WIE IS DAT TOCH WEER?

hunger

Waarom heb ik zo’n slecht geheugen voor namen en gezichten? Heb ik dat altijd gehad? Een poos geleden las ik erover in een roman van Patrick Modiano, maar ik heb de titel niet genoteerd. Het is best mogelijk dat het in een boek van Sebald was. In ‘De emigrés’? Misschien is mijn geheugen wat dat betreft zo slecht omdat mijn kinderjaren een periode waren van bijna voortdurend afscheid nemen. Tot mijn achtste bij mijn ouders op het schip. Mijn zes jaar oudere broer op een schippersschool in Brugge. In de havens waar we aanmeerden, Antwerpen, Eisden, Luik, Charleroi, maakte ik snel kennis met andere schipperskinderen, en dan speelden we samen cowboy en indiaan of andere spelletjes, maar dat was altijd maar voor één of twee dagen. Ik herinner me uit die periode nauwelijks iemand, behalve uiteraard mijn ouders en mijn grootmoeder, Honorine Costers. Vanaf mijn achtste verbleef ik, zoals ik hier al vaker beschreef, in een kinderkolonie in de bossen van Rekem: Kinderdorp Molenberg. Ik bleef daar met één andere jongen, die ik me als Serge herinner, geen gezicht, voor een langere periode, vier jaar, terwijl de andere kinderen na drie maanden alweer vertrokken. Nooit voldoende tijd om een echte vriendschap op te bouwen. Ik herinner me dat het afscheid nemen me in het begin erg bedroefde; ongetwijfeld had ik met sommige jongens of meisjes toch al een emotionele band gesmeed. Dan kwam hun vertrek hard aan. Ooit ben ik met mijn moeder in Antwerpen een van die jongens gaan bezoeken. Hij heette Eddie Begas. Een Grieks meisje waar ik verliefd op was, en ik meen dat het wederzijds was, herinner ik mij ook. Zij heette Veronica Satory. Of was het Santorini? Van haar heb ik een foto en zij komt regelmatig terug in mijn teksten en mijn dromen. Al de anderen, meer dan vijfhonderd kinderen schat ik, ben ik vergeten.

Maar ook van de meeste van mijn familieleden ben ik vergeten hoe ze eruit zagen. Ik herinner me Barbarella, Edmond Dantès alias De Graaf van Monte Cristo en Laarmans beter dan veel van mijn tantes en ooms en neven en nichten. Terwijl er van Edmond Dantès en Laarmans natuurlijk geen afbeeldingen bestaan. Van D’Artagnan ook niet, en die herinner ik mij nog het best van al. Van die fictieve personages heb ik mij mentale beelden gevormd. Kennelijk blijven de mentale beelden van fictieve helden beter in het geheugen hangen, in dat van mij althans, dan die van echte mensen. Het is ook goed mogelijk dat echte personen over wie me verhalen verteld zijn maar die ik zelden of nooit heb ontmoet me beter bijgebleven zijn dan degenen die ik echt heb gekend. Sommige van mijn familieleden, veel zijn het er sowieso niet, zijn inderdaad een fictief leven gaan leiden. Van schimmen heb ik gaandeweg interessante, enigszins tragische helden gemaakt: mijn tante Georgette, mijn neef Louis, mijn oom Frans, mijn grootmoeder Honorine Costers. Allemaal van moederskant. Langs vaderskant heb ik geen enkele held gevonden. Hadden ze het bouwmateriaal niet in zich, of was ik er vanwege een onbekende emotionele remming niet toe in staat?

Mogelijk lijkt dit allemaal niet zo erg, maar het is het wel. Mensen die ik al meermaals ontmoet heb niet herkennen is een serieuze handicap. Ik wil liefst van al geen onbeschofte indruk maken, maar ten gevolge van dit gebrek kom ik waarschijnlijk wel zo over. Op straat wil ik voorbijgangers graag groeten, maar ik wil ook weer niet als een idioot bekeken worden en dan loop ik maar door. En dan heb ik achteraf spijt, en soms schuldgevoelens.

