HEDDA GABLER VAN JAN DECORTE

Vorige week zag ik Hedda Gabler [1], Jan Decortes magistrale filmadaptatie van Ibsens gelijknamige toneelstuk, dat in 1890 in première ging en van in het begin controversieel en nihilistisch werd genoemd. De weinig bekende film uit 1978,  is getrouw aan de oorspronkelijke tekst en toch helemaal van Jan Decorte. Het is een betoverend, met weinig andere films vergelijkbaar werk. Er zijn wel raakpunten met andere filmkunstenaars, zoals Marguerite Duras, Chantal Akerman en in bepaalde opzichten met Rainer Werner Fassbinder, maar die verwantschap ondermijnt geenszins de authenticiteit van deze Hedda Gabler. De film is traag en hypnotiserend met geweldige actrices/acteurs en een camera die van elk zichtbaar ding een mysterie maakt. Gaandeweg zie je nog maar weinig verschil tussen mensen en dingen. Personages [2] worden herleid tot gebaren, hun woorden zijn duidelijk en schaars, er vallen veel stiltes. In de dialogen lijken tussenwerpsels even veel belang te hebben als substantieven.

Bijna twee uur heb ik als lichamelijk verlamd maar innerlijk in volle beweging zitten kijken tot het ontstellende hoewel van in het begin aangekondigde einde van Hedda Gabler.

Ongeveer in het midden van de film, niet zo toevallig daar, verbrandt Hedda Gabler blad na blad met lucifers een belangrijk manuscript van Ejlert Løvborg, schrijver en alcoholist. Ze werpt de brandende pagina’s één voor één in de open haard. Maar zoals zoveel dingen gaat ook dat spelletje haar vervelen en werpt ze wat overblijft van Ejlerts levenswerk in zijn geheel in het vuur. Ik voelde deze scène in elke zenuw. Het was een lang uitgesponnen moment van zowel pijn als plezier. Pijn die voortkomt uit mededogen; kinderlijk plezier van vuurtje spelen. Wat Hedda aan het vuur toevertrouwde had wel eens een manuscript van mezelf kunnen zijn. Ik zou het verbranden uit zelfhaat, Hedda doet het uit verveling. Of is het uit alles verterende woede?

“Ik heb in dit stuk eigenlijk geen zogenaamde problemen aan de orde willen stellen. Hoofdzaak is voor mij geweest om mensen te tekenen, stemmingen en lotgevallen van mensen op basis van bepaalde maatschappelijke verhoudingen en denkbeelden.”
Henrik Ibsen in een brief van 4 december 1890 aan Moritz Prozor.

Aan het begin van de film geen geschreven titels: Jan Decorte leest ze voor, zoals Godard soms doet. Hoe vreemd dat zijn stem na al die jaren nog steeds hetzelfde klinkt. Zou dat bij mezelf ook zo zijn, terwijl ik toch denk dat ik in alles veranderd ben, zeker in mijn stem ben ik dat, denk ik.

De lange stiltes die tot nadenken stemmen en observatie aansporen. Ga je van nog langere stiltes niet dood? Nee, natuurlijk niet want hoe meer stilte hoe meer er te horen valt en hoe duidelijker de contouren worden van wat wordt uitgesproken. Goede articulatie van een pijnlijk mooi Nederlands. Waarom horen we nog maar zelden onze taal zo speels en toch afgemeten klinken? Het gemompel van een Marlon Brando blijft ons hier bespaard [3].

 De kostuums, de kapsels en het decor: van armoede betekenisvolle rijkdom maken. De claustrofobische ruimte, het snakken naar licht, naar een uitweg. In afwachting daarvan speelt Hedda Gabler mind games, van een heel ander, wreder kaliber dan die van John Lennon.

Ik vertel het verhaal niet na. Veel om het lijf heeft dat niet. Je vindt de korte inhoud onder meer in Wikipedia en in De zomer beschrijf je best op een winterdag, een keuze uit de brieven van Henrik Ibsen, uitgegeven in de reeks privé-domein.

In een andere cruciale scène zitten op de achtergrond Jørgen Tesman, de echtgenoot van Hedda, en Thea, de vriendin van Ejlert Løvborg, auteur van het verbrande manuscript, pogingen te doen om de tekst weer samen te stellen, orde te scheppen in een chaos van losse blaadjes, en te typen.

Op de voorgrond lijkt ondertussen rechter Brack, vriend des huizes, een spannend verhaal te vertellen. Het is een soort van mise en abyme; je zou je kunnen voorstellen dat hij het toneelstuk Hedda Gabler luidop aan het verzinnen is, terwijl zijzelf daar toch naast hem zit te luisteren. Je hoort onder de woorden door het geratel van de schrijfmachine. In werkelijkheid onthult Brack hoe Ejlert aan zijn eind is gekomen. Hedda Gabler zit nu gevangen in het door haarzelf ontworpen labyrint. Er is maar één uitweg.

Jan Decorte heeft doorheen de jaren samen met Sigrid Vinks baanbrekend en tegendraads theater gemaakt. Het blijft echter jammer dat er niet meer films van hem gekomen zijn. Ik denk dat er in hem een groot filmregisseur verscholen zat en nog altijd zit. Maar “you can’t have your cake and eat it”, zo wordt gezegd.

*

[1] op avilafilm.be

[2] Ibsen vond alle personages in Hedda Gabler belangrijk, ook de meid Berte. In een brief aan Kristine Steen van 14 januari 1891 schrijft hij het volgende: “Jørgen Tesman, zijn oude tantes en de meid Berte, die al lange tijd in dienst is, vormen tezamen een eenheid. Ze delen dezelfde manier van denken, dezelfde herinneringen, eenzelfde levensvisie. Voor Hedda zijn ze een vijandelijke en vreemde macht, die zich tegen het diepste van haar wezen richt. Daarom moeten zij in de voorstelling onderling harmoniëren.” Kristine Steen was een vriendin van Ibsen uit hun Bergense tijd.

[3] Geen kwaad woord over Marlon Brando, maar dat is weer een ander paar mouwen.

TWEEDE BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

[Nachten aan de Kant 34. Juni 1979]

Lieve vriendin,

Nu ik toch de moed en energie heb gehad om je te schrijven ga ik er nog even mee door. Nu hoop ik maar dat je mij niet te opdringerig vindt, met die overvloed aan woorden zo opeens. Ik had het erover dat mijn brieven van weleer niet altijd even verheven waren, dat ik net zo goed over alledaagse dingen schreef. “Almaar iets verstandigs geeft hoofdpijn”, schreef Mozart al in een brief aan zijn nichtje Maria Anna Thekla [1]. Nu zijn zowel de gebeurtenissen in de grote wereld als de banale voorvallen van alledag uit mijn mededelingen verdwenen. Niet alleen uit de paragrafen in die vorige brief aan jou, maar uit ongeveer alles wat ik schrijf. Ik vraag me af hoe dat komt. Want nu ik er even bij stilsta besef ik dat de realiteit toch nog in velerlei vormen bij me naar binnen blijft stromen: ik lees kranten en tijdschriften, ik zie films, af en toe is er bij vrienden een televisieavond, ik ga naar de bibliotheek, en ik praat veel met vrienden. Mogelijk gaan die gesprekken, meestal op café, te weinig over wat de wereld vandaag beweegt, over feiten en feitjes, mogelijk houd ik me te weinig bezig met wat small talk wordt genoemd. Overigens heb ik daar nooit aanleg voor gehad. Ongetwijfeld heeft de tijd – twaalf jaar – dat ik in een internaat zat opgesloten daarin een rol gespeeld. Je kent zeker het verhaal van mijn vier jaar ‘gevangenschap in het Rekemse bos’, die uiterst traumatische ervaring die me nog steeds de adem kan benemen.

Je weet dat ik meer een luisteraar ben dan een prater. Dat is zeker zo in een grotere groep maar ook in de vriendenkring. De gesproken taal stelt mij altijd weer op de proef. Vaak liggen de woorden op mijn tong, ik kan hun vertrouwde smaak haast proeven, maar mijn stembanden weigeren te gaan trillen. Pas veel later, als ik weer thuis ben en er niets meer aan heb, vind ik de juiste uitdrukkingen. Dronkenschap kan soms een bevrijding zijn; bepaalde remmingen vallen dan weg, het spreken gaat opeens vlotter. Ik vertel je niets nieuws. Hoewel er tijdens de dronkenschap een zekere luciditeit blijft bestaan wordt de horizon er toch door vernauwd, en vaak herinner je je achteraf nog maar zo weinig van het gesprek, hoe waardevol het ook mag geweest zijn. Het is een spreken zonder schaduw, zonder scherptediepte, zonder perspectief.


Onze goede vriend Paul Rigaumont, met wie ik nu elke dag samenwerk bij Aurora, liet me werk zien van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Velikovic, geboren in 1936 in Joegoslavië. Ik las dat hij net als de schilder die ik het meest bewonder, Francis Bacon, gebruik maakt van fotografie, film en televisie. In foto’s is de bewegende realiteit tot stilstand gekomen. In film komen mensen en voorwerpen – en de natuur – in beweging. Het fotografisch onderzoek naar beweging van Eadweard Muybridge heeft een beslissende invloed gehad op zowel Velikovic als Francis Bacon. Je bent vertrouwd met zijn immens werk Animal Locomotion: an Electro-Photographic Investigation of Connective Phases of Animal Movements. Thema’s die bij Velikovic vaak voorkomen: de vogelverschrikker, de hond, de vogels, de ratten (meervoud), de doos. Volgens Velikovic is het hem niet om freudiaanse symboliek te doen. De ratten bijvoorbeeld overleven alles, zij zijn de laatste acteurs in het ultieme spel. Het fin de partie van Hamm, Clov, Nagg en Nell. Velikovic: “Wanneer ik honden schilder, maak ik zelfportretten. Maar de rat is voor mij de andere.” Je zou bijgevolg kunnen zeggen: de hel dat zijn de ratten. Hoe existentialistisch allemaal! Zou ik niet eens een essay over die Velikovic schrijven? Achteraf beschouwd vind ik mijn stuk Het wereldbeeld van Francis Bacon niet zo geslaagd: het is te subjectief, het gaat meer over mezelf dan over de twee Francis Bacons. Voor Velikovic zou ik me concentreren op het werk, zonder al te veel uit het eigen leven gegrepen associaties. Ik wil de beelden aan het woord laten.

Lieve vriendin, vorige nacht brak hier een hevig onweer los. Ik zal nog niet helemaal wakker geweest zijn toen ik dacht dat het echte eindspel was begonnen, de ultieme alles vernietigende oorlog. Eens helemaal wakker voelde ik een verlammende angst, die ik maar moeilijk van me af kon schudden. Was het een voorgevoel? Want met zoveel nucleaire wapens in de wereld zal het er ooit toch wel eens van komen. De kans is groot dat wij dat nog zullen meemaken. Gelukkig vatte ik al gauw weer de slaap en begon te dromen. Ik moest een voordracht geven over mijn tekst Stasis. Wat betekende die tekst, wat bedoelde ik ermee, wie zag ik als mijn lezers? Ik zat daar erg verveeld mee, daar ik er geen flauw benul van had wat ik zou moeten vertellen. Bovendien had ik nog maar weinig tijd om me erop voor te bereiden. Een secretaresse met een vlinderbrilletje op zei me dat de bijeenkomst in Londen zou plaatsvinden. Senga en ik zouden er 16 dagen moeten blijven, wat ons 140.000 frank zou kosten. Dat konden wij natuurlijk niet betalen. Daar vinden jullie wel iets op, zei de secretaresse, Londen biedt veel mogelijkheden. Je zou er kunnen optreden, je hoeft maar drie akkoorden te kennen en zangtalent is ook al niet vereist. Mevrouw zou topless kunnen performen, succes verzekerd. Ik kreeg dorst van het idee. De secretaresse, nu zonder bril en voor de rest alleen nog maar schoenen aan, reikte me een fles Spa Reine aan. Rechtstreeks van de Koninginnebron, zei ze. Of heb je liever Barisart? Het is al goed, zei ik. Op het etiket las ik: David Bowie is dood. De laatste jaren leidde de Londense zanger een teruggetrokken bestaan. Een slepende ziekte is de starman fataal geworden. Omringd door een kleine schare vrienden is hij vredig ingeslapen. Ik was ontzet. Een van mijn laatste helden, dood! Ik bevond me nu alleen in een slecht verlichte kamer. (Ik gebruik het woord ‘nu’ maar eigenlijk is er geen tijdsverloop in een droom. Of toch wel?) Er was niemand om me te troosten, om me te zeggen dat het niets was, een boze droom, niet meer dan dat. Ik besefte dat David Bowie overleed op de dag dat mijn voordracht in Londen was gepland.
Je begrijpt hoe blij ik was toen ik ontwaakte en besefte dat David Bowie daar in Berlijn bij de muur volop van het leven aan het genieten was en samen met Brian Eno onvergetelijke songs aan het opnemen was.

Het zij zo en het ga je goed!

[1] W.A. Mozart, Brieven; gekozen, ingeleid en becommentarieerd door Wolfgang Hildesheimer. Vertaling: R.R. Somann en H.W. Schwab

DE WENK VAN ASSEPOESTER

[Nachten aan de Kant 31]

Niets schijnt mijn nachtelijk verlangen naar roes en extase, naar de nabijheid van vreemde dansende lichamen te kunnen temperen. Vreemd zijn de mensen op de dansvloer omdat ze niet spreken, alleen maar bewegen, dichtbij omdat ze net als ik lustgevoelens uitwasemen en in hun gebaren de nood aan aanraking verraden. Wijst dit verlangen van mij op een sterke verwevenheid van eros en thanatos, of is dat een al te freudiaanse interpretatie?

De voorbije twee weken beleefde ik opnieuw van die intense nachten die vooral mijn zintuigen ontregelden. De eerste nacht hoorde ik voor de zoveelste keer de lokroep van de vochtige kelder die Cinderella’s Ballroom heet. Bizar toch, die naam: de balzaal van Assepoester. Maar ook wel gepast want gedanst wordt er de hele nacht en bijna alle jongens en meisjes – ik kan ze moeilijk mannen en vrouwen noemen – hebben extravagante schoenen aan hun voeten, al zijn ze niet van glas. Over de rode schoentjes van Senga had ik het al eerder. Mogelijk liggen de punkmeisjes die er ’s nachts komen dansen overdag in lompen gehuld dicht bij hun kolenkachels in de assen te slapen.
Alles in de balzaal van Assepoester is opwinding en genot en tegelijk zelfvernietiging en pijn. Voor mijn gezondheid en mijn zenuwen zijn dergelijke nachten nefast. Mijn longen verstikken in de rook, in de stank van de riolering; mijn poriën raken verstopt van het zweet en andere exhalaties. Je bent er niet veel meer dan je lijf, met lijfelijke driften en behoeften. Of bevat de muziek die DJ Maryse draait – songs zoals Ain’t That Nothing van Television, Police and Thieves van the Clash, Step By Step van Mikey Dread, Cheree van Suicide – een minder aards element, draagt zij impulsen over die je onbewust weer meeslepen naar het engelachtige niveau van de gedichten van Shelley en TS Eliot waarin je je overdag hebt verdiept?

Eerder die avond was ik in het Pannenhuis. Er was een tentoonstelling met gigantische, tijdloze werken van Frans Gentils, adembenemend mooi. Dergelijke doeken zie je doorgaans alleen maar in luisterrijke zalen van musea hangen maar nu kon je ze hier, in deze zogeheten nihilistische new wave artiestenkroeg bewonderen. Na de vernissage was er een rhythm and blues en reggae party, maar daar zijn we niet al te lang gebleven. Assepoester en haar dubbelgangsters Lucette, Alicia en Hadaly lieten opnieuw hun lokroep horen.

