BESCHOUWINGEN OVER ‘CLOSER’ VAN JOY DIVISION

Eind 1980 wilde ik als kerstcadeau voor Agnes de elpee ‘Closer’ [1] van de Britse postpunkgroep Joy Division kopen. We vonden het beiden de mooiste en meest aangrijpende plaat van het jaar. We waren romantici en voelden ons aangetrokken tot melancholische kunstenaars en outsiders. Ian Curtis, de zanger van Joy Division, had zich op 18 mei verhangen. Kort voor zijn zelfmoord had hij de film ‘Stroszek’ van de Duitse regisseur Werner Herzog gezien. Op een koude nacht in januari waren wij toevallig ook naar die film gaan kijken. Het soms grappige maar vooral wanhopige verhaal had ons danig aangegrepen. Ik had er zelfs bij zitten huilen. ‘Stroszek’ vertelt de geschiedenis van de straatmuzikant Bruno S. en zijn vriendin, de prostituee Eva. Als Bruno S. over zichzelf praat, hanteert hij aldoor de derde persoon. Nooit ‘ik’, altijd ‘der Bruno’. Stroszek spreekt alle woorden uit met een grote inzet van zijn hele lichaam. Daaraan kun je zien dat elk woord door de onfortuinlijke straatmuzikant uitgesproken de waarheid is.

stroszek

Voor ik naar huis ging met de elpee van Joy Division stapte ik nog even binnen bij Aurora, ons filosofisch atelier in de Lange Leemstraat. Daar stelde ik vast dat in de kerstdrukte een verkoper bij platenzaak Brabo mij per vergissing de maxisingle ‘Love Will Tear Us Apart’ verkocht had. Mijn vriend (en bij Aurora collega) Paul Rigaumont zag meteen hoe teleurgesteld ik was en stelde voor dat hij de single zou overkopen. Maar dan heb ik geen cadeau, zei ik. En die andere elpees dan, vroeg Paul. Hij had gelijk, ik had samen met wat ik dacht dat ‘Closer’ was ook nog langspeelplaten van Public Image Limited, Suicide en the Jam aangeschaft. Dat waren ook mooie cadeaus. Wat ik niet besefte was dat Paul nieuwsgierig was naar Joy Division. Ik dacht dat zijn voorstel alleen maar een gebaar van vriendschap was (wat het natuurlijk ook was). Later begreep ik dat Paul helemaal weg was van Joy Division en Ian Curtis. In 1995 verscheen in de reeks Aurorasporen een vertaling van de teksten van de band uit Manchester, een uitgave waar Paul aan had meegewerkt. In het voorwoord schreef hij: “Muziek en woorden die op de moeilijke keerzijde van ontspanning willen wijzen. Om geijkte gelederen te breken. Om hiërarchieën aan te wijzen. Muziek in de gecontroleerde gebieden van de muziekindustrie. Enkelvoudige stemmen en woorden met verbindingen naar ‘ontheiligd leven’, naar ‘gehoorzame gelederen’, naar wanhoop en fear. Muziek in bezette gebieden. Joy Division is bezeten muziek in bezette gebieden. Dit is onze reden om naar deze muziek te blijven luisteren en te blijven luisteren, om de teksten van Ian Curtis te lezen, te lezen met menselijke ogen die ook nog worden bedreigd, die ook nog met verblindend licht worden verleid. [2] ”

polaroid 1983

Heel wat van de beste vertegenwoordigers van onze generatie liepen tegen een harde muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Iets vergelijkbaars had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”). Bruno S. (fictief) en Ian Curtis (reëel) waren tragische voorbeelden van dat eindspel. Maar ook in mijn omgeving, bij mijn vrienden en kennissen, werd er gezocht naar a means to an end. De permanente tentoonstelling van wanstaltigheden in de supermarkt van het neokapitalisme werd sommigen te veel. Harde drugs of de dood waren dan de ultieme uitweg.

Voor mezelf was de rock ‘n roll van die periode (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ en ‘Atrocity Exhibition’ van Joy Division, ‘Typical Girls’ van The Slits, ‘Street Hassle’ van Lou Reed, ‘Shout It Out’ van Burning Spear) een levensnoodzakelijk en bitterzoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes [3] , een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.

dak (2)

Sommige van de mensen die er toen bij waren, kunstenaars, dichters, dokwerkers (denk aan Ludo Mariman van the Kids), intellectuelen, punks, waren trashmen. Ik noemde ze zo uit ontzag en liefde. Het was meer een verwijzing naar de Amerikaanse surfband the Trashmen, die een hit hadden gehad met het volstrekt absurde lied ‘Surfin’ Bird’, later gecoverd door the Ramones en the Cramps, dan naar echte vuilnismannen. Maar uiteraard zat die tweede betekenis er ook in. Hoe meer betekenis hoe liever. Had ik mijn vriend Guy Bleus, op dat ogenblik instant popart-frescoschilder, dat woord ook al niet horen gebruiken? Sommigen van hen, van ons, zijn trashmen gebleven. Misschien hoorde het zo. Hadden we niet uit trouw aan onszelf en aan onze idealen met zijn allen trashmen moeten blijven? Of was die opstandige attitude niet veel meer dan een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie? Of kunnen we ze als een schakel in een minderheidswording [4] beschouwen?

