STAPELPLAATS

Voor de tijdgenoten

Hij blijft buiten adem staan voor een raam, kijkt naar binnen.

Ziet de ringen, het goud, glinsteringen, maar ziet ze ook niet.

Hun betekenis ontglipt hem, de klare taal van dat gefonkel

vindt geen plaats in zijn driftig volgestouwde stapelplaats.

Hij ontwaart een rivier en in het water hoge wolken.

Haar water dat node het land tussen de heuvels verlaat,

waar het van nut is voor mensen en dieren die komen drinken.

Toch moet het zo gaan. Alle water moet naar de zoute oceaan.

Later, als verderop het Westen de meeuwen lost, schroeit

de zon nog zijn huid, en dan het avondrood altijd eender,

altijd anders, dat hem koortsig naar verloren dagen voert,

naar vrienden die bijna vergeten waren, met hun lange haren

grijzer dan metaal, vermoedt hij. Niet gegijzeld maar mee-

gaand met de dagen alsof dat zo hoort. Eertijds lazen zij samen

woorden van goden. Maar hemel, hoe was dat mogelijk?

Van een god kun je geen letter lezen – en leven.

Zij wendden hun ogen af van de zwendel, gingen hun wegen.

Elk in hun eigen vallei waar toch altijd een eendere rivier liep.

Maar zo ver van elkaar is het vooral de klok die hen aan elkaar klinkt.

Als zij bitter de oude nacht ingaan, met pijn in de leden ontwaken.

Het zware metaal in hun knieën, in de winter een hemel

van staal, maar aan de voet van de heuvels grazende schapen

en honing in de melk als het regent of hagelt of sneeuwt.

Hij ziet weer de zomers op de kermis in het dorp, zondagen aan tafel,

kroenselenvlaai, aardbeien met slagroom, verkoelende limonade.

Moeder op haar zondags, vader met de duiven, hoort hun wilde dialect.

Buiten adem staat hij daar maar het is geen treuren wat hij doet.

Een wind steekt op, de lucht is vochtig. Er valt niets te betreuren.

De dingen gebeuren, waarom weet je niet. Leven is dwaasheid.

Niemand spreekt het geheim uit en een moord is zo gebeurd.

Of je schopt tegen een steen om hem te zien rollen

naar beneden, naar het water van de traag naar zee stromende rivier.

*

Een eerste ontwerp maakte ik op 15 juni 2008 en kreeg als titel mee: Korte stilstand. Deze versie is geschreven met een volstrekt andere kijk op de wereld dan toen- en toch dezelfde. Een van de thema’s van Stapelplaats is “Ten is niet al gout, dat daer blinckt“.

Foto: Martin Pulaski, Esztergom, 17 augustus 2008

DE VOLKOMEN BLEEKHEID VAN SNEEUW

DIE ZOMER zagen we Gabriella opfleuren. Senga en ik werkten inmiddels allebei bij de Filosofische Kring Aurora en hadden het behoorlijk druk met de redactie van het tijdschrift en het voorbereiden van literaire middagen en avonden. ’s Avonds aten we vaak met zijn drieën in de grote keuken beneden. Na de maaltijd voerden we gesprekken, een beetje zoals destijds in de Artanstraat in Schaarbeek, maar rustiger en redelijker. Soms las ik ontwerpen van teksten of gedichten voor. Ik haalde boeken uit de rekken, we lazen elkaar fragmenten voor van Knut Hamsun, Thomas De Quincey, Peter Handke en hele stukken uit De keisnijder van Fichtenwald van de toen bij ons bewonderde Nederlandse schrijver Louis Ferron.
We beluisterden de nieuwste elpees, voor zover ons budget ons de aankoop ervan toestond. Gelukkig was er ook nog de discotheek in de Lange Nieuwsstraat, die een voortreffelijk aanbod had. Gabriella bleef zoals in de Brusselse tijd van Nico en the Velvet Underground en van Patti Smiths Horses houden, wat niet vloekte met de punkrock en new wave en zelfs niet met albums als Darkness On The Edge Of Town, waar wij toen de voorkeur aan gaven. Geregeld hoorde je in het Dolfijnhuis de elpees Desertshore, met daarop aangrijpende nummers als My Only Child en Abschied, en The Marble Index [1], met No One Is There en Frozen Warnings. Na al die jaren bleef ik een pleitbezorger van de platen van Syd Barrett en Alexander Spence, waardoor wie bij ons geregeld op bezoek kwam vertrouwd werd met hun merkwaardige, hoogst originele songs.

Soms kwam Gabriella even in mijn werkkamer binnen om naar onze boeken te kijken. Op een dag trof ze in een stapeltje nieuwe aanwinsten in mijn kamer een Nederlandse vertaling van Moby Dick aan. Ze raakte gehecht aan de roman van Herman Melville, vooral aan het hoofdstuk over het witte van de walvis. Voor mij is dat een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur. Het was meer dan wat ook het witte van de walvis dat mij deed verbleken. Mogelijk herkende ze de bleekheid van haar eigen huid, met de volkomen blankheid van sneeuw, in die beschrijvingen. Hield ze ook niet zo van de laatste bladzijden van Edgar Allan Poes The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket?