DOOR DE TUIN NAAR DE HEL

odilon redon afdaling in de hel

 

Zaterdagavond keek ik door het raam naar de grote, verwilderde tuin. Het was bijna donker, de bomen en struiken zwiepten in de felle wind.
Er was een gat in de tuinmuur geslagen. In de richting van dat gat, bijna niet meer zichtbaar, zag ik Peter De Roover, Jan Jambon, Bart De Wever en een tweetal naamloze figuranten, zich uit de voeten maken. Ze liepen gebukt, met angstige passen, alsof ze zich schaamden. Bijna al waren ze opgeslokt door het donkerste donker, het grote en ultieme Niets. Nog enkele seconden in de schaduw en dan weg, voor altijd. Dat is het lot van landvernietigers, dacht ik.
Zondagochtend ging ik even poolshoogte nemen. Van de hopelijk voor goed verdwenen vluchtelingen geen spoor. Mogelijk had de felle regen hun voetafdrukken uitgewist. Maar ook het gat in de muur was er niet langer. Goed, dacht ik, dan zijn we veilig, dan kunnen ze niet meer terugkeren. En zeker niet via deze tuin. Nimby!

Afbeelding: Odilon Redon, Afdaling in de hel, 1873.

EEN MEIKEVER MAAKT HET VERSCHIL

sdr

Iedereen weet dat ook in een democratie een stem weinig betekent. Toch telt voor het geheel elk deel, zelfs het allerkleinste. Eén meikever kan het verschil maken: krijg er maar eens eentje in je oog.
Daarom ga ik stemmen. Als inwoner van Brussel geef ik die kleine stem van mij echter alleen maar aan een partij (of politica / politicus) die onvoorwaardelijk de strijd zal aangaan tegen armoede en uitsluiting en die er meteen alles zal voor doen om deze vuile stad van ons weer schoon te maken. En daarmee bedoel ik niet opkuisen in de betekenis die mijnheer Jambon en zijn Vlaams legioen eraan geven maar wel: dat de vuilnis uit onze straten en pleinen en parken en vijvers verdwijnt, dat onze lucht zuiver wordt, dat de gevels worden geschilderd. Ook moet de partij (of politica / politicus) voor wie ik stem voor een beleid gaan dat voorrang geeft aan voetgangers en fietsers en openbaar vervoer. Ik stem voor iemand die zich met hart en ziel inzet voor een leefbare stad voor iedereen.
Mocht ik in een andere stad dan Brussel wonen zou ik hetzelfde doen, maar in dat geval zouden propere straten misschien minder aandacht krijgen. Van alle steden die ik ooit bezocht, is die van ons werkelijk de smerigste. Ik kan er niet meer tegen.

Even concreet in verband met mobiliteit. In Anderlecht, het deel van Brussel waar ik woon, ondergaan wij het verkeer van drie afritten van de ring naar het centrum van Brussel (en die auto’s moeten ook weer terug). Er lopen vijf brede, extreem drukke lanen door Anderlecht. Eigenlijk zijn het autosnelwegen maar dan wel met verkeerslichten, wat voor nog meer vervuiling zorgt. In de historisch belangrijkste winkelstraat van Anderlecht, de Wayezstaat, inmiddels groezelig en verpauperd, moeten bus en tram tijdens werkdagen achter auto’s die daar niet horen in de file staan. De meeste straten in Anderlecht hebben tweerichtingsverkeer. Waar in de wereld vind je dat nog?
Ook dat is een vorm van smerigheid waar ik niet meer tegen kan.

Al die dingen bepalen mijn identiteit veel meer dan de Guldensporenslag of de Vlaamse Leeuw of het Belgisch volkslied. Al die klauwen en het hele heilig land der Vaad’ren kunnen mij gestolen worden. Mijn stem gaat naar een partij die oog heeft voor de werkelijkheid, voor het hier en nu en voor de toekomst.

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

EEN GROOT MYSTERIE

Giorgione_-_Sleeping_Venus_-_Google_Art_Project_2

Je zegt ‘de maan’ maar je bedoelt ‘een maanlandschap’. Je zegt ‘de maangodin’ maar je bedoelt ‘een vrouw in een landschap’. Je zegt ‘Venus’ maar je bedoelt ‘vulva’ of het wisselvallige object van je verlangen. Soms stel je je voor dat je in een archaïsche wereld leeft. Een voorstelling is nog geen waarheid en zeker geen feit. Soms stel je je voor dat er nog geen taal is en evenmin muziek. Maar zolang er mensen zijn is er taal en is er muziek. En zelfs zonder mensen zijn er vormen van taal en muziek. Wat dacht je van de vogels, waar Olivier Messiaen en Franciscus van Assisi zo graag naar luisterden? Wat dacht je van de sterren aan de hemel, vertellen die niet de hele tijd al een verhaal, ook al kijken we er niet naar of zijn we afwezig?

