ALL YESTERDAY’S PARTIES

cof

Foto van een pagina uit het fotoboek I’ll Be Your Mirror van Nan Goldin. De tekst All Yesterday’s Parties is van Luc Sante, een Belgische schrijver uit Verviers afkomstig. Hij emigreerde op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten en schreef daar een aantal uitstekende werken, waaronder de schitterende autobiografie The Factory of Facts (1998), Low Life: Lures and Snares of Old New York (1991)  en The Other Paris (2015). Hij werkte samen met Martin Scorsese en is goed bevriend met Jim Jarmusch.

ZERO DE CONDUITE – FANTASTIC VOYAGE

sneeuw

Zéro de conduite is een (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Een muzikaal evenement van ongeëvenaarde kwaliteit! Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in het zich steeds verder uitdijende universum. Het motto van de show is atmosphère, zoals uitgesproken door Arletty in Hôtel du Nord, de meesterlijke film van Marcel Carné.

Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Là, tout n’est qu’ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.
Charles Baudelaire, L’Invitation au Voyage

Alles wat in deze moéilijke tijd gebeurt is uitzonderlijk, ook weer deze aflevering van Zéro de conduite, die ik hier thuis op voorhand monteerde. Het is de eerste keer dat ik iets dergelijks doe. Vorige maand heeft Jay Van Loon dat werk gedaan en ook deze keer heb ik van hem veel hulp gekregen om de computerprogramma’s die ik hiervoor nodig had onder de knie te krijgen. Omdat ik toch nog altijd een beetje een amateur ben is er vandaag ook alleen maar muziek te horen, zonder uitleg. Luisteraars die op zoek zijn naar informatie kunnen op mijn blog, hier dus, terecht. Het voordeel van deze beperking is dat ik met alleen maar muziek, zonder gesproken onderbrekingen, een mooie sfeer kan opbouwen. Of dat hoop ik althans.

Maar wat is nu het thema? Omdat we allemaal nog in deze verduivelde universele lockdown zitten dacht ik aan muziek als middel om te ontsnappen. Ik ben altijd al een beetje een escapist geweest. Toen ik besefte dat wij in lange tijd nergens meer naartoe zouden kunnen gaan, zelfs niet naar een theatervoorstelling van Mrs Dalloway hier in Brussel en zeker niet naar Radio Centraal in het verre Antwerpen, postte ik als troostprijs op facebook The Inner Light van the Beatles, een esoterisch lied van de hand van George Harrison.  “Without looking out of my window / I could know the ways of heaven / The farther one travels / The less one knows” zingt George daarin. De daaropvolgende weken zag ik tientallen covers van dat lied op Instagram verschijnen. Wat mooi, dacht ik eerst, maar op den duur ging het mij al gauw vervelen en vergat ik die hele geschiedenis. Toch is het thema waar ik nu voor koos van dezelfde aard.

We gaan in onze verbeelding en met de hulp van inventieve muzikanten en componisten, waaronder Kraftwerk, Pharoah Sanders, Gabor Szabo en Patti Smith, het hele universum bereizen. Hopelijk wordt het een onvergetelijke trip, een voyage waar we met heimwee aan zullen terugdenken als deze nare periode achter de rug is.

Veel luisterplezier!

water

Fantastic Voyage – Lodger – David Bowie – Brian Eno

Space – The Sorcerer – Gabor Szabo – Gabor Szabo

Tarkovsky (The Second Stop Is Jupiter) – Banga – Patti Smith – Sun Ra/Patti Smith

Journey in Satchindananda – The Third Mind (First Edition) – The Third Mind – Alice Coltrane

To Travel The Path Unknown – Commune – Goat – Goat

Juju Space Jazz – Nerve Net – Brian Eno – Brian Eno

Spacelab – The Man Machine – Kraftwerk – Hütter/Karl Bartos

Planet Claire – Time Capsule – The B-52’s – Fred Schneider/Keith Strickland

Eyes On Mars – Red Exposure – Chrome – Damon Edge & Helios Creed

Mars – Television – Television – Television – Tom Verlaine

Animal Space / Spacier – Return of the Giant Slits – The Slits – The Slits

Astral Traveling – Thembi – Pharoah Sanders – Lonnie Liston Smith

I am the Cosmos – Blood – This Mortal Coil – Chris Bell

Stars – New Favorite – Alison Krauss & Union Station – Dan Fogelberg

Vein Of Stars – At War With The Mystics – The Flaming Lips – Wayne Coyne/Steven Drozd/Michael Ivins/Dave Fridmann/Greg Kurstin

A Thousand Stars – You Better Move On – Arthur Alexander – Gene Pearson

I’ve Told Every Little Star – Early Girls, Vol. 1: Popsicles & Icicles – Linda Scott – Hammerstein-Kern

Stars Fell On Alabama – The Sound – Toots Thielemans – Hines

Stargazer – Stargazer – Shelagh McDonald – Shelagh McDonald

Space Girl – Rocket Along – Shirley Collins – Unknown

No Stars – Twin Peaks: Music From The Limited Event Series – Rebekah Del Rio – David Lynch/John Neff/Rebekah Del Rio

Lonely Planet Boy – New York Dolls – New York Dolls – JoHansen

Planet Queen – Electric Warrior – T.Rex – Marc Bolan

Big Eyed Beans From Venus – Clear Spot – Captain Beefheart & The Magic Band – Don Van Vliet

Following The North Star – Freedom Highway – Rhiannon Giddens – Rhiannon Giddens

Stars Of Leo – Hold Time – M. Ward – M. Ward

The Stars Shine In The Sky Tonight – Blinking Lights And Other Revelations – Eels – Jim Lang

Across The Universe – Past Masters, Vol. 2 – The Beatles – Lennon/McCartney

sunset
Research, samenstelling, montage en foto’s: Martin Pulaski

1 MEI

sdr

Hoewel mijn cahiers en dagboek ongeopend op tafel liggen, maar op een andere manier dan op deze foto te zien is, blijft toch de hoop bestaan dat deze mistroostige dagen spoedig voorbij zullen zijn.
Intussen wachten we op ander nieuws dan dat over pandemieën, de vloek van het neo-kapitalisme en roofzuchtige, al dan niet waanzinnige dictators als Trump, Bolsonaro en Orbán. Nieuws over de nieuwe wereld, waar rechtvaardigheid, vrede en mededogen de norm zijn.

Er is geen alternatief: het neo-kapitalisme zal ten val worden gebracht. Het empire van de rijke parasieten stort in elkaar.

Een gelukkig een voorspoedig feest van de arbeid gewenst.

THUISKOMST

IMG_20191228_114955

Weer thuis en weer bij mezelf, na een lange periode van ziekte en vervolgens een maand beter worden in het zonnige en voor altijd verloren paradijs Valle Gran Rey. De vallei van de grote koning. Mijn laatste rit met de metro in Brussel deed ik op vrijdag 29 november. Het was opeens koud geworden, tegen het vriespunt. In het Kaaitheater zag ik die avond een aangrijpende voorstelling van en met Jan Decorte en Sigrid Vinks en met Lisah Adeaga: Body a.k.a. Flarden Macbeth, de tragische kern behouden maar tegelijk speels en soms zelfs tegen het vrolijke aan. Ontdaan van overbodig gewicht, uitgekleed, tot ascetisch ritueel herleid. Op het podium zag ik ernstige spelende kinderen. Ook in het ‘echte leven’ zijn kinderen bijna altijd ernstig als ze spelen. Een pollepel, een hamer, keien, een kom water, een spons. Schaarse woorden. Andy’s Chest van Lou Reed bijna onhoorbaar op een mobiele telefoon. Was het wel Andy’s Chest? Meer was er niet nodig om me te ontroeren. Om me het uitzonderlijke gevoel te geven dat dit leven niet helemaal waardeloos en zinloos is.

