NACHTEN AAN DE KANT 15 : IN HET PANNENHUIS

fbacon_triptych_may-june_1973

De opening van Termen, de tentoonstelling van Leo Steculorum in het Pannenhuis, was een succes. Over Leo’s werk kan van mening worden verschild, maar over de sfeer en vooral het plezier dat we hadden, is dat moeilijker. De meeste van de vrienden die er waren leken, achteraf en nuchter beschouwd, op grote ernstig spelende kinderen. Het gebeurt nu wel vaker dat ik me in het café van Toulouse en Greta feestelijk begin te voelen. Het is een plek waar je elkaar ontmoet om te praten en te discussiëren, om van mening te verschillen. Om te zwijgen, te lezen. En om te drinken: dat is waar kunstenaars, dichters en schrijvers misschien nog het beste in zijn. Jazeker, wij excelleren in dronkenschap en euforie, mijnheer de minister, en soms in wanhoop.
Voor ik in de mist verdwaalde praatte ik met Paul Rigaumont over schilderen en kritiek. Het komt erop aan zelfvertrouwen te hebben, en door te gaan met het werk, zei Paul. Kunstkritiek leek ons eerder overbodig en in ieder geval voor wie zich ermee inlaat een hachelijke onderneming. We hadden het over Elias Canetti, die daar in Macht en Massa gevat over schrijft:
“’Een slecht boek’, zegt iemand, of ‘een slecht portret’, en hij neemt een air aan alsof hij iets ter zake kundigs zegt. In ieder geval verraadt zijn gezicht daarbij dat hij het graag zegt. Want de vorm van de uitlating is bedrieglijk, en ze gaat zeer spoedig in een persoonlijke over. ‘Een slecht dichter’ of ‘een slecht schilder’ wordt al gauw gezegd, en het klinkt alsof men zegt ‘een slecht mens’. Overal heeft men de gelegenheid bekenden, onbekenden en zichzelf bij dit proces van veroordelen te betrappen. Het plezier in negatieve beoordeling is altijd onmiskenbaar. Het is een hard en wreed plezier, dat zich door niets laat afschrikken.”
Ik denk dat ik nog veel van Kafka zou kunnen leren, zei ik. (Onze gesprekken verliepen vaak associatief. Elias Canetti heeft namelijk in Het andere proces over de brieven van Franz Kafka aan Felice Bauer geschreven.) Maar ik durf hem nu niet te lezen, ging ik verder, zeker zijn dagboeken en brieven niet. Veel te gevaarlijk. Waarom niet, vroeg Paul. Omdat hij me te zeer zou beïnvloeden. Je weet toch hoe ik ben? Daar moet je niet bang voor zijn, zei hij. Dat is bijgeloof. Je hebt je eigen stem.

Dominique was net terug uit Moskou. Daar was het pas koud, -45 graden. Hij heeft op straat mensen gezien van wie de neus afgevroren was. Dat kan niet, zei ik. Toch wel, zei Dominique. In Moskou is dat niet zo uitzonderlijk. Eerlijk gezegd kreeg ik het koud van naar hem te luisteren en ging daarom bij Greta nog een glas bier bestellen. Een van de voordelen van het Pannenhuis was dat je daar pas je rekening moest betalen als je er geld voor had. Meestal deed ik dat meteen nadat ik mijn uitkering getrokken had. Een dag of zo later was het daarvoor alweer te laat.

francis bacon 2

Ondanks zijn verlegenheid en zijn afkeer van vernissages is Giuseppe ook even komen kijken. Veel drukte om niets, leek hij te denken, maar als hij dat al deed zei hij er alvast niets over. Wel over Francis Bacon. Ik had hem een paar dagen tevoren voorbereidend werk voor een stuk over die schilder laten lezen. Dat heb ik geschreven toen ik nog in Sint-Joost woonde, in een periode dat ik ongeveer twee, drie uur per nacht sliep. Overdag werkte ik in een boekwinkel. Je stond op het punt waanzinnig te worden, denk ik, zei Giuseppe. Dat is zo, wat een paranoia was dat, zei ik. Daarom heb ik je die dingen laten lezen. Zo zie je dat wat ik nu schrijf lang zo gek niet meer is. Ik noem het studies voor een portret van Francis Bacon. Eigenlijk ging het tegelijk over de filosoof Francis Bacon. De Lord Chancellor, aan wie door sommigen het werk van Shakespeare wordt toegeschreven, vroeg Giuseppe. Precies, zei ik. Weet je hoe hij aan zijn eind kwam? Hij liep een longontsteking op toen hij een bevroren kip aan het bestuderen was. Kennelijk hadden nogal wat bacteriën het invriezen overleefd. Giuseppe lachte. Gooi dat voorbereidend werk van je maar in de vuilbak, zodat geen mens het te zien krijgt, zei hij. Ik kan niets weggooien, helemaal niets, zei ik. En zeker niet mijn beschrijving van de Stront-Man van Onan op het Drieluik van 1973. Het is allemaal even overdreven, vergezocht, nodeloos ingewikkeld en vooral bombastisch. Daar heb je gelijk in. Ik had slaap nodig, rust, rust, rust. Ik las wel enkel schitterende vondsten, zei Giuseppe. Ik herinner mij er nu twee, vervolgde hij: “De onschuldige grijns van Calabazas”, en “Een zevental schakeringen van amarant”. Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.

