1968: PROEVEN VAN VRIJHEID

hangman1

Waarom sloeg ik 1968, voorlopig dan toch, over? Was het een te moeilijke opdracht? Voelde ik opeens weer het immense gewicht van dat memorabele jaar? Een paradoxaal gewicht – omdat veel van wat zich in onze nog korte levens voordeed zo vederlicht leek – dat woog op elk facet van de toenmalige samenleving,  die op het punt stond een global village te worden, of dat al was? Het gewicht van de opstanden, rebellies, revoltes, censuur en repressie. Het gewicht van de veranderingen in stijl, mode, muziek, kunst, literatuur, film, seksuele normen, enzovoort.
In mijn stukje over de betere muziekalbums van ’69 verwees ik wel naar twee boeken over 1968 en ik had er heel wat meer kunnen noemen, maar dat was niet nodig: je hebt maar enkele minuten nodig om een behoorlijke literatuurlijst te vinden. Het boek De jaren zestig van Geert Buelens alleen al bevat een bladzijdenlange bibliografie, zij het over het hele decennium.

Mogelijk was er ook schaamte gemoeid met die sprong in de tijd, al zal het dan zeker onbewuste schaamte geweest zijn. Ik was namelijk helemaal vergeten dat ik op 25 januari 1968 mee ben gaan betogen voor Leuven Vlaams. Inderdaad iets om je voor te schamen. In het euforisch tienerdagboek dat ik dat jaar bijhield lees ik dat er zo’n drieduizend leerlingen deelnamen, van zowat alle Tongerse scholen. Het is heel goed mogelijk dat de schooldirecties ons aanspoorden om mee te doen, maar dat weet ik niet zeker. Ongetwijfeld was het een politieke kwestie, een belangenkwestie ook. Ik was naïef en had beter moeten weten: mijn vader, meestal een stille man, had zich voor een keer duidelijk uitgesproken over de opkomende Volksunie. Dat waren allemaal zwarten, waarschuwde hij. Je mag dat soort mensen niet vertrouwen. Voor mij had die partij, denk ik, een jong en fris imago. Hoe het ook zij, die dag geloofde ik in die belachelijke slogan. Walen buiten, noteerde ik hysterisch. Wij internen waren verplicht om om vier uur weer op school te zijn. Maar mijn vrienden en ik hadden van de vrijheid geproefd – niet die van een bevrijd Leuven, maar van een bevrijd Leven – en gaven die niet zomaar op. Luc, Jan, Godelieve, Ivo, Anita, lees ik in mijn dagboek, begaven ons na afloop van de betoging eerst naar de boetiek King & Queen, ons toenmalig hoofdkwartier, en gingen dan nog een gin fizz drinken en wat dansen in de Baccara. Uiteraard werden we ’s anderendaags bij de prefect op het matje geroepen.
Op 29 januari ben ik samen met mijn vriend Jan en vijf leerlingen van een paar andere scholen weer gaan betogen. Zeven jongens in de straten van Tongeren voor Leuven Vlaams… Ik zal wel overtuigd geweest zijn van de juistheid van deze zaak. Tegelijk ben ik er zeker van dat het mij vooral om de kick van de vrijheid te doen was. Na die 29 januari is er in mijn notities geen sprake meer van Leuven Vlaams en Walen Buiten. Het gaat dan bijna alleen nog maar over popgroepen, over ons tijdschrift Testament, over een toneelstuk dat ik aan het schrijven was, soms over de lessen Nederlands en Engels. De Nederlandse televisie, onderdeel van die global village, was mijn redding, stel ik nu vast. Ik was zeer onder de indruk van Simon Vinkenoog, Robert Rauschenberg en Salvador Dali, die in dat voorjaar de revue passeerden. Een andere reddingsboei was de literatuur. Dat kan ik niet voldoende benadrukken. De notities van na mijn Leuven Vlaams-escapade gaan dan een hele tijd over het verdriet om het verlies van mijn eerste Ware Liefde, de mooie, blonde José-Anne, die ik Josy noemde, zoals in de song van Donovan. (Nog een spoor van mijn anti-Waalse gevoelens van toen?).  José-Annes ouders hadden hun dochter gedwongen om met mij te breken. Een dochter van apothekers met een schipperszoon, langharig tuig dan nog, wat denk je wel. Zo was het leven in Tongeren in 1968. Er was evenwel nog een tweede leven, in Neerharen, met andere vriendinnen en vrienden: Martin en Jean en vooral Anita (een andere Anita dan die hierboven) en haar zus Linda, waar ik meer verliefd op was dan op Anita, maar Linda was al verloofd en Anita hield van mij. Soms waren er nog Sylvia en Yvonne. Namen waarvan ik mij de erbij horende gezichten niet meer herinneren kan.  Die bucolische kant van mijn gespleten adolescente leven laat ik hier buiten beschouwing. In de dorpen waren, denk ik, de jaren zestig nog niet begonnen. Het leek er meer op The Last Picture Show en American Graffiti, maar dan op de fiets in plaats van in de auto.
Zowel in de wereld van de stad als die van het dorp vond ik troost in liedjes, opnieuw en opnieuw.

Omdat 1968 in elk opzicht zo uitzonderlijk was heb ik er niet aan kunnen weerstaan om een lange lijst te maken. Er zijn dat jaar massa’s gedenkwaardige langspeelplaten uitgekomen; sommige zijn mijlpalen geworden, aan de tijd onttrokken artefacten.

godblesstinytim

  1. White Light / White Heat – Velvet Underground
  2. The Notorious Byrd Brothers / Sweetheart of the Rodeo – The Byrds
  3. Beggars Banquet – The Rolling Stones
  4. Electric Ladyland – Jimi Hendrix Experience
  5. Astral Weeks – Van Morrison
  6. Music from Big Pink – The Band
  7. Gris-Gris – Dr. John, The Night Tripper
  8. The Hangman’s Beautiful Daughter – The Incredible String Band
  9. We’re Only In It For The Money / Cruising With Ruben And The Jets – The Mothers Of Invention
  10. A Saucerful of Secrets – Pink Floyd
  11. Waiting for the Sun – The Doors
  12. The Beatles (“The White Album”) – The Beatles
  13. The Kinks Are The Village Green Preservation Society – The Kinks
  14. Traffic – Traffic
  15. Wheels Of Fire – Cream
  16. The Fantastic Expedition of Dillard & Clark – Dillard & Clark
  17. Wow – Moby Grape
  18. Crown of Creation – Jefferson Airplane
  19. Cheap Thrills – Big Brother and the Holding Company
  20. Supersession – Mike Bloomfield, Al Kooper, Steve Stills
  21. Friends – The Beach Boys
  22. Randy Newman (Creates Something New Under the Sun) – Randy Newman
  23. Lady Soul – Aretha Franklin
  24. S.F. Sorrow – The Pretty Things
  25. Nico – The Marble Index
  26. Song Cycle – Van Dyke Parks
  27. Last Time Around – Buffalo Springfield
  28. Introspect – Joe South
  29. Nancy & Lee – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood
  30. Blues From Laurel Canyon – John Mayall
  31. This Is My Country – The Impressions
  32. Taj Mahal – Taj Mahal
  33. Roots – The Everly Brothers
  34. Neil Young – Neil Young
  35. Balaklava – Pearls Before Swine
  36. Ogdens’ Nut Gone Flake – The Small Faces
  37. Everything Playing – The Lovin’ Spoonful
  38. The Soft Machine – The Soft Machine
  39. God Bless Tiny Tim / Tiny Tim’s 2nd Album – Tiny Tim
  40. Suddenly One Summer – J.K. & Co.
  41. H.P. Lovecraft II – H. P. Lovecraft
  42. The Hurdy Gurdy Man – Donovan
  43. The United States of America – The United States of America
  44. New Grass – Albert Ayler
  45. Tell Mama – Etta James
  46. Dance to the Music – Sly & the Family Stone
  47. Odessey and Oracle – The Zombies
  48. Vincebus Eruptum – Blue Cheer
  49. Comment Te Dire Adieu?- Françoise Hardy
  50. Sailor / Children of the Future – Steve Miller Band
  51. In My Own Dream – The Paul Butterfield Blues Band
  52. Spirit / The Family That Plays Together – Spirit
  53. A Beacon From Mars – Kaleidoscope
  54. Picknick – Boudewijn de Groot
  55. Live Wire / Blues Power – Albert King
  56. Who Knows Where The Time Goes – Judy Collins
  57. This Was – Jethro Tull
  58. Boogie With Canned Heat – Canned Heat
  59. Eli and the Thirteenth Confession – Laura Nyro
  60. Peter Green’s Fleetwood Mac / Mr. Wonderful – Fleetwood Mac
  61. CQ – The Outsiders
  62. Jacques Dutronc – Jacques Dutronc
  63. Initials B.B. – Serge Gainsbourg
  64. The Move – The Move
  65. Bradley’s Barn – The Beau Brummels
  66. Head – The Monkees
  67. Who’s Making Love? – Johnnie Taylor
  68. Bookends – Simon & Garfunkel
  69. Silver Apples – Silver Apples
  70. Sweet Child – Pentangle
  71. Volume 3: A Child’s Guide To Good And Evil -The West Coast Pop Art Experimental Band
  72. The Doughnut In Granny’s Greenhouse – The Bonzo Dog Band
  73. Idea / Horizontal – Bee Gees
  74. I’m Gonna Be A Country Girl Again – Buffy Sainte-Marie
  75. The Delta Sweete – Bobbie Gentry
  76. Love Is All Around – The Troggs
  77. Love Is – Eric Burdon & The Animals
  78. Bonnie And Clyde – Brigitte Bardot & Serge Gainsbourg
  79. A Long Time Comin’ / An American Music Band – The Electric Flag
  80. The Secret Life Of Harper’s Bizarre – Harpers Bizarre
  81. The Voice Of The Turtle – John Fahey
  82. Rainbow – Bobby Callender
  83. Another Place Another Time – Jerry Lee Lewis
  84. A Man Needs A Woman – James Carr
  85. The Further Adventures Of Charles Westover – Del Shannon
  86. Insect Trust – Insect Trust
  87. It Crawled Into My Hand, Honest – The Fugs
  88. Tim Hardin 3: Live In Concert – Tim Hardin
  89. Harlequin Melodies – Mickey Newbury
  90. D-I-V-O-R-C-E – Tammy Wynette
  91. Together – Country Joe And The Fish
  92. Blues Helping – Love Sculpture
  93. Flash – Moving Sidewalks
  94. Tape From California – Phil Ochs
  95. Birthday – The Association
  96. Did She Mention My Name / Back Here on Earth – Gordon Lightfoot
  97. Dino Valente – Dino Valente
  98. Stoned Soul Picnic – Roy Ayers
  99. I’m Going Back To The Country Where They Don’t Burn The Buildings Down – Juke Boy Bonner
  100. John Green – St. John Green

1968-carnaval-3b

NACHTEN AAN DE KANT 12: MARGOT VANDERSTRAETEN

lamorinièrestraat (2)

Hoe graag had ik gisteravond niet zelf met Margot Vanderstraeten zitten praten. Hoewel Thomas Vanderveken een intelligente en hoffelijke gesprekspartner is, was ik toch wat jaloers. Of was ik dat net omdat hij die kwaliteiten bez ikit? Ik had daar niet alleen zo graag met haar zitten converseren vanwege haar stralende glimlach, haar welbespraaktheid, haar vurige rode jurk. Nee, ik heb zo mijn heel bijzondere redenen – die pas gaandeweg tijdens het kijken naar Alleen Elvis blijft bestaan aan het licht zijn gekomen.