Diezelfde dag had ik voor mijn blog aflevering 14 van mijn reeks Nachten aan de kant afgewerkt. Toevallig was er een citaat uit Canto XIV uit Dante’s Inferno in beland, over de godslasteraar Capaneus en zijn woede en hovaardigheid. Een zeldzaam en veelzeggend woord, hovaardig. Trots, hoogmoedig. Boven de gewone stervelingen verheven (denkt hij), machtig (denkt hij). Zoals de maffia, de yakuza. Waar halen misdadige organisaties en misdadigers hun macht vandaan? Ze zaaien angst. Als je niet meer bang bent, zegt dokter Sanada in Akira Kurosawa’s Dronken Engel, dan hebben ze ook geen macht meer. Met de verdorven politici die ons bang maken voor elkaar is het net zo. Stop met bang voor ze te zijn. Luister naar je hart.

Op zaterdag, zondag en maandag lukte het mij nog om aflevering 15 van die reeks te beëindigen. Ik zat al enkele weken met mijn hoofd in Antwerpen in de periode 1978-1979, was geïnspireerd, er zouden nog zeker tien, mogelijk twintig korte hoofdstukjes volgen, portretten van oude vrienden en kennissen, herinneringen, lofzangen, odes, mogelijk ook wat verwensingen. Maar op dinsdag 3 december hield het op. Ik was zo ziek dat de dokter langs moest komen, iets wat ik zoveel mogelijk probeer te vermijden. Als kind heb ik dat maar al te vaak meegemaakt. Nu had ik opnieuw een stevige opstoot van astma, later bleek het een longontsteking te zijn. Dagen lang hoge koorts. Tussen het hoesten door probeerde ik te slapen. Antibiotica, cortisone. Voor Eric Andersen, Ultima Vez met Marc Ribot en L’homme de La Mancha moest ik verstek laten gaan, voor Zéro de conduite een vervanger of –ster zoeken.

2019-2020-LAGOMERA-canon 019

We hadden al in januari 2019 een verblijf geboekt in een appartement in Valle Gran Rey. Ik wilde geen oudejaarsnacht in Brussel meer meemaken, ik had genoeg van de pseudo-snipers, oorlog-achtige toestanden, brandende auto’s. In Valle Gran Rey zouden we daar aan ontsnappen. We zouden op 17 december vertrekken en er tot 18 januari blijven. Op 16 december was ik nog steeds ziek, maar het ging wel al beter. Mijn huisarts raadde mij aan om te vertrekken. Het zou me wel lukken, dacht hij. Hij gaf me een tiental medische maskers mee.
Als een zombie met een masker op vloog ik naar Tenerife en van daar op de ferry – nog altijd gemaskerd – naar La Gomera en onze eindbestemming, Valle Gran Rey. Volkomen uitgeput bereikte ik het appartement dat La Merica heet, genoemd naar de berg er net achter. Daar was Gloria, de eigenares (samen met haar man, Javier). Ze schrok toen ze me zag, bloedende lippen, lege ogen, en dan ook nog eens een baard. Ik zou zelf ook geschrokken zijn mocht ik me daar hebben zien binnenkomen.
De dagen in Valle Gran Rey waren er van stilte, rust, korte wandelingen, af en toe lekker eten, vooral vis en aardappelen, witte wijn drinken, heel veel slapen. Gelukkig had ik voldoende boeken bij en ’s avonds genoten we van onze muziek. Gloria had voor een Bose Sound Link gezorgd. Ze wist dat we muziekliefhebbers zijn. Ik had zoveel mogelijk liedjes op mijn slimme telefoon gezet en als de nood hoog was konden we een beroep doen op Spotify. Twee of drie keer deden we aan karaoke, een eenzame bedoening. Langzaam aan ging het beter met me. Maar lange tochten waren niet mogelijk. Ik was snel buiten adem en had behoefte aan slaap. Schrijven was onmogelijk. Maar overal rondom ons waren palmbomen, bananen, kippen, tortelduiven, meeuwen, talloos veel onverschrokken hagedissen; vanuit het raam zag ik de indrukwekkende berg La Merica, wat meer naar het Westen Eremita San Pedro en daarachter de eindeloze Atlantische Oceaan. De grote wereld, de kleine dingen en heel ver weg ongeveer vijftien of twintig procent Vlamingen – bang gemaakt voor de Walen, de socialisten, Greta Thunberg en de ‘vreemdelingen’ – die een eigen staat willen stichten. In Baarle-Hertog gaan ze dat doen, heb ik van horen zeggen. Goed dan.

2019-2020-LAGOMERA-canon 042
IMG_20200106_124346

Afbeeldingen: Agnes Anquinet, Martin Pulaski, Valle Gran Rey, 2019-2020.

 

BEELDEN VAN DONKERE LEVENS

Op zoek naar illustratiemateriaal bij de afspeellijst van de aflevering van Zéro de conduite van gisteravond, met als thema wrong dacht ik eerst aan beelden van muzikanten. Nadat ik foto’s had gevonden van onder meer Bessie Smith, Memphis Minnie, the Rolling Stones met Brian Jones er nog bij, the Seeds, Rainer and das Combo en meer vroeg ik me af: wat is daar eigenlijk verkeerd aan? Niets, er was helemaal niets verkeerd aan. Zo kwam ik na wat associëren bij film noir terecht, een van mijn geliefde genres. In die films, waar op zich ook helemaal niets mis mee is, integendeel, is van in het begin al alles en iedereen verkeerd. In elk verhaal in dat genre wordt het verkeerde – tragisch en daarom door en door menselijk – op zijn best, op zijn subliemst verteld en in beeld gebracht. Een film noir laat zien wat voortvloeit uit verkeerde beslissingen, uit het blind luisteren naar donkere instincten, zonder ook maar even te rade te gaan bij de rede. In de film noir bestaat geen gezond verstand. De beste noir-films (en zelfs de film stills) spreken ons meteen aan: hadden wij niet zelf op vergelijkbare wijze ten onder kunnen gaan?

act of violence 2

Act of Violence, Fred Zinneman, 1948.

the blue dahlia 1

The Blue Dahlia, George Marshall, 1946.

dark passage 3

Dark Passage, Delmer Daves, 1947.

detour 2

Detour, Edgar G. Ulmer, 1945.

double indemnity 2

Double Indemnity, Billy Wilder, 1944.

mildred pierce 4

Mildred Pierce, Michael Curtiz, 1945.

out of the past 1

Out of the Past, Jacques Tourneur, 1947.

secret beyond the door

Secret Beyond the Door, Fritz Lang, 1948.

KOPENHAAGSE BEELDEN

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 012

Soms zegt één beeld meer dan duizend woorden, zeg je. Soms ben ik het met je eens. Onze tijd is gek van fotografie, maar kijkt onze tijd ook nog naar foto’s? Zijn er niet te veel om ze nog aandachtig en van dichtbij te kunnen bekijken? Om ze te zien? Wat is dat toch met al die foto’s, met al die fotoboeken op salontafels? Wat is dat met het verschuiven van onze aandacht van plastische kunst naar fotografie? Al die bedevaarten naar fototentoonstellingen, waar zijn die goed voor? Wat heeft onze tijd eraan? Wat doet hij ermee? Volstaat het moment niet langer? De belevenis? De ervaring?
Al dat treuren om overleden fotografen, ook nu weer om Robert Frank, Peter Lindbergh en Fred Herzog, wat betekent dat toch? Want ik weet het niet. Ik maak ook maar wat foto’s. Snapshots zijn het, meer niet.

In juni reisde ik per trein naar Hamburg en van daar naar Kopenhagen. Hoewel ik nog zwak was van een lange ziekte beleefde ik er mooie en intense momenten. Tijdens de reis had ik te weinig energie om wat dan ook te noteren, maar ik wilde toch een aantal indrukken onthouden. Het geheugen gaat er niet op vooruit, hoor ik je zo vaak zeggen. En dat stel ik nu ook aan den lijve vast. Deze foto’s zijn een soort van dagboeknotities. Maar ze hebben minder moeite gekost dat die in woorden. Zeggen ze ook meer?

