe geluiden, betekenissen en verhalen in. Elke song riep een veelvoud van moeilijk te definiëren verlangens op. Je hoefde niet op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Je legde een van die sublieme elpees op van the Beatles, the Rolling Stones, Pink Floyd, the Band en Traffic en je was al onderweg naar een ander universum.

michael joseph keith with orange

‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones, de tot dusver beste en zeker meest opwindende rock- en bluesband die we kenden, was zo’n universum. Als het album een dichter was geweest had het met recht kunnen zeggen “I am large, I contain multitudes”. En eigenlijk zei het dat ook, maar met andere woorden, met andere stemmen, met heel aardse en bijwijlen toch ook verheven muziek. Elke song op de plaat greep me naar de keel. Een wervelwind van gitaren (Keith Richards, Brian Jones), bas (Bill Wyman), drums (Charlie Watts), piano (Nicky Hopkins), mondharmonica (Brian Jones) en de vuile goddelijke stem van Mick Jagger dreigde me van mijn barkruk te blazen. Stil blijven zitten hoorde er niet meer bij. Luister nog maar een keer naar ‘Parachute Woman’. Ook nu nog doet dat helse ritme je rechtveren. Zo hadden the Rolling Stones nooit eerder geklonken. Dat was voor een deel te danken aan hun nieuwe producer, Jimmy Miller, wat ik toen waarschijnlijk niet eens wist. Wilde, angstaanjagende schoonheid spatte uit elk lied. En zo’n rijkdom aan emoties had ik nooit eerder in popmuziek gehoord. Woede, verdriet, pijn, genot, geluk, vreugde, geilheid, sarcasme, vertwijfeling, opstandigheid, onzekerheid – al die eigenschappen kwamen aan bod. Zonder het helemaal goed te beseffen hoorde ik die avond in De Kroeg een verzameling weerbarstige songs die me voor lange tijd zouden bepalen en die me nu ik vijftig jaar ouder ben nog steeds geheimen vertellen. Met die schat in mijn hoofd liep ik naar het busstation om er de bus terug naar Wijnegem te nemen. De hele rit lang hoorde ik flarden ‘Beggars Banquet’ in mijn hoofd. Maar vooral deze regels uit ‘No Expectations’: “Never in my sweet short life have I felt like this before.”
Beggars Banquet, hét album van 1968, vertelt niet alleen geheimen aan oude ingewijden maar iedereen die het maar wil kan er bekende verhalen in horen,
verhalen over onszelf en over de wereld, telkens ongeveer dezelfde verhalen maar in telkens wisselende constellaties met verschuivende metaforen en betekenissen.

Als hoes kies ik de witte, die voor mij de originele is. De échte originele, die lange tijd verboden was, heb ik nooit zo mooi gevonden. Ik heb altijd van propere toiletten gehouden, goedverlicht en hygiënisch. Wat mij betreft mag ook smerige muziek in een schone hoes verpakt zitten.

Foto’s: Martin Pulaski; Jean-Luc Godard (uit ‘One Plus One’); Michael Joseph.