DITA EN MARIUS OVER LITTLE RICHARD

Millie Small

Ring ring ring (ringtone)
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Je hebt het toch gehoord van Little Richard? De Quasar of rock, aldus zijn biograaf Charles White…
Marius: Hoe vertaal je dat eigenlijk, Quasar? Ach wat maakt het ook uit, dood is dood. Paul McCartney noemde hem one of the greatest kings. Wat een verlies, Dita. Samen met Chuck Berry was hij toch wel de grootste van allemaal, ook al was hij eerder klein van gestalte.
Dita: Een paar dagen geleden ontvielen ons ook al Florian Schneider en Millie Small.
Marius: Het is godgeklaagd. Zeg Dita, heb je al opgemerkt dat er een diepere verwantschap bestaat tussen Little Richard, Florian Schneider en Millie Small?
Dita: Bedoel je hun dada-achtige poëzie, hun repetitieve stijl?
Marius: Ja, dat bedoel ik. Luister maar eens naar Little Richards True Fine Mama. Dat pareltje is tekstueel niet veel meer dan dit: Honey, honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey /Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey.
Dita: Perfect. En Autobahn van Kraftwerk dan, dat gaat zo: Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn / Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn
Marius: En dan hebben we My Boy Lollipop nog niet gehad:  Oh, my boy lollipop / Oh, my boy lollipop / My boy lollipop.
Dita: Tschernobyl, Harrisburgh / Sellafield, Hiroshima /Tschernobyl, Harrisburgh / Sellafield, Hiroshima.
Marius: Radioactivity… Hoe absurd. Ik zocht de tekst van Tutti Frutti.  Wat nu… Een nummer van Pat Boone, staat er. Kun je dat geloven? Pat Boone? Ze hadden er even goed Charlton Heston of Ben Hur van kunnen maken. Maar goed, de tekst ken je wel, denk ik. Die gaat zo:
A-bop-bop, a-loo-mop, a-lop-bop-bop / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / A-bop-bop, a-loo-mop, a-lop-bop-bop.
Dita: Geweldig, een van de indrukwekkendste dadagedichten ooit geschreven. Maar ik vraag me al heel lang af hoe je dat awopbop etcetera moet spellen. Bestaat daar consensus over, een draagvlak bedoel ik.
Marius: Dat kan ik je via de telefoon moeilijk verklappen. Ik stuur je wel een mailtje. Zelf baseer ik me op Nik Cohns onovertroffen boek Awopbopaloobop Alopbamboom: Pop From the Beginning, uit 1969. Ken je dat?
Dita: Wat dacht je, Marius? Over the Rolling Stones schreef hij “if they have any sense of neatness they’ll get themselves killed in an air crash, three days before their thirtieth birthdays.”
Marius: Dat geloof ik niet.
Dita: Dat ik dat uit het hoofd ken? Nee, ik heb het boekje hier niet zo toevallig liggen. Ik wilde nog eens nalezen wat Nik Cohn over Little Richard schrijft. Zo spel jij dus Awopbopaloobop Alopbamboom?
Marius: Ja. Dat is de eenvoudigste manier, vind ik. Zeg Dita, wat vind je van deze oefening in Dada: It’s not because the money you have is only chicken feed / It’s because I know I’m not the only chicken you feed / I don’t care if a boy has barely enough to feed me /I just wanta know that I’m the only chicken he feeds.
Dita: Van wie is dat?
Marius: Een single van Millie, maar wie de auteur is weet ik niet. Een kennis van me schreef naar aanleiding van haar dood nogal denigrerend over Millie. Hij vond dat de openbare omroep daar geen aandacht aan had moeten besteden.
Dita: Wat! Dat kan toch niet. Millie heeft ons destijds zoveel plezier bezorgd. Die kennis van jou zou toch moeten weten dat zij in de UK en ook bij ons de bluebeat heeft geïntroduceerd en op die manier een wegbereider voor ska en reggae is geweest.
Marius: Wind je maar niet zo op, Dita. Maar je hebt natuurlijk gelijk.
Dita: Wil die kennis dan nog wat meer sport op de openbare omroep? Fuck sporza, zeg.
Marius: Nee, de man is echt wel oké. Ik denk dat hij Millie niet goed kent. Dat is alles.
Dita: Weet je wat ik ook schitterend tekstregels vind? Niet helemaal dada, maar toch. Ze zijn van Big Joe Turner: Now flip, flop and fly / I don’t care if I die / Now flip, flop and fly / I don’t care if I die /Don’t ever leave me, don’t ever say goodbye.
Marius: Geweldig. Zullen we het hierbij laten, Dita? Ik wil graag nog wat in het boek van Charles White lezen.
Dita: En ik ga platen van Little Richard beluisteren. Las net dat zijn album The Rill Thing zo goed is. Het was een soort van comeback uit 1970 op Reprise.
Marius: Little Richard op het label van Frank Sinatra?
Dita: Dat is toch niet zo uitzonderlijk. Captain Beefheart zat daar toch ook een tijdje op?
Marius: Captain Beefheart! De allergrootste dadaïstische rocker… Alleen al Beatle bones and smokin’ Stones:  The dry sands fall /  The strawberry mouth; strawberry moth; strawberry caterpillar / Strawberry butterfly; strawberry fields / The winged eel slither on the heels of today’s children / Strawberry feels forever.
Dita: Wanneer zou onze favoriete wijnbar weer opengaan?
Marius: Het zal nog wel even duren maar ik kijk er naar uit. Mondmasker of geen mondmasker.
Dita: Halsreikend?
Marius: Halsreikend.

florian-schneider

little richard

IN DE ARMEN VAN DE RIJKE AARDE

kinderjaren 2 001 (5)_edited

Een ervaring is voor jou alleen maar echt als je ze in woorden hebt uitgedrukt. De ervaring moet op een wit blad of op een scherm bewezen worden. Als dat niet lukt ben je ongelukkig. Het lijkt er dan op dat je niet leeft, niet hebt geleefd. Maar als je schrijft leef je niet, dan schrijf je.

