BOEKPRESENTATIE RETROSPECTIEF PAUL RIGAUMONT

61043323_841887392846895_1692937981934960640_n

Boekpresentatie en tentoonstelling morgen woensdag 22 mei om 19 uur, in Het Huis van de Mens, Sainctelettesquare 17 1000 Brussel.
Een eerste monografie in eigen beheer, nieuwe foto’s van het beeldend oeuvre, getuigenissen van Olga Rigaumont-Tanghe, Martin Pulaski (Matti Brouns) en Christian Van Haesendonck

Boekcompositie door Herman Houbrechts, hardcover, gebonden, 95pp, gedrukt in een oplage van 300, €35. Welkom!

 

DE ROBINSONS VAN HET MARXISME-LENINISME

la chinoise

“Tegenover de metafoor staan twee bekende representatieve procédés. In de eerste plaats is er het surrealistische procédé dat de metafoor letterlijk neemt. Sinds de oudheid hebben logici uitgelegd dat wanneer wij het woord ‘kar’ uitspreken geen voertuig van dat type tussen onze lippen passeert. (…) Volgens het surrealistische procedé echter, zou de kar (…) worden afgebeeld terwijl hij tussen de lippen passeert. (…) Godard laat zelden een gelegenheid voorbijgaan om het te gebruiken. Hij doet het expliciet wanneer Jean-Pierre Léaud rubberen pijlen met zuignappen afschiet op afbeeldingen van vertegenwoordigers van de burgerlijke cultuur, ter illustratie van het idee dat het marxisme de pijl is waarmee het doel van de klassenvijand onder vuur wordt genomen. Het wordt direct toegepast wanneer Juliet Berto het idee dat het Rode Boekje het bolwerk is dat de massa tegen het imperialisme beschermt, illustreert door achter een muur van rode boeken te verschijnen (…).”
De fabel van de cinema, Jacques Rancière

la chinoise 1

Ik ben niet altijd in de stemming voor een cerebrale film als La chinoise van Jean-Luc Godard. Hoewel het niet om een zuiver intellectueel werk gaat en het ook niet van streng maoïsme getuigt, is een helder hoofd toch een voorwaarde. Best wat zuinig zijn met de wijn en de cannabis voor je eraan begint, is de boodschap. Hoewel ik zelf al veertig jaar geen cannabis meer gezien heb, laat staan gerookt.

La Chinoise is een eerder vrolijke en soms grappige film, hoewel Godard het Rode Boekje van voorzitter Mao heel ernstig nam. Dat blijkt uit Anne Wiazemsky’s Une année studieuse, haar herinneringen aan haar jaren met Godard:  “Pourquoi filmer Le Petit Livre Rouge en noir et blanc? C’est absurde! Le rouge si éclatant de la couverture dit à lui seul la grande Révolution Cuturelle!” Omdat een film in kleur nogal duur zal uitvallen vat hij het idee op om in hun appartement in de rue de Miromesnil te gaan filmen. “Notre appartement sera l’appartement provisoire de mes chers petits “Robinsons du marxisme-léninisme”. Du coup, je le ferai repeindre entièrement comme je le veux et ce seront les producteurs qui payeront tout! Malin, non?”

Het ‘verhaal’ van La Chinoise is gebaseerd op De bezetenen van Dostojewski. Je kunt plezier beleven aan de talloze verwijzingen naar van alles en nog wat. De film is natuurlijk ingebed in de Franse cultuur van die dagen. In zekere zin is hij profetisch. Ik houd van het weinig professionele acteerwerk van Juliet Berto en Anne Wiazemsky. En Jean-Pierre Léaud is als altijd Jean-Pierre Léaud. Dat hij in elke film dezelfde rol speelt is een geruststelling. Jean-Luc Godard wordt dit jaar 89.