Met Renée Strubbe had ik het over Proust lezen. Wat een ernstige gesprekken op zo’n feest, stel ik nu vast. Ik vertelde haar dat ik mij van de vroege ochtend tot de late avond niet meer inlaat met literatuur. Het zijn niets dan leugens, zei ik. Je overdrijft, Martin, zei Renée. Ja, dat komt door de drank, zei ik. Zodra de avond valt, ging ik verder, laat ik mij de letterkundige leugens weer welgevallen. Zeker als ik Proust lees voel ik nog een zeker welbehagen. Maar het gebeurt wel eens dat ik ’s avonds te uitgeput ben om nog te lezen. Dan leest Senga voor en dat doet ze zo goed. Vandaar dat welbehagen, zei Renée. Senga heeft een mooie stem, zei ze. Mijn nachtvoorlezeres, zei ik. Ik begin hoe langer hoe meer te geloven dat het lot onherroepelijk is, zei Renée. Enkele jaren geleden had ik me onmogelijk kunnen indenken dat ik ooit fatalist zou worden, nu vraag ik me af of ik dat al niet een hele tijd ben. Ik leg me neer bij de onvermijdelijke gang van zaken in de wereld, zei ze. Terwijl ze die woorden uitsprak lachte ze alsof ze iets heel grappigs vertelde. Je moet je daar tegen verzetten, zei ik. We zijn vrije mensen, en zelfs als we het niet zijn moeten we doen alsof we het zijn. Dat is listig, zegt Renée. Misschien wel, zei ik. Kom laten we nog iets bestellen.

wout vercammen 04

Toen het termenfeestje in het Pannenhuis op zijn einde liep zijn Senga en ik met Leo Steculorum en Wout Vercammen kip met frieten gaan eten in het Kiekenkot. Het was mijn eerste kennismaking met Wout. We waren allemaal dronken maar ik was nog helder genoeg om vast te kunnen stellen hoe negatief en verbitterd hij was. Niets of niemand vond genade in zijn ogen. Hij leek mij de verpersoonlijking van het absolute nihilisme. Zijn woordenstroom, een aaneenschakeling van vervloekingen en verwensingen, liep echter over een bedding van gevoeligheid en kwetsbaarheid. Je ziet die bodem in zijn blik, ook als hij opeens iets vrolijks zegt, of diergeluiden maakt. Gaandeweg heb ik Wout leren kennen als een heel lieve man. Het is mede dank zij hem dat ik samen met Max Borka een programma ben gaan maken bij Radio Centraal, nu zevenendertig jaar geleden.

1980leoflortequila

Afbeeldingen: Francis Bacon, Triptych May-June 1973; Francis Bacon alias Baco van Verulam; Wout Vercammen; Leo Steculorum en Flora Van Tendeloo circa 1980.

 

NACHTEN AAN DE KANT 13: VAN GROOT ONGENOEGEN EN GELUK

jos-matti1 (2)

6 augustus 1978. Vrijdagavond ging ik bij Giuseppe aanbellen. Er brandde licht maar voor de rest geen teken van leven. Opeens werd ik bang. Er was toch niets ergs gebeurd, met Giuseppe weet je maar nooit. Wat kon ik doen? Ik ben dan maar het hele eind tot bij Job gelopen. Het zal wel niets ergs zijn, zei hij, maar laten we toch nog maar eens gaan kijken. Giuseppe bleek nogal diep geslapen te hebben, nu was hij wakker. Job was moe en is naar huis teruggekeerd.
Hoe konden wij van deze avond nog iets maken? Naar de bioscoop? We waren nog net op tijd voor The Last Waltz, de film van Martin Scorsese over het afscheidsconcert van the Band, met onder meer Bob Dylan, the Staple Singers, Muddy Waters en Ronnie Hawkins. De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll, vonden we. Neil Young heeft iets van een vampier en brengt een nagenoeg perfecte versie van Helpless. Van Morrison, klein van gestalte maar één brok dynamiet die elk ogenblik kan ontploffen. Wat deed Neil Diamond in deze film, Giuseppe? Daar vraag je mij iets, Martin.