Er kunnen weken, zelfs maanden voorbij gaan zonder te schrijven. Wat hebben al die woorden nog voor zin? Elk argument is goed om de woorden uit de weg te gaan. Alleen al denken aan een zin, en dan ook nog eens aan een paragraaf, maakt je moe, geeft je goesting om weer te gaan liggen. Je wordt er moedeloos van. Je wordt moedeloos van het niet-schrijven dat niet-leven is, en je wordt moedeloos van het schrijven dat eveneens niet-leven is.

Je zou willen verdwijnen in het moment, in het daaropvolgende moment, in elk ogenblik van de tijd. Jezelf worden in wat je omringt en omvat. Zonder meer. Zonder woorden, zinnen, paragrafen. Zonder doelstellingen, ambities, zonder hunkering, zonder behoefte aan bijval. Het aaneenrijgen van woorden is altijd een vraag om liefde. Wat zou je graag door het leven gaan zonder naar liefde te verlangen. Is het mogelijk alleen maar liefde te geven? Is het mogelijk zonder liefde te krijgen en zonder liefde te geven te leven?

De bomen staan nu zo in de belangstelling. Je hebt kort na je begin vier jaar lang tussen de bomen geleefd. Je hebt er god gevonden en ook weer verloren. Je kende de namen van de bomen. Je was een gevangene van de bomen. Nog steeds ruik je hun geur, alle schakeringen ervan. De geuren die elk seizoen anders waren ruik je nog. Hoewel de bomen je gevangen hielden riepen ze dromen en verlangens bij je op. De bomen maakten je gelukkig. Ze waren de taal van de aarde, maar dat besefte je toen nog niet. Was er nog een andere, bedachte taal nodig? De bloemen in de lente waren gedichten. Als je terug zou keren naar de bomen, naar de bloemen in het bos, zou je wellicht gelukkig zijn. Weg van de woorden, weg van de vergezochte taal met al haar noodlottige stijlmiddelen. Voor altijd tussen de bomen. In de armen van de rijke aarde.

Afbeelding: Marina B. in de bossen van Rekem, omstreeks 1962

IK KENDE JE NIET, LOUISE VANDER MEERSEN

Voor Louise Vander Meersen

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Een tragisch voorval voerde je mijn leven binnen.
Een doodgewone alledaagse man,
Een van de vele racers hier in onze straten,
Reed je van het zo vaak begane pad
En slingerde je tot in niemandsland.

Ik kende je niet, kende je naam niet, Louise Vander Meersen.
Dame met het hondje, eenenvijftig jaar.
Het wandelen voor goed ten einde.
Nooit zullen wij elkaar hier nog eens ontmoeten,
Naast elkaar op een bank gaan zitten
En over onze levens praten.
Er viel, er valt zoveel te zeggen.
Alle kansen die er waren zijn er nu niet langer.
Je bent weg.

Maar nu ik je naam ken, wil ik hem ook niet meer vergeten.
Wij die hier nog zijn moeten je in ons geheugen bewaren,
Louise Vander Meersen,
Doodgereden door een dronken racer,
Zo zinloos, zo overbodig.
Wij die even kwetsbaar zijn als jij
Maar geluk hebben gehad:
Wij moeten deze wereld ten goede keren.

Voorgelezen tijdens een ingetogen wake voor Louise Vander Meersen op 21 mei 2019 aan het Verdiplein in Anderlecht. Op 10 mei werd Louise daar om vier uur ’s middags op het zebrapad doodgereden door een dronken chauffeur.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
Un incident tragique t’a fait entrer dans ma vie.
Un homme comme un autre, ordinaire,
Un des nombreux coureurs ici dans nos rues,
t’ a renversée sur le sentier si souvent emprunté
et t’a balancée au milieu de nulle part.

Je ne te connaissais pas, je ne connaissais pas ton nom, Louise Vander Meersen.
La dame avec le petit chien, 51 ans.
Marcher c’est définitivement fini.
Jamais, nous nous verrons encore ici,
Pour s’asseoir sur un banc, l’un à côté de l’autre
Et parler de nos vies.
Il y avait, il y a tant de choses à dire.
Toutes les possibilités qui existaient n’existent plus.
Tu n’es plus là.

Mais maintenant que je connais ton nom, je ne veux pas l’oublier non plus.
Nous qui sommes encore là, nous devons te garder dans notre mémoire,
Louise Vander Meersen,
Conduite à la mort par un chauffeur-coureur ivre
Si inutile, si inutile.
Nous qui sommes aussi vulnérables que toi.
Mais qui avons eu de la chance.
Nous devons changer ce monde pour le mieux.

