20 SEPTEMBER 2009

Ik herinner mij de autovrije zondagen van meer dan tien jaar geleden. We dachten, onnadenkend, in relatieve vrijheid te leven. Oorlogen leken stilaan af te lopen. We schreven gedichten over de liefde. ‘Cynthia, liefde van mij heeft jou overdreven geprezen; blozen moet ik om mijn lied dat jou verhief tot een ster.’ Hope Sandoval was de echte blauwe engel. Op mijn ouders na leefde zowat iedereen nog. Koesterde ik illusies? Dacht ik niet dat geleidelijk aan alles beter zou gaan, al was er altijd het vooruitzicht van de dood? Die we met een kwinkslag en een glas wijn aan de kant konden schuiven. Niets om je nu al zorgen over te maken.
In 2009 maakte ik me weinig zorgen, al was ik toen ook al wel boos op gebouwen en op wie ze bouwde. Als ze lelijk waren dan toch, en dat waren ze maar al te vaak. De autoloze zondagen in Brussel leken er zomaar te zijn, niet omdat het moest. Op koude dagen was het in onze kamers warm en lazen we daar gedichten van Federico Garcia Lorca en van de toen nog onschuldige Lucebert. Het was de beste tijd. Wisten we veel dat de slechtste tijd in een oogwenk al zou aanbreken. Wat valt er nog te redden? En dan nog: wie zal het doen?

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 20 september 2009

BLONDE ZUS VAN ME

Je kuste me bij de oude brug over de Zuid-Willemsvaart,
Blonde zus van me.
Je bracht me kersen die me niet mochten smaken,
Blonde zus van me.
Jonge dwaze gek, ik, blind voor je bloesems, je ogen.

Je ogen op dat ogenblik.

Want er was Belinda, die verloofd was.
Ik loofde oudere meisjes, wilde met ze trouwen.
Met Belinda ging ik betere bruggen bouwen.
Alle formules had ik uit het hoofd geleerd,
De woorden voor de akten her en der bijeengestolen
Toen ik onder de appelboom in de boomgaard
Bij de verweerde bunker met mijn boeken lag.

Daar waar de wind nooit bitter waait
En in stilte de regen neervalt
Op het blauwe gras dat alleen daar groeien kan.
Daar en naar ik later vernam ook in Kentucky.

Ik wilde je zo gauw mogelijk in grote steden vergeten,
Voldoende ver weg van wat daar zo woekert ’s nachts,
Als het water kil is en gevaarlijk elk geheim ontluistert.

Blonde zus van me.
Nu ben je hier bij me in mijn lege armen.
Belinda is vergeven en vergeten.

Ω

*Klasseer onder country & western.

“Judas!”
“You’re a liar. I don’t believe you…”
“Play fucking loud.”
“Once upon a time…”


IRIS

Wat bleke keien op de opgegeven rafel strand
praten met je over de verdiensten van een oudere zee.
Ze laten je echo’s horen van haar uitgestorven golfslag.
Van het ruisen van een vergeten woordenstroom.

Meeuwen met hun veren grijs van de wolken
hangen bedaard boven het vale helmgras.
Ze wachten je voorbijgaan af, je terugtocht.
Dan opeens lijken ze om iets te willen gillen.

In je hoofd, zeg je, is niemand willen blijven.
Minnaar, dier, ding, niets roept je terug na je veldslag.
Je hebt geen gisteren, Iris, je hebt geen naam.
Daar ga je dan, niet in spijt, niet in uitgewist wit.

ANTIGONE/SUNSHINE SUPERMAN, ZOMER 1968

Ik was de andere, hij die achttien zou worden.
De jongens in het grijs noemden mij Kleurentelevisie.
Voor een handvol kenners was ik Mister Pitiful.
Ik was een naïeve, bange, moedige jongen.
Ik was een zoon, geen dochter.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Ik wist niet wie of wat ik was.
Was ik dan geen man, geen Bo Diddley?

Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou in een studio Antigone spelen.
Een stukje Antigone, niet het hele stuk.
Ik moest een meisje worden.
Een meisje in de gebrandmerkte huid van een vrouw.
Eerste huid, tweede huid, derde huid.
Wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van, dacht ik.

De wereldlingen sliepen in bronzen dromen.
Hoorden zij hun onheilspellende klokken luiden?
Onderdanen op zoek naar hun begeerte.
In hun spiegels was er weinig aan de hand.
Er was gretigheid, er werd goed geld verdiend.
In dorpen en steden sliepen zij voldaan en voldoende.
De tijdgenoten, de ouders, de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de oude wetten spelden.

Ik was achttien, bitter, en wist weinig, niets.
Ik wist niet dat ik een antieke Griekse worden zou
Die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
Haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen, laurier was louter woord.
Ik was niet meer dan een naam, een voornaam.
Een titel op een briefomslag.
Niet meer dan een geur in moeders keuken.
Waar ik mijn Grieks meisje lange brieven schreef
Over hoe we in grotten zouden dansen bij een zachter vuur.
Ik was Sunshine Superman, wisten jullie dat niet?
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik haar in het blauw.
Naar de overzijde, waar wonderlijke asters bloeien.

Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Zo viel ik in een even donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de vruchtdragende bomen.
In de boomgaard onder de appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het zoetere water.
Daar aan dat zachte water ging ik zitten wachten.
Ging ik de as van mannen en vrouwen,
Ging ik de as van tijd en ruimte uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen zijn zou van zijn absurde wonden.

Tongeren, mei 1968


De eerste versie van dit autobiografische en mythologische gedicht lijkt te zijn ontstaan op 24 april 2008, al vermoed ik dat er eerdere versies waren, maar zeker ben ik daar niet van. Sommige gedichten zijn nooit af. Of is niets ooit helemaal voltooid? De titel was toen ‘Ongetwijfeld Antigone (in 1968)’. Op 10 september 2017 publiceerde ik hier een nieuwe versie met als titel ‘Een jongen in de huid van Antigone’. Ik had het gedicht toen meer helderheid gegeven, eenvoudiger gemaakt. Mogelijk wilde ik de autobiografische aspecten ervan meer benadrukken.
De versie van vandaag heeft als basis het gedicht van 2008. Ik kreeg het gisteren toevallig onder ogen en was er weer een keer niet helemaal tevreden mee. Er ontbrak kleur, levendigheid, beweging aan. Het was te abstract. Ik heb er enkele autobiografische toetsen aan toegevoegd en het meer historische en politieke achtergrond gegeven. Ik heb het zowel aan de tijd (1968) onttrokken als er, door enkele culturele referenties, meer in ondergedompeld. Van de donkere slaap van Antigone heb ik tegelijk die van de dichter gemaakt. Het Griekse meisje naar wie ik in 1968 brieven op luchtpostpapier schreef, heette Helena en woonde in Istanbul. Ze was een Turkse onderdaan. Ik heb nooit geweten wat er met haar is gebeurd en zal dat ook nooit weten. Als zij sterft zal ik haar niet begraven en als ik sterf zal zij mij niet begraven. Alleen met de dood komt de voltooiing.

WOLF TUSSEN MENSEN (EEN VERZAMELING)

Berlijn, 14 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski.