la chinoise 2

EEN NIEUWE POLITIEKE TAAL

POIX 095

Een paar dagen geleden had ik voor de eerste keer in lange tijd opgewekte gevoelens bij het kijken naar Terzake: twee Franstalige politici, Jean-Luc Crucke (MR) en Nicolas Martin (PS) lieten zien hoe politici ook hoffelijk kunnen zijn. Ze lieten elkaar uitspreken, luisterden naar elkaars standpunten, toonden respect voor anderstaligen, zelfs voor die Vlamingen die voor Wallonië en de Walen geen goed woord over hebben. Ze spraken zelfs beter Nederlands dan heel wat Vlaamse politici. Bovendien hebben deze twee mannen  gevoel voor humor.

Uit de hele reportage – ik zag onder meer gesprekken met een bio-landbouwer en een bedrijfsleider – bleek dat de toekomst aan Wallonië is. Dat een groot deel van de Vlaamse politieke klasse, en in haar kielzog een aanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking, in het verleden is blijven steken, in de overtuiging dat de Vlamingen een ‘volk’ zijn en een ‘volk’ dan nog waarvan de identiteit voor eens en voor altijd vastligt. Veel Vlaamse politici en hun volgelingen sluiten zich af voor wat zij als het andere zien. Zij schijnen geen oog te hebben voor wat opwindend en nieuw en op een verfrissende manier anders is. Zij zitten met de roestige gevoelens van het eigen volk in hun hoofd. Elke invloed van het vreemde zien zij als negatief. Alleen voor de negatieve kracht van het geld en voor de taal van de technocratie schijnen zij niet bevreesd te zijn. Zij deinzen er echter niet voor terug om de oude, onveranderlijke Vlaamse ziel aan monsterbedrijven te verkopen, die de mensen die hier wonen alleen maar uitbuiten en de ‘heilige grond’ blijvend verwoesten. Zij zijn blind en doof voor de lust die echte verandering brengt, voor een andere indeling van de ruimte, voor gezonde lucht, voor planten en bomen, voor een sociale ecologie, voor mededogen en empathie. Voor alles wat sociaal en ecologisch is zijn zij bang. Zij huiveren voor solidariteit. Zij zien dat als een geldstroom naar de vijand. De meest perfide onder deze politici willen niet alleen de solidariteit onder de bevolking vernietigen maar ook de sociale zekerheid. Geert Van Istendael noemt dat laatste terecht een van de grootste verwezenlijkingen van de westerse beschaving. Deze politici streven naar onderdanen die niet meer dan naakte, kwetsbare individuen zijn, die bij niets of niemand meer terecht kunnen en op die manier zonder weerstand tot een nieuwe manier van slavernij kunnen worden gedwongen.

Ik was blij dat ik bij deze Franstalige politici een nieuwe – niet eens zo radicale – taal hoorde, die nu eens geen angst aanjoeg maar eerder verzoenend en troostend klonk. Een warm alternatief voor het negativisme, de angstpolitiek, de businessterreur van de Vlaams-nationalisten.

Hiermee wil ik niet beweren dat alle Vlamingen onverdraagzaam en gesloten zijn, integendeel. Het gedeelte van de bevolking dat de angst propageert en het model van de businessterreur onderschrijft is eerder klein. Alleen doordat dit segment van de samenleving zo extreem veel aandacht krijgt, lijkt het alsof er helemaal geen andere stem meer overblijft, alsof Vlaanderen één dorre betonnen vlakte is geworden, één grote grijze zone van angst en bekrompenheid met voor de afwisseling alleen wat geel-zwarte toetsen. Het is tijd om gedaan te maken met die illusie en aandacht te geven aan mensen die een warmere kijk op de wereld en onze soortgenoten hebben.