Kort na Gabriella’s verhuizing naar de Dolfijnstraat waren we met zijn drieën in de Monty, een zaaltje op het Zuid, gaan kijken naar de thriller Looking for Mr. Goodbar van Richard Brooks, met Diane Keaton als Theresa Dunn, een borderline-lerares op zoek naar seksuele kicks. Dat was haast een net zo beklemmende belevenis, vooral het brutale einde, als het zien van Le locataire. Weer thuis vroeg ik me af of het een goed idee was geweest. Al kon ik de verbluffende acteerprestatie van Diane Keaton, de cinematografie van William Fraker en de nagenoeg perfecte soundtrack maar niet uit mijn hoofd zetten. Een meer bedwelmende en minder ontregelende ervaring was Bob Dylans film Renaldo and Clara. Voor Gabriella was het de eerste keer; ze was onder de indruk. Van de concertfragmenten bejubelde ze vooral de uitvoering van When I Paint My Masterpiece, mogelijk mede door de verwijzing in dat lied naar een verblijf van de verteller in Brussel. Van de fictieve scènes prefereerde ze die waarin de raadselachtige hoofdpersonages Renaldo, Clara en The Woman In White elkaar het leven moeilijk maakten. Na die filmmarathon keerden we naar huis terug om een hapje te eten en een tequila sunrise te drinken. Bob Dylan had ons dorst doen krijgen en onze levenslust aangewakkerd. Hoewel het al voorbij middernacht was wilden Senga en Gabriella toch nog de stad in. Zodoende namen we een taxi naar de Cinderella om ons met z’n drieën in de wereld van de punks onder te dompelen. Zodra Police and thieves in de versie van the Clash weerklonk haastten we ons naar de dansvloer. Later, op adem komend aan de toog, trof ik Ria Pacquée daar aan. Ze zei dat er een party was in de King Kong en stelde voor om daar naartoe te gaan. Dat deden we. Maar wat in hemelsnaam deden we in de King Kong? Dansten we op tafels, vochten we met ingebeelde leeuwen, zongen we met zijn drieën of vieren People Get Ready?

Hoewel ik er toch geregeld binnenliep herinner ik me vandaag even weinig van de King Kong als van Louis Ferrons De keisnijder van Fichtenwald. Een psychiatrische instelling, sadistische nazi’s, Heinrich Von Kleist en zijn Penthesilea, dat is het ongeveer voor het boek van Ferron. Voor de King Kong zijn de herinneringsresten nog schaarser, een bal met Raymond van het Groenewoud, een optreden van Joy Division (waar ik alleen maar iets over las), een of andere toneelopvoering. Hoe zag de ruimte eruit, waren er meerdere zalen, moest je entree betalen, was er een balie? Welk publiek kwam er over de vloer? Vast niet hetzelfde als in Cinderella’s Ballroom. Onlangs zag ik een foto van Robert, de baas van die roemruchte club aan de Stadswaag. Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben hem baas te noemen. Op de foto staat hij achter de toog. Hij kijkt wat verrast, een beetje boos zo lijkt het wel. Links van hem een kleine witte ventilator, rechts een groen metalen kistje en wat elpees, waaronder Funhouse van the Stooges. Het leek een beeld uit een droom. Na veertig jaar heb ik mij van Robert en van de Cinderella een geheel andere voorstelling gemaakt. Ook mijn herinneringen aan Gabriella, hoe ze was, hoe ze bewoog, haar stemgeluid, zijn vervaagd. Wat maakt dat ik me nu afvraag of wat ik hier noteer niet eerder verzinsels zijn dan een weergave van werkelijk gebeurde voorvallen. Wat benijd ik schrijvers als Eric de Kuyper, met hun glasheldere herinneringen. Of zouden zij alleen maar goed onderlegd zijn in het verzinnen van allerlei geloofwaardige details? Beschikken zij over dagboeknotities waarin alles wat ze meemaakten haarfijn staat beschreven? In mijn dagboeken bijna niets van dat alles: het zijn grotendeels klachten over mijn gezondheid en notities over boeken en films en een aanzienlijk aantal herinneringen aan dromen.

Op een van die zomeravonden was er visite van Eddy D., de man van De man in de rups. We zaten net te luisteren naar Stateless, een elpee van Lene Lovich die ik van Senga cadeau had gekregen. Haar single Lucky Number was in die dagen een hit. Ik was een beetje bang dat het niet goed zou klikken tussen Gabriella en mijn vriend, omdat zij nogal asociaal was en soms verbaal agressief werd. Maar dat viel best mee, ook later in de rumoerige Cereus, waar L.S. nog even probeerde roet in het eten te gooien, wat hem niet lukte, omdat we ons niet lieten provoceren. Eddy luisterde met aandacht naar de meanderende invallen van Gabriella, woorden die meestal weinig met onze gespreksonderwerpen spoorden maar er op een moeilijk verklaarbare wijze toch bij aansloten. In mijn dagboek lees ik dat in onze conversatie sprake was van de fenomenen torus en tokamak.

Ik was tevreden. Senga en ik hadden de juiste beslissing genomen. Ook de avond van Walter Van Rooys tentoonstelling in het Pannenhuis was er een van plezier en euforie. Walter was opgetogen over de opkomst en de interesse, mijn vrienden waren in een opperbeste stemming. Samen met Guillaume Bijl en Ria Pacquée dronken we Duvels en discussieerden we over Diane Keaton, Truman Capote en In Cold Blood. We zongen mee met Lucky Number en I Think We’re Alone Now van Lene Lovich. Dat laatste was helemaal geen new wave maar een cover van een hippieliedje van Tommy James & the Shondells. In het Pannenhuis mocht dat nog: er waren geen vaste regels. Wel vonden Greta en Toulouse het prettig als je je rekening betaalde. Al vrij snel werd de sfeer diffuus en zaten we, samen met Gabriella’s zus Lena, die nu ook in Antwerpen woonde, in de Muze, daarna in de Mok – en opeens stond ik alleen aan de toog van de Kroeg, het bruine café op de hoek van de Wolstraat en het Conscienceplein waar ik in december 1968 de allereerste keer Beggars Banquet had gehoord, wat een haast mystieke ervaring was geweest.