Bij de werken van Anselm Kiefer in Hamburger Bahnhof

Ook deze zomer ontsnapt weer aan het reservoir
De zelfgenoegzame zanger. Zijn verdronken lied
Uit negentienzevenenzestig dat je meezong
Als je wandelde bij de rivier en droomde –
Van Istanbul, een huis daar, waar jij in rijkdom sliep.

Jaren later zoek je de zomer op in gidsen
Waarin gevaren wordt, gevlogen, per trein gereisd
Via tunnels, vulkanische resten, bergwanden.
Zinnen, woorden, mythologieën vervoeren je
Van Astridpark naar warme Gendarmenmarkt.

In de Hoofdstad wordt weer geleefd als vroeger.
Perfect zijn de verbindingen van A naar B naar C.
Exquis dineren met greco di tufo en grappa
Onder Italiaans maanlicht in de Auguststrasse.
Aan de overkant lonkt restauratie, toekomstkunst.

Zondagmorgen aan Bodemuseum wat boeken:
Fontane ingebonden, in kleine letters de goede Hesse.
Voor de ware verzamelaar insignes, spelden, petten.
Van betekenis bevrijd, in bittere rook voltooid.
Freedom’s just another word, roept een button.

Verderop na de lunch volg je de geletterde gids.
Kijk, hier woonde de Wolf, staat er geschreven.
En daar dook hij onder. Ginds stond zijn bunker.
Daar, ja daar, werd zijn gebeente gevonden,
Dat van zijn Eva, zijn getrouwen, hun kinderen.

Alles brutaal opeengehoopt in een onmogelijke sage
Van een totaalkamp, een ondoorgrondelijke mythe.
Haar donkere hiërogliefen ouder dan het Wonder.
Het vuurwerk doofde, het brandhout raakte op.
Doden blauw van kleur losten op in nacht en nevel.

Op het Museumeiland loop je voorbij aan
Babylons rivieren, waar achter gouden poorten
Lelieblanke maagden wachtten. Maar herinner je
De psalm die pop werd voor extasejongeren
In tribale tenten bijeengekomen – voor wie?

Je keerde terug naar Anselm Kiefers Duitsland,
Zijn vocabulaire, zijn loden boeken, zijn sterren
En sperma. – Onverzadigd uit de jaren tachtig gekomen
Met Dada!, en Neu! En Kraftwerk! en Bauhaus!
Ging je op zoek naar – een handvol vrome leugens.

Of hoe wil je de uitgewoonde woorden noemen
Op bijschriften die je verklaren wat Anselm Kiefer ziet?
Hoe kun je zeggen wat daarna waar is in jou
En wat waar is in de van geruchten gonzende wereld
Lang nadat het gebrul en gebral als op bevel verstilde?

Als je zelf alleen maar een boom bent die omvalt.
Als je zelf alleen maar een tak bent die breekt.
Als je zelf alleen maar een blad bent dat wegwaait
Naar Berlijn, naar Istanbul, naar een Civitas Solis,
Naar waar het echte leven is en geen mens ooit omvalt.

7 februari 2022

[Bewerking van Een bleke zomer in Berlijn, 27 augustus 2008.]

Op de foto zie je een foto die Herbert Tobias maakte van fotomodel en latere actrice en chanteuse Nico.

DE STEMBANDEN VAN EEN ELVIS-FAN

Het was een dag vol nevel, grijze schimmen en nachtschade, rooddoorlopen ogen, kleurloze haren, vergeefse handen. Te kleine huizen leken weg te glijden richting afgrond. Waarom hing er was aan de waslijnen op de koertjes? Enkele vlaggen als geschilderd in grisaille, stil. Een gele flits uit de grijze hemel maakte  concentrische cirkels rond een gehaaste kobaltblauwe regenjas. Een flits en dan weer hetzelfde tafereel van voor de flits, alsof er geen tijd meer was.

Mijn blik viel op het in mist gehulde flatgebouw aan de overkant. Dat ging almaar meer overhellen, alsof het gebukt ging onder de zorgen van zijn bewoners. Door een raam van een van de studio’s kon ik een Elvis-fan op zijn bed zien liggen luisteren naar Only the Strong Survive. Ik hoorde het lied tot hier en zag de lippen van de jongen op het bed meebewegen. Dan leek hij mij te willen roepen, maar hij had er de adem niet voor. Had hij dringend hulp nodig? Opeens klonk er dan toch stemgeluid. Ik zag zijn stembanden trillen. Ik hoorde het bewegen van zijn woorden. Ik hoorde golven breken op de kusten van Nova Zembla.

Nu nog hoor ik ze buigen, trekken, grijpen, lossen, strelen, spartelen, spelen, sissen, spuwen, gruwen. Nu nog hoor ik in die klanken iets van zijn vochtige ogen, het donkerblauwe verdriet ervan, het gemis, het snakken naar een bruid, de hunker naar een van die eerste huwelijksnachten. Of meer nog naar het mysterie daarvan.

Sint-Joost, 1975 – Anderlecht, 2022

VANOP EEN AFSTAND

Saint-John Perse

Hoewel objectiviteit niet bestaat moet je desalniettemin af en toe een poging ondernemen om het geheel – of in dit geval een klein onderdeel daarvan – vanop een afstand te bekijken. Wie schrijft, zeker wie fictie schrijft, en dagboeknotities zijn net zo goed fictie als een verhaal of een roman, wordt tijdens die eerder passieve activiteit telkens weer ondergedompeld in zijn lotgevallen, beproevingen en pleziertjes allerhande. In de stadia op zijn levensweg. Het is voor een mens erg moeilijk om in de spiegel te kijken en te zien wie hij is. Zelfs al heeft die mens gedurende twintig jaar en meer zijn lot in de handen gelegd van een psychoanalyticus en daar veel geld in geïnvesteerd. Ook al verandert hij voortdurend blijft hij toch altijd die bepaalde mens.

De laatste dag was aangebroken van Martins en Senga’s verblijf in de Provence. De voorraad zonnige en al bij al gelukkige dagen was bijna opgebruikt. Al was het voor Martin erg moeilijk om afscheid te nemen, sinds zijn achtste levensjaar leed hij aan een nogal ernstige vorm van verlatingsangst, moest dat nu toch gebeuren. Hij moest zich losrukken uit een sfeer van licht en onbezorgdheid (al waren er meer dan eens kopzorgen over geld en gezondheid geweest). Voor Senga zal het niet erg anders geweest zijn, al kon Martin dat niet met zekerheid zeggen, hoeveel hij ook van haar hield en hoezeer hij zich inspande om haar te begrijpen. Martin was bovendien nog young and foolish en vond zichzelf, in weerwil van zijn twijfels en soms zelfhaat, tamelijk belangrijk. In zijn gevoelswereld was er nog niet veel ruimte voor wat omging in zijn geliefde, zijn zoontje, zijn ouders en zijn vrienden. Het is best mogelijk dat Martin meer uitkeek naar de terugkeer naar zijn werkkamer, zijn schriftjes, zijn Smith-Corona en zijn boeken dan naar het weerzien met zijn verwanten. Het nachtleven in Antwerpen had hij geen seconde gemist.