Zondagochtend om acht uur strompelden we de trap op, lijkbleek, mager, mooi als bijna verwelkte orchideeën. We haastten ons niet meteen naar huis: ik had er alles voor over om eerst nog de Schelde te zien. In haar nabijheid zou ik verlost worden van de donkere gevoelens die mij kort voor de dageraad hadden overmeesterd. De warmte van de zon, de verkoelende frisse wind die ons van de rivier tegemoet waaide. De meeuwen fladderend boven het met lichtvlekken doorspekte donkere water. Aan de overkant van de brede rivier de flatgebouwen van goud, waarin mensen zoals wij liggen te slapen. Opeens heb ik het gevoel dat alle dingen om mij heen transparant worden. Ik kijk naar Senga en zie een doorzichtige engel, haar handen, haar ogen. Ik voel de vernietigende elektriciteit en het gif in mijn lichaam als vampiers wegvluchten voor dit verblindende licht.

De tweede nacht begon op een vernissage van Guillaume Bijls tentoonstelling in Ruimte Z: transformatie van de galerij in een Autorijschool Z. Sinds 1977 had ik het werk van mijn vriend van nabij zien evolueren. Hij zag in alle geledingen van de maatschappij het economisch denken de overhand nemen. De hele samenleving en al het mooiste en voortreffelijkste in de mens zou al gauw worden opgeofferd aan efficiëntie en nut. De taal die van bovenaf naar beneden druppelde was die van managementsidioten en omhooggevallen parasieten. Guillaume ging nu met veel gevoel voor humor en ironie, maar ook bijzonder kritisch, de kunst vanuit die optiek benaderen: zo ontstonden zijn kunstliquidatieprojecten. Dit was zijn eerste: zoals Assepoesters goede fee een pompoen en een stel muizen omtovert tot een koets met paarden, veranderde Guillaume Ruimte Z in een autorijschool. Al was zijn kunstgreep het tegenovergestelde van feeëriek. Er zouden in de volgende jaren nog heel wat van die projecten volgen.
We waren er samen met Gabrielle D., die waarschijnlijk bij ons in de Dolfijnstraat zou intrekken, en met Giuseppe. Ik voelde me opnieuw gezond, uitgerust en in een prima stemming. Dat bleef de hele avond en nacht zo. Geen uitbundig de nacht wegdansen dit keer, maar lachen, praten en samen drinken. Onderweg naar een café aan de Kant heb ik in Sint-Katelijne Vest aan het witgeverfde beeld van de lijdende Jezus geknield zitten bidden. Tranen van geluk rolden over mijn wangen. Wat vonden mijn maatjes van mijn performance? Van de rest van de nacht herinner ik mij weinig. Het gebeurt almaar meer dat er na zo’n nacht gaten in mijn geheugen zitten. Ik geloof dat ik Gabrielle over mijn mislukte voordracht over Dante’s Paradiso vertelde. Die was door een verkeerde aanpak misbegrepen. Ik had mijn redevoering sarcastisch bedoeld, om met het sérieux van sommige academici en intellectuelen de spot te drijven, maar omdat ik een onervaren en schuchtere spreker ben en bovendien een middelmatige acteur, werd die als een ernstig vertoog geïnterpreteerd. Het publiek was ervan overtuigd dat ik mij had overgegeven aan etherische visioenen van het paradijs en dat ik Dante’s geometrische schoonheid bejubelde. Ze hadden mijn lectuur van Dante al te romantisch en wereldvreemd gevonden. Terwijl ik met Gabrielle over die mislukking zat te praten kon ik er eindelijk mee lachen. Dat herinner ik me nog.

De volgende dag bij het ontwaken de eeuwige kater. Niemand heeft dat soort lusteloosheid beter uitgedrukt dan Kris Kristofferson in Sunday Morning Coming Down. ’s Avonds bij Guillaume en Renée ging het al beter. Op televisie zagen we the Patti Smith Group live in het schitterend programma Rockpalast. Patti Smith liet nog een keer zien dat ze de hogepriesteres van de hedendaagse rock-n’-roll is. Een spirituele en tegelijk laag-bij-de-grondse sjamaan, een punkmeisje, een afstammelinge van Elvis Presley en een jongere zus van Jim Morrison. Haar intentieverklaring was So You Want To Be A Rock And Roll Star, oorspronkelijk van the Byrds. You’re a little insane, krijste ze; het klonk als een bezwering, een mantra. Samen met gitarist Lenny Kaye en de andere muzikanten van haar band riep zij de geest op van acidrock, de sound van Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service en the Doors, lange gitaarsolo’s, ijle en dromerige muziek. Ik hoorde nostalgie naar de gouden tijd van vrede en liefde maar net zo goed ontwaarde ik in haar gestes en gymnopédie de convulsieve schoonheid van André Breton. Met haar toeschouwers leek Patti Smith brutale seks te willen hebben. Ze besefte dat ze nooit eerder voor zo’n groot publiek had gespeeld, heel West-Europa was haar potentieel publiek. Dat maakte haar zichtbaar gelukkig maar ook enigszins bezeten en overmoedig. Ik voelde diep van binnen dat er iets neerdaalde, een vonk van herinnering aan een hoopvolle tijd en de belofte van verandering, ginds in dat concertgebouw in Essen.

Foto’s: Martin Pulaski

DE POSTMODERNE POSTBODE EN DE EINDELOZE NACHT

[Nachten aan de Kant 30 – April 1979]

De voorbije weken hielp ik Guy Bleus met voorbereidingen voor zijn nieuwe tentoonstelling/performance in het Pannenhuis: Smell Art/Mail Art. Je zou kunnen beweren dat Smell Art – ook olifactory art genoemd – geen nieuwe vondst is, onder meer Marcel Duchamp en Benjamin Péret gingen hem daarin voor. Maar voor mijn vriend is het in elk geval een nieuw avontuur en voor de toeschouwers en ook voor mezelf een soort van openbaring. Opeens besef je dat de reukzin in vergelijking met de andere zintuigen altijd al als minderwaardig werd beschouwd, zeker in de klassieke kunst. Is dat vanwege het verband van de reukzin met basale gevoelens als angst, seksuele drift en honger? [1] Ik heb de indruk dat nogal wat kunstliefhebbers dit nieuwe aspect in de ontwikkeling van Guy Bleus als kunstenaar niet erg au sérieux nemen. Dat is op zich niet zo erg, want smell art is inderdaad speels. Tegelijk is het esthetische kritiek op de esthetica, in de lijn van het dadaïsme en het surrealisme.

Op avond van de performance/voorstelling was het aantal aanwezigen eerder schaars. Waar waren de vaste klanten van het Pannenhuis? Guy heeft maar vijf van zijn diploma’s kunnen uitreiken. Ja, zijn roemruchte diploma’s waren er ook. Overigens is uitreiken niet helemaal correct, je moet er immers voor betalen. Zelf heb ik een diploma van doctor in de neuropsychiatrie, zo echt dat ik er meteen mee aan de slag zou kunnen gaan. Ik heb al wat ideeën voor de inrichting van mijn praktijk, nu nog een geldschieter vinden. Of ik maak er een filosofisch kabinet van, in Nederland bestaan die al, dat las ik onlangs in een of andere krant. Het viel me opnieuw op hoe sierlijk de fake handtekeningen van Guy Bleus zijn. Autogrammen als die van Rimbaud geven zijn diploma’s zoveel meer cachet dan de echte exemplaren. Wat is mijn handtekening in vergelijking daarmee onvolwassen, lelijk zelfs.
Guy zei me dat ik ook maar eens moet tentoonstellen; waarom doe ik niet eens iets met mijn gedichten? Ik twijfel nog. Gedichten dienen niet om naar te kijken, of ze zouden er als de Calligrammes van Apollinaire moeten uitzien. Maar hij heeft gelijk dat ik mijn werk op de een of andere manier moet tonen. Dat ik er aandacht moet voor vragen. Want mijn werk, dat ben ik.

Bij Guillaume en Renée zagen we La Notte van Michelangelo Antonioni. Ook dat was een openbaring. Waarom heb ik die modernistische film nooit eerder gezien en wel Blow-Up en Zabriskie Point? In La Notte heeft de regisseur uit Ferrara meerdere thema’s verwerkt. Een strak verhaal is er niet. Helemaal in het begin daalt de camera af van ergens boven in de Pirelli Toren in Milaan en laat je zo een blik werpen op de stad in wederopbouw. Je wordt een stille getuige van een huwelijk, dat van de romanschrijver Giovanni Pontano en zijn vrouw Lidia, dat niet meer te redden valt. Je kijkt mee door de ogen van Lidia en ontdekt Milaan als een poëtisch-architecturaal universum. Terwijl de nieuwe, moderne stad ontstaat voorvoel je al haar verval. Het volume van de wolkenkrabbers, het alomtegenwoordige beton en staal, het op hol geslagen, letterlijk verstikkende verkeer, werken de vervreemding in de hand. Je voelt aan dat niemand het hier honderd jaar zal volhouden, tenzij als ongelukkige slaapwandelaars. In de buitenwijken word je samen met Lidia lyrisch, maar niet lang. Want ook daar rukken de betonboeren op en waar tot voor kort weideland was is er nu wasteland. Dat woord van TS Eliot staat hier niet zomaar. Daar ontwaren we een groepje mannen die vuurpijlen de lucht in schieten, ze lijken op kleine raketten, met als grootste verschil dat ze geen doel hebben. Ze gaan in rook op. Deze randmensen verdrijven de schrikbarende tijd met zinloze handelingen en gestes. Je voelt Lidia’s ontreddering. Niet alleen haar huwelijk is gedoemd, de hele mensheid lijkt van zin verstoken. Toch lijkt haar verwarring niet te beletten dat ze ook nog prettige herinneringen heeft. Soms verschijnt er zelfs een glimlach op haar gelaat. Maar hoe hevig haar emoties ook zijn, ze blijven ingehouden. Het moet gezegd: Jeanne Moreau is voor deze rol de perfecte actrice.

De teleurgestelde romanschrijver Giovanni Pontano personifieert het probleem van de moderne literatuur, de betekenis van de schrijver en van de kunstenaar in het algemeen. Is het beroep van schrijver, een soort van subliem ambacht (Pontano als “il miglior fabbro”) niet achterhaald in het tijdperk van de technologie en een mogelijke nucleaire Dag des oordeels? Hoort iemand als Pontano ondanks zijn succes niet in een museum thuis? Waartoe nog gekunstelde zinnen bouwen die over de werkelijkheid gaan? Een ondernemer laat echte huizen en echte bruggen bouwen, laat echte schepen varen, echte vliegtuigen vliegen, echte arbeiders arbeiden.
De taperecorder van Valentina, de dochter van de rijke industrieel Gherardini, maakt de schrijfmachine als attribuut van de creatieve schrijver al bijna overbodig. De macht van een industrieel overschaduwt elke macht die een schrijver eventueel zou kunnen uitoefenen.

La Notte is doordrongen van de filosofie van het absurde. Het existentialisme van Albert Camus bepaalt in 1961 de tijdsgeest, ook bij de Italiaanse kunstenaars en intellectuelen. Het leven heeft geen zin en het spel heeft geen regels. “Je moet toch iets doen,” zegt Lidia als motivatie om naar een feestje van Gherardini te gaan.
Er wordt veel gezwegen in de films van Antonioni, en in La Notte mogelijk het meest van al. Iedereen in en rond de villa van Gherardini is eenzaam, niemand slaagt erin om tot de andere door te dringen. Niemand zegt wat hij of zij voelt, de taal is ontoereikend. Niemand kent de regels van het spel. Het luxueuze zwembad lijkt een uitvinding van aliens.

Je krijgt als toeschouwer niet één keer de kans om de tijd te vergeten. De nacht duurt lang, het is loden tijd. Hij wil maar niet wijken voor de dag. Je gaat zo hopen dat de film niet te lang meer zal duren. Je wilt uit die eindeloze nacht weg. Je bent er te zeer aan je lot overgelaten, ‘moederziel alleen’. Ik heb geen inspiratie, zegt Pontano tegen zijn vrouw Lidia, alleen maar herinneringen.

Ook in de salon van onze vrienden werd er na afloop van La Notte nog lang gezwegen. Met behulp van een glas bier en wat flauwe grappen brak uiteindelijk het ijs. Het was maar een film. Niets had ons beschadigd.

*

April 1979 – oktober 2020 [1] “Tips voor je eerste date: zorg dat er geen vieze luchtjes om je heen hangen, was je kleren goed, ga eens naar de mondhygiëniste, ”  aldus Iris Sommer, auteur van De zeven zintuigen, Over waarnemen en onwaarnemen.

DE KUNST VAN HET ETEN

[NACHTEN AAN DE KANT 26]

Nu is het aan mij om tentoon te stellen in het Pannenhuis; een droom die in vervulling gaat. Zie je me? Ik ben druk in de weer. Gelukkig steken Greta en Toulouse, die lieverds, een handje toe. Mijn werk is schatplichtig aan de kaligrammen van Guillaume Apollinaire, bijvoorbeeld ‘La mandoline l’oeillet et le bambou’. Ik schaam me wel wat voor dat plagiaat. Maar is dat nodig? “Le plagiat est nécessaire. Le progrès l’implique,” fluisterde een of andere Assepoester me in het oor.
Wat valt er zoal te zien op die werken van me? Daar vraag je me iets. Omdat ik al de hele dag zo’n honger heb kan ik alleen maar aan eten denken. Veel meer dan aardappelen en uien eet ik niet meer. Kijk, nu pas ontdek ik mijn onderwerp: eten. Zo zie je maar weer. Ik noem mijn tentoonstelling EAT ART. Die kaligrammen zullen niet volstaan. Er moet eten, heel veel eten te zien zijn. Forellen, lamsbouten, gebakken uier met Blackwellsaus, geperste kop, rode kool, sperziebonen, ossentong, pladijs, griet, makreel, snoek, zeeduivel, kersen, krieken, abrikozen, lychees, slagroom. Mogen de bezoekers ervan eten? Dat valt nog te bezien.
Toulouse vraagt zich af of ik de rekening zal kunnen betalen. Geen idee, zeg ik, hoeveel gaat me dat zaakje kosten? Toch zeker twaalfduizend frank, zegt Toulouse. Ja, dan vraag ik mij dat ook af, zeg ik.
Geen nood, zegt Senga, die ons is komen vervoegen, ik beschik over voldoende fondsen. Kijk maar eens hier, twee dikke pakken bankbiljetten!  Allemaal nieuw gedrukt. Dat is heel wat meer dan twaalfduizend frank. Gekregen van mijn lieve vriendin Boxcar Bertha.
De kroon op het werk wordt mijn tekst Stasis. Daar maak ik een spiraalvormige versie van die een hele wand van het Pannenhuis moet bedekken. Net op die plek waar ons in 1968 Pink Floyd met  vloeistofprojecties het adolescente hoofd op hol bracht. Alsof hun psychedelische sound alleen al niet volstond. Julia Dream, Apples and Oranges, Candy And A Currant Bun, je weet wel, het bestaat allemaal nog.  