ian curtis

[1]  Closer, de tweede elpee van de Britse rock band Joy Division kwam uit op 18 juli 1980 op Factory Records.
De groep bestond uit:
Ian Curtis – zang
Bernard Sumner – gitaar, synthesizers
Peter Hook – basgitaar en zessnarige basgitaar
Stephen Morris – drums, elektronische drums, percussie
Producer: Martin Hannett.
De prachtige hoes was ontworpen door Martyn Atkins en Peter Saville.
De titel van de song ‘Atrocity Exhibition’ verwijst naar een boek van J.G. Ballard.
[2] Joy Division, Aurorasporen, Antwerpen, 1995
[3] Enkele van de filosofen die we in die tijd bij Aurora bestudeerden.
[4] Minderheidswording. In zijn ‘Anekdota VIII’ beschrijft Paul Rigaumont Aurora als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p. 81).  Toen ik dat las dacht ik meteen aan Roger Daltreys gestotter in ‘My Generation’ van the Who, dat in zekere zin het lijflied van onze generatie was.

Foto’s: Closer, Martin Pulaski, 2018; Stroszek, Werner Herzog; Polaroid, Lamorinièrestraat, vroege jaren 80, fotograaf onbekend; Pulaski op het dak door Agnes A., 1981; Ian Curtis, fotograaf onbekend.

BEGGARS BANQUET

cof

Op facebook wordt aan muziekliefhebbers door andere muziekliefhebbers al een tijdje gevraagd een selectie te maken van 10 elpees die een blijvende invloed op hun leven hebben gehad. Je vertrekt van de hoes en vertelt er, als je daar zin in hebt, een verhaal bij, maar dat hoeft niet. Soms onthullen de naam van de artiest, de titel van het album en de afbeelding van de hoes al een heel stuk van dat verhaal. Ik wil vandaag ook aan zo’n reeks beginnen, zonder dat ik weet wat het gaat worden. Een plan heb ik niet. Ik wil mezelf geen regels of beperkingen opleggen. Misschien worden het stukjes van niet veel meer dan driehonderd woorden.

godard sympathy for the devil

De eerste langspeelplaat die ik uit mijn rek haal is ‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones. Dat baanbrekend rockalbum verscheen in december 1968, nu bijna vijftig jaar geleden. Ik hoorde het voor het eerst in de kerstperiode in het legendarische bruine café De Kroeg in de Wolstraat in Antwerpen. Ik had in Wijnegem aan de sluis die ochtend de bus genomen voor een dagje in mijn toen favoriete stad (samen met Maastricht). Ik had het gevoel dat alle hippe mensen en alle mooie meisjes in Antwerpen rondhingen. Overal hing de geur van wierook en patchoeli en hoorde je het gerinkel van Tibetaanse belletjes; het Conscienceplein was een magische plek. Meisjes in heel korte minirokken, jongens met lange haren. Kleren even kleurig als die in San Francisco, London of Parijs. Nu het winter was zag je ook meisjes in van die prachtige Afghaanse jassen waaronder hun gelaarsde lange benen uitstaken. Met mijn hart en ledematen trillend van euforie liep ik, schipperszoon en intern in het provinciestadje Tongeren, door de betoverde straten, ging hier en daar een boetiek binnen, kocht enkele undergroundtijdschriften en boeken van Simon Vinkenoog en Hugo Raes. Tenslotte stapte ik met veel schroom De Kroeg binnen. Daar kende ik volstrekt niemand. Ik was er ook nooit eerder geweest. Ik ging aan de toog zitten, bestelde een pintje (hoewel ik bier helemaal niet lekker vond) en keek stilzwijgend voor mij uit. Hoewel mijn haren net zo lang waren als die van de meeste andere jongens en meisjes, kreeg ik al gauw het pijnlijke gevoel buiten gekeken te worden. Maar lang zat ik daar niet over te piekeren, want al bijna meteen weerklonk de nu overbekende riff van ‘Sympathy For The Devil’, het openingsnummer op ‘Beggars Banquet’. Je moet daarbij voor ogen houden dat we toen niets wisten. Er bestonden in het Nederlands nog geen noemenswaardige platenrecensies, met uitzondering van die in het Nederlandse weekblad Hitweek/Aloha. Popmuziek hoorde je alleen op de piratenzenders Radio London en Caroline en voor undergroundmuziek, genre Dr. John the Nighttripper en Tyrannosaurus Rex, moest je op het Nederlandse programma Superclean Dream Machine afstemmen. De film van Godard ‘One Plus One’ over de opname van ‘Sympathy For The Devil’ was bij ons nog niet in de bioscoop of op televisie geweest (en het zou nog lang duren eer ik hem zou kunnen zien). Wat betere popmuziek en progressieve pop en underground werd genoemd leek het terrein te zijn van een sekte van ingewijden, en dat was het ook. Een elpee was een geheim dat we deelden. Mijn vrienden en ik luisterden maandenlang naar één album en ontdekten er steeds nieuwe geluiden, betekenissen en verhalen in. Elke song riep een veelvoud van moeilijk te definiëren verlangens op. Je hoefde niet op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Je legde een van die sublieme elpees op van the Beatles, the Rolling Stones, Pink Floyd, the Band en Traffic en je was al onderweg naar een ander universum.