Een man die ouder wordt heeft wel eens met verwardheid te kampen, niet alle informatie dringt nog even goed tot hem door, wat wereldvreemdheid tot gevolg heeft – en zijn geheugen wordt slechter. Ik ben zo’n ouder wordende man. Je moet me maar aanvaarden zoals ik ben. De ellende is dat ik dat zelf ook moet doen. Nu ik erover nadenk besef ik dat ik altijd wereldvreemd ben geweest; zelfs als ik denk het reilen en zeilen van de wereld en de mensen te kennen ben ik dat nog. Een dromer en een vreemde in de vertrouwde wereld; een andere voor de onbekende anderen. Maar is niet iedereen op die manier wereldvreemd? You know how it feels, you understand / What it is to be a stranger / In this unfriendly land, zingt Bobby Bland, maar de blues waar die regels vandaan komen, Lead Me On, heeft andere, pijnlijkere connotaties dan alleen maar die van de zorgen die het ouder worden met zich meebrengen.

Over Margot Vanderstraeten zou ik het hebben. Op 14 november kreeg ik van mijn vriendin Deborah via Messenger een berichtje naar aanleiding van mijn reeks over het Pannenhuis en het nachtleven in Antwerpen in de periode van punk, post-punk en new wave. Vermoedelijk had ze gelezen dat ik de naam niet kende van het restaurant op het Hendrik Conscienceplein waar vroeger het Pannenhuis onderdak had. Ik vernam dat Louis De Vries de motor achter het café was geweest, dat het restaurant BOHM en berkel heet, wat ik een rare naam vond, en dat het wordt opengehouden door een zekere Margot Vanderstraeten en haar man. Deborah raadde me aan om er eens een keer voor een hapje of een drankje langs te gaan. Nu ik zo was ondergedompeld in de geschiedenis van het Pannenhuis was dat interessante informatie. Ik wist dat ik de naam Margot Vanderstraeten al eerder had gehoord, maar meer dan iets vaags riep hij niet op. Had ze geen programma op Radio Centraal, of was ze een schrijfster? Nee, ik zal haar verwarren met Griet Op de Beeck, dacht ik. Voor mij blijft een griet een vis maar in Antwerpen is het een vrouw, dat deelde ik al eens mee. Margot, Margot, Margot… Voorlopig liet ik haar rusten ergens in een donker hoekje onder mijn hersenpan. Zodra haar bedje was gespreid ging ik door met mijn dagtaak.

MARGUERITE YOURCENAR

Vanavond krijgt Alleen Elvis blijft bestaan een gast die een fragment met Bernard Pivot heeft gekozen, zei Agnes die soms Senga heet, gisteren tijdens de lunch zomaar opeens. Daar keken wij toch altijd naar vanaf dat wij ons eerste tv-toestel hadden, niet? Jazeker, zei ik, dat was in de Lamorinièrestraat. Ik herinner me dat nog alsof het gisteren was. Apostrophes heette dat onvolprezen boekenprogramma. Maar wat een ellendige tijd was dat. Alleen misdaadromans, sommige muziek en televisieprogramma’s brachten enig soelaas in dat appartement. En wijn, zei Agnes. Vergeet de seks niet, zei ik. Ik woonde ook wel graag zo midden in de Joodse gemeenschap, zei Agnes. Ja, zei ik, dat gaf je soms het gevoel ver weg in een andere cultuur ondergedompeld te zijn. Met zo’n gast zou Alleen Elvis blijft bestaan wel eens interessant kunnen worden, ging ik verder, weet je wie het is? Dat heb ik niet verstaan, zei Agnes. Ik zal eens in Focus kijken, zei ik, als het daar al in staat, ze zijn nogal karig met hun informatie. Het is Margot Vanderstraeten, ken jij die, vroeg ik. Nee, zei Agnes. Ik ook niet, maar de naam zegt me wel iets. Ze heeft een boek geschreven dat Mazzel Tov heet. Nu herinner ik me dat ik haar een keer op televisie heb gezien. Een boeiende vrouw, meen ik mij te herinneren. Maar waarom heb ik dat boek dan niet gelezen?

Tijd voor Alleen Elvis blijft bestaan en Margot Vanderstraeten. Charmante, intelligente vrouw, welbespraakt, in het rood, de kleur van mijn hart. Ik val in herhaling. Ze komt uit Zonhoven in Limburg en groeide op in de buurt van een cité. Die rijke microkosmos van arme immigranten uit Italië, Griekenland, Polen, Spanje, Marokko, de meesten van hen mijnwerkers. Dat was een eerste herkenningspunt: ik ben vertrouwd met een vergelijkbare omgeving in Eisden-cité, waar ik twee jaar op internaat heb doorgebracht. Ook ik heb in de klas gezeten met kinderen van mijnwerkers, hun ouders Italianen, Polen en Grieken. De periode daar heeft mijn horizon verruimd: geen wereldvreemdheid maar wereldopenheid is daar mijn deel geworden. Margot Vanderstraeten is al op jonge leeftijd op internaat Dostojewski en andere klassieke auteurs gaan lezen. Een tweede herkenningspunt. We begrepen lang niet alle betekenislagen van boeken als De gebroeders Karamazov, maar de lectuur ervan stimuleerde ons om op verkenning te gaan in de taal. We werden verliefd op onze taal, het Nederlands. Margot Vanderstraeten ging in Antwerpen wonen, in de Joodse wijk. Ik schreef al dat het niet gemakkelijk is om aanvaard te worden in de stad aan de Schelde. Om meer kansen te krijgen om in die proef te slagen kun je proberen je het Antwerpse dialect eigen te maken. Je kunt ook iets helemaal anders doen: Margot Vanderstraeten ging haar mooie Nederlandse taal cultiveren. Nog een herkenningspunt, al is mij dat lang niet zo goed gelukt.

eisden schippersschool

Pas op het einde van de talkshow, na een clip over meesterkok Jiri Ono, dringt het tot me door dat Margot Vanderstraeten de vrouw is waar Deborah me over heeft gemaild. Ik verneem dat zij en haar man het restaurant uitbaten in het pand waar vroeger het Pannenhuis was. Dat het BOHM en berkel heet.
Wat is er zo merkwaardig aan dit verhaal? Agnes en ik hebben in de vroege jaren tachtig, toen we trouwe kijkers waren van Apostrophes van Bernard Pivot en van het nooit overtroffen filmprogramma Cinéma Cinémas van Claude Ventura en Anne Andreu [1], gebabysit voor Deborah. Enkele jaren eerder verscheen op een avond in het Pannenhuis voor onze ogen voor het eerst Deborah’s moeder. Didi want zo heet zij was inderdaad een verschijning. Ik geloof dat wij allebei meteen verliefd op haar werden, al kan ik wat dat betreft alleen voor mezelf spreken. Zelfs al hadden wij reeds heel wat tegendraadse en non-conformistische meisjes en jongens gezien waren we diep onder de indruk. Geen van ons beiden durfde Didi aan te spreken, zo van slag waren we. Pas een hele tijd later, toen bleek dat Didi net als ik een programma maakte bij Radio Centraal, heeft Agnes in café Tom Tom contact met haar gezocht. We werden goede vrienden en dat zijn we gebleven.

1983oostduinkerke1983-1

Uit de Joodse buurt zijn we in 1991 vertrokken. Guillaume Bijl en Renée Strubbe woonden toen al lang niet meer in de Lange Leemstraat. Ik was blij dat ik weg was uit Antwerpen en vooral uit de Lamorinièrestraat, waar niet één boom groeide. Toch mis ik sommige dingen. Op vrijdagavond, de vooravond van de sabbat (erew sjabbat), als ik van het station van Berchem naar huis liep, vroeg een nieuwe bewoner van het appartement van Guillaume en Renée me soms om in de keuken het vuur uit- of aan te komen steken. Dan herkende ik niets meer van de plek waar ik zoveel mooie avonden met mijn vrienden had doorgebracht. Ondanks de droefheid die me daarbij overviel vond ik het toch een hele eer om – als buitenstaander – een minuutje bij die eeuwenoude Joodse plechtigheid aanwezig te mogen zijn.

lagereschool1

[1] En 1982, Pierre Desgraupes, alors directeur des programmes d’Antenne 2, décide de lancer une nouvelle émission consacrée au cinéma. Désireux de proposer un concept novateur, il confie le projet à Michel Boujut et lui donne une liberté totale. Ce dernier fait appel au réalisateur Claude Ventura et à la journaliste Anne Andreu.
En résulte une émission au style unique, à la mise en scène singulière, composée d’un assemblage hétéroclite de séquences et d’interviews intimistes qui n’hésite pas à laisser la place au silence. Il s’en dégage souvent un sentiment nostalgique, voire mélancolique.
La formule étant devenue dépassée pour les critères de l’époque, la diffusion devient de plus en plus erratique, jusqu’à son arrêt total en novembre 1991 après un ultime numéro consacré à Alfred Hitchcock.

Afbeeldingen: Lamorinièrestraat, Antwerpen; Marguerite Yourcenar; Home voor Schipperskinderen, Eisden cité; Met Senga en Harobed in Oostduinkerke, 1983 (?); Lagere School, Eisden cité, cica 1962.

NACHTEN AAN DE KANT (10): BLOED

marc+ik-1974

Eind januari 1978. Marc Didden staat onaangekondigd voor de deur, wat niet ongewoon was: bijna niemand van ons had in die tijd telefoon. Toch was ik verrast, vooral omdat we elkaar al lange tijd niet meer hadden gezien. Ooit waren we de beste vrienden: we zaten middagen lang over muziek te praten en jasmijnthee te drinken, gingen samen naar concerten in Théâtre 140 en Vorst Nationaal, zongen liedjes van the Kinks, the Rolling Stones en Creedence Clearwater Revival wandelend in het Zoniënwoud. Nu staat Marc, ondertussen een gerespecteerd popjournalist, in mijn werkkamer met uitzicht op de winterse Zurenborgse tuintjes, nog wit van de nachtelijke vorst. Mooie kamer heb je hier, zegt hij. En waar ben je zoal mee bezig? Ik blijf het antwoord schuldig. Wat ik doe kan ik moeilijk in woorden vatten. Het is allemaal één lang onderzoek, één lang experiment, één lange droom van proza en poëzie. Met cesuren van dansen en alcohol, met uppers voor de concentratie en downers om te kunnen slapen. Hoe leg ik dat uit aan mijn oude vriend? Dit ontregelend werken op weg naar een uitweg uit het labyrint? De mythe van Theseus en Ariadne? Nee, dat is te hoogdravend. Te weinig Bo Diddley en Chubby Checker, te weinig Keep On Chooglin’.
Later zitten we op de begane grond in de immense, betegelde keuken die tegelijk ook living en dansvloer is. Deze ruimte is niet onderkelderd: je mag er met je voeten stampen en springen, dat maakt allemaal niet uit. Uit de luidsprekers Mink DeVille’s eerste langspeelplaat, Cabretta. De muziek van Willy DeVille en zijn band is zowel verleden als toekomst. Het is geen punk, het is geen new wave, maar het is zeker niet het gnoomachtig gepriegel van bands als Yes en Emerson, Lake & Palmer. Mink DeVille is rock-‘n’-roll van nu, soul van nu, rhythm and blues van nu. Hoor je die sound, Marc, dat is het werk van de onovertroffen Jack Nitzsche. Marc kent Jack Nitzsche nog van weleer, van de Phil Spector sound, van Crazy Horse. Hij was de man achter het betoverend mooie arrangement van Neil Young’s Expecting To Fly, terug te vinden op Buffalo Springfield Again. We praten over Talking Heads, Blondie, Sex Pistols, the Clash, wat we als hoopgevende ontwikkelingen in de popmuziek beschouwen. Ken je the Stranglers, vraag ik hem. Nee, zet eens op, zegt hij. Met songs als Hanging Around, Peaches en (Get A) Grip (On Yourself) vond ik Rattus Norvegicus toen geweldig. Sindsdien is mijn liefde voor dat album bekoeld. Ondertussen drinken Marc en ik Southern Comfort. Marc heeft me op een keer in een van de vele flatjes waar hij kortstondig verbleef van die zoete drank uit Louisiana laten proeven: ik was meteen verkocht. Wat hebben we toch veel van elkaar geleerd, het meeste toen we nog studenten waren aan de filmschool. Je hebt niet echt veel tijd nodig om je leven te veranderen, in goede of in slechte richting.