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 074

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 078

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 088

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 098

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 103

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 106

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 151

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 158

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 181

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 196

crosby 2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 253 b

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 201

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 223

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 242

Beelden: van Puttgarden naar Rødbyhavn; Kierkegaards graf; een groepje Italianen aan Kierkegaards graf; Ben Websters graf; Christiansborg (x3); Louisiana; Pipilotti Rist; Yayoi Kusama; Karel Appel; Njideka Akunyli Crosby; zwemmers in Louisiana; Louisiana; hotelkamer ’s ochtends.

HAMBURGSE BEELDEN

In juni reisde ik per trein naar Hamburg en van daar naar Kopenhagen. Hoewel ik nog zwak was van een lange ziekte beleefde ik er mooie en intense momenten. Het heeft weinig zin die hier op te sommen. Tijdens de reis had ik te weinig energie om wat dan ook te noteren en om de hoogtepunten nu vanuit het geheugen te gaan reconstrueren, dat is niets voor mij. Ik zou zeer waarschijnlijk in clichés vervallen. Daarom liever een reeks foto’s.

IMG_20190618_163219

IMG_20190618_175727IMG_20190619_113500 franz radziwillIMG_20190620_215038

IMG_20190621_183813

Afbeeldingen: in Speicherstadt; aan de Elbe; een schilderij van Franz Radziwill; restaurant Fischerhaus; een café in Sankt-Pauli (heel wat rustiger dan in Der goldene Handschuh.)

EEN MAGERE DROMER (INTERLUDIUM)

SPEELPLEINC

De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Voor ik aan het vierde deel begin, over dichters en in het bijzonder over de dichter Lucebert, wil ik eerst enkele mogelijke misverstanden over het schoolse leren uit de weg ruimen, in het bijzonder over hoe ik dat ervaren heb. Of beter: hoe ik mij herinner dat ik het ervaren heb, want de werkelijkheid zelf is voor goed weg, tenzij in documenten en die zijn in mijn geval eerder schaars.

Het is niet helemaal waar dat ik op de middelbare school niets leerde. Ik ervoer het leven in een internaat als een vorm van gevangenschap. Naarmate het besef daarvan toenam ging ik me er meer en meer tegen verzetten. Het was echter een rebellie die zich, zeker aanvankelijk, vooral tot mijn hoofd beperkte. Ik werd een mijmeraar, een dagdromer, een wat vreemde jongen. Maar ook weer niet zo vreemd dat ik geen vrienden had. In deze context wil ik het evenwel niet over die vriendschappen hebben, behalve dit, dat je ook van vrienden veel kan leren. Zij maken deel uit van wat ik de geestelijke genealogie van een mens noem.
Omdat ik mager was had ik ook wel wat vijanden. Kennelijk hielden in die tijd de meeste jongens, misschien omdat ze te dik waren, niet van mager vlees. Dat ik ‘knookske’ werd genoemd volstond om me nog meer op mezelf terug te plooien. Zo kwam het dat ik in de klas vaak niet aanwezig was: ik zat er wel, maar mijn gedachten waren ergens anders. Van de leraar wiskunde moest ik het in bijna elke les horen: Martin is weer aan het dromen. Wat maakte dat ik me nog meer in mezelf terugtrok en er voor wiskunde, waar ik aanvankelijk zeer ingenomen mee was, geen interesse meer overbleef. Hetzelfde gebeurde met de vakken fysica, scheikunde en biologie. Ik onderging ze als vormen van dwang, als een reeks abstracte formules die me niets bijbrachten over hoe ik moest leven. Alleen in de lessen Nederlands en Engels was ik helemaal mee, ja, was ik zelfs de beste van de klas. In wat mindere mate was ik ook aandachtig bij Frans en Duits (jammer dat dat een keuzevak was) en bij wat toen zedenleer werd genoemd. Het is duidelijk dat ik een andere richting had moeten kiezen dan de Moderne en de Wetenschappelijke A, maar toen die beslissing werd genomen had ik geen flauw benul van wat de verschillen tussen de Moderne en Latijns-Griekse afdelingen waren. Wat er de voor- en nadelen van waren, wat er het nut en de zin van was. Over mijn studierichting werd zonder mijn inspraak beslist. Ik prees me al gelukkig dat ik mocht doorleren.

Mijn gevoelige snaren werden bijgevolg alleen maar op een positieve manier geraakt in de lessen Nederlands en Engels. Nederlands betekende voor mij in de eerste plaats zinsontleding. In de tweede plaats wekte het vak mijn belangstelling op voor poëzie, vooral die van Guido Gezelle en Hendrik Marsman.
Onze leraar Engels was geen inspirerende man maar mijn kennismaking met die taal betekende liefde op het eerste zicht. Wat was het een mooie, rijke, veelzijdige taal – en niet moeilijk om te leren (dacht ik toen). Engels werd mijn tweede taal, mogelijk wel mijn eerste. In notities uit die tijd vind ik talloze Engelse uitdrukkingen terug. Ik weet niet wat het was met Frans, maar ik was er bang voor. Ik durfde de welluidende woorden niet uit te spreken. Ik vond dat ik belachelijk klonk als ik Frans sprak. Nochtans kregen we veel poëzie te lezen, zelfs van Baudelaire. Terwijl de Nederlandse en Engelse poëzie echter een passie werd, bleef de Franse niet veel meer dan leerstof.

atheneum4 (2)

Afbeeldingen: op de speelplaats in het Koninklijk Atheneum Tongeren met een studiemeester; klasfoto van enkele klassen samen, omstreeks 1966 (ik herinner me alleen nog de namen van mijn toenmalige beste vrienden).

FRANK ZAPPA IN TONGEREN

1968sketch

19680onlymoney01

Deze foto’s werpen wat meer licht op mijn tekst over Franz Kafka en Frank Zappa / the Mothers Of Invention. Je ziet twee beelden van een voorstelling die plaats vond in het Koninklijk Atheneum te Tongeren in het najaar van 1968 of in het begin van 1969. Wie er de fotograaf van was kan ik niet achterhalen, mogelijk was het Guy Bleus.
Het zijn foto’s van een sketch die mijn vrienden en ik toen opvoerden en waarvoor ik de tekst had geschreven. Onderwerp was de elpee ‘We’re Only In It For The Money’ van the Mothers Of Invention, die eerder dat jaar was verschenen. Ik herinner me dat de tekst was gebaseerd op een strip over datzelfde toen controversiële album. Tekeningen en scenario van de strip waren van Theo van den Boogaard in het undergroundtijdschrift Aloha. Wij waren grote bewonderaars van zijn strips; onder meer ‘Witje’ en ‘Ans en Hans krijgen de kans’ vielen bij ons in de smaak. Theo van den Boogaard is vooral bekend, denk ik, van zijn strips over de televisieheld Sjef Van Oekel.
Helaas vind ik de tekst van mijn sketch niet meer terug. Vreemd, want ik bewaar alles maar dan ook alles. Of misschien is het maar goed ook.
Op de foto’s zie je onder meer Ivan Popovic en Jos Matheï (beiden met pruik), Jan Depooter (zonder pruik, Swinging London T-shirt) en mezelf (zonder pruik, wel valse Zappa-snor, Velvet Underground shirt).
Jan Depooter speelde de Afro-Amerikaanse producer Tom Wilson, bekend van zijn werk met onder meer the Mothers of Invention en the Velvet Underground. Ik stond als Frank Zappa op het podium. Ivan Popovic en Jos Matheï waren klassieke muzikanten uit een symfonieorkest.

ZE BLIJVEN VERBAZEN

POIX 095

Ze blijven verbazen: elk van hen
voegt zich bij een buur, alsof spraak
nog uitvoering is die quasi bij toeval
naast elkaar plaatst.

Alleen al en niet meer dan dat
dat we hier zijn
betekent iets:
gauw al zullen we elkaar aanraken.

En elkaar uitleg geven
in deze stilte vol geluid.