Je schrijft over emoties maar weet niet goed wat je daarmee bedoelt. Wat zijn emoties? Is jaloezie een emotie? Om maar iets te noemen.
Ooit schreef je iets over primitieve mensen, alsof dat over anderen ging. Alsof als andere mensen primitief zijn jijzelf van die eigenschap geen sprankel in je meedraagt, in je lijf en leden. De ene primitieve mens is jaloers op wat de andere bezit (en vice versa), beweerde je. De primitieve mensen zijn verblind omdat ze niet beseffen dat je niets kunt bezitten. Je hoort het zo vaak in de blues: you can’t take it with you when you go.
Wat zijn emoties? Dat weet je niet zo meteen. Je weet wel dat het begrip ‘emoties’ slaat op iets wat wij mensen met elkaar gemeen hebben.[1] Emoties verbinden ons met elkaar en helpen ons om begrip voor elkaar te hebben en zelfs van elkaar te houden. Als je jaloers bent voel je je hart kloppen. Uit emoties ontstaan ritme en muziek. Volgens Nietzsche ontstaat uit muziek de tragedie, of van het besef van de tegenspraak tussen het verlangen naar eeuwigheid en het besef van de eindigheid. (Wat zal er veel gemusiceerd worden om zoveel tragedie voort te kunnen brengen.) Vraag me nu niet wat ik bedoel als ik ‘muziek’ zeg, als ik ‘ritme’ zeg, als ik ‘tragedie’ zeg. Het is allemaal een groot mysterie voor me. Mysterie?

[1] Waarmee ik helemaal niet wil beweren dat dieren – en zelfs planten – geen emoties hebben.

Afbeelding: Giorgione, Slapende Venus.

 

DE TAAL VAN DE CIRKEL EN DE SPIRAAL

Niet de afgematte blik, die doet verwelken en verstarren, die in de schaduw zwijgend afwacht, die schuw wegvlucht voor de harde zon in midzomer, is heilig.
Niet het zeeschip dat statig de haven binnenvaart, niet het geluid van de misthoorns, niet de drukte en de welriekende, uitnodigende geuren in de pakhuizen, niet de grote stalen vogels op de kade.
Niet de trein die het centraal station binnenrijdt, niet de weerspiegeling van zijn rechte lijn in het wijnglas op een tafeltje in de barokke restauratie, niet de bril van de dame die in de wachtzaal zit te lezen en daar straks haar magazine zal achterlaten, niet haar herinneringen aan de zee en het kuststadje waar zij van terugkeert, niet de aarzeling in de hand op weg naar het glas, dezelfde hand en dezelfde aarzeling waarmee zij gedachteloos abstracte vormen maakte in het warme zand.
Niet de nog wat in een achtervolging verzonken blik als ze mij sluiks aankijkt, het meisje dat naast me zit in de bioscoop, niet de duidelijke sporen van schaamte, van ongemak en lust tegelijk, van de verscheurdheid die ontluikende liefde begeleidt en evenmin het gestotter van de zanger die My Generation zingt, het lied – lang niet het enige – waar zij later op de avond naar luisteren zal.
Niet de groei van een schimmel, de uitzaaiing van een gezwel, de terugkeer van de oorspronkelijke gezondheid, de blijdschap bij het hervatten van het zoete leven, de vervulling, het tederste woord.
Niet de bevende haas gevangen in de koplampen van een snelle wagen, niet de reflex van de bestuurder (wat vertraagd ten gevolge van een glas wijn bij het avondmaal), niet zijn geweten, dat zoals zo vaak en bij zoveel mensen te laat komt, en evenmin de vergeefsheid van dit alles.
Niet het bloed op de wegen, het bloed in de huizen, het bloed in de rivieren en zeeën, het bloed in de woestijn, het bloed dat overal nutteloos en zinloos wordt vergoten, is heilig.

Hier en daar, nu en dan, verschijnt een duivel [1] of een tijdsgewricht, iets universeels of iets particuliers, hebben we een ontbinding of een synthese van al dan niet impliciete, al dan niet oppositionele paren.
In sommige gevallen, op sommige momenten, bij niet nader bepaalde configuraties, hebben sommige mensen deze of gene mogelijkheid. Een mogelijkheid om te benoemen of te beschrijven, om in te beelden of uit te beelden, om te verbeelden of zelfs te bedenken. Wat? Een onbepaalde, niet-specifieke, categorieloze entiteit of non-entiteit.
Wat zich hier en daar, nu en dan, voordoet is een verlangen, een entelechie, een vergetelheid, een geheugen. Soms gebeurt het dat zich een overgang voordoet, soms een breuk, soms gebeurt niets en doet zich niets voort, dat is dan een stilstand.