“Je standpunt bevriezen is een teken dat je geen toekomst hebt. Jezelf opsluiten, terugplooien op jezelf, vasthouden aan het verleden is vragen om te verliezen. De geschiedenis wijst dat uit.”
Jean-Pierre Dardenne

P1020206(1)

Foto’s : Martin Pulaski

 

NIETZSCHE ALS OPVOEDER

Friedrich-Nietzsche 5

Zodra ik naar de universiteit ging om er mij in filosofie te verdiepen, besefte ik dat ik mijn manier van lezen ernstiger en systematischer moest gaan aanpakken. [1] Op korte tijd probeerde ik zoveel mogelijk achterstand in te halen, niet alleen op gebied van wijsbegeerte maar ook van literatuur, poëzie, theater. Een aantal professoren, in de eerste plaats Leopold Flam, stimuleerden mij in mijn leeshonger en gaven mij een beter inzicht in wat essentiële boeken waren en wat bijkomstige of triviale. Ook tijdens gesprekken met vrienden en medestudenten ontdekte ik ‘nieuwe’ boeken en auteurs. (Het plezier in het triviale heb ik echter nooit opgegeven.)

Sinds mijn zesde levensjaar was ik vooral zoet geweest met stripverhalen en avonturenromans en was ik al gauw een dagdromer geworden. De ene dag was ik Buffalo Bill, de andere dag Sitting Bull, dan weer Ivanhoe, de Rode Ridder of Shane. Nadat ik de film Spartacus had gezien was ik, hoe kan het ook anders, zeker enkele weken lang Spartacus.
Ik las veel maar zonder systeem en zonder begeleiding. Mijn moeder had me leren lezen maar deed dat zelf nog maar nauwelijks. Het dagelijks leven als schippersvrouw eiste te veel van haar tijd en energie. In haar jeugd had ze vooral boeken van Abraham Hans gelezen, een schrijver van ongeveer honderdzeventig volksromans en massa’s kinderverhalen, en tevens journalist voor Het Laatste Nieuws en De Telegraaf. Mijn vader had nooit veel gelezen. Na de lagere school was hij in Eisden in de mijn gaan werken en daarna als scheepsknecht op binnenvaartschepen op de Zuid-Willemsvaart aan de slag gegaan, wat hij bleef doen tot hij mijn moeder ontmoette en zelfstandig schipper werd. In mijn kindertijd heb ik hem alleen oorlogsromans zien lezen en de krant Het Laatste Nieuws.
Omdat ik tot mijn achtste levensjaar meestal alleen was, kon niemand mij advies geven over wat ‘goede boeken’ en ‘slechte boeken’ waren. Mogelijk was dat een meevaller. Na de lagere school in het Kinderdorp Molenberg in de bossen van Rekem, waar ik voornamelijk Kuifje, Suske en Wiske, Nero en het tijdschrift Robbedoes las, belandde ik eerst in Eisden en daarna, voor de middelbare school, in Tongeren. Daarover had ik het al in eerdere teksten in deze reeks.

ecce homo - nietzsche 001

Een van de boeken die mijn eerste jaren aan de VUB het best markeren is Ecce Homo van Friedrich Nietzsche, al heeft hij uiteraard belangrijker werk geschreven, met name De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek, De vrolijke wetenschap, Voorbij goed en kwaad en Aldus sprak Zarathustra.
Het geloof in de eigen genialiteit, de grootheidswaanzin, de opgewonden stijl – eigenschappen die van Ecce Homo zo’n uitzonderlijk boek maken – vond ik als jonge, onzekere filosofiestudent vermetel en eigenlijk verrukkelijk. De toon van het werk riep herinneringen op aan Dali’s ‘Mijn leven als genie’ dat ik in mijn Tongerse periode had gelezen. De lectuur van Ecce Homo verrijkte mijn leven; ik besefte dat het niet altijd nodig is om bescheiden te zijn, wat gemakkelijker gezegd was dan gedaan. Voor Nietzsche echter was het kinderspel: op bijna elke pagina van Ecce Homo voerde hij bewijzen aan voor zijn uitmuntendheid, zijn aardse verhevenheid. Op elke pagina las je waarom hij zo wijs was, waarom hij zo knap was en waarom hij zulke goede boeken schreef.

