ESPERANCE

jonge torless

In weerwil van het alles doordringende zonlicht las ik toch het verhaal ‘Espérance’ van Herman Broch en kon ik me zonder moeite in deze tekst, waar de geur van de dood in rondwaart, verplaatsen. Af en toe zag ik me op de pagina’s verschijnen, zoals in een droom tegelijk aanwezig en afwezig.

“Er viel een ogenblik stilte en het enige dat te horen was, was het dreunen van apenvuisten en het getokkel van mandolines. Toen klonk er een dompig gesis alsof de hele stad bestond uit papier en magnesium, een ontzaglijk witte vlam schoot omhoog, helder als daglicht, zo verblindend dat we nog maanden later pijn in onze ogen hadden.”

Het is inderdaad net alsof ik dit werkelijk heb gedroomd. Of eerder nog: ik zwierf echt door de straten van die verzonnen stad.

[Uit mijn dagboek, ongedateerd]
Afbeelding: Poolse poster voor Die Verwirrungen des Zöglings Törleß  (1966) van Volker Schlöndorff. Ontwerp van Kazimierz Krolikowski (1921-1994).

EDGAR ALLAN POE DOOR DE OGEN VAN J.-K. HUYSMANS

edgar allan poe

In de literatuur was hij de eerste, die onder de zinnebeeldige titel The Imp Of the Perverse grote aandacht had geschonken aan de onweerstaanbare impulsen waaraan de wil, zonder ze te kennen, is blootgesteld en die door de hersenpathologie tegenwoordig met een grote mate van zekerheid verklaard kunnen worden. Hij was ook de eerste geweest, die algemene bekendheid had gegeven aan de neerdrukkende invloed van de angst op de wilsvermogens, zoals verdovende middelen de zintuigen verlammen en pijlgif de motorische zenuwcentra vernietigt. Hij had zich op dit onderwerp, op deze versuffing van de wil geconcentreerd; hij had de werkingen van dit morele gif geanalyseerd en de symptomen van het verloop ervan beschreven: zenuwstoornissen die met angstige onrust beginnen, in beklemming overgaan en tenslotte culmineren in een ontzetting die de wilsuitingen verlamt, zonder dat het intellect, hoewel aan het wankelen gebracht, verslapt.

J.-K. Huysmans, Tegen de keer.
Vertaald door Jan Siebelink

 

HET COMPARTIMENT

Raymond-Carver

“For a moment, Myers had the impression of the landscape shooting away from him. He was going somewhere, he knew that. And if it was in the wrong direction, sooner or later he’d find out.”
Raymond Carver, The Compartment

In de trein naar hier las ik een verhaal van Raymond Carver, The Compartment. Over een man die met de trein reist. Om het even waar naartoe, als hij zijn zoon maar niet hoeft te zien. Alles vergeten wil hij. Herinneringen doen hem teveel pijn. Raymond Carver verwoordt telkens weer erg genuanceerd en helder menselijke gevoelens en emoties. Met verve maar toch in een sobere stijl beschrijft hij de banale triestheid van verknoeide en verspilde dagen. Je herkent je in veel van zijn verhalen. Hoe beter je je als lezer herkent in een verhaal of roman hoe meer de auteur ervan onze bijval verdient.

Veel te snel moet ik hier alles noteren, hier op de dertiende verdieping van de AG-building. Ik wil niet dat iemand ziet wat ik aan het doen ben. Niemand mag weten dat ik een ‘schrijver’ ben. Hoewel ik geen werk krijg moet ik doen alsof ik toch heel druk bezig ben. Waar blijft toch dat werk? Elke dag vertrek ik in de Lamorinièrestraat hopend dat mevrouw Verstraeten mij iets interessants zal voorstellen. Maar dat gebeurt niet. Niet alleen stelt ze mij niets interessants voor: ze stelt me helemaal niets voor. Ondertussen zit ik hier gemaskerd. Het is zoals destijds op de middelbare school in Tongeren tijdens de uren verplichte studie. Ik moest dan stiekem zitten lezen of de studiemeester nam mijn boek in beslag en ik zag het nooit meer terug. Lezen was verboden.

