TEGEN DE ONVERSCHILLIGHEID

new orleans, september 1992

Een mens wordt onverschillig, gevoelloos en apathisch. Je wordt afgestompt door het dagelijks leven, de sleur van het werk, de monotonie van de uren, door de onverschilligheid en het egoïsme van de anderen – waarin je jezelf weigert te herkennen -, door de wreedheid van geldzuchtige politici en zakenmensen, door de terreur van fanatici en het geweld van veroverende legers, door de genadeloze woestheid van de natuur. Toch blijf je je tegen die onverschilligheid verzetten. Je eigen schijnbare onverschilligheid en die van de anderen. Je streeft naar het verschil, de verschilligheid.

Op dit ogenblik raast opnieuw een orkaan in de richting van de kust van Texas en Louisiana. De inwoners van Galveston, Houston en New Orleans moeten hun woningen verlaten. Op de brede autosnelwegen vormen zich files van honderd kilometer en langer. In de regio is het ongeveer veertig graden. De auto’s staan heel vaak stil, de benzine raakt op. Ze kunnen niet meer verder. De stank van de uitlaatgassen vult de lucht. Een reële nachtmerrie waar maar geen eind aan komt.

Dit alles verscheurt mijn ziel. Waarschijnlijk raakt dit me dieper dan bijvoorbeeld, nog niet zo lang geleden, de tsunami, wat toch een vreselijke natuurramp was, die honderden duizenden levens heeft gekost. Waarom? Omdat ik in mijn hart een Amerikaan ben, zoals Malcolm Lowry in zijn hart een Mexicaan was (om maar één voorbeeld te noemen). Toen ik voor de eerste keer in de Verenigde Staten kwam, in 1992 in New Orleans, had ik zeer sterk het gevoel dat ik thuis kwam. Zonder dat ik er inspanningen voor moest doen schudde ik mijn schuchterheid van mij af en stapte de wereld in. Opeens kon ik met iedereen praten, wat me hier in België nooit gelukt was. Hier was ik altijd een outsider geweest (en dat ben ik nog steeds).
Daardoor leef ik nu mee met de inwoners van New Orleans, Houston, Galveston en al de andere kleinere stadjes en dorpen die het wellicht zwaar te verduren zullen krijgen. Maar ik kijk machteloos toe, vanuit mijn ziekenkamer, mij met moeite van deze computer naar de televisie begevend. Overigens kan ik CNN niet ontvangen in Brussel. De kabelmaatschappij Coditel heeft dat van de kabel gegooid. Waarom CNN? Waarschijnlijk omdat er op deze zender geen Frans wordt gesproken, en er zelfs niet voor Franse ondertitels wordt gezorgd. Coditel zal redeneren dat er dan toch geen mens naar kijkt. Coditel zal redeneren dat de inwoners van Brussel allen Frans spreken en geen enkele andere taal kennen.

Foto: New Orleans, 1992, Martin Pulaski

LAURA EN DE ANDERE MUZEN

lam11.jpg

Op flickr heb ik gisteravond een foto geplaatst van de vrouw die meestal Laura schijnt te heten, maar soms ook Daphne en heel af en toe Senga. Op de foto zie je Laura in niet meer dan een rode regenjas gehuld door het raam stappen om buiten op het dak wat frisse ochtendlucht in te ademen na een hele nacht dansen op punk rock, new wave en reggae in de Antwerpse clubs. Het is een oude foto, maar hij is niet verouderd. Nogal wat bezoekers van mijn flickr pagina zijn gefascineerd door dat beeld van die blonde vrouw in rode regenjas. Eén – regelmatige – bezoekster vergelijkt haar met Marianne Faithfull, een andere met Anita Pallenberg. Femmes fatales, allebei.

De bezoekers feliciteren mij met die foto, terwijl ik helemaal niet de held ben; de heldin is Laura, het hoofdpersonage van een moment reële fictie. Ik noem haar geen femme fatale, maar een muze. Een vrouw met vele namen en vele gezichten: blij, bedroefd, tragisch, magisch, verbijsterd, extatisch. Engel, duivelin, en menselijk al te menselijk. Heeft ze vleugels? Alvast geen zichtbare.

De bezoekers en commentatoren, vooral vrouwen, zijn nieuwsgierig en stellen veel vragen over de foto, wat me een genoegen is. Maar ik zou een boek moeten schrijven om al die vragen te beantwoorden. Twee boeken. Ik heb hen gezegd dat het wellicht beter is het mysterie te laten bestaan. Let the mystery be, zingt Iris DeMent, een bijzonder mooie song op haar eerste cd.

Het verhaal van Laura, Daphne, de muze, heeft twee kanten. Een kant houdt verband met de verbeelding, de andere kant met het dagelijkse leven. Een versie van het verhaal zou een roman kunnen zijn, de tweede versie de psychoanalyse van een zeer moeilijk geval.Maar hoe zit het dan met Marianne Faithfull en Anita Pallenberg, werd me gevraagd. Over die twee populaire iconen wil ik niet echt iets vertellen; alleen vind ik het zeer merkwaardig en pertinent dat deze dames met Laura, de muze, in verband worden gebracht. Dat de verwantschappen worden gezien tussen de levens die deze vrouwen hebben geleid, hoezeer ze ogenschijnlijk ook van elkaar verschillen. Natuurlijk houd ik van Marianne Faithfull, zeker van Broken English en Sister Morphine, haar recentere werk spreekt me echter minder aan. (Het verhaal dat ik niet wilde vertellen wordt enigszins chaotisch, misschien moet ik dan toch die twee boeken maar eens gaan schrijven.)

Zoals Edie Sedgwicks lot verbonden is met Bob Dylan en Andy Warhol zijn de levens en mythes van Marianne Faithfull en Anita Pallenberg verweven met de Rolling Stones, met de drie koningen Brian Jones, Keith Richards en Mick Jagger. In de mythologie van de pop zijn Faithfull en Pallenberg rock & roll- en seks- en drugskoninginnen, iconen van de swinging sixties, van de tragische seventies (na Woodstock en Altamont en het ‘gemodder’ van allerlei pseudo-hippies), filmsterren uit occulte films als Girl On A Motorcycle, Performance en Barbarella. Maar het zijn toch ook sterke en mooie vrouwen die weigeren te sterven.