Talloos zijn in Ecce Homo de metaforen waarin lucht en bergen, sneeuw, hygiëne, gezondheid voorkomen. Deze filosofische autobiografie gaf mij het gevoel dat ik zienderogen beter kon ademhalen, dat ik gezonder werd, sterker, beter opgewassen tegen de vele fratsen die het noodlot nog voor mij in petto had. Het mag duidelijk zijn: ik identificeerde mij met de verteller-held-filosoof. Mijn twijfels en onzekerheden smolten weg als op de allerwarmste zomerdagen sneeuw in de Alpen. Sils-Maria in het Zwitserse kanton Graubünden, waar Nietzsche van 1881 tot 1888 zijn zomers doorbracht, heeft voor mij nog steeds een magische klank. Altijd al heb ik er naartoe willen reizen maar het zal er waarschijnlijk nooit van komen: koekoeksklokken en koebellen houden mij op een veilige afstand.
Nu ik het toch over sneeuw heb: nooit zal ik vergeten wat Nietzsche in dit late werk over ziekte en ressentiment schrijft. Nietzsche was fysiek zwak en vaak ziek. De remedie daartegen was volgens hem wat hij Russisch fatalisme noemde, “dat fatalisme zonder wrok, waarmee de Russische soldaat, voor wie de veldtocht te zwaar wordt, ten slotte liggen gaat in de sneeuw.” [2] Het komt neer op het reduceren van de stofwisseling. Gevoelens van ressentiment branden je sneller op. Ergernis, dorst naar wraak, dat “gifschijten in alle betekenissen” is voor iemand die aan het einde van zijn krachten is de meest nadelige manier van redeneren. “Ressentiment is voor een zieke het taboe bij uitstek, voor zijn geval het Kwaad: maar helaas zijn meest natuurlijke neiging.” De ziel bevrijden van het ressentiment is de eerste stap op weg naar gezondheid, want dat affect is voor niemand nadeliger dan voor de zwakke en de zieke zelf.
Ecce Homo bevat overigens niet alleen gezondheids- en hygiënemetaforen, het boek geeft ook tips om gezond te leven. Wat te eten (geen vet), wat te drinken (geen alcohol, geen koffie, weinig – en zeker geen slappe – thee, veel bronwater) en wat te doen met je lijf en leden (veel bewegen). Zitvlees is een zonde tegen de heilige geest, aldus Nietzsche.
Ecce Homo is meteen ook een goede inleiding tot het werk van Nietzsche omdat hij er zijn boeken in samenvat en in een samenhangend geheel plaatst. Na de lectuur van dit kleine meesterwerk ben ik de Duitse filosoof blijven lezen, zij het met oplettendheid en voorzichtigheid, wat echt wel een vereiste is. Zijn herenmoraal is explosief materiaal, gevaarlijk voor de onbevangen en weinig kritische geest.
Van Nietzsche leerde ik het lichaam te koesteren. Ik besefte dat creativiteit samenhangt met lust en levensbeaming, dat een goede conditie een voorwaarde is om een (kunst)werk van lange adem tot een goed einde te brengen, dat dansen misschien wel de essentie van het leven is en dat je in alles geduld moet hebben, hoe onrustig je ‘van nature’ ook mag wezen.

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka, dichters en poëzie, en Knut Hamsun. Dit is het zesde deel.

[2] Citaten uit Friedrich Nietzsche, Ecce Homo. Hoe iemand wordt wat hij is. Vertaald door Pé Hawinkels. In de reeks Privé-Domein, 1969.