1978-1980-AURORA 1 001 (2) renee strubbe

Een dag later heb ik met mijn moeder Scrabble gespeeld. Ik ben nog gauw een spel gaan kopen in de boekwinkel op de Dageraadplaats. Terwijl we daar geconcentreerd zaten te spelen, de van Dale bij de hand, stonden Guillaume en Renée opeens in de kamer. Senga, die niet graag speelt, had hen binnengelaten. Als Guillaume er is lijkt de reusachtige ruimte minder groot. Hij heeft présence, zal ik maar zeggen. Guillaume is haast meteen familiair met mijn moeder. Moeders laten hem niet onberoerd. Hij is niet zo’n wereldvreemde kunstenaar, iemand die zich superieur voelt aan gewone mensen. Hij is zelf een gewone mens en tegelijk ook heel ongewoon. Hij neemt de mensen zoals ze zijn en behandelt iedereen gelijk. Zo werd het stilaan donker.

Als ik worstel met mijn ideeën en denkbeelden, als ik mijn gedachten niet goed uitgedrukt krijg, zie ik soms plotsklaps Maldoror, het personage uit Lautréamont’s De zangen van Maldoror, voor me. Om middernacht duikt ergens in Parijs, aan de Bastille of de Madeleine, opeens een omnibus op. Het lijkt alsof hij van onder de grond tevoorschijn komt. Er zitten mensen bovenop met onbeweeglijke ogen als dode vissen. De omnibus, die zich haast om de eindhalte te bereiken, verslindt de afstand en ratelt over keien. Hij snelt voort. Maar hardnekkig achtervolgt hem een vormloze massa, te midden van wolken stof. Ik houd zo van die tekst, van zijn ritme, zijn beweging. Soms maakt hij me woedend, want staat hij daar niet te schitteren als wat? Als een perfecte metafoor van mijn, van onze machteloosheid? Die van ons allen hier aanwezig, wij die met onze bijna dode vissenogen door het lot worden meegesleept.

Een week later zitten we in de Lange Leemstraat in het appartement van Renée en Guillaume te praten en te drinken, één oog op de televisie gericht, soms twee ogen. Of acht. Sommigen noemen het de treurbuis, maar voor ons, Senga en mij, is het een magische doos: wij zullen ons pas in 1984, het jaar van Big Brother een toestel aanschaffen. Ook vanavond projecteert Guillaume weer enkele van zijn home movies. Na die goed gevulde en gemoedelijke avond wandel ik met Senga naar Cinderella’s Ballroom. Ik schrijf zoveel liever Cinderella’s Ballroom dan Cinderella, ook al moet ik er meer toetsen voor aanslaan en wordt zo de mogelijkheid groter om meer typefouten te maken. Om over de slijtage van het klavier van mijn laptop nog maar te zwijgen.

In Cinderella’s Ballroom tref ik opnieuw Marc, nu samen met zijn vriendin Denise. Hij bekijkt me nogal argwanend, vind ik. Wat doet hij hier? Waarom blijft hij niet in Brussel? Dit is toch ons territorium? Wij zijn die mensen met de bijna dode vissenogen. Ach, jongen toch, je wordt nu toch wel wat paranoïde. Dat zullen die pillen zijn. Rustig maar. We hebben allemaal van die ogen.
Een uur of zo later zie ik Luc Deleu een drankje bestellen. Dat is wel heel vreemd. Toen ik nog in Brussel woonde met mijn gezinnetje en filosofie studeerde was hij een goede vriend. Wat ziet hij er slecht uit. Vissenogen zo dood als een pier. Een schim van zijn vroegere zelf. Maar dat zal ook wel een vertekening zijn. Wat is er toch met me aan de hand? Te veel met mijn neus in moeilijke boeken gezeten en dan ook nog eens dat gezwoeg aan Stasis, die supermoeilijke tekst. Giuseppe blijft maar herhalen dat ik eenvoudiger moet schrijven. Met van die ingewikkelde teksten zal ik nooit succes hebben, zegt hij keer op keer. Je moet zo schrijven dat gewone mensen je ook kunnen lezen. Maar ik ga er tegen wil en dank mee door [1]. Luc Deleu is bij het leger. Dat verklaart veel over zijn uiterlijk. Waarom is hij geen gewetensbezwaarde? We moeten brullen om ons verstaanbaar te maken. De platen die Maryse draait brengen je in een roes maar maken verbale communicatie onmogelijk. Je komt hier niet om te praten. Bovendien lijkt het erop dat Luc en ik al vreemden voor elkaar zijn geworden. En waar zijn Marc en Denise nu? Al vertrokken, zegt Senga.

Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan [2]. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

lautreamont

[1] Tot ongeveer 1984. Dan wordt het op literair gebied enkele jaren heel stil, maar dat is een andere geschiedenis.
[2] Punk is een geestesgesteldheid, meer dan een imago. Je hoeft geen uniform te dragen om toch punk te zijn. Punks zijn individualistisch, niet communistisch, geen massamensen. The New York Dolls waren punks zonder zich in leer te hullen. Er zijn heel wat voorbeelden, ik ga ze hier niet opsommen. Alleen Blondie nog even noemen.

Afbeeldingen: Met Marc Didden in Oostduinkerke, 1974; Renée Strubbe; Isidore Ducasse alias Comte de Lautréamont.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 5: KICKS AGAINST THE PRICKS

1979-1980-aurora 13 001 (2)

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 voor mij in petto had. Tweede en laatste deel van een lijst ‘hoogte- en dieptepunten’. Armoede, vriendschap, extase, rock-‘n-roll, letteren en filosofie.

3 6 1978 In de Ommeganckstraat voordracht van mijn tekst ‘Paradijsvogels en poëzie’. Voorgelezen samen met  Senga, Paul Rigaumont en Ginette.  Senga leest Lucebert heel mooi voor, Ginette deelt voorwerpen uit: een baksteen, een banaan, een kroontjespen, enzovoort. Cake gekregen van Rita B., een fles wijn van professor Flam. ’s Avonds in de straten gedanst.

8 6 1978 Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen blijkt een meesterwerk. De teksten zijn korte verhalen, scenario’s voor ‘films noirs’.

16 6 1978 We helpen Ginette met haar verhuis naar de Dolfijnstraat. Daarna met Guillaume en Renée (en wie nog?) naar Brussel voor Suicide en Elvis Costello & the Attractions. Waarom wordt Alan Vega, zanger van Suicide, de microfoon uit de handen gerukt? Het optreden van Elvis Costello & the Attractions is kort en vijandig. Het publiek is razend, terecht vinden wij. Hardhandig optreden van de security. Er breken rellen uit. Het gaat er hard aan toe. Senga houdt me stevig vast, zodat ik niet mee ga vechten tegen die bruten van de ‘veiligheid’.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

Setlist Suicide
Ghost Rider /  Rocket U.S.A. / Cheree / Dance / Frankie Teardrop
(Voortijdig afgebroken, na boegeroep van het publiek. Waarom, want Suicide is geweldig? Later op cd uitgebracht als ‘23 minutes over Brussels’.)

Setlist Elvis Costello & the Attractions
Mystery Dance / Lip Service /  (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes /Less Than Zero / This Year’s Girl  (Vanwege de chaos niet helemaal zeker van de volgorde en de songs.)

17 6 1978 Summer Party in de Dolfijnstraat. Gedanst op platen van the Stranglers, Sex Pistols en de rock-‘n-roll van Guy Bleus. Ik steek een poster van Lenin in brand: no more heroes anymore. Een performance? Het geluid van gebroken glas tegen een tegeltjesmuur. Niet kunnen verdragen dat iedereen naar huis gaat, dat het afgelopen is, dat we alleen achterblijven. Verlatingsangst.

bob dylan 23 juni 1978_3

23 6 1978 Bob Dylan in het Feijenoord Stadion in Rotterdam. De eerste keer dat we hem live zien. Met Leo en Flor. Leo had toen nog een auto. Flor is in 2015 overleden. Op weg naar Rotterdam roken we één jointje. Eerst Champion Jack Dupree en Eric Clapton en dan Bob Dylan. Regen en wind. Bob Dylan als een verbeten Casanova door engelachtige musici van Memling omringd. De muziek stijgt op, mathematisch precies, uit een afgrond van verloren jaren. De verloren zoon is teruggekeerd.

Setlist Bob Dylan
A Hard Rain’s A-Gonna Fall / Love Her With a Feelin’ / Baby, Stop Crying / Mr. Tambourine Man / Shelter From the Storm / Love Minus Zero/No Limit / Tangled Up in Blue / Ballad of a Thin Man / Maggie’s Farm / I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) / Like a Rolling Stone / I Shall Be Released / Going, Going, Gone / Rainy Day Women #12 & 35 / One of Us Must Know (Sooner or Later) / You’re a Big Girl Now / One More Cup of Coffee (Valley Below) / Blowin’ in the Wind / I Want You / Señor (Tales of Yankee Power) /Masters of War / Just Like a Woman / Don’t Think Twice, It’s All Right / All Along the Watchtower / All I Really Want to Do / It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding) / Forever Young / I’ll Be Your Baby Tonight / The Times They Are A-Changin’

Christus_met_zingende_en_musicerende_engelen,_Hans_Memling,_(1483-1494),_Koninklijk_Museum_voor_Schone_Kunsten_Antwerpen,_778

5 7 1978 Diner voor onze vrienden en buren Jules en Rita. Samen zeven flessen wijn leeggedronken. We praten voornamelijk over Samuel Beckett, het concert van Bob Dylan en ik draai platen van Ray Charles.

7 7 1978 Senga en ik spelen ganzenspel. We drinken te veel Old Granddad. Senga moet overgeven.

11 7 1978 Ivo Michiels (scenario) en André Delvaux (regie) draaien een film in onze straat: Een vrouw tussen hond en wolf, met Marie-Christine Barrault en Rutger Hauer. Delvaux en Michiels staan voor onze deur. Van Ivo Michiels heb ik acht jaar geleden les gehad, scenarioschrijven. Cameraman, scriptgirls, jeeps, tanks, allemaal in onze straat. Soldaten en bevrijde Belgen alom.

10 8 1978 Bij Guillaume en Renée maken we nu echt kennis met Ludo Mich en zijn vriendin. Documentaire over Martin Scorsese. De regisseur spat bijna uit elkaar van energie, emoties, hij is een spraakwaterval. Waar heb ik nog zo iemand gezien en gehoord? Gebruikt hij drugs, amfetamine, cocaïne?

11 8 1978 Met Senga naar The Last Waltz van Martin Scorsese (ik was al met Jos geweest).
De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll. De muzikanten zijn stuk voor stuk grandioos – en duidelijk onder invloed. Neil Young ziet eruit als een vampier.

15 8 1978 Mogelijk eerste keer in Pannenhuis (met Guy Bleus?)

22 9 1978 Naar party in Studio Herman Teirlinck met Jos D. en zijn lief Hilde Van Mieghem. Ik voelde me eerst geremd en depressief. Het dansen op platen van John Cale, Patti Smith en Tom Verlaine heeft mij er bovenop geholpen. Gedanst tot iedereen naar huis was, dan wij ook naar huis, te voet.

23 9 1978  Naar Pannenhuis voor kunstmanifestatie Goddog. Anti-kunstenaars uit de wijdere buurt, punks, gekken, losers, outsiders presenteren hun ‘werk’. Het spreekt mij allemaal erg aan. Omdat ik deze mensen nauwelijks ken voel ik er mij wat onwennig bij. Maar ik hou van hun stijl, hun excentriciteit, de manier waarop ze de mode binnenstebuiten keren, hun anarchisme en non-conformisme.  Mijn sympathie ging altijd al naar mensen die hun waanzin durven tonen en weigeren deel uit te maken van wat we nog altijd het systeem noemen. I prefer not to. Eigenlijk gebeurde er niet veel. Het belangrijkste was dat iedereen er was. God-Dog is een mooi vormgegeven tijdschrift, waar geloof ik Dominique Grégoire, Ria Pacqueé en Yvette aan hebben meegewerkt. Alles met wijn overgoten.