[Franse vertaling door de moeder van Bieke Comer.]

plantsoen 1

 

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

DOOR DE BOMEN HET GEDICHT

treesdownhere-1

Tijdens het kijken naar de korte documentaire Trees Down Here van Ben Rivers noteerde ik in het halfdonker deze woorden: ceder, iep, uil, slang. Maquette, gebouw, papier, potlood, contrapunt, sneeuw, tak, gras, raam, glas, steen, eikenhout.
Een kwartier later met de leeslamp aan noteerde ik in alle spoed de naam van de dichter – John Ashbery – van wie ik het gedicht Some Trees net had gehoord en de woorden a chorus of smiles.

Het filmgedicht Trees down here van Ben Rivers was voor mij een soort van openbaring. Opeens had ik weer zin gekregen in poëzie. Die zin was er namelijk al een hele tijd niet meer. Ik was gedichten vervelend gaan vinden. Nu en dan nam ik nog wel eens een dichtbundel uit het goed gevulde rek, maar meestal las ik er niet meer dan enkele regels in. Ze gaven mij geen plezier, ik begreep niet wat er stond. Elk gedicht leek een code te hebben die ik niet kon kraken. Elke dichtbundel was een museum met donkere geheimen en onontwarbare raadsels gevuld. Trees down here veranderde dat, veranderde mij.
In een droom die ik daarna had zei een vriend me dat hij tijdens een wandeling in de stad een mooi klein boekje van Friedrich Hölderlin in de etalage van een boekwinkel in de Bortiergalerij had zien liggen. Het vreemde was dat een andere vriend, mogelijk zijn dubbelganger, me dat net tevoren ook al had verteld. Maar wat is vreemd in een droom? Goed voor mijn collectie, zei ik. Maar niet meteen, want het woord collectie wilde me niet te binnen schieten.

Wat was er dan zo bijzonder aan Trees down here? Misschien de eenvoudige, heldere beelden? Als het ware essenties van de verschijnselen, Platonische ideeën. Niet helemaal want als je naar een goed gemaakte film kijkt, vergeet je dat je naar die film kijkt en zie je in zekere zin de verschijnselen zelf.
Er is echter meer dan die beelden en verschijnselen op zich. Ben Rivers toont ons in zijn onderzoek de tegenstelling tussen cultuur (of architectuur) en natuur. Meteen heft hij die tegenstelling weer op. De natuur dringt de cultuur binnen in de vorm van een slang. Een uil lijkt je een geheim te willen toevertrouwen. Het geheim van de poëzie? Zoals bij uilen meestal het geval is ziet ook deze er wijs uit. Wat je niet allemaal in zijn doordringende blik ontwaart! Het is echter onze eigen wereldse wijsheid die wij daarin zien. Terwijl we hem bekijken schrijven we met onze ogen al de eerste woorden van een gedicht of van een stukje proza. Ondertussen is er sneeuw gevallen op de ceders, de iepen, op de takken en het gras. Wit laat het zwart oplichten, wit verscherpt de contouren van het zichtbare. Is het echter meestal niet omgekeerd? Voor ik die vraag kan beantwoorden wordt als coda een gedicht van John Ashbery  uit 1948 voorgelezen: Some Trees.

Verduidelijken deze opmerkingen waarom een film van vijftien minuten mij weer zin heeft doen krijgen in gedichten? Ik geloof het niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Vooreerst zijn er de bomen. Zelfs los van mijn biografie, dat ik bijvoorbeeld als jongen een hele zomer in een boom doorbracht met niet meer dan een zwembroekje aan en dat ik daar, beschermd en verhuld door de nauwelijks bewegende bladeren, voor het eerst gevoelens had waarvan ik wat later ontdekte dat ze van erotische aard waren. Los daarvan ben ik teruggekeerd naar de bomen, niet vanwege mijn ego, niet vanwege een of ander verlangen naar voldoening, maar vanwege de bomen zelf [1]. Dit bezeten zijn van bomen is al enkele jaren aan de gang. Ik weet niet goed wat het is. Ik kan er nauwelijks over nadenken en erover schrijven valt me moeilijk. De voorbije weken had ik soms zin om één te worden met de bladeren van de bomen hier in de buurt. Alleen het woord boom al heeft iets magisch.
Mogelijk heeft Trees down here me duidelijk gemaakt dat elke boom een gedicht is. Een gedicht dat de aarde schrijft. Ik moet erover nadenken, erover dromen. Ik moet de gedichten van Hölderlin herlezen. En die van andere dichters. En om dit alles nog beter te begrijpen moet ik de andere dromen die ik na die over het boekje van Hölderlin had én over het stadje Sabaudia vertellen. Dat zal voor morgen of overmorgen zijn. Als in het grijze decemberlicht de bomen nog minder zichtbaar zullen zijn.

john ashbery en jane freilicher

[1] Onlangs las ik een interview met de begenadigde Amerikaanse auteur Richard Powers waaruit blijkt dat ook hij zich naar de bomen heeft gekeerd, zij het op een wat radicalere manier dan ik (zo meen ik te begrijpen). The Overstory (in het Nederlands Tot in de hemel), zijn roman van na die ommekeer, heb ik nog niet gelezen.

Afbeeldingen: Trees down here; John Ashbery & Jane Freilicher

ZE BLIJVEN VERBAZEN

POIX 095

Ze blijven verbazen: elk van hen
voegt zich bij een buur, alsof spraak
nog uitvoering is die quasi bij toeval
naast elkaar plaatst.

