LIEFLIJKE STERREN VAN DE BEER

[Bekoringen na het zien van Luchino Visconti’s Vaghe stelle dell’Orsa uit 1965, met Claudia Cardinale en Jean Sorel.]

Het is 1965. Je komt aan in Volterra. Flarden van Italiaanse beatmuziek. De originele versie van You don’t have to say you love me, je kent het nummer van Dusty Springfield, een en al sensuele pathos, Io che non vivo (senza te) van Pino Donaggio en Vito Pallavicini, een nummer-1 hit in Italië. Een veelzeggend detail in deze naargeestige geschiedenis.

Claudia Cardinale is zinnelijkheid par excellence. Haar aanwezigheid, vurig, beheerst, opwindend, doet Visconti’s film vol fotografische poëzie nagenoeg in zichzelf verdwijnen. Zij is de poëzie van het vrouwelijk lichaam, meer nog dan Lucia Bosé dat is in Cronaca di un amore van Michelangelo Antonioni, Rita Hayworth in Gilda van Charles Vidor en Gloria Grahame in The Big Heat van Fritz Lang.

Je hebt het niet alleen over de aantrekkingskracht van Sandra/Claudia’s borsten, in donker en in licht. Je zinspeelt op haar hele verschijning. Haar Italiaanse ogen. Hoe ze beweegt, sierlijk in harmonie met haar opulente omgeving, waar ze evenwel niet in opgaat. Zie hoe ze schittert tussen op zich schitterende voorwerpen.

Maar elk object waar haar en jouw blik op valt is een herinnering aan verraad en incest, een verstomde oproep tot wraak. Vermoord moeder! Dat zijn elementen van de naargeestige geschiedenis, die je door je al te zeer te concentreren op de sensuele bewegingen van Claudia bijna zou vergeten.

Waar komt de titel, Vaghe stelle dell’orsa, vandaan? Uit het gelijknamige gedicht van de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi.

Lieflijke sterren van de Beer, nooit had ik
gedacht dat ik jullie weer net als vroeger
boven de tuin mijns vaders zou zien vonken
en met je praten zou vanuit de ramen
van ’t ouderhuis, waar ik als jongen woonde
en ’t einde van mijn kindervreugde aanschouwde.

Giacomo Leopardi, Zangen, XXII, De herinneringen, vertaald door Frans Van Dooren.

FIVE EASY PIECES

Enkele notities over Five Easy Pieces (1970), een film van Bob Rafelson. Bob Dupea (Jack Nicholson) breekt los uit een burgerlijk-muzikaal milieu en zoekt zijn heil in de alledaagsheid van het arbeidersbestaan. Hij is gehuwd met het ‘vulgaire’ dienstmeisje, Rayette Dipesto (Karen Black), dat met countrymuziek dweept.
Het contrast klassiek-populair is voortreffelijk uitgewerkt. Bob Rafelson weet de artificiële tegenstelling Frédéric Chopin-Tammy Wynette in zekere zin op te heffen of toch te overstijgen; hij weet op zijn minst beide componenten aan elkaar gelijkwaardig te maken. Beide muziekvormen zijn intense uitdrukkingen van gedachten, gevoelens en verlangens die slechts oppervlakkig en vormelijk verschillend zijn. Los van muziek en kunst tref je bij wat in 1970 nog de bourgeoisie werd genoemd min of meer dezelfde gevoelens en verlangens aan als bij de arbeidersklasse, maar bij de eerste groep zijn zij meer verdrongen, of verborgen achter een masker van conventies en morele normen. De taal van Rayette wordt vulgair genoemd omdat ze direct is en onverbloemd, omdat ze de ‘dingen bij hun naam noemt’. Ook de teksten van countryliedjes winden er geen doekjes om, zelfs al wordt ‘DIVORCE’ als ‘D-I-V-O-R-C-E’ [1] gespeld.
Bij de gesofisticeerde bourgeoisfamilie waartoe Robert, Bob voor de vrienden, ooit heeft behoord wordt er een andere taal gesproken, die indirect is, verwijderd van het alledaagse en van de subjectieve gevoelswereld. Robert is echter het vocabulaire van de arbeidsklasse gaan gebruiken. Het is een andere vorm van vluchten, op zoek naar een soort van onschuld in de taal. Een onschuld die niet bestaat. Zoals het liftende hippiemeisje Palm Apodaca naar Alaska wil omdat het daar zuiverder, witter is. Terwijl de hele wereld bezwijkt onder het gewicht van de overbodige comsumptierommel en zelfs Alaska daar niet aan zal ontsnappen.

Rayette : I’m gonna play it again.
Bobby : You play that thing one more time, I’m gonna melt it down into hairspray.
Rayette : Let me play the other side then.
Bobby : No, Rayette, it’s not a question of sides. It’s a question of musical integrity.

[1] Een compositie van  Bobby Braddock and Curly Putman en een nummer één hit voor Tammy Wynette in mei 1968. “Country music historian Bill Malone wrote that Wynette’s own tumultuous life (five marriages) “encompassed the jagged reality so many women have faced.” Therefore, he asserts that Wynette identified so well with “D-I-V-O-R-C-E”; her rendition, Malone wrote, is “painfully sincere—there is no irony here—and if there is a soap opera quality to the dialogue, the content well mirrors both her own life and contemporary experience.””

HOTEL MONTE VISTA

Enkele dagen geleden zag ik in het gezelschap van mijn vrienden Eddie en Jan in Cinema Palace op de Anspachlaan Dreaming Walls van Maya Duverdier en Amélie van Elmbt. Het is een oprechte en ongewone documentaire over het legendarische Chelsea Hotel in New York, al meer dan een eeuw een toevluchtsoord voor bohemiens, muzikanten, prostituees, kunstenaars en junkies. Van een aantal beroemdheden die er resideerden ken je de namen: Dylan Thomas, Thomas Wolfe, Leonard Cohen, Janis Joplin, Patti Smith, Robert Mapplethorpe, Tennessee Williams, Arthur C. Clarke, Nico, Andy Warhol, Viva Auder (actrice en schrijfster van het fantastische boek Superstar), Gaby Hoffman (dochter van Viva [1]), Charles R. Jackson (schrijver van The Lost Weekend), Sam Shepard, Bob Dylan (die er naar eigen zeggen Sad Eyed Lady Of The Lowlands schreef) en Harry Everett Smith, samensteller van de invloedrijke Anthology of American Folk Music, uitgebracht in 1952.

Wat in Dreaming Walls vooral wordt belicht zijn de schaarse, voornamelijk bejaarde bewoners van het gebouw die er kost wat kost willen blijven tijdens – en ondanks – de ingrijpende verbouwingen. In de nabije toekomst wordt het Chelsea Hotel een plek voor de rijken, zij die veel dollars willen neertellen om enkele dagen de rol van kunstenaar of hoer te mogen spelen. Voor de laatste Mohikanen die er nog wonen is blijven de enige optie. Zij hebben geen geld om waar dan ook nog naartoe te kunnen gaan. Zowat heel Manhattan is een stad voor de superrijke elite geworden. Af en toe zat ik met een krop in de keel naar de verhalen van deze extravagante enkelingen te luisteren. Al is de documentaire visueel evenzeer een parel. Ik vind het een van de betere Belgische films. Hij haalt net niet het niveau van het werk van Chantal Akerman en André Delvaux, maar dat is dan ook geen sinecure. Mogelijk was ik zo verrukt omdat ik al drie jaar in geen bioscoop meer was binnengestapt.

Toen ik wat over Dreaming Walls zat te praten dacht ik opeens aan een ander hotel, waar Agnes en ik in september 1993 een drietal dagen logeerden: het Monte Vista Hotel in Flagstaff, Arizona. Dat was tijdens een reis door het westen van de Verenigde Staten. Op slag wilde ik meer weten, niet alleen over die fantastic voyage, een hoogtepunt in mijn leven, maar vooral over dat éne hotel. Na wat speurwerk in mijn archief stelde ik vast dat ik tijdens die trip van vijfentwintig dagen niet één woord heb genoteerd. In het archief heb ik in mijn handschrift alleen een telefoonnummer van een taxi gevonden. Meer niet. Gelukkig heb ik wel heel wat andere documenten, vliegtuigtickets, kaartjes van de Greyhound bussen, rekeningen van hotels en zo meer (her)ontdekt.

Wij kwamen in Flagstaff aan op 14 september 1993. We hadden die morgen de Greyhound bus genomen in Albuquerque, New Mexico. In Albuquerque, nu een metropool en bekend door de series Breaking Bad en Better Call Saul, hadden we alleen maar het miezerige Rattlesnake Museum bezocht en lekker gegeten in wat toen nog Conrad Hilton Hotel was [2]. Terwijl de helft van de huidige inwoners van Albuquerque dealers lijken te zijn en de andere helft aan de crystal meth zit, viel daar toen geen barst te beleven. Waarom was het een stopplaats op onze reis geweest? Omdat Neil Young er een song [3] over heeft geschreven? Heel goed mogelijk.

De rit van Albuquerque naar Flagstaff, grotendeels over de legendarische Route 66, duurde lang, ongeveer zeven uur, herinner ik mij, maar de panorama’s onderweg waren adembenemend. Je rijdt door mythische landschappen als het Petrified Forest, de Navajo territoria – en uit liedjes en films bekende stadjes als Gallup, Winona en Winslow.

Flagstaff was in 1993 nog een stad die het bezoeken waard was. Van daaruit kon je met een bus van de Navajo-Hopi Indianen naar de Grand Canyon. Ik heb een lijst van alle hotels waar we tijdens die reis verbleven. Onze reisagent, Ictam in Brussel, had die voor ons uitgeprint en ik heb hem hier voor me liggen. Merkwaardig dat alleen het Monte Vista Hotel in Flagstaff erop ontbreekt. Toch ben ik er zeker van dat wij er geweest zijn. Ik kan het zelfs bewijzen: ik heb er foto’s van en ik heb een factuur teruggevonden. Al even merkwaardig is dat we de Alan Ladd Room toegewezen kregen, kamer 308. Want Alan Ladd was mijn favoriete acteur toen ik vijf of zes jaar was. Mogelijk was hij mij opgevallen in de film Shane, hoewel die al in 1953 uitkwam; toen was ik drie en nog niet vertrouwd met revolverhelden, ook niet met die met een goed hart als Shane. Alan Ladd verbleef echt in kamer 308 in het Monte Vista. Ladd was niet de enige filmster die zich daar ophield. Dat wist ik toen niet maar nu wel. Ook John Wayne, Barbara Stanwick, Humprey Bogart, Spencer Tracy, Clark Gable en Esther Williams waren er te gast. O ja, er waren nog meer beroemde logés: Michael Stipe, Zane Grey (auteur van onder meer de roman “Riders of the Purple Sage”[4]), Siouxsie Sioux, Debbie Reynolds, Jane Russell, Gene Tierney en mijn favoriete acteur Lee Marvin. Jammer dat ik geen deel kan uitmaken van het geheime genootschap The Sons Of Lee Marvin: je moet namelijk op hem lijken om erbij te mogen horen. Neil Young is echter wel lid en ik zie geen enkele gelijkenis met de enige en echte Lee Marvin. [5]

Tijdens mijn opzoekingen ontdekte ik nog meer. Naast Hollywoodsterren, schrijvers en muzikanten verbleven er een aantal rare snuiters in het Monte Vista. Bovendien blijkt het er te spoken. In kamer 220 woonde lange tijd de Meat Man. Het was diens gewoonte rauw vlees aan de kroonluchter te drogen te hangen. In kamer 305 wordt af en toe de geest van een vrouw gezien, zittend in een schommelstoel bij het raam. In kamer 306 werden lang geleden, toen in de buurt van het hotel de prostitutie nog welig tierde, twee hoeren vermoord en door het raam naar beneden geworpen. Onder meer John Wayne heeft voor de deur van kamer 210 ooit een spookachtige piccolo gezien. De westernheld kreeg er allesbehalve de daver van op het lijf. Wat ook niet te verwachten was. That‘ll be the day! Andere gasten bevestigen dit verhaal over die Phantom Bellboy. In de Cocktail Lounge wordt soms een dansend stel gezien. Altijd dansen zij naakt op Bertha, Dark Star en andere songs van the Grateful Dead en ze schamen zich voor niemand. Drie mannen die een bank in de buurt van het hotel hadden beroofd kwamen in diezelfde lounge hun dollars opdrinken. Een van de drie dronk zoveel Heaven’s Door Whisky dat hij van zijn barkruk viel, morsdood. Niemand weet wat met de andere twee dronken rovers gebeurde. Ik las ooit dat The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest over de twee mogelijk nog steeds voortvluchtige bandieten gaat, maar dat is ongetwijfeld fake news en post truth. Ook de bewering dat sommige scenes van Casablanca in een van de kamers van het roemruchte hotel werden gefilmd lijkt me vergezocht.

Toen wij er logeerden werden we op een ochtend wakker met bloedvlekken op onze kleren. Hoe was dat mogelijk? We waren de avond tevoren alleen maar naar een concert van Dwight Yoakam – met een wel heel sexy Carlene Carter als opener – geweest. Zijn A Thousand Miles from Nowhere was in die tijd een grote hit in de Verenigde Staten. Daarna nog een drankje in de bar en dan naar bed. Omdat we maar weinig kledij hadden meegebracht – veel ging er in onze rugzakken niet in – moesten we die dag naar de Sno-Flake Dry Cleaner and Shirt Laundry in North Elden Street, gelukkig niet ver van het hotel. Wat verder, in South San Francisco Street had je de winkel Cheap Clothes. Zoals te verwachten en te voorzien was, was nagenoeg alles er spotgoedkoop en lelijk. Gelukkig had ik nog een T-shirt van het Rattle Snake Museum in Albuquerque, en Agnes had er een met een afbeelding van Billie Holiday op, die ze ook als jurk kon dragen. Over het concert van Dwight Yoakam en ons bezoek aan de Grand Canyon schreef ik eerder al een stukje. Tijdens de terugrit met de Indianen zagen we niet al te hoog in de lucht boven Arizona een UFO vliegen. Zelden heb ik zoveel sterren gezien als die avond op weg naar Flagstaff. De volgende ochtend namen we de Greyhound naar Phoenix. Bijna vergaten we onze kleren te gaan afhalen bij Sno-Flake Dry Cleaner and Shirt Laundry. De bloedvlekken waren netjes verwijderd.

[1] “Gaby Hoffmann recalled, “I grew up in downtown New York in the ’80s. I have a friend who grew up with me, and she puts it well. She says, ‘If you grew up where we grew up, if you weren’t an artist, a drag queen, queer, or a drug addict, then you were the freak.’ I grew up in a world where I guess what is considered unusual or abnormal for the rest of America was very much considered the norm.” She also reported in an interview that there had been gunfire and a rape at the hotel shortly before they moved out.”

[2] Het eerste Hilton hotel buiten Texas, gebouwd in 1939, nu Hotel Andaluz.

[3] Op Tonight’s The Night, verschenen in juni 1975 op het Reprise label.
“So I’ll stop when I can
Find some fried eggs and country ham
I’ll find somewhere
Where they don’t care who I am
Oh, Albuquerque
Albuquerque.”

[4] Waar de Californische countryrock band The New Riders Of The Purple Sage zijn groepsnaam vond. Hun eerste, voortreffelijke elpee verscheen in 1971. De toenmalige leden waren John Dawson, David Nelson, Dave Torbert, Jerry Garcia en Spencer Dryden.

[5] Founding member and film director Jim Jarmusch explained, “If you look like you could be a son of Lee Marvin, then you are instantly thought of by the Sons of Lee Marvin to be a Son of Lee Marvin”. 

Foto’s: Martin Pulaski, september 1993. Documenten uit het archief van Matti Brouns.