In de avondschemering hand in hand door een slaperig dorp. Het is de Ladderstraat in Neerharen, daar is het huis van Berb, zie je, dat witte huis daar in de verte. De lucht hier is zo zuiver en fris als melk rechtstreeks van de koe. Met gezwinde tred lopen we door tot aan de kanaalkom. Wie ben je toch, jij die mijn hand zo stevig vasthoudt en me in de stilte van deze nacht, die nu gevallen is, de geheime betekenis van mijn ultieme kalligrafie onthult? Die me het vuur van de liefde aan de schenen legt en me vol van genade over mijn koortsachtige driften ontfermt?


[Dit deed zich voor tijdens de nacht van 19 februari 1979]

EEN BEELD VAN RICHARD HAMILTON (IN 1979)






[NACHTEN AAN DE KANT 24]

Richard Hamilton was de interessantste en boeiendste popartkunstenaar. Dat stelde ik vast in februari 1979 op het Antwerpse festival Film International (een samenwerkingsverband met Film International Rotterdam) tijdens het zien van een uitstekende documentaire van James Scott over het werk van de Britse kunstenaar. Die film van ongeveer twintig minuten veranderde mijn kijk op popart en op Richard Hamilton. [1]

Tot dan bewonderde ik van alle popartiesten Andy Warhol het meest, wat vermoedelijk meer te maken had met zijn imago dan met zijn werk. Warhol en zijn entourage blijven fascinerende, kleurrijke figuren, al is van alles wat daaruit is voortgekomen het album The Velvet Underground & Nico (1967) mogelijk het enige artefact van blijvende waarde.

Opeens besefte ik dat Richard Hamiltons werk, te beginnen met ‘Just what makes today’s homes so different, so appealing?’ (1956), minder tijdsgebonden is dan dat van de meeste andere popartkunstenaars. [2] Opvallend is Hamiltons preoccupatie met film, filmbeeld en tijd. Je zou kunnen zeggen dat zijn oeuvre – zoals dat van veel kunstenaars – tijdsgebonden is, maar tegelijk zie je dat de maker ervan de tijd wil doen stilstaan. Hij behandelt heel specifieke momenten uit de populaire cultuur (reclame, nieuwsbeelden, Hollywoodfilms, popmuziek) op zo’n manier dat ze tot stilstand komen en zo in hun eigen vacuüm het voortschrijden van de tijd weerstaan. Het materiaal dat hij in die werken gebruikt, nogal wat plastic, is evenwel erg vergankelijk.

In de film van James Scott zie je een animatie van ‘Just what makes today’s homes so different, so appealing?’. Daarin wordt op de ambiguïteit van de perceptie gewezen, nog een interessant aspect van zijn oeuvre. Een ander fragment in de documentaire gaat dieper in op het mogelijk bekendste werk van Hamilton: zijn behandeling van het nieuws over de arrestatie wegens drugsbezit van Keith Richards, Mick Jagger en kunsthandelaar Robert Fraser. Iedereen kent wel dat beeld waarop Mick Jagger en Robert Fraser gehandboeid in een politiewagen werden afgebeeld. Een mooie illustratie van hoe een schijnbaar fait divers als kunstwerk de tand des tijds heeft doorstaan, terwijl het in een krantenknipsel niet meer lijkt dan een curiosum.
Verder komt Richard Hamiltons fascinatie voor Hollywood aan bod, aan de hand van zijn commentaar bij een scène uit de film Shockproof (1949) van Douglas Sirk. Beelden uit die film gebruikte hij als bronmateriaal voor zijn werken Interiors I + II. De zelfmoord van Marilyn Monroe is een ander voorbeeld. Nieuwsbeelden en krantenartikelen uit die tijd geven de tragische filmster in geen geval een aura van eeuwigheid en doen zelfs de tragiek van haar dood teniet. Ze tonen evenmin de gelaagdheid van het beeld van haar roem en de dood die daarmee samenhangt.

Een volstrekt ambigu werk van Richard Hamilton is zijn ontwerp voor de hoes van The Beatles (the White Album, 1968). Wat betekent toch die witte hoes en wat maakt ze zo anders, zo aantrekkelijk? Wat is het verband met de muziek die daarin verpakt zit en met het fenomeen the Beatles? [3] Is het mogelijk dat dit zijn meest tijdloze kunstwerk zal blijven, zoals dat voor Andy Warhol de hoes met de banaan is? Dat durf ik te betwijfelen.


[1] Een verzoek: lees dit stuk alsof het in 1979 werd geschreven.
[2] Al moet ik toegeven dat ik vrouwelijke kunstenaars als Pauline Boty en Evelyne Axell nog niet kende.
[3] Over die witte hoes: “Ringo Starr‘s personal copy of the Beatles‘ The White Album, numbered No.0000001, sold for a world record $790,000 Saturday at the Julien’s Live auction of instruments and items from Starr and wife Barbara Bach’s estate.” Aldus Rolling Stone van 5 december 2015.
Zie in verband met popmuziek ook Richard Hamiltons invloed op Roxy Music, met name op Bryan Ferry die, evenals diens artistiek medewerker Nicholas de Ville, van Richard Hamilton les kreeg: “Which living person do you most admire, and why? Richard Hamilton – as my teacher at college, he greatly influenced my ways of seeing art and the world.” Aldus Bryan Ferry in The Guardian van 23 oktober 2010.

DE BEKLIMMING VAN BRABO

4-29-2013_074janvv

[NACHTEN AAN DE KANT 22]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979  2de deel: 1 juli tot 31 december.

7 7 1979 Nosferatu: Phantom der Nacht van Werner Herzog. Drinken en roken. Jan V. en Bie zonderen zich af. Ik blijf enkele dagen in bed.

9 7 1979 Over Badlands van Terrence Malick.

10 7 1979 Aankoop van stiletto’s. Voorbereidingen voor een reis naar de Provence en de Camargue. Bezoek van Willy Boy en Paul Luyten. Verhaal van het poesje.

29 7 1979 Terug in Antwerpen. Geschiedenis van het konijn.

5 8 1979 Blackout in het appartement van Giuseppe.

7 8 1979 In Brussel. Days of Heaven van Terrence Malick. Country en rock op de Grote Markt in Brussel: Commander Cody and His Lost Planet Airmen en Elliott Murphy.

8 8 1979 Een hongerloon. Het Land van de Grote Belofte van Andrej Wajda.

9 8 1979 Drie vragen van Ria Pacquée. De kleine Elias.

14 8 1979 Over Ernst Jünger.

16 8 1979 Verkeerde interpretatie van ‘Taferelen van onverschilligheid’.

24 08 1979 Jean-Paul Dollé. Beschouwingen over Last tango in Paris van Bernardo Bertolucci.

25 8 1979. Een merkwaardige brief van Guy Bleus. Waanzin? Gevoel van leegte na het vertrek van Jesse.

1 9 1979 Een horrordroom. H.C. Ten Berge.

2 9 1979 Doodservaring. Een lijk in de kelder bij de Filosofische Kring Aurora.

4 9 1979 Bob Dylans Slow Train Coming.

5 9 1979 Over Rainer Maria Rilke. Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge en Duineser Elegien. Immanuel Kant en Thomas De Quinceys Last days of Immanuel Kant.

6 9 1979 Céline et Julie vont en bateau van Jacques Rivette. De dubbelganger.

7 9 1979 De hartspecialist.

7 9 1979 L’année dernière à Marienbad van Alain Resnais en Alain Robbe-Grillet. Een avond met Max en Ginette.

8 9 1979 Enkele beschouwingen over Talking Heads en enkele andere jonge bands.

11 9 Over de negatieve aspecten van benzodiazepines.

12 9 Over ziekte en vergankelijkheid. Jobs identificatie met Jezus Christus.

13 9 1979 De huisarts dokter Debaene. Effi Briest van Rainer Werner Fassbinder, een meesterwerk. Café De Volle Maan. Herinneringen aan de eerste dagen en nachten met Senga. Hilde Van M. In café de Cereus met Giuseppe.

14 9 1979 Cultiveer ik het schrijverschap? Over Een brief lezen in de metro in het NVT.

15 9 1979 Over Chinesisches Roulette van Rainer Werner Fassbinder.

16 9 1979 Seks, angst en dood.

19 9 1979. Dokter Clerckx, longarts.

20 9 1979 Zoeken naar iets in plaats van niets (Find myselfs a city to live in).

26 9 1979 Verkoop van het Dolfijnhuis.

1 10 1979 Over Engelen, Emmanuel Swedenborg en William Blake.

2 10 1979 In het Rivierenhof. Samuel Becketts Murphy. Verkoop van de zwarte leren jas van Senga. Een nacht in Cinderella’s Ballroom. Captagon.

4 10 1979 Droom over Charles Gounod en andere muziek.

8 10 1979 Beschouwingen over Mes petites amoureuses van Jean Eustache, Proust en Rimbaud.

10 10 1979 Southside Johnny & the Asbury Jukes in AB Brussel.

11 10 1979 Bezoek van mijn ouders en broer. De erfenis van tante Ellie.

14 10 1979 Utamaro’s wereld.

17 10 1979 Een droom. Op het kerkhof. In het labyrint van Orpheus en Renée.

18 10 1979 Violette Nozière van Claude Chabrol. Oedipus. Gedichten van André Breton, Benjamin Péret en Paul Eluard. Bij Aurora voorbereiding van een poëziemanifestatie.

violette3

19 10 1979 Op zoek naar een nieuwe woonst. Een bezoek van dokter Debaene.

20 10 1979 ‘Huwelijksparty’ (performance) van Guy Bleus in het Pannenhuis. Tequila. Wat is lijden?

24 10 1979 Met Paul R. naar een lezing van Marcelin Pleynet. Théorie de l’art moderne. Een avond van bezinning in het Pannenhuis.

25 10 1979 Lamorinièrestraat 213: Een nieuwe woning gevonden. Jammen met Jimi Hendrix.

27 10 1979 Poëziemanifestatie van Aurora in het Filmhuis. Lovende woorden van de dichter Eldert Willems.

30 10 1979 Jesse op vakantie bij ons. Jesse en Vera organiseren een feestje. Een cheque van mijn moeder. Pannenkoeken eten. Voorlezen uit Jack London.

11 1979 Met Jesse naar Abba in Vorst Nationaal. Een bizarre rit met de taxi.

6 11 1979 De kleine Paul eet verf. Over Die linkshändige Frau van Peter Handke.

linkshandige frau

8 11 1979 Droom van de zwarte zon. Gesprek met Eddy Devos over de zon van Vincent Van Gogh, psychotherapie en over Wozzeck van Alban Berg en Büchner.

9 11 1979 Over mijn moeilijke vriendschap met Job. Gesprek over filosofie en literatuur.

10 11 1979 Annie Reniers over het nihilisme. De tijdelijkheid.

12 11 1979 Senga en ik nodigen Giuseppe en zijn nieuwe vriendin Anna uit voor een etentje. Om 4 uur ’s nachts met zijn vieren naar Cinderella’s Ballroom.

13 11 1979 Over Cul-de-sac van Roman Polanski en Days of Heaven van Terrence Malick.

15 11 1979 Teleurstelling en woede. Zwaar aan de drank in het Pannenhuis, met Wout Vercammen en Walter Van Rooy. Verzoening met Wout Vercammen.

16 11 1979 De Staat als grondslag van de Vrijheid, voordracht van Leopold Flam. Performance van Ria Pacquée in Ruimte Z. Een nieuwe beat generation? Met Guy Bleus naar Pannenhuis en Cinderella.

17 11 1979 The Kinks in Vorst Nationaal. Beschouwingen over The Kinks, massa en agressie.

23 11 1979 Euforie met Giuseppe, Anna en Senga in de Muze en de Kroeg. Oeuvres Complètes van Antonin Artaud.

29 11 1979 Verhuis naar de Lamorinièrestraat. Ware Vriendschap.

1 12 1979 Opening tentoonstelling van werk van Guy Bleus bij Filosofische Kring Aurora.

12 12 1979 Over Apocalypse Now van Francis Ford Coppola.

13 12 1979 De geschiedenis van een tafel. Het leven een droom. Een cadeau van Senga: Something Else by the Kinks.

kinks-something2

14 12 1979 Paul Rigaumont over De verwijdering. Met ons groepje en Flam naar café des Arts. Later een heerlijke nacht in Cinderella’s Ballroom met schitterende muziekkeuze van Maryse.

18 12 1979 La Luna van Bertolucci. Senga slikt een hoge dosis efedrine (Alfavit), een middel tegen astma.

20 12 1979 Dwaze nacht in het Pannenhuis en de Skipper. Met Walter Van Rooy en Guillaume Bijl. De beklimming van Brabo.

31 12 1979 Herinneringen aan de laatste dag van 1969. Wedergeboorte. De beste albums van het afgelopen decennium.

98 antwerpen1978horizontaal

LOOKING FOR MS. AND MR. GOODBAR

Buster-Keaton-Marion-Mack-The-General

[NACHTEN AAN DE KANT 21]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979. 1ste deel: 1 januari tot 30 juni.

““’He could not live with himself.’ It was just a phrase, but an exact one. Under the pressure of Power, the self cracks and splits. The public coward lives with the private hero. Or vice versa. Or, more usually, the public coward lives with the private coward. But that was too simple: the idea of a man split into two by a dividing axe. Better: a man crushed into a hundred pieces of rubble, vainly trying to remember how they – he – had once fitted together.”
Julian Barnes, The Noise of Time

Om mijn terugblik op onze eerste jaren in Antwerpen en vooral op de nachtelijke zijde daarvan meer samenhang en context te geven volgt hier (en in de volgende afleveringen) een beknopte opsomming van relatieve hoogtepunten van 1979 – die ook in dit geval dieptepunten konden zijn. Ik probeer de aandacht vooral op het Pannenhuis te richten maar net als voor 1978 moeten sommige voorvallen bij ons thuis of op andere plaatsen ook worden vermeld. Vergeet daarbij niet dat er geen nacht is zonder dag en dat alle herinneringen tegelijk waarheid en verzinsel zijn. Wat jij zegt had ik zelf net zo goed kunnen zeggen, en vice versa.

4 1 1979 Huiselijke taferelen in het Dolfijnhuis. Op droog zaad. Robert Falcon Scott.

7 1 1979  Ziekte van Senga. Bezoek van moeder, Guillaume Bijl en Anton. Een nacht in café De Gnoe.

12 1 1979 Opening in het Pannenhuis van de tentoonstelling Termen, werk van Leo Steculorum. Gesprek met Paul Rigaumont over kunst en kunstkritiek. Ontmoeting met Wout Vercammen.

17 1 1979 Met Guy Bleus naar Quick en Pannenhuis. Gesprekken met Luc Van Tendeloo en Ria Pacquée over Jabberwocky en Aguirre, der Zorn Gottes. Een droom over een hels concert en Geheime Agenten.

24 1 1979 Opgeklaarde hemel. Project van de Filosofische Kring Aurora goedgekeurd voor het Bijzonder Tijdelijke Kader. Kleuren tegen die bleierne Zeit.

29 1 1979 Laatste nieuws (over amokmakers): John Travolta, Patricia Hearst, Brenda Spencer. Stijl. Droom van Marina di Pisa.

8 2 1979 Dwepers. Bij Wim Meewis de zachtmoedige schrijver. Café Tivo. Een nacht in de kroegen met Giuseppe. Warren Oates, Monte Hellman en Sam Peckinpah. Millie Perkins. Ervaring van stilstand en het opene in het Stadspark.

monte_hellman_Shooting_07_blu-ray_

14 2 1979 De dood van Jean Renoir. Lectuur van Nietzsches De vrolijke wetenschap en van Die Blendung (Het Martyrium) van Elias Canetti.

17 2 1919 Kunstfilms van James Scott. Over popartkunstenaar Richard Hamilton.