Vandaag werd me gevraagd enkele dossiers te klasseren. Om de tijd toch een beetje te doden en tegelijk de indruk te geven dat ik aan het werk was, las ik er eerst wat in.
“Dhr. Maeckelmans is sedert verscheidene jaren technisch raadgever (en feitelijk verantwoordelijke) voor de presidentiële bloemendienst. Praktisch komt dat erop neer dat deze expert instaat voor de bloemenleveringen voor het presidentieel hofhouden. De vakkennis van technieker Maeckelmans wordt door ieder naar waarde geschat.”
De expert die door de hoge ambtenaren van Ontwikkelingssamenwerking zo naar waarde geschat en met die waardering evenredig geremunereerd wordt, is eenvoudigweg de bloemist van Mobutu.

Gisteren was er niet veel volk in de bureaus. De collega’s maakten de brug. Ik had dat zelf ook beter gedaan. Maar na nog maar enkele weken ervaring weet ik nog niet goed hoe je dat doet, zo’n brug maken.

[Dagboeknotities november 1988.]

atheneum tongeren

Afbeeldingen: Raymond Carver; Latijn-Wiskunde en Wetenschappelijke-A, Tongeren, 1967

AAN HET WERK

the trial orson welles

Elk leven kent een aantal keerpunten. In mijn dagboeknotities vond ik wat sporen van zo’n keerpunt in mijn bestaan. De notities [1] zijn natuurlijk uit de context gerukt, waardoor lezers die er geen idee van hebben hoe ik voor de herfst van 1988 leefde misschien niet goed kunnen begrijpen waarom ik het over een keerpunt heb. Maar misschien toch ook wel. Ik denk dat elke lezer inlevingsvermogen heeft. Ik geloof heel sterk in het mededogen van onze soort. Omdat het moet, zeker in deze donkere, schijnbaar uitzichtloze tijd.

Nu zit ik hier ten slotte ook tussen de velen aan een bureau van de overheid en kijk naar documenten die weinig of niets betekenen voor mij. Het is nog maar de vraag voor wie ze wel enig nut of enige waarde hebben. Ik leg blad op blad op blad, zomaar… Om de indruk te wekken dat ik druk bezig ben. Veel drukte om niets, dat is hier de essentie. Na een tiental dagen op deze plek op de dertiende verdieping van het AG-gebouw ben ik al goed op weg om een modelambtenaar te worden.

Mijn angstschilfers voor het witte – of in dit geval grijze (ik schrijf op gerecycleerd papier) – blad zal ik maar van me afschudden. Deze woorden die hier nu ontstaan zijn mijn woorden, van niemand anders. Ook al zijn ze kaal en op zich nietszeggend, al kan iedereen ze zich toe-eigenen. Zoals mijn woorden zijn zo ben ik. Soms goed, soms slecht, vaak iets daartussenin. Ook de banaliteit en het gestamel hebben hun bestaansrecht op de wereld.

Je zal alleszins naar woorden moeten blijven zoeken, angst of geen angst. Zoveel ben je kwijtgeraakt tijdens de lange, vreemde reis… Ja, die metaforen… Daar moet je voorzichtig mee zijn. Metaforen zijn vaak het meest vijandig aan de eigen stem, want ze overvallen je met een vorm die van tevoren al vastligt. Zeker is dat zo als je er niet voldoende bij nadenkt. Bijgevolg moet je niet alleen naar woorden zoeken, maar even goed naar geschikte, geïnspireerde, rijke metaforen – of ze geheel en al uit de weg gaan, wat onbegonnen werk is. Tijdens de lange, vreemde reis, de lange rit door de donkere nacht, de dwaaltocht door de woestijn, de rondzwerving in het barre land, de ballingschap in de dorre gebieden… Stuk voor stuk metaforen die een periode in je leven aanduiden – en geen ervan voldoet. Maar de dagen van de wereld bestormen met bloemen van verderf liggen voor eens en voor altijd achter je. Je zal het met deze nieuwe – evenwel niet opeens opgedoken – kaalgeslagen taal moeten doen. Tevreden zijn met wat je nog krijgt, de schaarse woorden en beelden die overblijven na lang wikken en wegen en elimineren en verwerpen. Geen goudklompjes hield je over, alleen maar steen en fossiel.