ON THE ROAD AGAIN

Ik lees af en toe een stukje in The Philosophy of Modern Song van Bob Dylan. Het hele boek in een keer uitlezen, waar ik wel zin in heb, zou zonde zijn. Een fles Heaven’s Door drink je toch ook niet in één zitting uit? Al deed ik dat tientallen jaren geleden wel eens – in gezelschap van vrienden – met Old Grand-Dad bourbon, maar dat was dan ook de uitverkoren Kentucky whisky van John Steinbeck en van tal van personages in het werk van Cormac McCarthy. Zelf heb ik al jaren geen druppel Old Grand-Dad meer aangeraakt. Al mijn drinkebroers zijn dood en ik drink alleen nog wijn en Martini Bianco, met mate. Old Grand-Dad is nu in handen van een Japanse multinational, waarvoor de in ongenade gevallen acteur Bill Murray ooit nog reclame maakte (in Sofia Coppola’s romantische komedie Lost In Translation uit 2003).

Ik las net het stuk over On The Road Again van Willie Nelson. Dat lied vind je terug op de elpee Honeysuckle Rose, de soundtrack bij de gelijknamige film van Jerry Schatzberg die uitkwam in 1980. Slim Pickens speelt erin mee. Ik ben alweer diep onder de indruk van Dylans wijze en soms grappige woorden. Van zijn proza vol onverwachte en niet te overtreffen gedachtesprongen en verwijzingen. Onder meer naar On the Road van Jack Kerouac “the iconic beat generation masterpiece” en naar Van Morrisons Hard Nose The Highway. Omdat Van per vliegtuig reist zal hij niet goed weten hoe het leven aan boord van een tourbus werkelijk is, maar hij zal er beslist al over hebben horen vertellen, aldus Dylan.
On The Road Again gaat inderdaad over het leven van reizende muzikanten, over de dagen en nachten doorgebracht in een tourbus. Het soort vehikel dat wij sedentaire mensen alleen van de buitenkant kennen (en uit de onvergetelijke rockfilm Almost Famous). Bob Dylan schrijft er uiteraard met kennis van zaken over. Je zit meteen samen met Bob en met Willie en met de hele band en nog wat groupies erbij – denk aan Kate Hudson – in die bus. Het is duidelijk dat de schrijver van The Philosophy Of Modern Song van dat leven houdt. Niemand maakt zich daar boos op je omdat je de vuilnis vergat buiten te zetten. “When you’re on the road, you’re living the life you love. “ En vooral dit: “You give pleasure to other people and you keep your grief to yourself.”

De stukken die ik al las gaan meer over Onze Held dan over de song die er het onderwerp van is. Dat is ook met On The Road Again het geval. Al krijg je meteen zin om niet alleen dàt nummer van de outlaw te beluisteren, maar zowat alles wat je van hem in huis hebt. Je zou zelfs Honeysuckle Rose nog wel een keer willen zien, met een glas Old Grand-Dad erbij, of liever nog een hele fles Heaven’s Gate.


ZERO DE CONDUITE: BLOED

Grave, Julie Ducorneau

Zéro de conduite is in essentie een muziekprogramma waarin songs uit de popcultuur in het keurslijf van thema’s worden ‘geperst’. Woekerende chaos wordt enigszins overzichtelijk gemaakt. Alle zogeheten populaire genres komen aan bod, al ligt de nadruk op Amerikaanse folk, blues, country en rock-‘n-roll. Sommige muziekliefhebbers noemen het allemaal pop. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds kan je ernaar luisteren op Radio Centraal 106.7 fm en streaming. Meer informatie over de zender en zijn medewerkers en programma’s vind je hier.
Het motto van deze aflevering is
You bit your lover in the bed, / Come here I`ll break your lousy head / Our nation must be saved and freed / You been accused of murder, how do you plead?

I Spit On Your Grave, Meir Zarchi

Op 10 april begint de Goede Week. Voor wie het nog niet of niet meer zou weten: dan worden het lijden, sterven en de verrijzenis van Jezus herdacht. Ik heb altijd meer interesse gehad voor de wederopstanding dan voor het lijden en sterven maar in deze tragische tijd kan ik niet aan de dood voorbijgaan. Aan gewonde en stervende mensen en dieren, aan bloed. Hoewel we er liever niet aan denken of naar kijken is het er altijd. Bloed. Vaak wordt deze vloeistof in één adem met zweet en tranen genoemd. In elk tijdperk, in elk leven, in elk gezin, in elke woning wordt er gebloed. Elke dag vloeit her en der bloed. Op sommige dagen en in sommige periodes – zoals nu – is de hoeveelheid bloedverlies groter dan anders. (We kunnen ons het volume ervan zelfs niet meer voorstellen.) Dan zijn we triest en bang en voelen we ons hulpeloos. We zoeken naar middelen om het bloeden te stelpen maar vinden er geen. Het lijkt erop dat sommige bloedingen vanzelf moeten ophouden. Hopen en bidden en en beven veranderen niets aan deze situatie. Het is een schaakspel dat niemand kan winnen. Ook de koning en de koningin hebben gapende wonden. Al begrijp ik dat zelfs gebeden die niet worden verhoord toch troost kunnen bieden, vooral als ze in delicate tempels, kerken, synagogen en moskeeën worden gezongen of in stilte uitgesproken. Eveneens begrijp ik dat kunst, ook die waarin bloedige taferelen worden afgebeeld, het Martelaarschap van de heilige Agatha door Giovanni Batistta Tiepolo bijvoorbeeld, of Saturnus verslindt zijn zoon door Francisco de Goya, ons kunnen helpen de ogen te sluiten voor het afschuwelijke, voor de horror. Zelfs bloederige horrorfilms als Trouble Every Day van Claire Denis, Grave (Raw) van Julie Ducorneau en La reine Margot van Patrice Chéreau kunnen ons afleiden van wat ginds, niet zo heel ver van hier, gaande is. Misschien kunnen ook deze 31 bloederige songs dat?

Ondanks alles veel luisterplezier en dat er gauw vrede mag komen.

Trouble Every Day, Claire Denis

The Blood – The Zion Travelers – Down By The River – L.C. Cohen

I Know His Blood Can Make Me Whole – Blind Willie Johnson – The Complete Blind Willie Johnson – Blind Willie Johnson

I’ve Got Blood In My Eyes For You – Mississippi Sheiks – Honey Babe Let The Deal Go Down: The Best Of Mississippi Sheiks – L. Carter

Bloodshot Eyes – Wynonie Harris – King R&B Box Set Vol. 1 – Penny Hall

Blood Is Redder Than Wine – Little Willie Littlefield – Going Back To Kay Cee – Leiber/Stoller

Lust Of The Blood – Jerry Lee Lewis – Theme Time Radio Hour, Show 80: Blood – Jack Good/Ray Pohlman/William Shakespeare

Bleeding All Over The Place (Alternate Mix) – Randy Newman – Guilty: 30 Years Of Randy Newman – Randy Newman/Goethe/Milton

It’s About Blood – Steve Earle & The Dukes – Ghosts Of West Virginia – Steve Earle

Pay In Blood – Bob Dylan – Tempest – Bob Dylan

Let it Bleed – The Rolling Stones – Let It Bleed – Mick Jagger/Keith Richards

Hot Blood – Lucinda Williams – Sweet Old World – Lucinda Williams

Blood, Sweat and Murder – Nick Cave & Warren Ellis ft. Scott Biram – Hell Or High Water (OST) – Scott Biram

Sleeping In Blood City – The Gun Club – Miami – Jeffrey Lee Pierce

Heroin – The Velvet Underground – The Velvet Underground & Nico 45th Anniversary [ Deluxe Edition Vol.1] – Lou Reed

Blood – Tindersticks – Tindersticks – Alistair McAuley/David Boulter/Dickon Hinchliffe/Mark Colwill/Neil Fraser/Stuart A. Staples/Tindersticks

Blood Never Lies – Thurston Moore – Demolished Thoughts – Thurston Moore

Taste Of Blood – Mazzy Star – She Hangs Brightly – David Roback

Drawn To The Blood – Sufjan Stevens – Carrie & Lowell – Sufjan Stevens

Black Arrow, Bleeding Heart – Whiskeytown – Faithless Street – Steve Grothman/Caitlin Cary/Eric Gilmore/Phil Wandscher

Bloody Hands – Mark Olson & Gary Louris – Ready for the Flood – Mark Olson/Gary Louris

Flesh And Blood – Johnny Cash – Man In Black: The Very Best Of Johnny Cash – Johnny Cash

Are You Washed In The Blood – The Louvin Brothers – Nearer My God To Thee – Traditional

Blood Red Bird – Smog – Red Apple Falls – Bill Callahan

O Haupt voll Blut und Wunden (Matthäus Passion) – De Nederlandse Bachvereniging, Jos Van Veldhoven – Johan Sebastian Bach

Jesus’ Blood Never Failed Me Yet – Gavin Bryars with Tom Waits- Jesus’ Blood Never Failed Me Yet – Bryars

Blood of Tin – Lydia Lunch – Queen Of Siam – Lydia Lunch

Romeo Is Bleeding – Tom Waits – Blue Valentine – Tom Waits

Desert Blood – Albert Ayler – The Last Album – Mary Parks

Five Nights Of Bleeding – Poet & The Roots – Dread Beat An’ Blood – Linton Kwesi Johnson

Blood And Fire – Niney The Observer – Trojan Explosion – Winston Holness

Brother Blood – Neville Brothers – Brother’s Keeper – Charles Neville/Ron Cuccia

La reine Margot, Patrice Chereau

Samenstelling en research: Martin Pulaski

EEN ONVERWACHT BEZOEK

Senga, Brussel, 1976. Op de achtergrond Het land van de grote belofte van Andrzej Wajda. Een film die we pas veel later zouden zien. Foto: M.P.

[Eerste helft augustus 1979]

Enkele dagen na het etentje bij Giuseppe. De kater was weggeëbd, ik had de doodsbrief van Barbara Welkenhuyzen gelezen en vervolgens in een la gelegd. Later zou hij in een schoendoos worden opgeborgen. In 1979 was het oude Neerharen en de hele Maasvallei voor mij een verzonken wereld. De vrienden van toen waren schimmen geworden die alleen in mijn dromen soms nog een wat grotere rol kwamen opeisen. Dat laatste wees erop dat weinig van wat ik daar had beleefd uit mijn geheugen was gewist.

Omstreeks vijf uur ging de deurbel: het was Ria. We waren aangenaam verrast; het was de eerste keer dat ze bij ons op visite kwam. Ze stak meteen een sigaret op, waarbij haar handen een beetje beefden. Zij maakte een wat bedremmelde indruk. Ria kwam drie dingen vragen: 1° een tang (er scheelde iets aan haar fiets); 2° of ze één van haar werken nog eens mocht bekijken (“de hand met de genagellakte vingers”); 3° of we geen Captagon, één pilletje maar, konden missen. Jammer genoeg zaten we zelf zonder. Ik hoopte dat Ria me geloofde. Gebruikers van medicinale speed of amfetamine zijn vaak zuinig op hun voorraad. Dokters schrijven het middel met grote tegenzin voor. Apothekers die de pillen illegaal verkopen zijn op een hand te tellen. Senga kende er een in een buitenwijk van Gent, maar je mocht je daar maar één keer per maand komen bevoorraden. Mij gunde de man helemaal niets. Mogelijk omdat ik er minder sexy uitzag dan Senga. Nochtans gebruikte ik die pillen niet als drug maar als hulpmiddel, omdat ik me al sinds mijn kinderjaren moeilijk kon concentreren. Boeken lezen ging wel altijd vlot. Mogelijk omdat daar plezier en genot mee gepaard gingen. Studeren was moeilijker. Schrijven kon ik uitsluitend als ik in een soort van trance kon geraken. Met het ouder worden is het concentratieprobleem alleen maar verergerd. Lezen gaat nu moeizaam en uiterst traag. Artsen hebben daar geen enkel begrip voor. Antidepressiva, zware pijnstillers en zelfs verslavende kalmeermiddelen als bromazepam schrijven ze met gulle hand voor. Op medicatie om de concentratie te verscherpen schijnt een taboe te rusten, tenzij het om tieners gaat die aan ADHD lijden. Ik vermoed dat er daardoor nogal wat mensen in de handen van onbetrouwbare dealers zijn gevallen. En welke dealer is betrouwbaar? Gelukkig ben ik altijd voorzichtig geweest en is me dat nooit overkomen.

Ria was inmiddels een goede vriendin geworden. Als kunstenaar en performer was ze nog haar weg aan het zoeken, maar wat ze nu al deed sprak me erg aan. Vooral de ernstige humor van haar werk beviel me. Nu ze bij ons in de grote keuken zat gingen we echter helemaal anders met elkaar om dan op café, op een party of bij de opening van een tentoonstelling. We moesten door een muur heen om elkaar te bereiken. Ze kwam van de Wolmolen in de Lange Leemstraat, zei ze. Ze had er voor een habbekrats twee sjaals en een jasje gekocht. Senga bekeek de kledingstukken met veel aandacht. Fantastisch koopje, Ria, zei ze. Die Captagon had Ria graag geslikt omdat ze erg moe was en toch heel graag naar het optreden van de Kommeniste in de King Kong wilde gaan.

Om de stilte te verdrijven vertelde ik wat over Andrzej Wajda’s Het land van de grote belofte, die we nog maar pas in het Filmhuis hadden gezien. Het is een epische film over een keerpunt in de geschiedenis van het kapitalisme. De opkomst van de met machines uitgeruste fabrieken. Het verhaal van drie Poolse industriëlen speelt in de Poolse stad Lodz. Voor mij was de film een soort van commentaar bij Het Kapitaal van Marx, hoewel ik dat boek nooit helemaal heb kunnen uitlezen. Voor mij was het te saai; bovendien heb ik geen affiniteit met economie. Het land van de grote belofte is echter verre van saai en veel meer dan wat voetnoten bij een buitengewoon invloedrijk economisch-filosofisch werk. Wajda en zijn team hanteren een eigen, authentieke filmtaal. Er zijn overeenkomsten met het mythische boerenepos Novecento van Bernardo Bertolucci, maar terwijl die laatste film zich vooral tot het gevoel richt, spreekt Wajda de rede aan. Het directe en soms zelfs ruwe van de beelden en de montage hangt samen met deze intentie. Hoewel ik mijn kijk op de film slechts met horten en stoten kon verwoorden zag ik Ria toch aandachtig luisteren.  Zelf zei ze weinig.

Senga had ondertussen bier op tafel gezet. Daar dronken we van terwijl we met één oor naar Bob Dylan at Budokan luisterden. Ria rookte nog een sigaret en vertrok. Het was tijd voor de Kommeniste. Aan de hand met de genagellakte vingers hadden we niet meer gedacht. Nu ik dit neerschrijf zou ik er graag nog een keer naar kijken.

Werk van Ria Pacquée, gescand.

[Nachten aan de kant 59]

OVER FILMS KIJKEN IN TIJDEN VAN COVID-19 (2021)

Sátántangó, Bela Tarr


In geen ander jaar zag ik meer films dan in 2021. Dat is een zekerheid. Er waren maar weinig avonden dat ik geen film zag, een verblijf van twee weken in Berlijn in september, toen het met die ellendige pandemie de goede kant leek op te gaan, uitgezonderd. Zoals veel van mijn generatiegenoten houd ik al sinds mijn kinderjaren van speelfilms. Tot 1984, het dystopische jaar van Big Brother, toevallig ook het jaar dat wij een televisietoestel konden aanschaffen, dankzij een kleine erfenis van A., zagen wij die nagenoeg altijd in de bioscoop. Eerst was dat met mijn ouders in een van de talloze Antwerpse bioscopen en daarna als adolescent, alleen of met vrienden, in dorpscinema’s. Van Zorro, Shane, High Noon en Man of the West via James Bond, Modesty Blaise en Barbarella naar – heel wat later – de kunstfilms van Antonioni, Bertolucci, Fassbinder, Wim Wenders, Kurosawa, Tarkovski en vele andere Grote Regisseurs. Ook na het jaar van ‘war is peace’, ‘freedom is slavery’ en ‘ignorance is strength’, bleef ik het grote boven het kleine scherm verkiezen. (Ik houd dit stukje al dan niet persoonlijke historie zo kort mogelijk.)