19 2 1919 Droom van een tentoonstelling in het Pannenhuis: EAT ART.

22 2 1979 Met Giuseppe naar Sisters van Brian DePalma. Giuseppe’s fascinatie voor horror. Giuseppe leest voor uit Charles Bukowski’s The Days Run Like Horses Over The Hill.

26 2 1979 Mijn broer François en mijn schoonzus Astrid zeggen de scheepvaart vaarwel en openen café Derby in Hoeselt. Jukeboxmuziek. Dansen op Do Ya Think I’m Sexy van Rod Stewart.

28 2 1979 Bij Pax Christi voor een job. Wat is polemologie? Wandeling in oude Antwerpse straatjes. De schoonheid van straatnamen.

2 3 1979 In Cartoons The General van Buster Keaton. Nacht in het Pannenhuis met Chantal Strubbe, Renée Strubbe, Gazoe en Guillaume Bijl. Maria Mentens vertelt me uitgebreid over haar vader, de mensch Michel Mentens. Ongewild parasitisme.

6 3 1979 Bezoek van mijn vriend uit Sint-Joost, Paul Luyten. Paul woont nu in Gent en runt een boekwinkel (Walry). VDB is formateur en heeft een Plan. Aan de Franse grens lopen massa’s varkens op straat. Voyager 1 bereikt Jupiter.

11 3 1979 Televisieavond bij Guillaume en Renée. Bruce Springsteen live: Eddy Merckx/Fausto Coppi van rock & roll. La Notte van Michelangelo Antonioni. Problemen van de hedendaagse literatuur.

23 3 1979 Shoppen met stijl. Regenjassen van De Wolmolen. Met Paul Luyten naar de film Sybil van Daniel Petrie. In het Pannenhuis en Gard Sivik.

1979-1980-aurora 5 001

27 3 1979 In het Pannenhuis tentoonstelling/performance van Guy Bleus: Diploma’s/Smell Art/Mail Art. Diploma’s te koop.

2 4 1979 Een vervelend misverstand. Mislukte voordracht over Dantes Paradijs. Een probleem genaamd ironie.

4 4 1979 Tentoonstelling Frans Gentils in Pannenhuis. Rhythm & Blues Party. Dans als ziekte en als doodsverlangen. Marcia Trionfale van Marco Bellocchio.

24 4 1979 Opening van Guillaume Bijls tentoonstelling ‘Autorijschool Z’ in Galerij Z. Met Senga, Bie DM en Giuseppe. In St-Katelijne Vest geknield en gebeden voor het beeld van Jezus Christus.

25 4 1979 Televisieavond bij Guillaume Bijl en Renée Strubbe. Patti Smith in Rockpalast: hogepriesteres van rock & roll. So You Want To Be a Rock and Roll Star?

01  Rock ‘n’ Roll Star
02  Hymn
03  Rock ‘n’ Roll Nigger
04  Privilege
05  Dancing Barefoot
06  Redondo Beach
07  25th Floor
08  Revenge
09  Wave
10  Pumpin’ My Heart
11  7 Ways Of Going
12  Because The Night
13  Frederic
14  Jailhouse Rock
15  Gloria
16  My Generation

28 4 1979 Met Giuseppe in café Pallieter op het Mechelseplein. Gesprek over muziek en literatuur, Sartre, schrijven onder invloed van amfetamine. In het Pannenhuis ruzie met Job.

8 5 1979 Paul Rigaumont toont me werk van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Veličković, geboren in 1936 in Joegoslavië (nu Servië). Margaret Thatcher is de eerste vrouwelijke premier van Groot-Brittannië.

Vladimir VELIKOVIC2

10 5 1979 De dood van Louis Paul Boon.

16 5 1979 Gedachten over punk, onverschilligheid en gemeenschap. Eenzaamheid als wapen. Nog meer  Vrolijke Wetenschap.

17 5 1979 Achterhaald radicalisme van enkele kameraden. Schranderheid die domheid blijkt te zijn.

20 5 1979 Moeilijkheden met conversatie en het formuleren van ideeën.

23 5 1979 Droom over de dood van David Bowie.

30 5 1979  Genereuze vrienden – Nieuw Vlaams Tijdschrift – Wim Meewis revisited.

1 6 1979 Enkele woorden over Ezra Pound. Mijn verhaal ‘Een brief lezen in de metro’ gepubliceerd in NVT.

11 6 1979 De blijde intrede van Bie De Meulenaere.

12 6 1979 Over boeken en schoenen.

15 6  Met Senga en Bie naar Looking for Mister Goodbar van Richard Brooks. Paul Rigaumont begint met olieverf op groot doek te schilderen. Zelfmoord van Jean-Louis Bory.

21 6 1979 Dood van Nicholas Ray. Verhalen van Eddy Devos uitgegeven door Aurora. Gedichten van Tonko Brem alias Antoon Van den Braembussche.

27 6 1979 Met Senga en Bie DM naar Dylans Renaldo en Clara (opnieuw).

29 6 1979 Opening van tentoonstelling van Walter Van Rooy in Pannenhuis. Met Bie en haar zus Leen in het Pannenhuis, de Muze, de Mok en de Kroeg. Poesjes ontdekt in de kelder van het Dolfijnhuis.

goodbar2

 

1976: JAAR VAN HET VERLANGEN

dylandesire

Verlangen. 1976 was voor mij het jaar van het verlangen. Verlangen naar kennis, naar seks, naar liefde, naar gedichten, verhalen en theaterteksten, naar kunst, naar vriendschap, naar beweging. Een creatiever, meer geïnspireerd en intenser jaar zal mij niet meer te beurt vallen. Senga en ik verhuisden van de kleine flat op de vijfde verdieping in de Hamerstraat naar een wat ruimer gelijkvloers gelegen appartement in de Waterkrachtstraat, nog altijd in Sint-Joost, de kleinste en armste gemeente van Brussel. Het is op die plaats en in die periode dat ik geestelijk tot ontplooiing kwam en mijn schrijverschap ernstig ging nemen. Ik besefte dat ik nog veel moest leren, op elk gebied. Dat betekende vooral lezen, niet alleen literatuur maar ook literatuurtheorie, filosofie, geschiedenis en antropologie. Mijn voorkeur ging uit naar ‘moeilijke’ schrijvers als Antonin Artaud, Henri Michaux, Friedrich Hölderlin, Percy Shelley, naar romantiek, dada en surrealisme. Daarnaast las ik menig werk over de pre-socratische filosofen en de Franse Revolutie, met het oog op een toneelstuk over Empedocles, dat ik niet kon voltooien. Zoals zoveel in het leven was het maken en samenwerken belangrijker dan het resultaat. Het eerste stuk dat ik daar in de Hydraulische Straat schreef, Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche, werd wel tot een goed einde gebracht én opgevoerd als een soort van feest.
Ik werkte dat jaar voltijds bij Boekwinkel Corman in de Ravensteinstraat. (Bij die periode stond ik al stil in de terugblik dingen die voorbijgaan). ‘s Avonds en ’s nachts schreef ik of gingen we naar het Filmmuseum, nu Cinematek. In de weekends bracht ik tijd met mijn zoontje door. Voor het eerst gingen we naar Londen (een schoolreis in 1967 niet meegeteld), waar ik onder de indruk kwam van William Turner, William Blake en – natuurlijk – John Everett Millais’ Ophelia en Henry Wallis’ Chatterton.
In mei maakte ik samen met Senga mijn allereerste reis, met nauwelijks geld op zak liftend door Frankrijk (Orange, Nice) met als bestemming Florence. Daar betoverden ons de kunstenaars van de Renaissance; vooral het Uffizi was een openbaring. Je kon daar toen nog zomaar binnenlopen. In Brussel bezochten we een imponerende tentoonstelling over het symbolisme.
Ja, in ons leven van verlangens hing toen alles samen. De wonderlijke films die we zagen, de boeken, de kunstwerken, onze liefde, de gesprekken met vrienden over Mario Praz, de brieven van Van Gogh, Noa Noa van Paul Gauguin, de gedichten van TS Eliot en Gerard Manley Hopkins, de Openbaring van Johannes, Thomas De Quinceys Confessions of an English, Opium-Eater, A Modest Proposal van Jonathan Swift, Napoleon van Abel Gance, La chute de la maison Usher van Jean Epstein, M comme Mathieu van Jean-François Adam en Mes petites amoureuses van Jean Eustache.
Dat lijken misschien wat veel gespreksonderwerpen. In werkelijkheid waren het er veel meer en ze gingen niet alleen over het ware, het goede en het schone. We zitten hier nu weliswaar al vier of vijf maanden alleen thuis, maar toen waren er bijna elke dag vrienden op bezoek. Soms hoopte ik dat ze niet te lang zouden blijven, zodat ik verder kon werken. Een van mijn beste vrienden toen was Paul L. die in de buurt woonde en als hij me voor het raam zag zitten schrijven kwam hij vaak even binnen voor een babbel. Hij las mijn teksten en gaf er nuttig commentaar op. Andere vrienden van toen waren Jos D., Willy B., Hugo W., Ginette B., Johny L., Christian P., Guy en Freddy B., Jan Van V., Erwin G., Pol De D., Bie De M., “Theo”, Gert Van S. en ik vergeet er zeker nog een aantal.

Mijn grootse schrik van het jaar – en de jaren ervoor ook al – betrof de twee jaar burgerdienst die me te wachten stonden, maar gelukkig werd ik vrijgesteld. Een goed einde van een lang en verkrampt gevecht, een aaneenschakeling van misverstanden, het resultaat van wereldvreemdheid en afwezigheid van betrouwbare informatie. Bijna vijftig jaar later beschouwd zie ik in dat verhaal van die legerdienst/burgerdienst veeleer stof voor een komedie dan voor de halve tragedie die het toen voor me was.

mobycitizen

Welke muziek beluisterde ik? Keer op keer Horses en Radio Ethiopia van Patti Smith en Desire van Bob Dylan. Black and Blue van the Rolling Stones (die we live zagen in Vorst Nationaal, waarbij we er bijna het leven bij inschoten). Vooral Keith Richards fascineerde me, zelfs zijn obsessie voor vuurwapens, onder meer een Belgische revolver uit 1899. You’re never alone with a Smith & Wesson, luidde de kop van een artikel in NME. Alexander Spence bleef ik trouw; zijn elpee Oar weerklonk op zijn minst één keer per week in ons droomappartement. Hetzelfde voor The Madcap Laughs en Barrett van Syd Barrett en een aantal elpees van the Byrds en Moby Grape. Voor jazz en klassieke muziek ging ik naar de Mediatheek.
Voor recente muziek was er weinig tijd. Overigens heb ik nog steeds de indruk dat er dat jaar weinig boeiende platen zijn uitgekomen. Sommige van de beste albums – wel in mijn lijstje opgenomen – heb ik pas in 1977 leren kenen, onder meer die van the Ramones, Blondie en the Modern Lovers. Met die bands werd een nieuw en erg opwindend muzikaal hoofdstuk aangekondigd.

3-25-2013_028b

3-25-2013_029

  1. Desire / Hard Rain – Bob Dylan
  2. Radio Ethiopia – Patti Smith Group
  3. Chicken Skin Music – Ry Cooder
  4. Station To Station – David Bowie
  5. Black And Blue – The Rolling Stones
  6. Hejira – Joni Mitchell
  7. The Pretender – Jackson Browne
  8. Warren Zevon – Warren Zevon
  9. Rock and Roll Heart – Lou Reed
  10. The Ramones – The Ramones
  11. The Modern Lovers – The Modern Lovers
  12. Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman & The Modern Lovers
  13. Howlin’ Wind / Heat Treatment – Graham Parker
  14. Long May You Run – The Stills-Young Band
  15. Fly Like An Eagle – Steve Miller Band
  16. The Royal Scam – Steely Dan
  17. I Don’t Want To Go Home – Southside Johnny & The Asbury Jukes
  18. Songs In The Key Of Life – Stevie Wonder
  19. Full Of Fire – Al Green
  20. Yes We Have No Mañanas, So Get Your Mañanas Today – Kevin Ayers
  21. Blondie – Blondie
  22. Small Change – Tom Waits
  23. Kate & Anna McGarrigle – Kate & Anna McGarrigle
  24. Troubadour – J.J. Cale
  25. Texas Rock For Country Rollers – Doug Sahm
  26. Hasten Down The Wind – Linda Ronstadt
  27. Texas Cookin’ – Guy Clark
  28. 801 Live – 801
  29. All American Alien Boy – Ian Hunter
  30. Cardiff Rose – Roger McGuinn

zevon

NACHTMERRIE EN MUZIEK

dylan-parijs

Bob Dylan lijkt in zijn nieuw werk, Murder Most Foul, muziek als een mogelijkheid te zien om uit de nachtmerrie van de recente geschiedenis te kunnen ontwaken. Die hypothese roept bij mij nogal wat denkbeelden en associaties op. Ik laat ze hier als toevallig opgeraapte steentjes en schelpen op dit geschreven pad neervallen, als een Klein Duimpje verloren gelopen in de bloedhete straten van Laredo. Of was het Nuevo Laredo? Een Klein Duimpje onderhevig aan de blues.

In een nachtmerrie kijken duizenden toe op een tragische gebeurtenis, maar geen stervende ziel ziet iets. Alleman, Jan zonder Vrees, Judge Priest, Julia Dixon en Rhett Butler waren erbij; ze stonden dicht bij het podium, maar niemand onder hen ving van wat dan ook een glimp op. Het leek of deze toeschouwers – en wij met zijn allen, die het van ver maar op de voet volgden – blind geboren waren. In zekere zin doofstom. Niet moeilijk om zo je weg te verliezen. Te verdwalen, strompelend van paradijs naar hel, als in de nachtmerrie van een kamer vol donkere spiegels.

Uit enkele akkoorden en een eenvoudige melodie komen handen tevoorschijn; het zijn die van John, Paul, George en Ringo. Kijk hoe ze je nu vasthouden, meisje, hoe ze je de zo gemiste warmte schenken. Komm gib mir, gib mir. Een lang ogenblik lang omhelzen de vier jongens je. Nee, niet zijzelf, hun stemmen doen dat.

Een heel eind daarvandaan, in het verre Amerika, waar de paarden in onze dromen veel ruimte vinden voor hun galop, verandert een akelige lange zwarte limousine in een troostende melodie, vanuit de ziel in de richting van de hemel gezongen. Het geluid van de fatale schoten op de president wordt een zotte dans van Junior Walker & the All Stars. Shoot ‘em ‘fore he run now do the jerk baby do the jerk now. Vrijheid is niet langer iets om na te streven, als het dat al ooit was. Vrijheid is bedrog, mijn zoon. De enige echte vrijheid is de dood, verklaart Bob Dylan in zijn lied. Dat wisten de joden in de concentratiekampen maar al te goed. Rook naar de hemel. Another word for nothing left to lose, jongen.

De dag dat John Fitzgerald Kennedy stierf overleed ook de New Frontier. Talking stopped, someone shouted, what / I ran out to the street. Wat kun je in deze nachtmerrie nog doen voor je land? Heb je nog wel een land? Tenzij een land van duizend deuntjes en duizend dansen. Het land dat Patti Smith al bezong toen zij nog maar een wat schriele rijzende ster was. Het zorgeloze land dat Christophe Kenner in New Orleans aan de vooravond van de koningsmoord bedacht. New Orleans, het enige koninkrijk dat de Amerika heeft gekend, met de Zulu King dansend in de straten genaamd St. Claude en Dumaine, met de Voodoo Queen Marie Laveau en met de lekkere Lady Marmalade. Getcha, getcha ya, ya, da, da. Getcha, getcha ya, ya, here. Het land waar je in goede en kwade dagen over de grond rolt van het lachen. New Orleans, een heel ander rijk dan dat van de eenzame ster en de onheilspellende olievelden. Waar Lyndon B. Johnson het daglicht en JFK de ultieme duisternis zag. Waar Bob Wills nog steeds de koning is.