Jeroen Brouwers gisteren in het programma Atlantis: is hij een échte schrijver? Of is hij de mythe van een echte schrijver? Iemand die zich voor een echte schrijver houdt? Zowat elke dag is hij daar met zijn donkere ogen, om als het ware zijn zelfmoord aan te kondigen. De pennenlikkers van het literaire circus zitten al vele jaren ongeduldig te wachten om met hun slecht geformuleerde in memoriams te scoren. Ik hoop dat Brouwers er geen eind aan maakt, dat het een verkoperslist is, dat hij de hele meute teleurstelt. Zijn ‘Zondvloed’ zal ook wel goed verkopen als hij er geen punt achter zet. Trouwens, had hij dat punt er niet beter voor gezet? ‘Après moi le déluge’ luidt immers de uitspraak van deze mensen die graag uitspraken in de mond nemen. Ach, de smaak van een wansmakelijke uitspraak is nog altijd beter dan die van het succulente vlees van een geveld everzwijn of een vermoorde patrijs.

5-2-2013_029 (2)

Lang geleden, toen mijn hoofd nog vol haar stond, dat dan bovendien over mijn schouders golfde, heb ik Jeroen Brouwers meermaals gezien. Zou hij zich mij herinneren? Een bepaald beeld van mij met zich meedragen? “Die barman met dat lange haar in die bar van Herman J. Claeys, De Dolle Mol heette ze, dat weet ik wel zeker”. Waarschijnlijk niet. Wie herinnert zich langharige losers? Ik had een zwak voor die luidruchtige literatoren die er kwamen: Jeroen Brouwers, Paul Snoek en Marcel Van Maele. Zij waren me liever dan de overwegend Franstalige hippies die er rondhingen en voor zich uit zaten te staren of hasj te dealen. Dat laatste was niet alleen dom maar ook boosaardig ten aanzien van Herman, want de Dolle Mol stond haast onder voortdurende bewaking van de Belgische Opsporingsbrigade, softdrugs waren staatsgevaarlijk; dat vond althans de toenmalige minister van justitie Vranckx, een socialist tegen bewustzijnsverruiming. Uiterlijk leek ik wel op deze hippies, maar geestelijk was er weinig verwantschap tussen ons, denk ik. De echte hippies bevonden zich, in navolging van Jack Kerouac en andere beats, on the road in de Verenigde Staten, trokken naar Afghanistan en Nepal of leefden teruggetrokken in communes, wist ik. Dat had ik ook graag gedaan, maar waarschijnlijk had ik me daar bij hen, in Laurel Canyon, of weet ik veel waar ze woonden, evenmin thuis gevoeld als in Antwerpen of Brussel. Zal ik me overigens ooit ergens wel thuis voelen? Zeker hier niet, in dit hels-verlichte bureau van Ontwikkelingssamenwerking.