Alleen al en niet meer dan dat
dat we hier zijn
betekent iets:
gauw al zullen we elkaar aanraken.

En elkaar uitleg geven
in deze stilte vol geluid.

Vrij naar ‘Some Trees’ van John Ashberry
Foto: Martin Pulaski, Poix, 2013

HOPE SANDOVAL, DE BLAUWE BLOEM

bst

‘She Hangs Brightly’ van Mazzy Star was de allerlaatste vinylplaat die ik kocht. Het zou meteen een van mijn allermooiste muzikale ontdekkingen zijn, het begin van een donker-romantisch avontuur. Met dat kleinood in een plastic zakje van Music Mania stapte ik de platenwinkel uit, deed de deur achter me dicht en stond in de vuile straat. Brussel was in 1990 smerig en gevaarlijk, niet cool en funky en artistiek zoals nu. Ik mengde mij onder de grijze mensen die daar liepen en begaf me naar het Centraal Station, hongerig en koortsig van verlangen naar het onbekende dat op me wachtte. Ik had er geen idee van hoe Mazzy Star zou klinken, wist niets over Hope Sandoval, had haar stem nog niet gehoord, wist niet hoe ze eruitzag.

Ik heb altijd al van sterren gehouden. Niet van alle sterren, wees gerust, van sommige. Greta Garbo, Lucia Bosé, Monica Vitti, Nico, Françoise Hardy. Ze allemaal nog een keer opsommen lijkt me overbodig: hun namen vind je op veel plaatsen in deze geschriften terug. Vaak zie ik als in een roes hun gezichten voor me. Ze duiken op uit de mist in mijn hoofd, hun trekken winnen aan duidelijkheid. In wat zo van hen aan me verschijnt zie ik wat Roland Barthes de lyriek van de vrouw noemt. Straks, als ik weer thuis zou zijn in het appartement in de Lamorinièrestraat in Antwerpen, waar zonder dat ik hen zou zien de Sefardische joden voorbij zouden lopen, zou Hope Sandoval plaats nemen in dat pantheon van menselijke sterren, onbereikbaar en onontkoombaar.

Op het einde van de jaren tachtig deden platenwinkels overal in het land hun vinyl massaal van de hand. De muziekindustrie dwong muziekliefhebbers ertoe om op het cd-formaat over te schakelen. Op wie van vinyl hield werd voortaan neergekeken, vooral door jonge hipsters, die toen yuppies heetten. Je herkende ze aan hun dure sokken en stropdassen. Ik betreurde het verdwijnen van die mooie vorm. Ik had al zoveel jaren van vinyl, van singles, ep’s en elpees, genoten, van elk aspect ervan, tot de geur toe. Maar gaandeweg ging ik ook van de cd als muziekdrager houden. In het begin persten de platenmaatschappijen ons af door exorbitant hoge prijzen te vragen voor lelijke en slecht klinkende schijfjes. Maar al na enkele jaren klonken cd’s stukken beter dan dat vermaledijde vinyl, waar zo vaak iets mis mee was en dat vanaf de jaren tachtig van slechte kwaliteit was geweest. Er kwamen schitterende boxen uit, oude platen werden geremasterd en met bonustracks aangevuld. Bij de cd’s zaten boekjes met essays van muziekliefhebbers die ook nog eens konden schrijven. Er verschenen duizenden cd-versies van platen die al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar waren geweest. Onvoorstelbaar dat je nu al die albums van obscure psychedelische bands, van weinig bekende soulmuzikanten, zelfs van countryhelden als George Jones en Loretta Lynn kon vinden… Gouden dagen om muziek te (her)ontdekken.

Maar natuurlijk wist ik dat allemaal nog niet toen ik die allerlaatste vinylplaat aanschafte. En dat is goed zo, je moet niet altijd alles willen weten; zolang je maar niet ophoudt jezelf te leren kennen en te luisteren naar wat de andere mensen je te vertellen hebben. Ik was gewoonweg blij dat ik een mooie plaat gevonden had. Ja, ik was er zeker van dat het een mooie plaat was. Want ik kende de achtergrond wel. In de vroege jaren tachtig, toen popmuziek schel en synthetisch klonk (wat ik soms zelfs kon smaken, ‘Poison Arrow’ van ABC bijvoorbeeld), was in Los Angeles een nieuwe psychedelische beweging ontstaan. Van de narcotische folkrock van the Rain Parade was ik meteen weg. Hun muziek sloot aan bij Buffalo Springfield, the Byrds en Pink Floyd van ‘A Saucerful of Secrets’. Hun elpee ‘Emergency Third Rail Power Trip’ (1983) was een psychedelische tour de force, die me ook nu nog geregeld in vervoering brengt. The Rain Parade bestond uit Steven en David Roback, Matt Piucci, Will Glenn en Eddie Kalwa. David Roback verliet the Rain Parade al gauw en richtte met Kendra Smith (ex-Dream Syndicate) eerst Clay Allison op, een bandje dat kort daarna Opal zou heten. Opal bracht één uitstekend album uit, ‘Happy Nightmare Baby’ (1987), waarna Kendra Smith spoorloos verdween en Hope Sandoval haar plaats innam.
‘She Hangs Brightly’ is het debuut van Mazzy Star. De muziek die de band maakt wordt droompop genoemd, wat voor een keer een juiste omschrijving is. Het lijkt wel of de muzikanten al dromend – of toch wel zeker in een roes – hun instrumenten bespelen en terwijl je naar hun liedjes luistert begin je zelf ook te dromen. Drugs zijn daar niet eens voor nodig, het gaat vanzelf. De klanken die David Roback aan zijn gitaar ontlokt, lijken uit een andere, ijlere en tragere wereld in die van ons binnen te sijpelen. Hope Sandovals stem is het geluid van een fluwelen blauwe bloem. Of van de blauwe bloem van de Duitse romantische dichter Novalis. Eenzaamheid en droefheid hebben nooit zo mooi en verleidelijk geklonken als in ‘Halah’, de openingstrack van ‘She Hangs Brightly’.