Met kleine Susanna in de cinema genaamd Texas Theatre in Dallas vind je maar tijdelijk vermaak. Het is niet veel meer dan een vlucht in een camera obscura, zoals die van Lee Harvey Oswald. Wat je nodig hebt zijn liedjes, gekke liedjes, mooie liedjes, wonderlijke liedjes. Ook al duren ze niet lang. Kijk maar naar het levenslied genaamd Patsy Cline. Een korte wandeling na middernacht, een beetje gek gedoe, maar de ochtend haalt ze niet. Buddy Holly, Otis Redding, zovele anderen. Ze halen de dageraad niet. Zij brachten soelaas maar redden het zelf niet. Jimi Hendrix, Duane Allman, Janis Joplin, Alan Wilson. Je kent de namen. Mozart, Schubert. Brandon DeWilde, die van Shane, vriend van de cowboy engel Gram Parsons. Luister nog een keer naar In My Hour Of Darkness.
Tommy is doof, stom en blind. Hij hoort je niet en ziet je niet. Nog zo een. Een andere koningin, mishandeld, niet uit New Orleans afkomstig, zit aan de acid. Haar door Pete Towshend aangereikt. De man in de witte katoenen overall, uitvinder van muzikaal gestotter, erfgenaam van de vuilnismannen, van surfende vogels. Het zijn maar woorden, mijn vriend, wees gerust. Het is nog altijd geen echte muziek. Nu hoor je opeens het wild geraas van Shots, opnieuw en opnieuw, in een oud lied van Neil Young. De aarde is nu bijna een wilde hemel. Bif Bang Pow!

Niemand bevindt zich ver van het graf. Het einde is altijd in zicht. Veel verder dan zes mijl is het niet. Zo dacht Hank Williams erover. Misschien nog een geluk dat een dode Kennedy geen gedachten heeft. Als hij die toch had, zouden het er wellicht over vers fruit en rotte groenten zijn, wormen, pulpfictie.

Wat dacht je van de dithyramben van Nietzsche, van zijn antichrist, zijn Dionysos, zijn geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek? Hem is het niet om de zuivere schoonheid te doen maar om kunst die onthult. Zie je de naakte waarheid? Onmogelijk, dat kan niet. Nu gaat alles zo hard trillen dat het zwart voor de ogen wordt. Zie je Nietzsches Mansion on the Hill? Je hebt niet goed gekeken. Het is een gesticht in Bazel. Hoor je de leugens die zijn zuster Elisabeth over hem vertelt? Luister er niet naar. Luister naar zijn muziek. Hoe hij zijn piano te lijf gaat. Het lijkt wel John Cale, John Cage, John Lennon, een Beatle. Heeft een piano een lijf? Een lijf dat met zijn zwarte en witte vingers naar de eeuwigheid reikt.

Mooie liedjes duren niet lang? Bob Dylan denkt daar, geloof ik, anders over. De moderne ridder Wolfman Jack, de Ideale DJ, wijst de weg. Elke single die hij zinderend en sidderend de aardedonkere of vollemaanverlichte nacht instuurt biedt troost. Zelfs het eenvoudigste akkoord heft de tijd op en schudt het hart wakker.

In Junior Parker’s Mystery Train zien we nog steeds de betreurde doden zitten; zie je ze naar ons wuiven, Martin Luther King, Robert Kennedy, Malcolm X, Curtis Mayfield, Frances Farmer, Sister Rosetta Tharpe en Casey Jones? Er zitten nog veel meer reizigers in deze trein. Hobo’s, zwervers, swingende troubadours, componisten, parels van zangeressen, prinselijke zangers, muzikanten, hun koffertjes vol tekstvellen en partituren, vol demo’s en dromen. De mysterieuze trein die we zo goed herkennen is de trein van de lust die eeuwigheid wil. Kopen we een kaartje om daarmee samen aan deze nachtmerrie te ontkomen?

jimmorrison-graf

Foto’s: Martin Pulaski, Parijs. Boven: Bob Dylan, onder Jim Morrisons graf.

NACHTEN AAN DE KANT 15 : IN HET PANNENHUIS

1980leoflortequila

De opening van Termen, de tentoonstelling van Leo Steculorum in het Pannenhuis, was een succes. Over Leo’s werk kan van mening worden verschild, maar over de sfeer en vooral het plezier dat we hadden, is dat moeilijker. De meeste van de vrienden die er waren leken, achteraf en nuchter beschouwd, op grote ernstig spelende kinderen. Het gebeurt nu wel vaker dat ik me in het café van Toulouse en Greta feestelijk begin te voelen. Het is een plek waar je elkaar ontmoet om te praten en te discussiëren, om van mening te verschillen. Om te zwijgen, te lezen. En om te drinken: dat is waar kunstenaars, dichters en schrijvers misschien nog het beste in zijn. Jazeker, wij excelleren in dronkenschap en euforie, mijnheer de minister, en soms in wanhoop.
Voor ik in de mist verdwaalde praatte ik met Paul Rigaumont over schilderen en kritiek. Het komt erop aan zelfvertrouwen te hebben, en door te gaan met het werk, zei Paul. Kunstkritiek leek ons eerder overbodig en in ieder geval voor wie zich ermee inlaat een hachelijke onderneming. We hadden het over Elias Canetti, die daar in Macht en Massa gevat over schrijft:
“’Een slecht boek’, zegt iemand, of ‘een slecht portret’, en hij neemt een air aan alsof hij iets ter zake kundigs zegt. In ieder geval verraadt zijn gezicht daarbij dat hij het graag zegt. Want de vorm van de uitlating is bedrieglijk, en ze gaat zeer spoedig in een persoonlijke over. ‘Een slecht dichter’ of ‘een slecht schilder’ wordt al gauw gezegd, en het klinkt alsof men zegt ‘een slecht mens’. Overal heeft men de gelegenheid bekenden, onbekenden en zichzelf bij dit proces van veroordelen te betrappen. Het plezier in negatieve beoordeling is altijd onmiskenbaar. Het is een hard en wreed plezier, dat zich door niets laat afschrikken.”
Ik denk dat ik nog veel van Kafka zou kunnen leren, zei ik. (Onze gesprekken verliepen vaak associatief. Elias Canetti heeft namelijk in Het andere proces over de brieven van Franz Kafka aan Felice Bauer geschreven.) Maar ik durf hem nu niet te lezen, ging ik verder, zeker zijn dagboeken en brieven niet. Veel te gevaarlijk. Waarom niet, vroeg Paul. Omdat hij me te zeer zou beïnvloeden. Je weet toch hoe ik ben? Daar moet je niet bang voor zijn, zei hij. Dat is bijgeloof. Je hebt je eigen stem.

Dominique was net terug uit Moskou. Daar was het pas koud, -45 graden. Hij heeft op straat mensen gezien van wie de neus afgevroren was. Dat kan niet, zei ik. Toch wel, zei Dominique. In Moskou is dat niet zo uitzonderlijk. Eerlijk gezegd kreeg ik het koud van naar hem te luisteren en ging daarom bij Greta nog een glas bier bestellen. Een van de voordelen van het Pannenhuis was dat je daar pas je rekening moest betalen als je er geld voor had. Meestal deed ik dat meteen nadat ik mijn uitkering getrokken had. Een dag of zo later was het daarvoor alweer te laat.

francis bacon 2

Ondanks zijn verlegenheid en zijn afkeer van vernissages is Giuseppe ook even komen kijken. Veel drukte om niets, leek hij te denken, maar als hij dat al deed zei hij er alvast niets over. Wel over Francis Bacon. Ik had hem een paar dagen tevoren voorbereidend werk voor een stuk over die schilder laten lezen. Dat heb ik geschreven toen ik nog in Sint-Joost woonde, in een periode dat ik ongeveer twee, drie uur per nacht sliep. Overdag werkte ik in een boekwinkel. Je stond op het punt waanzinnig te worden, denk ik, zei Giuseppe. Dat is zo, wat een paranoia was dat, zei ik. Daarom heb ik je die dingen laten lezen. Zo zie je dat wat ik nu schrijf lang zo gek niet meer is. Ik noem het studies voor een portret van Francis Bacon. Eigenlijk ging het tegelijk over de filosoof Francis Bacon. De Lord Chancellor, aan wie door sommigen het werk van Shakespeare wordt toegeschreven, vroeg Giuseppe. Precies, zei ik. Weet je hoe hij aan zijn eind kwam? Hij liep een longontsteking op toen hij een bevroren kip aan het bestuderen was. Kennelijk hadden nogal wat bacteriën het invriezen overleefd. Giuseppe lachte. Gooi dat voorbereidend werk van je maar in de vuilbak, zodat geen mens het te zien krijgt, zei hij. Ik kan niets weggooien, helemaal niets, zei ik. En zeker niet mijn beschrijving van de Stront-Man van Onan op het Drieluik van 1973. Het is allemaal even overdreven, vergezocht, nodeloos ingewikkeld en vooral bombastisch. Daar heb je gelijk in. Ik had slaap nodig, rust, rust, rust. Ik las wel enkel schitterende vondsten, zei Giuseppe. Ik herinner mij er nu twee, vervolgde hij: “De onschuldige grijns van Calabazas”, en “Een zevental schakeringen van amarant”. Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.

Met Renée Strubbe had ik het over Proust lezen. Wat een ernstige gesprekken op zo’n feest, stel ik nu vast. Ik vertelde haar dat ik mij van de vroege ochtend tot de late avond niet meer inlaat met literatuur. Het zijn niets dan leugens, zei ik. Je overdrijft, Martin, zei Renée. Ja, dat komt door de drank, zei ik. Zodra de avond valt, ging ik verder, laat ik mij de letterkundige leugens weer welgevallen. Zeker als ik Proust lees voel ik nog een zeker welbehagen. Maar het gebeurt wel eens dat ik ’s avonds te uitgeput ben om nog te lezen. Dan leest Senga voor en dat doet ze zo goed. Vandaar dat welbehagen, zei Renée. Senga heeft een mooie stem, zei ze. Mijn nachtvoorlezeres, zei ik. Ik begin hoe langer hoe meer te geloven dat het lot onherroepelijk is, zei Renée. Enkele jaren geleden had ik me onmogelijk kunnen indenken dat ik ooit fatalist zou worden, nu vraag ik me af of ik dat al niet een hele tijd ben. Ik leg me neer bij de onvermijdelijke gang van zaken in de wereld, zei ze. Terwijl ze die woorden uitsprak lachte ze alsof ze iets heel grappigs vertelde. Je moet je daar tegen verzetten, zei ik. We zijn vrije mensen, en zelfs als we het niet zijn moeten we doen alsof we het zijn. Dat is listig, zegt Renée. Misschien wel, zei ik. Kom laten we nog iets bestellen.

Toen het termenfeestje in het Pannenhuis op zijn einde liep zijn Senga en ik met Leo Steculorum en Wout Vercammen kip met frieten gaan eten in het Kiekenkot. Het was mijn eerste kennismaking met Wout. We waren allemaal dronken maar ik was nog helder genoeg om vast te kunnen stellen hoe negatief en verbitterd hij was. Niets of niemand vond genade in zijn ogen. Hij leek mij de verpersoonlijking van het absolute nihilisme. Zijn woordenstroom, een aaneenschakeling van vervloekingen en verwensingen, liep echter over een bedding van gevoeligheid en kwetsbaarheid. Je ziet die bodem in zijn blik, ook als hij opeens iets vrolijks zegt, of diergeluiden maakt. Gaandeweg heb ik Wout leren kennen als een heel lieve man. Het is mede dank zij hem dat ik samen met Max Borka een programma ben gaan maken bij Radio Centraal, nu zevenendertig jaar geleden.

Afbeeldingen: Francis Bacon alias Baco van Verulam; Leo Steculorum en Flora Van Tendeloo circa 1980.

 

NACHTEN AAN DE KANT 14: HUISELIJKE TAFERELEN

 

Robert_Falcon_Scott_in_the_Cape_Evans_hut,_October_1911

4 januari 1979. Senga en ik zijn allebei ziek en we zitten op droog zaad. Met mij gaat het al wat beter, Senga heeft hoge koorts. Geen geld voor dokter, geneesmiddelen of drank. Bovendien is het bitter koud. Ik voel me een beetje zoals de poolreiziger Robert Falcon Scott als hij zijn allerlaatste boodschap neerschrijft. Het is echter niet de vorst die ons ziek maakt. Mijn ziekte is alvast ouder en verbetener dan de kou.
Nu er sneeuw op de daken ligt schitteren de meeuwen als witte balletdansers in een lichtgrijs decor. Of zijn het ijsschaatsers die vleugels hebben gekregen? Wat ze uitdrukken is schaarste. Uit de scherpe lijnen die de vogels trekken kun je afleiden hoe koud de lucht is. Je voelt in je eigen ledematen dat hun bloed net niet bevriest. De mensen op straat zien er veel kleiner uit dan op warmere dagen. Dik zien ze er ook uit. Magere mensen blijven in de winter liever binnen. Dan ben ik wel een uitzondering op die regel: ik ben mager en kom graag buiten als het koud is, vooral ‘s nachts. Gisteren woog ik vijfenvijftig kilo. De zon overspoelt mijn kamer met sneeuwwit licht. Buiten is het zeker tien graden onder nul. De kou bevalt mij. Een ondergesneeuwde straat. Een toegevroren kanaal. Met dikke lagen sneeuw bedekte sparren in een wit landschap. Voetsporen in de sneeuw stemmen me nog altijd droef te moede (een oude uitdrukking, maar ik vind ze hier wel gepast). En dan heb ik het nog niet over het verkeer. In naam van snelheid en efficiëntie verkiezen stedelingen grijze, modderige pap boven blanke sneeuw. Sneeuw en ijs zijn gevaarlijk, en dat moet vermeden worden. Terwijl de vuile gezouten smurrie mij pas echt gevaarlijk lijkt. Onheil voor mens en dier en plant.
Wegens de bijtende kou en de verkeersmoeilijkheden moesten we de vorige dagen niet gaan stempelen. We mochten de hele dag thuis blijven, zogezegd zitten nietsdoen. Dat we geen reet uitvoeren, daar zijn onze hardwerkende medemensen van overtuigd. Werkloos tuig, dat zijn wij. Ik geef toe dat ik dit keer niet veel gedaan heb. Mijn werkkamer op orde gebracht, wat naar de radio geluisterd (nieuwe plaat van Elvis Costello), de krant en Humo gelezen en gewacht. En nu heb ik toch al deze regels geschreven. Soms vraagt een mens zich af waar hij de energie vandaan blijft halen.