Het was woensdag 25 juli, het putje van de zomer. Senga voelde zich nog steeds wat slap en had lichte koorts. Toch was ze ’s morgens mee gaan zwemmen in het kleine zwembad van camping Chanteclerc. Het water was even helderblauw als de lucht, en melkachtig zacht. Omdat het helemaal niet druk was had hij weinig zin om er weer uit te komen, terwijl Senga toch al onder de douche had gestaan en zich afgedroogd. Het water hielp tegen de kleine kater die hij overhield van wat teveel rosé de Provence, gisteravond voor het slapengaan. Gelukkig – of ongelukkig – was de wijn hier goedkoop. Degelijke maaltijden waren voor Martin en Senga een groter probleem. Hun budget stond hen alleen nog maar het nuttigen van de inhoud van een blik ratatouille toe. Maar dat smaakte prima in de bedwelmende Zuiderse lucht, met als achtergrondmuziek het gezang van de cicaden. Daarna in de tent had Martin om de melancholie van het afscheid te verdrijven aan Senga Willem Elschots Kaas naverteld.

Na de vroege zwempartij zochten ze voor het laatst de stad op. Opnieuw liepen ze over de elegante Cours Mirabeau en bewonderden er de architectuur. De oude stad had iets Italiaans; in ieder geval waren er gelijkenissen met de weinige Italiaanse steden die zij al hadden bezocht. Zelfs in de smalle straten baadden de huizen in helder licht. Martin vond dat de hele stad een hymne zong. Hij wist natuurlijk wel dat er buiten deze oude kern een lelijk nieuw gedeelte, vooral bestaande uit goedkope woonblokken, bestond, maar daar probeerde hij niet aan te denken. In zijn eigen land was er al voldoende lelijkheid om zich druk over te maken. Wat was het hier ook zoveel aangenamer dan op de camping, zo laag-bij-de-gronds en druk; een foeilelijke vlek in die idyllische omgeving. Als hij hier rondslenterde dacht hij geen ogenblik aan de kampeerders die daar de hele dag lagen te bakken in de zon. Die hele vulgaire wereld van het kamperen bestond niet meer voor Martin. Overigens hadden hij en Senga zich voorgenomen om nooit meer met een tentje op reis te gaan. Nog veel liever in een stoffige kamer tussen de kakkerlakken logeren dan op een kampeerterrein je vrijheid en, nog erger, je eenzaamheid prijsgeven. Kamperen is de manier bij uitstek om een land of stad niet te leren kennen, had Martin gezegd. Toch had hij van in het begin al gevonden dat hij niet zo streng over deze mensen en hoe zij leefden mocht oordelen. Hij en Senga hadden er tenslotte zelf voor gekozen om in de microkosmos van de kampeerders binnen te dringen.

Ze begaven zich naar het stadhuis, waar een tentoonstelling liep over leven en werk van de Franse schrijver Saint-John Perse. Kort voor zijn dood op 20 september 1975 had de dichter en laureaat van de Nobelprijs zijn archief (manuscripten, persoonlijke bibliotheek, memorabilia; meer dan 14.000 documenten) aan de stad Aix-en-Provence geschonken. Korte tijd later was in een gedeelte van het stadhuis de Fondation Saint-John Perse ondergebracht. [1] Martin vond het vreemd dat het archief hier beland was, terwijl de rusteloze auteur op zoveel verschillende plaatsen zowat overal ter wereld had gewoond. Al is wonen wellicht niet het juiste werkwoord. Mogelijk voelde de dichter zich alleen maar thuis in Guadeloupe, een Frans overzees departement in de Caraïbische Zee, waar hij op 31 mei 1887 werd geboren als Alexis Leger – voluit Marie-René Alexis Saint-Léger Leger – en een gelukkige jeugd kende. In 1899 kwam er een einde aan deze idyllische tijd: zijn familie vestigde zich in Frankrijk. De jonge Alexis studeerde er rechten en volgde daarnaast lessen in natuurkunde, botanica, geologie, mineralogie, neurologie. Hij was rusteloos van aard, veelzijdig, gefascineerd door alles wat de aarde te bieden had. Zijn beroepsleven, Alexis Leger was een vooraanstaand diplomaat, scheidde hij strikt van zijn dichterschap. Toch zal zijn verblijf in onder meer Engeland, China, Buiten-Mongolië, de Verenigde Staten, de Maagdeneilanden, de Bahama’s, Tobago, het schiereiland Labrador, Argentinië, Barbados, Bermuda, Italië, Grenada – en de vele vriendschappen die hij op even zoveel plaatsen onderhield – ongetwijfeld een vruchtbare voedingsbodem hebben gelegd voor zijn werk. Al was er altijd ook nog het verloren paradijs Guadeloupe. Zijn oeuvre bestond voornamelijk uit lange, elegische gedichten in vrije vorm. Onder zijn vertalers – en bewonderaars – bevonden zich T.S. Eliot, Rainer Maria Rilke, Walter Benjamin en Giuseppe Ungaretti.
Martin was niet vertrouwd met het leven en werk van deze wat mysterieuze en hermetische Franse auteur. Hij had wel wat poëtisch proza van hem gelezen maar vond de lange gedichten, geschreven in een grootse stijl, vol uitroepen en incantaties, erg moeilijk. Wel zag hij zowel in dit uitzonderlijk leven als in deze poëzie verwantschap met die andere balling, Arthur Rimbaud. De dichter uit Charleville was mogelijk niet zo veelzijdig, maar zeker even rusteloos en avontuurlijk van karakter. De vorm van Les Illuminations en Une saison en enfer toonde verwantschap met die van gedichten van Perse als Images à Crusoë en Anabase. Martin besefte nu pas hoe belangrijk het werk van Saint-John Perse nog steeds was en besloot om zich er binnenkort als hij weer thuis was in te zullen verdiepen.


Op een pleintje begon net een voorstelling van een opmerkelijk dansgezelschap, Théâtre Chorégraphique de Rennes. Ze zagen een mooie, poëtische en humoristische dans van een man, een vrouw en een stoel. Gesproken werd er niet. Bewegingen en gebaren volstonden om een ietwat absurde wereld te creëren. Alles leek vanzelf te gaan, de acteurs dachten zo te zien niet na bij wat ze deden. De man leek sprekend op de jonge Roman Polanski, zoals Martin zich hem herinnerde uit Le gros et le maigre.

Na afloop van de voorstelling dronken ze nog een laatste glas witte wijn in een café in de rue Maréchal Foch en keken voor het laatst naar de gezellige drukte. Het was vier uur. Tijd om hun rugzakken te gaan oppikken en dan de trein te nemen naar Marseille en vandaar door te reizen naar Parijs en dan – naar huis. Ze hadden nog net genoeg geld, 290 FF, voor twee treintickets tot Antwerpen.

[Nachten aan de kant 55]

290 FF


[1] Sinds 1989 werd de Fondation Saint-John Perse op een andere locatie ondergebracht.

DANTE, LOUTERINGSBERG, CANTO XXVI

Dante met de Divina Commedia in de hand, (1465), Domenico di Michelino, Santa Maria del Fiore, Florence

In Dante’s Goddelijke Komedie vond ik het fragment terug waarin hij verwijst naar Daniel Arnaut en hij de troubadour zelfs aan het woord laat:

Ik kwam de schim, die mij was aangewezen
iets naderbij en zeide, dat mijn liefde
ook reeds zijn naam ’n schone plaats bereidde.”
En openhartig ving hij aan te spreken:
,,Dyn vraghe hovesc clinckt so soet my, here,
dattic myn naeme swygen can noch berghen.
Ic ben Arnaud, bevaen met pyn of blidscap;
peyns ende treure om dwaes-verspeelde daghen,
ende nu schouwe naer de blyde morghen.
Doch dy beswere ic, byder maght des hemels,
waarmee ghy opvaert naer de hoogste trede,
wil myn torment ter goeder uur ghedencken.”
Toen dook hij in de vuurzee, die hem loutert.

Dit fragment uit Canto XXVI van Louteringsberg (soms als Vagevuur aangeduid) van Dante werd vertaald door Christinus Kops. De acht verzen die de Florentijnse dichter in het Provençaals schreef als hulde aan de door hem bewonderde troubadours – en aan de dichter Arnaut Daniel – werden door Kops in het Oud-Vlaams vertaald. Antoon van de Velde maakte er de volgende Nederlandse vertaling van:

En openhartig ving hij aan te spreken:
,,Uw hoofse vraag klinkt mij zo zoet in de oren,
dat ik mijn naam noch kan noch wil verbergen.
Ik ben Arnaud, die aldoor ween en jubel;
Ik mijmer droef om dwaas-verspilde dagen.
Ik zie vol vreugd naar ’t lang-verbeide morgen.
Doch dit bezweer ik bij die kracht-van-boven,
waardoor ge eens opstijgt naar de hoogste trede,
gedenk ter goeder uur mijn bitter lijden.”

STAPELPLAATS

Voor de tijdgenoten

Hij blijft buiten adem staan voor een raam, kijkt naar binnen.

Ziet de ringen, het goud, glinsteringen, maar ziet ze ook niet.

Hun betekenis ontglipt hem, de klare taal van dat gefonkel

vindt geen plaats in zijn driftig volgestouwde stapelplaats.

Hij ontwaart een rivier en in het water hoge wolken.

Haar water dat node het land tussen de heuvels verlaat,

waar het van nut is voor mensen en dieren die komen drinken.

Toch moet het zo gaan. Alle water moet naar de zoute oceaan.

Later, als verderop het Westen de meeuwen lost, schroeit

de zon nog zijn huid, en dan het avondrood altijd eender,

altijd anders, dat hem koortsig naar verloren dagen voert,

naar vrienden die bijna vergeten waren, met hun lange haren

grijzer dan metaal, vermoedt hij. Niet gegijzeld maar mee-

gaand met de dagen alsof dat zo hoort. Eertijds lazen zij samen

woorden van goden. Maar hemel, hoe was dat mogelijk?

Van een god kun je geen letter lezen – en leven.

Zij wendden hun ogen af van de zwendel, gingen hun wegen.

Elk in hun eigen vallei waar toch altijd een eendere rivier liep.

Maar zo ver van elkaar is het vooral de klok die hen aan elkaar klinkt.

Als zij bitter de oude nacht ingaan, met pijn in de leden ontwaken.

Het zware metaal in hun knieën, in de winter een hemel

van staal, maar aan de voet van de heuvels grazende schapen

en honing in de melk als het regent of hagelt of sneeuwt.

Hij ziet weer de zomers op de kermis in het dorp, zondagen aan tafel,

kroenselenvlaai, aardbeien met slagroom, verkoelende limonade.

Moeder op haar zondags, vader met de duiven, hoort hun wilde dialect.

Buiten adem staat hij daar maar het is geen treuren wat hij doet.

Een wind steekt op, de lucht is vochtig. Er valt niets te betreuren.

De dingen gebeuren, waarom weet je niet. Leven is dwaasheid.

Niemand spreekt het geheim uit en een moord is zo gebeurd.

Of je schopt tegen een steen om hem te zien rollen

naar beneden, naar het water van de traag naar zee stromende rivier.

*

Een eerste ontwerp maakte ik op 15 juni 2008 en kreeg als titel mee: Korte stilstand. Deze versie is geschreven met een volstrekt andere kijk op de wereld dan toen- en toch dezelfde. Een van de thema’s van Stapelplaats is “Ten is niet al gout, dat daer blinckt“.

Foto: Martin Pulaski, Esztergom, 17 augustus 2008

VANDAAG

La Gomera, 14 januari 2020

Voor Agnes

Hoe ben jij daar zonder horizon

En hoe ben ik hier dan met alleen wat matte dagen

om af te tellen zonder meer

Als wat lichte sneeuw smelt op gehaaste auto’s

In het grijs getreurde verhaal van vandaag.

Wat vertelden de sterren die je niet zag daar zo uitzichtloos

Die ik niet zag vanwege veel grauwe wolken

De hemel ook nu nog donker en rafelig de rook

Uit de schoorstenen hier tegenover

Een meeuw, twee meeuwen zie ik

En dan verlies ik de draad in het licht van de lantaarns.

Weet je nog wat ik tegen je zei

Twee dagen geleden

Terwijl ik wees naar de tuin van de buren

Wat ziet die appelboom er nu doods uit

Zo zonder kruin

En die tuin van ons, wat een modderpoel

Hier groeit nooit meer gras

En we dronken nog een glas

Was het witte of was het rode

Daar wordt het sombere tafereel al vager

En zelfs een weinig vrolijk.


Vergeet die corona maar mijn liefste

Je hart is de kroon op je werk

Sterk slaat het tegen de harde gebaren van deze tijd

Sterk omhelst het nu al in het klein en nog wat smal

Een nieuw met het hoofd omhoog geheven leven.

14 1 2021

BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

Met Amsterdamse vrienden, Vossenplein, Brussel, 1971


[Nachten aan de Kant 33. Mei-juni 1979]

Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein

Hoe lang is het geleden dat ik je nog schreef? Meerdere maanden? Daar is maar één verklaring voor: ik kan het niet meer. Mogelijk wil ik het zelfs niet meer. Waarover zou ik wel schrijven? Er is een soort onverschilligheid en zelfs apathie – als het al geen lethargie is – in mijn ziel naar binnengeslopen. Weinig in de wereld boeit me nog werkelijk, weinig van wat om me heen gebeurt weet mijn enthousiasme te wekken. Nog niet zo lang geleden schreef ik brieven in buien van euforie en wat ik vervoering zou durven te noemen. Muziek was dan een belangrijk element om dat enthousiasme aan te zwengelen. Het ritme van wat eerder bedoeld was als achtergrondmuziek bepaalde het ritme van mijn woorden, melodieën kregen contouren en stemmen kleur, en vonden zo de weg naar de zinnen die op het papier verschenen en gingen er deel van uitmaken.

Toch waren mijn epistels niet bepaald verheven. Ik schreef over alledaagse dingen, over wat er in ons huis en in de wereld gebeurde. Mijn leven had zin omdat ik wist dat ik deel was van een groter geheel. Lange tijd voelde ik mij sterk betrokken bij wat tegencultuur werd genoemd. Je herinnert je zeker nog hoe ik dat boek The Making of a Counter Culture van Theodore Roszak heb verslonden? Nu vind ik het moeilijk om de emoties die met dergelijke verwantschap en betrokkenheid gepaard gaan te beschrijven. Een voorbeeld: kwamen studenten in de Verenigde Staten op straat tegen onrecht, zoals naar aanleiding van de brutale moord door de National Guard op een aantal studenten aan de universiteit van Ohio, dan voelde ik mij met hen verbonden. Hun strijd was mijn strijd. De emoties die zich bij hen roerden, roerden zich bij mij ook, of dat vermoedde ik toch.

Nu is dat gevoel van verbondenheid er niet langer: een tegencultuur lijkt niet meer te bestaan, bij een politieke partij, hoe links ook, kan en wil ik me niet aansluiten, terrorisme keur ik af, punk en new wave vind ik oppervlakkig en modieus. Wat er nog aan opstandigheid overblijft lijkt me onecht, niet veel meer dan gestes en poses. Kijk maar eens naar de aansteller Johnny Rotten. Het vuur van de bezetenheid ontbreekt. Waar zijn de enragés? De punks zijn sympathiek maar omdat zij de cultuur in haar geheel lijken te verwerpen kan er van een ware verstandhouding tussen ons geen sprake zijn. Ik heb de indruk dat punks liever spuwen op boeken dan ze te lezen, al zullen er uitzonderingen zijn. Zij begrijpen mij niet en waarschijnlijk begrijp ik hen niet. Als punk al een beweging is dan is ze er een van onbezonnen anarchisten en nihilisten. Van punks hoef ik geen antwoord te verwachten op mijn vraag naar een nieuwe gemeenschap waar ik, zonder mijn eigenheid op te geven, deel van zou kunnen worden. Ik vermoed dat ik zal moeten leren leven met de geestelijke eenzaamheid die nu mijn lot is. Begrijp me niet verkeerd: ik heb heel wat vrienden die me veel geven en die veel voor me betekenen. Een groepje vrienden en genossen – om het woord van Hölderlin te gebruiken – vormt echter geen gemeenschap. [1]

Lieve vriendin, het spijt me dat dit allemaal weinig opbeurend klinkt. Ook al kan ik geen brieven meer schrijven zoek ik toch nog naar andere vormen van communicatie. Voorlopig zonder resultaat. Mijn literaire teksten zijn te ingewikkeld en te idiosyncratisch om ermee tot de andere – ook tot jou – door te dringen, om hem of haar deelachtig te maken aan mijn innerlijke wereld. Mijn vriend Giuseppe zegt al langer dat ik me wat dat betreft in een doodlopend straatje bevind, dat ik eenvoudiger moet gaan schrijven en bij misdaadauteurs zoals Raymond Chandler, Dashiell Hammett en Patricia Highsmith in de leer gaan. Ik weet het niet. Zeker wil ik uit deze toestand van apathie geraken. Ik wil koste wat het kost vermijden dat ik vast kom te zitten. Werken, schrijven dus, betekent samen met liefde en seks voor mij alles. Nee, dat is niet helemaal waar want ik verlang natuurlijk ook naar die andere, voorlopig onbereikbare gemeenschap. Ik wil me blijven verzetten tegen elke vorm van conformisme. Het grootste gevaar dat me bedreigt is berusting in een onleefbare toestand, die waarin het vonkje van de geest voor goed is uitgedoofd. Dat mag niet gebeuren. Het werk bij de filosofische kring Aurora kan me op weg helpen, maar ook daar zijn we geïsoleerd. Filosofen, schrijvers en kunstenaars in een stad van leeghoofden, dichters in een contrei van dronkaards.

Nietzsche in De vrolijke wetenschap: “Ik doe telkens weer dezelfde ervaring op, en ik verzet er me telkens opnieuw tegen, ik wil het niet geloven hoewel de bewijzen voor het grijpen liggen: het overgrote merendeel der mensen heeft geen intellectueel geweten; ik heb zelfs vaak de indruk gehad dat wie iets dergelijks zou willen eisen in de dichtsbevolkte stad zo eenzaam zou zijn als in de woestijn.”

Het ga je goed!

PS: Herinner je je Luc V. en Hilde nog? Vandaag trouwen ze. We gaan naar het feest en het zal nog maar eens een lange nacht worden. Vreugde in het hart en veel dode hersencellen.

[1]
Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
Friedrich Höldelin, Brot und Wein

TUTTI FRUTTI

little richard

Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?

Dita: Dag Marius. Je hebt het toch gehoord van Little Richard? De Quasar of rock, aldus zijn biograaf Charles White…

Marius: Hoe vertaal je dat eigenlijk, Quasar? Ach wat maakt het ook uit, dood is dood. Paul McCartney noemde hem one of the greatest kings. Wat een verlies, Dita. Samen met Chuck Berry was hij toch wel de grootste van allemaal, ook al was hij eerder klein van gestalte.

Dita: Een paar dagen geleden ontvielen ons ook al Florian Schneider en Millie Small.

Marius: Het is godgeklaagd. Zeg Dita, heb je al opgemerkt dat er een diepere verwantschap bestaat tussen Little Richard, Florian Schneider en Millie Small?

Dita: Bedoel je hun dada-achtige poëzie, hun repetitieve stijl?

Marius: Ja, dat bedoel ik. Luister maar eens naar Little Richards True Fine Mama. Dat pareltje is tekstueel niet veel meer dan dit: Honey, honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey /Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey.

Dita: Perfect. En Autobahn van Kraftwerk dan, dat gaat zo: Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn / Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn

Marius: En dan hebben we My Boy Lollipop nog niet gehad:  Oh, my boy lollipop / Oh, my boy lollipop / My boy lollipop.

Dita: Tschernobyl, Harrisburgh / Sellafield, Hiroshima /Tschernobyl, Harrisburgh / Sellafield, Hiroshima.

Marius: Radioactivity… Hoe absurd. Ik zocht de tekst van Tutti Frutti.  Wat nu… Een nummer van Pat Boone, staat er. Kun je dat geloven? Pat Boone? Ze hadden er even goed Charlton Heston of Ben Hur van kunnen maken. Maar goed, de tekst ken je wel, denk ik. Die gaat zo:

A-bop-bop, a-loo-mop, a-lop-bop-bop / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / A-bop-bop, a-loo-mop, a-lop-bop-bop.

Dita: Geweldig, een van de indrukwekkendste dadagedichten ooit geschreven. Maar ik vraag me al heel lang af hoe je dat awopbop etcetera moet spellen. Bestaat daar consensus over, een draagvlak bedoel ik.

Marius: Dat kan ik je via de telefoon moeilijk verklappen. Ik stuur je wel een mailtje. Zelf baseer ik me op Nik Cohns onovertroffen boek Awopbopaloobop Alopbamboom: Pop From the Beginning, uit 1969. Ken je dat?

Dita: Wat dacht je, Marius? Over the Rolling Stones schreef hij “if they have any sense of neatness they’ll get themselves killed in an air crash, three days before their thirtieth birthdays.”

Marius: Dat geloof ik niet.

Dita: Dat ik dat uit het hoofd ken? Nee, ik heb het boekje hier niet zo toevallig liggen. Ik wilde nog eens nalezen wat Nik Cohn over Little Richard schrijft. Zo spel jij dus Awopbopaloobop Alopbamboom?

Marius: Ja. Dat is de eenvoudigste manier, vind ik. Zeg Dita, wat vind je van deze oefening in Dada: It’s not because the money you have is only chicken feed / It’s because I know I’m not the only chicken you feed / I don’t care if a boy has barely enough to feed me /I just wanta know that I’m the only chicken he feeds.

Dita: Van wie is dat?

Marius: Een single van Millie, maar wie de auteur is weet ik niet. Een kennis van me schreef naar aanleiding van haar dood nogal denigrerend over Millie. Hij vond dat de openbare omroep daar geen aandacht aan had moeten besteden.

Dita: Wat! Dat kan toch niet. Millie heeft ons destijds zoveel plezier bezorgd. Die kennis van jou zou toch moeten weten dat zij in de UK en ook bij ons de bluebeat heeft geïntroduceerd en op die manier een wegbereider voor ska en reggae is geweest.

Marius: Wind je maar niet zo op, Dita. Maar je hebt natuurlijk gelijk.

Dita: Wil die kennis dan nog wat meer sport op de openbare omroep? Fuck sporza, zeg.

Marius: Nee, de man is echt wel oké. Ik denk dat hij Millie niet goed kent. Dat is alles.

Dita: Weet je wat ik ook schitterend tekstregels vind? Niet helemaal dada, maar toch. Ze zijn van Big Joe Turner: Now flip, flop and fly / I don’t care if I die / Now flip, flop and fly / I don’t care if I die /Don’t ever leave me, don’t ever say goodbye.

Marius: Geweldig. Zullen we het hierbij laten, Dita? Ik wil graag nog wat in het boek van Charles White lezen.

Dita: En ik ga platen van Little Richard beluisteren. Las net dat zijn album The Rill Thing zo goed is. Het was een soort van comeback uit 1970 op Reprise.

Marius: Little Richard op het label van Frank Sinatra?

Dita: Dat is toch niet zo uitzonderlijk. Captain Beefheart zat daar toch ook een tijdje op?

Marius: Captain Beefheart! De allergrootste dadaïstische rocker… Alleen al Beatle bones and smokin’ Stones:  The dry sands fall /  The strawberry mouth; strawberry moth; strawberry caterpillar / Strawberry butterfly; strawberry fields / The winged eel slither on the heels of today’s children / Strawberry feels forever.

Dita: Wanneer zou onze favoriete wijnbar weer opengaan?

Marius: Het zal nog wel even duren maar ik kijk er naar uit. Mondmasker of geen mondmasker.

Dita: Halsreikend?

Marius: Halsreikend.

IN DE ARMEN VAN DE RIJKE AARDE

kinderjaren 2 001 (5)_edited

Een ervaring is voor jou alleen maar echt als je ze in woorden hebt uitgedrukt. De ervaring moet op een wit blad of op een scherm bewezen worden. Als dat niet lukt ben je ongelukkig. Het lijkt er dan op dat je niet leeft, niet hebt geleefd. Maar als je schrijft leef je niet, dan schrijf je.

Er kunnen weken, zelfs maanden voorbij gaan zonder te schrijven. Wat hebben al die woorden nog voor zin? Elk argument is goed om de woorden uit de weg te gaan. Alleen al denken aan een zin, en dan ook nog eens aan een paragraaf, maakt je moe, geeft je goesting om weer te gaan liggen. Je wordt er moedeloos van. Je wordt moedeloos van het niet-schrijven dat niet-leven is, en je wordt moedeloos van het schrijven dat eveneens niet-leven is.

Je zou willen verdwijnen in het moment, in het daaropvolgende moment, in elk ogenblik van de tijd. Jezelf worden in wat je omringt en omvat. Zonder meer. Zonder woorden, zinnen, paragrafen. Zonder doelstellingen, ambities, zonder hunkering, zonder behoefte aan bijval. Het aaneenrijgen van woorden is altijd een vraag om liefde. Wat zou je graag door het leven gaan zonder naar liefde te verlangen. Is het mogelijk alleen maar liefde te geven? Is het mogelijk zonder liefde te krijgen en zonder liefde te geven te leven?

De bomen staan nu zo in de belangstelling. Je hebt kort na je begin vier jaar lang tussen de bomen geleefd. Je hebt er god gevonden en ook weer verloren. Je kende de namen van de bomen. Je was een gevangene van de bomen. Nog steeds ruik je hun geur, alle schakeringen ervan. De geuren die elk seizoen anders waren ruik je nog. Hoewel de bomen je gevangen hielden riepen ze dromen en verlangens bij je op. De bomen maakten je gelukkig. Ze waren de taal van de aarde, maar dat besefte je toen nog niet. Was er nog een andere, bedachte taal nodig? De bloemen in de lente waren gedichten. Als je terug zou keren naar de bomen, naar de bloemen in het bos, zou je wellicht gelukkig zijn. Weg van de woorden, weg van de vergezochte taal met al haar noodlottige stijlmiddelen. Voor altijd tussen de bomen. In de armen van de rijke aarde.

Afbeelding: Marina B. in de bossen van Rekem, omstreeks 1962

IK KENDE JE NIET, LOUISE VANDER MEERSEN

Voor Louise Vander Meersen

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Een tragisch voorval voerde je mijn leven binnen.
Een doodgewone alledaagse man,
Een van de vele racers hier in onze straten,
Reed je van het zo vaak begane pad
En slingerde je tot in niemandsland.

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Dame met het hondje, eenenvijftig jaar.
Het wandelen voor goed ten einde.
Nooit zullen wij elkaar hier nog eens ontmoeten,
Naast elkaar op een bank gaan zitten
En over onze levens praten.
Er viel, er valt zoveel te zeggen.
Alle kansen die er waren zijn er nu niet langer.
Je bent weg.

Maar nu ik je naam ken, wil ik hem ook niet meer vergeten.
Wij die hier nog zijn moeten je in ons geheugen bewaren,
Louise Vander Meersen,
Doodgereden door een dronken racer,
Zo zinloos, zo overbodig.
Wij die even kwetsbaar zijn als jij
Maar geluk hebben gehad:
Wij moeten deze wereld ten goede keren.

Voorgelezen tijdens een ingetogen wake voor Louise Vander Meersen op 21 mei 2019 aan het Verdiplein in Anderlecht. Op 10 mei werd Louise daar om vier uur ’s middags op het zebrapad doodgereden door een dronken chauffeur.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
Un incident tragique t’a fait entrer dans ma vie.
Un homme comme un autre, ordinaire,
Un des nombreux coureurs ici dans nos rues,
t’ a renversée sur le sentier si souvent emprunté
et t’a balancée au milieu de nulle part.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
La dame avec le petit chien, 51 ans.
Marcher c’est définitivement fini.
Jamais, nous nous verrons encore ici,
Pour s’asseoir sur un banc, l’un à côté de l’autre
Et parler de nos vies.
Il y avait, il y a tant de choses à dire.
Toutes les possibilités qui existaient n’existent plus.
Tu n’es plus là.

Mais maintenant que je connais ton nom, je ne veux pas l’oublier non plus.
Nous qui sommes encore là, nous devons te garder dans notre mémoire,
Louise Vander Meersen,
Conduite à la mort par un chauffeur-coureur ivre
Si inutile, si inutile.
Nous qui sommes aussi vulnérables que toi.
Mais qui avons eu de la chance.
Nous devons changer ce monde pour le mieux.

[Franse vertaling door de moeder van Bieke Comer.]

plantsoen 1

 

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

DOOR DE BOMEN HET GEDICHT

treesdownhere-1

Tijdens het kijken naar de korte documentaire Trees Down Here van Ben Rivers noteerde ik in het halfdonker deze woorden: ceder, iep, uil, slang. Maquette, gebouw, papier, potlood, contrapunt, sneeuw, tak, gras, raam, glas, steen, eikenhout.
Een kwartier later met de leeslamp aan noteerde ik in alle spoed de naam van de dichter – John Ashbery – van wie ik het gedicht Some Trees net had gehoord en de woorden a chorus of smiles.

Het filmgedicht Trees down here van Ben Rivers was voor mij een soort van openbaring. Opeens had ik weer zin gekregen in poëzie. Die zin was er namelijk al een hele tijd niet meer. Ik was gedichten vervelend gaan vinden. Nu en dan nam ik nog wel eens een dichtbundel uit het goed gevulde rek, maar meestal las ik er niet meer dan enkele regels in. Ze gaven mij geen plezier, ik begreep niet wat er stond. Elk gedicht leek een code te hebben die ik niet kon kraken. Elke dichtbundel was een museum met donkere geheimen en onontwarbare raadsels gevuld. Trees down here veranderde dat, veranderde mij.
In een droom die ik daarna had zei een vriend me dat hij tijdens een wandeling in de stad een mooi klein boekje van Friedrich Hölderlin in de etalage van een boekwinkel in de Bortiergalerij had zien liggen. Het vreemde was dat een andere vriend, mogelijk zijn dubbelganger, me dat net tevoren ook al had verteld. Maar wat is vreemd in een droom? Goed voor mijn collectie, zei ik. Maar niet meteen, want het woord collectie wilde me niet te binnen schieten.

Wat was er dan zo bijzonder aan Trees down here? Misschien de eenvoudige, heldere beelden? Als het ware essenties van de verschijnselen, Platonische ideeën. Niet helemaal want als je naar een goed gemaakte film kijkt, vergeet je dat je naar die film kijkt en zie je in zekere zin de verschijnselen zelf.
Er is echter meer dan die beelden en verschijnselen op zich. Ben Rivers toont ons in zijn onderzoek de tegenstelling tussen cultuur (of architectuur) en natuur. Meteen heft hij die tegenstelling weer op. De natuur dringt de cultuur binnen in de vorm van een slang. Een uil lijkt je een geheim te willen toevertrouwen. Het geheim van de poëzie? Zoals bij uilen meestal het geval is ziet ook deze er wijs uit. Wat je niet allemaal in zijn doordringende blik ontwaart! Het is echter onze eigen wereldse wijsheid die wij daarin zien. Terwijl we hem bekijken schrijven we met onze ogen al de eerste woorden van een gedicht of van een stukje proza. Ondertussen is er sneeuw gevallen op de ceders, de iepen, op de takken en het gras. Wit laat het zwart oplichten, wit verscherpt de contouren van het zichtbare. Is het echter meestal niet omgekeerd? Voor ik die vraag kan beantwoorden wordt als coda een gedicht van John Ashbery  uit 1948 voorgelezen: Some Trees.

Verduidelijken deze opmerkingen waarom een film van vijftien minuten mij weer zin heeft doen krijgen in gedichten? Ik geloof het niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Vooreerst zijn er de bomen. Zelfs los van mijn biografie, dat ik bijvoorbeeld als jongen een hele zomer in een boom doorbracht met niet meer dan een zwembroekje aan en dat ik daar, beschermd en verhuld door de nauwelijks bewegende bladeren, voor het eerst gevoelens had waarvan ik wat later ontdekte dat ze van erotische aard waren. Los daarvan ben ik teruggekeerd naar de bomen, niet vanwege mijn ego, niet vanwege een of ander verlangen naar voldoening, maar vanwege de bomen zelf [1]. Dit bezeten zijn van bomen is al enkele jaren aan de gang. Ik weet niet goed wat het is. Ik kan er nauwelijks over nadenken en erover schrijven valt me moeilijk. De voorbije weken had ik soms zin om één te worden met de bladeren van de bomen hier in de buurt. Alleen het woord boom al heeft iets magisch.
Mogelijk heeft Trees down here me duidelijk gemaakt dat elke boom een gedicht is. Een gedicht dat de aarde schrijft. Ik moet erover nadenken, erover dromen. Ik moet de gedichten van Hölderlin herlezen. En die van andere dichters. En om dit alles nog beter te begrijpen moet ik de andere dromen die ik na die over het boekje van Hölderlin had én over het stadje Sabaudia vertellen. Dat zal voor morgen of overmorgen zijn. Als in het grijze decemberlicht de bomen nog minder zichtbaar zullen zijn.

john ashbery en jane freilicher

[1] Onlangs las ik een interview met de begenadigde Amerikaanse auteur Richard Powers waaruit blijkt dat ook hij zich naar de bomen heeft gekeerd, zij het op een wat radicalere manier dan ik (zo meen ik te begrijpen). The Overstory (in het Nederlands Tot in de hemel), zijn roman van na die ommekeer, heb ik nog niet gelezen.

Afbeeldingen: Trees down here; John Ashbery & Jane Freilicher

ZE BLIJVEN VERBAZEN

POIX 095

Ze blijven verbazen: elk van hen
voegt zich bij een buur, alsof spraak
nog uitvoering is die quasi bij toeval
naast elkaar plaatst.

Alleen al en niet meer dan dat
dat we hier zijn
betekent iets:
gauw al zullen we elkaar aanraken.

En elkaar uitleg geven
in deze stilte vol geluid.

Vrij naar ‘Some Trees’ van John Ashberry
Foto: Martin Pulaski, Poix, 2013

HOPE SANDOVAL, DE BLAUWE BLOEM

bst

‘She Hangs Brightly’ van Mazzy Star was de allerlaatste vinylplaat die ik kocht. Het zou meteen een van mijn allermooiste muzikale ontdekkingen zijn, het begin van een donker-romantisch avontuur. Met dat kleinood in een plastic zakje van Music Mania stapte ik de platenwinkel uit, deed de deur achter me dicht en stond in de vuile straat. Brussel was in 1990 smerig en gevaarlijk, niet cool en funky en artistiek zoals nu. Ik mengde mij onder de grijze mensen die daar liepen en begaf me naar het Centraal Station, hongerig en koortsig van verlangen naar het onbekende dat op me wachtte. Ik had er geen idee van hoe Mazzy Star zou klinken, wist niets over Hope Sandoval, had haar stem nog niet gehoord, wist niet hoe ze eruitzag.

Ik heb altijd al van sterren gehouden. Niet van alle sterren, wees gerust, van sommige. Greta Garbo, Lucia Bosé, Monica Vitti, Nico, Françoise Hardy. Ze allemaal nog een keer opsommen lijkt me overbodig: hun namen vind je op veel plaatsen in deze geschriften terug. Vaak zie ik als in een roes hun gezichten voor me. Ze duiken op uit de mist in mijn hoofd, hun trekken winnen aan duidelijkheid. In wat zo van hen aan me verschijnt zie ik wat Roland Barthes de lyriek van de vrouw noemt. Straks, als ik weer thuis zou zijn in het appartement in de Lamorinièrestraat in Antwerpen, waar zonder dat ik hen zou zien de Sefardische joden voorbij zouden lopen, zou Hope Sandoval plaats nemen in dat pantheon van menselijke sterren, onbereikbaar en onontkoombaar.