michael joseph keith with orange

‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones, de tot dusver beste en zeker meest opwindende rock- en bluesband die we kenden, was zo’n universum. Als het album een dichter was geweest had het met recht kunnen zeggen “I am large, I contain multitudes”. En eigenlijk zei het dat ook, maar met andere woorden, met andere stemmen, met heel aardse en bijwijlen toch ook verheven muziek. Elke song op de plaat greep me naar de keel. Een wervelwind van gitaren (Keith Richards, Brian Jones), bas (Bill Wyman), drums (Charlie Watts), piano (Nicky Hopkins), mondharmonica (Brian Jones) en de vuile goddelijke stem van Mick Jagger dreigde me van mijn barkruk te blazen. Stil blijven zitten hoorde er niet meer bij. Luister nog maar een keer naar ‘Parachute Woman’. Ook nu nog doet dat helse ritme je rechtveren. Zo hadden the Rolling Stones nooit eerder geklonken. Dat was voor een deel te danken aan hun nieuwe producer, Jimmy Miller, wat ik toen waarschijnlijk niet eens wist. Wilde, angstaanjagende schoonheid spatte uit elk lied. En zo’n rijkdom aan emoties had ik nooit eerder in popmuziek gehoord. Woede, verdriet, pijn, genot, geluk, vreugde, geilheid, sarcasme, vertwijfeling, opstandigheid, onzekerheid – al die eigenschappen kwamen aan bod. Zonder het helemaal goed te beseffen hoorde ik die avond in De Kroeg een verzameling weerbarstige songs die me voor lange tijd zouden bepalen en die me nu ik vijftig jaar ouder ben nog steeds geheimen vertellen. Met die schat in mijn hoofd liep ik naar het busstation om er de bus terug naar Wijnegem te nemen. De hele rit lang hoorde ik flarden ‘Beggars Banquet’ in mijn hoofd. Maar vooral deze regels uit ‘No Expectations’: “Never in my sweet short life have I felt like this before.”
Beggars Banquet, hét album van 1968, vertelt niet alleen geheimen aan oude ingewijden maar iedereen die het maar wil kan er bekende verhalen in horen,
verhalen over onszelf en over de wereld, telkens ongeveer dezelfde verhalen maar in telkens wisselende constellaties met verschuivende metaforen en betekenissen.

Als hoes kies ik de witte, die voor mij de originele is. De échte originele, die lange tijd verboden was, heb ik nooit zo mooi gevonden. Ik heb altijd van propere toiletten gehouden, goedverlicht en hygiënisch. Wat mij betreft mag ook smerige muziek in een schone hoes verpakt zitten.

Foto’s: Martin Pulaski; Jean-Luc Godard (uit ‘One Plus One’); Michael Joseph.

ZERO DE CONDUITE: SURRENDER TO BRIAN ENO [1]

Eno-Brian-1974-01_2.jpg

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement heel specifiek voor tweeëntwintig liefst niet bekakte bakvissen, drieënzeventig zwaardviskoppen en twaalfduizend uitgeprocedeerde aartsbisschoppen – en voorts voor iedereen die het maar horen wil. Uniek in het zich steeds verder uitdijende universum, maar dat weet je al. Stem af op 106.7 FM!
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

eno glam with roxy music 1973.jpg

Brian Eno wordt op 15 mei 70 jaar, voldoende reden om zijn werk met een aflevering van Zéro de conduite te vereren.