Het is echter geen perfecte droom. Koude, weerbarstige elektriciteit ontregelt soms het sprookje. Het Velvet Underground-syndroom, met opalen toetsen. I never really wanted your heart, zingt Hope dan. Haast alle songs op de plaat zitten boordevol sinistere charme (woorden van Gina Arnold). Soms hoor ik kil en boos verlangen, soms alleen nog maar lethargie. Een bitter mysterie heeft akkoorden, een melodie, een bedwelmende stem gevonden. In de titelsong hoor ik het kermisachtige orgeltje van Ray Manzarek en David Roback verandert in Robbie Krieger, maar Hope Sandoval blijft de eeuwige vrouw, verleidelijk, pijnstillend, troostend. Gevaarlijk ook, als een borderliner: “I stay near the edge and waste my time.”
[Later ontdek ik dat ‘Blue Flower’ oorspronkelijk al in 1972 door de uitstekende Britse progressieve band Slapp Happy werd opgenomen. ‘Five String Serenade’, op ‘Among My Swan’ (1996) is dan weer een liedje van Arthur Lee, de poète maudit van de onvolprezen popgroep Love. Live verraste Hope Sandoval ons in 2002 op ‘Play With Fire’ van the Rolling Stones. Mazzy Star heeft ook goede smaak in het coveren van andermans materiaal.]
De voorkant van de hoes toont ons een ook al enigszins mysterieuze foto van een trappenhal in Art Deco-stijl. Dat interieur kwam mij bekend voor. Ik had het gevoel dat ik al eens in dat rijk geornamenteerde huis geweest was, op zoek naar een visum voor een of ander Oostblokland. Of was het slechts in een droom geweest? In de notities op de achterkant van de hoes vond ik geen informatie. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voor ik te weten kwam dat het de trappenhal is van Hotel Tassel, een prachtig gebouw van Victor Horta in de Paul-Emile Jansonlaan in Brussel.

In levenden lijve zou ik Hope Sandoval en Mazzy Star pas op 28 oktober 1993 ‘zien’ en horen, en nog wel in de Vaartkapoen te Molenbeek. Een nieuw mysterie diende zich aan: waarom trad de band in het donker op? Waarom mochten wij, volgelingen van Hope, die zo naar de zangeres hunkerden, haar schoonheid niet eens zien? Of toch maar een heel klein beetje, als wat donkerblauw licht een stukje van haar gezicht, van haar hand kronkelend aan de microfoon, onthulde. Was het sadisme? Was het om onze romantische droom niet aan te tasten? Op 7 september 2002 zag ik haar opnieuw, dit keer in de AB Club, in een wat minder donker donker, in net niet helemaal nachtelijk nachtblauw. Mazzy Star bestond toen niet langer. Een jaar eerder had de zangeres onder de naam Hope Sandoval & the Warm Inventions haar betoverende langspeelplaat ‘Bavarian Fruit Bread’ uitgebracht. Op die late nazomeravond was ze nog altijd even mysterieus, even langoureus; haar nachtelijke stem – die van de blauwe bloem – nog altijd even benevelend.

Twaalf jaar eerder in mijn Antwerpse avondland waar niets mij nog beviel, kon ik die eerste nacht met haar naam en haar ingebeeld beeld in mijn hoofd de slaap maar niet vatten. Tussen waken en dromen in lag ik daar in dat vreemde bed te verlangen naar de muziek geworden engel, Hope Sandoval. Het mooiste meisje van de wereld met de mooiste naam ooit door ouders aan een kind gegeven.

 

Foto’s: Platenhoes, Martin Pulaski, 2018.

DONKERE DAG, HELDERE NACHT

kleinetuin

Dit is je gelukt overdag: wat licht werk aan je minuscule tuin in de zon; zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. Onkruid gewied. Om twaalf uur stipt valt de stilte. Niemand zingt, zelfs niet de gewillige varens, als de hand Gods slaat en het hart van slag raakt. Een te hoge dosis van dit of van dat, te veel Ethiopische koffie? Een hond ligt lui uitgestrekt in de schaduw van een onooglijke maar gevaarlijke bar.

Ja, overdag ben je radeloos. Je wist het al lang: geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een vrouw je in de armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of als je aan de rand van de afgrond  je adolescentenjaren staat te verschonen. Nooit daagt een vriend op, een raadgever, als je daar niets staat te zijn. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ken. Zie mijn wanhoop in dit treurige reservaat.

Als in die gouden tijd de avond viel zongen we zo graag samen en huppelden soms in het rond met onze handen op onze knieën. Zilveren rook om onze hoofden. Aardbeien, sinaasappels uit China, jasmijnthee. De geur van sandelhout ons enige gebed. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Onherstelbaar viel onze grote spiegel al spoedig uiteen. Verweesd keken we een tijdje naar zijn scherven. Nergens was er nog iets om vat op te krijgen. Loden dagen waren op komst, avonden vol zinsverbijstering.

Om tien uur binnenskamers, bij kunstlicht, staat zwart op wit beeldig. Op dat uur nog buiten verliezen je zinnen hun zin. In slecht verlichte straten onthouden oude en nieuwe boeken je hun gefluister. Suf gecatalogiseerd werpt zich een bibliothecaris op weg naar zijn woning onder tram 56, de traagste van alle. In de stilte van zijn vertrek verminkte hij zijn vingerafdrukken, wiste zijn wachtwoorden, elimineerde zijn existentie.
Op dun papier in Consolas 11 lees je de namen van zijn erfgenamen. De stuiptrekkingen van zijn geslacht. Gewillige varens, giftige digitalis vergaren schaduw in je minuscule tuin. Wie zou zich liever niet onttrekken aan de onontkoombare nacht?

‘s Nachts verklaar je niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat omklemt je donkere hand? Welke woorden prevelen je blauwe mond? Niets weet je, niets ben je, het is donker in je ziel en daarbuiten, ook al staat daar aan de hemel de stille Poolster te schitteren – en boven de stad heerst de heldere nacht.

Ω

Afbeelding: Donkere, kleine tuin, Martin Pulaski.

EEN JONGEN (IN DE HUID VAN ANTIGONE)

mattischip

Achttien was ik bitter niet zoet.
Een dromer die niet rekenen kon.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Ik was een naïeve bange jongen.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Op een mooie dag riep de tragedie mijn naam.
Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou Antigone spelen.
(Een stukje Antigone, niet het hele stuk.)
Ik moest een meisje worden mijn jongen.
Een meisje dat zich in de huid van een vrouw moest hullen.
Niet in die van Isengrimus.
Een tweede huid, een derde huid.
Terwijl ik nog droomde van trappers en pels.
Wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van.
Call me mister Pitiful bitter achttien.
De wereld sliep in halfgouden dromen en zonder veel begeerte.
Er was niets aan de hand.
De verwanten verdienden geld als slijk, slib, smurrie.
Ze sliepen voldaan zonder te snurken.
De mensen de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de wetten spelden.
Ik was achttien bitter en wist weinig niets.
Wist niet dat ik een antieke Griekse worden zou
die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen en laurier was niet meer dan woord.
Niet meer dan geur in moeders keuken.
Waar ik Helena mijn Grieks meisje lange brieven schreef
over hoe we in grotten dansen zouden rond een nieuw vuur.
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik.
Naar de overzijde, waar de blauwe asters bloeien.
Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Ik viel in een donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de bomen.
In een boomgaard onder appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het water.
Daar aan het water ging ik zitten wachten
en wachtend de asse uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen was.

Ω

[Recentste versie]

Foto: MP aan boord van schip Broco

 

 

ANYWHERE OUT OF THE WORLD

Baudelaire-1024x972.jpg


ANYWHERE OUT OF THE WORLD

N’IMPORTE OÙ HORS DU MONDE.

Cette vie est un hôpital où chaque malade est possédé du désir de changer de lit. Celui-ci voudrait souffrir en face du poêle, et celui-là croit qu’il guérirait à côté de la fenêtre.

Il me semble que je serais toujours bien là où je ne suis pas, et cette question de déménagement en est une que je discute sans cesse avec mon âme.

« Dis-moi, mon âme, pauvre âme refroidie, que penserais-tu d’habiter Lisbonne ? Il doit y faire chaud, et tu t’y ragaillardirais comme un lézard. Cette ville est au bord de l’eau ; on dit qu’elle est bâtie en marbre, et que le peuple y a une telle haine du végétal, qu’il arrache tous les arbres. Voilà un paysage selon ton goût ; un paysage fait avec la lumière et le minéral, et le liquide pour les réfléchir ! »

Mon âme ne répond pas.

« Puisque tu aimes tant le repos, avec le spectacle du mouvement, veux-tu venir habiter la Hollande, cette terre béatifiante ? Peut-être te divertiras-tu dans cette contrée dont tu as souvent admiré l’image dans les musées. Que penserais-tu de Rotterdam, toi qui aimes les forêts de mâts, et les navires amarrés au pied des maisons ? »

Mon âme reste muette.

« Batavia te sourirait peut-être davantage ? Nous y trouverions d’ailleurs l’esprit de l’Europe marié à la beauté tropicale. »

Pas un mot. — Mon âme serait-elle morte ?

« En es-tu donc venue à ce point d’engourdissement que tu ne te plaises que dans ton mal ? S’il en est ainsi, fuyons vers les pays qui sont les analogies de la Mort. — Je tiens notre affaire, pauvre âme ! Nous ferons nos malles pour Tornéo. Allons plus loin encore, à l’extrême bout de la Baltique ; encore plus loin de la vie, si c’est possible ; installons-nous au pôle. Là le soleil ne frise qu’obliquement la terre, et les lentes alternatives de la lumière et de la nuit suppriment la variété et augmentent la monotonie, cette moitié du néant. Là, nous pourrons prendre de longs bains de ténèbres, cependant que, pour nous divertir, les aurores boréales nous enverront de temps en temps leurs gerbes roses, comme des reflets d’un feu d’artifice de l’Enfer ! »

Enfin, mon âme fait explosion, et sagement elle me crie : « N’importe où ! n’importe où ! pourvu que ce soit hors de ce monde ! »

Charles Baudelaire

HEIDEGGER, ONDERGESNEEUWD

anselm kiefer winterlandschap.jpg

 

Eendagsvlieg geruisloos tussen de kruimels
Spraakzaam je hart reeds in schuchter zonlicht
Je handen nog nabloedend van gebroken nachtglas
Gestelpt als alle verleden, vergeten bijna –
Een verzonken koninkrijk van de staven.