Geleidelijk aan kregen, zoals ook weer bij veel van mijn tijdgenoten, videotapes, dvd’s en Blu-ray-schijfjes de bovenhand. Zo blijkt nogmaals hoezeer de meesten van ons onderworpen zijn aan wat de markt ons dicteert. Noodgedwongen gebeurt sinds februari 2020 filmkijken alleen nog maar op het kleine scherm. Mubi had ik al vrij vroeg ontdekt. Nu kwamen er Netflix en Cinemember bij. Af en toe was er toevallig ook nog eens een keer een niet al te middelmatige film op Canvas of op een van de Nederlandse zenders. (Door gehoorproblemen kon ik niet langer films kijken zonder ondertitels, wat Arte, BBC en alle Franstalige zenders uitsloot. Waar het filmaanbod overigens elk jaar wat schaarser werd.)

Vanwege de pandemie was niet alleen het bioscoopbezoek weggevallen. Hetzelfde gebeurde met theater- en dansvoorstellingen en met concerten. Uit musea en kunstgalerijen bleven we weg. Kunstwerken zag ik nog uitsluitend op mijn laptop, rampzalig voor mezelf en meer nog voor de kunstenaars. Zelfs al voer je geen gesprek met ze, is er toch altijd dialoog. We zagen haast geen vrienden en familie meer, we reisden niet langer. We bleven thuis. Ik weet dat dit allemaal niet zo uitzonderlijk is, maar wil het hier desondanks noteren. Meer dan een kleine getuigenis over deze tijd is het niet.

Overdag was er naast de dagelijkse beslommeringen, waaronder de ziektegeschiedenissen, literatuur en muziek; ’s avonds vond ik – niet altijd – schoonheid en vertroosting in films. Mogelijk ging het om een vlucht. Mogelijk vervingen de filmbeelden de gemiste werkelijkheid, filmdialogen de gesprekken met vrienden, geacteerde emoties de echte emoties die vrijkomen bij echte ontmoetingen, de filmische landschappen en stadsgezichten de echte landschappen die je ziet – of veronachtzaamt, lezend in een reisgids, in een meeslepende roman – vanuit de trein en de echte steden die je doorkruist tijdens een van je onvergetelijke reizen. Waarmee ik maar wil zeggen dat films kijken in 2021 met nog meer emoties gepaard ging dan het voordien al deed.

Met het maken van onderstaande lijst ben ik een tijdje zoet geweest. Een aangenaam tijdverdrijf was het niet. Waarom deed ik het dan? Goeie vraag. De volgorde van de titels is min of meer chronologisch. Ik houd helemaal niet van puntensystemen om mijn waardering over wat dan ook uit te drukken, maar zag in dit geval geen andere oplossing. Ik kon onmogelijk over al deze films – en series – een recensie schrijven, zelfs als ik die kort had gehouden. Want in dat geval was dit een lijvig boek geworden, en het is zeker niet mijn intentie om een of andere betweterige en overbodige dikke paperback met schreeuwerige cover over film te schrijven. Mijn classificatie is nogal primitief. Waar geen sterretje staat, gaat het om een vaak maar niet altijd behoorlijke film. Een film met een ster is zeer degelijk, voortreffelijk zelfs; een film met twee sterren is uitstekend, stijlvol, klassiek. De betekenis van drie sterren is: onovertroffen, een meesterwerk. Een nul is van nul en generlei waarde. (Uitzonderlijk gebeurt het dat ik waardeloze films uitkijk.)

Wanda, Barbara Loden


Deze meesterwerken zag ik in 2021: Two-Lane Blacktop – Monte Hellman (1971); Carnival of Souls – Herk Harvey (1962); Waar is het huis van mijn vriend? – Abbos Kiarostami (1987); De wind zal ons meenemen – Abbas Kiarostami (1999); First Cow – Kelly Reichardt (2019); At Eternity’s Gate – Julian Schnabel (2018); Der Himmel über Berlin – Wim Wenders (1987); Muriel ou le temps d’un retour – Alain Resnais (1963); Cure – Kiyoshi Kurosawa (1997); 2 ou 3 choses que je sais d’elle – Jean-Luc Godard (1967); Wanda – Barbara Loden (1970); Sátántangó – Bela Tarr (1994); In a Lonely Place – Nicholas Ray (1950); Ai no korîda (Het rijk der zinnen) – Nagisa Ôshima (1976).

Der Himmel über Berlin, Wim Wenders

Dit is de volledige lijst van 208 films (waaronder enkele series):

Elvis and Nixon – Liza Johnson (2016)

Song to Song – Terrence Malick (2017)

The Whistleblower – Larysa Kondracki (2010)

With Love to Rome – Woody Allen (2012)

L’amica geniale (Mijn geniale vriendin) (serie) – Saverio Costanzo / Alice Rohrwacher (2018-201-)

Wind River – Taylor Sheridan (2017)

Pieces of a Woman –  Kornél Mundruczó (2020)

Berlin – Die Sinfonie der Großstadt – Walter Ruttman (1927)

Out of the Past – Jacques Tourneur (1947) **

Pretend It’s a City (serie) – Martin Scorsese / Fran Leibovitz (2021)

Charles mort ou vif – Alain Tanner (1969) *

Terra em transe – Glauber Rocha (1967) *

Godless (serie) – Scott Frank (2017)

Una – Benedict Andrews (2016)

The Dig – Simon Stone (2021)

Die dritte Generation – Rainer Werner Fassbinder (1979) *

Le charme discret de la bourgeoisie – Luis Buñuel (1972) **

Nina – Olga Chajdas (2018)

You Were Never Really Here – Lynne Ramsay (2017) *

I Called Him Morgan – Kasper Collin (2016)

Nord – Xavier Beauvois (1991)

News of the World – Paul Greengrass (2020)

Vice – Adam McKay (2018)

Daens – Stijn Coninx (1992)

Le navire night – Marguerite Duras (1979) **

Unsane – Steven Soderbergh (2018)

Robinson Crusoe – Luis Buñuel (1954)

Duelle – Jacques Rivette (1976) *

Winter’s Bone – Debra Granik (2010) *

La vérité – Hirokazu Kore-eda (2019) *

Le petit amour (Kung Fu Master) – Agnes Varda (1988)

Daguerreotypes – Agnes Varda (1975) **

Another Year – Oksana Bychkova (2014)

Molly’s Game – Aaron Sorkin (2017)

Un jeu brutal – Jean-Claude Brisseau (1983)

Dogtooth – Yorgos Lanthimos (2008) **

Wachttoren – Pelin Esmer (2012)

Something Useful – Pelin Esmer (2017)

Suspiria- Luca Guadagnino (2018)

J’accuse – Roman Polanski (2019)

Crossing the Line – Nia DaCosta (2019)

Genius – Michael Grandage (2016)

Aus dem Nichts – Fatih Akin (2017) *

Le jeune Ahmed – Gebroeders Dardenne (2019) *

Het meisje (Eltávozott nap) – Márta Mészáros (1968) *

Holdudvar – Márta Mészáros (1969) **

Szép lányok, ne sírjatok! (Huil niet, mooie meisjes) – Márta Mészáros (1970) *

Kilenc Honap (Negen maanden) – Márta Mészáros (1976) *

Ök Ketten (The Two of Them) – Márta Mészáros (1977) *

Dark River – Clio Barnard (2020)

Bacalaureat – Cristian Mungiu (2016)

The Rider – Chloe Zhao (2017) **

Songs My Mother Told Me – Chloe Zhao (2015) **

Orphée – Jean Cocteau (1950) **

Mat i syn  (Moeder en zoon) – Alexander Sokurov (1997) *

Born in Chicago (documentaire over Chicago blues) – John Anderson / Bob Sarles  (2020)

The Road to Memphis (documentaire over Memphis blues) – Richard Pearce (2003)

Berlin Alexanderplatz – Burhan Qurbani (2020)

Night Train to Lisbon – Bille August (2013) 0

Carrie – William Wyler (1952)

A coeur ouvert – Marion Laine (2012)

An Appropriated Self-Portrait – María José Alós (2014)  0

Eshtebak (Clash) – Mohamed Diab (2016)

Dronningen (Queen of Hearts) – May el-Toukhy (2019)

This Boy’s Life – Michael Caton-Jones (1993)

Ascenseur pour l’échafaud – Louis Malle (1958) **

Collateral – Michael Mann (2004)

Blue Valentine – Derek Cianfrance (2010) *

Warnung vor der heiligen Nutte – Rainer Werner Fassbinder (1971)

Lazzaro Felice – Alice Rohrwacher (2018)

Bovary – Jaco Van Dormael (2021)

The Trial of Christine Keeler (serie) – Andrea Harkin / Leanne Welham (2019-2020)

The Rainmaker – Francis Ford Coppola (1997)

Werk ohne Autor – Florian Henckel von Donnersmarck (2018) *

Once Were Brothers (documentaire over the Band en Robbie Roberston) – Daniel Roher (2019)

Duelles – Olivier Masset-Depasse (2018)

Poulet au vinaige – Claude Chabrol (1985)

Elser – Oliver Hirschbiegel (2015)

Shirley – Josephine Decker (2020)

Hedda Gabler – Jan Decorte (1978) **

Woman on the Run – Norman Foster (1950) *

S’en fout la mort – Claire Denis (1990) *

Untouchable –    Ursula Macfarlane (2019)

The Woman in the Window – Joe Wright (2021)

Jerichow – Christian Petzold (2008) **

Two-Lane Blacktop – Monte Hellman (1971) ***

Requiem – Hans-Christian Schmidt (2006) *

Call Me By Your Name – Luca Guadagnino (2017) *

Sandome no satsujin (The Third Murder)  – Hirokazu Kore-eda (2017) *

Inspecteur Lavardin – Claude Chabrol (1986)

Wildlife – Paul Dano (2018)

So Long, My Son – Wang Xioshuai (2019) **

Die innere Sicherheit – Christian Petzold (2000) **

Napló apámnak, anyámnak (Dagboek voor mijn vader en moeder) – Márta Mészáros (1990) *

Kill Your Darlings – John Krokidas (2013)

Echo in the Canyon – Andrew Slater (2018) *

Yella – Christian Petzold (2007) **

Carnival of Souls – Herk Harvey (1962) ***

Ich war Zuhause, aber… – Angela Schanelek (2019)

The Southerner – Jean Renoir (1945) **

Xiao Wu (Pickpocket) – Jia Zhangke (1997) *

Ung flukt (Wayward Girl) – Edith Carlmar – (1959)

Shiva Baby – Emma Seligman (2020)

Once Upon a Time in … Hollywood – Quentin Tarantino (2019)

Waar is het huis van mijn vriend? – Abbos Kiarostami (1987) ***

La roue – Abel Gance (1923) *

Barbara – Christian Petzold (2012) **

Still Walking – Hirokazu Kore-eda (2008) *

Das Vorspiel – Ina Weisse (2019) *

Happy End – Michael Haneke (2017)

Doorheen de olijfbomen – Abbas Kiarostami (1994) **

Sois belle et tais-toi – Delphine Seyrig (1976)

Chocolat – Claire Denis (1988) **

Joker – Todd Phillips (2019)

De smaak van kersen – Abbas Kiarostami (1997) **

La belle personne – Christophe Honoré (2008)

De geverfde vogel – Václav Marhoul (2019) *

Dylda (Bonenstaak) – Kantemir Balagov (2019)

Don’t Expect Too Much (over Nicholas Ray) – Susan Ray (2011)

Wendy and Lucy – Kelly Reichardt (2008) **

First Cow – Kelly Reichardt (2019) ***

La graine et le mulet – Abdellatif Kechiche (2007) *

Delphine et Carole, insoumise – Callisto McNully (2019)

La Jetée – Chris Marker (1962) **

Sans soleil – Chris Marker (1983) *

Todos lo saben – Asghar Farhadi (2018)

De wind zal ons meenemen – Abbas Kiarostami (1999) ***

Girl With a Pearl Earring – Peter Webber (2003)

The Good, the Bad and the Ugly – Sergio Leone  (1966) *

Parasite – Bong Joon Ho (2019) *

Keith Richards: Under the Influence – Morgan Neville (2015)

Cold War – Pawel Pawlikowski (2018) *

What Happened, Miss Simone? – Liz Garbus (2015) *

Une histoire de femmes – Claude Chabrol (1988) *

Masques – Claude Chabrol (1987)

Joan Didion: The Center Will Not Hold – Griffin Dunne (2017) **

Traité de bave et d’éternité – Isidore Isou (1951) *

Oh Lucy! – Atsuko Hirayanagi (2017)

Dogman – Matteo Garone (2018)

Portrait de la jeune fille en feu – Céline Sciamma (2019) **

Ozark (serie) – Bill Dubuque /Mark Williams (2017-2022)

L’amant – Jean-Jacques Annaud (1992) **

Maps To the Stars – David Cronenberg (2014)

Shine a Light – Martin Scorsese (2008)

De wereld van Apu – Satyajit Ray (1959) **

Bang Gang (Une histoire d’amour moderne) – Eva Husson (2015) *

De Portugese non – Eugène Green (2009) *

Lola rennt – Tom Tykwer (1998) 0

Beast – Michael Pearce (2017)

Yellow Cat – Adilkhan Yerzhanov (2020) 0

Fin août, début septembre – Olivier Assayas (1998)

Örökség (de erfgenaam) – Márta Mészáros (1980) *

At Eternity’s Gate – Julian Schnabel (2018) *** (2 keer)

Mandabi – Ousmane Sembene (1968) *

Cargo 200 – Aleksey Balabanov (2007)

Der Himmel über Berlin – Wim Wenders (1987) ***

Pasolini – Abel Ferrara (2014)

Les trois couronnes du matelot – Raúl Ruiz (1983)

Muriel ou le temps d’un retour – Alain Resnais (1963) ***

Like Someone In Love – Abbos Kiarostami (2012) *

La cérémonie – Claude Chabrol (1995) *

Jiang hu er nü (Jianghu’s Sons and Daughters) – Zhangke Jia (2018) **

Er shi si cheng ji (24 City) – Zhangke Jia (2008) **

Shan he gu ren (Mountains May Depart) – Zhangke Jia (2015) **

Akasen chitai (Street of Shame) – Kenji Mizoguchi (1956) *

Gravity – Alfonso Cuaron (2013)

Out Stealing Horses – Hans Petter Moland (2019)

Dolor y Gloria – Pedro Almodovar (2019) *

Pather Panchali – Satyajit Ray (1955) **

1945 (Homecoming) – Ferenc Török (2017) *

Blind – Eskil Vogt (2014)

Souvenir – Bavo Defurne (2016)

Grave (Raw) – Julia Ducourneau (2016) **

Girl – Lukas Dhont – (2018) *

Control – Anton Corbijn (2007)

Workers – Jose Luis Valle (2013)

Inside Llewyn Davis – Ethan Coen / Joel Coen (2013)

Au revoir là-haut – Albert Dupontel (2017)

The Devil Is a Woman – Josef von Sternberg (1935)

Cure – Kiyoshi Kurosawa (1997) *** (2 keer)

Breakfast on Pluto – Neil Jordan (2005)

Passing – Rebecca Hall (2021)

Zycie jako smiertelna choroba przenoszona droga plciowa (Life As a Fatal Sexually Transmitted Disease) – Krzysztof Zanussi (2000) *

Interstellar – Christopher Nolan (2014)

La dolce vita – Federico Fellini (1960) **

When They See Us (serie) – Ava DuVernay (2019)

2 ou 3 choses que je sais d’elle – Jean-Luc Godard (1967) ***

Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese – Martin Scorsese (2019) *

Napszállta (Sunset) – László Nemes (2018) **

Zurich – Sacha Polak (2015) 0

The Power Of the Dog – Jane Campion (2021) **

Wanda – Barbara Loden (1970) ***

Nostalgia de la luz – Patricio Guzmán (2010)

Dark Waters – Todd Haynes (2019) *

Gainsbourg (Vie héroïque) – Joann Sfar (2010) 0

Sátántangó – Bela Tarr (1994) ***

The Whistlers (La Gomera) – Corneliu Porumboiu (2019)

Calle Lopez – Gerardo Barroso / Lisa Tillinger (2013) *

Lady Bird – Greta Gerwig (2017) *

Little Women – Greta Gerwig (2019) *

The Sisters Brothers – Jacques Audiard (2018)

Baden Baden – Rachel Lang (2016) *

Thoroughbreds – Cory Finley (2017) **

Midsommar – Ari Aster (2019)

Don’t Look Up – Adam McKay (2021)

Merci pour le chocolat – Claude Chabrol (2000) *

The Naked Kiss – Samuel Fuller (1964) *

In a Lonely Place – Nicholas Ray (1950) ***

Ai no korîda (Het rijk der zinnen) – Nagisa Ôshima (1976) ***

Ai no korîda (Het rijk der zinnen), Nagisa Ôshima

HET VERTREK (NAAR DE CAMARGUE)

Les valseuses, Bertrand Blier

[Nachten aan de Kant 43]

Na veel feestgedruis bij Ercola, een vrolijk kunstenaarscollectief in de Wolstraat, en – haast traditiegetrouw – bij Robert en Maryse in Cinderella’s Ballroom en na menig vriendenbezoek zijn we dan toch naar Frankrijk kunnen vertrekken. Naar de Camargue zijn we op weg gegaan. Dat is voor ons dat jaar een soort van bestemming, hoewel onze kennis van de regio schaars is. Alleen maar dat het een uitgestrekt moerasgebied is, weten we met zekerheid, de delta van de Rhône, en dat er wilde paarden en roze flamingo’s in het wild leven. In reisgidsen hadden we meer informatie kunnen vinden maar daar waren we tegen. We wilden ons geen toeristische bezienswaardigheden laten opdringen. Welbeschouwd weten we niet wat de hoedanigheid van ons reisdoel is. Veel meer dan een plaatsnaam, Camargue, is het niet. Hoe we ernaartoe moeten reizen is evenzeer een groot vraagteken. Het is een tijd dat we nog van verrassingen houden. Still love remains in some strong heart, keep your mind open, die woorden uit een song van Kaleidoscope, waren al lang een soort van credo voor mij.

Rond het middaguur vertrekken we uit ons hoofdkwartier in de Dolfijnstraat. Om te liften valt het weer goed mee; warm met een koele bries. Eerst tot Sint-Niklaas met een handelsreiziger, dan naar Gent met een zo te zien wat gestresseerde liefhebber van Ierland en Ierse folkmuziek. Spraakzaam is de man niet, tenzij wat die Ierse folk betreft. De Baai van Galway en Ierse folk, dat is mijn lust en mijn leven, zegt hij. De hele rit lang moeten we dat gefiedel aanhoren en een paar klaagliederen van Johnny Cash er nog bovenop. Ook een Ier? Of toch eerder van Engelse komaf? Zijn betovergrootmoeder een hoer uit Covent Garden? Zijn overgrootvader een unfortunate lad? Ik word er al gauw chagrijnig van.
De volgende halte is Kortrijk, bekend van de Guldensporenslag, al was ik daar op dat moment niet eens zo zeker van. Mogelijk was het hele verhaal over Jacob van Châtillon, Gwijde van Dampierre en Willem van Gulik, heer van de elf heerlijkheden van Sint-Servaas, wel helemaal verzonnen. Sinds ik De leeuw van Vlaanderen had gelezen had ik heel wat echte slagvelden gezien, vooral die van liefde en vriendschap. Hendrik Conscience was alleen nog maar de naam van een Antwerps plein in de nabijheid waarvan onze nachtelijke avonturen zich voltrokken. Toevallig komt daar in Kortrijk Willy Boy in zijn vrachtauto voorbijrijden. We hadden de avond tevoren in onze keuken nog Tripels met hem zitten te drinken. Tijd om wat te praten hebben we niet, hij moet dringend naar Brussel terug; leverde pas nog materiaal bij een bedrijfje ergens aan de Franse grens en liep daar vertraging op.

In Menen, net voor die grens, duurt het wachten lang. Maar altijd stopt er dan toch wel een barmhartige ziel in een deux chevaux of een Renault 4. Dit keer is de verlosser een vriendelijke maar zwijgzame jongeman. In zijn kleine rammelkar van een bestelwagen voert hij ons tot in het centrum van Parijs. De jongen is al even schuchter als wij. Hij lijkt wat op Claude Faraldo in zijn film Les fleurs du miel. Voor wie de film heeft gezien: Paul, de drankleverancier. Omdat het wagentje zo rammelt, staat de muziek erg luid. Bij songs die onze chauffeur leuk vindt draait hij de volumeknop naar rechts. Dat is onder meer het geval bij Satisfaction in de versie van Otis Redding en Venus van Shocking Blue. Well, I’m your Venus, I’m your fire, what’s your desire? Dat is ook een vorm van communicatie, en wel een die me nauw aan het hart ligt. Mijn hart overvol te wantrouwen verlangen.
We passeren Villeneuve, en dat is het ook echt, een volledig nieuwe stad, met een indrukwekkende architectuur, maar wat betekent toch cité scientifique? Hoe kon ik daarover nooit iets hebben gelezen? Als we door Arras rijden heb ik opeens een soort van visioen. Als ik op een keer Arras zal bezoeken en er door de straten slenteren, zal ik daar alles herkennen, niet alleen elk huis en elk gebouw en elke straat maar ook alle inwoners en zelfs hun huisdieren. In Arras zal ik een vrouw ontmoeten die Sarra heet. Ze drijft een theehuis en draait platen van John Coltrane, Miles Davis en Don Cherry en is helemaal weg van Waltz for Debby van Bill Evans. Ze heeft lange rode haren en lijkt sprekend op de vrouw op het schilderij I lock my door upon myself van Fernand Khnopff. Als ik weer bij mijn positieven kom voel ik me wat schuldig. Heb ik Senga in mijn visioen al niet voorgoed verlaten?

Voor de rest zie ik een monotoon landschap: het Noorden van Frankrijk. Op de radio klinkt de nieuwslezer overdreven opgelucht: “Skylab, c’est fini!”. Het ruimtestation was een onbestuurbaar projectiel geworden en verbrandt nu in de atmosfeer. Brokstukken ervan komen in de Indische Oceaan en op Australië terecht. Niemand hoeft zich nu nog zorgen te maken. Het bidden om bescherming kan ophouden, bange mensen in Afghanistan en India mogen hun grotten weer verlaten. De verkoop van de Skylabrestanten kan dra beginnen [1].

Het is nu 18.30 uur en snikheet. We naderen Parijs. De jongen vraagt waar we precies moeten zijn. Ergens in het centrum, zeg ik. En daar brengt hij ons heen, naar het hart van deze wonderlijke stad, naar de Opéra. Van de verkeersdrukte tijdens het spitsuur krijg ik meteen een astma-aanval. Maar die krijg ik klein met enkele inhalaties Berotec.

Hier staan we dan, verloren in de zonovergoten lichtstad. Besluiteloos, zoals zo vaak. Quo vadis, Senga? Naar het Quartier Latin, de enige wijk waarmee we wat vertrouwd zijn? We lopen over de Boulevard Saint-Germain en zoeken in de zijstraten naar een betaalbaar hotel. Alles lijkt te zijn volgeboekt. Het is al na achten. Een zenuwinzinking nabij nemen we een kamer in een luizig en nogal duur tweesterrenhotel: Hôtel de Lisbonne. Hoe komt het dat slechte hotels vaak naar andere steden zijn genoemd? In de kamer krijgt Senga een hevige hoestbui waarbij ze zelfs bloed opgeeft. Zou het tuberculose zijn? Na ons wat opgefrist te hebben gaan we op zoek naar een restaurant. In de Rue Jacob kondigt de schemering de nacht aan, ons vertrouwde element. Ik zou nog door een ellenlange nacht van depressie en jaren aanslepende psychoanalyse moeten gaan om in te zien dat alleen de dag verlossing brengt.

Parijs

 [1] Op 13 juli vond de Australiër Stan Thornton een paar kleine stukjes van het Skylab in Esperance.

EEN NIEUWE ORDE, EEN NIEUW MIERENNEST

Mijnheer De Wever heeft een nieuwe droom, zegt hij. Maar het is een oude droom, besmet met collaboratie en nazisme; eerder een nachtmerrie. In zijn verbeelding is de confederale staat Vlaanderen een voldongen feit. Dweepten in hun kinderjaren werkelijk zoveel Vlamingen met de ‘Zuidelijken’, het leger van de Confederacy (een bond van zuidelijke Amerikaanse staten), dat vocht voor de heren die een economie gebaseerd op slavernij voorstonden? Hielden zij niet meer van de in het blauw gehulde Yankee-soldaten uit het noorden, niet meer van president Lincoln dan van John Wilkes Booth? Ik herinner mij die kinderjaren en de cinema’s waarin de westerns en de oorlogsfilms werden vertoond nog goed. De nazi’s hadden maar kort tevoren het onderspit gedolven, heel wat Belgische landverraders zaten nog in de cel. Het is waar dat in de meeste westerns uit die tijd, waarin op de voorgrond maar meestal op de achtergrond de Amerikaanse burgeroorlog woedt, weinig van die slavernij is te zien. Zwarte soortgenoten leken in het Hollywood van toen sowieso nauwelijks te bestaan. Je had als kind kunnen denken dat de officieren en soldaten van het confederale leger, de grijze uniformen, echte helden waren. Zoals je aan ‘onze’ collaborateurs dapperheid had kunnen toeschrijven omdat ze aan het oostfront ‘heldhaftig’ strijd leverden tegen de bolsjewieken, ‘die ons alles zouden komen afnemen’. In mijn omgeving echter kende ik niemand die zich met foute helden identificeerde.

Van slavernij gesproken. Wie zijn voor mijnheer De Wever in zijn reëel bestaande confederatie de slaven? Dat moeten ongetwijfeld de hardwerkende Vlamingen zijn? Want buitenlanders, ‘volksvreemden’ zijn niet langer welkom in zijn nieuwe staat. En hoe zit het in zijn rijk dan met degenen die hij als vertegenwoordigers van de slogan ‘vrijheid, blijheid’ schijnt te beschouwen? De linksen, communisten, socialisten, ecologisten, babyboomers, achtenzestigers, oude hippies, anarchisten, kunstenaars, dichters, et cetera? Waar is hun plaats in zijn staat?

Maar goed, voor de voorzitter van de NVA is de Vlaamse Staat al werkelijkheid. Nu heeft hij die nieuwe (oude) droom. Hij droomt hardop van een confederatie van de Lage Landen, de Zeventien Provinciën, een Groot-Nederland. “Mocht ik kunnen sterven als Zuidelijke Nederlander, ik zou gelukkiger sterven dan als Belg”, oppert de leider. Hij is het trauma van de val van Antwerpen in 1585 te boven aan het komen en heeft nu een grote sprong voorwaarts gemaakt naar 1919 en het verdrag van Loppem. Toen werd daar een soort van staatsgreep gepleegd waarbij vliegensvlug een regering werd gevormd die – uit schrik voor een revolutie naar het model van die in Rusland in 1917 – een aantal hervormingen moest doorvoeren om de bevolking (de arbeidersklasse) te sussen. Er kwam onder meer algemeen stemrecht voor mannen. Vrouwen telden nog altijd niet mee. Mijnheer De Wever verwijst naar Loppem als model om de confederatie buiten de Grondwet af te dwingen. Met een coup. Vandaar dat hij al zeker is van die Vlaamse confederatie.

Hoe hij zijn nieuwe droom wil verwezenlijken is onduidelijk. Met overtuigingskracht zal het hem niet lukken. Veel Vlamingen, weet ik uit ervaring, lusten de Nederlanders rauw. In een Limburgs dorp, Neerharen, noemden ze mij als jongen de Hollander – dat was niet vleiend bedoeld – omdat ik hun dialect niet sprak maar een taal die enigszins op het Algemeen Nederlands leek. Denkt hij aan nog een coup om dat Groot-Nederland te verwezenlijken?

In zijn praatje over dat Groot-Nederlandse Rijk kan hij het niet laten de bevolking weer angst in te boezemen. De reders waarschuwen hem, zegt hij, dat er inflatie zal komen en de reders, die kunnen het weten. Het spaargeld van de hardwerkende Vlamingen is nu al helemaal niets meer waard en zal smelten als sneeuw voor de zon. “En de inflatie is – ook al is ze beperkt – veel hoger dan de nul-komma-niks die je nog op je spaargeld krijgt. Alles wat daarbij komt, leidt tot een soort sneeuwbal waar de Vlaamse verworvenheden in worden afgebouwd. Alles wat de Vlaamse mier heeft bijeen gespaard. En wat mij in dit land heel bezorgd maakt, is dat we samenleven met een krekel en die er belang bij heeft dat dat gebeurt.” De krekel, dat is uiteraard de Waal, dat is de socialist, de communist, dat zijn de dwaze ecologisten met hun opengrenzenlobby, dat zijn de boomminnaars en de volgelingen van de waanzinnige Greta. De krekel kickt op inflatie, beste vrienden!
Wat een harteloze en zelfs sadistische man toch, die mijnheer De Wever, zo netjes afgeborsteld en mooi in het maatpak afkomstig uit het zonnige Tirol (waar helemaal geen krekels te horen zijn, waar de mieren hele met Vlaamse choco belegde boterhammen met zich meezeulen). Een volgende droom gaat mogelijk over de uniformen van het Groot-Nederlandse leger. Dat kan en zal Tirools zijn, of zal niet zijn. In het midden van de nationale vlag een grote bruine mier.

*

Een eerste versie van deze tekst verscheen op 22 juli op facebook met als titel Een nieuw Groot-Nederland. Als rechtvaardiging voor dat politiek stuk schreef ik: “Eigenlijk probeerde ik de aandacht af te leiden van het feit dat ik alweer geen stukje van mijn reeks De nachten heb geschreven (vanwege een koortsaanval).”

IK ZAG BARBARA OPNIEUW

Nina Hoss en Ronald Zehrfeld in Barbara

Ik zag Barbara opnieuw. Ik kwam meer over haar te weten, over haar intrinsieke kwaliteiten, haar delicate volwassen schoonheid. Maar ook ontdekte ik – meer – van haar verwevenheid, haar inbedding in de stroom van de Europese cultuur. Ik had, zonder ernaar gezocht te hebben, enkele van haar bronnen ontdekt.
Dat zou het begin van een nieuw verhaal kunnen zijn. Je zou het ‘Barbara’ kunnen noemen, of ‘Ik zag Barbara opnieuw’. Maar je begint er niet aan. Het verhaal is er al; onnodig het nog een keer te herhalen. Er is in het leven al zoveel herhaling. Het komt erop aan die op tijd en stond te doorbreken. Je moet plaats maken voor momenten van verlichting.