Vroeg in de ochtend kwam ik thuis, flink beschonken. Plotsklaps hoorde ik een vreemd geschreeuw, van vogels dacht ik eerst, ik zag ze al voor me, grote witte vogels, hun vleugels wel een meter breed. Kwam het geluid echt wel van buiten, waar op dit uur al het zichtbare de bleekheid had van sneeuw? Nee, het geschreeuw steeg uit onze kleine kolenkelder op. Met een nieuwsgierigheid die mijn tegenzin overwon ging ik de trap af. Het was er donker en rook er naar schimmel en zwammen. De grond was bedekt met rottende planken. Het geschreeuw bleek uit de donkerste hoek te komen. Na wat wennen aan de duisternis kon ik vier piepkleine kittens ontwaren. Waar was de moederpoes naartoe?

[Nachten aan de kant 40.  Juni-juli 1979]

*

[1] De titel is afkomstig uit het gedicht The Prelude van Williams Wordsworth:
And from my pillow, looking forth by light
Of moon or favoring stars, I could behold
The antechapel where the statue stood
Of Newton, with his prism and silent face,
The marble index of a mind forever
Voyaging through strange seas of thought, alone.

Foto’s: boven, Martin Pulaski; onder, Diane Keaton, fotograaf onbekend.

DE HUURDER

Le locataire, Roman Polanski, 1976

IN DIE TIJD trok Gabriëlla bij ons in. Zij was afgekickt, of dat wilden wij graag geloven, en had zich voorgenomen om zich aan de Brusselse junkiewereld te onttrekken. Senga en ik hadden er lang over gediscussieerd of we de juiste beslissing hadden genomen: stel dat ze toch nog gebruikte, dat we, zoals in Sint-Joost-ten-Node was gebeurd, andere junkies en mogelijk zelfs dealers over de vloer zouden krijgen. Het was echter duidelijk dat Gabriëlla met haar pijnlijke verleden wilde breken en we vonden dat we haar daarin moesten helpen.

De dag voor haar verhuizing had ik de drukproef van ‘Een brief lezen in de metro’ gecorrigeerd. Al wist ik helemaal niet hoe dat moest: ik had het met Tipp-Ex gedaan. Met als gevolg dat enkele fouten waren blijven staan. Later ben ik een tijdje eindredacteur geweest, mogelijk om de schaamte over mijn vroegere onwetendheid te overwinnen.

Die avond waren Senga en ik toevallig naar Le locataire van onze geliefde regisseur Roman Polanski gaan kijken. De jonge Trelkovsky huurt in Parijs een flat waar de vorige huurder, Simone Choule, kort tevoren uit het raam is gesprongen. Geleidelijk aan wordt Trelkovsky door zijn huisbaas en de andere huurders en door zijn hele omgeving tot waanzin gedreven. Is het een samenzwering? We zien hem op korte tijd de gedaante van Simone Choule aannemen. Ten slotte springt hij in een vlaag van zinsverbijstering zelf ook uit het raam. Polanski laat in het midden of wat de kijker ziet de fantasiewereld is van een paranoïde schizofreen of de objectieve werkelijkheid. Zeer onder de indruk keerden we naar huis terug. Wat een beklemmende film, vonden we, maar wel één uit de duizend.

De volgende ochtend stond Jan V. met een kleine verhuiswagen voor de deur. Veel te verhuizen was er niet, Gabriëlla had nooit veel opgehad met de materiële wereld. Ze bezat maar weinig kledingstukken en slechts een tweetal paar schoenen. We hadden voor haar de kamer op de tweede verdieping ingericht, waar een jaar eerder Gina een tijd had gewoond. Sinds Gina’s vertrek was het daar stil geweest en hoewel burengeluid me soms stoorde als ik geconcentreerd zat te werken, had ik haar aanwezigheid gemist. Nu nam een vrouw met een volstrekt andere persoonlijkheid haar plaats in.

Als ik het vandaag nuchter beschouw denk ik dat Gabriëlla bijna net zo schizofreen was als Trelkovsky. Die vreemdheid van haar had me altijd al aangetrokken. In de Artanstraat, de straat in Schaarbeek waar ze toen woonde, ging ik haar op mijn eentje of met Willy Boy en Giuseppe, ’s avond af en toe opzoeken en bleef dan soms tot zonsopgang luisteren naar haar sibillijnse uitspraken, meanderende verhalen en betekenisvolle stiltes. We namen altijd een fles sterkedrank mee, meestal was dat toen grappa, waar ik doorgaans misselijk van werd. Vanuit haar appartement had je een adembenemend uitzicht op Brussel. Gabriëlla was een mooie vrouw met blonde krullen maar het raadselachtige was dat ik in haar nabijheid geen enkele seksuele begeerte voelde. Mogelijk was onze vriendin meer geest dan lichaam. Mensen die op de rand van waanzin leven, ten prooi aan borderline of schizofrenie, hebben mij lange tijd gefascineerd. Niet voor niets heb ik toen ik filosofie studeerde zoveel boeken over antipsychiatrie gelezen en een thesis geschreven waarin waanzin als een min of meer geldige uitweg uit onleefbare gezinssituaties werd verdedigd. De nachten in de Artanstraat waren mysterieus, surrealistisch. In de vroege ochtend leek het of de vogels, groter en witter dan ik ze ooit had gezien, ons kwamen wekken. Wisten ze dan niet dat we klaarwakker waren? Het boek Nadja van André Breton schetst een excellent beeld van een dergelijke betoverde wereld. Nu ik zelf op weg was naar normaliteit wilde ik die liefst niet in ons huis in de Dolfijnstraat binnenlaten. Gabriëlla was welkom maar dat gold niet voor haar vroegere entourage, met uitzondering van Jan, een vriend die we altijd alles vergaven omdat hij de onschuld zelf was. Het gold evenmin voor haar slechte gewoontes.

[Nachten aan de Kant 38. Juni-juli 1979]

DOOD VAN TWEE HELDEN EN EEN GROENE BARET

Dennis Hopper, Nicholas Ray, Wim Wenders.

[NACHTEN AAN DE KANT 36. Juni- juli 1979]

Toen gisteravond de deurbel ging lag ik al in bed te lezen in een verhalenbundel van Patrizio Canaponi, en wel het schitterende verhaal De gouden stad maar onder een andere titel (De verdwaalde kogel), Nederlandstalig proza zonder weerga [1]. Aan het zenuwachtige gerinkel hoorde ik meteen wie daar beneden voor de deur stond. Het was Giuseppe. Ondanks mijn onderdompeling in het briljante verhaal was hij meer dan welkom.
Giuseppe had het in zijn appartement niet meer uitgehouden van eenzaamheid en had dan maar in een opwelling een taxi naar hier genomen. Altijd weer overlaadt hij ons met geschenken, alsof hij het gevoel heeft dat hij als vriend zonder meer tekortschiet. Uit zijn grote boekentas haalde hij een vijftal Playboys, vanwege de interviews, enkele exemplaren van Andy Warhol’s flitsende magazine Interview, een met Twiggy en een met Deborah Harry op de kaft, en een stapeltje Film en televisie. Voorts had hij met het oog op mijn literaire educatie enkele misdaadromans van Dashiell Hammett en Patricia Highsmith meegebracht. Uit een plastieken zak van platenzaak Dilewijns haalde hij de dubbelelpee Here, My Dear van Marvin Gaye tevoorschijn. Het boek van Patrizio Canaponi is trouwens ook van Giuseppe.

Een kwartiertje later werd er opnieuw gebeld. Nu was het Willy Boy. We hadden elkaar al langer dan een jaar niet meer gezien. Mijn Brusselse vriend was niet veranderd. Hij blijft met financiële problemen kampen en zit ook nog altijd aan de pillen; vooral barbituraten en kalmeermiddelen zijn voor hem onmisbaar. Veel had Willy Boy niet mee te delen en zelf was ik ook eerder zwijgzaam. Giuseppe leek enigszins opgewonden en gaf commentaar bij Here, My Dear. Dat Marvin Gaye over de pijnlijke ontbinding van zijn huwelijk met Anna Gordy zong, dat de titel een cynische verwijzing was naar het geld dat hij haar verschuldigd was en meer van die bekoorlijke onbenulligheden die ertoe bijdragen dat de avonduren minder hardvochtig gaan lijken.

Vanwege de lengte van Here, My Dear was het al behoorlijk laat toen Willy Boy, Giuseppe en ik ons naar de Dageraadplaats begaven. Senga verkoos dit keer thuis te blijven, ze was te moe en vooral had ze geen zin om zich weer te maquilleren. En wat moest ze aantrekken? Die keuze maken ging niet in een-twee-drie. Die avond vond ik De Cereus een vervelend café. De ruimte is sowieso slecht ingedeeld en de muziek die er gedraaid werd was banale, softe hardrock. Gelukkig maakt trappist de tongen los. Mogelijk had het vele sterven van de voorbije weken ons, vooral mij en Willy Boy, aanvankelijk het zwijgen opgelegd. Daags voor mijn verjaardag was John Wayne overleden, wat mij eerder onverschillig liet. Niettegenstaande enkele briljante films waarin hij de hoofdrol speelde zou ik die groene baret niet gauw gaan missen. Treuriger waren we om de dood van Nicholas Ray, een regisseur die ik eerst onbewust, in het gezelschap van mijn ouders (King of Kings, 55 Days at Peking), en later bewust op televisie of in het Filmmuseum (Rebel Without a Cause, The Story of Jesse James, Johnny Guitar, Wind Across the Everglades en vooral In a Lonely Place), enorm had bewonderd. Aan de dood van de ongeëvenaarde regisseur had de Belgische pers nauwelijks aandacht besteed terwijl John Wayne bijna als een staatsman werd herdacht. Gelukkig was er Wim Wenders om het goed te maken. Der Amerikanische Freund mag dan wel gebaseerd zijn op Ripley’s Game en Ripley Underground van Patricia Highsmith maar de ware vriend is Nicholas Ray. Giuseppe zei dat de twee regisseurs bezig waren geweest aan een gezamenlijk autobiografisch filmproject, Lightning over Water. Waarschijnlijk was dat werk nog net op tijd beëindigd. Lang geleden had ik in Cahiers du Cinéma, of in een biografie, gelezen dat het een droom of mogelijk zelfs een obsessie was van Nicholas Ray om het leven van Rimbaud te verfilmen. Die droom zou nu nooit in vervulling gaan.
Wat ons echter alle drie het meest had aangegrepen was de dood van Louis Paul Boon. Voor mij was hij een geestelijke vader geweest, mijn eerste leermeester in de kunst van het prozaschrijven. De wereld van De Kapellekensbaan hield mij rond mijn zeventiende maandenlang in zijn ban. Een geniaal en hoogst origineel werk was dat boek. Na al die jaren herinnerde ik mij de personages nog zo levendig, Ondineke, Kantieke schoolmeester, Tippetotje, Zotte Zulma, Valeer, Meneerke Brys en de anderen. Wat een contrast was dat geweest met de psychedelische muziek, die mij in die periode evenzeer in verrukking bracht. Giuseppe hield bijna evenveel van Boons andere boeken, met een voorkeur voor Mijn kleine oorlog en Vergeten Straat. Een miskend werk van Boon vond ik dan weer De Paradijsvogel. Willy Boy zei dat we toch ook Mieke Maaike’s obscene jeugd niet mochten onderschatten, een prachtige maar bijtende satire. Pornografie op zijn Vlaams. Ja, besloot ik, Louis Paul Boon opende voor mij een nieuwe wereld, waar ik vreemd genoeg toch ook vertrouwd mee was: die van de arbeidersklasse, waartoe ik als schipperszoon wel en niet behoorde. Die nieuwe wereld was eigenlijk al even oud als de industrialisatie, het fabriekssysteem en het kapitalisme.
Wat vinden jullie van Margaret Thatcher, vroeg Willy Boy opeens. Zwijg!, riepen Giuseppe en ik unisono luid, heel even Paradise by the Dashboard Light overstemmend. Thatcher the milk snatcher, voegde Giuseppe eraan toe. Dan nog liever de Ayatollah Khomeini, mompelde ik. Toen viel het gesprek stil en dronken we onze trappisten leeg.

Het werd tijd om op te stappen. Willy Boy moest nog helemaal naar Brussel rijden en Giuseppe, die  rustiger was geworden, nam een taxi naar de Vinkenstraat. Voor mij was het ondanks – of dankzij – de dood van twee helden en een groene baret een onderhoudende avond geworden.

*

[1] Uit Een gondel op de herengracht, 1978. Later kwamen we te weten dat Patrizio Canaponi een pseudoniem was en dat de schrijver in werkelijkheid A.F.Th. van der Heijden heet. Vreemd genoeg heb ik niet één boek gelezen dat onder die naam is verschenen.

STRIJD IN HET RIJK DER ZINNEN

[Nachten aan de Kant 35. November 2020]

Natuurlijk waren het leven en de tijd in Antwerpen waarover ik het voorbije jaar [1] al zoveel heb geschreven geen ononderbroken la dolce vita. Er deden zich net als overal en in alle tijden talloze problemen voor en allerlei conflicten, ruzies en zelfs gevechten maakten het bestaan soms uiterst onaangenaam. Zoals ik in het echte leven conflicten meestal uit de weg ga doe ik dat ook in mijn neergeschreven herinneringen. Het lijdt geen twijfel dat niemand geheel en al goed, deugdzaam en voortreffelijk is. Elke mens heeft zijn schaduwzijde, iedereen bezit karaktertrekken die minder fraai zijn, soms zelfs verontrustend en angstaanjagend. Dat geldt in mindere of meerdere mate ook voor de besten onder ons. Het is mij echter nooit gelukt om daarover met enige nauwkeurigheid te schrijven, niet omdat ik het negatieve bewust aan het licht wil onttrekken maar omdat ik er de woorden niet voor vind. In algemene termen kan ik wel negatieve aspecten van de samenleving en van de mens als sociaal wezen aan de kaak stellen, vooral als het om politiek en religie gaat, als het vormen van boosaardigheid betreft, bijvoorbeeld racisme, onderdrukking of uitbuiting.

In de woelige dagen van punk en new wave en, niet te vergeten, van werkloosheid, had ik meermaals ruzie met vrienden, meestal op café, onder invloed van alcohol en amfetamine. Sommige vrienden, onder wie L. S., hadden wat we een kwade dronk noemen. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken: het gaat om een genetisch verschil in de hersenen. Ik beschouwde hem als een van mijn beste vrienden maar soms veranderde hij in een onuitstaanbare en agressieve man. Dan herkende ik nauwelijks de vriend en lieve buur met wie ik tot een stuk in de nacht over filosofische onderwerpen zat te praten of met wie ik, na het roken van een paar joints, in vrije vorm gitaar zat te spelen. Met weer een andere vriend, M. B., had ik een conflict over zijn mensbeeld. Het stoorde me dat hij de mensen in twee klassen indeelde. Aan de ene zijde liet hij de ‘slechten’ hun opwachting maken. Dat waren de bourgeois, onder wie ook de intellectuelen, de schrijvers en de kunstenaars. Aan de overzijde bevonden zich de ‘anderen’. Wie  waren dat, die anderen? Zij die niet in de eerste klasse thuishoorden? Het proletariaat of zelfs het lompenproletariaat? Ik vroeg me af wat daar dan zo voortreffelijk aan was, al zou ik ze nooit zoals Hillary Clinton vele jaren later deed a basket of deplorables [2] hebben genoemd.  Op een avond in het Pannenhuis noemde M.B. mij een intellectueel, iemand van de slechte klasse dus. L.S. deed dat ook wel eens, als ik het bijvoorbeeld over literaire theorieën van de Tel Quel-groep had, en achteraf gezien had hij daarin niet helemaal ongelijk. M.B. vond ik in zijn oordeel veel te radicaal. In mijn ogen nam hij standpunten in die ik al lang achter me gelaten had. Ik vond zijn veroordeling van de massamedia achterhaald. Zo wilde hij met nog enkele compagnons de route als performance een televisietoestel stukslaan. Dat had ik in 1968 de popgroep the Move op het podium van Jazz Bilzen al zien doen. [3] Toen had ik dat opwindend gevonden, maar nu, in 1979? Ik had het gevoel dat hij en zijn kompanen een beeld van mij imiteerden dat ik zelf al lang verworpen had. Ik vond het naïef: een TV is een ding, een middel. Hoe kan dat nu slecht zijn? Daar maakten we dan ruzie over. Maar een paar dagen later was dat allemaal weer vergeten en vergeven.