Roxy Music zag ik een eerste keer in Théâtre Marni in Brussel op 6 december 1973. Sinds Rudy S. mij de eerste elpee (1972) had laten horen was ik een fan van de groep. Vooral Brian Eno vond ik fascinerend, al wist ik niet goed welke rol hij in de band speelde. Helaas had de extavagante non-muzikant (zo omschreef hij zichzelf) de artistieke Britse groep al omstreeks maart 1973, kort na de opname van de tweede elpee, ‘For Your Pleasure’, verlaten. Het optreden in Marni was opwindend maar ik miste de enigszins feminiene man met het blonde kapsel en het veelkleurige gevederte, degene van wie ik vermoedde dat hij het ‘genie’ was in Roxy Music. Dat vermoeden zou later bevestigd worden. Ik bleef Roxy Music daarna nog een tijdje trouw, maar na hun vierde album, ‘Country Life’ (1974) haakte ik af. Brian Eno ben ik tot nu toe blijven volgen. Hoewel ik een voorkeur heb voor zijn avant-pop uit de jaren zeventig, waartoe ik de meesterwerken ‘Another Green World’, ‘Taking Tiger Mountain By Strategy’ en ‘Before and After Science’ reken, houd ik ook van zijn ambient-producties[2] en van zijn indrukwekkende reeks samenwerkingen met vooral David Byrne, maar ook met John Cale, David Bowie, Harold Budd en andere einzelgängers. Zijn productiewerk voor ‘Fear Of Music’ en ‘Remain in Light’ van Talking Heads was baanbrekend. Afrikaanse ritmes, samples, electronica, de techniek die hij Oblique Strategies noemt – allemaal was en is het bijzonder invloedrijk op heel diverse vormen van populaire muziek.
Dat Brian Eno, ondanks zijn hoge begaafdheid en belangrijke rol in de westerse cultuur[3], zo bescheiden is gebleven siert hem des te meer. En misschien komt er nog eens een dag dat ik hem live aan het werk kan zien, al zal dat dan wel niet in Théâtre Marni zijn.

Veel luisterplezier!

june 1st 2.jpg

This – Brian Eno – Another Day On Earth – Brian Eno – 2005

If There Is Something – Roxy Music – Roxy Music – Bryan Ferry – 1972

Baby’s On Fire – Brian Eno, John Cale, Nico & Kevin Ayers – Brian Eno, John Cale, Nico, Kevin Ayers – Live June 1, 1974 – Brian Eno – 1974

On Some Faraway Beach – Brian Eno – Here Come The Warm Jets – Brian Eno – 1974

Big Day – Phil Manzanera – Diamond Head – Manzanera, Eno – 1975

Schöne Hände – Cluster & Eno – Cluster & Eno – Moebius, Roedelius , Eno – 1977

Fuseli – Brian Eno – More Music For Films – Brian Eno – 1983

China My China – Brian Eno – Taking Tiger Mountain By Strategy – Brian Eno – 1974

Warszawa – David Bowie – Low – David Bowie, Brian Eno – 1977

The Man Who Couldn’t Afford To Orgy – John Cale featuring Judy Nylon – Fear – John Cale – 1974

R.A.F. – Snatch – Snatch (with Brian Eno) – Brian Eno – 1978

Segue – Algeria Touchshriek – David Bowie – 1. Outside – Brian Eno, Michael Garson, Sterling Campbell, Erdal Kizilcay, Reeves Gabrels – 1995

Above Chiangmai – Brian Eno & Harold Budd – Ambient 2 The Plateaux Of Mirror – Brian Eno – 1980

Deep Blue Day – Brian Eno – Apollo: Atmospheres & Soundtracks – Roger Eno, Brian Eno, Daniel Lanois – 1983

I’ll Come Running – Brian Eno – Another Green World – Brian Eno – 1975

Kurt’s Rejoinder – Brian Eno – Before And After Science – Brian Eno – 1977

The Jezebel Spirit – Brian Eno & David Byrne – My Life In The Bush Of Ghosts – Brian Eno, David Byrne – 1981

Listening Wind – Talking Heads – Remain In Light – Brian Eno, Chris Frantz, David Byrne, Jerry Harrison, Tina Weymouth – 1980

Heaven – Talking Heads – Fear Of Music – Talking Heads – 1979

brian eno,eno,muziek,zéro de conduite,zero,radio centraal,106.7 fm,antwerpen,pop,rock,blues,soul,country,potpourri,ambient,artrock,punk,afro,oblique strategies,roxy music,john cale,talking heads,david byrne,david bowie,daniel lanois,snatch,cluster,phil manzanera,harold budd,producer,uitvinder,voorloper,denker,conceptueel,kunstenaar,voorbeeld

Mongoloid – Devo – Q: Are We Not Men? A: We Are Devo – G. Casale – 1978

Optimism – Lady June – Lady Junes Linguistic Leprosy – June Campbell Cramer, Kevin Ayers, Brian Eno  1974

Healthy Colours III – Robert Fripp & Brian Eno – The Essential Fripp & Eno – Brian Eno, Robert Fripp – 1994

The Secret Life Of Arabia – David Bowie – “Heroes” – Brian Eno – 1977

One Word – Brian Eno & John Cale – Wrong Way Up – Brian Eno, John Cale – 1990

Strange Overtones – Brian Eno & David Byrne – Everything That Happens Will Happen Today – Brian Eno, David Byrne – 2008