Vrij naar ‘Some Trees’ van John Ashberry
Foto: Martin Pulaski, Poix, 2013

GEHEUGEN, FILM, CENSUUR

“Het ‘zuivere beeld’, onaangeroerd door taal, behoort geheel tot de natuur; het ligt in de onuitsprekelijke blikken der dieren, voor wie de beelden ondergedompeld blijven in een onontwarbare stroom van indrukken.”
Patricia De Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid

Facebook heeft een erg kort geheugen, al word je er elke dag wel aan herinnerd op welke manier en waarmee je één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven jaar geleden geliefd (en soms ook wel gehaat) wilde worden. Is dat echter geen artificiële, mathematische en zelfs mercantiele benadering van hoe wij ons feiten en gebeurtenissen in werkelijkheid herinneren? Mijn geheugen, of wat er nog van overblijft, werkt vast niet op die manier.
Zeker is wel dat Facebook, net als god en Sinterklaas, niets vergeet. Vandaag werd ik bijvoorbeeld gecensureerd voor een clipje dat ik meer dan een jaar geleden publiek maakte, namelijk ‘Can’t Find My Way Home’ van Blind Faith. De afbeelding op YouTube [1] was een reproductie van de hoes van de eerste en enige elpee van deze supergroep, een album dat in 1969 in zowat alle platenwinkels lag. Behalve in de Verenigde Staten: aan de bijzonder mooie en vindingrijke foto van een topless pubermeisje – ik durf hem hier niet meer te tonen, maar je vind hem zo op wikipedia – van de hand van fotograaf Bob Seidemann werd in het land van de vrijheid ook toen al aanstoot genomen. De puriteinse en hypocriete moraal van mainstream Amerika is niet samen met Facebook ontstaan, laat dat duidelijk zijn.
Ondanks de belachelijke regeltjes, waar een mysterieuze zedenpolitie nauwgezet over waakt, gebeuren er op ons gezichtenboek toch fijne en verfijnde dingen. De inventiviteit van onze soort krijg je maar moeilijk kapot. Een tijdje geleden had ik het al over het filmspel dat daar – of is het hier en zowat overal, zoals in het liedje van the Beatles? – nog steeds gespeeld wordt. Je wordt verzocht om een beeld te posten uit een film die je op de een of andere manier nogal geraakt heeft. Als somtijds speelse mens was ik er meteen voor gewonnen, ook al omdat ik al van in mijn kinderjaren in de ban ben van film, film en nog eens film.
Om later nog te weten uit welke films ik beelden heb gekozen heb ik er een lijstje van gemaakt. Als het van die donkere dagen zijn zoals vandaag brengt zo’n lijstje altijd wat licht en kleur in het leven.

1. Alice in den Städten (1974) – Wim Wenders
2. In A Lonely Place (1950) – Nicholas Ray
3. Les enfants du paradis (1945) – Marcel Carné
4. Sátántangó (1994) – Béla Tarr
5. Merril’s Marauders (1962) – Samuel Fuller
6. La maman et la putain (1973) – Jean Eustache
7. The Shooting (1966) – Monte Hellman
8. Die Blechtrommel (1979) – Volker Schlöndorff
9. Down By Law (1986) – Jim Jarmusch
10. Kaagaz Ke Phool (Paper Flowers) (1959), Guru Dutt

Ik wil er nog aan toevoegen dat dit niet de allerbeste films zijn die ik ooit gezien heb. Het gaat voornamelijk om films die me om een heel specifieke reden bij de strot gegrepen hebben. Door elkaar geschud, verbijsterd, met verwondering vervuld, tot tranen toe ontroerd, enzovoort.
Wat opvalt is de lange duur van sommige films. Een groot aantal gaat over kunstenaars (fotografen, schrijvers, filmregisseurs, dj’s). Emoties spelen een belangrijke rol. Er is eenzaamheid en de onmogelijkheid van de liefde. Al bij al een verlangen naar ontroostbaarheid, zou je met Patricia De Martelaere kunnen zeggen. Een ontroostbaarheid die zoals het leven zelf lang mag duren. Liefst een leven met vrouwelijke tepels, maar als het dan toch moet zonder. Daar gaan we dan ondergronds voor.

 

[1] Op de You Tube-link naar Can’t Find My Way Home krijg je de gecensureerde hoes te zien.

IN VOLKSPARK FRIEDRICHSHAIN IN BERLIJN [1]

dav

In september logeerde ik [1] in Berlijn in een hotel met uitzicht op het Volkspark Friedrichshain, het oudste gemeenschappelijke parkgebied van Berlijn. Mooi is het park niet. Het is geen Jardin du Luxembourg of Hyde Park; het is tenslotte een volkspark. Maar er is veel te zien, vooral veel geschiedenis (die je niet meteen opvalt). Het mooiste stuk van het park heet Märchenbrunnen, een bronnen- en tuinencomplex dat in het teken staat van de gebroeders Grimm, met een dozijn of zo personages uit de wonderlijke sprookjes van Grimm, vooral meisjes. Die beelden geven je meteen zin om de sprookjes te herlezen. Het verfrissende geluid van de fontein brengt je vanzelf al in een sprookjesachtige sfeer (maar niet in de grimmige en gruwelijke sfeer van heel wat van die sprookjes). Je wilt de sprookjes herlezen om hun betoverde wereld die de tijd heeft vervaagd weer nieuw leven in te blazen. Wie was toch ook weer Repelsteeltje, was Tafeltje dek je een sprookje van Grimm, hoe heetten de zeven dwergen? Je zou het terwijl je daar wat op adem zit te komen van de voorbije, overweldigende dagen in Berlijn op je smartphone kunnen opzoeken, maar dat doe je niet, dan is de magie weg. Je wacht liever tot je weer thuis bent.
Terwijl ik me die sprookjes trachtte te herinneren zat mijn eigen Roodkapje de hele tijd te lezen in een roman van Philip Roth. Ik heb een beetje honger, zei ik. Zullen we op de hoek van de Greifswalder Strasse weer broodjes met geitenkaas kopen met Bionade erbij om ze door te spoelen, stelde ze voor. Heel goed Roodkapje, zei ik. En dan kunnen we ze hier in het park komen opeten. Waarom heb je zo’n grote ogen, vroeg Roodkapje. Grote ogen, dat zal van de gedachte aan die broodjes zijn, zei ik. Kom, laten we gaan.

sdr

sdr

[1] Hoewel deze kroniek meestal in de ik-vorm wordt verteld ben ik zelden alleen. Soms eenzaam, maar zelden alleen.

Foto’s, Martin Pulaski, september 2018

OP STAPEL

2018-06-03-nice-lyon 424 (2)

Wegens de hele reddingsoperatie van mijn blog, die maar gedeeltelijk geslaagd is en mij nooit zou gelukt zijn zonder de steun van een aantal vrienden (waarvan ik er sommige helemaal niet ken), is mijn werk in het veld van de letteren nog meer verstoord dan de diensten van De Lijn. Sinds maart werk ik gestaag aan een soort van verslag van een verblijf in Valle Gran Rey op het eiland La Gomera. Dat verslag is gaandeweg een raamvertelling geworden. De reden daarvoor is dat ik tijdens onze wandelingen daar, en ook op andere momenten, door herinneringen werd overspoeld en die vaak aan A. vertelde. Zo zijn ze, bijna tegen wil en dank, in die notities terechtgekomen. Het werken aan dat reisverslag, wat haast vanzelf leek te gaan, is in mei stilgevallen. De sfeer van het eiland, het dorp en het appartement, waar we een maand verbleven, vervaagt. Omdat ik de herinneringen die toen bij me zijn opgekomen schetsmatig in notitieboekjes heb opgeschreven, vervagen zij in veel mindere mate. Hoewel de structuur van dat verslag me wat moeite kost wil ik er toch mee doorgaan. Zo valt er nog heel wat te vertellen over de mensen die in La Gomera en Valle Gran Rey wonen. Het thema van de hoogtevrees moet zeker nog aan bod komen. Er moet dieper ingegaan worden op de muziek die op het eiland wordt gespeeld en op mijn fascinatie voor de zangeres Gloria. En ik moet een plaats vinden voor de herinneringen die in de notitieboekjes staan.