Barbara is een film van de Duitse regisseur Christian Petzold, geboren in 1960 in Noordrijn-Westfalen. Het titelpersonage wordt vertolkt door de begaafde Europese actrice Nina Hoss, heel sterk in het uitdrukken van menselijke emoties. Over die Barbara schreef ik in 2014 in mijn stuk getiteld De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, waarin het vooral over het schitterende boek De ringen van Saturnus van W.G. Sebald ging. In de film van Petzold komt een scène voor waarin Barbara van haar overste – en later geliefde – een ‘lesje’ krijgt over het schilderij De anatomieles van Rembrandt. In 2014 wist ik nog niet dat Christian Petzold die les bijna in zijn geheel bij Sebald had gevonden. Ik had dat werk kort na het zien van de film gelezen en had gedacht dat het om een toevallige overeenkomst ging. Ik wist in die tijd niets over de regisseur, had nooit eerder een film van hem gezien. Daar komt nog bij dat ik in die dagen wel erg geobsedeerd was door toevalligheden. Zelfs nu nog blijf ik het toeval dat ik De ringen van Saturnus las net na het zien van Barbara fascinerend vinden.
Wat ik evenmin wist was dat het scenario van de film een bewerking was van een gelijknamig verhaal van de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch, vooral bekend van Die Schlafwandler: Eine Romantrilogie en van Der Tod des Vergil. Hoewel ‘bekend’ een relatief begrip is: leest iemand die boeken nog, ook al zijn ze in het Nederlands vertaald?
Dat verhaal had ik nochtans ergens in de jaren zeventig gelezen in de bundel Vrouwen, een vertaling door M. Coutinho van Barbara und andere Novellen, uitgegeven bij Surhkamp in 1973. Mocht de Nederlandse uitgever de originele titel hebben aangehouden, had ik me die Barbara mogelijk wel herinnerd. Waarom krijgen vertalingen vaak van die wansmakelijke titels (denk maar aan ‘Er is geen vrouw die deugt’ als vertaling van een aantal opstellen uit Schopenhauers ‘Parerga und Paralipomena’)?
Waar ik destijds bij het lezen van de verhalen van Hermann Broch werd betoverd door de stijl, viel Barbara net daardoor me nu tegen. Het is me te poëtisch, te hoogdravend; het heeft te weinig vaart. Ik weet het: dit klinkt als heiligschennis. Maar de inhoud, onder te veel mooie woorden bedolven, is bij Broch even boeiend als bij Petzold. Het is een liefdesgeschiedenis. Een ziekenhuisarts/afdelingshoofd raakt geobsedeerd door een ondergeschikte dokter, de raadselachtige vrouw die Barbara heet. Zij blijkt een communistische terroriste te zijn, lid van een cel die een putsch voorbereidt. Na een mislukte bomaanslag pleegt ze in alle stilte zelfmoord in een hotelkamer. Petzold verplaatst het verhaal naar Oost-Duitsland. Barbara is verbannen van Berlijn – waar ze in het Charité ziekenhuis werkte – naar een saai landelijk stadje aan de Baltische Zee. Meer nog dan in Berlijn lijkt iedereen er voor de Stasi te werken. Ook haar overste, de dokter die al gauw van haar gaat houden, is een verklikker, zij het tegen wil en dank. Maar was dat niet voor vele inwoners van de DDR het geval? Barbara wil aan haar verstikkende omgeving ontsnappen en naar het Westen vluchten en heeft al concrete plannen. Haar moreel besef brengt haar evenwel tot het besluit om te blijven: ze staat haar plaats af aan een meisje dat de vlucht meer nodig heeft dan zij. Deze Barbara stapt niet uit het leven maar blijft. Mogelijk heeft Petzold – of is het toch Barbara? – zich de woorden van Albert Camus herinnerd: il faut penser Sisyphe heureux.

Waarom blijft Barbara me nog altijd achtervolgen? Moet ik toch mijn versie van haar verhaal schrijven? Waar ik vandaan kom was zij een heilige. Zou ik dat gegeven kunnen gebruiken? Elk verhaal, elke tekst is een autobiografie. Elke autobiografie is een verzinsel, zoals Barbara, de aardse en de heilige.

HEDDA GABLER VAN JAN DECORTE

Vorige week zag ik Hedda Gabler [1], Jan Decortes magistrale filmadaptatie van Ibsens gelijknamige toneelstuk, dat in 1890 in première ging en van in het begin controversieel en nihilistisch werd genoemd. De weinig bekende film uit 1978,  is getrouw aan de oorspronkelijke tekst en toch helemaal van Jan Decorte. Het is een betoverend, met weinig andere films vergelijkbaar werk. Er zijn wel raakpunten met andere filmkunstenaars, zoals Marguerite Duras, Chantal Akerman en in bepaalde opzichten met Rainer Werner Fassbinder, maar die verwantschap ondermijnt geenszins de authenticiteit van deze Hedda Gabler. De film is traag en hypnotiserend met geweldige actrices/acteurs en een camera die van elk zichtbaar ding een mysterie maakt. Gaandeweg zie je nog maar weinig verschil tussen mensen en dingen. Personages [2] worden herleid tot gebaren, hun woorden zijn duidelijk en schaars, er vallen veel stiltes. In de dialogen lijken tussenwerpsels even veel belang te hebben als substantieven.

Bijna twee uur heb ik als lichamelijk verlamd maar innerlijk in volle beweging zitten kijken tot het ontstellende hoewel van in het begin aangekondigde einde van Hedda Gabler.

Ongeveer in het midden van de film, niet zo toevallig daar, verbrandt Hedda Gabler blad na blad met lucifers een belangrijk manuscript van Ejlert Løvborg, schrijver en alcoholist. Ze werpt de brandende pagina’s één voor één in de open haard. Maar zoals zoveel dingen gaat ook dat spelletje haar vervelen en werpt ze wat overblijft van Ejlerts levenswerk in zijn geheel in het vuur. Ik voelde deze scène in elke zenuw. Het was een lang uitgesponnen moment van zowel pijn als plezier. Pijn die voortkomt uit mededogen; kinderlijk plezier van vuurtje spelen. Wat Hedda aan het vuur toevertrouwde had wel eens een manuscript van mezelf kunnen zijn. Ik zou het verbranden uit zelfhaat, Hedda doet het uit verveling. Of is het uit alles verterende woede?

“Ik heb in dit stuk eigenlijk geen zogenaamde problemen aan de orde willen stellen. Hoofdzaak is voor mij geweest om mensen te tekenen, stemmingen en lotgevallen van mensen op basis van bepaalde maatschappelijke verhoudingen en denkbeelden.”
Henrik Ibsen in een brief van 4 december 1890 aan Moritz Prozor.

Aan het begin van de film geen geschreven titels: Jan Decorte leest ze voor, zoals Godard soms doet. Hoe vreemd dat zijn stem na al die jaren nog steeds hetzelfde klinkt. Zou dat bij mezelf ook zo zijn, terwijl ik toch denk dat ik in alles veranderd ben, zeker in mijn stem ben ik dat, denk ik.

De lange stiltes die tot nadenken stemmen en observatie aansporen. Ga je van nog langere stiltes niet dood? Nee, natuurlijk niet want hoe meer stilte hoe meer er te horen valt en hoe duidelijker de contouren worden van wat wordt uitgesproken. Goede articulatie van een pijnlijk mooi Nederlands. Waarom horen we nog maar zelden onze taal zo speels en toch afgemeten klinken? Het gemompel van een Marlon Brando blijft ons hier bespaard [3].

 De kostuums, de kapsels en het decor: van armoede betekenisvolle rijkdom maken. De claustrofobische ruimte, het snakken naar licht, naar een uitweg. In afwachting daarvan speelt Hedda Gabler mind games, van een heel ander, wreder kaliber dan die van John Lennon.

Ik vertel het verhaal niet na. Veel om het lijf heeft dat niet. Je vindt de korte inhoud onder meer in Wikipedia en in De zomer beschrijf je best op een winterdag, een keuze uit de brieven van Henrik Ibsen, uitgegeven in de reeks privé-domein.

In een andere cruciale scène zitten op de achtergrond Jørgen Tesman, de echtgenoot van Hedda, en Thea, de vriendin van Ejlert Løvborg, auteur van het verbrande manuscript, pogingen te doen om de tekst weer samen te stellen, orde te scheppen in een chaos van losse blaadjes, en te typen.

Op de voorgrond lijkt ondertussen rechter Brack, vriend des huizes, een spannend verhaal te vertellen. Het is een soort van mise en abyme; je zou je kunnen voorstellen dat hij het toneelstuk Hedda Gabler luidop aan het verzinnen is, terwijl zijzelf daar toch naast hem zit te luisteren. Je hoort onder de woorden door het geratel van de schrijfmachine. In werkelijkheid onthult Brack hoe Ejlert aan zijn eind is gekomen. Hedda Gabler zit nu gevangen in het door haarzelf ontworpen labyrint. Er is maar één uitweg.

Jan Decorte heeft doorheen de jaren samen met Sigrid Vinks baanbrekend en tegendraads theater gemaakt. Het blijft echter jammer dat er niet meer films van hem gekomen zijn. Ik denk dat er in hem een groot filmregisseur verscholen zat en nog altijd zit. Maar “you can’t have your cake and eat it”, zo wordt gezegd.

*

[1] op avilafilm.be

[2] Ibsen vond alle personages in Hedda Gabler belangrijk, ook de meid Berte. In een brief aan Kristine Steen van 14 januari 1891 schrijft hij het volgende: “Jørgen Tesman, zijn oude tantes en de meid Berte, die al lange tijd in dienst is, vormen tezamen een eenheid. Ze delen dezelfde manier van denken, dezelfde herinneringen, eenzelfde levensvisie. Voor Hedda zijn ze een vijandelijke en vreemde macht, die zich tegen het diepste van haar wezen richt. Daarom moeten zij in de voorstelling onderling harmoniëren.” Kristine Steen was een vriendin van Ibsen uit hun Bergense tijd.

[3] Geen kwaad woord over Marlon Brando, maar dat is weer een ander paar mouwen.

DUIZEND-EN-EEN BIBLIOTHEKEN EN CINEMATHEKEN: OVER JEAN-CLAUDE CARRIÈRE EN BULLE OGIER

Bulle Ogier.

Jean-Claude Carrière is op negentachtigjarige leeftijd overleden. In Libération schreef Anne Diatkine over de begenadigde auteur dat de mensheid met hem niet één biblitoheek verliest, maar duizenden “en toutes langues et sur tous les continents, en particuliers indiens, africains, et les terres sud-américaines.” [1]
Jean-Claude Carrière werkte mee aan tientallen scenario’s van gedenkwaardige films, waaronder La Piscine en Borsalino van Jacques Deray, Taking Off van Milos Forman, The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Die Blechtrommel van Volker Schlöndorff, La chair de l’orchidée van Patrice Chéreau, Retour à la bien-aimée van de helaas vergeten regisseur Jean-François Adam, Danton van Andrzej Wajda, Birth van Jonathan Glazer, Das weisse Band van Michael Haneke, L’Ombre des femmes van Philippe Garrel. Voorts werkte Carrière gedurende negentien jaar samen met Luis Buñuel en was hij co-auteur van zijn belangrijkste films, waaronder Belle de Jour, Le Journal d’une femme de chambre en Cet obscur objet du  désir. Hij assisteerde de Spaanse regisseur bij het optekenen van diens schitterende autobiografie Mijn laatste snik.

Jean-Claude Carrière schreef misdaad- en horrorverhalen, publiceerde een encyclopedie van stommiteiten [2], bundelde gesprekken die hij had met de Dalai Lama (Tenzin Gyatso) onder de titel  La Force du bouddhisme : Mieux vivre dans le monde d’aujourd’hui en was de vaste dramaturg van Peter Brook, een van de invloedrijkste theaterregisseurs van de 20ste eeuw. Samen creëerden zij de epische vertelling  Mahâbhârata [3]; het oorspronkelijk werk telt 12.000 bladzijden [4] . Dat zijn lang niet al zijn verwezenlijkingen, maar deze opsomming geeft je vast een idee van ’s mans interesses en activiteiten. Voldoende reden om in het middelbaar onderwijs enige aandacht te geven aan deze merkwaardige renaissance man.

Enkele dagen voor ik het nieuws van Jean-Claude Carrières dood vernam, had ik toevallig nog Le charme discret de la bourgeoisie gezien, de film van Luis Buñuel waarvoor Jean-Claude Carrière eveneens mee het scenario bedacht. Ik was al een poos ondergedompeld in J’ai oublié, de meeslepende autobiografie van Bulle Ogier, die onze geliefkoosde actrice samen met Anne Diatkine te boek stelde (ook toevallig?).  Ondanks de betreurenswaardige situatie waarin wij in ons privéleven verzeild zijn geraakt, genoot ik van deze lectuur. Door de vrolijke stijl, die sterk contrasteert met het tragische leidmotief (als ik het zo mag noemen), de dood van haar geliefde dochter, de veelbelovende actrice Pascale Ogier, is dit boek een sterk tegengif tegen de beklemmende ervaring die het lezen van De jaren van Annie Ernaux voor me was. Ik zou De jaren een andere titel geven, De ontgoocheling, of De ontnuchtering of iets dergelijks. Beide autobiografische werken bestrijken dezelfde periode in onze recente geschiedenis. Ernaux blijft daarbij veilig binnen de grenzen van Frankrijk en de wereld van de politiek, het entertainment en het consumentisme. Ogier heeft veel aandacht voor de Parijse (sub)cultuur, maar ook voor de rest van de wereld, al heeft zij vooral oog voor kunstenaars, in de eerste plaats theater- en filmmakers. Een aantal van hen krijgen een ereplaats, al gaat de meeste aandacht naar haar dochter en naar haar man Barbet Schroeder. Over Schroeders avonturen in Los Angeles, onder meer het maken van Barfly, een film over een episode in het leven van dichter Charles Bukowski, dist Bulle Ogier hilarische verhalen op.  Ook wie van het werk van Marguerite Duras, Jacques Rivette en Werner Schroeter houdt komt aan zijn of haar trekken.

J’ai oublié heeft mij zin gegeven om alles wat ik het voorbije jaar op Netflix – en andere streaming-diensten – heb gezien, meteen te vergeten. Wat was de cultuurwereld die Bulle Ogier beschrijft rijk in vergelijking met de opgewarmde, smakeloze kost die ons nu wordt voorgeschoteld. Naast de films waar de Franse actrice een rol in speelde en die in haar autobiografie ter sprake komen, herinner ik mij tientallen, mogelijk honderden andere films uit de jaren zestig en zeventig – en voor een deel de jaren tachtig – die opnieuw en opnieuw kunnen bekeken worden en blijven verrassen. Het hele oeuvre van Pier Paolo Pasolini (met als hoogtepunten Medea en Teorema), van Bernardo Bertolucci (Laatste tango in Parijs blijft zijn meesterwerk); films van Jean Eustache (La maman et la putain, Mes petites amoureuses); Marco Bellocchio (I pugni in tasca, La Cina è vicina ); Jacques Rivette (alles); Glauber Rocha (Terra em Transe, Antonio das Mortes); Rainer Werner Fassbinder (alles); Werner Schroeter (blijft er naast Malina nog iets over van zijn werk?); Daniel Schmid (La Paloma, Violanta); André Delvaux (Rendez-vous à Bray, Belle); de jonge Federico Fellini; Michelangelo Antonioni (La Notte en al zijn andere films); Jean-Pierre Melville; Eric Rohmer; de jonge François Truffaut; Stanley Kubrick; Nicholas Ray (In a Lonely Place, Party Girl); Nicolas Roeg (Performance, Walkabout, Bad Timing); Andrzej Tarkovski; Satyajit Ray; Ingmar Bergman; en natuurlijk Luis Buñuel. Dit is een korte en spontaan neergeschreven lijst. Je zal ongetwijfeld begrijpen wat ik bedoel. Of net niet. Los daarvan raad ik iedereen die interesse heeft voor de twintigste-eeuwse Europese cultuur deze autobiografie ten stelligste aan. Het is evenwel ook een melancholisch boek, wat de titel al aangeeft. Oud worden is geen kinderspel.

Peter Brook en Jean-Claude Carrière.


 [1] “Jean-Claude Carrière est mort lundi, à 89 ans, et ce n’est pas une bibliothèque que l’humanité perd, mais des milliers, en toutes langues et sur tous les continents, en particuliers indiens, africains, et les terres sud-américaines. L’énigme est sans résolution : Jean-Claude Carrière, né le 17 septembre 1931 dans la petite paysannerie de l’Hérault – «dans une maison sans livres» a-t-il écrit – était susceptible de se passionner pour tout. Etre captivé par un détail glané dans la rue, une démarche, un accent, un fragment de conversation surpris qui donnait du grain à moudre à son imagination et provoquait immédiatement une ébauche de récit.”
Anne Diatkine, Libération

[2] Dictionnaire de la bêtise et des erreurs de jugement, Guy Bechtel en Jean-Claude Carrière, Robert Laffont, 1965

 [3] À la recherche du Mahâbhârata, carnets de voyages en Inde avec Peter Brook 1982-1985, Éditions Kwok On.

[4] “Daarna zijn we ‘la grande lecture’ begonnen: je hebt ongeveer een jaar nodig om de Mahabharata volledig te lezen. Peter Brook las in het Engels, ik in het Frans. Waar die twee vertalingen contradicties vertoonden hebben we – met de hulp van een professor – naar de Sanskriet-versie teruggegrepen. Een volgende stap was zeer belangrijk: de gezamenlijke lezing van Peter Brook en mezelf, met de hulp van Marie-Hélène Estienne. Die lezing heeft zo’n acht à tien maanden geduurd. Wij lazen elke dag en stopten bij die passages die ons interessant leken, of die noodzakelijk waren binnen het verloop van het verhaal. Omgekeerd ook bij die verhalen die ons overbodig leken, die door het basisverhaal dat ons verteld was overlapt werden. Tijdens die tweede lezing zijn we al beginnen schrappen: een aantal secundaire verhalen is geëlimineerd omdat we ons vooral op de grote ‘verhaalstroom’ wilden concentreren.” Jean-Claude Carrière in een vraaggesprek met Alex Mallems, in  Etcetera, 1985-10, jaargang 3, nummer 12, p. 15

DE VOLKOMEN BLEEKHEID VAN SNEEUW

DIE ZOMER zagen we Gabriella opfleuren. Senga en ik werkten inmiddels allebei bij de Filosofische Kring Aurora en hadden het behoorlijk druk met de redactie van het tijdschrift en het voorbereiden van literaire middagen en avonden. ’s Avonds aten we vaak met zijn drieën in de grote keuken beneden. Na de maaltijd voerden we gesprekken, een beetje zoals destijds in de Artanstraat in Schaarbeek, maar rustiger en redelijker. Soms las ik ontwerpen van teksten of gedichten voor. Ik haalde boeken uit de rekken, we lazen elkaar fragmenten voor van Knut Hamsun, Thomas De Quincey, Peter Handke en hele stukken uit De keisnijder van Fichtenwald van de toen bij ons bewonderde Nederlandse schrijver Louis Ferron.
We beluisterden de nieuwste elpees, voor zover ons budget ons de aankoop ervan toestond. Gelukkig was er ook nog de discotheek in de Lange Nieuwsstraat, die een voortreffelijk aanbod had. Gabriella bleef zoals in de Brusselse tijd van Nico en the Velvet Underground en van Patti Smiths Horses houden, wat niet vloekte met de punkrock en new wave en zelfs niet met albums als Darkness On The Edge Of Town, waar wij toen de voorkeur aan gaven. Geregeld hoorde je in het Dolfijnhuis de elpees Desertshore, met daarop aangrijpende nummers als My Only Child en Abschied, en The Marble Index [1], met No One Is There en Frozen Warnings. Na al die jaren bleef ik een pleitbezorger van de platen van Syd Barrett en Alexander Spence, waardoor wie bij ons geregeld op bezoek kwam vertrouwd werd met hun merkwaardige, hoogst originele songs.

Soms kwam Gabriella even in mijn werkkamer binnen om naar onze boeken te kijken. Op een dag trof ze in een stapeltje nieuwe aanwinsten in mijn kamer een Nederlandse vertaling van Moby Dick aan. Ze raakte gehecht aan de roman van Herman Melville, vooral aan het hoofdstuk over het witte van de walvis. Voor mij is dat een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur. Het was meer dan wat ook het witte van de walvis dat mij deed verbleken. Mogelijk herkende ze de bleekheid van haar eigen huid, met de volkomen blankheid van sneeuw, in die beschrijvingen. Hield ze ook niet zo van de laatste bladzijden van Edgar Allan Poes The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket?

Kort na Gabriella’s verhuizing naar de Dolfijnstraat waren we met zijn drieën in de Monty, een zaaltje op het Zuid, gaan kijken naar de thriller Looking for Mr. Goodbar van Richard Brooks, met Diane Keaton als Theresa Dunn, een borderline-lerares op zoek naar seksuele kicks. Dat was haast een net zo beklemmende belevenis, vooral het brutale einde, als het zien van Le locataire. Weer thuis vroeg ik me af of het een goed idee was geweest. Al kon ik de verbluffende acteerprestatie van Diane Keaton, de cinematografie van William Fraker en de nagenoeg perfecte soundtrack maar niet uit mijn hoofd zetten. Een meer bedwelmende en minder ontregelende ervaring was Bob Dylans film Renaldo and Clara. Voor Gabriella was het de eerste keer; ze was onder de indruk. Van de concertfragmenten bejubelde ze vooral de uitvoering van When I Paint My Masterpiece, mogelijk mede door de verwijzing in dat lied naar een verblijf van de verteller in Brussel. Van de fictieve scènes prefereerde ze die waarin de raadselachtige hoofdpersonages Renaldo, Clara en The Woman In White elkaar het leven moeilijk maakten. Na die filmmarathon keerden we naar huis terug om een hapje te eten en een tequila sunrise te drinken. Bob Dylan had ons dorst doen krijgen en onze levenslust aangewakkerd. Hoewel het al voorbij middernacht was wilden Senga en Gabriella toch nog de stad in. Zodoende namen we een taxi naar de Cinderella om ons met z’n drieën in de wereld van de punks onder te dompelen. Zodra Police and Thieves in de versie van the Clash weerklonk haastten we ons naar de dansvloer. Later, op adem komend aan de toog, trof ik Ria Pacquée daar aan. Ze zei dat er een party was in de King Kong en stelde voor om daar naartoe te gaan. Dat deden we. Maar wat in hemelsnaam deden we in de King Kong? Dansten we op tafels, vochten we met ingebeelde leeuwen, zongen we met zijn drieën of vieren People Get Ready?

Hoewel ik er toch geregeld binnenliep herinner ik me vandaag even weinig van de King Kong als van Louis Ferrons De keisnijder van Fichtenwald. Een psychiatrische instelling, sadistische nazi’s, Heinrich Von Kleist en zijn Penthesilea, dat is het ongeveer voor het boek van Ferron. Voor de King Kong zijn de herinneringsresten nog schaarser, een bal met Raymond van het Groenewoud, een optreden van Joy Division (waarover ik alleen maar iets las), een of andere toneelopvoering. Hoe zag de ruimte eruit, waren er meerdere zalen, moest je entree betalen, was er een balie? Welk publiek kwam er over de vloer? Vast niet hetzelfde als in Cinderella’s Ballroom. Onlangs zag ik een foto van Robert, de baas van die roemruchte club aan de Stadswaag. Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben hem baas te noemen. Op de foto staat hij achter de toog. Hij kijkt wat verrast, een beetje boos zo lijkt het wel. Links van hem een kleine witte ventilator, rechts een groen metalen kistje en wat elpees, waaronder Funhouse van the Stooges. Het leek een beeld uit een droom. Na veertig jaar heb ik mij van Robert en van de Cinderella een geheel andere voorstelling gemaakt. Ook mijn herinneringen aan Gabriella, hoe ze was, hoe ze bewoog, haar stemgeluid, zijn vervaagd. Wat maakt dat ik me nu afvraag of wat ik hier noteer niet eerder verzinsels zijn dan een weergave van werkelijk gebeurde voorvallen. Wat benijd ik schrijvers als Eric de Kuyper, met hun glasheldere herinneringen. Of zouden zij alleen maar goed onderlegd zijn in het verzinnen van allerlei geloofwaardige details? Beschikken zij over dagboeknotities waarin alles wat ze meemaakten haarfijn staat beschreven? In mijn dagboeken bijna niets van dat alles: het zijn grotendeels klachten over mijn gezondheid en notities over boeken en films en een aanzienlijk aantal herinneringen aan dromen.

Op een van die zomeravonden was er visite van Eddy D., de man van De man in de rups. We zaten net te luisteren naar Stateless, een elpee van Lene Lovich die ik van Senga cadeau had gekregen. Haar single Lucky Number was in die dagen een hit. Ik was een beetje bang dat het niet goed zou klikken tussen Gabriella en mijn vriend, omdat zij nogal asociaal was en soms verbaal agressief werd. Maar dat viel best mee, ook later in de rumoerige Cereus, waar L.S. nog even probeerde roet in het eten te gooien, wat hem niet lukte, omdat we ons niet lieten provoceren. Eddy luisterde met aandacht naar de meanderende invallen van Gabriella, woorden die meestal weinig met onze gespreksonderwerpen spoorden maar er op een moeilijk verklaarbare wijze toch bij aansloten. In mijn dagboek lees ik dat in onze conversatie sprake was van de fenomenen torus en tokamak.

Ik was tevreden. Senga en ik hadden de juiste beslissing genomen. Ook de avond van Walter Van Rooys tentoonstelling in het Pannenhuis was er een van plezier en euforie. Walter was opgetogen over de opkomst en de interesse, mijn vrienden waren in een opperbeste stemming. Samen met Guillaume Bijl en Ria Pacquée dronken we Duvels en discussieerden we over Diane Keaton, Truman Capote en In Cold Blood. We zongen mee met Lucky Number en I Think We’re Alone Now van Lene Lovich. Dat laatste was helemaal geen new wave maar een cover van een hippieliedje van Tommy James & the Shondells. In het Pannenhuis mocht dat nog: er waren geen vaste regels. Wel vonden Greta en Toulouse het prettig als je je rekening betaalde. Al vrij snel werd de sfeer diffuus en zaten we, samen met Gabriella’s zus Lena, die nu ook in Antwerpen woonde, in de Muze, daarna in de Mok – en opeens stond ik alleen aan de toog van de Kroeg, het bruine café op de hoek van de Wolstraat en het Conscienceplein waar ik in december 1968 de allereerste keer Beggars Banquet had gehoord, wat een haast mystieke ervaring was geweest.

Vroeg in de ochtend kwam ik thuis, flink beschonken. Plotsklaps hoorde ik een vreemd geschreeuw, van vogels dacht ik eerst, ik zag ze al voor me, grote witte vogels, hun vleugels wel een meter breed. Kwam het geluid echt wel van buiten, waar op dit uur al het zichtbare de bleekheid had van sneeuw? Nee, het geschreeuw steeg uit onze kleine kolenkelder op. Met een nieuwsgierigheid die mijn tegenzin overwon ging ik de trap af. Het was er donker en rook er naar schimmel en zwammen. De grond was bedekt met rottende planken. Het geschreeuw bleek uit de donkerste hoek te komen. Na wat wennen aan de duisternis kon ik vier piepkleine kittens ontwaren. Waar was de moederpoes naartoe?

[Nachten aan de kant 40.  Juni-juli 1979]

*

[1] De titel is afkomstig uit het gedicht The Prelude van Williams Wordsworth:
And from my pillow, looking forth by light
Of moon or favoring stars, I could behold
The antechapel where the statue stood
Of Newton, with his prism and silent face,
The marble index of a mind forever
Voyaging through strange seas of thought, alone.

Foto’s: boven, Martin Pulaski; onder, Diane Keaton, fotograaf onbekend.

NUCHTER, ALLEEN

Dolfijnstraat, kamer aan de voorkant, circa 1978-1979

Ik was begonnen met mijn werkruimte en bibliotheek opnieuw in de kamer aan de voorkant in te richten. Mijn boeken moesten worden versjouwd en opnieuw – op categorie en dan alfabetisch op schrijversnaam – geklasseerd, een karwei waaraan ik nogal wat voldoening beleefde. Gabriëlla woonde nu in de kamer op de tweede verdieping. Daar bevond zich ook onze gemeenschappelijke badkamer, met een ligbad en een lavabo. Voor de wc moest je helemaal naar beneden en naar buiten. Koud in de winter, wat voor Gabriëlla wel even wennen zou worden. Alleen over de keuken maakte ik me enige zorgen. Uit ervaring wist ik dat het een potentiële plaats van conflicten is.

Ik had nog lang zitten nadenken over Le locataire. De voorbije dagen hadden de overrompelende beelden van de geniale cinematograaf Sven Nykvist me niet met rust gelaten. De film lijkt een studie in licht en donker, Rembrandt in een groezelig Parijs’ appartement. Het verontrustende verhaal, oorspronkelijk een roman van Roland Topor, had me evenwel nog meer tot nadenken aangespoord, meer bepaald mijn interpretatie ervan. Ik zag diverse scènes en personages opnieuw en opnieuw voor mijn geestesoog opdoemen. De protagonist Trelkovsky, zo subliem gestalte gegeven door Polanski. De conciërge (een perfecte Shelley Winters), de huisbaas, de overige huurders. De cafébaas en de kelner in het café waar Trelkovsky geen koffie krijgt, waar hij nochtans naar hunkert, maar warme chocolademelk. Wat hij meermaals gedwee aanvaardt. Waar hij geen Gauloises krijgt, zijn merk, maar in plaats daarvan Marlboro’s, het merk van Simone Choule, de vrouw die uit het raam sprong. Wat hij meermaals gedwee aanvaardt. Trelkovsky’s collega’s. En Stella, Stella die zo goed is voor Trelkovsky. Zij is het enige lichtpunt in dat donkere verhaal. Een geweldige scène is die van de confrontatie van een introverte, angstige en schuchtere Trelkovsky met een van zijn collega’s, die in alles zijn tegenpool is: brutaal, agressief en onverschrokken. Die confrontatie deed me terugdenken aan Le gros et le maigre, een klein juweel dat Polanski al in 1961, ook in Frankrijk, draaide.
Trelkovsky wordt tot waanzin gedreven en springt ten slotte twee keer uit raam waardoorheen Simone Choule voor het laatst een stukje van haar wereld zag. Eerst doet hij dat als een groteske versie van Simone, daarna als Trelkovsky zelf. Maar klopt dat verhaal wel, is wat wij zien de realiteit? Wordt Trelkovsky werkelijk gek gemaakt? De laatste sequentie van Le locataire sluit aan bij de (bijna) eerste, is er een variant op. Wat ertussen komt lijkt een toevoeging aan het reële te zijn. Mogelijk gaat het om een fantastische en paranoïde reconstructie van Simone Choules zelfdoding, voltrokken in het hoofd van Trelkovsky. Wat zou impliceren dat Trelkovsky helemaal niet zo schizofreen is als we dachten, dat alleen zijn fantasie hem parten speelt. Ik bedacht dat ik de roman van Topor maar eens moest lezen om er echt wijs uit te geraken.

Uit de bibliotheek bracht ik een aantal beloftevolle boeken mee: Wat de mens betreft van Elias Canetti, Het menselijk inzicht van David Hume, Uitnodiging voor een onthoofding van Vladimir Nabokov en 15 Canto’s van Ezra Pound (vertaling H.C. Ten Berge). Toch had ik er niet kunnen aan weerstaan om ook enkele boeken te kopen: Theater 1 van Peter Handke, Reminiscences of the English Lake Poets van Thomas De Quincey en The Waste Land van TS Eliot.

Dat laatste had ik diezelfde nacht nog aandachtig gelezen. Het is een opzienbarend gedicht, wreed, ontroerend, ontnuchterend, soms grappig. Af en toe voelde ik ook irritatie. Puilt het niet te zeer uit van de verwijzingen naar allerlei culturele monumenten?

Ik kocht niet alleen boeken maar ook twee paar schoenen, witte en lichtbruine. Beide paren kwamen uit Italië, zoals het hoort. Senga dacht dat de witte schoenen een vrouwenmodel waren, maar dat was niet erg, ik vond ze mooi en ze pasten uitstekend.

Ik herlas wat ik had geschreven over de dood van Louis Paul Boon, Nicholas Ray en John Wayne. Had ik me over de westernheld voldoende genuanceerd uitgedrukt? Met de nodige eerbied? Nu dacht ik dat ik hem niet langer een groene baret zou noemen en mijn woorden meer zou wikken en wegen. Mocht ik het nog kunnen, dacht ik, zou ik me op plechtige toon met de volgende woorden tot Willy Boy en Giuseppe richten. Sheriff John T. Chance is dood. Moet ik me erover verbazen dat dit overlijdensbericht me ten zeerste bedroeft? De dood van een reactionair, een racist, een aanhanger van Nixon – zou ik me daarover niet moeten verheugen? Nee, dat zou ik niet moeten. Dat iemand sterft, om het even wie, is in alle omstandigheden verschrikkelijk. Zij die geen rouw kennen zijn de grootste schurken. Iets in die aard zou ik nu zeggen, dacht ik. Maar nu was ik alleen en nu was ik nuchter. Ik hoefde geen rol te spelen en me harder voor te doen dan ik ben.