A Beautiful War – Robert Wyatt – Comicopera – Brian Eno, Robert Wyatt – 2007

2 Forms Of Anger – Brian Eno With John Hopkins & Leo Abrahams – Small Craft On A Milk Sea – Brian Eno – 2010

Indian Summer Sky – U2 – The Unforgettable Fire – Adam Clayton, Bono, Larry Mullen, The Edge – 1984

The Pearl – Brian Eno & Harold Budd  with Daniel Lanois – The Pearl – Brian Eno, Harold Budd – 1984
remain-in-light.jpg

Bonus Tracks

More Dust – Brian Eno & J. Peter Schwalm – Drawn from Life – Brian Eno, J. Peter Schwalm – 2001

White Mustang II – Daniel Lanois – Acadie – Daniel Lanois, Brian Eno – 1989

By This River – Brian Eno – Before And After Science – Dieter Moebius, Hans Roedelius – 1977

The Soul Of Carmen Miranda – John Cale – Words For The Dying – Brian Eno, John Cale

Shadow – Brian Eno – Ambient 4: On Land – Brian Eno – 1982

An Ending (Ascent) – Brian Eno – Apollo: Atmospheres & Soundtracks – Roger Eno, Brian Eno, Daniel Lanois – 1983

Fantastic Voyage – David Bowie – Lodger – Brian Eno -1979

Alhondiga – Brian Eno – The Shutov Assembly – Brian Eno – 1992

What Actually Happened? – Brian Eno – Nerve Net – Brian Eno – 1992

Tal Coat – Brian Eno – Ambient 4: On Land – Brian Eno – 1982

harmonia brian eno.jpg

[1] “I think of surrendering as an active verb, not a passive verb.” Brian Eno, in ‘Re-valuation (A Warm Feeling), 2013

[2] “My original intention with Ambient music was to make endless music, music that would be there as long as you wanted it to be. I wanted also that this music would unfold differently all the time – ‘like sitting by a river’: it’s always the same river, but it’s always changing.” http://www.brian-eno.net/about/index.html

[3] “Eno is frequently referred to as one of popular music’s most influential artists. Eno forever altered the ways in which music is approached, composed, performed, and perceived, and everything from punk to techno to new age bears his unmistakable influence. Eno has spread his techniques and theories primarily through his production; his distinctive style informed a number of projects in which he has been involved, including Bowie’s “Berlin Trilogy” (helping to popularise minimalism) and the albums he produced for Talking Heads (incorporating, on Eno’s advice, African music and polyrhythms), Devo, and other groups. Eno’s first collaboration with David Byrne, 1981’s My Life in the Bush of Ghosts, pioneered sampling techniques that would prove to be influential in hip-hop, and broke ground by incorporating world music into popular Western music forms. Eno and Peter Schmidt’s Oblique Strategies have been used by many bands, and Eno’s production style has proven influential in several general respects: “his recording techniques have helped change the way that modern musicians;– particularly electronic musicians;– view the studio. No longer is it just a passive medium through which they communicate their ideas but itself a new instrument with seemingly endless possibilities.”
Wikipedia, bewerkt

loud and quiet.jpg

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski

ZERO DE CONDUITE: PAARDEN

3 shooting4-1600x900.jpg

Zéro de conduite is een excentriek POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor anderhalve man en een paardenkop. Uniek in het zich steeds verder uitstrekkende universum. Stem af op 106.7 FM.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Vanavond worden we paardenfluisteraars, paardenluisteraars, paardendieven, Lonesome Cowboys, Lone Riders, Lucky Lukes (met Jolly Jumper, het snelste paard van het Wilde Westen). We herinneren ons de postkoets, de pony express, The Searchers, Bonanza, Fury, The Shooting (met de allermooiste paarden op film). Westerns! De boeken van Cormac McCarthy, waaronder All the Pretty Horses. Hobbelpaardjes, kermispaarden, pony’s, Wild Horses of Fire van Sergej Parajanov, de Hoetsoelen… En ook deze paragraaf van Jonathan Swifts ‘Gulliver’s Travels’ schiet ons te binnen:

“In speaking, they pronounce through the nose and throat, and their language approaches nearest to the High Dutch of Germany, of any I know in Europe; but is much more graceful and significant. The Emperor Charles V made almost the same observation, when he said, that if he were to speak to his horse, it should be in High Dutch.”

En vooral luisteren we vanavond naar paardenliederen.

Veel luisterplezier!