Ondertussen zijn de jaren zestig (en vooral 1968 opgedoken). Ik wilde dat hele gedoe van mei ’68 nog zo vermijden. We leven toch nu? We kunnen onze herinneringen niet zomaar kiezen. Zij kiezen ons. En toch is dat jaar er nu weer in al zijn glorie en al zijn ellende. Het lijkt erop dat ik niet anders kan dan er ook over schrijven. Uiteindelijk ben ik een bevoorrechte getuige. Een overlever.

Los van de sixties werk ik aan een reeks teksten over langspeelplaten die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Het gaat niet over welke platen ik de allerbeste of allermooiste vind of zo. Dat is een andere invalshoek. Ook hier gaat het weer om herinneringen, veel minder om schoonheid. Voor ik naar Nice vertrok en een treinreis door Frankrijk maakte, waardoor wat ik in La Gomera beleefde nog dieper weggezonken is, had ik zes albums de revue laten passeren. Nu ik weer thuis ben wordt het stilaan tijd om aan de resterende vier te denken. Dat is werk voor de volgende dagen (of weken). En misschien schrijf ik tussendoor nog wel iets over Arles, Saintes-Maries-de-la-Mer, Henri Matisse, Jean Cocteau of de heerlijke stad Lyon? Duidelijke plannen heb ik niet. Improviseren is de boodschap. Schrijven als een vorm van free jazz, maar wel met duidelijke grammaticale regels.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Arles, mei 2018

 

DE JONGEN MET HET MES

mes3

Op deze foto poseer ik als street fighting boy – of als punk avant la lettre – in de zomer van 1968. In Sint-Idesbald, aan de Belgische kust. Te laat voor de revolutie… Een onzekere toekomst lacht of huilt me toe. Ik heb er duidelijk niet veel zin in om die te zien. Ik sta met mijn rug tegen een muur… van tentzeil. Veel bescherming zal die me niet geboden hebben. Mijn rechterbeen lijkt in de tent te willen blijven. Wat kan ik daar buiten gaan doen? Ik ben nog niet helemaal in de wereld.

Waarom keer ik om de zoveel jaar terug naar deze foto, die een postmodernist met weinig gevoel voor stijl ‘iconisch’ zou kunnen noemen? Vanwege de dubbelzinnige pose: een flowerpower-jongen met een stiletto? Vanwege het ongedefinieerde? Want ondanks de schijn is niets beslist, ligt niets vast. Er is nog veel mogelijk.

Ik zag mezelf als dichter, had een toneelstuk geschreven dat ‘De droom’ heette, een utopisch verhaal, helemaal in de geest van die verwarde tijd. Boos, naïef, onvolmaakt, onzeker. Ik was een jongen die in het duister tastte maar tegelijk dacht dat hij begaafd was, een gave had. Ik had het gevoel dat woorden mij de weg zouden wijzen.

In mij was alles even woelig als de Noordzee in Sint-Idesbald. Ik had provo en psychedelica en pop en de boeken van Remco Campert (‘De jongen met het mes’), Simon Vinkenoog en Hugo Claus ontdekt. Ik had gelezen dat Hugo Claus een fan was van the Doors. Vooral ‘The End’ wist hij te waarderen. “Father?” “Yes, son.” “I want to kill you.” “Mother, I want to…” Ik had Salvador Dali op televisie uit een groot ei zien geboren worden.

Maar dat dreigende? Die stiletto? Een pose, jazeker. Maar de mogelijkheid van een Patrick Haemers zit erin. Een heel ander leven dan ik dacht te zullen gaan leiden, dan ik werkelijk zou leiden. Bankovervallen, bendes, gangstermeisjes, cocaïne, geweld, gevangenis, zelfmoord.

Wat heb je zelf in handen? Hoe word je wie je wordt? Maak je wel keuzes, en als je al keuzes maakt, hoe komt het dan dat je niet de juiste keuzes maakt? Do the right thing, allemaal goed en wel. Maar de juiste keuze maken, het juiste leven kiezen, het juiste masker, het juiste personage: komt het daar uiteindelijk niet op neer? Op die foto, weiger ik een keuze te maken, zo lijkt het wel.

Mijn vriend Henry J. vertelde me dat de jas en de zonnebril van hem waren, de tent was, geloof ik, van Luc V., de lichtblauwe broek in tergal en het hemdje waren van mij, het mes ook. Het sjaaltje was van mijn tante Georgette, die een paar jaar eerder zelfmoord had gepleegd. De foto is genomen, schreef Henry gisteren, op de morgen van de dag dat we van Sint-Idesbald weer naar huis zouden liften.

DINGEN DIE VOORBIJGAAN

2018-03-03-LAGOMERA 389 (2)

Thuis in Brussel praten A. en ik niet zo veel meer. Ik geloof dat we stilaan zijn gaan lijken op de personages uit ‘Hello In There’, dat onvergetelijke liedje van John Prine. Old people just grow lonesome. Hebben we dat stadium werkelijk al bereikt? In Valle Gran Rey – en op andere plaatsen waar we voor wat langere tijd naartoe reizen – is dat anders. Het valt me ook op dat de routines hier anders zijn. Doordat je je er bijvoorbeeld van bewust bent dat je elke dag dezelfde wandeling maakt in een andere omgeving, ervaar je die meer als een ritueel. Wat in normale omstandigheden een routine is, wordt op die manier een bewustzijnsverruimende ervaring. Je zintuigen worden aangescherpt, je geheugen gaat beter werken.

Na de koffie in Sal Y Pimienta in Borbalán wandelen we met de oceaan aan onze linkerzijde terug naar onze tijdelijke woonst. Het is zonnig maar er staat een strakke wind. Ik moet mijn hoed vasthouden. Onderweg de taferelen waar ik nu al vertrouwd mee ben en die ik nauwelijks nog opmerk. Een hoelahoepmeisje dansend op het keienstrand, een jongeman die een meditatief stukje op zijn gitaar improviseert, zijn lange haren wapperend in de wind, het beeld van de verzetsheld Hautacuperche – die mij aan de houten sigarenwinkel-Indiaan ‘Kaw-Liga’ uit het lied van Hank Williams doet denken, hoewel hij wel tien keer zo groot is -, het restaurant Las Molinos, waar we nog nooit een stap binnen hebben gezet. En de oceaan zelf, het geluid van de golfslag dat altijd hetzelfde en toch altijd anders klinkt, alsof hij, de oceaan, gehoorzaamt aan een god, of zelf een god is, een hedendaagse Poseidon, zonder drietand maar wel onderhevig aan stemmingswisselingen, misschien wel afhankelijk van rilatine.
Terwijl ik al die indrukken bijna ongemerkt onderga komen mijn herinneringen uit een diepe, lang verborgen gebleven bron opgeweld. Je kunt ze niet tegenhouden en ze eisen uitgesproken te worden. Ik praat en praat, en ik heb het gevoel dat A. aandachtig luistert. Al kan ik me vergissen. Heeft mijn levensgezellin de dingen die ik vertel niet allemaal zelf ook meegemaakt of ten minste toch al meermaals gehoord? Of is ze alles vergeten? Of vindt ze het prettig om telkens dezelfde verhalen, zij het met kleine variaties, opnieuw te horen, zoals een kind voor het slapen gaan?

