DE BETOVERING VAN VIRGINIA WOOLF

vanessa bell - vw 1

Toen ik in 1971 filosofie ging studeren wist ik zo goed als niets, beweerde ik in een eerdere notitie. [1] Op de middelbare school had ik niets geleerd. Onlangs las ik in een interview met David Lynch dat hij over zijn schooljaren ongeveer hetzelfde denkt. Ongetwijfeld is hij niet de enige.
Met die uitspraak bedoelde ik dat ik niets wist wat waarde had voor het leven in al zijn facetten: zowel praktisch als intellectueel als erotisch als creatief. Laat mij van dat niets dan maar weinig maken, want zoals ik in vorige boekverhaaltjes al heb verteld, had ik wel al wat gelezen voor ik naar de universiteit ging. Ik kan me echter niet herinneren dat ik al boeken in het Engels had gelezen. Mogelijk was dat de reden waarom ik voor het keuzevak Engelse literatuur koos. Dat was een interessant vak, veel boeiender dan een aantal verplichte vakken, zoals psychologie en logica. We moesten dat jaar geloof ik vijf Engelstalige romans lezen. Ik kan ze mij niet allemaal meer herinneren; George Orwells ‘1984’ was er zeker bij. We bestudeerden verhalen uit de bundel ‘The Second Penguin Book of English Short Stories’. Mijn geheugen is niet meer zo goed om dat nog zo precies te weten: het boek ligt hier links naast mijn laptop. Zonder de pocket bij de hand zou ik me – ondanks dat geheugenverlies – zeker nog ‘The Road From Colonus’ van E.M. Forster, ‘Ivy Day in the Committee Room’ en ‘The Mark on the Wall’ van Virginia Woolf herinneren, drie sublieme korte verhalen van drie meester-schrijvers.
Een ware openbaring was ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf. Enkele bladzijden volstonden om mij voor altijd voor deze geniale schrijfster te winnen. Ook die Penguin Modern Classic heb ik hier nu binnen handbereik. Het boek, met op de cover een portret van Virginia Woolf door Vanessa Bell, de oudere zus van de schrijfster, roept meteen herinneringen op aan een gelukkig periode in mijn leven. Het toen nog vredige en romantische huis, vooral in mei als de seringen bloeiden, in de Visélaan in Watermaal-Bosvoorde; mijn mooie en vaak geestige vrouw V., die net als ik filosofie studeerde en eveneens Virginia Woolf las; mijn klein lief zoontje J.; onze lange wandelingen in het Terkamerenbos of in de buurt van de spoorweg tot aan het station van Watermaal, dat vanwege de schilderijen van Paul Delvaux nog altijd tot de verbeelding spreekt; de vele vrienden en medestudenten die dagelijks bij ons over de vloer kwamen; de intense, de verbeelding stimulerende gesprekken en discussies; de geur van de joints en Lucky Strikes die we rookten; de muziek van Johnny Winter, Rod Stewart, Derek and the Dominoes, Johnny Jenkins. En de boeken, de boeken.

virginia en leonard woolf 1912

Mrs. Dalloway betoverde me. De vertellende stem nam me mee naar een zachte wereld die tegelijk hard, zelfs wreed was. Tedere mensen konden elkaar opeens verscheuren. Sensuele en intellectuele personages in salons, getekend door de eerste wereldoorlog, praatten over Shakespeare en porselein en zelfmoord. Later, nadat ik T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ had gelezen, vatte ik de wereld van Mrs. Dalloway, van Virginia Woolf, samen in twee regels uit dat onvergetelijke gedicht:
In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

In ‘The Mark on the Wall’, verschenen in 1917, een vroeg voorbeeld van stream of consciousness, formuleerde Virginia Woolf, als we even de verteller laten samenvallen met de auteur, in zekere zin al haar missie: “I want to sink deeper and deeper, away from the surface, with its hard separate facts.” ‘Mrs. Dalloway’, verschenen in 1925, was het ingenieuze resultaat van die intentieverklaring.

Waarom vond ik de microkosmos van ‘Mrs Dalloway’ zo betoverend? Vanwege Virginia Woolfs Engels. Haar taalgebruik was rijk, suggestief, expressief en tegelijk impressionistisch. Vanwege controversiële gedachten en uitspraken van Clarissa Dalloway en de andere personages. Een mooi voorbeeld is dit:  “Fear no more the heat of the sun. She must go back to them. But what an extraordinary night! She felt somehow very like him – the young man who had killed himself. She felt glad he had done it; thrown it away while they went on living.” Je kunt iets dergelijks wel denken, maar spreek je het ook uit of schrijf je het neer? (Ik zou nu veel zinnen en paragrafen kunnen citeren. “Love destroyed too. Everything that was fine, everything that was true, went.” Maar lees liever het boek zelf, beste lezer.) Vanwege het spel met de tijd. De gebeurtenissen in Mrs Dalloway spelen zich af op één zomerse dag in Londen. Toch worden wij via de gedachten van het hoofdpersonage deelachtig aan gedenkwaardige momenten uit de levens van meerdere personages, aan hun momenten van geluk, mislukking, pijn, verdriet, euforie, aan hun gevoelens van liefde en haat, aan hun dromen – aan hun existentie (of Dasein, om het met Heidegger te zeggen.) En zeker ook vanwege dat tumultueuze, rijk geschakeerde, van geschiedenis verzadigde Londen. Ja, ook vanwege die échte ontdekking van Londen vond ik ‘Mrs Dalloway’ betoverend (en boeiender dan om het even welke reisgids).