Ja, ik hield van die schrijvende mannen, zij waren karakters, zij hadden levensechte verhalen te vertellen. Zelfs als ze stomdronken waren vertelden ze nog boeiende verhalen. Ik was altijd nuchter in die tijd. Mijn enige zwak was de sigaret. Bijna mijn hele inkomen ging naar sigaretten. Sommige dagen kon er nog maar net een kommetje rijst met olijven en paprika af. Dat kocht ik aan de overkant van de Kaasmarkt, het hippe pleintje waar je niet alleen de Dolle Mol vond maar ook de Speakeasy. De bohémiens en hippies werden er heel gauw verdreven. Er moest plaats gemaakt worden voor pitabars en toeristen. Alles wat de stad een gezicht gaf werd verwoest. Zo komt het dat alle steden nu op elkaar lijken.
Zo waren mijn Brusselse dagen [2], goed voor een honderdtal bladzijden of meer, maar vandaag begin ik er niet aan. Alweer niet. Nu ben ik de Man die Werk Vond, van die gehate Brusselmans. Dat is geen schrijver (vinden de ernstige mensen, en meer dan eens ben ik zelf ook een ernstige mens). Of: De Man die Ook Werk Vond. Of: De Tweede Man Die Werk Vond. Nee, dit is niet grappig.

Ik had het over het Atlantis. Dat is een televisieprogramma waar ik voor thuisblijf. Zelfs als het onbenullig lijkt boeit het mij. Dat komt door de vervlechting van de thema’s die erin aan bod komen; de verschillende items verwijzen naar elkaar en versterken elkaar. Zo werkte ik vroeger ook aan mijn radioprogramma Shangri-La. Als je een country-smartlap als ‘Satin Sheets’ van Jeanne Pruett in een bepaalde context plaatst, kun je aan zo’n lied een diepere existentiële betekenis geven. Heel wat country-songs hebben die betekenis al in mindere of meerdere mate. Het zijn meestal op zijn minst interessante verhalen, die over het leven gaan, over de verhoudingen tussen mensen, over de eenzaamheid en het verlangen naar de dood. Over mogelijkheden om aan die eenzaamheid te ontsnappen: een beperkt aantal. Je mag zo’n lied natuurlijk niet in een typisch country-programma horen, gepresenteerd door een onbenul van een DJ die de nummers aan elkaar lult. Tenzij je zo’n uitzending ook weer in een ruimere context plaatst. Maar op die manier kun je doorgaan tot aan de grenzen van het universum en verder. Dan kom je weer bij een zekere God terecht. En daarmee is alweer een keer bewezen dat het geheel in het kleinste ding aanwezig is: in de kiem de kosmos. Maar zeg het niet tegen de anderen want dan lachen ze je uit.

Ik word in mijn echte werk gestoord. Mijn chef, Mevrouw Verstraeten, komt mij vragen om bepaalde belangrijke documenten in verband met het C.M.R.E.G. te klasseren, volgens mij een onbekend en waarschijnlijk zinloos systeem.

the trial 2

[1] Dagboeknotitie van 5 december 1988.
[2] In 1988 woonde ik nog in Antwerpen.

Afbeeldingen: The Trial, Orson Welles; Martin Pulaski, circa 1971; The Trial, Orson Welles.