Nog op de bus van San Sebastian naar hier, nu ongeveer een week geleden, dacht ik er even aan terug. Ik zat door het raam van de lijnbus foto’s te maken van het landschap, goed wetend dat ze stuk voor stuk mislukt zouden zijn. Ik deed het om de instellingen van mijn toestel te testen. Met de jaren word ik luier, meestal fotografeer ik nu op automatische piloot. Tijdens zo’n rit van meer dan een uur kun je echter veel leren. Fotograferen is ook een manier om aandachtig te kijken. Lang geleden nam ik op reis nooit een camera mee. Ik dacht dat fotograferen een zuivere waarneming in de weg zou staan. Ik bezat zelfs geen camera, om precies die reden. Of niet helemaal: ik was ook te arm om er een te kunnen kopen. Misschien heb ik dat verhaal van die waarnemingsbeperkingen alleen maar verzonnen om me minder een armoedzaaier, een mislukkeling te voelen. Door het raampje zie ik duizelingwekkende afgronden en zo lang na de grote brand die hier in 2012 woedde nog altijd zwartgeblakerde lage bomen. Het woud van Garajonay. Ik weet niet hoe het komt, maar in een flits denk ik terug aan Boekhandel Corman in Brussel, waar ik ongeveer anderhalf jaar als verkoper heb gewerkt.
Nu ik hier op de Avenida Maritima Charco de Conde loop komen die herinneringen levendiger terug. Ik herinner me de collega’s van toen. Charles Paron, de gerant, en zijn vrouw Anne, beiden échte maoïsten. Ze waren gekleed als Chinezen (ze hadden in China gewoond en gewerkt). Charles was een zachtaardige man. Van hem heb ik geleerd stevige knopen te leggen. Anne was een kettingrookster. Met het peukje van de oude stak ze een nieuwe sigaret aan. Die bleef altijd tussen haar lippen zitten. Net voor de as eraf zou vallen verwijderde ze die met een eenvoudige handbeweging; hij belandde altijd netjes in de asbak die naast een stapel van die kleine Rode Boekjes vlakbij haar kassa stond. Tijdens de middag zat ik meestal samen met Anne te lunchen boven in een klein ‘keukentje’ waar uitgedroogde vrouwentongen stonden. Ik zei nauwelijks een woord, vond mijn Frans te rudimentair. De schroomvalligheid om fouten te maken. Jean, die ik later nog terugzag in mijn hoedanigheid van occasionele ‘inspecteur’ bij de Vlaamse Overheid, werkte in de pocketkelder. Daar stonden schatten. De hele reeks City Lights, bijvoorbeeld. En de hele reeks New Directions. Dat betekende ongeveer alles wat de Beat Generation aan literatuur had voortgebracht. Overigens was Corman de grootste boekwinkel van Brussel en misschien wel van België. Het viertalige aanbod was immens. Nu kun je daar alleen nog maar van dromen. Ik geloof dat Brigitte bij de kinderboeken werkte. Zij was de bourgeoise van Corman, of zo herinner ik mij haar toch. Ze deed aan paardrijden, en vaak droeg ze haar haar in een paardenstaart. Dan was er ook nog de roodharige Eliane. Zij had zo kunnen meespelen in een van die lang vergeten Franstalige radicale films van die dagen, iets van Claude Faraldo, Alain Tanner, Claude Goretta of Bertrand Blier. Jean-François was een beetje van hetzelfde type, wat ouder, een anarchist. Hij werkte net als ik bij de Franstalige afdeling. Hij wist alles over Franstalige Belgische literatuur (waaronder de Vlamingen die in het Frans schreven). Volgens hem mochten we ons karige loon aanvullen met zo nu en dan een boek te ‘lenen’. Dat was iets helemaal anders dan boeken stelen. Zoals mijn vriend Jos D., die er vanuit ging dat ik bij Corman zijn kleptomanie zou tolereren. Jan C., niet arm nochtans, stak de boeken in zijn diepe jaszakken – of in de zomer onder zijn hemd – terwijl hij met me stond te praten. Werken van radicale denkers zoals Abbie Hoffman en Angela Davis of van leden van Internationale Situationniste, daar mocht je niet voor betalen, zal hij gedacht hebben. Ik zakte dan bijna door de grond van schaamte. Maar wat kon ik doen om mijn stelende vrienden tegen te houden? Wat Jean-François en ik deden was iets anders, dat was moreel verantwoord, vonden we. De fijnste collega die ik bij Corman had was Rita. Zij is een van mijn beste vrienden geworden, en samen met haar man is ze dat nog steeds. Over haar wil ik nog minder kwijt dan over de andere vrienden uit die lang vervlogen dagen, want misschien leest ze dit wel. Wie vindt het fijn over zichzelf te lezen, zelfs al zijn het lovende woorden? Misschien glimlacht ze wel vanwege de onjuistheden die hier staan, het gevolg van mijn onbetrouwbaar geheugen. De afdeling die mij was toegewezen, was die van Franstalige poëzie en theater, en kunstboeken. Die categorieën stonden boven, in een ruimte die grensde aan het kamertje waar we lunchten. Klanten moesten toestemming vragen om naar boven te mogen. De trap was afgesloten met een koperen ketting. Bij de kunstboeken stonden namelijk werken met naaktfoto’s en dat was in die dagen gevoelige materie. Zelfs de woorden ‘kut’ of ‘neuken’ in een roman konden als gevolg hebben dat de BOB (Belgische Opsporings Brigade) tot huiszoeking en inbeslagname overging. En zelfs tot arrestatie van de boekhandelaar, wat geloof ik met Herman Claeys van de Free Press Bookshop is gebeurd. Al weigerde Herman ook zijn belastingen te betalen. Af en toe bladerde ik in die mooie boeken, al herinner ik me niet zo goed meer van welke fotografen. Irina Ionesco vond ik alleszins fascinerend.

Ook al werkte ik met enig plezier bij Corman hield ik het na anderhalf jaar voor bekeken. Ik was uitgeput. In mijn vrije tijd en ’s nachts schreef ik experimenteel proza voor het tijdschrift Aurora van de gelijknamige filosofische kring en werkte ik aan toneelstukken. Dat was zenuwslopend. Koffie, stimulantia, alcohol waren in overvloed nodig om dat ritme vol te houden. Twee pakjes sigaretten per dag. Overigens rookten al mijn collega’s van bij Corman zoveel, met mogelijke uitzondering van de ruiterlijke Brigitte. Vreemd dat er nooit een klant klaagde over de immense rookontwikkeling in die winkel.
Samen met A. en enkele vrienden heb ik in die periode (1975-1976) twee experimentele toneelstukken in elkaar gestoken: ‘Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche’ en ‘Empedocles’. Alleen het eerste hebben we ooit één keer kunnen opvoeren. In die dagen bestond er in Nederlandstalig België nog geen avant-garde theater [1]. Veel meer dan de KVS, KNS en NTGent, heel traditionele instellingen, had je niet. In die zelfde periode is, geloof ik, Jan Decorte met zijn vernieuwend theater begonnen. Hij heeft doorgezet, ik heb opgegeven. Later is Jan Fabre op de proppen gekomen. En het Kaaitheater en Ivo Van Hove en Luc Perceval en Guy Joosten en Akt-Vertikaal en al de anderen. Om in theater te slagen moet je een beetje een dictator zijn. Ik geloof dat ik te democratisch was. Ik legde mijn wil niet op. Ik had lessen moeten leren van de drilmeester in ‘Full Metal Jacket’, maar die film moest Stanley Kubrick toen nog bedenken.

Inmiddels hadden we Hautacuperche ver achter ons gelaten en was ik een beetje buiten adem geraakt van al dat gepraat. Het was de hoogste tijd om wat asperges uit een bokaal te eten en daarna verder te lezen in de meeslepende biografie van Anthony DeCurtis over Lou Reed.

[Deel 12 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Een raamvertelling. Wordt vervolgd.]

Foto’s: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari, 2018; Bertrand Blier, Préparez vos mouchoirs; Stanley Kubrick, Full Metal Jacket.