1 Tuvans_Horse_riding.jpg

Happy Trails – The Good Life – Roy Rogers & Dale Evans With Frank Worth & His Orchestra – Dale Evans

Red River Valley – Fifty Miles To Travel – The Delmore Brothers – Traditional

High Noon (Do Not Forsake Me) – High Noon OST – Tex Ritter – Dimitri Tiomkin, Ned Washington

Blue Moon – Sunrise – Elvis Presley – Richard Rogers, Lorenz Hart

Two White Horses In A Line – The Songsters Tradition: Before The Blues – Joe Evans & Arthur McClain

My Old Horse Died – His Folkways Years 1963-1968 – Dock Boggs – Traditional

Six White Horses – The Harrow & The Harvest – Gillian Welch – Rawlings, Welch

Ballad Of A Runaway Horse – Cowgirl’s Prayer – Emmylou Harris – Leonard Cohen [Ballad of the Absent Mare]

She Loves To Ride Horses – The Dark – Guy Clark – Guy Clark, Keith Sykes

Pinto Pony – Jack-Knife Gypsy – Paul Siebel – Paul Siebel

One Way Rider – Rockabilly Blues – Johnny Cash & June Carter Cash – Rodney Crowell

Rider In The Rain – Little Criminals – Randy Newman – Randy Newman

A Horse In The Country – Blackeyed Man – Cowboy Junkies – Michael Timmins

Silver Stallion – Jukebox – Cat Power – Lee Clayton

1 catpower jukebox.jpg

All The Pretty Horses – Selections from Road Atlas 1998-2011 – Calexico – Traditional arranged by J. Burns

Death Rides A White Horse – Black Pudding – Mark Lanegan & Duke Garwood – Mark Lanegan & Duke Garwood

Pony – Mule Variations – Tom Waits – Tom Waits

Jenny’s Got A Pony – The Neighborhood – Los Lobos – David Hidalgo, Louie Pérez

New Pony – Street Legal – Bob Dylan – Bob Dylan

Long Grey Mare – Peter Green’s Fleetwood Mac – Fleetwood Mac – Peter Green

Pony Blues – Living the Blues – Canned Heat – Traditional arr. Canned Heat

Pony Boy – Brothers And Sisters – The Allman Brothers Band – Richard Betts

Chestnut Mare – (Untitled) – The Byrds – Roger McGuinn, Jacques Levy

Ridge Rider – Judee Sill’s First Album – Judee Sill – Judee Sill

White Horse – Case History – Kevin Coyne – Kevin Coyne

Broken Horse – Explosions in the Glass Palace – The Rain Parade – Stephen Roback

Horse Out in the Rain – 20 Granite Creek – Moby Grape – Peter Lewis

Horse Head Fiddle – Folklore – 16 Horsepower – Traditional

For the Horse, Etc. – Sundowner – Steve Gunn – Steve Gunn

Horses In My Dreams – Stories From The City, Stories From The Sea – PJ Harvey – PJ Harvey

Horses – Greatest Palace Music – Bonnie “Prince” Billy – Brendan Croker, Jon Langford, Sally Timms

cowboy junkies.jpg

Bonus Tracks:

Silver Rider – The Great Destroyer – Low – Alan Sparhawk, Mimi Parker, Zak Sally

Let Me See The Colts – A River Ain’t Too Much To Love – Smog – Bill Callahan

Horses – American Dreamer – Frankie Lee – Frankie Lee

Wild Horses – Sticky Fingers – The Rolling Stones – Mick Jagger, Keith Richards

God’s Wing’ed Horse (Featuring Julie Miller) – The Majestic Silver Strings – Buddy Miller – Bill Frisell

Horses – Chinatown – The Be Good Tanyas – The Be Good Tanyas

The Long Riders – The Long Riders: Original Motion Picture Soundtrack – Ry Cooder – Ry Cooder

The Horses – Duchess Of Coolsville: An Anthology – Rickie Lee Jones – Rickie Lee Jones, Walter Becker

Happy Trails – Happy Trails – Quicksilver Messenger Service – Traditional

Horses – Horses – Patti Smith – Patti Smith

searchers3.jpg

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (3)

tilda swinton - young adam.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (middag)

[‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende (min of meer) acht notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.]

Grapes of Wrath.jpeg

Dat bemoedigend gevoel als je op zoek bent naar een woord, het ligt op het tipje van je tong, en je partner, vriend of vriendin vindt het voor jou! Mij overkwam het nog een keer tijdens een gesprek met Ever M. Ik kon maar niet op het woord ‘…’ komen. ‘Carter’* zei Ever bijna meteen. Ik was al een paar dagen in ‘The Grapes Of Wrath’ aan het lezen en vertelde Ever over een passage uit dat boek omdat hij het over auto’s en motoren had. Zo was er iets wat we konden delen. Ik ken helemaal niets van auto’s, van motoren, van machines, ook de terminologie (waar Steinbeck duidelijk wel vertrouwd mee was) is me vreemd. Voor Ever zal het een koud kunstje geweest zijn om het woord voor me uit zijn geheugen op te diepen. Auto’s en vooral oldtimers zijn z’n passie. Het is een passie die ik niet deel maar die me ook niet onverschillig laat, want veel van die oldtimers zijn zulke mooie auto’s. Alleen al voor de elegante wagens die erin rondgereden worden vind ik Hitchcocks ‘Vertigo’ en ‘Psycho’ meesterwerken. Het gebeurt wel eens dat ik alleen maar naar een film van Nicholas Ray of om het even welke film uit de jaren vijftig kijk voor de auto’s. Wat een verschil in stijl met de gedrochten die ik dagelijks in onze straat zie geparkeerd staan. Maar Ever bewonder ik vooral als tekenaar. Hij is een van de originelen. Velen, vooral jonge tekenaars, kopiëren zijn stijl, maar niemand kan zijn vakkundigheid evenaren, en zijn verbeeldingskracht nog minder.