Wie meer wil weten over de rol die de muzen spelen in het leven van een kunstenaar raad ik het boek The White Goddess van Robert Graves aan. Het is een zeer grondig onderzoek maar Graves sprak ook uit ervaring. Wie meer wil weten over Laura, Daphne en Senga moet wachten op mijn twee boeken. Of op ‘haar’ eigen verhaal.

ONBESCHOFT GEDRAG IN DE MEDIA

aurora2

In Voor de dag op Radio 1 hoorde ik een kort interview met Linda Van Den Bosch van de Taalunie. De Taalunie bestaat 25 jaar en er is een onderzoek verschenen over de stand van zaken van het Nederlands. Is er nog een gemeenschappelijke taal voor Nederland en Vlaanderen, of ontwikkelen zich twee aparte talen? Uit het onderzoek blijkt volgens Linda Van De Bosch dat er nog duidelijk sprake is van één zelfde taal voor Nederlanders, Vlamingen én Surinamers. Zowel Nederlanders, Vlamingen als Surinamers zijn trots op hun taal, zo blijkt. Overigens waarderen de Nederlanders het Nederlands zoals het door de Vlamingen wordt gesproken, vooral vanwege de minder agressieve klanken. Ik vond dit allemaal opbeurend nieuws. Ik had dus toch nog een taal, het Nederlands bestond en bestaat nog. Prachtig! Maar, wierp de interviewer tegen, kan dat wel, éénzelfde taal als de culturen zo uiteengroeien: de Vlamingen kijken toch al lang niet meer naar de Nederlandse televisie. Alsof de cultuur alleen op televisie bestaat. Ja, zei mevrouw Van Den Bosch, de cultuur hebben we eigenlijk niet echt onderzocht, alleen maar de taal. De interviewer ging door en vroeg zich af of er nog wel een Taalunie nodig is, als er toch twee verschillende talen bestaan! Dat vroeg hij letterlijk. Linda Van Den Bosch was een moment sprakeloos. Had ze tegen een dove zitten oreren? Een zwakbegaafde? Had ze niet al de hele tijd zitten beweren dat uit het onderzoek blijkt dat het Nederlands onze gemeenschappelijke taal is. Mijn vraag is dan of je als interviewer nog meer beledigend kunt zijn? Misschien is ons Nederlands dan zachter, de stijl van sommige interviewers van ‘onze’ radio is alleszins lomp, grof en zeer onbeschoft. Overigens wees Jacques Derrida er al een hele tijd geleden op dat de media hoe dan ook geen ruimte en tijd bieden iemand te laten nadenken, te aarzelen, te zwijgen, en een antwoord te geven dat beredeneerd en genuanceerd is. Gelukkig luister is bijna nooit naar de radio, tenzij naar mijn eigen programma (waar ik niemand in interview).

KATJA SCHUURMAN EN CONNIE PALMEN

Zomergasten is dan toch niet altijd goed. De aflevering gisteravond was zelfs gewoon heel slecht en buitengewoon vervelend.  Katja Schuurmans leeftijd impliceert niet dat zij representatief is voor de jeugd, wat sommige commentaren op het forum van zomergasten lijken te willen poneren. Ik hoop alvast dat ze niet representatief is voor de jeugd. Aan de ene kant een ideale, multiculturele samenleving nastreven, en aan de andere kant een Hollandse racist als Theo Van Gogh verafgoden lijkt me weinig consequent. De reactie van Connie Palmen op die naïeve verheerlijking van haar goeroe was zeer terecht. Van Gogh verdiende niet te worden vermoord, dat verdient geen mens. Maar hij was een kinderachtige domkop, dat alleszins. (Nog dommer was hem vermoorden.)
Ik had de indruk dat Connie Palmen zich erg verveelde in het bijzijn van haar gast. Ik heb me ook verveeld. Waarom iemand uitnodigen die weinig te vertellen heeft en vooral lijdt aan slechte smaak, vooral op audiovisueel gebied. Ik heb nooit slechtere muziekclips gezien dan gisteravond in Zomergasten. En ook zelden heb ik zo slecht zien acteren als in het fragment van het heldenepos Gandhi. Dan werd er ook nog een pathetische brabantse ‘soldaat’ getoond: dat leek echt een Hollywood soap. Irréversible heb ik helaas gemist, toen lag ik al in bed. Connie Palmen had dat ook beter gedaan, ze zag er moe uit. Of toch verveeld? Gelukkig was er die storing, heb ik net gelezen. Dan kon iedereen toch wat vroeger naar huis. En Magnolia had iedereen al gezien.

Ik had beter een terrasje gedaan, men vertelde me dat het gisteren zeer mooi weer was. Of gewoon wat gelezen in een van de vele boeken die ik in Berlijn heb gekocht. Of Duchess of Coolsville van Rickie Lee Jones beluisterd. Dat is pas een spannende vrouw, en forever young, ondanks haar rimpels. Katja Schuurman ziet er nu al oud uit, zonder rimpels. Maar genoeg.

BEREKENENDE APEN

hussserl

Twee dagen geleden vermelde ik hier terloops mijn weerzin voor het boekhouden. Ik schreef ook dat ik geen sympathie heb voor de rekenende en berekenende mens. Ik bedoelde daarmee natuurlijk niet de wiskundigen en natuurwetenschappers. Daar heb ik net grote bewondering voor (ook al vind ik de materie vaak moeilijk, omdat mijn kennis van de wiskunde zo klein is). Op een mooie zomeravond, een tweetal weken geleden, heb ik nog vol ontzag zitten kijken en luisteren naar een alweer zeer geslaagde aflevering van Zomergasten met Robbert Dijkgraaf, hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Zulke wetenschappers deel ik zeker niet in bij de berekenende en rekenende mensen. Ik dacht toen ik zo oneerbiedig over dat rekenen schreef aan het ‘berekenende denken’ van Martin Heidegger, dat hij als filosoof afkeurt. Bij hem gaat het natuurlijk heel wat verder dan vervelende apen die wat zitten te rekenen. Ik ben zelf helaas nog maar weinig met filosofie bezig. Ik weet dan ook niet hoe het nu gesteld is met de tegenstelling tussen wetenschap en filosofie. Bij Heidegger was dat ongetwijfeld een zeer belangrijk thema, net zoals de techniek dat was. Heidegger was van oordeel dat de filosofie werd achtervolgd door de vrees aan aanzien en zeggenschap te verliezen als ze geen wetenschap zou zijn. Dat zou dan gelden als een gebrek dat wordt gelijkgesteld met onwetenschappelijkheid. “In de technische interpretatie van het denken is het zijn als element van het denken prijsgegeven”, aldus Heidegger. Mijn gebrek aan sympathie voor de berekenaar en de technocraat plaats ik voor het gemak even in deze filosofische context. (Een belangrijke filosoof voor het verband tussen wetenschap en filosofie was natuurlijk ook Edmund Husserl, die daar dieper op in ging in onder meer Philosophie als strenge Wissenschaft).

Verwacht van mij nu niet dat deze notities er voortaan als filosofische beschouwingen zullen gaan uitzien. Ik blijf mijn grillige weg volgen, waarbij ik me vooral laat leiden door het toeval en waarbij ik zo waarheidsgetrouw mogelijk verslag uitbreng van wat in mij omgaat, van wat mij aanspreekt, van wat mij zegt wat ik moet zeggen. So don’t turn your back on me, baby, want ik blijf tot het einde mijner dagen lid van sergeant pepper’s lonely hearts club.

TOM BARMAN EN CONNIE PALMEN

Ik heb nooit een boek gelezen van Connie Palmen en ken al evenmin het werk van Tom Barman. Belgische rock & roll heeft me nooit echt kunnen boeien, zeker niet als die uitgesproken beïnvloed is door Captain Beefheart, Tom Waits en R.E.M. Voor Belgische artiesten die helemaal samenvallen met zichzelf, zoals Marva, Salvatore Adamo en Marc Aryan (hoewel ik betwijfel of die laatste wel een Belg is, het zou wel eens een Magyaar of een Savoyard kunnen zijn), kan ik wel enig respect opbrengen. Maar vraag me niet om ernaar te luisteren. Ik luister voorlopig niet meer naar muziek. Alle geluiden storen mij. Dat is de gesel van het stadsleven en het leven van de werkende mens. De schrik die bezit van je heeft genomen. Ten minste twee keer per dag kan er in je omgeving een bom ontploffen. Ik luister nu naar concrete muziek, de geluiden die ik zelf voortbreng. Het enige mooie geluid dat ik produceer, hoor ik als ik ’s avonds mijn sokken uitdoe. Ik heb het nu even niet over de geur. Gewoon dat geluid. Hemels. Wie heeft er dan nog behoefte aan het eeuwige gerasp van Bob Dylan of de hemelse mathematica van Bach? Om nog maar te zwijgen van Belgische rock.

Toch hebben Tom Barman en Connie Palmen mij vorige zondag verrast en tot tranen toe ontroerd. Ik heb het over het televisieprogramma ‘zomergasten’, een ongeëvenaard trage en mooie reeks zomergesprekken in een doodgewone studio. Voor ‘zomergasten’ is er geen jacht, geen Toscaanse villa nodig. De gesprekken sprankelen, of er wordt gestotterd, er is gebral en er is stilte. De gasten zijn mooi en lelijk. Onbekende wetenschappers of ‘Vlaamse idolen’ (Tom Lanoye, Hugo Claus). Sommige zomergasten worden achteraf met de dood bedreigd (Ayaan Hirshi Ali). Het programma bestaat al lang, zeker wel tien jaar, het is nooit vervelend, telkens zie je de geschiedenis de revue passeren, en besef je hoe weinig vat je hebt op de gebeurtenissen.

Hoewel ik nooit een boek van Connie Palmen had en heb gelezen vond ik tot vorige zondag de aflevering met haar als gast de beste. Dat kwam door haar stem, denk ik. Ze drinkt wijn, en rookt sigaretten en het is duidelijk dat ze dat lekker vindt. Ze houdt ook van Elvis en is onder meer daardoor intelligent. Een intellectueel, een schrijver, een kunstenaar die niet van Elvis houdt lijkt me nogal dom. Hoe kun je intelligent zijn en niet van Elvis houden? Destijds was Connie heel charmant, een mooie vrouw, belezen, met een innemende stem en enigszins droevige ogen (die toch veel glimlachen). Waarom de verleden tijd gebruiken? Ze spreekt het mooiste Nederlands van de wereld. Je kent dat wel, een beetje Hollands, maar door het lichte Limburgse accent toch ook dicht bij ‘ons’. Van Connie moet je niet per se boeken lezen, je moet zeker wel luisteren naar haar stem vol emotie en intelligentie.