Versteende symfonische gedichten, metaforen van glas en staal en beton die tot hoog in de hemel reiken, smelten. Het drama ontwaakt uit de mythe. Noem dit met een Bijbels woord ‘anastasis’. Dansende paren komen in beweging. Is de tijd uit de dood opgestaan? Opnieuw opgestaan? (En was de tijd dan dood in de dood?) Bevolkingen dansen migrerend en plechtig op de akkoorden van instortende steden. Op het platteland dringt deze muziek door tot in de stilte van de witte huizen. De dorpelingen snellen naar buiten, rennen over niet langer vertrouwde pleinen, veldwegen, bereiken ten slotte de vlakte. Ja, allen bereiken ze de vlakte, allen staren ze met verwonderde ogen naar een ver mysterie. De ene verte die ze zien maakt de nabijheid gemeenschappelijk. Een ogenblik lang bekijken de inwoners van de dorpen elkaar. Nu zien ze elkaar. Nu zien ze dat ze elkaar zien. Alles is van wit licht en rond als een melodie. De bewoners van de dorpen spreken niet, ze zwijgen, verzadigd van alle talen. Het lijkt erop dat de bewoners van de dorpen net als de stedelingen in een cirkel draaien, maar dat is niet zo. Niemand draait in een cirkel, niemand vlucht weg van zijn middelpunt of keert er naar terug. Niemand keert terug naar zijn begin.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Aurora, Jaargang 2, Nr. 8, 1977. Deze herwerkte versie werd vandaag beëindigd.

2017-05-19-andalusie2017 786

[1] (…) er was haast geen mens meer te vinden die in verloop van vier of vijf jaar tijd niet meer rampen had beleefd dan de knapste auteur in een eeuw zou kunnen beschrijven, en men diende dus de hel te hulp te roepen om nog aanspraak te kunnen maken op de belangstelling van de lezer, en men diende in het land van de fantasmagorieën iets anders dan de dagelijkse kost te zoeken die men al kende door slechts de geschiedenis van de mens uit die meedogenloze tijd te bestuderen.
Markies De Sade, Gedachte over de romans, in: Liefde’s misdaden, vertaald door Hans Warren.

Afbeelding: Capileira (520 inwoners), 16 mei 2017, Martin Pulaski.

REIZEN IN MIJN KAMER

dsc_0322

De elfde dag ziek. Eergisteren ging het beter, gisteren hervallen. Niezen, hoesten, piepende ademhaling, vooral erg moe. Het ergste is, geloof ik, het leven buiten te moeten missen: concerten (Jim James), theater (Rosas, Theatergroep Stan, Needcompany), een afspraak met een goede vriend, bioscoopbezoek (Roma wilde ik nog heel graag zien), tentoonstellingen, wandelingen. Het stadsleven. Enige troost bieden boeken, hoewel met mondjesmaat. Het meeste plezier beleef ik aan ‘Sferen’ van Peter Sloterdijk, enkele bladzijden per dag, meer gaat niet. In Edward Said’s ‘Ontheemd’ – autobiografisch werk over zijn jeugd – heb ik me meermaals herkend. Curzio Malaparte’s ‘Dagboek van een vreemdeling in Parijs’ wekt bij mij ergernis op maar het is vaak ook grappig. Een man die ’s nachts meeblaft met de honden! Liefst van al in Frankrijk doet hij dat, schrijft hij.

Voor muziek ben ik te zwak en te onrustig. Ik geloof dat het de eerste keer is dat muziek tijdens een ziekte mij niet weet te troosten of te ontroeren. ’s Ochtends kijk ik een uur of twee naar foto’s die ik maakte op reizen naar Umbrië, Andalusië, Wenen, Berlijn. En dan voel ik me schuldig omdat ik mijn leven toch nogal wat heb gevlogen. Maar ik heb nooit een auto gehad, zelfs geen rijbewijs, en heb veel met de trein en de bus gereisd, in Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië (toen het nog een deel was van Tsjechoslowakije), Hongarije en de Verenigde Staten (maar daar moest ik wel eerst met het vliegtuig naar toe). Nee, die schuldgevoelens zijn nergens voor nodig. Ik laat ze achterwege en geef mij over aan de mooie herinneringen.

26 1 2019

Afbeelding: Martin Pulaski, Umbrië, 2009.