7 januari 1979. Vrijdagavond stond mijn moeder hier zomaar opeens voor de deur. Een telegram van ons had haar ongerust gemaakt, ze was onmiddellijk naar hier gekomen. Senga had op dat ogenblik erg hoge koorts (39,5), buiten was het ijzig koud (-16°), ik was hypernerveus. Het bezoek van mama maakte mij er niet rustiger op. Zij was zelf nogal in de war, onderbrak me voortdurend en begon dan over iets helemaal anders. Met als gevolg misverstanden en soms harde woorden. Van beide kanten een gebrek aan begrip. Mama verwijt me dat ik ondankbaar en gevoelloos ben, wat ik dan weer ongegrond en onrechtvaardig vind. Toch is het mogelijk dat ik hard en koel overkom, waardoor zij de indruk krijgt dat haar aanwezigheid me onverschillig laat of zelfs ergert.
Terwijl we elkaar zo verkeerd zitten te verstaan en Senga boven ligt te ijlen krijgen we eerst bezoek van Guillaume, die goddank maar even blijft. Het gebeurt maar zelden dat ik de Heer dank, en in dit geval doet het me zelfs pijn omdat ik mij in normale omstandigheden zo verheug op Guillaume zijn visites. Mama herkent Guillaume nog van die keer dat we scrabble zaten te spelen. Tegen hem is ze hartelijk. Zou ze in hem een betere zoon zien dan in mij? Daarna is het de beurt aan Anton, die ik sowieso verwachtte. Maar ik ben niet in staat hem met warmte en andere tekenen van vriendschap te bejegenen. Door al die drukte krijgt mama helemaal het gevoel dat ze een ongewenste gast is. En ze komt dan nog speciaal helemaal uit Limburg omdat ze dacht dat ik ernstig ziek was, terwijl nu blijkt dat Senga het zorgenkind is. Waarom ook hebben wij in onze telegram geschreven dat ik de grote zieke was?

Hoe kan ik mama aan het verstand brengen dat ze hier welkom is en dat we haar graag zien? Moet ik omdat zij er is mijn vrienden de deur wijzen? Iedereen is hier even welkom, familie of geen familie. En misschien is het wel waar dat ik de voorkeur geef aan vrienden, boven familieleden, en zelfs boven mijn ouders.

Mama blijft slapen. Tot één uur ’s nachts zitten we in de bruine fauteuils van de huisbaas te praten en elkaar te onderbreken. Ik laat mama zoveel mogelijk aan het woord en als ze mij iets verwijt, wat bijna de hele tijd het geval is, probeer ik mij te verdedigen. Dan begint ze meteen over een ander onderwerp om me daarover ook al verwijten naar het hoofd te slingeren. Het komt erop neer dat ik te veel geld uitgeef aan drank, dat ik te vaak op café ga, dat het hier de zoete inval is, dat mijn ‘kameraden’ van ons profiteren. Als ik dan bijvoorbeeld antwoord dat ik op café heel dikwijls getrakteerd word door mijn vrienden zegt mama dat ik een uitzuiper ben. Het is ook nooit goed. Nog een geluk dat ze mij geen uitvreter noemt, zoals dat personage van Nescio, de kerel die “je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.” [1] Voor ik ga slapen moet ik de waterleiding nakijken en de kranen toedraaien. In de kelder is het berekoud. Heel even krijg ik het gevoel dat ik in mijn eigen ijzige afgrond afdaal. Maar al gauw lig ik lekker in het warme bed naast mijn koortsige geliefde.

Zaterdagmiddag vertrekt mama. Bij het afscheid klaagt ze dat ze zo ongelukkig is en dat ze met haar eigen ogen kan zien hoe onberoerd mij dat laat en dat Senga zo ziek is laat mij ook al onverschillig en dat ze zo graag tot zondag zou blijven maar dat zij wel doorheeft dat ze hier bij ons, bij mij dus, in de weg loopt. Hoezo dan? Omdat ik, zegt zij, toen Anton gisteren voor hij vertrok liet verstaan dat hij vanavond zou terugkomen, had moeten antwoorden dat dat niet kon, omdat mama nog hier zou zijn. Ondanks die kritiek geeft ze mij toch wat geld voor de dokter. Zodra mama weg is wil ik meteen de huisarts opbellen. Geen sprake van, zegt Senga. We kunnen dat geld wel voor iets beters gebruiken. Toch heeft ze nog altijd hoge koorts.

001 writing

Om twee uur zou Giuseppe langskomen om het schilderij Capaneus the Blasphemer van William Blake te analyseren. “O Capaneus, in het feit dat uw hovaardigheid niet wordt getemperd, ligt uw zwaarste straf: geen marteling zou beter bij u passen dan juist deze woede van u!” [2] Maar Giuseppe is niet komen opdagen. Zodoende had ik wat meer tijd om voor Leo Steculorum vier lijsten met reeksen termen over te typen. Hij stelt die vanaf volgende vrijdag tentoon in het Pannenhuis. Eén lijst waarop alle termen, één lijst waarop tijdsgebonden begrippen, één lijst waarop ruimtegebonden begrippen, één lijst waarop termen met betrekking tot maten. Leo kan zelf niet snel genoeg typen om die vier pagina’s op een week af te krijgen. Beschouw dit maar als een vriendendienst.

Zaterdagavond komt Anton me oppikken om de stad in te gaan. Hij stelt Sally, zijn nieuwe vriendin, aan ons voor. Met enige tegenzin en nogal wat schuldgevoelens, zowel jegens mama, wat nu geen enkele zin meer heeft, als jegens Senga, trek ik de deur achter me dicht. Senga zei dat ze het niet erg vond. Je bent in goed gezelschap, zei ze. Met Anton erbij zal je niets ergs overkomen. Dat weet ik nog zo niet. Bij Anton voel ik me nooit honderd procent oké. Hoewel ik toegeef dat we niet over alles wat in ons omgaat moeten praten, vind ik het toch knap lastig helemaal niets te weten over elkaars gevoelens. Soms gedraagt Anton zich toch zo geheimzinnig. Het probleem is evenwel dat ik me heel goed in hem kan vergissen. Mogelijk heeft hij de beste bedoelingen. Dat hele gedoe met mijn moeder spookte ook nog in mijn hoofd. In Cinderella’s Ballroom ben ik bijna meteen gaan dansen. Maryse draaide als altijd weer geweldige plaatjes, zelfs iets van Elvis Presley, die oude god. Anton en Sally heb ik niet meer gezien. Al dansend heb ik wat nog overbleef van dat grieperige gevoel uitgezweet. Ik voelde me al net zo sterk als die verdoemde Capaneus. Forget your sickness and dance! Forget your weakness and dance! zingt Bob Marley in Them Belly Full (But We Hungry), en dat blijkt een goede raad te zijn. Vorig jaar tijdens het concert van Robert Gordon en Link Wray heb ik dat ook al eens ondervonden.

Als Cinderella’s Ballroom de deuren sluit is er nog altijd de Gnoe. Daar zitten Guillaume Bijl en Luc Van Tendeloo, een warmhartige vriend van me en net als ik een filmminnaar, aan een tafeltje. Theo de paranoïde psycholoog, een man die ik onlangs wat beter heb leren kennen, staat aan de toog.
Hoe kun je met zo’n fils à papa optrekken, vraagt Guillaume. Hij doelt op Anton. Hij had ons van op een afstand in Cinderella’s Ballroom gezien. En Anton en ik zijn een tijdje geleden een keer samen bij hem thuis geweest. Ik weet het niet, zeg ik. Dingen gebeuren. Ik wil Anton verdedigen. Dat de zonen niet altijd hetzelfde zijn als de vaders en zo. Maar mijn pleidooi zal niet heel vurig zijn geweest ·want binnen de kortste keren liggen Guillaume en Luc met hun hoofd op tafel te snurken. Theo, die me psychologische bijstand had kunnen geven, valt nergens meer te bespeuren. Rudi, wil je een taxi opbellen? Ik moet mijn vrienden veilig thuisbrengen. Zo doe ik nog eens iets goeds. De taxichauffeur lijkt sterk op John Cazale in Dog Day Afternoon. Eerst naar de Sint-Jorispoort, mijnheer, dan naar de Lange Leemstraat en ik woon in de Dolfijnstraat. In de Lange Leemstraat kost het me heel wat moeite om Guillaume wakker te krijgen. Zelfs een zware regenbui kan hem niet deren, geloof ik. Maar kijk, nu is hij dan toch wakker.

[1] Nescio, De uitvreter
[2] Dante, De goddelijke komedie, Inferno, Canto XIV

Afbeeldingen: Robert Falcon Scott door Herbert Ponting; een vriendendienst van Martin Pulaski.

NACHTEN AAN DE KANT 11: JE KUNT NIET MEER NAAR HUIS

GB portret 001

Eind maart 1978. Guy Bleus is teruggekeerd naar Wellen. Zijn kort verblijf hier heeft me nieuwe moed gegeven. Het is goed te voelen en te weten dat je niet alleen bent in dit barre land. Het is niet zo dat wij over alles hetzelfde denken of als dubbelgangers op elkaar lijken, maar er is een duidelijke zielsverwantschap. Dat heb ik maar met enkele mensen. We leven voor een deel in dezelfde innerlijke wereld, we hebben voor een deel dezelfde passies, vooral die met betrekking tot muziek en literatuur, we kunnen elkaar begrijpen. We zijn een beetje dromende kinderen gebleven, we proberen de werkelijkheid te dromen en in die gedroomde werkelijkheid te overleven. Het is echter heel goed mogelijk dat onze levenswijze gedoemd is om te mislukken. Het komt eropaan te volharden, maar dat werkwoord laat al aanvoelen hoe moeilijk die opdracht is.

Gisteren heeft Guy bijna in een opwelling de wand van onze grote woonkamer/keuken beschilderd. Zijn bewegingen leken daarbij op die van een balletdanser. Guy had de elpee Golden Hits of the Shangri-Las opgelegd om hem tijdens zijn werk te begeleiden en te inspireren. (Of gebruik ik niet beter het woord spel voor dat bijna dansend en zo muzikaal schilderen?) Wat een sublieme songs dat toch zijn, die gouden hits van the Shangri-Las, boordevol passie, melancholie en tragiek. Speciaal was ook dat de meisjesgroep uit twee paar tweelingen bestond, Mary en Betty Weiss en Margie en Mary Ann Ganser. Onze lieveling is Mary Weiss: zij heeft de mooiste stem en ziet er als een onschuldige en dus gevaarlijke engel uit [1].
Zelfs al is er geen enkele overeenkomst met het werk van bijvoorbeeld Giotto, noem ik de wandschildering van mijn vriend graag een fresco. De sporen van I Can Never Go Home Anymore, een van de droevigste nummers van the Shangri-Las, zijn er nog duidelijk op te zien. Het lijkt wel of de muziek die woorden zelf op de muur heeft geschreven. Het is duidelijk dat de tekst, de melodie en het ritme van dat lied Guy’s belangrijkste inspiratiebron waren. De woorden die je op het fresco ziet dansen en zingen; je hoort er bastonen en een koor in, en daar bovenop de gekwelde New Yorkse stem van Mary Weiss.
Na een tweetal uren was de hele wand gevuld met niet alleen die herkenbare woorden maar ook met vreemde tekens, die niets anders zijn dan woorden uit Guy’s droomtaal, die mogelijk zijn werkelijke vocabulaire is. Hier staat nu een kunstwerk dat tegelijk de tijd aanduidt en hem overstijgt. De drie minuten en twaalf seconden van het mini-melodrama I Can Never Go Home Anymore; de maanden en jaren eenzaamheid van een moeder en een van huis weggelopen tiener; de ontroostbaarheid van allen die zich in dat verhaal herkennen. Do you ever get that feeling and want to kiss and hug her? Do it now / Tell her you love her. Don’t do to your mom what I did to mine. She grew so lonely / In the end. Angels picked her for a friend.

golden hits of the shangri-las

Een kunstcriticus zou van actionpainting kunnen gewagen. Ik zie evenwel geen verwantschap met Jackson Pollock, behalve in het fysieke aspect van de totstandkoming van het werk (of spel). I Can Never Go Home Anymore wil ik graag een brief noemen. Niet alleen omdat Guy Bleus zulke mooie brieven schrijft, kleine kunstwerken op zich, maar ook omdat er op het fresco een brief is afgebeeld en er – op mijn verzoek – een brief van Arthur Rimbaud aan Paul Demeny in is verwerkt: Car Je est un autre. Si le cuivre – s’éveille clairon, il n’y a rien de sa faute. Cela m’est évident : j’assiste à l’éclosion de ma pensée : je la regarde, je l’écoute : je lance un coup d’archet : la Symphonie fait son remuement dans les profondeurs, ou vient d’un bond sur la scène.

We denken na over samenwerking aan een project dat we voorlopig Schrifturen noemen. Het is allemaal nog niet zo duidelijk hoe we dat precies gaan aanpakken. Mijn probleem is dat ik nogal veel interessante invallen en ideeën heb, maar ervoor terugdeins om ze uit te werken. Om van mijn droom realiteit te maken. Ik vind dat we het woord Shangri-La moeten gebruiken en denk ook aan het Orgone [2] van Wilhelm Reich.

AMVK Shangri-La 001

Gisteravond zijn Guy en ik naar de Kant gegaan. Eerst naar de King Kong in de Keizersstraat, waar we bij de jukebox ruby port hebben zitten drinken. De zoete drank roept bij ons associaties op met songs die nooit zullen gaan roesten: Ruby Don’t Take Your Love To Town in de versie van George Jones; Ruby van Ray Charles; My Little Ruby van Chan Romero; Ruby Baby van Dion DiMucci; en natuurlijk Ruby Tuesday van the Rolling Stones. In de Cereus ben ik erg dronken geworden van de whisky. Hoewel ik helemaal geen muzikant ben heb ik kennelijk nogal wild piano zitten spelen. Dat heb ik in Bilzen in 1968 in het huis van Paul Vrijens ook een keer gedaan. Op de een of andere manier heb ik toen een twintigtal luisteraars wel urenlang kunnen boeien met mijn improvisaties en ‘covers’ van liedjes uit We’re Only In It For The Money van the Mothers of Invention. Gisteravond oogstte ik geen bijval. Eenmaal thuis ben ik om een mij onbekende reden woedend geworden. Guy lag reeds in bed toen hij me hoorde brullen. Hij is meteen opgestaan om te zien wat er aan de hand was. Senga zat te huilen in een van die lelijke zeteltjes van de huisbaas, een altijd lachende politieagent die hier aan de overkant woont. Senga is toch niet dood, vroeg Guy, terwijl hij nochtans goed kon horen dat ze geluid voortbracht. Met wat goede wil kon je er He Cried van the Shangri-Las in horen. Ik zat een heel eind bij Senga vandaan, op de grond bij de kolenkachel, niet langer woedend maar diep bedroefd. Guy is van oordeel dat ik een bruut ben en dat ik dat altijd zal blijven. Mogelijk omdat ik hem in Tongeren tijdens een repetitie voor mijn toneelstuk De droom eens een pianokruk naar het hoofd heb geslingerd omdat hij de rol van het lijk niet met de nodige ernst wilde spelen. Gelukkig heeft de pianokruk zijn hoofd niet geraakt. Ik was boos maar ik wist ook wel dat een echt lijk niet meer kan acteren. Als je een zwaar voorwerp naar iemands hoofd gooit moet je er altijd voor zorgen dat je ernaast mikt.

Begin april 1978. Ik ontving ik weer zo’n mooie brief van Guy Bleus. De naam Shangri-la orgonen bevalt me best, schreef hij, hierover zullen we bij mijn volgend bezoek even spreken, nu ben ik (weer!) ziek, ’n grieperige toestand met duizeligheid, weinig eetlust, moe, enz. Het tikken van deze brief valt me erg zwaar, er hangt een zekere onverschilligheid over me, zelfs i.v.m. het gedramatiseerde leven… waarschijnlijk door m’n onrustige jeugd; het ergst zijn de herinneringen die steeds kwellen; de nachten met m’n vader of grootvader in het café, en ik moest telkens vragen om naar huis te komen, en zij bleven en bleven hangen en met zichzelf… Waarom herhaalt zich alles?