En dan was er Tom. Na vijf minuten al was ik in mijn fantasie zijn beste vriend. Wat een innemende man! Zo eerlijk en emotioneel en vol respect voor oude mensen. Zelfs onze oude droevige koning krijgt zijn zegen. De man die ons – met uitzondering van één dag – allemaal verenigde, de man die België een kwaliteitslabel bezorgde. Destijds beter bekend in de Verenigde Staten dan ‘onze’ chocolade. Een uiterst glamoureuze koning, met aan zijn zijde een lelijke heks, bezeten van god, schrijfster van bloedeloze sprookjes. Tom bewondert Herman Decroo, die, tot mijn verrassing alweer, grammaticaal correcte zinnen kan uitspreken (weliswaar in het Frans). Hoe kan het ook anders, Herman Decroo is een perfect Belgisch kunstwerk. Ik denk van de hand van Marcel Broodthaers, maar ik kan me vergissen. Tom Barman heeft me een bijzonder ontroerend stukje Mingus laten zien. Een van de grootste Amerikaanse kunstenaars wordt uit zijn woning gezet. Meubeltjes op straat. En dan is er niets meer dan waanzin en treurende weduwen. Charles Mingus. Ook Connie vond het een schande, al zei ze dat natuurlijk niet. Het was van dat stil verdriet, waar je nog een glaasje bij inschenkt. Jeff Wall bleek voor zijn werk, A sudden gust of wind (zie foto hierboven), geïnspireerd te zijn geweest door Hokusai. De man die het net heel fijn vindt dat zijn hoed wegwaait. Een en al vrolijkheid: eindelijk van dat gekke hoofddeksel verlost! De film L’emploi du temps, blijkbaar een meesterwerk dat ik over het hoofd heb gezien. Een schitterend stukje Nicole Kidman in Birth. Een tragische Britse voetbalheld, Paul Gascoigne. De heavy metal band Metallica bij de psychiater. Keiharde gasten maar stuk voor stuk zeer kwetsbare jongens, zo bleek nu. Captain Beefheart die na de confrontatie met het werk van Van Gogh de zon maar onbeduidend vindt. De stem van Captain Beefheart moet je zeker ooit gehoord hebben. Tom vertelde dat die andere Tom (Waits) veel gepikt heeft van de kapitein. Dat is inderdaad het geval, maar iedereen weet dat iedereen van iedereen pikt.

Als hoogtepunt kregen we een fragment uit een van mijn favoriete films, Bad Timing van Nicholas Roeg – waar je alleen al moet naar kijken voor de ogen van Theresa Russell –, en tot slot een zingende Joseph Brodsky. Niemand heb ik ooit mooier poëzie zien en horen voordragen. De beste zomergast is nu Tom Barman. Connie Palmen staat op nummer twee. Graag zou ik hen beiden eens uitnodigen bij mij thuis. Ze zouden zelfs sigaretten mogen roken.

JANE BIRKIN POUR TOUJOURS

Een sujet genaamd Karel Michiels beweert in een Vlaamse katholieke krant – eigenlijk het partijblad van Harry Potter alias Yves Leterme – dat het stemgeluid van Jane Birkin naar kattengejank neigt. Hoewel ik allergisch ben voor katten, zou ik voor dat beestje toch graag een uitzondering maken, en ze zou van mij elke dag tot zonsondergang mogen miauwen. Niet alleen ‘Je t’aime moi non plus’, maar ook bijvoorbeeld de liedjes uit Arabesque. ‘Je t’aime moi non plus’ mag ook na zonsondergang.
Mijn goede vriendin Didi is vorige zondag naar het concert van Jane Birkin geweest en vond het prachtig. Ik vertrouw veel meer op haar oordeel dan op dat van die kerel die ik hierboven jammer genoeg al heb genoemd.

OPENBARINGEN VAN MARTIN PULASKI

get happy!!!!!

Door met mijn ‘autobiografie’ in foto’s bezig te zijn denk ik veel na over mijn leven. Eigenlijk heb ik dat altijd al wel gedaan, vanaf mijn negentiende jaar ongeveer. Op dat ogenblik vond ik dat ik het mooiste al wel had gehad, maar dat was jeugdige verblinding gecombineerd met de obsessie voor een vroege dood, in navolging van Jezus Christus, Thomas Chatterton, Percy Shelley, Brian Jones, Al Wilson en Jimi Hendrix. Ondertussen heb ik echter veel gezien en veel gehoord; de tijd heeft niet stilgestaan. Veel mensen hebben mijn pad gekruist. Velen heb ik liefgehad, heb ik lief, sommigen beminde ik, sommigen lieten mij onverschillig. Ik minachtte niemand en kon niet haten. Sommigen hebben mij veel verdriet gedaan, sommigen hebben mij diep gekwetst, sommigen hebben bewust of onbewust geprobeerd om mij te vernietigen, anderen hebben mij bemind, liefgehad, hebben mij, soms onverdiend, hun vriendschap gegeven. Sommigen hadden aandacht voor mijn woorden, voor mijn vereringen, voor mijn verwensingen, andere hadden geen aandacht voor mij, ik liet hen onverschillig. Misschien waren sommigen bang voor mij, hoewel ik ongevaarlijk ben. Ooit heb ik wel uitbarstingen van wanhopige razernij gekend, maar die kwamen uit grote liefde voort. Neen, gevaarlijk ben ik nooit geweest. Voor wat waren ze bang? Voor mijn mislukkingen wellicht. Mislukken is besmettelijk, schijnt men te denken. Nobody knows you when you’re down and out, zegt de bluesman. En of hij het niet kan weten!

Nu leef ik in de tijd van de herhaling. Het beste heb ik echt gehad. Vaak ook had ik het beste in mijn handen, in mijn armen kunnen houden, maar heb ik het om die of die reden niet gedaan. Dwaas die ik was. Nu is het te laat voor meanderen. Mogelijke zijsprongen hebben plaats gemaakt voor één grote liefde die zekerheid biedt, maar ook het gevaar van berusting en sufheid herbergt. Grote verrassingen staan mij niet meer te wachten. Ik wil niet beweren dat ik nu alleen nog maar wat op de dood zit te wachten – in tegenstelling tot wat Townes Van Zandt zo overtuigend en waarheidsgetrouw zingt – maar het lijkt er wel wat op. Als niets je nog verrast of verwondert, wat heeft het leven je dan nog te bieden? En wat heb jij het leven dan nog te bieden? De leegte lijkt zich meester van je te hebben gemaakt. Je denkt na over je leven, je vraagt je af: wie ben ik en het antwoord is: niets, niemand. Verbeelding bezit je ook al niet. Ontroering? Wat moet je dan doen? In de negentiende eeuw vroeg de Russische nihilist Tsjernitsjevski het zich ook al af, net zoals Lenin later. Lenins antwoord was net iets te perfect. Een perfect plan. Maar nu, wat nu gezongen? Je zou kunnen bullshitten zoals Herman Brusselmans, maar dat wil je niet. Daarvoor heb je te veel respect voor de schrijvers uit je canon, mensen zoals Robert Musil, Arthur Schnitzler, Fernando Pessoa of Hermann Broch.