psycho car 2.png

Ik had in metrostation Veeweide zitten lezen. Opeens stond Ever voor me. Ik had hem al jaren niet meer gezien en schrok even, hoewel hij daar toch vriendelijk voor me stond te glimlachen. O, Eddie, zei ik, ik had je bijna niet herkend. Dat zal door mijn pet komen, zei hij bescheiden, normaal draag ik een hoedje. We hebben nooit veel tegen elkaar gezegd, waarschijnlijk omdat we allebei schuchter zijn, in onszelf gekeerd. Maar nu kwam het opeens allemaal vanzelf. We herkenden elkaar als mensen die nog veel willen doen maar die beseffen dat ze zo weinig tijd hebben. Je ontbijt, drinkt een tweede kop koffie en het is alweer tijd voor de lunch. Je hebt een uur naar onzin op de radio zitten luisteren, wachtend op een interessant onderwerp. Je kunt nog beter wachten op de dode god (die je het eeuwige leven zal schenken). Ik praatte met Ever over mijn passies, op dat ogenblik Steinbeck en de Depressie, en hij over die van hem, het werken aan die mooie oude auto’s dus, maar ook over de eenzaamheid van een tekenaar, dagenlang alleen op zijn kamer. Ik begreep dat er overeenkomsten tussen ons bestaan die ik vroeger nooit gezien had. Maar ik was zoveel ouder toen… Wat jammer dat ik aan Beekkant de metro verlaten moest en zo noodgedwongen het gesprek afbreken.

ever-meulen-40.jpg

Wat kom ik hier toch graag, zei ik. Maar dat zal wel niet de bedoeling zijn van de therapie, neem ik aan. Ach, zei ze ad rem, dan kom je nog eens buiten. Het was een grappig antwoord, maar het maakte me ook triest. Was de ondertoon van haar opmerking niet dat er binnen afzienbare tijd wel eens een einde zou kunnen komen aan onze wekelijkse gesprekken – of veeleer monologen? Sinds 1997 ga ik – met twee onderbrekingen – op visite bij deze begripvolle, empathische vrouw. Een veertigtal minuten in haar elegant gezelschap maakt me niet gelukkig maar geeft me meestal wel voldoende kracht om weer een tijdje met mezelf en mijn kleine wereld om te gaan. Daarmee wil ik niet zeggen dat er niets anders bestaat dan “ikzelf en mijn kleine wereld”. Ik voel het aan zoals Walt Whitman: ik ben een kosmos, ik omvat veel dingen. Daar maak jij ook deel van uit, lieve vriendin, lieve vriend, lieve lezer. Maar ook de verwoesting van Aleppo en Mosul en veel van het andere vreselijke dat zich voordoet. Waarom kom ik toch zo graag bij jou, vroeg ik. Omdat je hier helemaal vrij bent, antwoordde ze. Ik zweeg even maar vond dan toch de moed om iets over met haar vrijen te mompelen. Normaal zou zoiets nooit in mijn hoofd opkomen, daar ben ik veel te schuchter voor. Maar nu had ik het gezegd, ook al was het maar een woordspeling. Ik bedoel wel vrij om te zeggen wat je wilt, zei ze, na een korte stilte. Ik schoot in de lach, zij ook. Natuurlijk, zei ik, ik maakte een flauwe grap. Ik vind ‘The Leftovers’ een geweldige serie, zei ik. Heb je daar al iets van gezien? Meestal als ik naar boeken of films verwijs en haar vraag of ze die gelezen of gezien heeft is het antwoord negatief. Dan ben ik altijd enigszins teleurgesteld. Ik weet zo weinig over haar, zo weinig. Op een keer, toen ze in een vertrouwelijke bui was, zei ze me dat ze van Trixie Whitley hield. Wat een ontgoocheling! Maar ik geloof niet dat ze dat heeft gemerkt. Meestal vertel ik haar alles wat er in mijn hoofd opduikt, maar er zijn grenzen. Ik twijfel niet aan haar intelligentie ook al heeft ze Daniel Menaker’s ‘De behandeling’ niet gelezen of ‘Het rijk der zinnen’ niet gezien. Meermaals probeer ik haar duidelijk te maken dat ik onmogelijk ‘neen’ kan zeggen, waarop zij steevast antwoordt dat ik dat wel kan. Jij kunt heel goed ‘neen’ zeggen, zegt ze dan. Waarop ik me telkens moet bedwingen om niet de slappe lach te krijgen, vraag me niet waarom. Op een gegeven moment dacht ik dat ik haar zag slapen. Je bent niet aan het luisteren, zei ik. Jawel, zei ze, en ze herhaalde de laatste zinnen die ik uitgesproken had.