[1] “Het probleem lag vooral bij de directies. Verschillende directeurs hadden geen visie. Ze stelden zich te weinig vragen over wat ze konden doen met het stadstheater en de programmering. Directeurs bleven veel te lang op hun plaats zitten, vooral bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg en Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Bij NTGent werd er gezocht naar verandering of deed men toch een poging. Op tien jaar tijd waren daar vier directeurs. Die grote wisselingen gebeurden steeds met vallen en opstaan. Directeurs durfden ook niet echt te kiezen voor regisseurstheater. Terwijl dit in het buitenland aan het opkomen was en duidelijk zorgde voor kwaliteitstheater. Er waren mensen die het wel konden, maar niet tot directeur werden benoemd. Daarbij denk ik aan Walter Tillemans, die vroeger echt experimenteerde in de categorie van het zogenaamde regisseurstheater. Natuurlijk waren er uitzonderingen. Ik herinner me Priester Daens in Gent, eind jaren ’70. Ook Walter Tillemans’ Kleine man, wat nu?, geïnspireerd op het regisseurstheater in Duitsland, wat een samenwerking was met Peter Zadek en Tankred Dorst. Af en toe doken nog andere stukken op van Hugo Claus of Walter Van Den Broeck. Soms werden mensen uit het buitenland aangetrokken. Maar dikwijls waren het toch kopieën van wat ze reeds gezien hadden. Die invloed kwam vooral uit Engeland. Bij de KVS kwam de invloed vooral uit Parijs, omdat ze daar veel komedies speelden, wat uiteindelijk de doorslag gaf. Maar het bleef toch een beetje steriel zoeken, zonder groot resultaat, en dat ontgoochelde mij ontzettend.”  Paul Arias

HELDEN VAN DEZE TIJD

rimbaud Le-cercle-du-poete-disparu.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (hoofdstuk 10)

Dag 7: 8 november 2016

Opgedragen aan Jan Decorte en Sigrid Vinks

Stilaan kom ik tot het besef dat elke dag mijn wereld wankelt, omdat de wereld zelf gedurig wankelt. Alles verandert, alles stroomt. Veel lijkt hetzelfde te blijven maar dat moet gezichtsbedrog zijn, want niets blijft aan zichzelf gelijk. Een moment bevat miljoenen momenten. Zonder zelfs maar een stap in de stroom te zetten stroomt hij door me heen en ook al heb ik nooit een noemenswaardige overstroming meegemaakt overstromen elke dag grote gebieden van de aarde die ook mijn aarde is, ook al is mijn verblijf hier kort.

heraclitus.jpg

In dat grotere geheel bekeken betekenen de Amerikaanse verkiezingen weinig. Wij herinneren ons de farao’s nog levendig, soms lijken ze nog onder ons te zijn. Maar waar is Giscard d’Estaing en waar president Woodrow Wilson? Bij de naam Wilson denk ik meteen aan de hond van Hilde Van Mieghem. En aan Colin Wilson, zelf een niet erg bekende schrijver. Er zijn echter veel Wilsons, te veel om op te sommen. Bij d’Estaing denk ik aan ‘destin’, ‘destiny’, ‘My Destiny’, een liedje van the Byrds, gezongen door de veel te jong gestorven Clarence White.

President-Woodrow-Wilson.jpg

Desondanks staat vandaag, 8 november, bijna volledig in het teken van die vermaledijde Amerikaanse presidentsverkiezingen. Geen ontsnappen mogelijk. Ik kan me dan wel even opwinden over de mist en de vervuilde lucht en wat notities over Avignon herwerken, maar op de achtergrond is er voortdurend die lelijke ruis. Overigens: waarom over Avignon schrijven, over het Palais des Papes en over paus Clemens V en zijn opvolgers (en de tegenpausen)? Het staat allemaal al in boeken. Ik heb in Avignon niets gezien. De Rhône is door mij heen gestroomd – terwijl ik in mijn hotelkamer lag te dromen – maar de Rhône heb ik niet gezien. Laat iemand anders me vertellen over Avignon, over de meisjes die dansen op de brug, over de schunnige, incestueuze pausen en tegenpausen. Iemand anders, een dichter, iemand die in Avignon geboren en getogen is, iemand die de tongval heeft. In Avignon zat ik in restaurants vis te eten en witte wijn te drinken en nam ik de bus naar Villeneuve, waar ik op een brocanterie signalen opving van een definitief afgesloten periode: de moderne tijd. De uitspraak van Rimbaud, dat je absoluut modern moet zijn, is voorbijgestreefd. Adieu! Kijk maar naar Trump, naar Hillary Clinton, naar Lady Gaga, naar Jan Jambon. Hier hebben we zo lang vol ongeduld op gewacht. En nu zijn we eindelijk volwassen: al het moderne, die tienerdromen, hebben we van ons afgeschud. De middeleeuwen zijn ons meer nabij dan Andy Warhol en Edie Sedgwick. Ketters, heksenverbrandingen, de pest zijn aan de orde van de dag.

jan decorte danny willems.jpg

Je begeeft je naar het Kaaitheater voor een held van deze tijd. Een held en een heldin: Jan Decorte en Sigrid Vinks. Ook zij zijn niet langer modern en evenmin postmodern. Waarom niet? Omdat ze echt zijn (“To thine own self be true”); ze zijn tegelijk zichzelf, degenen die ze altijd al geweest zijn, en iets vreemds, een kracht die bezit van hen neemt. Je weet zeker dat die kracht uit henzelf komt, maar dat het tegelijk de kracht van de wereld is. De wereld die ons zo aan het wankelen brengt. The time is out of joint, maar dat is oud nieuws. ‘Ne Swarte’ zo heet Jan Decorte’s bewerking van Othello. Zou het toeval zijn dat je net vanavond naar die leugenaar en bedrieger Jago zit te kijken, net nu de verkiezingen wat verderop, in vijftig staten, aan de gang zijn? Een Jago en een Othello van vlees en bloed. Is dit wel theater? Is het geen autobiografie en geschiedenisles (waar je niets uit kunt leren)? Tussen de bedrijven vertelt Jan Decorte over zijn leven, zijn moeder, zijn vader, over hemzelf. Het zijn echte, ware verhalen. Ze zijn van Jan Decorte maar ze behoren ook ons toe, ze zijn deel van onze geschiedenis, van ons mysterie. Als hij vertelt dat zijn vader een zwarte was, word je zelf ook een zwarte, een collaborateur, iemand die een verkeerde keuze maakte. En je vergeeft jezelf want je bent een mens en niets menselijks is je vreemd. Sigrid Vinks is een Jago van alle tijden, en zeker ook van deze donkere tijd waar wij nu in leven. Tegelijk weet je dat ze dat niet is. Je kent haar oppervlakkig, “in het echte leven”, ze is een moedige vrouw, ze zou nooit zo kunnen liegen en bedriegen als haar Jago. En toch doet ze het! En Jan Decorte zit in zijn cirkel, waar hij niet uit kan, en vertelt zijn cathartische verhalen en trommelt en trommelt omdat hij ne swarte is. Ne swarte kan heel goed trommelen, of wat dacht je anders. En je bent gelukkig omdat je dit allemaal ondergaat, als een onderdaan, een slaaf, een horige. Maar vooral omdat je beseft dat je een meester bent: zolang je niet dood bent leef je en kun je keuzes maken. Je hoeft geen Jago en zeker ook geen Othello te zijn. Je speelt de rol van je leven en je bent je eigen trommelaar en je bent niet alleen zwart maar ook wit – en alle kleuren van de regenboog. En als het allemaal gedaan is (dat denk je maar) zegt Sigrid Vinks tegen je: ah mijn instagramvriend, en Jan Decorte omhelst je en je herinnert je hoe hij je omhelsde toen je voor de eerste keer na drie maanden ziekenhuis in de Daringman kwam. Alsof hij je zelf ook nog een keer het leven wilde schenken. Je weet zelfs niet of hij op dat ogenblik wel wist dat je die zomer drie maanden had liggen sterven en herboren worden. Wat je wel weet is dat de Daringman een betere wereld is dan het UZ in Jette. Maar ook in de Daringman is de kans groot dat je gaat wankelen. En al wankelend keer je dan naar huis terug. Het is de hoogste tijd dat je gaat slapen. Alles is nog mogelijk. Er is nog niets beslist.

sigrid vinks danny willems.jpg

Afbeeldingen: Arthur Rimbaud in Aden (1880); Heraclitus door Hendrick ter Brugghen; Woodrow Wilson; Jan Decorte in ‘Ne Swarte’ door Danny Willems; Sigrid Vinks in ‘Ne Swarte’ door Danny Willems.