DE ROVERBRUIDEGOM

deutschland bleiche mutter 5

Met onze broodjes terug naar het park op zoek naar een bank. Veel schoolkinderen en joggers, stedelingen op zoek naar frisse lucht, want ook Berlijn heeft te kampen met fijn stof en andere luchtvervuiling. We lopen door een heuvelachtig stuk van het park dat bijna op een bos lijkt. Een beetje op dat van De roverbruidegom. Na een korte afdaling vinden we eindelijk een plek waar we rustig onze broodjes kunnen opeten.
Recht voor me zie ik het standbeeld van Friedrich II. Geen sprookjesschrijver, die man. Hoewel bijvoorbeeld De roverbruidegom toch heel wreed is. Ja, ik heb het niet kunnen laten. Ik heb toch wat over die sprookjes van Jacob en Wilhelm Grimm opgezocht op mijn smartphone… Een van hun sprookjes, De roverbruidegom, heb ik zelfs helemaal gelezen. De roverbruidegom en zijn trawanten komen een huis midden in een donker bos binnen, alwaar de bruid zich verscholen heeft. Hun plan is de bruid op te eten, het water staat al te koken. Maar ze hebben een ander jong meisje meegebracht, het voorgerecht. “Ze lieten haar wijn drinken: drie glazen vol, een glas witte wijn, een glas rode wijn en een glas gele wijn, en daarvan brak haar hart. Toen rukten ze haar de mooie kleren af, legden haar op een tafel, hakten haar mooie lichaam aan stukken en strooiden er zout over.” [1]
Omdat ik toch al over de sprookjes van Grimm had zitten lezen heb ik Friedrich II ook maar eens opgezocht. Ergens in mijn achterhoofd zat de idee dat hij een verlichte vorst was, bevriend met Voltaire en Casanova en andere ‘grote mannen’. Het is heel goed mogelijk dat hij een verlichte heerser was, maar hij was net zo goed een bloeddorstige tiran.
Het verhaal van Friedrich II begint voortreffelijk. Als kind van soldatenkoning Friedrich Wilhelm I wilde hij niet met tinnen soldaatjes spelen maar liever met zijn zuster. In de barkoude Pruisische winters mocht de jonge Friedrich geen handschoenen dragen. Al gauw had hij genoeg van dat leven en vooral van de tirannie van zijn vader en probeerde naar Engeland te vluchten. Daarbij werd hij geholpen door zijn adjudant, Hans Hermann von Katte. De vluchtpoging mislukte. De achttienjarige Friedrich moest van zijn vader toekijken hoe zijn vriend von Katte voor zijn ogen onthoofd werd. Het lijk van de adjudant moest voor het raam van de jonge Friedrich blijven liggen. Roept deze scène geen herinneringen op aan Griekse tragedies, meer bepaald aan Antigone? En aan sommige toneelstukken van Heinrich von Kleist? Eenmaal koning nam Friedrich een aantal toe te juichen beslissingen: hij stelde godsdienstvrijheid in en schafte ondervraging met foltering af. Maar hij voerde ook oorlog met Frankrijk, Rusland en Oostenrijk. De Zevenjarige Oorlog kennen we nog uit de geschiedenisles. Na de slag bij Kunersdorf (nu Kunowice in Polen) op 12 augustus 1759 bleven er van zijn leger van 50.000 soldaten nog 3.000 over. De lange oorlog putte Pruisen volkomen uit. Op het einde ervan had een half miljoen soldaten en burgers, ongeveer tien procent van de bevolking, het leven verloren.
De lectuur van deze geschiedenis had mij in een droomtoestand gebracht. Was ik nu wel wakker? Waren deze bomen echt? Wie had mijn broodje opgegeten?
Hoe zit het, Arthur, ben je er nog, vroeg de vrouw die naast me op de bank zat.
Hoezo, vroeg ik. Wie ben jij?
Herken je me niet, ik ben toch Natalie, zei ze.
Natalie, de prinses van Oranien, vroeg ik. Maar je lijkt ook wel wat op Jeanne Moreau. En waarom noem je mij Arthur?
Ik houd niet zo van je andere voornaam, zei Natalie.
Nu begrijp ik het, zei ik, ik ben Friedrich Arthur von Homburg.
Eindelijk word je wakker uit je droom, zei Natalie. Zullen we eens de stad ingaan? Misschien is de rij bij ‘Wanderlust’ vandaag wat minder lang.
Laten we het hopen, zei ik.
Toen ik van de bank opstond was ik weer een gewone sterveling, een man met de vreemde naam Martin Pulaski. We liepen naar tram 4 die ons naar de Hackesche Markt zou brengen. Van daar was het nog een tiental minuten lopen tot aan de Alte Nationalgalerie. Ik was nu helemaal wakker. De gebroeders Grimm had ik weer diep in mijn onbewuste weggeduwd, waar ze thuishoorden. Friedrich II mocht hen daar gezelschap houden.