SanFranciscoErdbeben1906.jpg

Daarna stond ik opnieuw in de lelijke straat met de lelijke flatgebouwen waar de onbereikbare mensen lopen en de vreselijke auto’s voorbijrazen. Met mijn hoofd nog in een soort van mistig gebergte stak ik de straat over naar de bushalte. Ik was gehaast want een half uur later zou ik na drie maanden ontbering nog een keer mijn hartsvriendin zien. We hadden al heel wat afspraken moeten afzeggen wegens ziekte van een van ons beiden, hevige regens, hittegolven, gijzelingen en een aardbeving met een magnitude van zes op de schaal van Richter. Daarover gaat mijn volgend verslag. Nog één of twee keer slapen. En vooral wakker blijven, want het leven is kort.

Ω

*Carter: niet president Jimmy Carter maar “omhulsel, huis waarin de kruk of –excentriekas van een motor ligt, genoemd naar J.H. Carter (geen lid van the Carter Family).

Afbeeldingen: ‘Young Adam’, David McKenzie; ‘The Grapes Of Wrath’, John Ford; ‘Pscho’, Alfred Hitchcock; Tekening Ever Meulen; Aardbeving San Francisco, 1906.

 

BRIEF AAN DE VRIEND DIE IK NOOIT HAD

Jef_Lambrecht_photo_M_HKA1.jpg
Brussel, 18 februari 1996.

 

Beste Jef Lambrecht,

Ik ben vorige dinsdag in het Paleis voor Schone Kunsten naar je uiteenzetting over de stem komen luisteren. Jasper Grootvelds stem viel wat tegen, maar je tekst kon niet stuk. Het was bijzonder boeiend en fascinerend. Je hoort niet vaak spreken over bijvoorbeeld Somalische dichters. Veel ideeën waar ik in de jaren ’70 mee bezig was, zijn opnieuw gaan opborrelen. Ik moest onwillekeurig denken aan Antonin Artaud, aan Robert Graves.

Omdat ik je tekst zo prachtig vond, zou ik hem graag eens lezen. Is hij ergens gepubliceerd? Of zou je mij een kopie kunnen bezorgen? Of mogen wij hem alleen maar horen?

Vind je echt dat we moeten kiezen voor het gesproken woord – tegen de letters? Als dat zo is, dan kan ik het niet. Dan kies ik voor de twee. Mijn uitverkoren dichter is Hölderlin – maar ik zou van zijn gedichten niet veel begrijpen als ik ze niet zou kunnen lezen op papier. Maar ik houd ook van populaire muziek (rock, blues, soul, country) en in dit geval denk ik dat het veel met de stem te maken heeft. Bij de beste platen van Bob Dylan (zoals ‘Blonde On Blonde’) zaten overigens geen tekstvellen. Dat was terecht. Je moest – en moet nog steeds – er naar luisteren. Ray Charles’ I Got A Woman. Stem. Bepaalde gedichten van Apollinaire : tekst (en beeld). Enzovoort.

De geschreven taal is waarschijnlijk al aangevallen vanaf haar ontstaan. De god van het schrift is de god van de dood (Thot bij de Egyptenaren). De afkeer van Plato voor het schrift is alom bekend (voor Plato is het geschreven woord = vergif). Maar het valt op dat het bijna altijd filosofen, schrijvers en dichters zijn die de geschreven taal als iets negatiefs ervaren (Rousseau in ‘Emile’, Nietzsche in ‘Von Nutzen und Nachteil der Historie fur das Leben’). Mannen die dikke boeken hebben geschreven.

Schrijven werkt vergeten in de hand. Je vergeet en gaat zwerven (desnoods in de taal). Of dwalen. “Dwalen helpt.” Afwachten, met een voorgevoel van iets onbestemds. Maar ik dwaal af, denk ik.

Je ziet wat je hebt wakker geschopt. Maar ter zake: zou je zo vriendelijk willen zijn mij je tekst te willen toesturen. In ruil daarvoor stuur ik je mijn (nog niet gepubliceerde) dichtbundel, Nachtbruid.

Hartelijke groet,
Martin Pulaski

Jef_Lambrecht_photo_M_HKA2.jpg

Afbeeldingen: uit de tentoonstelling VER BANDEN #1 van Jef Lambrecht.

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.

sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we – voor het eerst met de versterker op 10 – de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.

Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.

0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg

In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik – van de hand van Wouter Hillaert – dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg

*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes