IN VOLKSPARK FRIEDRICHSHAIN IN BERLIJN [1]

dav

In september logeerde ik [1] in Berlijn in een hotel met uitzicht op het Volkspark Friedrichshain, het oudste gemeenschappelijke parkgebied van Berlijn. Mooi is het park niet. Het is geen Jardin du Luxembourg of Hyde Park; het is tenslotte een volkspark. Maar er is veel te zien, vooral veel geschiedenis (die je niet meteen opvalt). Het mooiste stuk van het park heet Märchenbrunnen, een bronnen- en tuinencomplex dat in het teken staat van de gebroeders Grimm, met een dozijn of zo personages uit de wonderlijke sprookjes van Grimm, vooral meisjes. Die beelden geven je meteen zin om de sprookjes te herlezen. Het verfrissende geluid van de fontein brengt je vanzelf al in een sprookjesachtige sfeer (maar niet in de grimmige en gruwelijke sfeer van heel wat van die sprookjes). Je wilt de sprookjes herlezen om hun betoverde wereld die de tijd heeft vervaagd weer nieuw leven in te blazen. Wie was toch ook weer Repelsteeltje, was Tafeltje dek je een sprookje van Grimm, hoe heetten de zeven dwergen? Je zou het terwijl je daar wat op adem zit te komen van de voorbije, overweldigende dagen in Berlijn op je smartphone kunnen opzoeken, maar dat doe je niet, dan is de magie weg. Je wacht liever tot je weer thuis bent.
Terwijl ik me die sprookjes trachtte te herinneren zat mijn eigen Roodkapje de hele tijd te lezen in een roman van Philip Roth. Ik heb een beetje honger, zei ik. Zullen we op de hoek van de Greifswalder Strasse weer broodjes met geitenkaas kopen met Bionade erbij om ze door te spoelen, stelde ze voor. Heel goed Roodkapje, zei ik. En dan kunnen we ze hier in het park komen opeten. Waarom heb je zo’n grote ogen, vroeg Roodkapje. Grote ogen, dat zal van de gedachte aan die broodjes zijn, zei ik. Kom, laten we gaan.

sdr

sdr

[1] Hoewel deze kroniek meestal in de ik-vorm wordt verteld ben ik zelden alleen. Soms eenzaam, maar zelden alleen.

Foto’s, Martin Pulaski, september 2018

OP STAPEL

2018-06-03-nice-lyon 424 (2)

Wegens de hele reddingsoperatie van mijn blog, die maar gedeeltelijk geslaagd is en mij nooit zou gelukt zijn zonder de steun van een aantal vrienden (waarvan ik er sommige helemaal niet ken), is mijn werk in het veld van de letteren nog meer verstoord dan de diensten van De Lijn. Sinds maart werk ik gestaag aan een soort van verslag van een verblijf in Valle Gran Rey op het eiland La Gomera. Dat verslag is gaandeweg een raamvertelling geworden. De reden daarvoor is dat ik tijdens onze wandelingen daar, en ook op andere momenten, door herinneringen werd overspoeld en die vaak aan A. vertelde. Zo zijn ze, bijna tegen wil en dank, in die notities terechtgekomen. Het werken aan dat reisverslag, wat haast vanzelf leek te gaan, is in mei stilgevallen. De sfeer van het eiland, het dorp en het appartement, waar we een maand verbleven, vervaagt. Omdat ik de herinneringen die toen bij me zijn opgekomen schetsmatig in notitieboekjes heb opgeschreven, vervagen zij in veel mindere mate. Hoewel de structuur van dat verslag me wat moeite kost wil ik er toch mee doorgaan. Zo valt er nog heel wat te vertellen over de mensen die in La Gomera en Valle Gran Rey wonen. Het thema van de hoogtevrees moet zeker nog aan bod komen. Er moet dieper ingegaan worden op de muziek die op het eiland wordt gespeeld en op mijn fascinatie voor de zangeres Gloria. En ik moet een plaats vinden voor de herinneringen die in de notitieboekjes staan.

Ondertussen zijn de jaren zestig (en vooral 1968 opgedoken). Ik wilde dat hele gedoe van mei ’68 nog zo vermijden. We leven toch nu? We kunnen onze herinneringen niet zomaar kiezen. Zij kiezen ons. En toch is dat jaar er nu weer in al zijn glorie en al zijn ellende. Het lijkt erop dat ik niet anders kan dan er ook over schrijven. Uiteindelijk ben ik een bevoorrechte getuige. Een overlever.

Los van de sixties werk ik aan een reeks teksten over langspeelplaten die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Het gaat niet over welke platen ik de allerbeste of allermooiste vind of zo. Dat is een andere invalshoek. Ook hier gaat het weer om herinneringen, veel minder om schoonheid. Voor ik naar Nice vertrok en een treinreis door Frankrijk maakte, waardoor wat ik in La Gomera beleefde nog dieper weggezonken is, had ik zes albums de revue laten passeren. Nu ik weer thuis ben wordt het stilaan tijd om aan de resterende vier te denken. Dat is werk voor de volgende dagen (of weken). En misschien schrijf ik tussendoor nog wel iets over Arles, Saintes-Maries-de-la-Mer, Henri Matisse, Jean Cocteau of de heerlijke stad Lyon? Duidelijke plannen heb ik niet. Improviseren is de boodschap. Schrijven als een vorm van free jazz, maar wel met duidelijke grammaticale regels.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Arles, mei 2018

 

DE JONGEN MET HET MES

mes3

Op deze foto poseer ik als street fighting boy – of als punk avant la lettre – in de zomer van 1968. In Sint-Idesbald, aan de Belgische kust. Te laat voor de revolutie… Een onzekere toekomst lacht of huilt me toe. Ik heb er duidelijk niet veel zin in om die te zien. Ik sta met mijn rug tegen een muur… van tentzeil. Veel bescherming zal die me niet geboden hebben. Mijn rechterbeen lijkt in de tent te willen blijven. Wat kan ik daar buiten gaan doen? Ik ben nog niet helemaal in de wereld.

Waarom keer ik om de zoveel jaar terug naar deze foto, die een postmodernist met weinig gevoel voor stijl ‘iconisch’ zou kunnen noemen? Vanwege de dubbelzinnige pose: een flowerpower-jongen met een stiletto? Vanwege het ongedefinieerde? Want ondanks de schijn is niets beslist, ligt niets vast. Er is nog veel mogelijk.

Ik zag mezelf als dichter, had een toneelstuk geschreven dat ‘De droom’ heette, een utopisch verhaal, helemaal in de geest van die verwarde tijd. Boos, naïef, onvolmaakt, onzeker. Ik was een jongen die in het duister tastte maar tegelijk dacht dat hij begaafd was, een gave had. Ik had het gevoel dat woorden mij de weg zouden wijzen.

In mij was alles even woelig als de Noordzee in Sint-Idesbald. Ik had provo en psychedelica en pop en de boeken van Remco Campert (‘De jongen met het mes’), Simon Vinkenoog en Hugo Claus ontdekt. Ik had gelezen dat Hugo Claus een fan was van the Doors. Vooral ‘The End’ wist hij te waarderen. “Father?” “Yes, son.” “I want to kill you.” “Mother, I want to…” Ik had Salvador Dali op televisie uit een groot ei zien geboren worden.

Maar dat dreigende? Die stiletto? Een pose, jazeker. Maar de mogelijkheid van een Patrick Haemers zit erin. Een heel ander leven dan ik dacht te zullen gaan leiden, dan ik werkelijk zou leiden. Bankovervallen, bendes, gangstermeisjes, cocaïne, geweld, gevangenis, zelfmoord.

Wat heb je zelf in handen? Hoe word je wie je wordt? Maak je wel keuzes, en als je al keuzes maakt, hoe komt het dan dat je niet de juiste keuzes maakt? Do the right thing, allemaal goed en wel. Maar de juiste keuze maken, het juiste leven kiezen, het juiste masker, het juiste personage: komt het daar uiteindelijk niet op neer? Op die foto, weiger ik een keuze te maken, zo lijkt het wel.

Mijn vriend Henry J. vertelde me dat de jas en de zonnebril van hem waren, de tent was, geloof ik, van Luc V., de lichtblauwe broek in tergal en het hemdje waren van mij, het mes ook. Het sjaaltje was van mijn tante Georgette, die een paar jaar eerder zelfmoord had gepleegd. De foto is genomen, schreef Henry gisteren, op de morgen van de dag dat we van Sint-Idesbald weer naar huis zouden liften.

de jongen met het mes 001

DINGEN DIE VOORBIJGAAN

2018-03-03-LAGOMERA 389 (2)

Thuis in Brussel praten A. en ik niet zo veel meer. Ik geloof dat we stilaan zijn gaan lijken op de personages uit ‘Hello In There’, dat onvergetelijke liedje van John Prine. Old people just grow lonesome. Hebben we dat stadium werkelijk al bereikt? In Valle Gran Rey – en op andere plaatsen waar we voor wat langere tijd naartoe reizen – is dat anders. Het valt me ook op dat de routines hier anders zijn. Doordat je je er bijvoorbeeld van bewust bent dat je elke dag dezelfde wandeling maakt in een andere omgeving, ervaar je die meer als een ritueel. Wat in normale omstandigheden een routine is, wordt op die manier een bewustzijnsverruimende ervaring. Je zintuigen worden aangescherpt, je geheugen gaat beter werken.

Na de koffie in Sal Y Pimienta in Borbalán wandelen we met de oceaan aan onze linkerzijde terug naar onze tijdelijke woonst. Het is zonnig maar er staat een strakke wind. Ik moet mijn hoed vasthouden. Onderweg de taferelen waar ik nu al vertrouwd mee ben en die ik nauwelijks nog opmerk. Een hoelahoepmeisje dansend op het keienstrand, een jongeman die een meditatief stukje op zijn gitaar improviseert, zijn lange haren wapperend in de wind, het beeld van de verzetsheld Hautacuperche – die mij aan de houten sigarenwinkel-Indiaan ‘Kaw-Liga’ uit het lied van Hank Williams doet denken, hoewel hij wel tien keer zo groot is -, het restaurant Las Molinos, waar we nog nooit een stap binnen hebben gezet. En de oceaan zelf, het geluid van de golfslag dat altijd hetzelfde en toch altijd anders klinkt, alsof hij, de oceaan, gehoorzaamt aan een god, of zelf een god is, een hedendaagse Poseidon, zonder drietand maar wel onderhevig aan stemmingswisselingen, misschien wel afhankelijk van rilatine.
Terwijl ik al die indrukken bijna ongemerkt onderga komen mijn herinneringen uit een diepe, lang verborgen gebleven bron opgeweld. Je kunt ze niet tegenhouden en ze eisen uitgesproken te worden. Ik praat en praat, en ik heb het gevoel dat A. aandachtig luistert. Al kan ik me vergissen. Heeft mijn levensgezellin de dingen die ik vertel niet allemaal zelf ook meegemaakt of ten minste toch al meermaals gehoord? Of is ze alles vergeten? Of vindt ze het prettig om telkens dezelfde verhalen, zij het met kleine variaties, opnieuw te horen, zoals een kind voor het slapen gaan?

Nog op de bus van San Sebastian naar hier, nu ongeveer een week geleden, dacht ik er even aan terug. Ik zat door het raam van de lijnbus foto’s te maken van het landschap, goed wetend dat ze stuk voor stuk mislukt zouden zijn. Ik deed het om de instellingen van mijn toestel te testen. Met de jaren word ik luier, meestal fotografeer ik nu op automatische piloot. Tijdens zo’n rit van meer dan een uur kun je echter veel leren. Fotograferen is ook een manier om aandachtig te kijken. Lang geleden nam ik op reis nooit een camera mee. Ik dacht dat fotograferen een zuivere waarneming in de weg zou staan. Ik bezat zelfs geen camera, om precies die reden. Of niet helemaal: ik was ook te arm om er een te kunnen kopen. Misschien heb ik dat verhaal van die waarnemingsbeperkingen alleen maar verzonnen om me minder een armoedzaaier, een mislukkeling te voelen. Door het raampje zie ik duizelingwekkende afgronden en zo lang na de grote brand die hier in 2012 woedde nog altijd zwartgeblakerde lage bomen. Het woud van Garajonay. Ik weet niet hoe het komt, maar in een flits denk ik terug aan Boekhandel Corman in Brussel, waar ik ongeveer anderhalf jaar als verkoper heb gewerkt.
Nu ik hier op de Avenida Maritima Charco de Conde loop komen die herinneringen levendiger terug. Ik herinner me de collega’s van toen. Charles Paron, de gerant, en zijn vrouw Anne, beiden échte maoïsten. Ze waren gekleed als Chinezen (ze hadden in China gewoond en gewerkt). Charles was een zachtaardige man. Van hem heb ik geleerd stevige knopen te leggen. Anne was een kettingrookster. Met het peukje van de oude stak ze een nieuwe sigaret aan. Die bleef altijd tussen haar lippen zitten. Net voor de as eraf zou vallen verwijderde ze die met een eenvoudige handbeweging; hij belandde altijd netjes in de asbak die naast een stapel van die kleine Rode Boekjes vlakbij haar kassa stond. Tijdens de middag zat ik meestal samen met Anne te lunchen boven in een klein ‘keukentje’ waar uitgedroogde vrouwentongen stonden. Ik zei nauwelijks een woord, vond mijn Frans te rudimentair. De schroomvalligheid om fouten te maken. Jean, die ik later nog terugzag in mijn hoedanigheid van occasionele ‘inspecteur’ bij de Vlaamse Overheid, werkte in de pocketkelder. Daar stonden schatten. De hele reeks City Lights, bijvoorbeeld. En de hele reeks New Directions. Dat betekende ongeveer alles wat de Beat Generation aan literatuur had voortgebracht. Overigens was Corman de grootste boekwinkel van Brussel en misschien wel van België. Het viertalige aanbod was immens. Nu kun je daar alleen nog maar van dromen. Ik geloof dat Brigitte bij de kinderboeken werkte. Zij was de bourgeoise van Corman, of zo herinner ik mij haar toch. Ze deed aan paardrijden, en vaak droeg ze haar haar in een paardenstaart. Dan was er ook nog de roodharige Eliane. Zij had zo kunnen meespelen in een van die lang vergeten Franstalige radicale films van die dagen, iets van Claude Faraldo, Alain Tanner, Claude Goretta of Bertrand Blier. Jean-François was een beetje van hetzelfde type, wat ouder, een anarchist. Hij werkte net als ik bij de Franstalige afdeling. Hij wist alles over Franstalige Belgische literatuur (waaronder de Vlamingen die in het Frans schreven). Volgens hem mochten we ons karige loon aanvullen met zo nu en dan een boek te ‘lenen’. Dat was iets helemaal anders dan boeken stelen. Zoals mijn vriend Jos D., die er vanuit ging dat ik bij Corman zijn kleptomanie zou tolereren. Jan C., niet arm nochtans, stak de boeken in zijn diepe jaszakken – of in de zomer onder zijn hemd – terwijl hij met me stond te praten. Werken van radicale denkers zoals Abbie Hoffman en Angela Davis of van leden van Internationale Situationniste, daar mocht je niet voor betalen, zal hij gedacht hebben. Ik zakte dan bijna door de grond van schaamte. Maar wat kon ik doen om mijn stelende vrienden tegen te houden? Wat Jean-François en ik deden was iets anders, dat was moreel verantwoord, vonden we. De fijnste collega die ik bij Corman had was Rita. Zij is een van mijn beste vrienden geworden, en samen met haar man is ze dat nog steeds. Over haar wil ik nog minder kwijt dan over de andere vrienden uit die lang vervlogen dagen, want misschien leest ze dit wel. Wie vindt het fijn over zichzelf te lezen, zelfs al zijn het lovende woorden? Misschien glimlacht ze wel vanwege de onjuistheden die hier staan, het gevolg van mijn onbetrouwbaar geheugen. De afdeling die mij was toegewezen, was die van Franstalige poëzie en theater, en kunstboeken. Die categorieën stonden boven, in een ruimte die grensde aan het kamertje waar we lunchten. Klanten moesten toestemming vragen om naar boven te mogen. De trap was afgesloten met een koperen ketting. Bij de kunstboeken stonden namelijk werken met naaktfoto’s en dat was in die dagen gevoelige materie. Zelfs de woorden ‘kut’ of ‘neuken’ in een roman konden als gevolg hebben dat de BOB (Belgische Opsporings Brigade) tot huiszoeking en inbeslagname overging. En zelfs tot arrestatie van de boekhandelaar, wat geloof ik met Herman Claeys van de Free Press Bookshop is gebeurd. Al weigerde Herman ook zijn belastingen te betalen. Af en toe bladerde ik in die mooie boeken, al herinner ik me niet zo goed meer van welke fotografen. Irina Ionesco vond ik alleszins fascinerend.

bertrand_blier_preparez_vos_mouchoirs

Ook al werkte ik met enig plezier bij Corman hield ik het na anderhalf jaar voor bekeken. Ik was uitgeput. In mijn vrije tijd en ’s nachts schreef ik experimenteel proza voor het tijdschrift Aurora van de gelijknamige filosofische kring en werkte ik aan toneelstukken. Dat was zenuwslopend. Koffie, stimulantia, alcohol waren in overvloed nodig om dat ritme vol te houden. Twee pakjes sigaretten per dag. Overigens rookten al mijn collega’s van bij Corman zoveel, met mogelijke uitzondering van de ruiterlijke Brigitte. Vreemd dat er nooit een klant klaagde over de immense rookontwikkeling in die winkel.
Samen met A. en enkele vrienden heb ik in die periode (1975-1976) twee experimentele toneelstukken in elkaar gestoken: ‘Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche’ en ‘Empedocles’. Alleen het eerste hebben we ooit één keer kunnen opvoeren. In die dagen bestond er in Nederlandstalig België nog geen avant-garde theater [1]. Veel meer dan de KVS, KNS en NTGent, heel traditionele instellingen, had je niet. In die zelfde periode is, geloof ik, Jan Decorte met zijn vernieuwend theater begonnen. Hij heeft doorgezet, ik heb opgegeven. Later is Jan Fabre op de proppen gekomen. En het Kaaitheater en Ivo Van Hove en Luc Perceval en Guy Joosten en Akt-Vertikaal en al de anderen. Om in theater te slagen moet je een beetje een dictator zijn. Ik geloof dat ik te democratisch was. Ik legde mijn wil niet op. Ik had lessen moeten leren van de drilmeester in ‘Full Metal Jacket’, maar die film moest Stanley Kubrick toen nog bedenken.

r_lee_ermey - drill

Inmiddels hadden we Hautacuperche ver achter ons gelaten en was ik een beetje buiten adem geraakt van al dat gepraat. Het was de hoogste tijd om wat asperges uit een bokaal te eten en daarna verder te lezen in de meeslepende biografie van Anthony DeCurtis over Lou Reed.

[Deel 12 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Een raamvertelling. Wordt vervolgd.]

Foto’s: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari, 2018; Bertrand Blier, Préparez vos mouchoirs; Stanley Kubrick, Full Metal Jacket.

[1] “Het probleem lag vooral bij de directies. Verschillende directeurs hadden geen visie. Ze stelden zich te weinig vragen over wat ze konden doen met het stadstheater en de programmering. Directeurs bleven veel te lang op hun plaats zitten, vooral bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg en Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Bij NTGent werd er gezocht naar verandering of deed men toch een poging. Op tien jaar tijd waren daar vier directeurs. Die grote wisselingen gebeurden steeds met vallen en opstaan. Directeurs durfden ook niet echt te kiezen voor regisseurstheater. Terwijl dit in het buitenland aan het opkomen was en duidelijk zorgde voor kwaliteitstheater. Er waren mensen die het wel konden, maar niet tot directeur werden benoemd. Daarbij denk ik aan Walter Tillemans, die vroeger echt experimenteerde in de categorie van het zogenaamde regisseurstheater. Natuurlijk waren er uitzonderingen. Ik herinner me Priester Daens in Gent, eind jaren ’70. Ook Walter Tillemans’ Kleine man, wat nu?, geïnspireerd op het regisseurstheater in Duitsland, wat een samenwerking was met Peter Zadek en Tankred Dorst. Af en toe doken nog andere stukken op van Hugo Claus of Walter Van Den Broeck. Soms werden mensen uit het buitenland aangetrokken. Maar dikwijls waren het toch kopieën van wat ze reeds gezien hadden. Die invloed kwam vooral uit Engeland. Bij de KVS kwam de invloed vooral uit Parijs, omdat ze daar veel komedies speelden, wat uiteindelijk de doorslag gaf. Maar het bleef toch een beetje steriel zoeken, zonder groot resultaat, en dat ontgoochelde mij ontzettend.”  Paul Arias

HELDEN VAN DEZE TIJD

rimbaud Le-cercle-du-poete-disparu.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (hoofdstuk 10)

Dag 7: 8 november 2016

Opgedragen aan Jan Decorte en Sigrid Vinks

Stilaan kom ik tot het besef dat elke dag mijn wereld wankelt, omdat de wereld zelf gedurig wankelt. Alles verandert, alles stroomt. Veel lijkt hetzelfde te blijven maar dat moet gezichtsbedrog zijn, want niets blijft aan zichzelf gelijk. Een moment bevat miljoenen momenten. Zonder zelfs maar een stap in de stroom te zetten stroomt hij door me heen en ook al heb ik nooit een noemenswaardige overstroming meegemaakt overstromen elke dag grote gebieden van de aarde die ook mijn aarde is, ook al is mijn verblijf hier kort.

heraclitus.jpg

In dat grotere geheel bekeken betekenen de Amerikaanse verkiezingen weinig. Wij herinneren ons de farao’s nog levendig, soms lijken ze nog onder ons te zijn. Maar waar is Giscard d’Estaing en waar president Woodrow Wilson? Bij de naam Wilson denk ik meteen aan de hond van Hilde Van Mieghem. En aan Colin Wilson, zelf een niet erg bekende schrijver. Er zijn echter veel Wilsons, te veel om op te sommen. Bij d’Estaing denk ik aan ‘destin’, ‘destiny’, ‘My Destiny’, een liedje van the Byrds, gezongen door de veel te jong gestorven Clarence White.

President-Woodrow-Wilson.jpg

Desondanks staat vandaag, 8 november, bijna volledig in het teken van die vermaledijde Amerikaanse presidentsverkiezingen. Geen ontsnappen mogelijk. Ik kan me dan wel even opwinden over de mist en de vervuilde lucht en wat notities over Avignon herwerken, maar op de achtergrond is er voortdurend die lelijke ruis. Overigens: waarom over Avignon schrijven, over het Palais des Papes en over paus Clemens V en zijn opvolgers (en de tegenpausen)? Het staat allemaal al in boeken. Ik heb in Avignon niets gezien. De Rhône is door mij heen gestroomd – terwijl ik in mijn hotelkamer lag te dromen – maar de Rhône heb ik niet gezien. Laat iemand anders me vertellen over Avignon, over de meisjes die dansen op de brug, over de schunnige, incestueuze pausen en tegenpausen. Iemand anders, een dichter, iemand die in Avignon geboren en getogen is, iemand die de tongval heeft. In Avignon zat ik in restaurants vis te eten en witte wijn te drinken en nam ik de bus naar Villeneuve, waar ik op een brocanterie signalen opving van een definitief afgesloten periode: de moderne tijd. De uitspraak van Rimbaud, dat je absoluut modern moet zijn, is voorbijgestreefd. Adieu! Kijk maar naar Trump, naar Hillary Clinton, naar Lady Gaga, naar Jan Jambon. Hier hebben we zo lang vol ongeduld op gewacht. En nu zijn we eindelijk volwassen: al het moderne, die tienerdromen, hebben we van ons afgeschud. De middeleeuwen zijn ons meer nabij dan Andy Warhol en Edie Sedgwick. Ketters, heksenverbrandingen, de pest zijn aan de orde van de dag.