Ook mijn leven met Senga was in die dagen niet alleen maar een rijk der zinnen. Meer dan ons lief was maakten we ruzie. Vaak ging het om een kleinigheid maar als er jaloezie in het spel was kon het uit de hand lopen. Ons drankgebruik en de pillen die wij slikten verhevigden dat allemaal nog. Omdat ik me moeilijk kon concentreren had jaren tevoren toen ik filosofie studeerde een arts verbonden aan de VUB mij met enige regelmaat het middel Captagon voorgeschreven. Dat was regelrechte amfetamine, heel erg stimulerend en opwindend. Ik kon er inderdaad beter van studeren en na mijn studies bleef ik het nemen om mijn aandacht bij het schrijven te houden en aan onderzoek te doen. Geleidelijk aan moest ik er meer van nemen om hetzelfde effect te krijgen: ik wilde honderd procent concentratie. Mijn principe was dat ik de pillen alleen maar slikte om te werken, nooit voor het plezier. Maar dat was een theoretische indeling van dag en nacht en van werk en plezier. Als ik op vrijdag of zaterdag uitging waren die pillen natuurlijk niet uit mijn systeem verdwenen. Zonder dat spul had ik het waarschijnlijk nooit een hele nacht op de dansvloer van Cinderella’s Ballroom volgehouden. Overigens denk ik dat zowat iedereen daar aan de speed zat. Herman Brood voelde er zich in zijn nopjes. Captagon was op velerlei wijze een gevaarlijk goedje. Je kreeg er meer zelfvertrouwen van dan goed voor je was. De gekste dingen die ik schreef, en vanwege de paranoia – een andere nevenwerking van dat middel – werden mijn teksten hoe langer hoe gekker, begon ik nu haast geniaal te vinden. Al bleef mijn aangeboren twijfel gelukkig wel altijd op de achtergrond zeuren. Zolang ik aan mijn tafel bleef doorwerken, elke dag van negen uur ’s morgens tot ongeveer zes uur ’s avonds, was dat allemaal niet zo erg. Maar daarna kon dat in combinatie met tequila of bourbon wel eens uit de hand lopen. Van Captagon kun je immers agressief gedrag gaan vertonen. Senga en ik waren geen Sid Vicious en Nancy Spungen, verre van, maar soms begaven we ons op gevaarlijk terrein. Overigens heb ik Sid Vicious altijd een idioot gevonden, ik begreep helemaal niet waarom jongeren hem toen zo bewonderden. Had hij ooit iets goeds gedaan? Zich volgespoten met heroïne en zijn vriendin Nancy Spungen doodgeschoten in het Chelsea Hotel in New York City? In het najaar van 1979 begon ik te beseffen dat ik met die pillen moest ophouden en zoals ik enkele jaren tevoren van de ene dag op de andere was opgehouden met roken zo hield ik nu op met Captagon. Het was genoeg geweest. Het gevolg daarvan was echter dat ik het vanaf 1980 erg moeilijk kreeg met schrijven en geleidelijk aan in een zware depressie belandde. Gelukkig was er muziek, en waren er boeken. Zonder vrienden en zonder Senga, hoewel zij nog lange tijd daarna pillen is blijven slikken, had ik die immens donkere periode, die zo’n zes jaar aansleepte, mogelijk niet overleefd.

[1] De eerste notitie, met als titel Nachten in het Pannenhuis 1, dateert van 5 november 2019.

[2] “Basket of deplorables” is a phrase from a 2016 presidential election campaign speech delivered by Democratic nominee Hillary Clinton on September 9, 2016, at a campaign fundraising event, which she used to describe half of the supporters of her opponent, Republican nominee Donald Trump saying “They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic”. The next day, she expressed regret for “saying half”, while insisting that Trump had deplorably amplified “hateful views and voices”.

[3] Het kan ook op televisie geweest zijn, mogelijk was het een optreden in Tienerklanken, Moef-Ga-Ga of Beat Club.


BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

Met Amsterdamse vrienden, Vossenplein, Brussel, 1971


[Nachten aan de Kant 33. Mei-juni 1979]

Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein

Hoe lang is het geleden dat ik je nog schreef? Meerdere maanden? Daar is maar één verklaring voor: ik kan het niet meer. Mogelijk wil ik het zelfs niet meer. Waarover zou ik wel schrijven? Er is een soort onverschilligheid en zelfs apathie – als het al geen lethargie is – in mijn ziel naar binnengeslopen. Weinig in de wereld boeit me nog werkelijk, weinig van wat om me heen gebeurt weet mijn enthousiasme te wekken. Nog niet zo lang geleden schreef ik brieven in buien van euforie en wat ik vervoering zou durven te noemen. Muziek was dan een belangrijk element om dat enthousiasme aan te zwengelen. Het ritme van wat eerder bedoeld was als achtergrondmuziek bepaalde het ritme van mijn woorden, melodieën kregen contouren en stemmen kleur, en vonden zo de weg naar de zinnen die op het papier verschenen en gingen er deel van uitmaken.

Toch waren mijn epistels niet bepaald verheven. Ik schreef over alledaagse dingen, over wat er in ons huis en in de wereld gebeurde. Mijn leven had zin omdat ik wist dat ik deel was van een groter geheel. Lange tijd voelde ik mij sterk betrokken bij wat tegencultuur werd genoemd. Je herinnert je zeker nog hoe ik dat boek The Making of a Counter Culture van Theodore Roszak heb verslonden? Nu vind ik het moeilijk om de emoties die met dergelijke verwantschap en betrokkenheid gepaard gaan te beschrijven. Een voorbeeld: kwamen studenten in de Verenigde Staten op straat tegen onrecht, zoals naar aanleiding van de brutale moord door de National Guard op een aantal studenten aan de universiteit van Ohio, dan voelde ik mij met hen verbonden. Hun strijd was mijn strijd. De emoties die zich bij hen roerden, roerden zich bij mij ook, of dat vermoedde ik toch.