27 9 1978 Ik weeg nog 55 kilogram.

5 10 1978 Ginette gaat weg bij ons. Vandaag wordt er verhuisd. Met Jos aan een toneelstuk begonnen dat Barman, Barmaid heet. Onafgewerkt gebleven. Er komt een paradijsvogel in voor en Mozarts Strijkkwartet nr. 14 in G, KV 387.

10 10 1978 Ik heb geen geld om het honorarium van mijn longarts, dokter Clerckx, te betalen. Hij vindt het niet erg. Bovendien geeft zijn secretaresse me zomaar 200 frank om antibiotica te kunnen kopen.

21 10 1978 Alleen naar de kroegen, op zoek naar Jos. Ik vind hem in de Gnoe. Hij zegt dat hij ziek is, zijn oog is ontstoken, hij draagt een zonnebril. Molenwiekt met zijn armen. Met hem naar het Pannenhuis, waar hij zich bitsig en agressief gedraagt. Ik lees er in Rolling Stone over de dood van Keith Moon.  Om 7 uur naar huis. Intense ervaring van het ochtendlicht in oktober.

27 10 1978 Voordracht van de filosoof Michel Serres: Les confessions de Jean-Jacques Rousseau. Paul Rigaumont vraagt zich af of Serres geen geconstrueerde naam is: twee keer RES, een keer omgekeerd.

10 11 1978 In Pannenhuis opening van tentoonstelling van Guillaume Bijl. Daarna een party met veel wijn, whisky en tequila. Lang gesprek met Jan Ceuleers. Black-out.

27 11 78 Toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag, viel de tijd opeens stil. De trein en de reizigers waren er niet meer. Er was iets anders in de plaats gekomen, iets wat je niet kunt benoemen. Je zou van een diepe ervaring kunnen spreken, van een revelatie. Maar dat zegt niets omdat het aan de lezer niets meedeelt over de aard van de ervaring.

1 12 1978 Vandaag is de eerste editie van De Morgen verschenen, een nieuwe poging tot een Vlaamse linkse krant. Ondanks het slordig taalgebruik, de drukfouten, de “progressieve” spelling, ben ik toch tevreden dat de krant er is. Na vele jaren zag ik mijn oude vriend Luc Deleu terug. Hij was net terug uit Nepal. Leopold Flam zegt dat Aurora iets moet worden als de George-Kreis, de groep rond de dichter Stefan George. Meent hij dat? Dat was een elitaire kring van apolitieke dichters, kunstenaars en filosofen. In geen geval wil ik lid blijven van een groep fossielen. We moeten bijgevolg verhinderen dat de filosofische kring Aurora zo’n troep wordt.

31 12 1978 Barre kou en veel sneeuw. Bij Renée en Guillaume om Van Kooten en De Bie te zien. Daarna samen naar de punky reggae party van Jacques Chapon, in de Harmoniestraat. Reggae en tequila en iedereen is er, behalve Jos, die huivert van party’s. Al gauw ziek geworden, maar toch nog naar de Gnoe. Chantal en Gazoe brengen ons naar huis. Ik ga op de keukenvloer liggen en daar blijf ik tot een heel stuk in het nieuwe jaar.

Wailers be there
The Dammed, The Jam, The Clash
Maytals will be there
Doctor Feelgood too, ooh
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
And it’s a punky reggae party
And it’s tonight
Punky reggae party
And it’s alright
Bob Marley, Punky Reggae Party

door francois 1977

Afbeeldingen: Jos en ik in Antwerpen, 1979; Senga & ik; Bob Dylan in concert in Rotterdam, 1978; Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen;  M.P. in zijn werkkamer in de Dolfijnstraat, omstreeks 1978, foto door mijn broer François Brouns.

EEN NIEUWE POLITIEKE TAAL

POIX 095

Een paar dagen geleden had ik voor de eerste keer in lange tijd opgewekte gevoelens bij het kijken naar Terzake: twee Franstalige politici, Jean-Luc Crucke (MR) en Nicolas Martin (PS) lieten zien hoe politici ook hoffelijk kunnen zijn. Ze lieten elkaar uitspreken, luisterden naar elkaars standpunten, toonden respect voor anderstaligen, zelfs voor die Vlamingen die voor Wallonië en de Walen geen goed woord over hebben. Ze spraken zelfs beter Nederlands dan heel wat Vlaamse politici. Bovendien hebben deze twee mannen  gevoel voor humor.

Uit de hele reportage – ik zag onder meer gesprekken met een bio-landbouwer en een bedrijfsleider – bleek dat de toekomst aan Wallonië is. Dat een groot deel van de Vlaamse politieke klasse, en in haar kielzog een aanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking, in het verleden is blijven steken, in de overtuiging dat de Vlamingen een ‘volk’ zijn en een ‘volk’ dan nog waarvan de identiteit voor eens en voor altijd vastligt. Veel Vlaamse politici en hun volgelingen sluiten zich af voor wat zij als het andere zien. Zij schijnen geen oog te hebben voor wat opwindend en nieuw en op een verfrissende manier anders is. Zij zitten met de roestige gevoelens van het eigen volk in hun hoofd. Elke invloed van het vreemde zien zij als negatief. Alleen voor de negatieve kracht van het geld en voor de taal van de technocratie schijnen zij niet bevreesd te zijn. Zij deinzen er echter niet voor terug om de oude, onveranderlijke Vlaamse ziel aan monsterbedrijven te verkopen, die de mensen die hier wonen alleen maar uitbuiten en de ‘heilige grond’ blijvend verwoesten. Zij zijn blind en doof voor de lust die echte verandering brengt, voor een andere indeling van de ruimte, voor gezonde lucht, voor planten en bomen, voor een sociale ecologie, voor mededogen en empathie. Voor alles wat sociaal en ecologisch is zijn zij bang. Zij huiveren voor solidariteit. Zij zien dat als een geldstroom naar de vijand. De meest perfide onder deze politici willen niet alleen de solidariteit onder de bevolking vernietigen maar ook de sociale zekerheid. Geert Van Istendael noemt dat laatste terecht een van de grootste verwezenlijkingen van de westerse beschaving. Deze politici streven naar onderdanen die niet meer dan naakte, kwetsbare individuen zijn, die bij niets of niemand meer terecht kunnen en op die manier zonder weerstand tot een nieuwe manier van slavernij kunnen worden gedwongen.

Ik was blij dat ik bij deze Franstalige politici een nieuwe – niet eens zo radicale – taal hoorde, die nu eens geen angst aanjoeg maar eerder verzoenend en troostend klonk. Een warm alternatief voor het negativisme, de angstpolitiek, de businessterreur van de Vlaams-nationalisten.

Hiermee wil ik niet beweren dat alle Vlamingen onverdraagzaam en gesloten zijn, integendeel. Het gedeelte van de bevolking dat de angst propageert en het model van de businessterreur onderschrijft is eerder klein. Alleen doordat dit segment van de samenleving zo extreem veel aandacht krijgt, lijkt het alsof er helemaal geen andere stem meer overblijft, alsof Vlaanderen één dorre betonnen vlakte is geworden, één grote grijze zone van angst en bekrompenheid met voor de afwisseling alleen wat geel-zwarte toetsen. Het is tijd om gedaan te maken met die illusie en aandacht te geven aan mensen die een warmere kijk op de wereld en onze soortgenoten hebben.

“Je standpunt bevriezen is een teken dat je geen toekomst hebt. Jezelf opsluiten, terugplooien op jezelf, vasthouden aan het verleden is vragen om te verliezen. De geschiedenis wijst dat uit.”
Jean-Pierre Dardenne

P1020206(1)

Foto’s : Martin Pulaski

 

AAN HET WERK

5-2-2013_029 (2)

Elk leven kent een aantal keerpunten. In mijn dagboeknotities vond ik wat sporen van zo’n keerpunt in mijn bestaan. De notities [1] zijn natuurlijk uit de context gerukt, waardoor lezers die er geen idee van hebben hoe ik voor de herfst van 1988 leefde misschien niet goed kunnen begrijpen waarom ik het over een keerpunt heb. Maar misschien toch ook wel. Ik denk dat elke lezer inlevingsvermogen heeft. Ik geloof heel sterk in het mededogen van onze soort. Omdat het moet, zeker in deze donkere, schijnbaar uitzichtloze tijd.

Nu zit ik hier ten slotte ook tussen de velen aan een bureau van de overheid en kijk naar documenten die weinig of niets betekenen voor mij. Het is nog maar de vraag voor wie ze wel enig nut of enige waarde hebben. Ik leg blad op blad op blad, zomaar… Om de indruk te wekken dat ik druk bezig ben. Veel drukte om niets, dat is hier de essentie. Na een tiental dagen op deze plek op de dertiende verdieping van het AG-gebouw ben ik al goed op weg om een modelambtenaar te worden.

Mijn angstschilfers voor het witte – of in dit geval grijze (ik schrijf op gerecycleerd papier) – blad zal ik maar van me afschudden. Deze woorden die hier nu ontstaan zijn mijn woorden, van niemand anders. Ook al zijn ze kaal en op zich nietszeggend, al kan iedereen ze zich toe-eigenen. Zoals mijn woorden zijn zo ben ik. Soms goed, soms slecht, vaak iets daartussenin. Ook de banaliteit en het gestamel hebben hun bestaansrecht op de wereld.

Je zal alleszins naar woorden moeten blijven zoeken, angst of geen angst. Zoveel ben je kwijtgeraakt tijdens de lange, vreemde reis… Ja, die metaforen… Daar moet je voorzichtig mee zijn. Metaforen zijn vaak het meest vijandig aan de eigen stem, want ze overvallen je met een vorm die van tevoren al vastligt. Zeker is dat zo als je er niet voldoende bij nadenkt. Bijgevolg moet je niet alleen naar woorden zoeken, maar even goed naar geschikte, geïnspireerde, rijke metaforen – of ze geheel en al uit de weg gaan, wat onbegonnen werk is. Tijdens de lange, vreemde reis, de lange rit door de donkere nacht, de dwaaltocht door de woestijn, de rondzwerving in het barre land, de ballingschap in de dorre gebieden… Stuk voor stuk metaforen die een periode in je leven aanduiden – en geen ervan voldoet. Maar de dagen van de wereld bestormen met bloemen van verderf liggen voor eens en voor altijd achter je. Je zal het met deze nieuwe – evenwel niet opeens opgedoken – kaalgeslagen taal moeten doen. Tevreden zijn met wat je nog krijgt, de schaarse woorden en beelden die overblijven na lang wikken en wegen en elimineren en verwerpen. Geen goudklompjes hield je over, alleen maar steen en fossiel.

Jeroen Brouwers gisteren in het programma Atlantis: is hij een échte schrijver? Of is hij de mythe van een echte schrijver? Iemand die zich voor een echte schrijver houdt? Zowat elke dag is hij daar met zijn donkere ogen, om als het ware zijn zelfmoord aan te kondigen. De pennenlikkers van het literaire circus zitten al vele jaren ongeduldig te wachten om met hun slecht geformuleerde in memoriams te scoren. Ik hoop dat Brouwers er geen eind aan maakt, dat het een verkoperslist is, dat hij de hele meute teleurstelt. Zijn ‘Zondvloed’ zal ook wel goed verkopen als hij er geen punt achter zet. Trouwens, had hij dat punt er niet beter voor gezet? ‘Après moi le déluge’ luidt immers de uitspraak van deze mensen die graag uitspraken in de mond nemen. Ach, de smaak van een wansmakelijke uitspraak is nog altijd beter dan die van het succulente vlees van een geveld everzwijn of een vermoorde patrijs.