En zo komen we alweer bij Henrik Ibsen’s Spoken uit. Hoe onze persoonlijke geschiedenis, ons verleden, ons elke dag blijft kwellen. Hoe herinneringen aan hoe wij ons gedragen hebben tegenover onze ouders, zoals het meisje in I Can Never Go Home Anymore tegenover haar moeder, ons met schuldgevoelens kunnen blijven opzadelen. Het doet ons beseffen hoe moeilijk het is vrijheid na te streven. Soms lijkt het erop dat we helemaal niet vrij zijn, dat we maar speeltjes zijn van het lot of van toevallige omstandigheden. Ons leven wordt op die manier een droom die wij niet zelf dromen. Of een nachtmerrie.

[1] Mary Weiss: I did purchase a gun once, a little Derringer. I bought a gun after somebody tried to break into my hotel room. There were these glass panels on the side of the door and all of a sudden I see this arm coming through. Not only was I scared to death, but there were large amounts of money in the room. You’re on the road with no protection. But, I was a little kid. I didn’t know. Back then, you could walk in anywhere and buy a gun. But the FBI came to my mother’s house and said, “Will you please tell your daughter she’ll be arrested if she gets off the plane with her gun?”
Uit: Mary Weiss Remembers… An interview that Mary Weiss gave to Norton Records’ Billy Miller and Miriam Linna in 2007

[2] Orgone was closely associated with sexuality: Wilhelm Reich, following Freud, saw nascent sexuality as the primary energetic force of life. The term itself was chosen to share a root with the word orgasm, which both Reich and Freud took to be a fundamental expression of psychological health. This focus on sexuality, while acceptable in the clinical perspective of Viennese psychoanalytic circles, scandalized the conservative American public even as it appealed to countercultural figures like William S. Burroughs and Jack Kerouac.
Wikipedia

Afbeeldingen: Guy Bleus omstreeks 1981; Golden Hits Of The Shangri-Las; Shangri-La door Anne-Mie Van Kerckhoven.

NACHTEN AAN DE KANT (9): OUTSIDE OF SOCIETY

paars

In het Pannenhuis en de andere cafés die ik frequenteerde wisten maar weinig nachtraven dat ik dichter en schrijver was. Ook al zat ik vijf dagen per week van negen tot vijf, soms tot zeven en af en toe zelfs tot later, aan mijn schrijftafel, in de weer met dagboeknotities, gedichten en wat ander proza werd genoemd. Ik weet niet zo goed wat er anders aan was en hoewel ze experimenteel van aard waren noemde ik die dingen verhalen. Als Paul Rigaumont, Senga – aan wie ik ze als eerste voorlas – en ik ze goed vonden werden ze in het tijdschrift Aurora gepubliceerd. Betaald werd ik er niet voor. Ik ben haast nooit betaald voor mijn schrijfwerk. Als schrijver was ik toen voor de meeste mensen onzichtbaar en dat ben ik nog altijd, ook al heb ik al een hele tijd geleden in de hoop daarmee wat meer op te vallen een andere naam gekozen: Martin Pulaski. Ik ging ervan uit dat er op mijn oude naam een vloek rustte. Zoals dat met veel oude namen het geval is. Voorouders komen er ’s nachts in spoken, soms zelfs overdag. Wellicht omdat ik toen niet veel inspanningen heb gedaan om in de gratie van andere schrijvers – en uitgevers – te vallen, om in hun kringen te worden opgenomen, werd ik later, toen ik wel naar erkenning verlangde, over het hoofd gezien. Ik was een buitenbeentje, een outsider. Of speelde de rol van outsider. In de jaren zestig waren the Outsiders, de band van Wally Tax, een van mijn favoriete popgroepen. Ik ben een outsider gebleven. Maar goed, zien jullie mij niet, geen probleem, ik blijf toch in de wereld, ben deel van de wereld, bevat zelf werelden. Zoals alle mensen. Dat schreef Walt Whitman al in de negentiende eeuw en het is nog steeds geldig. Elke mens is een kosmos, of niet soms?

waterkracht3 001

Tussen de wereld van de filosofische kring Aurora in de Lange Leemstraat, van mijn schrijftafel, van mijn experimenteel proza en die van het Pannenhuis op het Conscienceplein, de Gnoe in de Wolstraat en Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag gaapte een kloof die niet kon gedicht worden.. (Zie deze reeks teksten als een poging om dat alsnog te doen.) En toch was het één en dezelfde wereld. Elke mens, hoe verschillend ook, heeft dezelfde bestemming. We leven met zijn allen in een eigen en in een gemeenschappelijk labyrint waar we een uitweg uit zoeken. Onderweg treffen wij talloos veel hindernissen aan, de ene al meer dan de andere. Maar als wij elkaar ’s avonds, na de dagtaak, ontmoeten vergeten we die dingen. Er is zo’n groot verschil tussen hoe we zijn als we alleen zijn in onze kamers en als we ons tussen onze soortgenoten begeven.

Als ik aan die tijd terugdenk valt het mij op dat ik goed bevriend was met enkele beginnende, veelbelovende artiesten. Het valt mij eveneens op dat zij voor het merendeel conceptuele kunstenaars waren of, als zij schilderden, zoals mijn vriend Paul, voor abstractie kozen. Terwijl ik zelf van jongs af aan van figuratieve schilderkunst heb gehouden. Niemand heeft me voorgehouden welke kunst ik moest koesteren, niemand heeft me gezegd wat mooi was, wat lelijk, wat dom, wat verstandig. Of wat ik mooi, lelijk, dom, enzovoort moest vinden. Op een dag zag ik op televisie een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, verschenen bij Privé-domein. Dat boek noemde ik eerder al eens een doos van Pandora. Vanaf dan werd alle kunst voor mij interessant en opwindend. Maar altijd met die lichte voorkeur voor figuratief werk en toch ook, denk ik, met een open geest. En nu telde ik onder mijn vrienden echte kunstenaars. Over deze bijzondere tijdgenoten zal ik het later in deze reeks nog hebben. Eerst moet ik nog een aantal hindernissen overwinnen en enkele spoken uit het verleden het hoofd bieden.

4-29-2013_079 (2)

Afbeeldingen: in Zurenborg (Draakplaats); romanticus omstreeks 1976 in de Waterkrachtstraat in Brussel; Aurora in de Lange Leemstraat in Antwerpen, omstreeks 1980, op de achtergrond Jesse en Vera.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (2)

00me, laura & jos 1978

Alles heeft een begin, ook deze aantekeningen omtrent het Pannenhuis. Alle begin is moeilijk. De eerste woorden, waar al de rest op logische of onlogische wijze uit voortvloeit, moeten hun doel treffen en ecologisch zijn. Je mag een wit blad niet vuil maken met lelijke woorden of overbodige leugens. Antwerpen is een harde noot om te kraken. Soms denk ik dat je er geboren moet zijn om er helemaal aanvaard te worden. Om voor vol aanzien te worden, of toch voor meer dan leeg. Dat je op zijn minst het dialect moet spreken, liefst zonder accent. Als je er niet geboren bent moet je bijgevolg een goed acteur zijn. Bestaan er evenwel acteurs die een Limburgs accent kunnen wegmoffelen?

Voor sommige reizigers die stranden in t‘ Stad wordt, geloof ik, een uitzondering gemaakt. Het komt me voor dat je er gemakkelijker wordt aanvaard als je wat excentriek bent, een circusartiest, een woordkunstenaar, een muzikant, een schilder zelfs. Maar ook als je excentriek bent, wat Senga – zo wilde mijn geliefde toen genoemd worden – en ik zeker waren, moet je inspanningen doen om in een Antwerps midden opgenomen te worden. In een midden (milieu) of in een kringetje buiten dat midden, bijvoorbeeld in een subcultuur.

00leo-flor2

Toen Senga en ik in Antwerpen aankwamen waren wij op tweeërlei wijze door het lot begunstigd. In de eerste plaats hadden wij échte Antwerpse vrienden en vrienden die bevriend waren met échte Antwerpenaren. Leo Steculorum, Flor Van Tendeloo en Guillaume Bijl behoorden tot de eerste categorie; Guy Bleus tot de tweede. Het is goed mogelijk dat ik iemand vergeet. In de tweede plaats was er zich in 1977 ook in Antwerpen heel snel een nieuwe subcultuur aan het ontwikkelen: punk. Terwijl wij die zomer en herfst de vele kamers van ons huis in de Dolfijnstraat aan het schilderen waren had ik via een oude transistorradio kennis gemaakt met de explosieve songs van the Clash, the Sex Pistols, the Stranglers, Richard Hell & the Voidoids en, wonder boven wonder, the Ramones en was ik op die manier uit een lange rock-‘n-roll-winterslaap wakker geschud. De Hector Berlioz-periode had nu wel lang genoegd geduurd.

ramones-rocket

Hoe, wanneer precies en met wie ik het Pannenhuis na al die jaren opnieuw ontdekte weet ik niet meer en ik vind het ook niet terug in mijn dagboeknoties. Heel waarschijnlijk gebeurde dat in de tweede helft van 1978. Heel goed mogelijk was het ter gelegenheid van de kunstmanifestatie Goddog op 23 september dat jaar. Ook daarover vind ik maar weinig terug. De mooie losbladige editie van Goddog Express die ik al van die dag in mijn bezit heb en koester en die Marc Schepers eergisteren op facebook postte [1] lijkt verdwenen te zijn. Wel las ik in een klein rood notitieboekje dat iedereen die avond stomdronken was, ikzelf inbegrepen. Geen wonder dat ik me van het evenement nauwelijks iets herinner en er niets over kon noteren omdat ik de volgende dag een zware kater had.

goddog express

1978 was een van de opwindendste jaren van mijn hele leven. Het is nu te laat om nog te verwachten dat die op elk gebied bijna onafgebroken opwinding van toen ooit nog overtroffen zal worden. In dat jaar bracht ik veel tijd met vrienden door. Dat waren in het bijzonder Guy Bleus uit Wellen in Limburg, die vaak naar Antwerpen kwam en dan soms bij ons bleef logeren, Leo Steculorum en zijn vrouw Flor, Guillaume Bijl en Renée Strubbe en Jos Dorissen uit Mechelen aan de Maas. Het was met deze vrienden en hun entourages dat ik het Antwerpse nachtleven ging verkennen en dankzij wie ik deel ging uitmaken van een soort van alternatieve kunstscene.

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat 1978 mij in de schoot wierp. Een zeer beknopte opsomming van hoogtepunten (die ook dieptepunten konden zijn, niets is zuiver en eenduidig; hoed je voor de zuivere waarheid) volgt hier morgen.

tongeren 1968

[1] De afbeelding hierboven heb ik van facebook gedownload, met dank aan Marc Schepers.

Afbeeldingen: Senga, Jos D., ik bij Jos thuis, omstreeks 1980; Leo S., Flor V. en op de achtergrond mijn zoontje Jesse, in Oostduinkerke, 1973; the Ramones; Goddog; Koninklijk Atheneum Tongeren, 1968: repetitie voor mijn koninklijk toneelstuk De droom, met links van me Ivan Popovic en rechts Guy Bleus en Henri Janssen (niets is wat het lijkt).

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (1)

1980 agnes-4-29-2013_002_edited

In de eerste jaren van wat ik maar mijn Antwerpse periode zal noemen zocht ik vaak met mijn geliefde, soms ook op mijn eentje, het Pannenhuis op. Dat was in die dagen geen bruine kroeg maar een witte, gelegen aan het Conscienceplein, de plek waar in de jaren zestig de Antwerpse provo’s hun happenings hielden. In februari 1968 waren mijn Limburgse vrienden en ik er aanwezig bij een fenomenaal psychedelisch concert van Pink Floyd. Daarna, tot ik in 1977 in Antwerpen ging wonen, zette ik er geen stap meer binnen.

Van alle cafés waar ik ooit kwam heb ik aan het Pannenhuis de beste herinneringen, ook al beleefde ik extatische momenten in Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag. Daar heb ik net zo goed fijne herinneringen aan, maar ze zijn vager dan die aan het Pannenhuis. Wellicht omdat ik in Cinderella’s Ballroom voornamelijk voor de muziek kwam, en om te dansen. Eigenlijk heb ik daar nooit iemand echt leren kennen. Zelfs de nachtraven die er zoals wij elk weekend kwamen kan ik me nauwelijks herinneren. De namen zijn weg, als ik ze al ooit al gekend heb. Ik ga ervanuit dat sommigen van hen, van die uitbundige en vaak excentrieke jongens en meisjes, stuk voor stuk voorlopers van wat later de Antwerpse mode werd, inmiddels dood zijn, of naar een exotisch land vertrokken om daar hun leven te rekken. De belangrijkste protagonisten, zoals Maryse en Robert, herinner ik me gelukkig wel nog. En voor details kan ik overigens altijd te rade gaan bij de sympathieke facebookgroep Cinderella’s Ballroom, die is ontstaan na het succes van mijn toch eerder beknopt stukje hier, getiteld De jaren zeventig in Antwerpen (een titel die de lading niet dekt). Ik kan eveneens teruggrijpen naar mijn dagboeknotities uit die tijd maar iets houdt me tegen om dat te doen. Ben ik bang voor teleurstellingen?

Met het Pannenhuis is het helemaal anders. Daar ging ik naartoe voor vrienden en kennissen, voor ontmoetingen en gesprekken. Muziek, die er ook niet te versmaden was, speelde daar een wat ondergeschikte rol. Gedanst werd er bijna nooit. Ik herinner me een black & white night met skamuziek. De 24 hour party people droegen die avond zwart en wit, Two-tone, in navolging van the Specials, the Beat en the Selecter, drie Britse bands die ons nauw aan het hart lagen. Ze leken op skinheads, die we eerder met extreemrechts en racisme associeerden, maar de Two-tone-beweging was net het tegenovergestelde: de muzikanten en hun fans waren zowel blank als zwart en eerder radicaal links. Two-tone was een genre dat voortkwam uit de Britse en Jamaicaanse subcultuur, een fusie van ska, new wave en punk rock.

Meestal was de muziek maar achtergrond, die soms voorgrond werd, zoals bij Remain In Light, het meesterwerk van Talking Heads en bij de songs van the Modern Lovers. Een zwak had ik voor twee elpees die Toulouse en Greta vaak draaiden: The Best of the Shangri-Las en Nico’s Chelsea Girl. Toulouse en Greta runden het Pannenhuis, ze stonden er achter de toog en organiseerden er evenementen, voornamelijk tentoonstellingen van tegendraadse kunstenaars. Ze hielden van kunst, film, waren gretige lezers. Toulouse werkte aan een boek. Hij was een ernstig man maar dan wel met veel gevoel voor humor.

00-1978-1980-AURORA 11 001

Met namen van cafés als het Pannenhuis is er iets vreemds aan de hand. Je denkt helemaal niet aan een echt pannenhuis, aan de betekenis die het woord normalewijs heeft. Het Pannenhuis als naam van de kroeg is een soort van algemene betekenaar van alles wat je er beleefd hebt, van de sfeer die er hing, de mensen die er kwamen, enzovoort. Het is een soort van reiskoffer, om het wat plastischer uit te drukken, waar al die dingen in zitten. In A la recherche du temps perdu zal Proust wel over dergelijke woorden en namen hebben geschreven, maar ik herinner me de details niet meer. Ik word ouder, mijn geheugen takelt af; een film die ik vorige week zag ben ik vandaag al vergeten.