Nu is dat gevoel van verbondenheid er niet langer: een tegencultuur lijkt niet meer te bestaan, bij een politieke partij, hoe links ook, kan en wil ik me niet aansluiten, terrorisme keur ik af, punk en new wave vind ik oppervlakkig en modieus. Wat er nog aan opstandigheid overblijft lijkt me onecht, niet veel meer dan gestes en poses. Kijk maar eens naar de aansteller Johnny Rotten. Het vuur van de bezetenheid ontbreekt. Waar zijn de enragés? De punks zijn sympathiek maar omdat zij de cultuur in haar geheel lijken te verwerpen kan er van een ware verstandhouding tussen ons geen sprake zijn. Ik heb de indruk dat punks liever spuwen op boeken dan ze te lezen, al zullen er uitzonderingen zijn. Zij begrijpen mij niet en waarschijnlijk begrijp ik hen niet. Als punk al een beweging is dan is ze er een van onbezonnen anarchisten en nihilisten. Van punks hoef ik geen antwoord te verwachten op mijn vraag naar een nieuwe gemeenschap waar ik, zonder mijn eigenheid op te geven, deel van zou kunnen worden. Ik vermoed dat ik zal moeten leren leven met de geestelijke eenzaamheid die nu mijn lot is. Begrijp me niet verkeerd: ik heb heel wat vrienden die me veel geven en die veel voor me betekenen. Een groepje vrienden en genossen – om het woord van Hölderlin te gebruiken – vormt echter geen gemeenschap. [1]

Lieve vriendin, het spijt me dat dit allemaal weinig opbeurend klinkt. Ook al kan ik geen brieven meer schrijven zoek ik toch nog naar andere vormen van communicatie. Voorlopig zonder resultaat. Mijn literaire teksten zijn te ingewikkeld en te idiosyncratisch om ermee tot de andere – ook tot jou – door te dringen, om hem of haar deelachtig te maken aan mijn innerlijke wereld. Mijn vriend Giuseppe zegt al langer dat ik me wat dat betreft in een doodlopend straatje bevind, dat ik eenvoudiger moet gaan schrijven en bij misdaadauteurs zoals Raymond Chandler, Dashiell Hammett en Patricia Highsmith in de leer gaan. Ik weet het niet. Zeker wil ik uit deze toestand van apathie geraken. Ik wil koste wat het kost vermijden dat ik vast kom te zitten. Werken, schrijven dus, betekent samen met liefde en seks voor mij alles. Nee, dat is niet helemaal waar want ik verlang natuurlijk ook naar die andere, voorlopig onbereikbare gemeenschap. Ik wil me blijven verzetten tegen elke vorm van conformisme. Het grootste gevaar dat me bedreigt is berusting in een onleefbare toestand, die waarin het vonkje van de geest voor goed is uitgedoofd. Dat mag niet gebeuren. Het werk bij de filosofische kring Aurora kan me op weg helpen, maar ook daar zijn we geïsoleerd. Filosofen, schrijvers en kunstenaars in een stad van leeghoofden, dichters in een contrei van dronkaards.

Nietzsche in De vrolijke wetenschap: “Ik doe telkens weer dezelfde ervaring op, en ik verzet er me telkens opnieuw tegen, ik wil het niet geloven hoewel de bewijzen voor het grijpen liggen: het overgrote merendeel der mensen heeft geen intellectueel geweten; ik heb zelfs vaak de indruk gehad dat wie iets dergelijks zou willen eisen in de dichtsbevolkte stad zo eenzaam zou zijn als in de woestijn.”

Het ga je goed!

PS: Herinner je je Luc V. en Hilde nog? Vandaag trouwen ze. We gaan naar het feest en het zal nog maar eens een lange nacht worden. Vreugde in het hart en veel dode hersencellen.

[1]
Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
Friedrich Höldelin, Brot und Wein

DE VOORTREFFELIJKE VRIEND

Jeanne Hébuterne


[Nachten aan de Kant 32]

Ik moest weer een keer naar de flat in de Vinkenstraat. Voor de gelegenheid had ik mijn nieuwe regenjas van de Wolmolen aangetrokken, een vrouwenmodel en wat te klein maar wel mooi en – in onze situatie van groter belang – goedkoop. Giuseppe had mij gezegd dat hij een tijdje alleen wilde zijn, om te studeren; hij had rust nodig. Toch moest ik hem zien. Ik moest met hem praten. Ik had best wat vrienden maar alleen met Giuseppe was het soort diepgravend gesprek nodig waar ik nu naar verlangde. Gelukkig was Giuseppe opgetogen met mijn onverwacht bezoek. Toch bleef ik gespannen: zou ik niet weer een allergieaanval krijgen van het opgehoopte huisstof en de huidschilfers van de poezen van Giuseppe? Als ik onrustig ben en mijn zenuwstelsel verstoord is ben ik er meer vatbaar voor dan anders. De voorbije weken had ik mijn zenuwen zowel ’s nachts aan de kant als overdag in mijn werkkamer erg op de proef gesteld.

Giuseppe had bier voor ons ingeschonken en zat nu tegenover me. In zijn ogen zag ik die blije tristesse die zo typerend voor hem was. In zijn blik lag een onbereikbare verte en tegelijk kwam hij als hij je aankeek heel dicht bij je. Altijd weer vroeg ik me af of iemand met dergelijke eerlijke ogen wel geschikt was om op ons ondermaanse slagveld te overleven. Leven zonder meer, dat wel, maar vechten om wat je nodig hebt om het te behouden en te verrijken, dat mogelijk niet. Een moment viel ik ten prooi aan herinneringen aan de Schippersschool in Eisden. Ik dacht terug aan de twee zorgeloze jaren die ik daar in het mijnwerkersdorp dichtbij de Maas had doorgebracht. Giuseppe’s vader was er directeur geweest. Giuseppe – die drie jaar jonger was dan ik – leerde ik pas later kennen. De directeur was een zachtaardige en bescheiden man die zich liet manipuleren door een brutale vent, de internaatbeheerder, mijnheer Peyskens. De enige man die mij ooit een slag in het gezicht heeft gegeven. Giuseppe’s vader had dezelfde ogen als zijn zoon.