[Dit was het tweede deel van mijn avonturen in Volkspark Friedrichshain in Berlijn.]

 

[1] Weer thuis in Brussel zag ik de film ‘Deutschland, bleiche Mutter’, die ik in Berlijn bij Dussmann had gekocht. In dit verhaal over een moeder en haar dochtertje in Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog vertelt de moeder dit sprookje als ze door een verlaten huis dolen. Duitsland is dan al grotendeels verwoest. De vader is afwezig, want aan het front.
Waarom is de regisseuse van dit meesterwerk, Helma Sanders-Brahms, veel minder beroemd dan haar tijdgenoten Werner Herzog, Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders?

Foto: Deutschland, bleiche Mutter, Helma Sanders-Brahms, 1980.

EEN FRAGMENT UIT ULYSSES VAN ALFRED TENNYSON

alfred-tennyson-

Lezend in Een Odyssee van Daniel Mendelsohn werd ik herinnerd aan deze regels uit het beroemde gedicht Ulysses van Alfred Tennyson:

(…) Come, my friends,
‘T is not too late to seek a newer world.
Push off, and sitting well in order smite
The sounding furrows; for my purpose holds
To sail beyond the sunset, and the baths
Of all the western stars, until I die.
It may be that the gulfs will wash us down:
It may be we shall touch the Happy Isles,
And see the great Achilles, whom we knew.
Tho’ much is taken, much abides; and tho’
We are not now that strength which in old days
Moved earth and heaven, that which we are, we are;
One equal temper of heroic hearts,
Made weak by time and fate, but strong in will
To strive, to seek, to find, and not to yield.

Je blijft alleen maar écht leven als je niet zwicht, als je niet berust maar blijft zoeken, als je keer op keer vertrekt naar elders en zo lang mogelijk onderweg blijft. Als je je nestelt in je behaaglijke, vertrouwde omgeving word je een sufferd en is het figuurlijke en zelfs letterlijke einde nabij. Kom vrienden, het is niet te laat om nog een nieuwe wereld te vinden!

WONDERLIJKE VISVANGST

boek paul rigaumont 001

“With haunted hearts through the heat and cold
We never thought we could ever get very old
We thought we could sit forever in fun
But our chances really was a million to one”
‘Bob Dylan’s Dream’

Het was een wonderlijke visvangst. Want waren we niet stuk voor stuk wonderlijke vissen gevangen in het net dat Paul gedurende een groot deel van zijn leven met zijn lyrische kleuren en met zijn hersens en geest verzoenende vormen geweven had? Mooi is het om op een zondagochtend zo in hechtenis te worden genomen door de Geest van de vrijheid. Want het visnet – of was het een web? – gaf ons precies dat, vrijheid, in plaats van gevangenschap. Pauls labyrint leidde ons niet naar de Minotaurus maar naar de Geest van de vriendschap. Die hele zondag heeft mij ook in een lyrische toestand gebracht. Dat verklaart meteen waarom ik Geest met een hoofdletter schrijf.
In het atelier waar Paul Rigaumont al die jaren zijn zowel melancholische als vrolijke oeuvre bij elkaar geschilderd had waren wij nu bij elkaar gebracht door een boek waarin dat voorbeeldige werk eindelijk de aandacht krijgt die het verdient. Paul heeft nooit veel aandacht gewild. Hij schilderde liever in de schaduw. Schaduw bij wijze van spreken want net als elke andere schilder had hij meer licht dan schaduw nodig. Dat hij niet in de belangstelling wilde staan betekent niet dat hij – of zijn werk – die niet verdient. Van alle kunstenaars die ik persoonlijk ken verdient hij die het meest. Paul is al drie jaar dood, daar valt niets aan te veranderen. Maar zijn schilderijen zijn springlevend. Omdat zij zo springlevend zijn waren wij, gasten, dat zondag opeens ook. Al waren de akelige dood, de bespottelijke aftakeling en het giftige verdriet eveneens van de partij. Ik denk dat die schamper lachten met mijn idee van vrolijke vissen in een veelkleurige bokaal. Of dat van gelukkige bezoekers badend in het licht van Pauls abstracte doeken. Terwijl op het dak van zijn atelier de regen neerviel en aan onze schoenen nog stukjes geplette kastanjes kleefden.