Wat moet je dan wel doen? Afwachten, geduld oefenen. De lader in het stopcontact steken en wachten tot je geest weer opgeladen is. Tot alles weer borrelt en bruist en schuimt. Tot je leven je aanspreekt en zegt: hier ben ik, vertel mij, die dwaze foto’s zeggen niet veel, dat is een aangenaam tijdverdrijf voor verveelde kwasten. Dat is iets voor dode momenten, zoals de feminale feminatheek van Louis Paul Boon. Tot je leven je zegt dat je uniek bent, een onverteld verhaal, dat velen graag willen horen, bij zonsondergang, op een terras in de koele schaduw, voor of na de coïtus, of gedurende nachten vol sterren, in het Zuiden, waar de wegen de hemel zij dank slecht verlicht zijn, of in uiterste gevallen, net voor de executie (en misschien stelt de beul de executie wel uit omdat hij het verhaal zelf wil horen). Ja, zulke dingen moet het leven je zeggen. Dan stop je met je fotootjes en je muziekjes, dan loop je niet langer verloren in je rock & roll, dan ben je niet langer “een communist met gaten in zijn broekzakken”, dan zet je je tanden in de taal en wordt het langverwachte plan (dat je niet kunt uitstippelen) opeens duidelijk, dan voer je het uit, omdat het moet. Ja, omdat het moet. Waarom moet het? Omdat het in je biografie moet staan. Volstaat dat niet?

Foto: Agnes Anquinet

COITUS ZONDER MOEITE

Ook vanavond is het hier in deze zolderkamer weer te heet om te wedijveren met alle boeken die om mij heen staan te wachten op een antwoord, te heet om één zinnige gedachte te denken, te heet om één goed bedachte zin te formuleren. Bovendien ben ik moe en koester ik een lichte kater. Je kunt niet van het ene feest naar het andere gaan én het beroep van dichter uitoefenen; dat is voor iedereen een spijtige zaak. Rimbaud heeft dat maar tot zijn zeventiende volgehouden en dan was het gedaan met de pret. Wapens in plaats van woorden! Een slaaf in plaats van een kunstbroeder! Needles and pins! The tears I gotta hide! Hey I thought I was smart! Aan uitroeptekens heb ik een grondige hekel, maar als je vermoeid en overspannen bent kun je ze maar moeilijk vermijden.

Nog in verband met die wedijver… Waar maak je je druk over? Er is nergens haast mee gemoeid. Zelden goed. Er bestaat al zoveel moois, zoveel dat onmogelijk te overtreffen valt, zoals dit: “Bij zwangere vrouwen is alles, bijvoorbeeld de manier waarop ze lopen, van invloed op de bevalling: als ze te zout voedsel eten brengen ze een kind zonder nagels ter wereld; als ze hun adem niet kunnen inhouden, zal de bevalling moeilijker verlopen; zelfs een geeuw kan dodelijk zijn tijdens de bevalling; zoals een nies tijdens de coïtus een miskraam kan veroorzaken. Zij die beseffen hoe kwetsbaar de oorsprong is van het meest trotse der levende wezens worden bevangen door medelijden en schaamte: vaak is de geur van een pas gedoofde lamp al genoeg om een miskraam te krijgen. En dan te zeggen dat uit zo’n teer begin een tiran of een beul kan groeien! Jij die volop vertrouwt op je fysieke kracht, die de gaven van het lot omarmt terwijl je jezelf niet de stiefzoon maar de zoon ervan beschouwt, jij die de ziel hebt van een heerser, jij die God denkt te zijn zodra je borst opzwelt van één succes, bedenk dat zoiets gerings je eind had kunnen betekenen.” (Plinius, Natuurgeschiedenis, VII, 42-44).

De voorbije dagen heb ik niet helemaal stilgezeten: ik ben vooral bezig met foto’s inscannen en zo mijn autobiografie, die samenvalt met mijn leven en elke dag verandert, met beelden te verluchten en, hopelijk, verduidelijken. Veel van wat ik hier in dit openbaar dagboek neerschrijf wordt door die foto’s aangevuld. Vanitas, natuurlijk, maar waarom ook niet? Overigens zullen sommige lezers zichzelf – misschien tot hun verrassing of ergernis – terugvinden op deze pagina’s. Dat ik hen zo tentoonstel is niet om hen van hun ziel te beroven, maar om mijn dankbaarheid voor hun bestaan en voor hun schoonheid zichtbaar te maken. Over sommige zaken kun je nu eenmaal niet spreken.

O ja, gisteren zag en hoorde ik in de AB Magnolia Electric Co en Devendra Banhart. Bart en ik hebben veel gelachen. We vonden dat het publiek zo ernstig was. Is Devendra Banhart dan geen stand up comedian? Met zijn blote torso? We hadden natuurlijk veel bier gedronken, wat nefast is voor een keurig oordeel en een getrouwe beschrijving van het geobserveerde. Dat laat ik dan ook aan de nuchtere recensenten over, degenen die op basis van door allen aanvaarde categorieën en argumenten onbevooroordeeld tot een slotsom komen. Maar één ding is zeker: als Duyster het in haar programma draait moet het goed zijn. I guess things happen that way. En nu ga ik aan tafel.