[Nachten aan de Kant 39. Juni-juli 1979]

DE HUURDER

Le locataire, Roman Polanski, 1976

IN DIE TIJD trok Gabriëlla bij ons in. Zij was afgekickt, of dat wilden wij graag geloven, en had zich voorgenomen om zich aan de Brusselse junkiewereld te onttrekken. Senga en ik hadden er lang over gediscussieerd of we de juiste beslissing hadden genomen: stel dat ze toch nog gebruikte, dat we, zoals in Sint-Joost-ten-Node was gebeurd, andere junkies en mogelijk zelfs dealers over de vloer zouden krijgen. Het was echter duidelijk dat Gabriëlla met haar pijnlijke verleden wilde breken en we vonden dat we haar daarin moesten helpen.

De dag voor haar verhuizing had ik de drukproef van ‘Een brief lezen in de metro’ gecorrigeerd. Al wist ik helemaal niet hoe dat moest: ik had het met Tipp-Ex gedaan. Met als gevolg dat enkele fouten waren blijven staan. Later ben ik een tijdje eindredacteur geweest, mogelijk om de schaamte over mijn vroegere onwetendheid te overwinnen.

Die avond waren Senga en ik toevallig naar Le locataire van onze geliefde regisseur Roman Polanski gaan kijken. De jonge Trelkovsky huurt in Parijs een flat waar de vorige huurder, Simone Choule, kort tevoren uit het raam is gesprongen. Geleidelijk aan wordt Trelkovsky door zijn huisbaas en de andere huurders en door zijn hele omgeving tot waanzin gedreven. Is het een samenzwering? We zien hem op korte tijd de gedaante van Simone Choule aannemen. Ten slotte springt hij in een vlaag van zinsverbijstering zelf ook uit het raam. Polanski laat in het midden of wat de kijker ziet de fantasiewereld is van een paranoïde schizofreen of de objectieve werkelijkheid. Zeer onder de indruk keerden we naar huis terug. Wat een beklemmende film, vonden we, maar wel één uit de duizend.

De volgende ochtend stond Jan V. met een kleine verhuiswagen voor de deur. Veel te verhuizen was er niet, Gabriëlla had nooit veel opgehad met de materiële wereld. Ze bezat maar weinig kledingstukken en slechts een tweetal paar schoenen. We hadden voor haar de kamer op de tweede verdieping ingericht, waar een jaar eerder Gina een tijd had gewoond. Sinds Gina’s vertrek was het daar stil geweest en hoewel burengeluid me soms stoorde als ik geconcentreerd zat te werken, had ik haar aanwezigheid gemist. Nu nam een vrouw met een volstrekt andere persoonlijkheid haar plaats in.

Als ik het vandaag nuchter beschouw denk ik dat Gabriëlla bijna net zo schizofreen was als Trelkovsky. Die vreemdheid van haar had me altijd al aangetrokken. In de Artanstraat, de straat in Schaarbeek waar ze toen woonde, ging ik haar op mijn eentje of met Willy Boy en Giuseppe, ’s avond af en toe opzoeken en bleef dan soms tot zonsopgang luisteren naar haar sibillijnse uitspraken, meanderende verhalen en betekenisvolle stiltes. We namen altijd een fles sterkedrank mee, meestal was dat toen grappa, waar ik doorgaans misselijk van werd. Vanuit haar appartement had je een adembenemend uitzicht op Brussel. Gabriëlla was een mooie vrouw met blonde krullen maar het raadselachtige was dat ik in haar nabijheid geen enkele seksuele begeerte voelde. Mogelijk was onze vriendin meer geest dan lichaam. Mensen die op de rand van waanzin leven, ten prooi aan borderline of schizofrenie, hebben mij lange tijd gefascineerd. Niet voor niets heb ik toen ik filosofie studeerde zoveel boeken over antipsychiatrie gelezen en een thesis geschreven waarin waanzin als een min of meer geldige uitweg uit onleefbare gezinssituaties werd verdedigd. De nachten in de Artanstraat waren mysterieus, surrealistisch. In de vroege ochtend leek het of de vogels, groter en witter dan ik ze ooit had gezien, ons kwamen wekken. Wisten ze dan niet dat we klaarwakker waren? Het boek Nadja van André Breton schetst een excellent beeld van een dergelijke betoverde wereld. Nu ik zelf op weg was naar normaliteit wilde ik die liefst niet in ons huis in de Dolfijnstraat binnenlaten. Gabriëlla was welkom maar dat gold niet voor haar vroegere entourage, met uitzondering van Jan, een vriend die we altijd alles vergaven omdat hij de onschuld zelf was. Het gold evenmin voor haar slechte gewoontes.

[Nachten aan de Kant 38. Juni-juli 1979]

DE POSTMODERNE POSTBODE EN DE EINDELOZE NACHT

[Nachten aan de Kant 30 – April 1979]

De voorbije weken hielp ik Guy Bleus met voorbereidingen voor zijn nieuwe tentoonstelling/performance in het Pannenhuis: Smell Art/Mail Art. Je zou kunnen beweren dat Smell Art – ook olifactory art genoemd – geen nieuwe vondst is, onder meer Marcel Duchamp en Benjamin Péret gingen hem daarin voor. Maar voor mijn vriend is het in elk geval een nieuw avontuur en voor de toeschouwers en ook voor mezelf een soort van openbaring. Opeens besef je dat de reukzin in vergelijking met de andere zintuigen altijd al als minderwaardig werd beschouwd, zeker in de klassieke kunst. Is dat vanwege het verband van de reukzin met basale gevoelens als angst, seksuele drift en honger? [1] Ik heb de indruk dat nogal wat kunstliefhebbers dit nieuwe aspect in de ontwikkeling van Guy Bleus als kunstenaar niet erg au sérieux nemen. Dat is op zich niet zo erg, want smell art is inderdaad speels. Tegelijk is het esthetische kritiek op de esthetica, in de lijn van het dadaïsme en het surrealisme.

Op avond van de performance/voorstelling was het aantal aanwezigen eerder schaars. Waar waren de vaste klanten van het Pannenhuis? Guy heeft maar vijf van zijn diploma’s kunnen uitreiken. Ja, zijn roemruchte diploma’s waren er ook. Overigens is uitreiken niet helemaal correct, je moet er immers voor betalen. Zelf heb ik een diploma van doctor in de neuropsychiatrie, zo echt dat ik er meteen mee aan de slag zou kunnen gaan. Ik heb al wat ideeën voor de inrichting van mijn praktijk, nu nog een geldschieter vinden. Of ik maak er een filosofisch kabinet van, in Nederland bestaan die al, dat las ik onlangs in een of andere krant. Het viel me opnieuw op hoe sierlijk de fake handtekeningen van Guy Bleus zijn. Autogrammen als die van Rimbaud geven zijn diploma’s zoveel meer cachet dan de echte exemplaren. Wat is mijn handtekening in vergelijking daarmee onvolwassen, lelijk zelfs.
Guy zei me dat ik ook maar eens moet tentoonstellen; waarom doe ik niet eens iets met mijn gedichten? Ik twijfel nog. Gedichten dienen niet om naar te kijken, of ze zouden er als de Calligrammes van Apollinaire moeten uitzien. Maar hij heeft gelijk dat ik mijn werk op de een of andere manier moet tonen. Dat ik er aandacht moet voor vragen. Want mijn werk, dat ben ik.

Bij Guillaume en Renée zagen we La Notte van Michelangelo Antonioni. Ook dat was een openbaring. Waarom heb ik die modernistische film nooit eerder gezien en wel Blow-Up en Zabriskie Point? In La Notte heeft de regisseur uit Ferrara meerdere thema’s verwerkt. Een strak verhaal is er niet. Helemaal in het begin daalt de camera af van ergens boven in de Pirelli Toren in Milaan en laat je zo een blik werpen op de stad in wederopbouw. Je wordt een stille getuige van een huwelijk, dat van de romanschrijver Giovanni Pontano en zijn vrouw Lidia, dat niet meer te redden valt. Je kijkt mee door de ogen van Lidia en ontdekt Milaan als een poëtisch-architecturaal universum. Terwijl de nieuwe, moderne stad ontstaat voorvoel je al haar verval. Het volume van de wolkenkrabbers, het alomtegenwoordige beton en staal, het op hol geslagen, letterlijk verstikkende verkeer, werken de vervreemding in de hand. Je voelt aan dat niemand het hier honderd jaar zal volhouden, tenzij als ongelukkige slaapwandelaars. In de buitenwijken word je samen met Lidia lyrisch, maar niet lang. Want ook daar rukken de betonboeren op en waar tot voor kort weideland was is er nu wasteland. Dat woord van TS Eliot staat hier niet zomaar. Daar ontwaren we een groepje mannen die vuurpijlen de lucht in schieten, ze lijken op kleine raketten, met als grootste verschil dat ze geen doel hebben. Ze gaan in rook op. Deze randmensen verdrijven de schrikbarende tijd met zinloze handelingen en gestes. Je voelt Lidia’s ontreddering. Niet alleen haar huwelijk is gedoemd, de hele mensheid lijkt van zin verstoken. Toch lijkt haar verwarring niet te beletten dat ze ook nog prettige herinneringen heeft. Soms verschijnt er zelfs een glimlach op haar gelaat. Maar hoe hevig haar emoties ook zijn, ze blijven ingehouden. Het moet gezegd: Jeanne Moreau is voor deze rol de perfecte actrice.

De teleurgestelde romanschrijver Giovanni Pontano personifieert het probleem van de moderne literatuur, de betekenis van de schrijver en van de kunstenaar in het algemeen. Is het beroep van schrijver, een soort van subliem ambacht (Pontano als “il miglior fabbro”) niet achterhaald in het tijdperk van de technologie en een mogelijke nucleaire Dag des oordeels? Hoort iemand als Pontano ondanks zijn succes niet in een museum thuis? Waartoe nog gekunstelde zinnen bouwen die over de werkelijkheid gaan? Een ondernemer laat echte huizen en echte bruggen bouwen, laat echte schepen varen, echte vliegtuigen vliegen, echte arbeiders arbeiden.
De taperecorder van Valentina, de dochter van de rijke industrieel Gherardini, maakt de schrijfmachine als attribuut van de creatieve schrijver al bijna overbodig. De macht van een industrieel overschaduwt elke macht die een schrijver eventueel zou kunnen uitoefenen.

La Notte is doordrongen van de filosofie van het absurde. Het existentialisme van Albert Camus bepaalt in 1961 de tijdsgeest, ook bij de Italiaanse kunstenaars en intellectuelen. Het leven heeft geen zin en het spel heeft geen regels. “Je moet toch iets doen,” zegt Lidia als motivatie om naar een feestje van Gherardini te gaan.
Er wordt veel gezwegen in de films van Antonioni, en in La Notte mogelijk het meest van al. Iedereen in en rond de villa van Gherardini is eenzaam, niemand slaagt erin om tot de andere door te dringen. Niemand zegt wat hij of zij voelt, de taal is ontoereikend. Niemand kent de regels van het spel. Het luxueuze zwembad lijkt een uitvinding van aliens.

Je krijgt als toeschouwer niet één keer de kans om de tijd te vergeten. De nacht duurt lang, het is loden tijd. Hij wil maar niet wijken voor de dag. Je gaat zo hopen dat de film niet te lang meer zal duren. Je wilt uit die eindeloze nacht weg. Je bent er te zeer aan je lot overgelaten, ‘moederziel alleen’. Ik heb geen inspiratie, zegt Pontano tegen zijn vrouw Lidia, alleen maar herinneringen.

Ook in de salon van onze vrienden werd er na afloop van La Notte nog lang gezwegen. Met behulp van een glas bier en wat flauwe grappen brak uiteindelijk het ijs. Het was maar een film. Niets had ons beschadigd.

*

April 1979 – oktober 2020 [1] “Tips voor je eerste date: zorg dat er geen vieze luchtjes om je heen hangen, was je kleren goed, ga eens naar de mondhygiëniste, ”  aldus Iris Sommer, auteur van De zeven zintuigen, Over waarnemen en onwaarnemen.

VADER, ZOON, VRIEND

[NACHTEN AAN DE KANT 29. MAART 1979]

Venez, venez vite
Je veux tout, mais tout de suite
Entrez dans ma danse
Moi je me balance, Georges Moustaki
[1]

Paul Rigaumont kwam ons een schilderwerkje brengen. Het heet De angst voor de verkorzeling en het is mooi en expressief, hoewel nog altijd een beetje in de stijl van Paul Klee. De schilder zegt dat het koude romantiek is. Ik weet niet goed wat hij daarmee bedoelt, maar als ik nog een keer, nu wat aandachtiger, kijk weet ik het wel. Paul gebruikt graag woorden als verkorzeling. Heeft het belang of dat woord niet bestaat in de Nederlandse taal? Nee, dat heeft geen belang. Het is een handschoenwoord. En wat dat dan is, een handschoenwoord? Dat moet je maar aan Paul vragen.

We verbleven drie dagen bij mijn ouders in Lanaken. Carnaval is het minst geschikte moment om daar naartoe te gaan. Al het lelijkste in de mens komt dan naar boven. Ik heb slechts één aangename herinnering aan dat verblijf. Ik herinner mij namelijk met genoegen de film La fiancée du pirate, een bescheiden maar giftig juweeltje (“poésie amère”) van Nelly Kaplan met in de hoofdrol één van mijn meest geliefde actrices, de sprankelende Bernadette Lafont. Marie, de dochter van een ‘dorpsheks’, besluit prostituée te worden. Ze verandert de hut waarin ze met haar moeder woont in een magisch bordeel en wreekt zich met de middelen die de natuur haar geschonken heeft, en de natuur is zeer mild geweest, op de dorpelingen, met hun hypocriete moraal.

Met mijn vader voel ik minder verwantschap dan met mijn schilderende koud-romantische vriend. Ik wil niet op hem lijken. Ik wil elke band met hem verbreken, zelfs de genetische. Mooie fantasie! Onmogelijk dat je niet op je vader lijkt, hoezeer je je ook inspant om volstrekt van hem te verschillen. Maar mogelijk kun je met een krachtige, volgehouden inspanning van de wil er geleidelijk aan toch minder gaan uitzien als hij en uiteindelijk een andere mens worden. Over tien, twintig jaar nog eens in de spiegel kijken. [2]

Vandaag ging ik even bij de dokter langs om iets over de toestand van mijn longen te vernemen. Die is erbarmelijk, maar het gaat al beter, meneer Pulaski, zei de welwillende dokter Clerckx. Beter, het zal wel zijn als ik nacht op nacht in rokerige kroegen en vochtige punkkelders zit, waar het stinkt naar pis en zweet – en soms bloed.
Thuis zat Paul Luyten op me te wachten. We hadden elkaar sinds december niet meer gezien. Paul heeft nu een dikke snor, waardoor hij enigszins op Nietzsche lijkt. In Pauls leven is er op die drie of vier maanden veel veranderd. Hij woont nu in Gent, waar hij een boekwinkel heeft overgenomen. Zijn plannen voor een loopbaan als acteur of als regisseur heeft hij opgegeven. Hij beweert dat hij onvoldoende talent heeft, waar ik het niet mee eens ben. Hoewel ik hem nooit heb zien acteren of regisseren. Het is intuïtie. Ik herken me in dat soort van zelfonderschatting en wegvluchten in bescheidenheid. Die is helemaal niet gespeeld of vals. Paul is uitermate intelligent en een van de meest integere mensen die ik ken. Ik weet niet wat ik van deze beslissing moet denken. Welke toekomst staat hem te wachten? Wordt hij een kleine zelfstandige, een zakenman? Hij klinkt niet erg enthousiast. Maar beter boekhandelaar dan slager of klaploper – of eeuwige amateur en grote belofte zoals ik. Veel geluk Paul, het komt allemaal goed.


[1] Een liedje uit de soundtrack van de film La fiancée du pirate, gezongen door Barbara.
[2] Deze aanmerkingen over mijn vader dateren van 1979. Later is mijn verhouding met hem beter geworden. Sindsdien heb ik al lang aanvaard dat ik op hem lijk en dat daar niets mis mee is.