KORTE VLUCHT

2016-04-04-anderlecht 004.JPG

Ik moet over die vreselijke ervaringen met de Brusselse politie schrijven. Dat is een moeilijke opdracht, met veel pijnlijke herinneringen, letterlijk en figuurlijk. Maar het moet en ik ben ermee bezig. Alleen duurt het even. Het gaat over vier, vijf voorvallen die mij op z’n minst flink door elkaar schudden en mijn dagelijks leven in negatieve zin beïnvloedden. Situaties die me bijna elk geloof in de politie als vertegenwoordigers van een goed functionerende, democratische staat, als beschermers van de bevolking, bewakers van onze veiligheid deden verliezen. Wat niet betekent dat ik elke agent als een schoft beschouw, integendeel. En ook niet dat de politie zomaar in het luchtledige opereert. Het is een organisatie die deel is van een groter geheel: de perfide instelling die we met veel tegenzin nog Staat noemen. Dat is niets nieuws: de romans van Balzac, Dostojewski, Tolstoj, et cetera, laten ons zien dat het in de 19de eeuw en elders net zo goed mank liep als hier en nu. Maar moeten we daarom berusten? Ik dacht van niet.

Als intermezzo enkele foto’s gemaakt tijdens een wandeling vorige zondag in het Pajottenland, op een steenworp van Anderlecht. Enkele momenten van eenwording met het universum, of toch met een stukje ervan. Groene en blauwe vrede.

2016-04-04-anderlecht 003.JPG

2016-04-04-anderlecht 008.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 3 april 2016.

LIONS LOVE: OVER AGNES VARDA, VIVA EN SHIRLEY CLARKE

0VivaRadoRagniinAgnsVardasLionsLove...And Lies +1968.jpg

Zondag zag ik in de Flagey Studio ‘Lions Love’, Agnès Varda’s pseudo-documentaire uit 1968, met onder meer Viva, Gerome Ragni, James Rado, Shirley Clarke, Carlos Clarens en Eddie Constantine. Een meesterwerk kun je deze film niet noemen. Agnès Varda, over wie ik al eerder schreef, heeft geen grootse werken gemaakt. Ik vermoed dat dat ook nooit haar bedoeling was. Zij wilde vooral zichzelf zijn en blijven. Zij wilde zonder toegevingen aan wie of wat dan ook haar ding doen. Zij wilde hoe zij was, hoe zij in de wereld stond en naar mensen en dingen keek, in haar films laten zien. (Ik schrijf in de verleden tijd, wat niet helemaal juist is want Agnès Varda is nog altijd actief.)

Volgens het programmaboekje van Cinematek biedt ‘Lions Love’ “een eigenzinnige kijk op hoe de golfslag van mei 1968 over Hollywood kabbelde.” In de Franse tekst staat er dat de film ons helpt “à comprendre le mouvement hippie”. Onzin natuurlijk. ‘Lions Love’ is gesitueerd in Los Angeles in de eerste week van juni 1968. Daar was van de “golfslag van mei 1968” nog niets te merken. Dat hele mei ’68-gedoe is een mythe, gecreëerd door buitenstaanders, mediamensen en technocraten die er geen flauw benul van hebben wat er in de jaren zestig werkelijk is gebeurd. Dat er sindsdien een mentaliteit van “vrijheid-blijheid” bestaat, zoals Bart De Wever in zijn reactionair essay over Willem Ellschot – vorige zaterdag in De Standaard – nog beweerde, is ook zo’n mythe. Twee leesbare boeken die de periode in een wat ruimer perspectief plaatsen zijn ‘1968’ van Mark Kurlansky en ‘There’s a Riot Going On’ van Peter Doggett. Overigens begrijp je na het bekijken van deze grappige en soms tragische film helemaal niets van “le mouvement hippie”, want daar gaat hij helemaal niet over. Over beweging en bewegende beelden dan weer wel. Maar ook over stilstand: aan elke film komt helaas een einde. Het einde van ‘Lions Love’ is een close up van ongeveer drie minuten van de goddelijke Viva.

agnes varda.jpg

Het belangrijkste thema van ‘Lions Love’ is film. Het gaat inderdaad om metafilm. Agnès Varda heeft het over de regels van het filmmaken en het overtreden van die regels. De Brusselse regisseuse breekt met ongeveer alles wat tot dan als norm geldt, al is zij daarin niet de enige en ook geen voorloper. ‘Lions Love’ gaat over Los Angeles, over Hollywood, filmsterren, producers. Hij gaat over de samenhang van geweld en politiek in de Verenigde Staten, de verstrengeling van privé- en publiek leven. Het is een lofzang op Andy Warhol en tegelijk een kritiek op zijn apolitieke en commerciële milieu, de New Yorkse underground. Het is tevens een lofzang op vrijgevochten en creatieve vrouwen zoals Shirley Clarke, Viva en Agnès Varda zelf.

0shirleyclarke.jpg

Het verhaal is eenvoudig. Shirley Clarke, onafhankelijke Amerikaanse regisseuse, bekend van ‘The Connection’ en ‘The Cool World’ reist van haar habitat New York naar Los Angeles om er een film te maken voor een grote studio. Acteurs die ze voor ogen heeft zijn Gerome Ragni en James Rado, de schrijvers van en acteurs in ‘Hair’, en Viva, superster* van Andy Warhol. Ragno, Rado en Viva wonen samen in een nogal apart huis in Hollywood. Ongeveer alles is er fake en plastic, onder meer de paradijsvogelplant. De televisie is een soort van schrijn. Natuurlijk is er ook een zwembad. Er worden wat joints doorgegeven. Drukke, lange en verwarde telefoongesprekken. “Hello, Bank of America? I’d like to order $200 to go.” Op 3 juni overleeft Andy Warhol op het nippertje een aanslag door Valerie Solanas van de organisatie SCUM (Society To Cut Up Men). Twee dagen later schiet Sirhan Bishara Sirhan de tragische held Robert Kennedy dood. We zien enkele moeilijk gesprekken van Shirley Clark met de producers. Onder meer een discussie over het recht van de regisseur op de final cut, wat in die dagen ongehoord was in Hollywood. Uiteindelijk komt er geen geld voor het filmproject. Shirley Clarke doet een zelfmoordpoging.

Dit is echter maar het verhaal. Wat er werkelijk te zien valt kun je moeilijk navertellen. De schoonheid waarmee Agnès Varda het Los Angeles van 1968 filmt, bijvoorbeeld. Je krijgt er meteen zin van om ernaartoe te reizen, bijna vijftig jaar terug in de tijd, dat wel. Waar blijft die teletijdmachine? Ook de echt coole grappen, vooral die van Viva, kun je niet vertalen of uit hun context halen. (Dat negen maanden zwangerschap wel erg lang is om maar één kind te baren. Beter meteen voor drie gaan… onnozel als je het leest, maar niet als je het hoort en ziet. Timing is alles.)

SUPERSTAR VIVA 001.jpg

Circa 1970 was ik een fan van Viva**. Haar semi-autobiografische roman ‘Superstar’ (1970) heb ik verslonden. De ‘superstar’ was me vooral opgevallen in ‘Lonesome Cowboys’ van Andy Warhol. Maar eigenlijk was ze daarin (en in de andere Warhol-films, onder meer ‘The Nude Restaurant’ en ‘Blue Movie’) niet meer dan een nauwelijks betaald object/product (net zoals de andere superstars van Warhol, denk maar aan Edie Sedgwick en Ultra Violet). Agnès Varda ontdekte in Viva vooral het komische talent. Tijdens het draaien van ‘Lions Love’ trouwde Viva in Las Vegas met de Franse underground-cineast Michel Auder, die ze tijdens een kort verblijf in Parijs toevallig had ontmoet. Met deze ‘unsung hero’ zou ze aan een nieuw avontuur beginnen. Daarover later meer.

Lions love 2.jpg

*The reigning queen in Warhol’s camp of “handsome women and beautiful men”
** ‘Echte’ naam Janet Susan Mary Hoffmann. Ze was strikt katholiek opgevoed, haar ouders waren bewonderaars van communistenjager senator McCarthy. Als we ‘Superstar’ mogen geloven, en dat doen we.