jan decorte danny willems.jpg

Je begeeft je naar het Kaaitheater voor een held van deze tijd. Een held en een heldin: Jan Decorte en Sigrid Vinks. Ook zij zijn niet langer modern en evenmin postmodern. Waarom niet? Omdat ze echt zijn (“To thine own self be true”); ze zijn tegelijk zichzelf, degenen die ze altijd al geweest zijn, en iets vreemds, een kracht die bezit van hen neemt. Je weet zeker dat die kracht uit henzelf komt, maar dat het tegelijk de kracht van de wereld is. De wereld die ons zo aan het wankelen brengt. The time is out of joint, maar dat is oud nieuws. ‘Ne Swarte’ zo heet Jan Decorte’s bewerking van Othello. Zou het toeval zijn dat je net vanavond naar die leugenaar en bedrieger Jago zit te kijken, net nu de verkiezingen wat verderop, in vijftig staten, aan de gang zijn? Een Jago en een Othello van vlees en bloed. Is dit wel theater? Is het geen autobiografie en geschiedenisles (waar je niets uit kunt leren)? Tussen de bedrijven vertelt Jan Decorte over zijn leven, zijn moeder, zijn vader, over hemzelf. Het zijn echte, ware verhalen. Ze zijn van Jan Decorte maar ze behoren ook ons toe, ze zijn deel van onze geschiedenis, van ons mysterie. Als hij vertelt dat zijn vader een zwarte was, word je zelf ook een zwarte, een collaborateur, iemand die een verkeerde keuze maakte. En je vergeeft jezelf want je bent een mens en niets menselijks is je vreemd. Sigrid Vinks is een Jago van alle tijden, en zeker ook van deze donkere tijd waar wij nu in leven. Tegelijk weet je dat ze dat niet is. Je kent haar oppervlakkig, “in het echte leven”, ze is een moedige vrouw, ze zou nooit zo kunnen liegen en bedriegen als haar Jago. En toch doet ze het! En Jan Decorte zit in zijn cirkel, waar hij niet uit kan, en vertelt zijn cathartische verhalen en trommelt en trommelt omdat hij ne swarte is. Ne swarte kan heel goed trommelen, of wat dacht je anders. En je bent gelukkig omdat je dit allemaal ondergaat, als een onderdaan, een slaaf, een horige. Maar vooral omdat je beseft dat je een meester bent: zolang je niet dood bent leef je en kun je keuzes maken. Je hoeft geen Jago en zeker ook geen Othello te zijn. Je speelt de rol van je leven en je bent je eigen trommelaar en je bent niet alleen zwart maar ook wit – en alle kleuren van de regenboog. En als het allemaal gedaan is (dat denk je maar) zegt Sigrid Vinks tegen je: ah mijn instagramvriend, en Jan Decorte omhelst je en je herinnert je hoe hij je omhelsde toen je voor de eerste keer na drie maanden ziekenhuis in de Daringman kwam. Alsof hij je zelf ook nog een keer het leven wilde schenken. Je weet zelfs niet of hij op dat ogenblik wel wist dat je die zomer drie maanden had liggen sterven en herboren worden. Wat je wel weet is dat de Daringman een betere wereld is dan het UZ in Jette. Maar ook in de Daringman is de kans groot dat je gaat wankelen. En al wankelend keer je dan naar huis terug. Het is de hoogste tijd dat je gaat slapen. Alles is nog mogelijk. Er is nog niets beslist.

sigrid vinks danny willems.jpg

Afbeeldingen: Arthur Rimbaud in Aden (1880); Heraclitus door Hendrick ter Brugghen; Woodrow Wilson; Jan Decorte in ‘Ne Swarte’ door Danny Willems; Sigrid Vinks in ‘Ne Swarte’ door Danny Willems.

KORTE VLUCHT

2016-04-04-anderlecht 004.JPG

Ik moet over die vreselijke ervaringen met de Brusselse politie schrijven. Dat is een moeilijke opdracht, met veel pijnlijke herinneringen, letterlijk en figuurlijk. Maar het moet en ik ben ermee bezig. Alleen duurt het even. Het gaat over vier, vijf voorvallen die mij op z’n minst flink door elkaar schudden en mijn dagelijks leven in negatieve zin beïnvloedden. Situaties die me bijna elk geloof in de politie als vertegenwoordigers van een goed functionerende, democratische staat, als beschermers van de bevolking, bewakers van onze veiligheid deden verliezen. Wat niet betekent dat ik elke agent als een schoft beschouw, integendeel. En ook niet dat de politie zomaar in het luchtledige opereert. Het is een organisatie die deel is van een groter geheel: de perfide instelling die we met veel tegenzin nog Staat noemen. Dat is niets nieuws: de romans van Balzac, Dostojewski, Tolstoj, et cetera, laten ons zien dat het in de 19de eeuw en elders net zo goed mank liep als hier en nu. Maar moeten we daarom berusten? Ik dacht van niet.

Als intermezzo enkele foto’s gemaakt tijdens een wandeling vorige zondag in het Pajottenland, op een steenworp van Anderlecht. Enkele momenten van eenwording met het universum, of toch met een stukje ervan. Groene en blauwe vrede.

2016-04-04-anderlecht 003.JPG

2016-04-04-anderlecht 008.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 3 april 2016.