last waltz

Na The Last Waltz liepen we naar ’t Groot Ongenoegen, waar we rustig hebben zitten praten zonder dit keer al te veel te drinken. Giuseppe vindt mijn proza lang niet toegankelijk genoeg. Over een experimentele tekst als Stasis is hij niet te spreken. De titel alleen al… Wat betekent dat eigenlijk, Stasis. Het tegengestelde van Anastasis, zeg ik voor de grap. Stilstand, alles zit vast, je kunt niet vooruit en niet achteruit, voeg ik eraan toe. Flauwekul, Martin, je moet eenvoudiger gaan schrijven, man. Hoe vaak moet ik dat nog herhalen? Waarom luister je niet naar de raad van je beste vriend? Je bent toch een bewonderaar van Walt Whitman? Deze verzen uit The Sleepers vind ik heel mooi:
I go from bedside to bedside, I sleep close with the other sleepers each in turn,
I dream in my dream all the dreams of the other dreamers,
And I become the other dreamers.”
Heel mooi, Giuseppe, maar dat was in de negentiende eeuw. De wereld was toen nog niet zo ingewikkeld. En ik denk dat Whitman een evenwichtig man was. Hoe kan ik zo eenvoudig gaan schrijven, Giuseppe? Ik ben geen eenvoudig man. Ik ben een complex iemand. Mijn bestaan is problematisch en ronduit chaotisch, ook al leef ik een schijnbaar geordend bestaan. In mijn hoofd is het een gevecht van jewelste tussen dagdromen, verlangens, twijfels, angsten, noem maar op. Moet ik die chaos dan niet aanvaarden? Moet die geen uitdrukking vinden in wat ik schrijf? Giuseppe, ik besef dat mijn werk moeilijk te doorgronden valt, maar ik kan niet anders. Als maar weinigen het snappen is dat jammer. Natuurlijk zou ik wel een publiek willen bereiken, maar niet tegen elke prijs. Niet door mezelf te verraden. Ik wil mijn eigenheid niet opgeven – ook al is die niet vast omlijnd – om op die manier in de smaak te vallen bij een groter publiek en bij uitgeverijen. Bijgevolg schrijf ik voorlopig voor mijn vrienden, nee, voor al degenen die een inspanning willen doen om tot de kern van wat ik wil zeggen door te dringen. Zolang ik dat kan volhouden. Wie van mij schone letteren verwacht zal geduld moeten oefenen. Je loopt nog eens met je hoofd tegen de muur, Martin, zegt Giuseppe. Er zijn best wel wat hedendaagse auteurs die net zo goed in jouw complexe wereld leven en toch heldere verhalen schrijven. Ik denk nu aan Patrizio Canaponi. Maar er zijn er nog. Je weet hoe verknocht ik ben aan Jan Arends. Als dat niet eenvoudig is. Ik houd niet / van bloemen. // Ik heb nooit / een korrel aarde / bezeten. // Ik wortel niet / in de grond. // Mijn bestaan / is ontkend. // Hoe moet ik dan / van bloemen houden? Daar heb je gelijk in, zeg ik. En dan valt er een lange stilte.

2018-04-11-aurora 018

Later staan we in een hoek van Cinderella’s Ballroom recht onder een grote luidspreker en daar proberen we over onze lievelingsfilms te praten. We moeten in elkaars oor schreeuwen om iets te begrijpen. Jacques Rivette. Miklós Jancsó’s Rode Psalm. Repulsion. Sisters van Brian De Palma. She is watching the detectives / When they shoot, shoot, shoot, shoot /  They beat him up until the teardrops start / But he can’t be wounded ‘cause he’s got no heart. Johnny Guitar. Ja, geweldig, met Joan Crawford. When you boil it all down, what does a man really need? Just a smoke and a cup of coffee.. Sterling Hayden. Wat een sexy meisje daar! War amongs’ the rebels / Madness, madness, war. Hé, Linton Kwesi Johnson. Nee, ik dans niet. Napoléon van Abel Gance. Vampyr. De eerste vampierfilm. De vuisten in de zakken. Van wie? Marco Bellocchio. Le Père Noël à les yeux bleus. Jean Eustache. Wat mis ik het Filmmuseum, Giuseppe. Right outside the Rainbow / Inside James Brown was screamin soul / Outside the rebels were freezin’ cold / Babylonian tyrants descended / Bounced on the brothers who were bold. Luister, een Walt Whitman van vandaag, Giuseppe. Linton Kwesi Johnson. Im Lauf der Zeit zag ik pas op televisie. Meesterwerk. Ik kan niet nadenken met die dub. Laten we ergens anders gaan. Mouchette. Les enfants du paradis. Nee, het is te laat. Tijd voor bed. Naar die Garance van mij.

fists_in_pocket_1965_7

Omdat de zon al op is ga ik nog even in ons tuintje naar de bloemen kijken. Voor een keer dat ik niet dronken ben. De calendula’s ontluiken, de reukerwten ook; de korenbloemen zijn haast uitgebloeid; de zonnebloemen, de azalea’s en de asters laten op zich wachten. Als ik daar zo sta te kijken overvalt mij weer zo’n ongewoon en zeldzaam intens gevoel. Het is de zon. Ik kijk omhoog. Daar is de hemel die ons allemaal met elkaar verbindt. And I become the other dreamers. De lucht blauwer dan ooit. Delicaat licht blauw. Opeens zie ik de bloemen zoals ze werkelijk zijn, hun diepe, felle en toch ook zachte kleuren, hun wonderlijke vormen; gedichten van de aarde voor de hemel en de zon. Senga is inmiddels naar buiten gekomen en omhelst me nu. We kussen elkaar, ik ben gelukkig.

Afbeeldingen: Giuseppe (Jos D.) omstreeks 1982; The Band in The Last Waltz; Aurora, tijdschrift van de filosofische kring Aurora; I pugni in tasci van Marco Bellocchio.