Na de lectuur van ‘The Mark on the Wall’ en ‘Mrs Dalloway’ ging ik op zoek naar ander werk van Virginia Woolf. In de zomer van 1974 moest ik zes weken het bed houden vanwege hepatitis. In mijn herinnering zijn die stille dagen zonder enige beweging, terwijl buiten de zon de Visélaan, het Terkamerenbos, de campus van de VUB-ULB, het Zoniënwoud, en het hele noordelijk halfrond verlichtte, versmolten met de microkosmos van ‘To the Lighthouse’, een van de mooiste romans die ik ooit heb mogen lezen.
“When life sank down for a moment, the range of experience seemed limitless. And to everybody there was always this sense of limitless resources, she supposed (…). Beneath it is all dark, it is all spreading, it is unfathomably deep; but now and again we rise to the surface and that is what you see us by. Her horizon seemed to her limitless.” [2]

virginia woolf 2

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het zevende deel.
[2] To the Lighthouse, p. 72-73.
Afbeeldingen: Virginia Woolf door Vanessa Bell; Virginia en Leonard Woolf in 1912; Virginia Woolf, datum en fotograaf onbekend.

HET MYSTERIE KNUT HAMSUN

no-nb_sml_ 172

De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het vijfde deel.

Omstreeks 1975-76 begon ik Knut Hamsun te lezen. Het was in de tijd dat ik bij boekhandel Corman in Brussel werkte. De filiaalhouder, Charles Paron (1914-1986), zelf schrijver, verhalenverteller én maoïst, sprak vol bewondering over Hamsuns avonturenroman Zwervers (1927). Ik had de naam Knut Hamsun ook al in The Books In My Life van Henry Miller aangetroffen. In dat boekenboek schrijft Miller: “Hamsun, as I have often said, affected me as writer. None of his books intrigued me as much as Mysteries.  (…) the men I concentrated on were Hamsun first of all, then Arthur Machen, then Thomas Mann.” [1] Het duurde een tijdje eer ik een Nederlandstalige editie – in een vooroorlogse spelling – van dat werk te pakken kreeg. Al gauw raakte ik in de ban van August en Edevart, de weerbarstige en komische avonturiers die in Hamsuns mooiste roman tot leven kwamen. Niet veel later las ik de meeste van zijn in het Nederlands vertaalde boeken. De meeste ‘nieuwe’ vertalingen verschenen in de jaren ’70 bij uitgeverij De Arbeiderspers. Voor een vertaling in hedendaags Nederlands van Zwervers moesten we tot 2013 wachten.
Op latere leeftijd sympathiseerde de Noorse schrijver helaas met het nazisme, maar van die verwerpelijke ideologie – bijvoorbeeld van antisemitisme of van geloof in de suprematie van het ‘Arische ras’ – heb ik in zijn romans weinig of geen sporen aangetroffen. Een monster als de Noorse terrorist Anders Breivik zal in Hamsuns werk zeer waarschijnlijk geen inspiratie hebben gevonden voor zijn wandaden, eerder integendeel. De Nobelprijswinnaar bereikte de gezegende leeftijd van 92 jaar. Mogelijk was hij al seniel toen hij een bloed en bodem-aanhanger en bewonderaar van Goebbels en Hitler werd. Mogelijk verkeerde hij in de waan dat zij Nietzscheaanse übermenschen waren. Zelf heeft hij echter in zijn autobiografie, Langs overwoekerde paden (1949), ontkend dat hij aan waanzin ten prooi was gevallen. Zijn bewondering voor de kopstukken van het Derde Rijk heeft hoe dan ook een gitzwarte schaduw over zijn literair werk geworpen, wat naoorlogse potentiële lezers zeker zal afgeschrikt hebben.