Lang geleden, toen mijn hoofd nog vol haar stond, dat dan bovendien over mijn schouders golfde, heb ik Jeroen Brouwers meermaals gezien. Zou hij zich mij herinneren? Een bepaald beeld van mij met zich meedragen? “Die barman met dat lange haar in die bar van Herman J. Claeys, De Dolle Mol heette ze, dat weet ik wel zeker”. Waarschijnlijk niet. Wie herinnert zich langharige losers? Ik had een zwak voor die luidruchtige literatoren die er kwamen: Jeroen Brouwers, Paul Snoek en Marcel Van Maele. Zij waren me liever dan de overwegend Franstalige hippies die er rondhingen en voor zich uit zaten te staren of hasj te dealen. Dat laatste was niet alleen dom maar ook boosaardig ten aanzien van Herman, want de Dolle Mol stond haast onder voortdurende bewaking van de Belgische Opsporingsbrigade, softdrugs waren staatsgevaarlijk; dat vond althans de toenmalige minister van justitie Vranckx, een socialist tegen bewustzijnsverruiming. Uiterlijk leek ik wel op deze hippies, maar geestelijk was er weinig verwantschap tussen ons, denk ik. De echte hippies bevonden zich, in navolging van Jack Kerouac en andere beats, on the road in de Verenigde Staten, trokken naar Afghanistan en Nepal of leefden teruggetrokken in communes, wist ik. Dat had ik ook graag gedaan, maar waarschijnlijk had ik me daar bij hen, in Laurel Canyon, of weet ik veel waar ze woonden, evenmin thuis gevoeld als in Antwerpen of Brussel. Zal ik me overigens ooit ergens wel thuis voelen? Zeker hier niet, in dit hels-verlichte bureau van Ontwikkelingssamenwerking.

Ja, ik hield van die schrijvende mannen, zij waren karakters, zij hadden levensechte verhalen te vertellen. Zelfs als ze stomdronken waren vertelden ze nog boeiende verhalen. Ik was altijd nuchter in die tijd. Mijn enige zwak was de sigaret. Bijna mijn hele inkomen ging naar sigaretten. Sommige dagen kon er nog maar net een kommetje rijst met olijven en paprika af. Dat kocht ik aan de overkant van de Kaasmarkt, het hippe pleintje waar je niet alleen de Dolle Mol vond maar ook de Speakeasy. De bohémiens en hippies werden er heel gauw verdreven. Er moest plaats gemaakt worden voor pitabars en toeristen. Alles wat de stad een gezicht gaf werd verwoest. Zo komt het dat alle steden nu op elkaar lijken.
Zo waren mijn Brusselse dagen [2], goed voor een honderdtal bladzijden of meer, maar vandaag begin ik er niet aan. Alweer niet. Nu ben ik de Man die Werk Vond, van die gehate Brusselmans. Dat is geen schrijver (vinden de ernstige mensen, en meer dan eens ben ik zelf ook een ernstige mens). Of: De Man die Ook Werk Vond. Of: De Tweede Man Die Werk Vond. Nee, dit is niet grappig.

Ik had het over het Atlantis. Dat is een televisieprogramma waar ik voor thuisblijf. Zelfs als het onbenullig lijkt boeit het mij. Dat komt door de vervlechting van de thema’s die erin aan bod komen; de verschillende items verwijzen naar elkaar en versterken elkaar. Zo werkte ik vroeger ook aan mijn radioprogramma Shangri-La. Als je een country-smartlap als ‘Satin Sheets’ van Jeanne Pruett in een bepaalde context plaatst, kun je aan zo’n lied een diepere existentiële betekenis geven. Heel wat country-songs hebben die betekenis al in mindere of meerdere mate. Het zijn meestal op zijn minst interessante verhalen, die over het leven gaan, over de verhoudingen tussen mensen, over de eenzaamheid en het verlangen naar de dood. Over mogelijkheden om aan die eenzaamheid te ontsnappen: een beperkt aantal. Je mag zo’n lied natuurlijk niet in een typisch country-programma horen, gepresenteerd door een onbenul van een DJ die de nummers aan elkaar lult. Tenzij je zo’n uitzending ook weer in een ruimere context plaatst. Maar op die manier kun je doorgaan tot aan de grenzen van het universum en verder. Dan kom je weer bij een zekere God terecht. En daarmee is alweer een keer bewezen dat het geheel in het kleinste ding aanwezig is: in de kiem de kosmos. Maar zeg het niet tegen de anderen want dan lachen ze je uit.

Ik word in mijn echte werk gestoord. Mijn chef, Mevrouw Verstraeten, komt mij vragen om bepaalde belangrijke documenten in verband met het C.M.R.E.G. te klasseren, volgens mij een onbekend en waarschijnlijk zinloos systeem.

[1] Dagboeknotitie van 5 december 1988.
[2] In 1988 woonde ik nog in Antwerpen.

Afbeelding: Martin Pulaski, circa 1971.

ENKELE NOTITIES BIJ ‘THE VIETNAM WAR’

Als puntje bij paaltje komt zwijgen de slechtere mensen. Je hoort ze niet. Ze spreken niet. Hebben ze niets geweten of hebben ze alleen maar geen geweten?
Alleen de goede mensen praten. De betere.
De mensen met een geweten, degenen die na reflectie tot inkeer gekomen zijn.

Waar zijn de woorden van de wapenfabrikanten? Hoor je ze? De woorden van de presidenten, senatoren, generaals (wastemoreland noemden we de oorlogsmisdadiger generaal Westmoreland), van de politie-oversten die de bevelen gaven? Van degenen die ‘onze jongens’ een afschuwelijke dood instuurden. Van degenen die ‘onze studenten’ lieten vermoorden. Van de rechters die de monsters van My Lai weigerden te straffen. Van degenen die honderden duizenden Vietnamezen lieten uitroeien alleen maar omdat ze, net zo goed als de Amerikanen en de rest van de wereld, naar vrijheid snakten. Naar vrijheid en een beter leven voor zichzelf en meer nog voor hun kinderen.

Ω

Notities na het zien van de de twaalfdelige serie ‘The Vietnam War’.
“Producenten Ken Burns en Lynn Novick werkten tien jaar aan de reeks en laten tachtig getuigen van alle betrokken partijen aan het woord: Amerikaanse veteranen, en militairen en burgers uit Noord- en Zuid-Vietnam. De focus ligt daarbij eerder op gewone mensen die de oorlog van dichtbij hebben meegemaakt, dan op experts en historici.” (Canvas)

TABULA RASA: NABESCHOUWING

etymologie, voornamen, namen, mommaerts, mom, vermomming, geest, wolk, serie, televisie, veronica, v, vogel, vera icona, berenice, pherenike, spoor

Gisteravond bedacht ik dat in de naam van dokter Mommaerts de stam mom – niet al te diep – verborgen zit. Een beetje vermomd, zeg maar. ‘Mom’ betekent etymologisch ‘masker’, vandaar zich vermommen, vermomming, maskerade. Waarschijnlijk verwant aan het oude Franse woord ‘momer’ (se deguiser). In het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal lees ik: “het werkwoord mommen ‘zich vermommen, aan gemaskerd bal deelnemen,’ komt reeds eind veertiende eeuw voor.” De huidige betekenis van ‘momerie’ is volgens Larousse: ‘affectation ridicule d’un sentiment qu’on n’a pas, et en particulier de sentiments religieux, bigoterie.’ Dat is ook mooi meegenomen.
En dan Véronique, of V. In het initiaal V zien we uiteraard de al dan niet met kinderhand getekende vogels. Maar interessanter nog is de betekenis van Véronique of Veronica. Die voornaam komt van het Griekse Pherenike, brengster van de zege, overwinnaar; denk ook aan Bérénice (Βερενίκη). Het is tevens de naam van de legendarische Veronica, een christen uit Jeruzalem, die Jezus een doek aanbood om het zweet en bloed van zijn gezicht te vegen terwijl hij zijn kruis droeg. Het gelaat van Christus werd zo op miraculeuze wijze op de doek ingeprent. Op grond hiervan wordt de naam soms verklaard uit een mengsel van het Latijnse verus en het Griekse icona. Dat wordt dan vera icona of het ware beeld. Veronique toont ons het ware beeld van de moordenaar: zij is het dader.
Mochten we van in het begin van Tabula Rasa wat aan naamkunde en etymologie hebben gedaan dan hadden we al gauw het ware gelaat van de slechte vrouw gekend.  Thomas De Geest, zoon van een speurder en appel die niet ver van de boom valt – en zoon van een wolk die Wolkers heet, had ons meteen op het goede spoor kunnen zetten. Dan hadden we meteen door haar niet eens helemaal geslaagde vermomming heen gekeken. Nog een geluk dat we dat pas hebben gedaan nadat het mysterie eindelijk was opgelost. Want leven we niet liever in onwetendheid dan het lot van onze helden (of antihelden) en van onszelf al van in het begin te kennen?

Ω

Afbeelding: El Greco, De heilige Veronica.

TABULA RASA

Gisteren op één de laatste episode van ‘Tabula Rasa’ gezien. Een van de beste Vlaamse televisieseries ooit. Hoewel ik er meteen moet aan toevoegen dat ik geen deskundige ben. Zoveel Vlaamse televisieseries heb ik nu ook weer niet gezien.
Ik heb van elke episode intens genoten. Op elk gebied is dit goed gemaakte fictie: scenario, regie, fotografie, acteertalent, muziek. ‘Tabula Rasa’ is een inventieve, meeslepende thriller met horror-ingrediënten. Sommigen zullen zich misschien geërgerd hebben aan de vele verwijzingen naar andere films en series, zelf heb ik er plezier aan beleefd. Misschien wat te veel knipogen naar Kubricks ‘The Shining’, maar goed, dat is dan ook een meesterwerk van filmkunst.
Bedankt Malin-Sarah Gozin, Jonas Govaerts, Christophe Dirickx, Veerle Baetens, Jeroen Perceval, Stijn Van Opstal, Peter Van den Begin, Natali Broods, Hilde Van Mieghem en Gene Bervoets (en de hele ploeg) – voor al die heerlijke, spannende zondagavonden.
Toegegeven, in de film ‘Broken Circle Breakdown’ vond ik Veerle Baetens niet bijzonder. Ik begreep niet wat zoveel mensen in deze actrice zagen. Nu besef ik pas wat mij toen misschien ontgaan is.

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (9)

Jean-Jacques_Rousseau

Dag 6: 7 november 2016

‘L’avenir’ van Mia Hansen-Løve is een sublieme film, met Isabelle Huppert in de hoofdrol. Isabelle Huppert die nog maar eens een keer verrast. Maar hoe kan dat? Iemand die ons al zo vaak heeft verrast kan dat toch niet blijven herhalen? En toch doet ze het. Iedereen die haar van in het begin gevolgd heeft, weet het. Voor mij was het begin ‘Les valseuses’. Het was het slipje van de jonge Isabelle – van haar personage – dat die twee voyous, Patrick Dewaere en Gérard Depardieu besnuffelden. Ik twijfel er niet aan dat Isabelle Huppert zowat ieders favoriete actrice is, of ze is dat toch voor elke denkende mens, man of vrouw, die van mooie, sterke, getalenteerde en intelligente vrouwen houdt.

‘L’avenir’ behoort tot het soort van films dat er voor mij uitspringt. Er wordt een eenvoudige verhaal verteld, met een diepere onderlaag, de fotografie is uitstekend, de dialogen zijn geloofwaardig, er wordt voortreffelijk maar helemaal niet spectaculair geacteerd. Een kleine Franse film par excellence. Met ‘klein’ bedoel ik niets negatiefs, integendeel. Alain Tanner maakte ook zulke films, maar Tanner is wel een Zwitser. Aan Eric Rohmer moest ik ook denken. Je zou deze bepaalde vorm ‘lichtvoetige diepzinnigheid’ kunnen noemen. De filosofische achtergrond van ‘L’avenir’ geeft een extra dimensie aan de film. Rousseau, het katholicisme, Chateaubriand, het radicalisme tegenover het gematigde links van de neo-bourgeoisie (die haar rebellie al lang achter zich heeft). ‘L’avenir’ geeft zin, in de twee betekenissen van het woord. Ik heb alvast zin gekregen om opnieuw Rousseau te gaan lezen, vooral ‘Le contrat social’ en ‘La nouvelle Héloïse’. En alle films met Isabelle Huppert opnieuw (en opnieuw) te gaan zien.