Oude vrienden die elkaar terugzien – soms na vele jaren omzwervingen, avonturen, verzoekingen, en wat niet nog allemaal – in een warme omgeving: dat is heftig. Ieder van ons heeft zoveel meegemaakt. Talloze herinneringen komen daar binnengewandeld, bijna tastbaar of anders zeker toch latent. Alle mooie momenten, alle pijn, alle verdriet, elke seconde van extase. De muziek van de wereld die in onze hoofden zit. De schoonheid van elke steen en elke bloem die we zagen. De burgeroorlogen die ons woest maakten, die ons tot hoopjes verdriet herleidden, tot niemendalletjes. De nieuwe burgeroorlogen die eraan zitten te komen. Het is niet allemaal schoonheid wat in die hoofden van ons zit. Niet allemaal Tintoretto, Mapplethorpe, Aretha Franklin en Bach. De namen van het lelijke en van het kwaad wil ik nu evenwel niet noemen.
Mijn oude vriend Guillaume Bijl zegt sorry, net als Ronald Gipharts Phileine. Met een glimlach en de mogelijkheid van een verwijzing als resultaat. Ria Pacquée drijft de spot met wat ons ketent en blijft er heel kalm bij, een vrouwelijke Gary Snyder. Een soort van dichter en zenboeddhist was dat, die ik ontdekte in The Dharma Bums van Jack Kerouac. Veel humor bij de andere kunstenaars, en veel raadselachtigheid. Menno Meewis, Michel Kolenberg, Fred Michiels, Anne Niveau, Tamara Van San, Christian Van Haesendonck. Hij was er samen met zijn eeuwige metgezel, een schuchtere schaduw als het ware, die luistert naar de naam Gottfried van Salzburg.  Met Gottfried werkte ik vruchtbaar samen aan ons in  1994 verschenen boek ‘Kamertjeszonden’. Salzburg, nota bene de stad waar mijn vader een jaar lang heeft vastgezeten als krijgsgevangene. Ook met Chris – voor mij blijft Christian altijd Chris – zelf heb ik doorheen de jaren op een fijne manier samengewerkt. We hebben woorden opgespoord en zijn brutaal geweest, onder meer. Chris heeft  vorig jaar samen met Olga, de weduwe van Paul, het initiatief genomen voor het sublieme boek dat ons hier nu samenbrengt: Retrospectief Paul Rigaumont. Bij de opening van deze tentoonstelling in het atelier waar soms ook wild werd gedanst, bij weer een andere voorstelling, bijvoorbeeld van een van de achttien delen Anekdota van Paul Rigaumont, want die boeken waren er ook nog. Of op een nieuwjaarsparty of iets anders dat moest gevierd worden. Of ik ook een bijdrage wilde leveren aan het boek, vroegen Olga en Chris mij. Dat heb ik graag gedaan. Zoveel herinneringen aan Paul. De mooiste en de meest frappante heb ik neergeschreven. Terwijl ik zat te schrijven kwam Paul weer even tot leven. Maar toen het werk af was is hij opnieuw gestorven. Er is niets aan te doen. Zondag leek Eddy Borms zijn lieve vriend met zijn poëtische invocatie heel even uit de dood te kunnen opwekken, maar toen de adem van zijn laatste woord verdampt was, was ook Paul weer weg. Niemand van ons is Jezus, niemand Lazarus. En zoals Eddy later tegen me zei in een kort gesprek over Patti Smith: niemand sterft voor onze zonden.