In de spiegel zien allen dat niemand iemand liefheeft
Beursbestormer net zo min als zelfmoordpiloot
Als winnaar van poëziewedstrijden, als gewone verliezer
Restafval zegt de radio, ondergesneeuwd slagveld
Voor de rest de mond dood van versterving.

Morgen staat daar onafgewerkt een toren
Volgestouwd met oude onuitgesproken spreuken
Van mensen die zich vestigen wilden ver weg
Van de wetten van het koude verstand
Van de redevoeringen van eerloze polygrafen.

Wie kent nog van deze aardbewoners de holle wegen
De wijze waarop zij bewogen, hun magere gebaren
Op het netvlies gebrand en vervolgens verbrand
Het offer van kleine aders voor de wrede god liefde
Kijk, je wijd open ogen waarin altijd alle vergif verging.

Martin Pulaski, 26 1 2017

Ω

Afbeelding: Anselm Kiefer, 1970
“Each man has his own dome, his own perceptions, his own theories. There is no one god for all.”

AAN MIJ DE WRAAK

P1030737

 

Een man en een vrouw.

Een sterke vent trekt hun paarden door de rivier, door het dal, door woestenij, lava. Van het Oosten naar het Westen.

(De nacht valt. Een uitgeputte slavin. Van fluweel de donkere rozen op haar donkere buik. Niet langer dromen van bloed en pijn.)

Weken, maanden voordien viel hij neer in de schaduw van een magere vrouw. Ik heb genoeg geleden, zei ze. Neem me, neem me met je mee.

Op de linkeroever, niet ver van het vee, werden zij bruid en bruidegom, de sterren vlak bij hun ogen. De volle maan vlak bij hun mond.

(Daarop moeten zij vluchten. De geschiedenis in.)

Tijd verloopt.

Als zij zich met zijn haren, met zijn geslacht heeft getooid en ingestreken met zijn bloed en ingestreken met zijn faeces valt zij de vijandige stad binnen, waar hij door allen werd geminacht.

Ik kom voor mijn kroon, zegt ze. Ik kom voor zijn kroon, zegt ze. Met mijn schadeclaims brand ik jullie stad af. Jullie hebben nog een uur om van elkaar af te zien. Jullie hebben nog een uur om elkaar te doden.

Daarna heers ik over jullie ruïnes tot er geen einde meer is, onzichtbaar de maan en de sterren.

Brussel, 2010-2016

 

DE HERHALING

Gaarne schreef ik weer trillende verzen
mijn hartslag in elke klinker
in elke medeklinker kloppend
van je lippen rode kersen in de zomer

In mijn verdoofde kamer op een zondag
-middag om twee uur voor het raam gezeten
op zoek naar oogstrelende woorden
voor de schittering in mijn leven nacht en dag

Met Johnny & June en ‘North to Alaska’
en jij die achter Finse berken verdwijnt
je vleugels van licht nog net zichtbaar
jij morgen weer hier de liefde verklarend

Maar inmiddels zijn zinderende uren en dagen
verdorrende maanden en  jaren geworden
Johnny & June dood Alaska een koud vuur –
en ach op mijn tafel smakeloos mijn kersen.

Ω

Afbeelding: Henri de Braekeleer (Antwerpen, 11 juni 1840 – aldaar, 20 juli 1888), De man in de stoel, 1876

EEN DAG IN HET LEVEN VAN EEN LEZER

Alles went. De engel die je tot ontbinding toe bemint.
Zonder vleugels, blonde Picasso, maar minder marktgevoelig.
Het rijk van de krokodillenvorst, economisch rendabel, dat na
Een kort en hevig bloeden ten onder gaat met man en macht .
De wispelturige nachtegaal, ongewerveld zo te zien,
Van het lichte lied, in het hele land geliefd: een ordinaire dief.

De trots van de hoofdstad, Financiën, aan metamfetamine-
Fabrikanten verkocht, de uitvoerders hun handen wit van sneeuw
In Zwitserland van het golfen en skiën en surfen op golven
Van weduwenverdriet, van kinderen zonder dagdroom, kogels
Voor dierbare vrienden, vogelaars. Honden, wordt gezegd.
In de riolen dappere kunstkrijgers op de vlucht voor bankiers.

Alles went. Zelfs een rijmelende vent, rentenier op en top,
tientallen dwazen verenigd op een veld, of doodgemoedereerd
In een tentenkamp, Yves Klein-blauw. Winterkoningen vanuit
Vertes aanschouwd, op blauwbetaalde microschermen. Geld groeit
Op je rug, violen aan de bomen. Vlees gekeurd, verser dan de dauw,
Maar wat dacht je dan, lieveling, vertrouw je me voor een cent?

 

ALLEEN DE STILTE FLUISTERT

potzdamer platz 1998 001.jpg

 

Alleen de stilte fluistert.
Alleen de stilte imiteert het getsjirp van krekels.

In je gedachten heerst geen de rust.
Niet de rust van de Zuid-Willemsvaart op zondag.
Niet die van het Kluizenaarspad of de Fazantenlaan.