STAMGASTEN

[NACHTEN AAN DE KANT 28. MAART 1979]

Een paar dagen na de openbaring van Charles Bukowski zat ik met enkele vrienden in het Pannenhuis. Dat was nu een vertrouwd toevluchtsoord geworden. Senga en ik waren eerst in de Cartoons, een kleine bioscoop voor cinefielen in de Kaasstraat, naar The General, het meesterwerk van onze uitverkoren komiek Buster Keaton gaan kijken. Het is tot op vandaag een van mijn meest geliefde films. Na de voorstelling liepen we in stilte over de Grote Markt, die ik altijd al zoveel mogelijk probeerde te vermijden omdat de onregelmatige vorm ervan me neurotisch maakt. De Brabofontein van Jef Lambeaux leidt me evenwel soms in bekoring, en dan kan ik maar moeilijk aan de neiging weerstaan om erop te klimmen. Dat deed ik niet: we sloegen de Kaasrui in en liepen via de Wijngaardstraat naar het Conscienceplein, het hart van de Kant.

In het café van Greta en Toulouse troffen we Guillaume en Renée aan, haar zus Chantal en haar vriend Gazoe. We waren met z’n allen in een ernstigere stemming dan meestal het geval is. Senga vertelde wat over The General, hoe teleurgesteld Buster Keaton was geweest over de negatieve reacties. De film had destijds helemaal geen succes gehad, recensenten vonden er niets grappigs aan. Mijn vriend Guy Bleus had bij hem thuis in Wellen een grote poster van Buster Keaton hangen. Buster was voor hem een lichtend voorbeeld. Na een paar glazen bier en wijn werd de sfeer wat losser, zoals dat wel vaker gebeurt. Gazoe was onder de indruk van Voyager 1, die net Jupiter had bereikt. Renée merkte op dat die raket sneller op Mars geraakt dan Gazoe met zijn bestelwagentje van in de Wolstraat tot aan de Dageraadsplaats. Gazoe had gelezen dat de Voyager muziek aan boord had, maar wist niet meer wat precies. Ik had er een lijstje van gezien en had een nummer van Chuck Berry, Dark Was the Night van Blind Willie Johnson en een van de Brandenburgse concerten van Bach onthouden. Renée vroeg zich af of er geen Jupitersymfonie was meegestuurd. Gazoe stelde zich de Jupitermannetjes en -vrouwtjes voor, luisterend naar No Particular Place to Go. Senga zat nog met Buster Keaton in het hoofd. Die zag ze nog niet meteen dansen op de rock and roll van Chuck Berry. Zelf dacht ik opeens aan Worstenman VDB: die vetzak heel zeker niet. Chantal wees erop dat er nog een stel varkens losliepen aan de Franse grens. Of die varkens al dan niet konden dansen, dat wist Guillaume, die al een hele tijd had gezwegen, nog zo maar niet. Hij vond dat Bruce Springsteen erbij moest zijn in die raket, een hedendaagse versie van Chuck Berry. Onlangs, tijdens een televisieavond bij Guillaume en Renée, hadden Senga en ik de zanger uit Asbury Park voor het eerst live gezien. Ik had hem geweldig gevonden. Springsteen was inderdaad, zoals Jon Landau beweerde, de herboren ziel en de toekomst van rock & roll. Hij laat het poppeloton ver achter zich, hij is een Fausto Coppi, een Eddy Merckx, niemand haalt hem nog in. Guillaume herhaalde nu hoe fantastisch hij hem vond, een blanke James Brown, en dan nog eens die briljante E-Street Band met hun aanstekelijke jive. Dat ritme, tsjak tsjak tsjak! Ik kwam helemaal op dreef. Ik zag in hem een positieve held, iemand die ons zowel opwinding als moraal brengt. Hij houdt zijn publiek voor wat een goed leven is. Je kunt niet zomaar als een blinde leven, je moet een droom hebben, een ideaal dat je moet proberen te verwezenlijken. Guillaume vreesde dat ik te ernstig werd. Voor hem was de zanger net zo goed een hansworst, een poesjenel, een clown, een rondreizende predikant en een verleider. Ja, een gunslinger bovendien, voegde ik eraan toe. Guillaume was in zijn nopjes nu Bo Diddley ter sprake kwam. Bo Diddley was een van zijn oude helden. Die rechthoekige rode gitaar van hem, dat was voor Guillaume pure popart. Niet toevallig dat Peter Blake hem heeft geschilderd, vond hij. Fantastisch werk, beaamde Renée. Bij de uitvoering van Rosalita deed hij me aan Dean Martin in Rio Bravo denken. Waarom weet ik eigenlijk niet en hij heeft al helemaal niets van een borrachón. Gazoe riep uit dat hij, Gazoe, hier de borrachón was. Renée was dan weer van mening dat Springsteen niet alleen maar een held en een moralist was maar in de eerste plaats een vuile rock & roller. Daar waren we het allemaal mee eens.
Senga vertelde dat François en Astrid hun schip hadden verkocht en nu aan de wal woonden. Ze hebben in Hoeselt een café overgenomen. Chantal vroeg zich af waar dat ergens was, Hoeselt. Ik wees naar een onzichtbare kaart van België en zei dat Hoeselt een stadje in Limburg is, niet ver van Bilzen. Die Derby, dat komt door mijn schoonzus, een meisje van de wal. Ze was het leven aan boord zo beu als koude pap. En nu zitten ze daar in dat dorpscafé. Als dat maar goed afloopt. Het lijkt me zo’n typisch stamcafé voor leeglopers en zatlappen. Borrachóns, riep Gazoe uit. Senga merkte op dat er toch maar een jukebox stond, een Seeburg nog wel, en dat wij er onlangs een keer geweest waren en hadden gedanst op Da Ya Think I’m Sexy. Rod Stewart!, lachte Renée. Guillaume, de ware familieman, dacht dat het allemaal wel goed zou komen met Astrid en François en zei dat hij ons bij een volgende gelegenheid wat reproducties van Peter Blake zou laten zien. Vervolgens liep hij, statig en als altijd geheel in het zwart, naar de toog en bestelde bij Greta, die in een pocket zat te lezen, waarschijnlijk misdaad, nog een rondje.

Het was al laat toen ik aan diezelfde toog in gesprek raakte met Maria Mentens. Eigenlijk was het voornamelijk luisteren wat ik deed. Maria vertelde over haar vader, Michel Mentens. Hij was ambtenaar van beroep maar had eigenlijk acteur willen worden. Hij had een zwak voor kunstenaars, meer nog als ze jong en idealistisch waren. Geborneerde types vervullen hem met weerzin. Dat eerste had ik een paar jaar eerder zelf ervaren in Doorndal, een jeugdhuis in Sint-Pieters Woluwe, waar we mijn toneelstuk Dr. Jekyll & Friedrich Nietzsche hadden opgevoerd, met Senga in de rol van de Egyptische buikdanseres en prinses Mumie Ma. Ik had haar willen inwikkelen in witte linnen zwachtels. Daar zouden we haar tijdens het hoogtepunt uit bevrijd hebben, om het publiek met haar naakte Egyptische schoonheid uit het veld te slaan. Daar was niets van terecht gekomen: Senga was te schuchter geweest en bovendien heb je voor zo’n inwikkelproces 375 vierkante meter stof nodig en duurt het ongeveer veertien dagen. We moesten realistisch blijven: het stuk ging niet eens over een Egyptische prinses. Michel Mentens was erg enthousiast geweest en had me aangemoedigd. Mijn vader heeft veel respect voor acteurs en alles wat met theater te maken heeft, zei Maria. Voor hem maakt het niet uit of je beroemd bent of niet. Hij ziet meteen of wat je doet uit het hart komt. Heb je hem nooit bezocht in het huis aan Mooi Bos, vroeg ze. Helaas niet, zei ik. Senga en ik zijn kort na die voorstelling naar hier verhuisd. Misschien waren we toch beter in Brussel gebleven. Nee hoor, zei Maria, hier is het veel beter. Alleen al voor deze kroeg zou ik naar Antwerpen verhuizen. In Brussel staan ze nu uren voor jou in de kou, zei ik. Zot, zei Maria. Opeens kreeg ik zin om haar te kussen. Maar we hingen aan de toog en Toulouse en Greta hadden er duidelijk genoeg van. Tijd om te vertrekken uit de Kant.

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

[NACHTEN AAN DE KANT 27]

Waarom die lange nachten zonder slaap? Vrees je dat je anders te weinig uit het leven zal halen? Het moet angst voor de dood zijn, of de vrees voor een te kort leven. Je wilt elk ogenblik bewust ervaren. Zelfs tijdens een roes wil je je hoofd niet verliezen. To be alive is to be awake, stelde Henry David Thoreau lang geleden al vast. Slaap is niet de broer van de dood, het is de dood zelf.
Je was niet de enige die dacht dat je op je 27ste aan je einde zou komen. In 1969 Blankenberge lag je tezamen met vijf of zes hippies op de grond of op een bed in een voor de rest lege kamer boven een café. Een van je Brusselse kameraden lachte toen hij je een joint doorgaf. Jij hebt toch astma, Martin, ha ha, jij eindigt nog zoals Brian Jones. Brian Jones was kort tevoren, en niet lang nadat Mick Jagger en Keith Richards hem zijn ontslag als Rolling Stone hadden gegeven, op zijn 27ste overleden. Brian Jones, die the Rolling Stones had opgericht en de groepsnaam had bedacht. Je lachte zelf ook. Het was de eerste keer dat je hasjiesj rookte. Je verdween in een droom, daartoe ook nog eens aangespoord door A Saucerful of Secrets van Pink Floyd. Behalve een bed, of mogelijk twee bedden, stond er in die Blankenbergse kamer dus ook een platenspeler, en mogelijk zelfs een kastje, waar die platenspeler op rustte.

Hoe moe ik ook ben, toch kom ik uit bed: ik moet werken, schrijven. Gisteren ben ik met Giuseppe naar de bioscoop geweest. We zagen, een beetje tegen mijn zin, Sisters van Brian De Palma. Ik ben niet meteen een liefhebber van het horrorgenre, een van de weinige smaakverschillen met mijn vriend. Voor mij was het een merkwaardige ervaring. De film was meeslepend en mysterieus maar ik vond hem ook wat amateuristisch. Heb je werkelijk zoveel referenties naar andere films – in dit geval naar die van Alfred Hitchcock – nodig als je zelf een authentiek regisseur bent? Ook het thema van de Siamese tweeling / schizofrenie vond ik vergezocht. Na de film liepen we zwijgend naar Giuseppe’s flat in de Vinkenstraat. Hij zal ongetwijfeld geweten hebben dat ik niet zo had genoten van de film en ik had geen zin om mijn bedenkingen uit te spreken. Je moet elkaars voorkeuren en afwijkingen respecteren. Bij hem thuis dronken we een paar glazen bier. Giuseppe is een bewonderaar van Charles Bukowski. Ook daarin verschillen we enigszins van smaak. Bukowski is een uniek dichter en schrijver maar zijn directe stijl ligt me niet zo, al vind ik hem als vieze oude man wel een fascinerend personage. Giuseppe nam het bijzonder mooi uitgegeven boek Love is a dog from hell van de salontafel en las enkele fragmenten voor.

there’s no chance
at all:
we are trapped
by a singular
fate.

nobody ever finds
the one.

Hij las meer dan dat. Hij las het grappige cockroach, het bitterzoete who in the hell is Tom Jones en het trieste 462-0614 en hij las zo lang tot ik er niet meer onderuit kon: Charles Bukowski is niet alleen een dirty old man maar ook een erg begaafde en inventieve dichter. Met de echo van zijn eenvoudige veelzeggende woorden en beelden in mijn hoofd keerde ik naar huis terug waar mijn geliefde zeker al lag te slapen.

EEN BEELD VAN RICHARD HAMILTON (IN 1979)






[NACHTEN AAN DE KANT 24]

Richard Hamilton was de interessantste en boeiendste popartkunstenaar. Dat stelde ik vast in februari 1979 op het Antwerpse festival Film International (een samenwerkingsverband met Film International Rotterdam) tijdens het zien van een uitstekende documentaire van James Scott over het werk van de Britse kunstenaar. Die film van ongeveer twintig minuten veranderde mijn kijk op popart en op Richard Hamilton. [1]

Tot dan bewonderde ik van alle popartiesten Andy Warhol het meest, wat vermoedelijk meer te maken had met zijn imago dan met zijn werk. Warhol en zijn entourage blijven fascinerende, kleurrijke figuren, al is van alles wat daaruit is voortgekomen het album The Velvet Underground & Nico (1967) mogelijk het enige artefact van blijvende waarde.

Opeens besefte ik dat Richard Hamiltons werk, te beginnen met ‘Just what makes today’s homes so different, so appealing?’ (1956), minder tijdsgebonden is dan dat van de meeste andere popartkunstenaars. [2] Opvallend is Hamiltons preoccupatie met film, filmbeeld en tijd. Je zou kunnen zeggen dat zijn oeuvre – zoals dat van veel kunstenaars – tijdsgebonden is, maar tegelijk zie je dat de maker ervan de tijd wil doen stilstaan. Hij behandelt heel specifieke momenten uit de populaire cultuur (reclame, nieuwsbeelden, Hollywoodfilms, popmuziek) op zo’n manier dat ze tot stilstand komen en zo in hun eigen vacuüm het voortschrijden van de tijd weerstaan. Het materiaal dat hij in die werken gebruikt, nogal wat plastic, is evenwel erg vergankelijk.

In de film van James Scott zie je een animatie van ‘Just what makes today’s homes so different, so appealing?’. Daarin wordt op de ambiguïteit van de perceptie gewezen, nog een interessant aspect van zijn oeuvre. Een ander fragment in de documentaire gaat dieper in op het mogelijk bekendste werk van Hamilton: zijn behandeling van het nieuws over de arrestatie wegens drugsbezit van Keith Richards, Mick Jagger en kunsthandelaar Robert Fraser. Iedereen kent wel dat beeld waarop Mick Jagger en Robert Fraser gehandboeid in een politiewagen werden afgebeeld. Een mooie illustratie van hoe een schijnbaar fait divers als kunstwerk de tand des tijds heeft doorstaan, terwijl het in een krantenknipsel niet meer lijkt dan een curiosum.
Verder komt Richard Hamiltons fascinatie voor Hollywood aan bod, aan de hand van zijn commentaar bij een scène uit de film Shockproof (1949) van Douglas Sirk. Beelden uit die film gebruikte hij als bronmateriaal voor zijn werken Interiors I + II. De zelfmoord van Marilyn Monroe is een ander voorbeeld. Nieuwsbeelden en krantenartikelen uit die tijd geven de tragische filmster in geen geval een aura van eeuwigheid en doen zelfs de tragiek van haar dood teniet. Ze tonen evenmin de gelaagdheid van het beeld van haar roem en de dood die daarmee samenhangt.

Een volstrekt ambigu werk van Richard Hamilton is zijn ontwerp voor de hoes van The Beatles (the White Album, 1968). Wat betekent toch die witte hoes en wat maakt ze zo anders, zo aantrekkelijk? Wat is het verband met de muziek die daarin verpakt zit en met het fenomeen the Beatles? [3] Is het mogelijk dat dit zijn meest tijdloze kunstwerk zal blijven, zoals dat voor Andy Warhol de hoes met de banaan is? Dat durf ik te betwijfelen.


[1] Een verzoek: lees dit stuk alsof het in 1979 werd geschreven.
[2] Al moet ik toegeven dat ik vrouwelijke kunstenaars als Pauline Boty en Evelyne Axell nog niet kende.
[3] Over die witte hoes: “Ringo Starr‘s personal copy of the Beatles‘ The White Album, numbered No.0000001, sold for a world record $790,000 Saturday at the Julien’s Live auction of instruments and items from Starr and wife Barbara Bach’s estate.” Aldus Rolling Stone van 5 december 2015.
Zie in verband met popmuziek ook Richard Hamiltons invloed op Roxy Music, met name op Bryan Ferry die, evenals diens artistiek medewerker Nicholas de Ville, van Richard Hamilton les kreeg: “Which living person do you most admire, and why? Richard Hamilton – as my teacher at college, he greatly influenced my ways of seeing art and the world.” Aldus Bryan Ferry in The Guardian van 23 oktober 2010.