Het was mij in het Pannenhuis vooral om de conversaties te doen. Hoewel ik schuchter ben en me meestal afzijdig houd, vond ik het daar niet moeilijk om met iemand een gesprek aan te knopen. De sfeer was er open, verwelkomend. Ik denk dat het witte café op het Conscienceplein voor nogal wat van de vaste klanten een tweede thuis was. Ik ontmoette er niet alleen vrienden en kennissen van vroeger maar ook jonge mannen en vrouwen in wie ik zielsverwanten herkende. De meesten van hen zijn al lang uit mijn leven verdwenen. Sommigen zie ik af en toe nog eens op facebook voorbijtrekken, bleke wolken in een heldere lucht.

Wie herinner ik me nog? In de eerste plaats de oude vrienden die ik er opnieuw tegen het lijf liep: Jan Ceuleers, die ik kende van de universiteit, een man van wie ik veel opstak over Internationale Situationniste en het surrealisme. Met Jean Doppegieter ging het meestal over de zomer van 1969 – nu ruim vijftig jaar geleden – in Blankenberge, waar we als beatniks op straat hadden geleefd. We trokken er op met the Scrub, een band uit Bilzen, en zagen er the Pebbles, die doorleefde soulmuziek speelden, onder meer Piece Of My Heart, een single van Erma Franklin. Ronnie Bertels, een vriend van Guy Bleus, stelde er gedichten ten toon. (Wat zou er met Ronnie gebeurd zijn? Ik herinner mij nu opeens een decadente party in de vroege jaren zeventig in een oud en wat vervallen herenhuis in Ekeren, waar V. en ik ’s morgens verkleumd van de kou op de eerste trein wachtten.) Mijn oude boezemvriend Guy Bleus (met wie ik in Tongeren op internaat heb geleden), een van de voorlopers van de mail-art, reikte er paspoorten voor Mars uit. Het Mars-paspoort op mijn naam bezit ik nog altijd. Leo Steculorum stelde er woorden tentoon. Daar had hij maanden, mogelijk zelfs jaren aan gewerkt. Leo was de enige met wie ik meermaals ruzie had. Ik herinner me heel goed dat hij Van Morrison een ‘valsaard’ noemde. Waarop ik woedend werd. Van Morrison, de man die ‘The Great Deception’ heeft geschreven? Marc Meulemans, veel te jong gestorven, vond ik innemend. We praatten meermaals met veel enthousiasme over muziek, vooral over punk en new wave. Hij speelde in de punkband De Kommeniste. Kort voor zijn dood zag ik hem nog een keer terug bij een concert van een Antwerps muziekgezelschap.

00-ID MARS 001

Dikwijls trokken Agnes en ik samen met Guillaume Bijl en zijn levensgezellin Renée Strubbe naar het Pannenhuis. Tot vroeg in de ochtend zaten we te praten over kunst. Guillaume was een wandelende kunstencyclopedie. Van hem heb ik veel opgestoken over contemporaine kunst. Soms was hij zo dronken dat ik hem naar huis moest begeleiden, zelf ook niet bepaald nuchter. Ik weet niet hoe ik de taxi betaalde, arm als ik was. Misschien deed hij dat wel, genereus als hij was. Met Renée Strubbe gingen de gesprekken over boeken en fait-divers. Gesprekken waren het eigenlijk niet: Renée was een spraakwaterval. Met zijn vieren zijn we heel goede vrienden geworden, tot het allemaal verbrokkelde en voor Renée tragisch afliep. Ik herinner mij nu ook weer de magische televisieavonden bij Guillaume en Renée. Dat waren evenementen, performances en kleine filmvoorstellingen. Ik kan er nu niet meer over kwijt, de emoties overmannen mij te zeer.

Andere beginnende kunstenaars met wie ik in het Pannenhuis vriendschap sloot waren Ria Pacquée, Walter Van Rooy, de drijvende kracht achter Ruimte Z, de tedere Guy Rombouts. Ja, ik herinner me zijn droomalfabet nog. Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos, toen ook aan het begin van hun carrière. Van Danny Devos was ik altijd een beetje bang: hij had iets dreigends over zich en was geobsedeerd door seriemoordenaars. Anne-Mie vond ik fascinerend, als vrouw en als kunstenaar. Later hadden ze een apart programma op radio Centraal: Als u niet naar ons komt, komen wij wel naar u. Eddie Devos, die toen verhalen schreef, maar ook al schilderde. Annie Gentils en haar broer, de schilder Frans Gentils. Ik noem nu maar even de namen, zodat ik ze niet vergeet. Later vertel ik er meer over. Als de tijd gekomen is, waarmee ik bedoel dat mijn geest er rijp moet voor zijn. Mijn geest, die lijkt een beetje op een grand cru, een Château Margaux 1961 of zo: je mag hem niet overhaast opendoen. Het probleem is dat ik niet goed weet hoe lang hij in de fles moet blijven. Het is heel goed mogelijk dat hij zijn beste tijd al overschreden heeft. Wat dan aangevangen? Iedereen weet dat je altijd voorzichtig moet zijn met een geest in een fles. En meer nog als hij eruit weet te ontsnappen.

Wordt vervolgd…

00-1979-1980-aurora 10 kleur 001_edited c

Bij de afbeeldingen: in de periode die ik hierboven beschreef bezat ik geen fototoestel. Van het Pannenhuis, Cinderella’s Ballroom en andere plekken heb ik niet één foto. Het is dus niet uit narcisme dat ik deze foto’s gekozen heb: Agnes (alias Senga) op het dak van ons appartement in de Lamorinièrestraat; identiteitskaart van Mars, een werk van Guy Bleus; in Borgerhout, ikzelf, Thierry, rokende Agnes, Chantal; in de Lange Brilstraat, met van rechts naar links: Agnes, een onbekend meisje, Chantal, Paul Rigaumont, ikzelf (aan de rechterzijde Cinderella’s Ballroom).

BOEKPRESENTATIE RETROSPECTIEF PAUL RIGAUMONT

61043323_841887392846895_1692937981934960640_n

Boekpresentatie en tentoonstelling morgen woensdag 22 mei om 19 uur, in Het Huis van de Mens, Sainctelettesquare 17 1000 Brussel.
Een eerste monografie in eigen beheer, nieuwe foto’s van het beeldend oeuvre, getuigenissen van Olga Rigaumont-Tanghe, Martin Pulaski (Matti Brouns) en Christian Van Haesendonck

Boekcompositie door Herman Houbrechts, hardcover, gebonden, 95pp, gedrukt in een oplage van 300, €35. Welkom!

 

MET DAVID LYNCH IN SRI LANKA (WAAROM IK STIL BLEEF NA PASEN)

large_xDavid_Lynch__Someone_is_in_My_House__2014__lithograph__courtesy_the_artist_and_Item_Editions

Pasen is voor mij en voor velen samen met mij de mooiste feestdag van het jaar. Het is het echte begin van de lente, het einde van de grauwe dagen, van de vasten: de wederopstanding uit de dood. Je weet dat ik een diepgelovige katholieke jongen was. Van mijn achtste tot mijn dertiende, toen ik mijn geloof verloor, ging ik elke dag naar de mis. Daar en op andere plaatsen waar ik rust vond bad ik in stilte tot God. Op de dag van Pasen, als de verrijzenis van Jezus wordt gevierd, voel ik ook nu nog steeds iets heiligs. Het is soms, niet altijd, meer dan een euforisch, juichend gevoel; het is een gewaarwording die al het bestaande overstijgt. Ik noemde dat gevoel, die ervaring lang geleden al anastasis en doe het nu nog.

Om acht uur vorige zondag zette ik de radio aan en hoorde het nieuws van de aanslagen in Sri Lanka. Gevoelens van verbijstering, intens verdriet, woede, verscheurdheid overmanden me. Hoe kon ik dit verwerken? Het was Pasen en er waren in meerdere kerken op Sri Lanka tientallen mensen vermoord. Ik voelde een stekende pijn in de borst, bijna alsof mijn hart werd uitgerukt. Nu kwam het erop aan mijn kalmte te herwinnen. Ik moest mijn geliefde nog gaan wekken voor het ontbijt. Maar die kalmte kwam niet, niet echt.

Een paar dagen eerder had ik in het Bonnefantenmuseum in Maastricht de tentoonstelling Someone is in my house, een overzicht van het werk van David Lynch, gezien. In dat werk toont hij de menselijke conditie zoals die zich in Amerika voordoet. Onder groene weiden, onder zacht glooiende velden en onder de fundamenten van lieflijke en veilige huisjes gaapt de afgrond. Binnenskamers maar soms ook op straat rukken mannen maar soms ook vrouwen hun maskers af en laten hun ware gelaat zien. Achter de brave schijn van truly fine citizens gaat wreedheid en agressie schuil. De steden maar ook de dorpen puilen uit van schijnheiligheid en ingehouden geweld. Soms komt het geweld tot uitbarsting. Er wordt verkracht, gefolterd, gemoord. Change the fucking channel fuckface. Velden staan in brand, huizen vatten vuur. David Lynch plaats zichzelf ook in die arena: my shadow is with me always. Waar is de liefde naartoe? [1] Hoewel de beelden van David Lynch me daar in Maastricht wisten te verleiden en te bekoren gaven ze mij toch ook een naar gevoel. Ik was een ramptoerist, een indringer. Zoals in de meeste hedendaagse kunst is ook bij hem de schoonheid ver te zoeken, hoewel ze er tegelijkertijd ís. Het universum van David Lynch is zacht, rooskleurig en verschrikkelijk. Je krijgt er ademnood en tegelijk adem je zuivere lucht in. Als de wanhoop nabij is schater je het opeens uit. Godzijdank is er humour noir!
Omdat het mysterieuze, onheilspellende universum van David Lynch een creatie is, het resultaat van verbeeldingsontginning en taalspel, kon ik de verschrikkelijk kanten ervan relativeren. Het is immers kunst, geen werkelijkheid, meende ik. Als er al iets werkelijk aan is komt dat voort uit heel persoonlijke angsten, nachtmerries, psychotische episodes. Dit is niet dé werkelijkheid, sprak ik – nogmaals – mezelf sussend toe. Wat aantoont dat ik een romantische optimist ben. Zoals de meeste mensen kan ik de gruwelijkheid van onze soortgenoten bijna meteen vergeten en doorgaan met mijn klein melodrama op mijn piepklein podium ver weg van de zorgen en beslommeringen van degenen die ik soms mijn zusters en broeders noem en die hier op aarde hun hindernissenparcours afleggen.

change the fucking channel fuckface

Over Sri Lanka moest ik er lang het zwijgen toe doen. Over die gruwelijke ochtend van 21 april, de dag van Pasen moest ik zwijgen. Ik kon niet anders. Wat wil je?
Een dag of zo later hoorde ik kardinaal Ranjith, de aartsbisschop van Colombo en metropoliet van Sri Lanka, gerechtigheid eisen: “Find out who was responsible behind this act.  And also to punish them mercilessly because only animals can behave like that,” zei hij. Elke mens zou echter moeten weten dat beesten zich nooit op die manier zouden gedragen. Alleen wij mensen zijn zo wreed. Worden wij beter is de vraag. Worden wij beter? Kijk eens naar de geschiedenis, of alleen nog maar naar de recente geschiedenis. Wij worden niet beter. Ik heb niet de indruk dat wij beter worden. Change the fucking channel!

David-Lynch-I-Write-on-Your-Skin-How-Much-I-love-You-lithography-2010-lithography-64-x-94-cm.-Curtesy-Item-Editions.-1200x831

[1] Ik zag slechts één werk waarop liefde ter sprake kwam (en er wordt nochtans veel gesproken op de kunstwerken van David Lynch), namelijk op de lithografie ‘I write on your skin how much I love you’ uit 2010

Afbeeldingen: David Lynch, Someone is in my house (2014); Change the fuckin’ channel fuckface (2008-09); I write on your skin how much I love you (2010)

DE WRAAK VAN LUC TUYMANS, ETC.

Enkele opzienbarende uitspraken die ik aantrof in een interview [1] met Luc Tuymans.

Wraak

De visie van Luc Tuymans

“Er heeft bij mij altijd wel het idee van wraak meegespeeld. (…) Dat heeft met mijn jeugd te maken. Ik ben als kind zwaar gepest door de leerlingen van mijn klas. Ik heb altijd gedacht: jullie zullen nog wel zien. En daar ben ik nu mee bezig. Als je ouder wordt, is het belangrijk om je woede goed te beheersen. Maar woedend blijf ik. Milder of waardig ouder worden, is geen optie voor mij. Integendeel, ik word alleen nog woedender.”

De visie van Jeff Tweedy

“I wanted to be me, punishing the popular kids with music. I wanted to publicly shame them, to shout at them in song, “How did you not realize when you looked down on me in school that I would become this famous and celebrated, singing song about how this small town couldn’t appreciate me and that’s why I left? Don’t you feel stupid now?”
It was a comforting fantasy as a preteen, but I’ve been disabused of the notion countless times over the years that music is in any way an effective means of revenge. The people in the crosshairs of my scorn, which I expected to respond with full-on biblical weeping and gnashing of teeth, didn’t care. Not only did they not feel punished by the song’s awesome and unforgiving power, they refused to recognize that my musical chastisement had been directed at them. They didn’t care in my third-grade class, and they didn’t care forty years later when we were all grown-ups and I had maybe accomplished enough to deserve a reaction beyond “Oh, you were that guy in French class that I never talked to.””

Sneakers

De visie van Luc Tuymans

“Dan komt er een tentoonstelling in Hongkong bij galerie David Zwirner. Maar die is uitgesteld tot maart 2020 omdat ik in mei aan mijn voet moet worden geopereerd. Er zijn ligamenten doorgescheurd, een gevolg van een aandoening die ik van mijn vader heb geërfd: platvoeten. Maar ik wilde me niet laten opereren vóór Venetië: ik zag het niet zitten om me in Venetië in een rolstoel te moeten verplaatsen. Dat is onmogelijk met al die bruggetjes. Daarom loop ik nu op sneakers, niet meteen een schoeisel dat ik normaal zou dragen. Maar zo is de pijn draaglijk.”

De visie van Andy Warhol

andy warhol

Misprijzen / Le mépris

De visie van Luc Tuymans

“Er zit iets megalomaans in die man [Curzio Malaparte, M.P.]. Zijn modernistische villa is gebruikt als setting voor de film Le Mépris die Jean-Luc Godard in 1963 maakte. Toen ik die onlangs opnieuw zag, was ik bijna gechoqueerd: dat soort epische film zal nooit meer gemaakt worden. De jonge Brigitte Bardot spreekt zinnen uit waar ze geen reet van snapte, de dialogen slaan nergens op maar de beelden zijn onvergetelijk. Daarna ben ik alles van Malaparte gaan lezen. La Pelle is zeker geen onvergetelijk boek. Kaputt is veel beter. De indrukwekkende schoorsteenmantel uit de villa van Malaparte heb ik geschilderd. Die hangt in de tentoonstelling.

De visie van Martin Pulaski

“‘Le mépris’ van Jean-Luc Godard, een van de mooist in beeld gebrachte films ooit. (…) Een puzzel waarin Brigitte Bardot op haar mooist is, en voor een keer geloofwaardig, en Michel Piccoli op zijn elegantst en boordevol melancholie en onbegrip. Alles in technicolor-licht badend, zoals BB in de azuren zee. Maar de afwezigheid van de goden, even dood als de verstarde wereld van het profijt, de afgunst, de vernedering en het misprijzen. O, terugkeren naar Ithaka, naar Penelope, naar Telemachus, daar onder de olijfbomen rusten. Maar niets van dat alles: het eindigt met een crash.”

[1] Interview in Knack nr. 13 van 27 maart tot 2 april 2019