CLIFF RICHARD IN ANTWERPEN

patje2005

Patje en ik luisteren naar ‘Matamoros Banks’, van Bruce Sringsteen. We proberen een verjaardag te vieren en dat te combineren met een goed radioprogramma maken en veel drinken (cava) en onze zorgen vergeten en vrienden zijn en de emoties, de emoties! We zijn hoe dan ook sublieme mensen, die elkaar ontmoeten op de oever van de Schelde, en praten over champagne en Immanuel Kant en de wereld veroveren met juanitas en margaritas. Old fucking people. Dit toetsenbord is de hel. Patje heeft me een foto gegeven van Cliff Richard, dat was mijn grote held toen ik 10 was en verliefd op juffrouw Marina uit Tongeren. Veel te jong om haar te mogen strelen, om haar te mogen kussen. Handen boven de dekens! Maar Marina heb ik later toch wel toevallig nog eens een keer ontmoet en toen… Like A Rolling Stone…. De beste single die er ooit is gemaakt. Je moet zeggen wat je denkt en de mensen overtuigen van je goede gedachten. Nijinski deed dat al dansend. Dat moet het mooiste zijn: dansen en overtuigen. En daarna gaan slapen zonder verdriet. De emoties krijgen teveel input. Ik moet weer afscheid nemen van Antwerpen met the Lonely Surfer van Jack Nitzsche. Ik wil iedereen bedanken voor het feit dat ze er zijn, Patje, Dédé, Eddy en Rita, Paul en Olga, Didi, Inge, Isabelle en Jan, Jules en Rita, mijn zoon Jesse, Brecht, Bart, Sophie, en door dronkenschap (en oude hersencellen) vergeten vrienden en familieleden. Wie ik vooral wil bedanken is Gerrit, mijn broer en vriend, die geen computer wenst te hebben en dit daarom ook niet kan lezen. Hij heeft me tot tranen toe ontroerd met ongeveer 20 woorden. Overal om me heen droevige ogen en levenslust…

Foto: Patje in het Oerwoud, M.P.

OMGEVEN DOOR ALLERHANDE OBJECTEN

Problemen! Ik heb een iPod gekocht, en toch ben ik geen dief. Als je een dergelijk toestelletje aanschaft word je nochtans via een sticker gewaarschuwd dat diefstal van liederen een doodzonde is, of iets dergelijks. Je kunt er zelfs voor gestraft worden, geloof ik. Met wat is me onduidelijk, het zou wel eens verbanning kunnen zijn naar een streek waar geen muziek bestaat. Dat is dan zeker niet de hel, want daar zitten de allerbeste muzikanten, onder wie Wolfgang Amadeus Mozart en Robert Johnson. Iedereen weet toch dat Wolfgang een vrijmetselaar was; en Robert verkocht op een kruispunt in de staat Mississippi zijn ziel aan de duivel, net zoals Faust. Op mij is die waarschuwing echter niet van toepassing, want zoals ik al zei ben ik geen dief. Voorlopig toch niet. Wat ik doe met die iPod is combineren, verbanden leggen, verzamelingen maken, radioprogramma’s – alleen maar voor mezelf – samenstellen. Ik gebruik daarvoor mijn zeer uitgebreide cd-collectie, die onder meer door iPod en i-tunes stilaan overbodig wordt. Soms laat ik mijn iPod gewoon zijn zin doen en dan word ik telkens weer verrast door zijn goede smaak: hij is een uitstekend mixer. Maar wat is er dan aan de hand? Het probleem is dat ik niets meer doe. Ik schrijf niet meer, lees niet meer, bekijk geen films meer en beluister nog nauwelijks muziek! Al mijn vrije tijd gaat naar het op harde schijf zetten van mijn uitverkoren songs en daar dan weer selecties uit maken voor mijn ipod. Doodmoe van dat zenuwslopend met schijfjes jongleren ga ik dan (veel te laat) naar bed en doe meteen het licht uit, zonder eerst nog een uurtje of een half uurtje wat te lezen in het verzameld werk van Giorgio Bassani of in ‘Op zoek naar de verloren tijd’, of in om het even welk ander meesterwerk. Wel stop ik voor ik het licht uitdoe de oortjes van de ipod in mijn oren, na eerst vlug een selectie gemaakt te hebben van wat ik bij het in slaap vallen wil horen. (Dat boek van Martha Nussbaum over de emoties zal nog lang ongelezen blijven liggen, denk ik.) Die ipod is een verjaardagsgeschenk aan mezelf: morgen is het mijn verjaardag (ook die van Markies De Sade, Thomas Hardy en Charlie Watts). Ik begin te vermoeden dat ik mezelf er de duivel mee heb aangedaan. Hoe meer je toestaat dat de objecten je leven gaan beheersen, hoe ongelukkiger of ontevredener je wordt. ’s Nachts keer je dan terug naar een wereld zonder objecten en ’s morgens word je uitgeput en vooral boos wakker: terug in de werkelijkheid. Het paradoxale van zo’n iPod is dat het een object is waarmee je je voor de andere objecten kunt afsluiten. Een ideaal cadeau voor narcisten en escapisten die vol angst en beven door het leven gaan.
Reproductie: Lucian Freud, Closed Eyes.