Menno Meewis overleed plots in Montréal in 2012, alweer zes jaar geleden. Hij is nog altijd aanwezig in de ogen van Liliane, een van die oude vrienden die we al zo lang niet meer zagen. Maar wel alsof de laatste keer gisteren was. Zo is het zo vaak met goede vrienden. Met Ginette hetzelfde. Ook dat waren avonturen. Zij woonde een tweetal seizoenen bij ons, in de Dolfijnstraat in Antwerpen, in de periode dat Agnes en ik met Paul samenwerkten in de Filosofische Kring Aurora. Dankzij de vrienden van Ginette hadden we altijd lekkere verse groenten in huis. Aan de overkant in diezelfde legendarische Dolfijnstraat woonden Leo en Flor, eeuwenoude vrienden. Leo heb ik altijd Job genoemd, ik weet niet of hij dat weet. Net als in 1969 toen hij in mijn testfilmpje voor het Ritcs de Nowhere Man speelde (met een van zijn schilderijen als rekwisiet) gelooft hij nog steeds in de Verwondering. En vooral in de Geest. Flor of Flora, geboren in Congo, is net als Paul drie jaar geleden gestorven. Twee of drie dagen voor haar dood was ze nog springlevend. Verontwaardigd over Wolfgang Schäuble en geestverwanten, over de geldwolven en machtsslaven die de Grieken vernederden en uithongerden. En dan geen woord meer. Gedaan met de flamenco, haar lievelingsdans.

En toch is het waar dat die hele zondag een feest was en dat we gelukkig waren. Zelfs onze vriendin Guche, die er eerst ongelukkig en ontdaan uitzag, ging stralen. Haar levensgezel Wout Vercammen ging er begin dit jaar voor altijd vandoor. Manneke minder, noemde mijn moeder de dood soms. Wat een mooie, poëtische uitdrukking voor zoiets akeligs! Guche die ook Gislinde heet kan buitengewoon goed schrijven; zij heeft een stijl die je nergens mee kunt vergelijken. Absurd, prettig gestoord… geen enkel adjectief is hier toepasselijk. Zij is een fan van mijn werk, maar dat is niet de reden waarom ik haar graag zie. De reden is Guche zelf.
Nu ik fotograaf Marc Schepers terug voor me zie (en op een foto die Agnes van ons maakte) herken ik Theseus in hem. Ongetwijfeld had hij zondag de Minotaurus kunnen doden, maar dat was niet nodig, dat zei ik al, er was geen Minotaurus. En hoewel ik hier lijk te treuren om de doden is dat niet zo, zij waren er allemaal, levend in ons aanwezig, in onze woorden en in onze blikken. Ik heb ze allemaal gezien.
Met mijn oude vriend Jan Van Veen, over hem zou je meerdere boeken kunnen schrijven, dat is in zijn geval helemaal waar, met hem gaat het niet goed. Hij is slecht te been, heeft erge rugproblemen, astma, bronchitis. Roken is nergens goed voor. Maar het is nu te laat voor lesjes moraal. Straks ga ik hem bellen. Hij was zo vlug weg dat ik niet eens met hem heb kunnen praten. Heel even overviel mij een immense tristesse. Maar kort daarna zaten wij, opnieuw vrolijke vissen, in een pizza-aquarium met onze vissenmonden wijn te drinken en te praten en te lachen, alsof we nog altijd met zijn allen in die kamer van onze prille jaren zaten, waar Bob Dylan over zingt in ‘Bob Dylan’s Dream’, terug te vinden op het meesterwerk The Freewheelin’ Bob Dylan, dat ook over ons gaat, over onze generatie, over de mensen die we toen waren en die we nu zijn.

2018-09-23-paul rigaumont opening 005 (2)
2018-09-23-paul rigaumont opening 006 (2)2018-09-23-paul rigaumont opening 015 (2)

Foto’s: Agnes Anquinet / Martin Pulaski