Alleen de stilte fluistert.
Alleen de stilte onthult de namen van de hel.

In je gedachten valt de nacht op elk uur
met flarden paradijs en je wrede lippen, soms.
De nacht met je vochtige lippen zacht als was.

Alleen de stilte fluistert.
Alleen de stilte zingt het diepe van je ogen.

In slaapgedachten open je duizend boeken.
Miljoenen woorden schitteren door elkaar.
Kermislichten, bliksemschichten, van jou geen spoor.

Alleen de stilte fluistert.
Terwijl jij brult in het al te luide niemandsland.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Berlijn, 1998.

 

EENDAGSVLIEG

babel Cleve-van_construction-tower-babel.jpg

 

Eendagsvlieg boven je tafel je stilte
je hartritme spraakzaam gefluisterd
daar handenvol glas in de sterren geschreven
daar handenvol klaver koningen staven
daar biefstuk koeterwaals onmin dwarse blikken

In de wind weet iedereen dat niemand iemand liefheeft
zelfs als het hart om geen beurs geen concours geeft
alleen kilte is besneeuwd slagveld verdorde varens
de mond dood van versterven verzwijgen verzaken

Buiten staat onafgewerkt de toren volgestouwd
met oude onuitgesproken boeken en tekens en talen
van mensen die zich vestigen wilden ver weg
buiten de grenzen van het koude verstand
buiten redevoeringen van modelbouwers racepiloten.

Wie kent nog deze aardbewoners hun holle wegen
de wijze waarop zij bewogen hun magere gebaren
kleine blauwe aders van liefde in het verschiet
wijd open ogen waarin altijd alle vergif vergaat

Ω

Hendrick van Cleve (circa 1525–1589), Bouw van de Toren van Babel.

 

JUST LIKE DAVID BOWIE

Dat mijn treurnis over de dood van David Bowie blijft voortduren verontrust me. Is het ‘normaal’ dat je rouwt om iemand die je niet hebt gekend? Gaat het om narcisme? Om identificatie en bijgevolg om verdriet over de eigen dood (of op z’n minst de eigen sterfelijkheid)? Vragen die ik niet kan en eigenlijk ook niet wens te beantwoorden. Al dat gepsychologiseer vermoeit me alleen maar, terwijl ik meer dan ooit energie nodig heb. Hoe kom ik anders door deze donkere dagen?

Dat er in de vroege jaren zeventig sprake was van een sterke identificatie met David Bowie, of met de voorstelling die ik me van hem maakte, vermoedde ik al langer. Gisteren vond ik er een bewijs voor. Ik schreef destijds (1973-1974) liedjes. Niet echt afgewerkte songs, meer schetsen; niet veel meer dan surrealistische teksten en enkele akkoorden. Bij sommige liedjes had ik een melodie, herinner ik me, een melodie die ik niet meer kan achterhalen. Tijdens een geïnspireerde nacht in de Dolfijnstraat – omstreeks 1977 – heb ik een deel van de songs opgenomen met zo’n ouderwetse bandopnemer. Die ik had ik geleend van mijn vriend en buur Leo S. Waar de tapes naartoe zijn weet ik niet, waarschijnlijk verloren gegaan toen ik van Antwerpen naar Brussel verhuisde. Gisteren stelde ik tot mijn verbazing vast dat ik een van de liedjes(teksten) ‘Just Like David Bowie’ als titel gaf. Ik ben niet bepaald trots op mijn schepping en weet ook niet waarom ik ze heb overgetypt. Is het een onderdeel van mijn rouwproces? Ik heb er enkele woorden aan veranderd: flagrante fouten en een paar idiotieën.

ziggystardust.jpg

“JUST LIKE DAVID BOWIE

Invitation for an obligation
a small sensation
revolutionary brothers I gave up
a notorious bunch
throwing bombs before the embassy
of Pigman’s Land (where is it really?)
Gordon Liddy an enemy he screams
my black brother balls his fists
it’s a talked about party
it really is but you could die
doctor d will lose his dream
all the redheaded suckers will
get his shoes
I will love but there’s only holes
seasons of saturation
(she’s searching for a game
a pious teacher reads his poems
but Mary she’s like Faust)
blind body of him goes up in smoke
they torture it with wine
& someone sings a raging song
another one weeps with lotsa noise
came down from Jerusalem
flashy & dressed up in white
(Jackie Wilson’s tryin’ to take off his
clothes but he shouts and screams
and jumps in a yellow cab
crawls through the window
– roses rain down
but they all take him for the wrong man)

the building rose higher
our feet were on fire
– I rapped about andré gide
but I got so stoned out of my mind
that only too late I realized I was talkin’
to a Sicilian nun & I started to puke)
the music was fast
& the groovies thought it was rock and roll
but the poet’s muse wouldn’t come
because the chimney was filled with junk
and I cry now for their souls all did die
my sword was thin
but my last word was truth

1973-1974”

justlikedavidbowie 001 (2).jpg

DAVID HAS A HABIT OF LEAVING US

David has a habit of leaving us
David is a bad boy
David makes us sad
David David David
Leaving us and leaving us
David shouldn’t do that
David kick that habit of leaving us!
David stop being such a comedian
David you’re not Lazarus
David you’re Bowie
David you’re Jones
David you are only dancing somewhere
David are you hiding in your tin can again?
David this is enough
David come back now