NACHTEN AAN DE KANT 12: MARGOT VANDERSTRAETEN

Margot-Vanderstraeten-3-c-Tom-Van-Nuffel-

Hoe graag had ik gisteravond niet zelf met Margot Vanderstraeten zitten praten. Hoewel Thomas Vanderveken een intelligente en hoffelijke gesprekspartner is, was ik toch wat jaloers. Of was ik dat net omdat hij die kwaliteiten bezit? Ik had daar niet alleen zo graag met haar zitten converseren vanwege haar stralende glimlach, haar welbespraaktheid, haar vurige rode jurk. Nee, ik heb zo mijn heel bijzondere redenen – die pas gaandeweg tijdens het kijken naar Alleen Elvis blijft bestaan aan het licht zijn gekomen.

Een man die ouder wordt heeft wel eens met verwardheid te kampen, niet alle informatie dringt nog even goed tot hem door, wat wereldvreemdheid tot gevolg heeft – en zijn geheugen wordt slechter. Ik ben zo’n ouder wordende man. Je moet me maar aanvaarden zoals ik ben. De ellende is dat ik dat zelf ook moet doen. Nu ik erover nadenk besef ik dat ik altijd wereldvreemd ben geweest; zelfs als ik denk het reilen en zeilen van de wereld en de mensen te kennen ben ik dat nog. Een dromer en een vreemde in de vertrouwde wereld; een andere voor de onbekende anderen. Maar is niet iedereen op die manier wereldvreemd? You know how it feels, you understand / What it is to be a stranger / In this unfriendly land, zingt Bobby Bland, maar de blues waar die regels vandaan komen, Lead Me On, heeft andere, pijnlijkere connotaties dan alleen maar die van de zorgen die het ouder worden met zich meebrengen.

Over Margot Vanderstraeten zou ik het hebben. Op 14 november kreeg ik van mijn vriendin Deborah via Messenger een berichtje naar aanleiding van mijn reeks over het Pannenhuis en het nachtleven in Antwerpen in de periode van punk, post-punk en new wave. Vermoedelijk had ze gelezen dat ik de naam niet kende van het restaurant op het Hendrik Conscienceplein waar vroeger het Pannenhuis onderdak had. Ik vernam dat Louis De Vries de motor achter het café was geweest, dat het restaurant BOHM en berkel heet, wat ik een rare naam vond, en dat het wordt opengehouden door een zekere Margot Vanderstraeten en haar man. Deborah raadde me aan om er eens een keer voor een hapje of een drankje langs te gaan. Nu ik zo was ondergedompeld in de geschiedenis van het Pannenhuis was dat interessante informatie. Ik wist dat ik de naam Margot Vanderstraeten al eerder had gehoord, maar meer dan iets vaags riep hij niet op. Had ze geen programma op Radio Centraal, of was ze een schrijfster? Nee, ik zal haar verwarren met Griet Op de Beeck, dacht ik. Voor mij blijft een griet een vis maar in Antwerpen is het een vrouw, dat deelde ik al eens mee. Margot, Margot, Margot… Voorlopig liet ik haar rusten ergens in een donker hoekje onder mijn hersenpan. Zodra haar bedje was gespreid ging ik door met mijn dagtaak.

MARGUERITE YOURCENAR

Vanavond krijgt Alleen Elvis blijft bestaan een gast die een fragment met Bernard Pivot heeft gekozen, zei Agnes die soms Senga heet, gisteren tijdens de lunch zomaar opeens. Daar keken wij toch altijd naar vanaf dat wij ons eerste tv-toestel hadden, niet? Jazeker, zei ik, dat was in de Lamorinièrestraat. Ik herinner me dat nog alsof het gisteren was. Apostrophes heette dat onvolprezen boekenprogramma. Maar wat een ellendige tijd was dat. Alleen misdaadromans, sommige muziek en televisieprogramma’s brachten enig soelaas in dat appartement. En wijn, zei Agnes. Vergeet de seks niet, zei ik. Ik woonde ook wel graag zo midden in de Joodse gemeenschap, zei Agnes. Ja, zei ik, dat gaf je soms het gevoel ver weg in een andere cultuur ondergedompeld te zijn. Met zo’n gast zou Alleen Elvis blijft bestaan wel eens interessant kunnen worden, ging ik verder, weet je wie het is? Dat heb ik niet verstaan, zei Agnes. Ik zal eens in Focus kijken, zei ik, als het daar al in staat, ze zijn nogal karig met hun informatie. Het is Margot Vanderstraeten, ken jij die, vroeg ik. Nee, zei Agnes. Ik ook niet, maar de naam zegt me wel iets. Ze heeft een boek geschreven dat Mazzel Tov heet. Nu herinner ik me dat ik haar een keer op televisie heb gezien. Een boeiende vrouw, meen ik mij te herinneren. Maar waarom heb ik dat boek dan niet gelezen?

Tijd voor Alleen Elvis blijft bestaan en Margot Vanderstraeten. Charmante, intelligente vrouw, welbespraakt, in het rood, de kleur van mijn hart. Ik val in herhaling. Ze komt uit Zonhoven in Limburg en groeide op in de buurt van een cité. Die rijke microkosmos van arme immigranten uit Italië, Griekenland, Polen, Spanje, Marokko, de meesten van hen mijnwerkers. Dat was een eerste herkenningspunt: ik ben vertrouwd met een vergelijkbare omgeving in Eisden-cité, waar ik twee jaar op internaat heb doorgebracht. Ook ik heb in de klas gezeten met kinderen van mijnwerkers, hun ouders Italianen, Polen en Grieken. De periode daar heeft mijn horizon verruimd: geen wereldvreemdheid maar wereldopenheid is daar mijn deel geworden. Margot Vanderstraeten is al op jonge leeftijd op internaat Dostojewski en andere klassieke auteurs gaan lezen. Een tweede herkenningspunt. We begrepen lang niet alle betekenislagen van boeken als De gebroeders Karamazov, maar de lectuur ervan stimuleerde ons om op verkenning te gaan in de taal. We werden verliefd op onze taal, het Nederlands. Margot Vanderstraeten ging in Antwerpen wonen, in de Joodse wijk. Ik schreef al dat het niet gemakkelijk is om aanvaard te worden in de stad aan de Schelde. Om meer kansen te krijgen om in die proef te slagen kun je proberen je het Antwerpse dialect eigen te maken. Je kunt ook iets helemaal anders doen: Margot Vanderstraeten ging haar mooie Nederlandse taal cultiveren. Nog een herkenningspunt, al is mij dat lang niet zo goed gelukt.

eisden schippersschool

Pas op het einde van de talkshow, na een clip over meesterkok Jiri Ono, dringt het tot me door dat Margot Vanderstraeten de vrouw is waar Deborah me over heeft gemaild. Ik verneem dat zij en haar man het restaurant uitbaten in het pand waar vroeger het Pannenhuis was. Dat het BOHM en berkel heet.
Wat is er zo merkwaardig aan dit verhaal? Agnes en ik hebben in de vroege jaren tachtig, toen we trouwe kijkers waren van Apostrophes van Bernard Pivot en van het nooit overtroffen filmprogramma Cinéma Cinémas van Claude Ventura en Anne Andreu [1], gebabysit voor Deborah. Enkele jaren eerder verscheen op een avond in het Pannenhuis voor onze ogen voor het eerst Deborah’s moeder. Didi want zo heet zij was inderdaad een verschijning. Ik geloof dat wij allebei meteen verliefd op haar werden, al kan ik wat dat betreft alleen voor mezelf spreken. Zelfs al hadden wij reeds heel wat tegendraadse en non-conformistische meisjes en jongens gezien waren we diep onder de indruk. Geen van ons beiden durfde Didi aan te spreken, zo van slag waren we. Pas een hele tijd later, toen bleek dat Didi net als ik een programma maakte bij Radio Centraal, heeft Agnes in café Tom Tom contact met haar gezocht. We werden goede vrienden en dat zijn we gebleven.

1983oostduinkerke1983-1

Uit de Joodse buurt zijn we in 1991 vertrokken. Guillaume Bijl en Renée Strubbe woonden toen al lang niet meer in de Lange Leemstraat. Ik was blij dat ik weg was uit Antwerpen en vooral uit de Lamorinièrestraat, waar niet één boom groeide. Toch mis ik sommige dingen. Op vrijdagavond, de vooravond van de sabbat (erew sjabbat), als ik van het station van Berchem naar huis liep, vroeg een nieuwe bewoner van het appartement van Guillaume en Renée me soms om in de keuken het vuur uit- of aan te komen steken. Dan herkende ik niets meer van de plek waar ik zoveel mooie avonden met mijn vrienden had doorgebracht. Ondanks de droefheid die me daarbij overviel vond ik het toch een hele eer om – als buitenstaander – een minuutje bij die eeuwenoude Joodse plechtigheid aanwezig te mogen zijn.

lagereschool1

[1] En 1982, Pierre Desgraupes, alors directeur des programmes d’Antenne 2, décide de lancer une nouvelle émission consacrée au cinéma. Désireux de proposer un concept novateur, il confie le projet à Michel Boujut et lui donne une liberté totale. Ce dernier fait appel au réalisateur Claude Ventura et à la journaliste Anne Andreu.
En résulte une émission au style unique, à la mise en scène singulière, composée d’un assemblage hétéroclite de séquences et d’interviews intimistes qui n’hésite pas à laisser la place au silence. Il s’en dégage souvent un sentiment nostalgique, voire mélancolique.
La formule étant devenue dépassée pour les critères de l’époque, la diffusion devient de plus en plus erratique, jusqu’à son arrêt total en novembre 1991 après un ultime numéro consacré à Alfred Hitchcock.

Afbeeldingen: Margot Vanderstraeten door Tom Van Nuffel; Marguerite Yourcenar; Home voor Schipperskinderen, Eisden cité; Met Senga en Harobed in Oostduinkerke, 1983 (?); Lagere School, Eisden cité, circa 1962.

NACHTEN AAN DE KANT (9): OUTSIDE OF SOCIETY

 

1978-1980-AURORA 14 001 met wim meewis

In het Pannenhuis en de andere cafés die ik frequenteerde wisten maar weinig nachtraven dat ik dichter en schrijver was. Ook al zat ik vijf dagen per week van negen tot vijf, soms tot zeven en af en toe zelfs tot later, aan mijn schrijftafel, in de weer met dagboeknotities, gedichten en wat ander proza werd genoemd. Ik weet niet zo goed wat er anders aan was en hoewel ze experimenteel van aard waren noemde ik die dingen verhalen. Als Paul Rigaumont, Senga – aan wie ik ze als eerste voorlas – en ik ze goed vonden werden ze in het tijdschrift Aurora gepubliceerd. Betaald werd ik er niet voor. Ik ben haast nooit betaald voor mijn schrijfwerk. Als schrijver was ik toen voor de meeste mensen onzichtbaar en dat ben ik nog altijd, ook al heb ik al een hele tijd geleden in de hoop daarmee wat meer op te vallen een andere naam gekozen: Martin Pulaski. Ik ging ervan uit dat er op mijn oude naam een vloek rustte. Zoals dat met veel oude namen het geval is. Voorouders komen er ’s nachts in spoken, soms zelfs overdag. Wellicht omdat ik toen niet veel inspanningen heb gedaan om in de gratie van andere schrijvers – en uitgevers – te vallen, om in hun kringen te worden opgenomen, werd ik later, toen ik wel naar erkenning verlangde, over het hoofd gezien. Ik was een buitenbeentje, een outsider. Of speelde de rol van outsider. In de jaren zestig waren the Outsiders, de band van Wally Tax, een van mijn favoriete popgroepen. Ik ben een outsider gebleven. Maar goed, zien jullie mij niet, geen probleem, ik blijf toch in de wereld, ben deel van de wereld, bevat zelf werelden. Zoals alle mensen. Dat schreef Walt Whitman al in de negentiende eeuw en het is nog steeds geldig. Elke mens is een kosmos, of niet soms?

waterkracht3 001

Tussen de wereld van de filosofische kring Aurora in de Lange Leemstraat, van mijn schrijftafel, van mijn experimenteel proza en die van het Pannenhuis op het Conscienceplein, de Gnoe in de Wolstraat en Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag gaapte een kloof die niet kon gedicht worden.. (Zie deze reeks teksten als een poging om dat alsnog te doen.) En toch was het één en dezelfde wereld. Elke mens, hoe verschillend ook, heeft dezelfde bestemming. We leven met zijn allen in een eigen en in een gemeenschappelijk labyrint waar we een uitweg uit zoeken. Onderweg treffen wij talloos veel hindernissen aan, de ene al meer dan de andere. Maar als wij elkaar ’s avonds, na de dagtaak, ontmoeten vergeten we die dingen. Er is zo’n groot verschil tussen hoe we zijn als we alleen zijn in onze kamers en als we ons tussen onze soortgenoten begeven.

Als ik aan die tijd terugdenk valt het mij op dat ik goed bevriend was met enkele beginnende, veelbelovende artiesten. Het valt mij eveneens op dat zij voor het merendeel conceptuele kunstenaars waren of, als zij schilderden, zoals mijn vriend Paul, voor abstractie kozen. Terwijl ik zelf van jongs af aan van figuratieve schilderkunst heb gehouden. Niemand heeft me voorgehouden welke kunst ik moest koesteren, niemand heeft me gezegd wat mooi was, wat lelijk, wat dom, wat verstandig. Of wat ik mooi, lelijk, dom, enzovoort moest vinden. Op een dag zag ik op televisie een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, verschenen bij Privé-domein. Dat boek noemde ik eerder al eens een doos van Pandora. Vanaf dan werd alle kunst voor mij interessant en opwindend. Maar altijd met die lichte voorkeur voor figuratief werk en toch ook, denk ik, met een open geest. En nu telde ik onder mijn vrienden echte kunstenaars. Over deze bijzondere tijdgenoten zal ik het later in deze reeks nog hebben. Eerst moet ik nog een aantal hindernissen overwinnen en enkele spoken uit het verleden het hoofd bieden.

4-29-2013_079 (2)

Afbeeldingen: Wim Meewis en ik, omstreeks 1980 (dank zij Wim Meewis heb ik in Nieuw Vlaams Tijdschrif kunnen publiceren); romanticus omstreeks 1976 in de Waterkrachtstraat in Brussel; Aurora in de Lange Leemstraat in Antwerpen, omstreeks 1980, op de achtergrond Jesse en Vera.

DE NAAM VAN DE MOORDENAAR

 

Het toilet van Bathseba

Ring ring ring (ringtone )…
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Zeg, weet jij nog hoe die moordenaar van Barnabas Shuttleworthy heet, ik geloof dat het zijn beste vriend was?
Marius: Wat een merkwaardige vraag, je kunt dat toch in een oogwenk in Wikipedia vinden…
Dita: Ik wilde het liever uit jouw mond horen, dat is zoveel echter. En om eerlijk te zijn: ik wilde dolgraag je stem nog een keer horen. Bovendien weet je toch ongeveer alles over Edgar Allan Poe?
Marius: Dat is lief van je, Dita. De moordenaar heet Charles Goodfellow. Schitterende vondst, zo’n naam voor een koelbloedige moordenaar, vind ik.
Dita: Ik herinner me wel nog het kistje Margaux dat Goodfellow na de dood van Barnabas Shuttleworthy ontvangt. Daar zit wel geen wijn in maar het stoffelijk overschot van zijn slachtoffer, reeds in staat van ontbinding. Met de bijbelse woorden “Jij bent de man!” beschuldigt hij  Goodfellow van de lafhartige moord. Je houdt het niet voor mogelijk dat een schrijver zoiets kan bedenken. En dan ook nog eens dat buikspreken!
Marius: Zo is het helemaal, Dita. “Jij bent de man!” is inderdaad een verwijzing naar een passage in de Bijbel, maar dat zal jij beter weten dan ik.
Dita: Misschien, Marius, misschien… Ik weet wel dat de uitspraak voorkomt in 2 Samuel 12. God stuurt de profeet Nathan naar Koning David. Die vertelt David de gelijkenis van de rijke man die een gast op bezoek krijgt. De rijkaard is te krenterig om voor de bereiding van de maaltijd een van zijn eigen geiten of schapen te gebruiken. Daarom neemt hij het enige lammetje van de arme man en zet dat de gast voor.
Marius: En David was zelf zo’n dader, niet?
Dita: Jazeker. Nathan zegt hem: Die man, dat bent u. David heeft namelijk Uria laten vermoorden en hem zijn vrouw Batsheba afgenomen. God is wel een bijzonder strenge rechter. David moet immers aanzien dat God zijn vrouwen aan een ander geeft, aan iemand van zijn eigen familie. Die zal met zijn vrouwen slapen bij klaarlichte dag.
Marius: In het verhaal van Edgar Allan Poe valt de moordenaar dood. Zou God daar ook voor iets tussen gezeten hebben?
Dita: Dat hebben we alleen maar het raden naar, niet, Marius? Ik heb intussen veel zin gekregen in zo’n glaasje Chateau Margaux. En jij?
Marius: We moeten daar zo gauw mogelijk werk van maken, Dita. Wat denk je van volgende week donderdag? Ken jij een geschikte wijnbar?
Dita: Niet zo meteen. Ik zal er eens naar uitkijken.
Marius: Toch niet in de Wikipedia?
Dita: Ha ha ha.

Afbeelding: Cornelis Cornelisz van Haarlem, Het toilet van Bathseba

VERMOEIDE STRIJDERS

 

enfant secret 2

Enkele dagen geleden zag  ik L’enfant secret van Philippe Garrel, een autobiografische film uit 1979 met Anne Wiazemsky, Henri de Maublanc, Elli Medeiros en Bambou. De soundtrack is van Faton Cahen, bekend of niet bekend van de Franse progressieve-rockband Magma. In L’enfant secret vertelt Garrel een liefdesverhaal gebaseerd op zijn relatie met de zangeres Nico. De titel verwijst naar het zoontje van Nico, Ari, dat door zijn vader, Alain Delon, nooit werd erkend.
Met Philippe Garrels filmstijl ben ik vertrouwd. Ik houd van zijn zwartwit, zijn lange stiltes, zijn trage camerabewegingen, zijn schaarse maar veelzeggende dialogen, zijn herhalingen. Zoals in al zijn films doen ook in L’enfant secret de acteurs en actrices aan underacting. Geen duidelijk zichtbare emoties bij de personages, wat niet belet dat je als toeschouwer toch met ze meevoelt. De film heeft vooral door zijn ritme en het vele donker een hypnose-effect. Je raakt bedwelmd: de kleine wereld die je op het scherm ziet en hoort wordt jouw eigen kleine wereld.

Het is mogelijk dat niet iedereen intimistische films als die van Philippe Garrel zo beleeft. Sommigen zullen zich ergeren aan de tegendraadsheid en de traagheid. Toen ik er gisteravond in het sprookjesachtige Warandepark met op de achtergrond de exotische muziek van de Feeërieën nog eens over nadacht besefte ik dat ik zelf ook in zo’n kleine wereld heb geleefd, en dat – in mindere mate – nog steeds doe. Een andere omgeving, een andere stijl, dat zeker, maar er zijn nogal wat overeenkomsten met die van de donkere setting waar Garrel ons mee naartoe neemt.
Aan het einde van de jaren zeventig en zeker in de jaren tachtig leefde ik net zo geïsoleerd, net zo opgesloten in mezelf en in de zelfgekozen microkosmos van verwante zielen. In zoverre we dat zelf al kunnen kiezen. Het was de nasleep van de tegencultuur. We waren vermoeide strijders die nooit hadden gestreden maar wel de oorlog verloren.
De muziek waar ik van hield hoorde je weinig op de radio (tenzij in het onvolprezen programma Domino, leerschool van heel wat muziekminnaars). Mijn favoriete films, die van Terrence Malick, Yasujiro Ozu, Shohei Imamura, de jonge Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Jacques Rivette en die van oude meesters als Friedrich Wilhelm Murnau, Jean Epstein en Robert Bresson, zag je alleen in cinefiele filmhuizen zoals Cartoon’s en Monty in Antwerpen en in het Brusselse Filmmuseum. Ik las geen bestsellers, geen boeken van bekende Nederlandse schrijvers (en van onbekende ook maar heel weinig). Wel ging mijn liefde naar romantische auteurs: Shelley, Keats en Kleist (die ik tot de romantici rekende). Ik had een grote bewondering voor Hölderlin en voor Antonin Artaud. Ik geloof dat ik maar één Nederlandse dichter las, H. H. ter Balkt alias Habakuk II de Balker, die ik als een Captain Beefheart van de Lage Landen beschouw(de). Mogelijk ben ik enkele dichters vergeten. Maar hoe het ook zij: ik verachtte het literaire wereldje van toen. Dat van de salons en boekenbeurzen en de praatprogramma’s (het bestaan waarvan ik pas in 1984, na aanschaf van een televisietoestel, ontdekte). Ik las geen kranten. Hoewel ik enkele kunstenaars als goede vrienden beschouwde interesseerde hedendaagse kunst me weinig. Ik liftte naar Firenze, Rome, Venetië en Padua om er de grote meesters uit de renaissance te bestuderen. De mooiste herinneringen heb ik aan een kort verblijf in Tübingen, en dan vooral aan mijn bezoek aan de toren waar Hölderlin de laatste zevenendertig jaar van zijn leven sleet. Hoewel de toren die er in 1979 stond niet meer de originele was, voelde ik er toch de aanwezigheid van de grote tragische dichter. Door een raam zag ik de Neckar stromen, dezelfde en toch niet dezelfde rivier die Hölderlin zo vaak zoveel troost had geschonken. Ja, grotendeels leefde ik in de negentiende eeuw en voor de rest in het boek The Romantic Agony [1] van Mario Praz, een tijdlang mijn literair-esthetische bijbel. Mijn kijk op de renaissance was negentiende-eeuws, de manier waarop ik naar muziek luisterde was dat vermoedelijk ook.
Op een dag echter gingen misdaadromans in mijn lezend leven ook een grote rol spelen . Hoe ik daartoe gekomen ben weet ik niet goed meer. Mogelijk kwam het door mijn vele gesprekken met mijn vriend Jos. Mogelijk raakte ik eraan verslingerd nadat ik de film Hammett van Wim Wenders had gezien. Voortaan vond ik het heerlijk om de hard-boiled romans van Dashiell Hammett, Raymond Chandler, Ross McDonald en vooral James Cain te lezen; een ware verrukking als ik een kater had. Wat later kwamen Sjöwall en Wahlöö het groepje misdaadverzinners vervoegen. Die had Jos mij aangeraden, dat weet ik wel zeker. In het begin aarzelde ik nog wat, onder meer omdat die twee schrijvers, een echtpaar, zulke rare namen hadden en ook wel omdat het zo’n lelijke Zwarte Beertjes waren. Maar zodra ik er één gelezen had volgde de rest.

Van alles wat ik hier heb opgesomd komt er zo goed als niets ter sprake in L’enfant secret. En toch, en toch is er die geestelijke verwantschap met Philippe Garrel – en met andere vergelijkbare kunstenaars. Ik denk dat gevoelens van afzondering, eenzaamheid en melancholie daar de grondtonen van zijn. Net als Philippe Garrel leefde ik in die tijd in een milieu waarin waanzin, psychiatrische instellingen, zelfmoord, amfetamine en morfine schering en inslag waren in de levens van sommige van mijn vrienden, de meest tragische van de vermoeide strijders tegen de toen heersende cultuur. Noem mijn generatie niet de generatie van vrijheid-blijheid. Als er al zoiets bestaat als mijn generatie. De deelgeneratie waar ik toe behoor zou je een nieuwe verloren generatie kunnen noemen, vergelijkbaar met die uit de jaren dertig, die van F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Ezra Pound. De meesten van ons waren beautiful losers. Maar ik ben een overlever, ook al verafschuw ik die uitdrukking en ook al voel ik me nog steeds nergens thuis.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

[1] Lezers die in die dagen geen Italiaans kenden moesten hun toevlucht zoeken tot de Engelse vertaling van wat oorspronkelijk ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Het boek werd later in het Nederlands vertaald als ‘Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’.

Afbeeldingen: Anne Wiazemsky en Henri de Maublanc in L’enfant secret; schrijver dezes en Agnes (toen Senga) omstreeks 1979.

REMCO CAMPERT IS NEGENTIG

remco-verjaardag 001

Op de afbeelding hierboven zie je het voorplat van Remco Camperts verhalenbundel ‘Hoe ik mijn verjaardag vierde’, verschenen bij De Bezige Bij in 1969. Vandaag viert de schrijver zijn negentigste verjaardag.
Hoewel het leven voor niemand van ons nog zo vurrukkulluk is als in de sixties (en Liesje al lang vertrokken is uit Lui Letterland) is het toch nog altijd een wonder en een lieve lust. Of om het filosofisch uit te drukken: zijn is altijd beter dan niet-zijn.

Gelukkige verjaardag, Remco Campert!

RemcoCampert1963