Op het einde van de jaren tachtig deden platenwinkels overal in het land hun vinyl massaal van de hand. De muziekindustrie dwong muziekliefhebbers ertoe om op het cd-formaat over te schakelen. Op wie van vinyl hield werd voortaan neergekeken, vooral door jonge hipsters, die toen yuppies heetten. Je herkende ze aan hun dure sokken en stropdassen. Ik betreurde het verdwijnen van die mooie vorm. Ik had al zoveel jaren van vinyl, van singles, ep’s en elpees, genoten, van elk aspect ervan, tot de geur toe. Maar gaandeweg ging ik ook van de cd als muziekdrager houden. In het begin persten de platenmaatschappijen ons af door exorbitant hoge prijzen te vragen voor lelijke en slecht klinkende schijfjes. Maar al na enkele jaren klonken cd’s stukken beter dan dat vermaledijde vinyl, waar zo vaak iets mis mee was en dat vanaf de jaren tachtig van slechte kwaliteit was geweest. Er kwamen schitterende boxen uit, oude platen werden geremasterd en met bonustracks aangevuld. Bij de cd’s zaten boekjes met essays van muziekliefhebbers die ook nog eens konden schrijven. Er verschenen duizenden cd-versies van platen die al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar waren geweest. Onvoorstelbaar dat je nu al die albums van obscure psychedelische bands, van weinig bekende soulmuzikanten, zelfs van countryhelden als George Jones en Loretta Lynn kon vinden… Gouden dagen om muziek te (her)ontdekken.

Maar natuurlijk wist ik dat allemaal nog niet toen ik die allerlaatste vinylplaat aanschafte. En dat is goed zo, je moet niet altijd alles willen weten; zolang je maar niet ophoudt jezelf te leren kennen en te luisteren naar wat de andere mensen je te vertellen hebben. Ik was gewoonweg blij dat ik een mooie plaat gevonden had. Ja, ik was er zeker van dat het een mooie plaat was. Want ik kende de achtergrond wel. In de vroege jaren tachtig, toen popmuziek schel en synthetisch klonk (wat ik soms zelfs kon smaken, ‘Poison Arrow’ van ABC bijvoorbeeld), was in Los Angeles een nieuwe psychedelische beweging ontstaan. Van de narcotische folkrock van the Rain Parade was ik meteen weg. Hun muziek sloot aan bij Buffalo Springfield, the Byrds en Pink Floyd van ‘A Saucerful of Secrets’. Hun elpee ‘Emergency Third Rail Power Trip’ (1983) was een psychedelische tour de force, die me ook nu nog geregeld in vervoering brengt. The Rain Parade bestond uit Steven en David Roback, Matt Piucci, Will Glenn en Eddie Kalwa. David Roback verliet the Rain Parade al gauw en richtte met Kendra Smith (ex-Dream Syndicate) eerst Clay Allison op, een bandje dat kort daarna Opal zou heten. Opal bracht één uitstekend album uit, ‘Happy Nightmare Baby’ (1987), waarna Kendra Smith spoorloos verdween en Hope Sandoval haar plaats innam.
‘She Hangs Brightly’ is het debuut van Mazzy Star. De muziek die de band maakt wordt droompop genoemd, wat voor een keer een juiste omschrijving is. Het lijkt wel of de muzikanten al dromend – of toch wel zeker in een roes – hun instrumenten bespelen en terwijl je naar hun liedjes luistert begin je zelf ook te dromen. Drugs zijn daar niet eens voor nodig, het gaat vanzelf. De klanken die David Roback aan zijn gitaar ontlokt, lijken uit een andere, ijlere en tragere wereld in die van ons binnen te sijpelen. Hope Sandovals stem is het geluid van een fluwelen blauwe bloem. Of van de blauwe bloem van de Duitse romantische dichter Novalis. Eenzaamheid en droefheid hebben nooit zo mooi en verleidelijk geklonken als in ‘Halah’, de openingstrack van ‘She Hangs Brightly’.

Het is echter geen perfecte droom. Koude, weerbarstige elektriciteit ontregelt soms het sprookje. Het Velvet Underground-syndroom, met opalen toetsen. I never really wanted your heart, zingt Hope dan. Haast alle songs op de plaat zitten boordevol sinistere charme (woorden van Gina Arnold). Soms hoor ik kil en boos verlangen, soms alleen nog maar lethargie. Een bitter mysterie heeft akkoorden, een melodie, een bedwelmende stem gevonden. In de titelsong hoor ik het kermisachtige orgeltje van Ray Manzarek en David Roback verandert in Robbie Krieger, maar Hope Sandoval blijft de eeuwige vrouw, verleidelijk, pijnstillend, troostend. Gevaarlijk ook, als een borderliner: “I stay near the edge and waste my time.”
[Later ontdek ik dat ‘Blue Flower’ oorspronkelijk al in 1972 door de uitstekende Britse progressieve band Slapp Happy werd opgenomen. ‘Five String Serenade’, op ‘Among My Swan’ (1996) is dan weer een liedje van Arthur Lee, de poète maudit van de onvolprezen popgroep Love. Live verraste Hope Sandoval ons in 2002 op ‘Play With Fire’ van the Rolling Stones. Mazzy Star heeft ook goede smaak in het coveren van andermans materiaal.]
De voorkant van de hoes toont ons een ook al enigszins mysterieuze foto van een trappenhal in Art Deco-stijl. Dat interieur kwam mij bekend voor. Ik had het gevoel dat ik al eens in dat rijk geornamenteerde huis geweest was, op zoek naar een visum voor een of ander Oostblokland. Of was het slechts in een droom geweest? In de notities op de achterkant van de hoes vond ik geen informatie. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voor ik te weten kwam dat het de trappenhal is van Hotel Tassel, een prachtig gebouw van Victor Horta in de Paul-Emile Jansonlaan in Brussel.

In levenden lijve zou ik Hope Sandoval en Mazzy Star pas op 28 oktober 1993 ‘zien’ en horen, en nog wel in de Vaartkapoen te Molenbeek. Een nieuw mysterie diende zich aan: waarom trad de band in het donker op? Waarom mochten wij, volgelingen van Hope, die zo naar de zangeres hunkerden, haar schoonheid niet eens zien? Of toch maar een heel klein beetje, als wat donkerblauw licht een stukje van haar gezicht, van haar hand kronkelend aan de microfoon, onthulde. Was het sadisme? Was het om onze romantische droom niet aan te tasten? Op 7 september 2002 zag ik haar opnieuw, dit keer in de AB Club, in een wat minder donker donker, in net niet helemaal nachtelijk nachtblauw. Mazzy Star bestond toen niet langer. Een jaar eerder had de zangeres onder de naam Hope Sandoval & the Warm Inventions haar betoverende langspeelplaat ‘Bavarian Fruit Bread’ uitgebracht. Op die late nazomeravond was ze nog altijd even mysterieus, even langoureus; haar nachtelijke stem – die van de blauwe bloem – nog altijd even benevelend.

Twaalf jaar eerder in mijn Antwerpse avondland waar niets mij nog beviel, kon ik die eerste nacht met haar naam en haar ingebeeld beeld in mijn hoofd de slaap maar niet vatten. Tussen waken en dromen in lag ik daar in dat vreemde bed te verlangen naar de muziek geworden engel, Hope Sandoval. Het mooiste meisje van de wereld met de mooiste naam ooit door ouders aan een kind gegeven.

 

Foto’s: Platenhoes, Martin Pulaski, 2018.