Hamsuns personages zijn bijna altijd outsiders, tragikomische en vaak ook hypersensitieve figuren die niet thuishoren in de moderne wereld van consumptie en arrivisme – in de burgerlijke maatschappij. In Hitler-Duitsland zouden dergelijke antihelden meteen zijn opgepakt en opgesloten.
Knut Hamsun kreeg als kind van arme boeren weinig scholing: hij was een autodidact. Net als Haruki Murakami [2] was hij als knaap een verstokte lezer. Dat lezen en zijn avontuurlijk bestaan hebben hem ertoe aangezet zelf te gaan schrijven. Zijn eerste roman, Honger (1890), was meteen een baanbrekend werk en vind je nog steeds terug in veel lijsten van de honderd beste romans. Alleen al door de verhaaltechniek die stream of consciousness wordt genoemd was het boek radicaal anders dan wat er tot dan toe aan fictie was gepubliceerd en is het een voorloper van het twintigste-eeuwse modernisme.
Boeken van Hamsun die ik, als me voldoende tijd rest, zal herlezen zijn Honger, Pan, Mysteriën en Victoria. Zwervers wellicht niet, dat meesterwerk heb ik nog niet lang geleden opnieuw verslonden.
Ik blijf Charles Paron en Henry Miller dankbaar om mij de weg naar dit unieke oeuvre te wijzen.

[1] Henry Miller, The Books In My Life, New Directions, 1969, p. 40.
[2] Haruki Murakami, Romanschrijver van beroep, 2015/2019.

no-nb_bldsa_HA 057

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

DE TAAL VAN DE CIRKEL EN DE SPIRAAL

Niet de afgematte blik, die doet verwelken en verstarren, die in de schaduw zwijgend afwacht, die schuw wegvlucht voor de harde zon in midzomer, is heilig.
Niet het zeeschip dat statig de haven binnenvaart, niet het geluid van de misthoorns, niet de drukte en de welriekende, uitnodigende geuren in de pakhuizen, niet de grote stalen vogels op de kade.
Niet de trein die het centraal station binnenrijdt, niet de weerspiegeling van zijn rechte lijn in het wijnglas op een tafeltje in de barokke restauratie, niet de bril van de dame die in de wachtzaal zit te lezen en daar straks haar magazine zal achterlaten, niet haar herinneringen aan de zee en het kuststadje waar zij van terugkeert, niet de aarzeling in de hand op weg naar het glas, dezelfde hand en dezelfde aarzeling waarmee zij gedachteloos abstracte vormen maakte in het warme zand.
Niet de nog wat in een achtervolging verzonken blik als ze mij sluiks aankijkt, het meisje dat naast me zit in de bioscoop, niet de duidelijke sporen van schaamte, van ongemak en lust tegelijk, van de verscheurdheid die ontluikende liefde begeleidt en evenmin het gestotter van de zanger die My Generation zingt, het lied – lang niet het enige – waar zij later op de avond naar luisteren zal.
Niet de groei van een schimmel, de uitzaaiing van een gezwel, de terugkeer van de oorspronkelijke gezondheid, de blijdschap bij het hervatten van het zoete leven, de vervulling, het tederste woord.
Niet de bevende haas gevangen in de koplampen van een snelle wagen, niet de reflex van de bestuurder (wat vertraagd ten gevolge van een glas wijn bij het avondmaal), niet zijn geweten, dat zoals zo vaak en bij zoveel mensen te laat komt, en evenmin de vergeefsheid van dit alles.
Niet het bloed op de wegen, het bloed in de huizen, het bloed in de rivieren en zeeën, het bloed in de woestijn, het bloed dat overal nutteloos en zinloos wordt vergoten, is heilig.

Hier en daar, nu en dan, verschijnt een duivel [1] of een tijdsgewricht, iets universeels of iets particuliers, hebben we een ontbinding of een synthese van al dan niet impliciete, al dan niet oppositionele paren.
In sommige gevallen, op sommige momenten, bij niet nader bepaalde configuraties, hebben sommige mensen deze of gene mogelijkheid. Een mogelijkheid om te benoemen of te beschrijven, om in te beelden of uit te beelden, om te verbeelden of zelfs te bedenken. Wat? Een onbepaalde, niet-specifieke, categorieloze entiteit of non-entiteit.
Wat zich hier en daar, nu en dan, voordoet is een verlangen, een entelechie, een vergetelheid, een geheugen. Soms gebeurt het dat zich een overgang voordoet, soms een breuk, soms gebeurt niets en doet zich niets voort, dat is dan een stilstand.

Versteende symfonische gedichten, metaforen van glas en staal en beton die tot hoog in de hemel reiken, smelten. Het drama ontwaakt uit de mythe. Noem dit met een Bijbels woord ‘anastasis’. Dansende paren komen in beweging. Is de tijd uit de dood opgestaan? Opnieuw opgestaan? (En was de tijd dan dood in de dood?) Bevolkingen dansen migrerend en plechtig op de akkoorden van instortende steden. Op het platteland dringt deze muziek door tot in de stilte van de witte huizen. De dorpelingen snellen naar buiten, rennen over niet langer vertrouwde pleinen, veldwegen, bereiken ten slotte de vlakte. Ja, allen bereiken ze de vlakte, allen staren ze met verwonderde ogen naar een ver mysterie. De ene verte die ze zien maakt de nabijheid gemeenschappelijk. Een ogenblik lang bekijken de inwoners van de dorpen elkaar. Nu zien ze elkaar. Nu zien ze dat ze elkaar zien. Alles is van wit licht en rond als een melodie. De bewoners van de dorpen spreken niet, ze zwijgen, verzadigd van alle talen. Het lijkt erop dat de bewoners van de dorpen net als de stedelingen in een cirkel draaien, maar dat is niet zo. Niemand draait in een cirkel, niemand vlucht weg van zijn middelpunt of keert er naar terug. Niemand keert terug naar zijn begin.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Aurora, Jaargang 2, Nr. 8, 1977. Deze herwerkte versie werd vandaag beëindigd.

2017-05-19-andalusie2017 786

[1] (…) er was haast geen mens meer te vinden die in verloop van vier of vijf jaar tijd niet meer rampen had beleefd dan de knapste auteur in een eeuw zou kunnen beschrijven, en men diende dus de hel te hulp te roepen om nog aanspraak te kunnen maken op de belangstelling van de lezer, en men diende in het land van de fantasmagorieën iets anders dan de dagelijkse kost te zoeken die men al kende door slechts de geschiedenis van de mens uit die meedogenloze tijd te bestuderen.
Markies De Sade, Gedachte over de romans, in: Liefde’s misdaden, vertaald door Hans Warren.

Afbeelding: Capileira (520 inwoners), 16 mei 2017, Martin Pulaski.

EEN MAGERE DROMER (INTERLUDIUM)

SPEELPLEINC

De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Voor ik aan het vierde deel begin, over dichters en in het bijzonder over de dichter Lucebert, wil ik eerst enkele mogelijke misverstanden over het schoolse leren uit de weg ruimen, in het bijzonder over hoe ik dat ervaren heb. Of beter: hoe ik mij herinner dat ik het ervaren heb, want de werkelijkheid zelf is voor goed weg, tenzij in documenten en die zijn in mijn geval eerder schaars.

Het is niet helemaal waar dat ik op de middelbare school niets leerde. Ik ervoer het leven in een internaat als een vorm van gevangenschap. Naarmate het besef daarvan toenam ging ik me er meer en meer tegen verzetten. Het was echter een rebellie die zich, zeker aanvankelijk, vooral tot mijn hoofd beperkte. Ik werd een mijmeraar, een dagdromer, een wat vreemde jongen. Maar ook weer niet zo vreemd dat ik geen vrienden had. In deze context wil ik het evenwel niet over die vriendschappen hebben, behalve dit, dat je ook van vrienden veel kan leren. Zij maken deel uit van wat ik de geestelijke genealogie van een mens noem.
Omdat ik mager was had ik ook wel wat vijanden. Kennelijk hielden in die tijd de meeste jongens, misschien omdat ze te dik waren, niet van mager vlees. Dat ik ‘knookske’ werd genoemd volstond om me nog meer op mezelf terug te plooien. Zo kwam het dat ik in de klas vaak niet aanwezig was: ik zat er wel, maar mijn gedachten waren ergens anders. Van de leraar wiskunde moest ik het in bijna elke les horen: Martin is weer aan het dromen. Wat maakte dat ik me nog meer in mezelf terugtrok en er voor wiskunde, waar ik aanvankelijk zeer ingenomen mee was, geen interesse meer overbleef. Hetzelfde gebeurde met de vakken fysica, scheikunde en biologie. Ik onderging ze als vormen van dwang, als een reeks abstracte formules die me niets bijbrachten over hoe ik moest leven. Alleen in de lessen Nederlands en Engels was ik helemaal mee, ja, was ik zelfs de beste van de klas. In wat mindere mate was ik ook aandachtig bij Frans en Duits (jammer dat dat een keuzevak was) en bij wat toen zedenleer werd genoemd. Het is duidelijk dat ik een andere richting had moeten kiezen dan de Moderne en de Wetenschappelijke A, maar toen die beslissing werd genomen had ik geen flauw benul van wat de verschillen tussen de Moderne en Latijns-Griekse afdelingen waren. Wat er de voor- en nadelen van waren, wat er het nut en de zin van was. Over mijn studierichting werd zonder mijn inspraak beslist. Ik prees me al gelukkig dat ik mocht doorleren.

Mijn gevoelige snaren werden bijgevolg alleen maar op een positieve manier geraakt in de lessen Nederlands en Engels. Nederlands betekende voor mij in de eerste plaats zinsontleding. In de tweede plaats wekte het vak mijn belangstelling op voor poëzie, vooral die van Guido Gezelle en Hendrik Marsman.
Onze leraar Engels was geen inspirerende man maar mijn kennismaking met die taal betekende liefde op het eerste zicht. Wat was het een mooie, rijke, veelzijdige taal – en niet moeilijk om te leren (dacht ik toen). Engels werd mijn tweede taal, mogelijk wel mijn eerste. In notities uit die tijd vind ik talloze Engelse uitdrukkingen terug. Ik weet niet wat het was met Frans, maar ik was er bang voor. Ik durfde de welluidende woorden niet uit te spreken. Ik vond dat ik belachelijk klonk als ik Frans sprak. Nochtans kregen we veel poëzie te lezen, zelfs van Baudelaire. Terwijl de Nederlandse en Engelse poëzie echter een passie werd, bleef de Franse niet veel meer dan leerstof.

atheneum4 (2)

Afbeeldingen: op de speelplaats in het Koninklijk Atheneum Tongeren met een studiemeester; klasfoto van enkele klassen samen, omstreeks 1966 (ik herinner me alleen nog de namen van mijn toenmalige beste vrienden).

OP ZOEK NAAR FRANZ KAFKA (EN FRANK ZAPPA)

slot romy 2

“Er blijft ons niets anders over dan de confrontatie met het eigen monochrome zwart aan te gaan. Wie het daarmee aan de stok krijgt, beseft al gauw dat het leven dieper is dan de autobiografie. Het geschreven woord dringt nooit ver genoeg door in het eigen zwart. We kunnen niet opschrijven wat we oorspronkelijk zijn.”
Peter Sloterdijk, Sferen (pag. 234-235)

Waarschijnlijk ontdekte ik Franz Kafka ongeveer in dezelfde periode als Louis Paul Boon. Wel zeker stond die ontdekking los van wat ik op school over literatuur te weten kwam. Mijn hele middelbare schooltijd lang heb ik nauwelijks iets gedenkwaardigs geleerd. Er waren weinig leraren die mij in wat dan ook gestimuleerd hebben, in lezen al zeker niet. Lezen werd op school eerder als een afwijking dan als een zegen beschouwd. Meermaals rukten studiemeesters, zogeheten opvoeders, mij brutaal een boek uit de handen als ik weer eens een keer op de speelplaats stond te lezen in plaats van tegen een bal of iemands schenen te schoppen. Lezen tijdens de lange uren studietijd ’s avonds was al helemaal taboe: er stond nog net geen lijfstraf op.
Sinds 1967 met het verschijnen van Absolutely Free was ik een bewonderaar van Frank Zappa en the Mothers Of Invention. Op de hoes van de conceptelpee We’re Only In It For the Money van the Mothers Of Invention, uitgebracht in 1968, las ik met veel aandacht de instructies bij de compositie The Chrome Plated Megaphone Of Destiny. Frank Zappa schreef het volgende:
1. If you have already worked your way through “In the Penal Colony” by Franz Kafka, skip instructions #2, #3, #4.
2. Everybody else: go dig up a book of short stories & read “In the Penal Colony”.
3. Do not listen to this piece until you have read the story.
4. Do not read and listen at the same time.

zappa money

We’re Only In It For The Money kocht ik op 1 juni 1968, de dag voor mijn achttiende verjaardag, in platenwinkel De harp in Maastricht. Ongetwijfeld was dat het vruchtbaarste cadeau dat ik mezelf ooit toestond. Wat heb ik veel geleerd van Frank Zappa, en meer bepaald van die langspeelplaat. Kritisch denken, satire, galgenhumor, vrolijke opstandigheid, dadaïstische geluidscollages, avant-garde cabaret, anti-establishment-attitude, Beatles-kritiek (the Beatles als een kapitalistisch fenomeen), ontluistering van de opkomende jeugdcultuur, analyse van de massamedia, verwerping van de consumptiemaatschappij, en wat niet nog allemaal. Alleen al de naam van de band, the Mothers Of Invention, was zo fascinerend dat ik er urenlang over kon zitten peinzen, een soort van mediteren zou je het kunnen noemen. Zoals zenboeddhisten mediteren door zich te concentreren op een of andere koan en zo tot een dieper inzicht hopen te komen, zo mediteerde ik over de moeders van de vindingrijkheid, of waren het de moeders van de uitvindingen? Hoewel ik helemaal geen zenboeddhist was, deed ik in die tijd toch aan een idiosyncratische vorm van meditatie. Meestal concentreerde ik me echter niet op the Mothers Of Invention, maar op het beeld van een Oranje Kat. Die Oranje Kat heeft me geruime tijd achtervolgd en is vervolgens in een stalker veranderd, een man met een vlezig kaal hoofd die me vanuit een raam in een zolderkamer aan de overkant van de Karmelietenstraat begluurde, en die ik Het Monster noemde. Na mijn verhuis een jaar later naar de Boomkwekerijstraat is dat akelig wezen uit mijn leven verdwenen.

Ik weet het niet zeker maar mogelijk heeft die hoestekst me ertoe aangespoord om op een zaterdag in mijn favoriete boekwinkel, eveneens in Maastricht, de roman ‘Het slot’ aan te schaffen. Dat zal dan een heel eind na de zomer geweest zijn, na drie onvergetelijke dagen op het legendarische festival dat Jazz Bilzen heette. Hippies die op een weide bijeenkwamen, nog zoiets waar Frank Zappa flink de spot mee dreef, luister maar eens naar Flower Punk. Een andere stimulus die mij deed overgaan tot aankoop van een boek van Franz Kafka was een kleine salamander die ik op de kaft ontwaarde, want ook toen al was ik verknocht aan reeksen. Ik had dankzij Louis Paul Boons Mijn kleine oorlog en De voorstad groeit al kennisgemaakt met de Salamander-reeks van Uitgeverij Querido in Amsterdam. Het was een mooie en handige pocketreeks en mogelijk ging ik ervan uit dat alles wat erin verscheen lezenswaardig was.

Mijn keuze viel op Het slot, zoals iedereen nu weet één van Kafka’s drie romans. Zeker, nu weet iedereen dat en wie het niet weet zoekt het op. Maar toen wisten we niets. Of liever, een jongen als ik wist niets. Het enige wat ik had was nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en ontluikende intelligentie (wat ongeveer hetzelfde is als de twee andere eigenschappen). Ik wist niets en ik kon ook niets opzoeken. Ik had geen encyclopedie, alleen enkele woordenboeken (waar ik verzot op was, ik kon uren achtereen zitten lezen in Kramers’ Nederlands Woordenboek, uitgegeven door Van Goor Zonen te Den Haag) en was te trots om aan iemand wat te vragen. Mogelijk ging ik van de veronderstelling uit dat niemand een antwoord zou geven op mijn vragen, die ik zelf nogal bizar vond. Mijn ouders waren eenvoudige mensen die niet veel meer dan de krant en wat tijdschriften lazen. De boeken in hun bezit betroffen bijna allemaal de oorlog. Die waren van mijn vader: de oorlog in het algemeen en zijn jaar krijgsgevangenschap in Oostenrijk in het bijzonder hadden hem diep getekend en met die eigenaardige fascinatie voor Der Krieg opgezadeld. Op die manier kende ik wel de kleinste details over de oorlog, maar weinig over de liefde en de schoonheid en nog minder over kunst en literatuur. Mijn moeder had als meisje wel veel gelezen, onder meer Abraham Hans, oprichter van de Vlaamse Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, maar was daar onder dwang van het alledaags geploeter mee opgehouden. Zij had zeker wel gevoel voor schoonheid en vond die oorlogsverhalen van haar echtgenoot maar niets. Zij heeft me leren lezen en schrijven. Toen ik ging studeren schaamde ik me voor de ongeletterdheid van mijn ouders, een schaamte die ik vorig jaar ook aantrof in het autobiografische ‘Terug naar Reims’ van Didier Eribon.

Franz_Kafka_1917

Waarom ik voor Het slot koos kan ik niet meer achterhalen. Het zal zoals zoveel van wat ik in mijn leven heb gedaan toeval geweest zijn. Hoe het ook zij, dit boek sprak nu eens echt tot mijn verbeelding.
Het is heel goed mogelijk dat ik mijn lectuur laat op een winteravond aanvatte, want dat was de tijd dat ik het liefste las, diep weggedoken onder mijn deken; een symbolische terugkeer naar de baarmoeder. Na het lezen van de eerste mysterieuze paragraaf kon ik niet anders dan door blijven lezen tot de laatste mysterieuze paragraaf. Wat lag er niet allemaal voor donkers verborgen onder die schijnbaar eenvoudige woorden. In dit boek staat namelijk niet één rommelige, onduidelijke, moeilijk te begrijpen zin. Tegelijk is Het slot een bizarre mengelmoes van diffuse intriges, ambiguïteit, erotiek, ambitie, ondoorgrondelijke verhoudingen, chaotische hiërarchieën, macht en machteloosheid, autoriteit, contradicties, eenzaamheid, pijn en allerlei vormen van uitsluiting.

Veel van wat ik in Het slot las was een voorafschaduwing van mijn eigen leven. Ook ik was een soort van landmeter, al was mijn naam niet K., en ook ik zou nooit het slot bereiken. Ik zou mijnheer Klamm zelfs nooit te zien krijgen. Net als K. ben ik altijd een outsider gebleven, door niemand erkend, een onzichtbaar iemand, een mens naar wie niet wordt geluisterd, en net als K. ben ik in weerwil van alle tegenwerking pogingen blijven ondernemen om mijn doel te bereiken. Soms op naïeve, soms op gewiekste wijze. Al had ik maar een vaag idee van wat dat doel was, al was het maar een kasteel dat in de mist gehuld bleef. Al was het maar het fabelachtige bezit van een kasteelheer wiens naam ik niet kende. Mogelijk was ik al ruimschoots tevreden als ik achter de bar wat kon liggen stoeien met mijn Frieda, make love not war indachtig – als verwerping van de wereld van mijn vader. Mogelijk was ik al ruimschoots tevreden om, lieflijk opgenomen in de schoot van een alternatieve elite, in een kleine club een rock-‘n-rollband te zien optreden die niemand kende. Mogelijk was mijn doel niet meer dan alles van Franz Kafka lezen. Of was het mijn hele leven lang op zoek gaan naar Salamanders, Zwarte Beertjes, Ooievaars, Bezige Bijen, Penguins, Vikings, Arbeiderspersboeken, City Lights pockets, Faber & Fabers, Insel taschenbucher, Ambos, Witte Gallimards, Pléiadedeeltjes, Bert Bakker Boeken, Van Oorschot-delen, Privé-Domein edities, Garnier-Flammarions, Meulenhoffs, stapels en stapels en stapels – een hele Wereldbibliotheek vol. Weet ik veel wat het doel was, wat het is – en maakt het een sikkepit uit?

Clam-gallas paleis

Hoewel ik van Franz Kafka op vrij jonge leeftijd alles las wat in het Nederlands was vertaald, had hij denk ik niet veel invloed op mijn toenmalige stijl, in tegenstelling tot Louis Paul Boon, maar wel op mijn wereldbeeld. Ik heb het vermoeden dat ik nooit meer een van die drie onvoltooide romans van de Praagse schrijver zal lezen. Af en toe nog eens naar The Trial kijken, Orson Welles’ briljante verfilming van Het proces, zal moeten volstaan. In mijn verbeelding is Romy Schneider evenwel voor altijd Frieda uit Het slot. Ja, met haar lig ik te vrijen onder de toog van de gelagkamer in het zo ongastvrije dorp. “Een onaanzienlijk klein blond meisje, met trieste ogen en magere wangen, dat echter verraste door haar blik, een blik van buitengewone superioriteit.” In Kafka’s dagboeken zal ik zeker nog bladeren en lezen. Sommige van zijn verhalen zal ik herlezen: De gedaanteverwisseling, Een hongerkunstenaar, Voor de wet, en andere tijdloze fragmenten van de fabeltjeskrant voor de eeuwigheid.

kafka 1

“De voor andere mensen zeker ongelooflijke moeilijkheden die ik bij gesprekken met mensen heb, worden daardoor veroorzaakt dat mijn denken, of beter de inhoud van mijn bewustzijn, nevelig is, dat ik daarin, voor het zover het alleen op mij aankomt, ongestoord en dikwijls zelfvoldaan berust, maar dat een gesprek met mensen scherpte, bevestiging en blijvende samenhang nodig heeft, dingen die in mij niet aanwezig zijn. Geen mens zal met mij in nevelwolken willen liggen, en zelfs als hij dat wilde, kan ik de nevel niet uit mijn hoofd drijven, tussen twee mensen lost hij op en is niets.”
Franz Kafka, 24 januari 1915

Afbeeldingen: Romy Schneider en Anthony Perkins in The Trial van Orson Welles; binnenkant van de hoes van We’re Only In It For The Money van the Mothers Of Invention; Franz Kafka in 1917; Clam-Gallas Paleis in Praag; Franz Kafka.

WORSTELEN MET LOUIS PAUL BOON

lp boon 001

In 2013 begon ik aan een soort van geestelijke genealogie. Ik ging op zoek naar de wortels van mijn bestaan, los van de wederwaardigheden van mijn ouders, grootouders en dergelijke meer. Ik wilde te weten komen hoe ik geworden ben wie ik ben en nagaan wie in die menswording en bewustwording een invloedrijke rol had gespeeld. Het zouden korte autobiografische schetsen worden over de psyche, de geest of de ziel – hoe je dat rare ding, dat soms ook de zetel van het zelf wordt genoemd, ook mag noemen. Daarbij wilde ik niet uit het oog verliezen dat die geest niet bestaat, of toch niet los van het lichaam en van de gemeenschap, van de anderen. Ik wilde het toeval een rol laten spelen in het ontstaan van de teksten. In de eerste reeks die ik op die manier schreef ontdekte ik dat het toeval ook al aan het werk was geweest in ontmoetingen die ik op jonge leeftijd had met voorbeeldige mannen en vrouwen, met leraren, mentors en vrienden, met schrijvers, filmregisseurs, componisten en kunstenaars.

Enkele weken geleden nam ik die draad weer op. Mijn aandacht ging daarbij naar een aantal boeken en schrijvers die mijn wereldbeeld hebben beïnvloed en zelfs bepaald. De eerste schrijver die mij voor de geest kwam was Edgar Allan Poe. Mijn tweede beschouwing moest over Louis Paul Boon en De Kapellekensbaan gaan. Allerlei remmingen, mogelijk waren het listen van dat raadselachtige onbewuste, hebben me die taak zeer bemoeilijkt. [1] Daar is dan nog eens een flinke griep bovenop gekomen. Werken die vaccins écht of zijn die spuitjes alleen maar een onderdeel van een winterritueel, iets wat ons mogelijk sterker maakt als we er maar voldoende in geloven en niet de hele tijd twijfelen en wanhopen?
Wat maakt het mij écht zo moeilijk om over Boontjes werk te schrijven? Ik weet wel heel zeker dat hij me omstreeks mijn zestiende diepgaand beïnvloed heeft. Dat kan ik zonder meer toegeven. Mogelijk zijn er in mijn stijl zelfs nog sporen van terug te vinden, al heb ik er veel voor gedaan om die zo gauw mogelijk uit te wissen. Vooral heb ik er zorg voor gedragen geen boontjessporen meer te maken. Stel je voor: barokke taaltekens die alle richtingen uitgaan en toch stevig op het blad staan in plaats van heldere bloedsporen in de sneeuw (die soms zwart ziet van de romantiek).
Zou het kunnen dat ik niet opnieuw wil geconfronteerd worden met die zo Vlaamse verankering van Louis Paul Boon? Al vroeg heb ik de ‘Vlaamse richting’ – die met Hendrik Conscience, Ernest Claes en zelfs Filip De Pillecyn begonnen was – samen met de romantiek van de Gulden Sporenslag, Jacob van Artevelde en de hele vermaledijde Vlaamse Beweging (waar ik me niet bewust van was)– de rug toegekeerd en me naar het Noorden en daarna de rest van de westerse wereld gewend. Maar ik kan niet ontkennen dat die Louis Paul Boon-periode er is geweest. Dat ik dweepte met vergeten straten, dat ik ook een kleine oorlog voerde, dat ik het gevoel had dat ik de mensen een geweten moest schoppen (maar hoe?), dat ik gesprekken voerde met mossieu colson van tminnesterie, professor spothuyzen, tippetotje, de kantieke schoolmeester en vooral met de kleine ondine. En soms vond ik net als de meester uit Erembodegem dat het allemaal geen zin had.
Zou het kunnen dat ik op mijn zestiende al een boek wilde schrijven zo rijk als De Kapellekensbaan, een boek dat een wereld zou zijn, dat honderd werelden zou zijn, maar dat ik bijna meteen ook al besefte dat ik dat allemaal uit mijn duim zou moeten zuigen en dat ik die vervolgens bekeek, en dat ik zag dat die nogal bleek en bloedeloos was, al hing er wel wat inkt aan? Dat boek is er nooit gekomen en zal er ook nooit komen: ik heb die rijke Vlaamse taal van me afgeschud, in het begin met allerlei fantasietjes in de stijl van Edgar Allan Poe en John Lennon; later in die van de romantici en de surrealisten; soms bijna verdrinkend in de taal van Hölderlin en Nietzsche en Heinrich von Kleist; soms ten hemel opstijgend in de taal van Lucebert; maar ze in een tegenbeweging schoonspoelend met die van Remco Campert en Nescio en Raymond Carver. Tot ik stilaan mezelf werd en bijna niets meer over had. Niets om te bezingen, niets om te beschrijven, bijna geen woorden om je toe te vertrouwen. Ja, dat zou kunnen.

Het was een lange, vermoeiende, gevaarlijke en weinig dankbare reis door de taal en de literatuur. Waarbij ik Louis Paul Boon helemaal uit het oog verloor. Tot ik nagenoeg zijn volledig werk erfde van onze benedenburen, tweetalige Brusselaars, socialisten oude stempel, die Boon nog gekend hadden en zelfs bevriend waren geweest met Herman Teirlinck en Maurice Carême, die hier aan de overkant van onze vergeten straat woonde. Er is nog steeds een klein Carême-museum, dat ik tot mijn schande nooit heb bezocht. Maar dat is een ander verhaal: dat van mijn ontmoeting op latere leeftijd met mijnheer en mevrouw Spanoghe.

Een tweeling, zegt men, is gespleten, heeft een dubbele persoonlijkheid, heeft zoals Janus – de god van het begin en het einde – twee kanten, is zijn eigen dubbelganger, en meer van dat moois. Het zou wel eens waar kunnen zijn. In mij zijn het magische, het verhevene, het romantische en het realistische met elkaar in een wankel evenwicht. Je zou ook kunnen zeggen dat de twee principes voortdurend, tot verlammens toe, strijd leveren met elkaar. Met Edgar Allan Poe bereikte ik hogere sferen, zowel van licht als duisternis, zowel van schoonheid als pure afschuw. Met Louis Paul Boon kwam ik dan weer met mijn voeten op de grond terecht. Ook al verdrong ik zijn invloed en vergat ik zijn spoor, wandel ik toch nog altijd op de bittere grond van toen, op de vuile grond van toen, onder de heldere onschuldige hemel van toen.

[1] Toen ik las dat Joachim Pohlman, de uitermate rechtse ideoloog van de N-VA (ik wil het woord  ‘fascistisch’ liever niet gebruiken) op zijn zestiende sterk beïnvloed werd door Louis Paul Boon nam mijn zin om dit stuk te schrijven nog meer af. Pohlman, las ik in hetzelfde artikel in Knack, is eveneens een bewonderaar van de antisemiet Louis Ferdinand Céline en van de bloeddorstige oorlogsschrijver Ernst Jünger.

lp boon 2 001