ROSAS: A LOVE SUPREME

Het kunstenfestival in Brussel is een theaterfestival (tenzij ik wat dingen mis, wat best mogelijk is, gelet op mijn omstandigheden, die ik hier de voorbije weken meer dan voldoende uit de doeken heb gedaan). Gisteren zag en hoorde ik Raga for the rainy season / A love supreme? Danspasjes geleid door Anne Teresa De Keersmaeker (wat een moeilijke naam, hoe kunnen Turken, laat staan Engelsen, die ooit goed gespeld krijgen?) en het Rosas clubje. Mooi gedaan, fijne kleertjes, een sober podium, heerlijke Aziatische muziek in het eerste deel en na de pauze de tijdloze John Coltrane in wellicht zijn beste suite (waarbij zeker ook McCoy Tyner niet mag worden vergeten). Maar grijpt dit spektakel je aan, verandert het je leven? Betekent het iets? Niet veel. Geen sterveling kan tot de hoogten van ‘A Love Supreme’ opstijgen, zelfs geen kunstenaar of choreograaf, maar ik geef toe dat dit een mooie poging was. Het eerste, Indische deel deed me echter meer: je zou kunnen zeggen dat het hele menselijke bestaan erin aanwezig was, met melancholie als boventoon. In het tweede deel werd een religieuze extase nagebootst. Tijdens beide delen dwaalden mijn gedachten meermaals af van de danseressen (en vergat ik ook hun tepels, die ondanks mijn hardnekkige pogingen tot sublimatie toch altijd weer mijn aandacht trekken) en gaf ik me onvrijwillig over aan gepieker over werk, ongezondheid en mislukking. Op twee uur tijd passeerden heel mijn leven en vooral alle verkeerde keuzes die ik ooit gemaakt heb de revue. Ik zat daar een soort van doodstrijd te beleven. Soms is naar het theater gaan geen pretje. Maar ik wil niet overdrijven. Ik zat bij Rosas niet de hele tijd aan de dood te denken. Ik heb ook fijn genoten, vooral van de muziek van Coltrane, die thuis nooit zo luid staat als in de Hallen van Schaarbeek.
Wat ik een echt buitengewone voorstelling vond tijdens dit kunstenfestival was Hallo Hotel van René Pollesch, qua structuur en plot gebaseerd op ‘Night Porter’ van Liliana Cavani en Opening Night van John Cassavetes. Het stuk is vooral een aaneenschakeling van schizofrene scènes vol geschreeuw en gebral over het lichaam, de communicatie (of het gebrek daaraan) en de productiemiddelen. Karl Marx in de 21ste eeuw, maar ontspoord, ontregeld. Mooie Berlijnse vrouwen ook. Ze heten Stefanie Dvorak, Johanna Eiworth, Caroline Peters, Sophie Rois. Ik ben te moe om er dieper op in te gaan. Ik had graag nog wat verteld over de slaperige ogen van Charlotte Rampling, een echte actrice (onder meer in Night Porter) maar ook een personage in Hallo Hotel. Maar mijn eigen ogen vallen toe van de slaap.

ZWARTRIJDEN IN ANTWERPEN

Vorige zaterdag heb ik voor de zoveelste keer geld in een automaat gestopt zonder er iets voor terug te krijgen. Dit keer was het drie euro voor drie tramkaartjes. Er zijn geen kaartjes uitgekomen, het geld heb ik ook niet teruggezien, maar we hebben toch de tram genomen, in het zwart dan maar. Ik was nog eens in Antwerpen, waar ik een programma maak voor Radio Centraal. Het is een muziekprogramma en heet Zéro de conduite. Teddy Boy zegt me dat ik veel te braaf ben om een programma te maken met zo’n titel. Hij zal wel gelijk hebben, maar de muziek die ik draai is niet altijd even braaf. (Of was dat vroeger niet: ik draai nogal wat oude blues, soul, country en rock & roll: die rebellen van vroeger zijn nu al lang allemaal aanvaard en maken deel uit van het spektakel; maar moet ik hun muziek daarom afzweren? Ik geloof van niet). Ik denk dat hij me vooral te braaf vindt omdat ik me netjes aan een lijst houd, waaraan dagen voorbereiding vooraf zijn gegaan, want de keuze van de songs en hun volgorde vind ik van groot belang. Misschien moet ik meer improviseren, meer wild te keer gaan en tussen de liedjes de luisteraars uitschelden? En vaak uitroepen dat ik de beste ben van heel Antwerpen, ook al woon ik daar al 14 jaar niet meer en ben ik ook niet de beste. Ik heb me daar in Antwerpen een juweel van een plaatje aangeschaft van Vic Chesnutt, ‘Ghetto Bells’. Zomaar afgaand op mijn intuïtie. De rest van het jaar ga ik het heel vaak beluisteren, en daarna ook nog (als ik tenminste niet doof word). In dit geval had ik geen lijst bij de hand.

SCHOONHEID EN AFTAKELING

Al een tijd terug in de heimat, wennen aan de schoonheid en het vuil rondom mij. Wennen aan de zachte Belgische lente, het groen van de bomen in onze straat, de milde regen, de winkels uitpuilend van groenten en fruit, maar ook het lawaai van de auto’s en de giftige lucht. De onbeschofte taxichauffeurs. Het gevoel een vreemde te zijn in je ‘eigen’ stad, in je ‘eigen’ land. Het oude, vertrouwde dat soms zo bizar kan lijken. Of is het in wezen allemaal bizar?

Ik word ouder, kaler, grijzer, maar rimpels laten nog wat op zich wachten. Het gezicht is niet doorgroefd van zware arbeid, drank en sigaretten. Het aantal kwalen waaronder ik gebukt ga is echter niet meer te overzien. Je kan niet zeggen dat ik voor gezondheid en geluk geboren ben. Ik ben niets, sta nergens, ben nergens thuis, ben gewenst noch ongewenst. Noem me maar een loser, baby. Maar als ik in de spiegel kijk ben ik niet helemaal ontevreden. Het is niet de kop van een coole schoonheid als Candy Darling – die nu weer in de belangstelling blijkt te staan – maar evenmin die van een beate idiotie uitstralende Tom Boonen of andere vedetten en kampioenen in het landschap van Big Brother. Ik ben tevreden met mijn kop omdat het een kop is. Je ziet meteen dat ik heb geleefd en wat nog beter is: dat ik nog steeds in leven ben. In leven, jongen. Thank you for the days, hoor ik Ray Davies nu zingen. Die man wist het al lang geleden. Those endless days…

Toch is er geen reden voor vreugde of ben ik niet meteen zinnens feest te gaan vieren. Tijdens mijn verblijf op La Palma (waar ik opnieuw sporen aantrof van een of ander paradijs, zeer aanwezig maar desondanks verloren, nabij en toch zo ver, om met Wim Wenders te spreken) ben ik ernstig ziek geworden en dat ben ik nog altijd en het zal zeker nog een tijdje duren. De volgende dagen worden dagen van medicatie, onderzoeken, analyses, bang en hoopvol afwachten.

Door die ziekte heb ik nu tijd om mij weer aan te passen aan de heimat. Ik gebruik graag dat Duitse woord omdat ik de drie Heimat-reeksen van Edgar Reitz tot het allebeste filmoeuvre reken dat ooit werd bijeengefilmd. Ik ben ook wel opgelucht dat ik nog thuis ben geraakt, dat ik mij hier kan laten behandelen. Niet dat ik de arts in Tazacorte wantrouwde, maar hier in mijn vaderland kennen de dokters me. Ze zijn op de hoogte van mijn zwaktes, mijn allergieën, mijn angsten, maar ook van mijn hypochondrie. Dat geeft een enigszins veiliger gevoel.

Ondertussen is het Vlaamse Circus BHV nog altijd in het land. Begrijpen de Vlaamse fanatici dan niet dat ze België vernietigen, dit uniek, fabelachtig, en inderdaad visionair land? Wie zit er te wachten op een Vlaming of een Waal? Belgen echter worden gerespecteerd, onder meer vanwege hun bedrevenheid in het oplossen van problemen. Maar meer nog omdat ze een bijzondere gave hebben om problemen te scheppen. Dat is toch buitgengewoon! De Vlaamse fanatici willen dus een soort Denen of Moldaviërs worden. Ik heb niets tegen Denen, maar zijn zij bijzonder? In wat dan? Ik ken hen alleen als een volk in een land in een stuk van Shakespeare. Een fictief volk, eigenlijk. Dezelfde fanatieke Vlamingen (of hun voorouders) hebben van Brussel een Franstalige stad gemaakt. Je moet maar eens de proef op de som nemen en in het telefoonboek kijken hoeveel Franstalige Vanderstraetens er in Brussel wonen. Allemaal afstammelingen van ‘echte’ Vlamingen. Die mensen hebben op een gegeven moment vanuit praktische en economische overwegingen (en zeker niet literaire) het Frans verkozen boven het ‘Nederlands’ (meestal ging om het Oost- en West-Vlaams: de sprekers van die dialecten waren de meest ondernemenden onder de oude Flamins). De consequentie daarvan is dat Brussel nu een Franstalige wereldstad is met inwoners uit meer dan honder landen afkomstig. So what? Als deze stad New York zou heten zou iedereen er trots op zijn. En als Brussel de hoofstad van een België zou zijn waarmee je je kunt identificeren, ook als immigrant, zoals de immigranten in de VS zich Amerikanen voelen, dan zou iedereen even trots zijn. Maar dat willen die fanatieke Vlamingen niet. Die willen BHV splitsen en met oude leeuwen zwaaien en kaakslagen incasseren en het eigen volk voor eeuwig in het eigen nat laten marineren. Ach, fanatici, een meelijwekkende soort. Ik blijf er voorlopig op vertrouwen dat de heren Di Rupo en Verhofstadt – waar ik niet de minste sympathie voor koester – een oplossing vinden voor het Circus BHV.

En vanaf nu zwijg ik over politiek en keer ik terug tot de letteren (in het Nederlands tot uitsterven gedoemd) en de rock & roll (al dood en begraven). Keep on rockin’ in the real world! Laat je niet aliëneren. En let op de parkeermeters: die hebben oren.

ONGEWOON VERTREK

vertrek

Dit zijn mijn eerste notities op Hoochiekoochie. Heb ik iets mee te delen? Over het gevecht met duivel van de verveling. Over kopen om aan die Lucifer te ontsnappen. Vandaag gedichten van Pindaros (de uitverkorene van mijn uitverkoren Hölderlin, dat zit wel goed); nog meer gedichten, van Coleridge en Oscar Wilde; Het seksuele leven van Cathérine M. Dat laatste zal ik waarschijnlijk niet lezen. Ik heb er al fragmenten van gehoord in een voorstelling van Needcompany: No comment. Een onvergetelijke ervaring, om dat te horen en te zien, maar het heeft geen zin gegeven om het boek te lezen. Waarom koop ik het dan? Omdat ik niet goed wijs ben, zeker? Boeken zijn trouwens geen cent meer waard. Ik ben het bij De Slegte gaan vragen. Zelfs voor vijfhonderd boeken komen ze niet meer bij je thuis, vooral niet als het om romans en verhalenbundels gaat. Mijn huis staat vol oud, waardeloos papier.

Gisteren ben ik op zoek geweest naar de oude tijd, dit keer in de muziek. Dat gebeurt wel vaker. Robert Nighthawk, een nogal gespleten bluesman, Earth Opera (met Peter Rowan, Richard Greene en David Grisman) en de eerste elpee van the Allman Brothers Band, uitgebracht in september 1969. Op die dag begon voor ons luisteraars de southern rock. Van Dreams heb ik altijd kippenvel gekregen, gisteravond is gebleken dat dat nog altijd het geval is.  Het nummer roept steevast herinneringen op aan een wandeling in het Zoniënwoud met mijn oude vriend E.. We hebben een kleine cassettespeler bij en opeens weerklinkt dat bijna dreigende en toch dromerige jazzy orgel en even later de machtige stem van Gregg Allman: “Just one more mornin’ / I had to wake up with the blues / Pulled myself outta bed, yeah / Put on my walkin’ shoes, / Went up on the mountain,: / To see what I could see, / The whole world was fallin’, / right down in front of me. Kippenvel en tranen van ontroering.

Toch leef ik niet voortdurend in het verleden, gelukkig maar. Een paar weken geleden zag ik Rilo Kiley en Bright Eyes in de Botanique (hoewel een paar weken geleden: dat is ook al verleden). Ook die twee bands hebben mij behoorlijk van m’n stuk gebracht, vanwege hun lyrische kracht en hun authenticiteit. En Jenny Lewis is natuurlijk een heel mooi meisje.

Foto: François Brouns