Mevrouw De Block verhoogt de prijs van een aantal geneesmiddelen en wil op die manier “de middenklasse redden”. Net zoals de banken dat willen doen door binnenkort een negatieve rente op de spaarrekeningen in te voeren. De echte middenklasse belegt namelijk. Desnoods leent ze geld om te kunnen beleggen. De economie moet gestimuleerd worden. Het land moet groeien. Volgens Bob Dylan hebben we iets helemaal anders nodig dan duurdere geneesmiddelen en een negatieve rente op de spaarrekeningen om het land te doen groeien:
Well, my telephone rang, it would not stop
It’s President Kennedy callin’ me up
He said, “My friend Bob, what do we need to make the country grow?”
I said, “My friend John, Brigitte Bardot
Anita Ekberg
Sophia Loren
Country’ll grow.”
Bob Dylan – I Shall Be Free

Mogelijk zitten de Amerikanen (en wij met hen) binnenkort met een heel ander soort president dan John Kennedy opgescheept. Een mysogine, racistische, vuilgebekte miljardair. Maar zover zijn we nog niet. Nog even geduld, nog even wat vulgaire verkiezingsshows proberen te ontwijken, nog één keer slapen. Niet dat mevrouw Clinton mijn sympathie krijgt. Ze is dan wel geen racistische, vuilgebekte miljardair, maar ze wordt gesteund door Wall Street (waar onder meer de wapenindustrie thuis is). Maar liever nog een schouwspelkapitalist met enkele progressieve ideeën dan een onvoorspelbare casinokapitalist met niets dan obsessies en stemmingswisselingen.

Op facebook ben ik nu bevriend met Karst Woudstra, een man die ik al zo lang bewonder. Door hem heb ik het werk van Lars Noren leren kennen. Hij heeft mij opnieuw in aanraking gebracht met de (toneel)auteurs waar ik lang geleden al van hield: Henrik Ibsen en August Strindberg. Hij heeft me zonder veel opsmuk of tralala laten zien hoe geniaal beide mannen wel waren – en hoe modern, hoe hedendaags hun werk is. Het was uiteraard ik die hem als vriend vroeg. Een uurtje later aanvaardde hij mijn verzoek. Dat je zoveel van Patrick Modiano houdt volstaat voor mij om ja te zeggen, schreef hij me. (Hij had er dus geen idee van dat ik ook een bewonderaar was van Strindberg, Ibsen, Lars Noren en van de melancholische Karst Woudstra zelf). Een voorbeeld van de theorie van Frigyes Karinthy die ervan uitgaat dat alle mensen via maximaal vijf tussenpersonen en zes tussenstappen met elkaar verbonden zijn (six degrees of separation).

Om één uur, een uur voor de lunch, ga ik een uur rusten. Ik denk nu onwillekeurig aan Nietzsche, die eerst het hoofdgerecht at en pas daarna de soep. Als ik ontwaak weet ik niet welk moment van de dag het is. Ochtend? Middernacht? Het duurt even eer ik weer in de realiteit ben. Weer een uur verspild. De herfst gaat aan me voorbij zonder dat ik er deel aan heb. Ik had veel meer door het raam moeten kijken, naar de bonte herfstkleuren. Wat een decadente uitspraak! Ik had veel meer naar buiten moeten gaan, gaan wandelen in parken, in het Terkamerenbos, in het Zoniënwoud. Ik had me in de herfst moeten verliezen. In plaats van me in de werkelijkheid onder te dompelen sluit ik me er van af, om wat woorden aan mijn laptop toe te vertrouwen (en met potlood aan mijn dagboek), om enkele paragrafen te lezen, om zoals zojuist naar Bruce Springsteens ‘Tom Joad’ te luisteren, om naar een film te kijken.

Voor veel films echter moet je ook de deur uit. Van landschappen blijft bijna niets over op een klein scherm. Van paarden. Van de wijde ruimte. De kleuren van de hemel. Een vlucht wilde eenden. Maar ook van intimistische films als ‘Love’ van Gaspar Noë blijft weinig over. Bij die film moet je de lichamelijkheid kunnen voelen. De huid. Het zweet. Lichaamsappen. Sperma. Speeksel. Op het kleine scherm gebeurt er niets van dat alles en is het een vervelende film. Wat hij waarschijnlijk op het grote scherm ook is, maar dat weet ik nu niet. De beste erotische film vind ik overigens nog steeds ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci, met Maria Schneider, Marlon Brando en Jean-Pierre Léaud. Maar dat is niet echt een erotische film: het is een tragedie. Een tragedie waar sommige mensen graag een klucht van zouden willen maken, of een soap. Zoals de soap die nu in de Verenigde Staten gaande is. Maar dat wordt zeer waarschijnlijk een tragedie. Misschien de ergste die wij, die babyboomers worden genoemd, ooit hebben gekend.

Afbeelding: Jean-Jacques Rousseau

 

BOB DYLAN EN DE AFGUNSTIGEN

2016-10-27-avignon-lyon 266

Opgedragen aan Christophe Vekeman

De zon schijnt maar vermoedelijk is het koud buiten. Wordt het een routineuze dag? Een dag als een andere? 13 oktober. Een ongeluksdag, misschien? Ik ben alleen thuis, hang een tijdje de ellendige nietsnut uit. Zet tegen beter weten de radio aan. Bob Dylan wint de Nobelprijs! Vreugdetranen, nooit eerder gevoelde blijdschap. Hoe kan ik dit voor mezelf houden? Ik bel A. op met de blijde tijding. Ik voel hoe ze daar in de metro haast aan het dansen gaat. Ik haal een single uit de kast, een die ik al sinds 1966 koester, ‘I Want You’, waarin deze versregels voorkomen:

“The silver saxophones say I should refuse you
The cracked bells and washed-out horns
Blow into my face with scorn
But it’s not that way
I wasn’t born to lose you”

Geen routineuze dag, dus, maar een dag van herinneringen aan euforische, gelukkige, dramatische, zieke, feestelijke, jaloerse, uitzinnige, pijnlijke en verwarde momenten. Meer dan vijftig jaar Bob Dylan-momenten. In het verleden heb ik er daar al heel wat van beschreven. Nu is dat niet nodig. Ik jubel en ik voel dat de hele wereld feest viert.

Later op de dag besef ik dat ik tegen wil en dank met Vlaanderen verbonden ben. Dat niet iedereen feestviert en jubelt. Want in Vlaanderen heb je Vlaamse schrijvers. Vlaamse schrijvers die geen ogenblik twijfelen aan hun vanzelfsprekende grootsheid. Zij weten wie een schrijver is en wie niet. Bob Dylan zeker niet. Dat is een rijmelaar, een neuzelaar, in het beste geval een ‘singer-songwriter’. Zo iemand geef je toch geen Nobelprijs! De jury bestond ongetwijfeld uit oude hippies, zeggen ze.

Het boegeroep – niets nieuws voor Bob Dylan – begon al op facebook. Ik las statements van Jeroen Olyslaegers, een auteur die ik stilaan begon te bewonderen vanwege zijn sociaal engagement, die van een vrij grote domheid, of toch zeker verblinding getuigden. “Bob Dylan zou nooit van zichzelf zeggen dat hij een schrijver is”, orakelde Jeroen. “Hij is een ‘song and dance man’, dat zijn zijn eigen woorden.”  Vreemd dat een gerespecteerd auteur geen ironie herkent. Geen sarcasme. Schrijvers zitten aan een tafel te schrijven, zeggen de Vlaamse schrijvers. Het zijn geen entertainers, geen circusartiesten… Maar wat is de Boekenbeurs dan, wat zijn de culturele centra? Wat is al dat signeergedoe, wat zijn die spelletjesprogramma’s en slimste mensen van de wereld?

In het journaal op de Vlaamse televisie draven Vlaanderens bekendste auteurs opnieuw op. Jeroen Olyslaegers, die nog zo slecht niet is, alleen wat in de war. Dimitri Verhulst, die pure dronken nonsens vertelt. Hij heeft het over de karamellenverzen van Bob Dylan. De schrijver van zinnen als “Werkers van wijflijke kunne worden in geval van zwangerschap op straat gezet.” (Ja, ja, ik weet het, dat is ook sarcasme). Overigens, Nick Cave en Tom Waits zijn veel betere singer-songwriters, zegt hij. Uiteraard mag Kristien Hemmerechts niet ontbreken – hoe zou Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kunnen krijgen zonder de goedkeuring van Kristien Hemmerechts? Onverdiend, vindt ook mevrouw Hemmerechts, Bob Dylan is helemaal geen schrijver. Like a rolling rolling stone, nee dat is niets voor mij. Mocht het nog Leonard Cohen geweest zijn, dat lijkt nog wat op poëzie, die liedjes komen ook op papier tot hun recht. En zo ging het nog een tijdje door. Gelukkig dacht ik aan wat Dylan ooit schreef: “Sometimes you gotta do like Elvis did and shoot the damn thing out”. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb de televisie op dvd-functie gezet en ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese in de lade geschoven. Het is een mooie, feestelijke avond geworden. Vier uur controversiële en convulsieve schoonheid.

[In een bui van vreugde/razernij geschreven. Niet op de stijl gelet. Dit is geen literatuur.]

 

 

CRISIS, NUCHTERHEID, UTOPIE

schrijven

Ontwaken met misselijkmakende hoofdpijn en nog moeër dan toen ik ging slapen: het verbaast met niet meer. Ik voel me al enkele weken, maanden zelfs, slap en uitgeput maar vind geen duidelijke oorzaak. Te weinig energie om een literaire tekst te schrijven, om woorden met het oog op concrete schoonheid met elkaar een verband te laten aangaan. Om er zinnen van te maken en paragrafen die tot de verbeelding spreken. Mijn eigen verbeelding is alleen ’s nachts aan het werk, als ik het geluk heb te dromen. Misschien maakt die nachtelijke activiteit me zo moe? Tot nog niet zo lang geleden noteerde ik mijn dromen en gebruikte die (soms) als grondstof voor schetsen en verhalen. Nu kan ik de stap van de chaotische droom naar de heldere verwoording niet meer zetten. Voorlopig toch niet. Bovendien is al meerdere jaren binnen in mij een gevecht aan de gang tussen het dromerige, wat ik de mijmering noem, en de nuchtere beschouwing. Ik dacht de twee vormen te kunnen combineren, maar ik blijf afwachten. Te lang misschien? Want het gezond verstand zegt dat je moet doen, handelen, en niet stil blijven zitten en altijd maar aarzelen en twijfelen.

Het verbaast me ook niet meer dat bij ING meer dan drieduizend mensen worden ontslagen. Ook zulke gebeurtenissen dragen bij tot de misselijkheid die ik voel, maar verbazing? Nee, geen verbazing. De multinationals en de banken staan boven elke wet en ze hebben ons en ‘onze’ politici in hun wurgende greep. Ik schaar me achter vakbondsacties, stakingen en betogingen, maar weet dat alleen een revolutie op zeer grote schaal deze ellendige stand van zaken kan veranderen. In het verleden is het echter na een revolutie zelden beter geworden. Lees er – onder meer – Peter Sloterdijks ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd’ maar op na. (Overigens geloof ik dat na bestudering van dat diep pessimistische boek mijn mijmerend schrijven is stilgevallen.) Is er dan helemaal geen uitweg? Weinigen schijnen nog een antwoord te hebben, het begin van een oplossing voor te stellen.