NIETZSCHE 1

EEN GROOT MYSTERIE

Giorgione_-_Sleeping_Venus_-_Google_Art_Project_2

Je zegt ‘de maan’ maar je bedoelt ‘een maanlandschap’. Je zegt ‘de maangodin’ maar je bedoelt ‘een vrouw in een landschap’. Je zegt ‘Venus’ maar je bedoelt ‘vulva’ of het wisselvallige object van je verlangen. Soms stel je je voor dat je in een archaïsche wereld leeft. Een voorstelling is nog geen waarheid en zeker geen feit. Soms stel je je voor dat er nog geen taal is en evenmin muziek. Maar zolang er mensen zijn is er taal en is er muziek. En zelfs zonder mensen zijn er vormen van taal en muziek. Wat dacht je van de vogels, waar Olivier Messiaen en Franciscus van Assisi zo graag naar luisterden? Wat dacht je van de sterren aan de hemel, vertellen die niet de hele tijd al een verhaal, ook al kijken we er niet naar of zijn we afwezig?

Je schrijft over emoties maar weet niet goed wat je daarmee bedoelt. Wat zijn emoties? Is jaloezie een emotie? Om maar iets te noemen.
Ooit schreef je iets over primitieve mensen, alsof dat over anderen ging. Alsof als andere mensen primitief zijn jijzelf van die eigenschap geen sprankel in je meedraagt, in je lijf en leden. De ene primitieve mens is jaloers op wat de andere bezit (en vice versa), beweerde je. De primitieve mensen zijn verblind omdat ze niet beseffen dat je niets kunt bezitten. Je hoort het zo vaak in de blues: you can’t take it with you when you go.
Wat zijn emoties? Dat weet je niet zo meteen. Je weet wel dat het begrip ‘emoties’ slaat op iets wat wij mensen met elkaar gemeen hebben.[1] Emoties verbinden ons met elkaar en helpen ons om begrip voor elkaar te hebben en zelfs van elkaar te houden. Als je jaloers bent voel je je hart kloppen. Uit emoties ontstaan ritme en muziek. Volgens Nietzsche ontstaat uit muziek de tragedie, of van het besef van de tegenspraak tussen het verlangen naar eeuwigheid en het besef van de eindigheid. (Wat zal er veel gemusiceerd worden om zoveel tragedie voort te kunnen brengen.) Vraag me nu niet wat ik bedoel als ik ‘muziek’ zeg, als ik ‘ritme’ zeg, als ik ‘tragedie’ zeg. Het is allemaal een groot mysterie voor me. Mysterie?

[1] Waarmee ik helemaal niet wil beweren dat dieren – en zelfs planten – geen emoties hebben.

Afbeelding: Giorgione, Slapende Venus.

 

DE TAAL VAN DE CIRKEL EN DE SPIRAAL

Niet de afgematte blik, die doet verwelken en verstarren, die in de schaduw zwijgend afwacht, die schuw wegvlucht voor de harde zon in midzomer, is heilig.
Niet het zeeschip dat statig de haven binnenvaart, niet het geluid van de misthoorns, niet de drukte en de welriekende, uitnodigende geuren in de pakhuizen, niet de grote stalen vogels op de kade.
Niet de trein die het centraal station binnenrijdt, niet de weerspiegeling van zijn rechte lijn in het wijnglas op een tafeltje in de barokke restauratie, niet de bril van de dame die in de wachtzaal zit te lezen en daar straks haar magazine zal achterlaten, niet haar herinneringen aan de zee en het kuststadje waar zij van terugkeert, niet de aarzeling in de hand op weg naar het glas, dezelfde hand en dezelfde aarzeling waarmee zij gedachteloos abstracte vormen maakte in het warme zand.
Niet de nog wat in een achtervolging verzonken blik als ze mij sluiks aankijkt, het meisje dat naast me zit in de bioscoop, niet de duidelijke sporen van schaamte, van ongemak en lust tegelijk, van de verscheurdheid die ontluikende liefde begeleidt en evenmin het gestotter van de zanger die My Generation zingt, het lied – lang niet het enige – waar zij later op de avond naar luisteren zal.
Niet de groei van een schimmel, de uitzaaiing van een gezwel, de terugkeer van de oorspronkelijke gezondheid, de blijdschap bij het hervatten van het zoete leven, de vervulling, het tederste woord.
Niet de bevende haas gevangen in de koplampen van een snelle wagen, niet de reflex van de bestuurder (wat vertraagd ten gevolge van een glas wijn bij het avondmaal), niet zijn geweten, dat zoals zo vaak en bij zoveel mensen te laat komt, en evenmin de vergeefsheid van dit alles.
Niet het bloed op de wegen, het bloed in de huizen, het bloed in de rivieren en zeeën, het bloed in de woestijn, het bloed dat overal nutteloos en zinloos wordt vergoten, is heilig.