Ik beluisterde ‘American Band’ van Drive-By Truckers en kreeg weer hoop. Dit is Amerikaanse rock & roll die uit de ziel en het hart komt, opstandig en sterk en trots maar zonder zekerheid hoe het nu allemaal moet. Wat zeker is, is dat muziek en kunst in het algemeen bij om het even welke maatschappelijke verandering een doorslaggevende rol zullen spelen. Patterson Hood en Mike Cooley, de liedjesschrijvers van de Truckers, maken protestsongs van deze tijd. Ze gaan over de Verenigde Staten, het Zuiden, racisme, geweld, maar ze zijn tegelijk universeel. We kunnen ons herkennen in de problemen die ze beschrijven, in de immense crisis die in de Verenigde Staten gaande is maar die ook ons Europeanen dreigt te verlammen. De teksten van de Truckers drukken wanhoop uit maar de muziek zit vol hoop en energie en leven. Deze muzikanten doen het niet alleen maar voor het geld, voor de drugs en de groupies, zeker niet. Je hoort dat ze naar een waarheid zoeken, naar iets wat in het verleden waardevol was en dat in de toekomst nog zal zijn.

Wat me opvalt is dat wat de voorbije dagen tot me doordrong veel samenhang vertoont: de ‘objectieve’ werkelijkheid, hoe die in de media aan ons wordt getoond, de apocalyptische serie ‘The Leftovers’ – met daarin het prachtig lied ‘Let the Mystery Be’ van Iris DeMent – , ‘The Harder They Come’ – vertaald als ‘Wie storm zaait’ – van T.C. Boyle en ‘American Band’ van Drive-By Truckers. Dat kan geen toeval zijn. Het is, denk ik, de hoogste tijd om de energie die ons nog rest op een positieve manier aan te wenden. Niet alleen door elkaar alleen maar te verdragen of naar elkaar te luisteren maar door elkaar lief te hebben. Ik weet dat het utopisch klinkt maar we zijn allemaal van dezelfde familie.

Foto: In Conil, Agnes Anquinet

 

 

KOORZANG: DYAB ABOU JAHJAH

Leven we in een tragische tijd? De vele koorzangen die je op menige plek hoort zouden er op kunnen wijzen. Maar uit hun vaak weinigzeggend en repetitief karakter kun je net zo goed afleiden dat we een grote komedie bijwonen. Dat is geen nieuwe vaststelling. Een boek van Slavoj Zizek kreeg als titel mee ‘Eerst als tragedie, dan als klucht’, waar hij de inspiratie voor vond in ‘Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie’ van Karl Marx. Een moeilijke en onzekere tijd is dit zeker wel. Velen onder ons sluiten zich af, ontvluchten wat de realiteit wordt genoemd. We zoeken een vertrouwde omgeving op, reizen af naar die schaarse plekken waar we hopen nog wat schoonheid of sporen van iets pastoraals te zullen aantreffen. Of we blijven gewoonweg thuis, in een hoek met een boek, of troost zoekend in de vluchtigheid van muziek en film. Sommigen worden radeloos, een kleine minderheid gaat over tot brutaliteiten, in sommige gevallen tot geweld. Geweld dat we weigeren te begrijpen. Geweld dat we altijd zullen verwerpen, zelfs al zouden we bereid zijn het toch in een begrijpelijke context te plaatsen.

Kritiek op de zwakke plekken van anderen is alleen maar mogelijk als je in jezelf ook zulke plekken aantreft. Je weet bijvoorbeeld heel goed dat je net zo goed meedoet aan het vals zingende koor, zelfs al doe je je uiterste best om te zwijgen.  Je bent geen schone ziel, je hebt altijd op zijn minst een beetje vuile handen.

De voorbije dagen bezong het koor de wederwaardigheden van Dyab Abou Jahjah en zijn ondervrager Thomas Erdbrink. Ik wilde afzijdig blijven. Maar vind mijn zwijgen hoe langer hoe moeilijker vol te houden. Ik wilde me vooral afzijdig houden omdat ik Dyab Abou Jahjah eigenlijk niet zo ken. Ik bedoel: ik heb geen duidelijk idee van zijn politieke strijd en van zijn werk. Ik heb alleen maar enkele opiniestukken van hem gelezen, die ik meestal pertinent vond. Deze aflevering van Zomergasten nu was verrassend goed. Alleen de inquisitoire toon van debutant Thomas Erdbrink werkte me danig op de zenuwen. Had de man last van plankenkoorts, zag hij in zijn gesprekspartner een vijand, had hij duidelijke instructies gekregen om zijn gast zoveel mogelijk te onderbreken en hem strak aan de leiband te houden? Kennelijk waren er nogal wat kijkers die zich hadden geërgerd aan het vooruitzicht drie uur lang naar deze ‘outsider’ te moeten luisteren (en kijken). Was het daarom dat de gast zo hard werd aangepakt? Erg hoffelijk was het allemaal niet.

De aflevering van Zomergasten was desondanks verrassend goed dank zij Abou Jahjahs verhaal en de beelden die hij had meegebracht. Maar wanneer is iets goed? Voor mij is iets goed als ik er mij in kan herkennen, als er (ziels)verwantschap is. Dat begon al goed met Colin Wilson, een schrijver en mysticus die op mij als jonge knaap ook veel indruk heeft gemaakt. Wilson heeft mij helpen beseffen dat ik een outsider was; wat ik altijd ben gebleven. De kritiek op het zionisme leek mij behoorlijk onderbouwd. Abou Jajah wordt uitgescholden voor racist en antisemiet. Daar heb ik in deze aflevering van Zomergasten niets van gehoord. Er is toch een duidelijk onderscheid tussen de ideologische term ‘zionist’ en het woord ‘jood’? Hoewel ik extreem gevoelig ben voor antisemitisme, de joodse cultuur is voor mij bij wijze van spreken heilig, heb ik er niets van gemerkt. Ik geloof dat ik nochtans aandachtig geluisterd heb. Het hoofdstukje over de Black Panthers wordt wel vaker getoond. Maar dat mag en moet zelfs. De uitroeiing van de Black Panther-beweging toont de macht van de staat aan, een macht die zich als zuivere negativiteit kan manifesteren. Een ander voorbeeld van dergelijke negativiteit van de staat is het gedrag van de Belgische politie, dat in sommige gevallen ronduit racistisch is (zonder te willen veralgemenen). Ondanks de paniekerige, schreeuwerige en naar het mij leek wat emotioneel verwarde Erdbrink bleef Abou Jahjah rustig en beheerst. Zijn uitspraken waren weloverwogen, ter zake. Ik zag erg mooie en ontroerende fragmenten, onder meer van een Tunesische zangeres, van Leonard Cohen en van Jacques Brel. Opvallend was dat in heel wat van het gekozen beeldmateriaal de spot werd gedreven met de georganiseerde godsdienst. Of dat die sterk in twijfel werd getrokken, zoals in ‘True Detective’. Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat Dyab Abou Jajah een volbloed romanticus is en een onverbeterlijke optimist. Zijn pleidooi voor Brussel als een nieuw Babylon – denk aan de utopie van Constant Nieuwenhuys – gaf mij meteen zin om mijn verdoemde stad met nieuwe ogen te gaan verkennen. Ik ben echter minder optimistisch. ‘La Bataille d’Alger’ van Gillo Pontecorvo is te realistisch, te levensecht, te zeer van deze tijd om mij toe te staan met gerust gemoed door onze straten te flaneren of onnadenkend een glas te gaan drinken in een coole bar.

 

ORDE VAN DE DAG*

friedrich

Nu weer de oude vertrouwde onrustige slaap, met om het half uur wakker worden om te kijken of het nog geen half acht is. Het is nog maar drie uur, half vier, et cetera. Over dat patroon maak ik me minder zorgen dat over een lange, diepe slaap waaruit ik me maar met moeite los kan rukken. Mensen zijn vreemde wezens, niets menselijks is ons vreemd.

Een vriend liet me een onbekend lied van the Byrds horen. Het stond op een tape die uit een grote witte magical mystery box kwam. Daar zat nog ander materiaal in, onder meer palimpsesten, teksten die van achteren naar voor waren geschreven, mystieke traktaten, kosmische muziek. De song zelf was mooier dan om het even wat the Byrds ooit op plaat hebben gezet, mooier dan ‘Draft Morning’ en ‘Hickory Wind’. Hij klonk ook als een palimpsest, meerlagig, met zang en instrumenten die in sommige gedeeltes achterstevoren waren gemixt. Toch was het geluid helder, transparant (niet als glas maar als vleugels van grote witte vlinders in de zon). Het was de ‘typische’ sound van the Byrds, maar nog meer pastoraal, met nog meer hunker, met een duidelijk uitgesproken verlangen naar eenwording met de natuur, met het Al – en daar tegenover de melancholie die het gevolg is van de onmogelijkheid van zo’n eenwording. De verscheurdheid van de mens die alleen staat in de natuur, zoals een personage op een doek van Caspar David Friedrich. Een verscheurdheid die met veel schoonheid – tedere en etherische geluiden, harmonieuze zangpartijen – wordt uitgedrukt, niet met brutaliteit, niet met geluidsterreur. Het lukte me om hier en daar een woord van de achterstevoren geschreven tekst te ontcijferen. Ik besefte dat ik hier de sleutel kon vinden voor de deur naar een andere vorm van waarnemen en ervaren. Maar dan had ik geduld nodig en tijd.

Het is erg mistig maar je voelt dat de zon er al door wil dringen. Nog even wachten voor ik de ramen open. Frisse lucht in deze kamers.

Het is niet goed als de patronen die je dagen bepalen een routine worden. De herhaling – van altijd dezelfde handelingen op dezelfde uren van de dag – is een kwelling, een koud vuur dat je opbrandt zonder dat je er erg in hebt. Herhaling en routine maken je oud en moe. Maar anderzijds heb je discipline nodig om te kunnen werken, om ‘geestelijk’** te kunnen leven. Chaos maakt je net zo goed kapot als orde. Is het mogelijk de ene dag chaotisch te leven en de andere gedisciplineerd, de ene dag als een anarchist de andere als een emotionele fascist (om eens een uitdrukking van Elvis Costello te gebruiken)?

Na lang geaarzel en nietszeggende argumenten pro en contra dan toch naar de cinema. ‘Hail, Caesar!’ van de gebroeders Coen. Ik heb van al hun films genoten, van hun stijl, hun humor, hun dialogen, van alles. Het meest van al van ‘Fargo’, in mijn ogen een meesterwerk van zwarte humor. Soms doet het werk van de broers me wat aan dat van Mel Brooks denken. Maar heb ik destijds niet veel van Mel Brooks gehouden? De Coens doen het echter allemaal nog beter. Niet alleen de humor, de satire en pastiche maar ook en vooral het verbeelden (in beeld brengen) van de tijd, van specifieke tijdsperiodes. Van ruimte in de tijd, van locaties en personages. En er is bij hen niet alleen maar humor en satire maar ook drama, passie en zelfs tragedie. In ‘Hail, Caesar!’ sprak de eigenlijke intrige, het Christus-verhaal zal ik het maar noemen, mij meer aan dan de ‘fragmenten’ – elk in een specifiek genre, melodrama, musical, western, zwemfilm – die er zijn in ingebed. Het maakt mij niet uit of dat verhaal ernstig mag genomen worden of niet, voor mij is het een mooi voorbeeld van een kleine heroïsche strijd tegen corruptie, verleiding, bedrog, zelfverlies. Het is niet nodig om in Jezus, de duivel of god te geloven om geraakt te worden door een passiespel. De fragmenten, pastiches van Hollywoodgenres zoals die in het begin van de jaren vijftig werden gedraaid, vond ik bijwijlen minder geslaagd. Zeker de musical ‘No Dames!’ had beter gekund. Waarschijnlijk was het budget van de regisseur van de matrozenfilm wat te klein om zo’n dansnummer tot in de kleinste details te verzorgen. Het is zelfs mogelijk dat de gebroeders Coen het zo bedoeld hebben. Het meeste pret heb ik beleefd aan de vergadering met de geestelijken waarin over de aard van god en Jezus wordt geredetwist, aan de bijeenkomst van de communistische scenaristen en aan de stukjes met Scarlett Johansson (voor mij voor altijd het meisje uit ‘Lost In Translation’, nu wel erg grofgebekt), Tilda Swinton (voor altijd de echtgenote van David Bowie) en Frances McDormand (voor altijd een zwangere politieagente).
Ik ging ervan uit dat ‘Hail, Caesar!’ een film voor het zogeheten ‘grote publiek’ was. Maar gelukkig is dat niet het geval. Alleszins heb ik geen geur van popcorn opgesnoven.

Op televisie ging het over de uitverkoop van de Europese Unie, het bedriegen en uitpersen van de Belgische bevolking, vooral van degenen die het financieel of op ander gebied moeilijk hebben, de grote meerderheid dus, en over de gunsten, geschenken en privileges van ‘onze’ regering voor de superrijken. Walgelijk spektakel. Escapisme is een tijdelijke oplossing, maar wat meer en meer noodzakelijk wordt is actie. Dat we eindelijk op straat komen en onze woede uiten, dat we eindelijk deze verdomde regeringen naar huis sturen en mensen verkiezen die ons werkelijk en rechtstreeks vertegenwoordigen.

Ω

*Stemmingswisselingen iii
**’Geestelijk leven’, is er iemand die die uitdrukking nog gebruikt?

 

ENKELE VASTSTELLINGEN OVER DE SITUATIE VANDAAG

De totalitaire staat laat niet alleen het leger door de straten patrouilleren, intimideert niet alleen zijn onderdanen met mededelingen over vijanden, dreigingen en terreur. Hij legt eveneens de openbare omroep aan banden, maakt marionetten van haar directieleden en reporters, en verhindert elke berichtgeving die de officiële propaganda in vraag stelt. Een totalitaire staat ondermijnt tevens de gemeenschappelijke taal van zijn burgers door het introduceren van newspeak (zoals in ‘1984’ van George Orwell) of door het propageren via openbare omroep, televisie, geschreven pers, en onderwijs, van bestaande dialecten. Zo verdwijnt de gemeenschappelijke taal, en neemt het onbegrip toe. Op die manier worden kleine verschillen tussen bevolkingsgroepen en gemeenschappen uitvergroot, waardoor de mogelijkheid op gemeenschappelijk verzet kleiner wordt.

Anderzijds worden er vijandbeelden gecreëerd: Rusland, de Islam, Links. Ook wat dat vijandbeeld betreft is er sprake van newspeak. Zo wordt ‘links’ niet langer ‘links’ genoemd maar ‘extreem-links’ en ‘Islam’ ‘islamisme’ of ‘salafisme’. ‘Kleine criminelen’, gespuis dus, worden ‘terroristen’.

Symbolen die verenigen maar niet in het voordeel van de totalitaire staat werken, worden onderuit gehaald. Denk aan de Rode Duivels in België. België is voor de totalitaire staat alleen maar vruchtbaar als het een verdeeld land is. Het casinokapitalisme is ogenschijnlijk concurrentieel en meedogenloos maar in werkelijkheid is het één enkele uitbuitende machine in handen van een klein aantal extreem rijke families. Het casinokapitalisme is een sterke eenheid die wel vaart bij elke vorm van verdeeldheid en onderlinge vijandigheid van bevolkingsgroepen van naties, of van naties zelf.

De totalitaire staat vernietigt de overheid niet maar zet een punt achter dienstverlening en subsidiëring en vervangt bonafide ambtenaren door gewetenloze knechten in dienst van controle en repressie.

Wat de werkelijke drijfveren van een totalitaire staat zijn weet slechts een kleine minderheid. Waarom een bevolking zich kennelijk met genoegen laat onderwerpen aan het gezag, de restricties en uiteindelijk de onmenselijkheid van een dergelijke staat is een raadsel. En valt de totalitaire staat samen met het casinokapitalisme, met een klein aantal extreem rijke families?

“POËZIE, LIEFDE, REVOLUTIE”

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Gisteravond lag ik uitgezakt op de canapé voor de televisie en overtrad op die manier nog maar eens een van mijn levensregels. Want de tv stond aan. Eerst zag ik de onvermijdelijke Bart De Wever misnoegd in de camera kijken, terwijl hij nog wat krampachtige Vlaams-nationalistische onzin stond te debiteren en met veel arrogantie de hypocrisie en dubbelzinnigheid van zijn partij verkondigde. Ik begrijp nog altijd niet waarom een ‘politicus’ die nauwelijks enige aanhang heeft bij de bevolking zo vaak wordt opgevoerd in de media. Daarna werd aan de hand van straatinterwiews duidelijk gemaakt dat de Franstaligen geen vertrouwen hebben in Yves Leterme. Mijn Frans is tot mijn grote schaamte beneden een aanvaardbaar peil, maar ik heb evenmin vertrouwen in Leterme. Nog een geluk dat de door de Vlaamse media zo gehate Joëlle Milquet toch nog tot de regering toetreedt, om het sociale aspect ervan enigszins te bewaken.

Vervolgens kregen we nog een keer Goedele Liekens in China voorgeschoteld. Als ik Goedele zou heten zou ik zeker mijn naam veranderen. Dat is toch geen naam voor een seksgodin? Ik ben niet echt wat je noemt een mensenhater, maar op een gegeven ogenblik vond ik, nu is het genoeg geweest, deze ‘dame’ verdient’ de guillotine. Over die guillotine was ze overigens zelf begonnen. Goedele Liekens lijkt ervan uit te gaan dat we hier in het Westen allemaal – mede dank zij haar goede raad – een perfect seksueel leven hebben. Dat de Chinezen het niet de hele tijd over vagina, penis en clitoris hebben maar met enige schroom over seksualiteit praten wijst er op dat die mensen toch wat achterlijk zijn en dat ze alleen maar een verdrietig, fantasieloos in-en-uit kennen. Wat kunnen die Chinezen nog veel van ons leren! Maar lang zal de onwetendheid niet meer duren, de zaligmakende Westerse cultuur dringt snel door in hun dagelijks leven, en weldra is iedereen er volkomen bevredigd, zelfs de vrouwen zullen eindelijk een orgasme beleven. Ik ben geen mensenhater, maar arrogante ‘specialisten’ als Goedele Liekens vind ik bijzonder lachwekkend, vooral als ze in de illusie leven dat ze iets weten. Nog een geluk dat ze de zaken op het einde van het programma een beetje relativeerde.

Lang geleden maakte ik hier een lijst van verwenste en vervloekte ‘bekende Vlamingen’. Wim Opbrouck stond daar ook in, meen ik mij te herinneren. Sinds gisteren moet ik wat dat betreft mijn mening herzien. Wim Opbrouck is een beminnelijk en gecultiveerd man. Waarschijnlijk ergerde ik mij aan zijn alomtegenwoordigheid in de media, en dat is nog altijd zo. Ik begrijp niet waarom zulke prachtkerels als Opbrouck zich zo laten misbruiken. Gisteravond in Lux XL echter heeft hij het omgekeerde gedaan. Hij heeft de televisie gebruikt om wat schoonheid, vooral muziek en stilte, in de huiskamers naar binnen te flitsen.

Veel van de fragmenten die hij gekozen had, hebben me diep geraakt, het meest van al de pianospelende ‘gekken’ Henryk Gorecki en Reinbert De Leeuw, maar ook de kunstenaars Gregor Scheider en Wolf Vostell (ik kende geen van beiden), Leonard Bernstein, Miles Davis en de filmregisseur Henry Jaglom (waar ik vroeger een aantal films van heb gezien, onder meer ‘Can She Bake A Sherry Pie’ met Karen Black). Wat mij het meest ingenomen heeft voor Wim Opbrouck was zijn pleidooi voor stilte. Ik heb hier al meermaals mijn beklag gedaan over de onbeschoftheid van mediatypes die hun gasten niet laten uitspreken, die geen seconde stilte kunnen verdragen. Kort voor zijn dood heeft Jacques Derrida daar nog op gewezen. Nu deed Wim Opbrouck het ook, en dat siert hem zeer.

Nuit_du_IX_au_X_Thermidor

Ik had inmiddels bijna de vorm aangenomen van onze canapé, dus bleef ik maar liggen waar ik lag en keek nog naar Phara, helemaal gewijd aan Hugo Claus. Het was een mooi, respectvol programma met als gasten Cees Nooteboom, Piet Piryns en Suzanne Holtzer, Hugo Claus’ redacteur bij de Bezige Bij. Het leek wel alsof Phara en Lieven van Gils de opmerking van Wim Opbrouck over het laten uitspreken (of zwijgen) van gasten hadden gehoord, want zelden werd een van de drie zeer boeiende genodigden onderbroken. Ik heb zeer gefascineerd naar het gesprek zitten kijken en luisteren. En ik ben ook hevig geschrokken.  Dat kwam door niet meer dan een toeval – maar zoals u weet hecht ik veel belang aan het toeval. Want nu bleek dat de laatste woorden van Hugo Claus waren: “niet buigen!” (in Vlaams dialect: “nie pleuije”). En wat had ik hier op 19 maart meteen na het vernemen van het overlijden van de schrijver genoteerd? “Ga niet met gebogen hoofd in de donkere nacht.” Vreemd, toch. Maar wat ik nogmaals wil benadrukken: dit was een uitstekend gesprek, iets wat je zelden op televisie ziet.

STEMMEN EN STEMMINGEN II

Vreemd hoe de stem van de jonge John Cale bijna altijd gevoelens van euforie bij me weet op te wekken. Nu bijvoorbeeld met het nummer ‘Please’, een bonustrack op de onvolprezen eerste solo-elpee, ‘Vintage Violence’. Ik ben een stemmengek, daar heb ik al meermaals overgeschreven, maar ik besef nu dat het bij iemand als John Cale toch zeker ook om de melodie gaat, waar die euforie al in potentie in aanwezig is. Bij een andere stem, die mij ook telkens weer doet wegsmelten, die van Hope Sandoval, is het melodieuze even belangrijk.

Toch is melodie geen sine qua non om de stem een diepe indruk op mij te laten maken. Ik denk nu bijvoorbeeld aan Willem Dafoe, en met name aan de film ‘Light Sleeper’ van Paul Schrader. Telkens als ik die vrij middelmatige film – met een buitengewone acteerprestatie van Willem Dafoe – bekijk, krijg ik tranen in de ogen als ik de eenzame John LeTour aan een waarzegster hoor vragen of zijn geluk nu werkelijk opgebruikt is. Die tranen komen er niet alleen door de inhoud van die vraag maar ongetwijfeld ook door het timbre van Dafoes stem.
Na een voorstelling zag ik Willem Dafoe eens aan de toog van het kaaitheatercafé staan. Wat had ik hem graag aangesproken om hem te zeggen hoezeer ik hem bewonderde, maar ook om hem daar in dat café het woord tot mij te horen richten. Ik was echter te schuchter en bleef zitten waar ik zat.  En heel vaak als ik Mark Lanegan hoor zingen denk ik aan die scène uit ‘Light Sleeper’ terug, en krijg ik weer een krop in de keel. Mark Lanegan lijkt mij een even eenzame man als de fictieve John LeTour, en zijn stem lijkt wat op die van Willem Dafoe.

Bij mij moet de televisie altijd erg luid staan, zodat ik de nuances in het spreken van actrices en acteurs heel goed kan horen. Iets absurders dan een acteur wiens stem gedubt wordt kan ik me niet voorstellen. De – kennelijk autobiografische – monoloog die Marlon Brando afsteekt in ‘De laatste tango in Parijs’ van Bertolucci is zo broos en nog veel unieker dan een vingerafdruk dat wie die stem door een andere laat vervangen gevangenisstraf verdient. Ja ik ben toch wel een stemmengek.

Foto: Light Sleeper, Paul Schrader.