Hier en daar, nu en dan, verschijnt een duivel [1] of een tijdsgewricht, iets universeels of iets particuliers, hebben we een ontbinding of een synthese van al dan niet impliciete, al dan niet oppositionele paren.
In sommige gevallen, op sommige momenten, bij niet nader bepaalde configuraties, hebben sommige mensen deze of gene mogelijkheid. Een mogelijkheid om te benoemen of te beschrijven, om in te beelden of uit te beelden, om te verbeelden of zelfs te bedenken. Wat? Een onbepaalde, niet-specifieke, categorieloze entiteit of non-entiteit.
Wat zich hier en daar, nu en dan, voordoet is een verlangen, een entelechie, een vergetelheid, een geheugen. Soms gebeurt het dat zich een overgang voordoet, soms een breuk, soms gebeurt niets en doet zich niets voort, dat is dan een stilstand.

Versteende symfonische gedichten, metaforen van glas en staal en beton die tot hoog in de hemel reiken, smelten. Het drama ontwaakt uit de mythe. Noem dit met een Bijbels woord ‘anastasis’. Dansende paren komen in beweging. Is de tijd uit de dood opgestaan? Opnieuw opgestaan? (En was de tijd dan dood in de dood?) Bevolkingen dansen migrerend en plechtig op de akkoorden van instortende steden. Op het platteland dringt deze muziek door tot in de stilte van de witte huizen. De dorpelingen snellen naar buiten, rennen over niet langer vertrouwde pleinen, veldwegen, bereiken ten slotte de vlakte. Ja, allen bereiken ze de vlakte, allen staren ze met verwonderde ogen naar een ver mysterie. De ene verte die ze zien maakt de nabijheid gemeenschappelijk. Een ogenblik lang bekijken de inwoners van de dorpen elkaar. Nu zien ze elkaar. Nu zien ze dat ze elkaar zien. Alles is van wit licht en rond als een melodie. De bewoners van de dorpen spreken niet, ze zwijgen, verzadigd van alle talen. Het lijkt erop dat de bewoners van de dorpen net als de stedelingen in een cirkel draaien, maar dat is niet zo. Niemand draait in een cirkel, niemand vlucht weg van zijn middelpunt of keert er naar terug. Niemand keert terug naar zijn begin.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Aurora, Jaargang 2, Nr. 8, 1977. Deze herwerkte versie werd vandaag beëindigd.

2017-05-19-andalusie2017 786

[1] (…) er was haast geen mens meer te vinden die in verloop van vier of vijf jaar tijd niet meer rampen had beleefd dan de knapste auteur in een eeuw zou kunnen beschrijven, en men diende dus de hel te hulp te roepen om nog aanspraak te kunnen maken op de belangstelling van de lezer, en men diende in het land van de fantasmagorieën iets anders dan de dagelijkse kost te zoeken die men al kende door slechts de geschiedenis van de mens uit die meedogenloze tijd te bestuderen.
Markies De Sade, Gedachte over de romans, in: Liefde’s misdaden, vertaald door Hans Warren.

Afbeelding: Capileira (520 inwoners), 16 mei 2017, Martin Pulaski.