Ik vertelde mijn vriend over het memorabele concert van Patti Smith en haar band dat ik op televisie had gezien en over the J. Geils Band. Giuseppe had net Wave, de nieuwe elpee van Patti Smith, aangeschaft en daar luisterden we naar. Ik herkende enkele nummers die ze in Rockpalast had gebracht: Frederick, Dancing Barefoot en So You Want To Be A Rock And Roll Star. Het klonk allemaal wat braver en meer gepolijst dan de live-uitvoeringen die ik kort tevoren had gehoord. In de hoestekst schreef Patti Smith over het nummer van The Byrds dat ze er in de sixties niet gek op was geweest. “It seemed to say that in this field of honor, sooner or later, everybody gets hurt and I just didn’t believe it.” Op de hoes trof ik merkwaardige foto’s aan van de in 1978 vermoorde paus Albino Luciani en van Jeanne Hébuterne, de geliefde van Modigliani. I Did You No Wrong van the J. Geils Band onderbrak mijn kortstondige dromerij. Giuseppe had Ladies Invited van de beste band uit Boston op de platenspeler gelegd. Hij gaf me de hoes door. Volgens mijn vriend waren de ogen en de lippen die daarop te zien waren die van Faye Dunaway. Met haar had zanger Peter Wolf destijds een relatie gehad. Uitstekende plaat, afgrijselijke hoes, vond ik. En wat was er met Faye Dunaway gebeurd? Had zij na Chinatown nog iets noemenswaardg gedaan? The Eyes of Laura Mars was niet meer geweest dan veredelde kitsch. Ik vroeg me af of we ons misschien vergist hadden in haar acteertalent. Had haar schoonheid ons niet verblind?

Giuseppe was een nog grotere boekenliefhebber dan ik. Ook nu weer glunderde hij toen hij me zijn nieuwe aanwinsten liet zien: Robert Musils Der Mann ohne Eigenschafte, Virginia Woolfs Schrijversdagboek, enkele romans van Dostojewski, James Joyce, Thomas Hardy en Katherine Mansfield, de verzamelde gedichten van D.H. Lawrence.

Omstreeks middernacht was Giuseppe’s voorraad bier op. We besloten naar de Pallieter aan het Mechelseplein te lopen, het stamcafé van de studenten van Studio Herman Teirlinck. Als je mooie narcistische meisjes en jongens wilde observeren was dit de juiste plek. Ze kwamen er hun pas aangeleerde kunstjes tonen en wilden dolgraag een gesprek met je aanknopen over Konstantin Stanislavski, Peter Brook of Lee Strasberg. Niet vanavond echter. Giuseppe herinnerde me aan een brief van me waarin ik het over de vriendschap bij Aristoteles had gehad. Het was de mooiste brief die hij ooit van iemand had ontvangen, zei hij. Ik had daarin verwezen naar de uitspraak van Aristoteles dat een vriend een tweede ik is. Aristoteles maakt een onderscheid tussen drie soorten vriendschap: vriendschap gebaseerd op nut, op genot en wat hij de volmaakte vriendschap noemt, die tussen goede mensen, mensen die elkaars gelijken zijn op het stuk van voortreffelijkheid (wat ook als deugd wordt vertaald). “Hun vriendschap,” schrijft Aristoteles in de Ethica, “duurt dan ook voort zolang zij goed zijn; en voortreffelijkheid is duurzaam.” “Zo’n vriendschap is vanzelfsprekend duurzaam, want daarin zijn alle kenmerken verenigd die vrienden moeten hebben.” [1]
Giuseppe zei me dat ik zijn enige vriend ben. Het zou verschrikkelijk zijn mocht aan onze vriendschap een einde komen, voegde hij er nogal onheilspellend aan toe. Ik verwees opnieuw naar Aristoteles. Waren wij niet allebei voortreffelijke mensen? Waar moesten we dan bang voor zijn?

Giuseppe had onlangs in Playboy een interview met Sartre gelezen. Dat ging onder meer over diens amfetaminegebruik, wat Giuseppe fascinerend vond. Zelf keek ik ook wel op naar schrijvers die peppillen slikten, al was daar op zich geen enkele verdienste aan. Jack Kerouac, Tennessee Williams, Truman Capote… En waren Bob Dylans beste songs niet tot stand gekomen onder invloed van benzedrine? Giuseppe drong erop aan dat ik eindelijk Les Chemins de la liberté eens zou lezen. Ik was er al meermaals in begonnen maar had het boek nogal dor en langdradig gevonden. Veertig jaar later heb ik die trilogie nog steeds niet uitgelezen.
Mijn vriend vond dat het nu maar eens tijd werd dat ik ook een roman ging schrijven, die experimentele teksten in Aurora waren een doodlopend straatje. Ik betwijfelde of ik dat wel kon. Je moet dan een plan, een ontwerp maken en je daar vervolgens al schrijvend nauwgezet aan houden. Je moet personages bedenken, ze een innerlijk leven geven, een bepaalde manier van spreken, van zijn, je moet hun karakters uitdiepen en laten zien hoe ze zich in hun relaties met anderen en met de wereld ontwikkelen. Hoe ze betere mensen worden, of ten onder gaan. Je moet allerlei soorten mensen observeren, met ze praten, naar ze luisteren. Ik geloof niet dat ik dat allemaal kan. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, vanuit spontane opwellingen en onbewuste verlangens. Mijn geschrijf heeft een neurotische inslag, ik moet het doen om niet gek te worden. Of om me niet te vervelen. Al is het geen tijdverdrijf maar een innerlijke noodzaak. Omdat ik me in mijn schrijven soms laat gaan, waar die peppillen zeker een rol in spelen, heb ik achteraf een hoop werk om ballast te verwijderen, ik moet zoveel schrappen en herschrijven, structuur aanbrengen. Om een roman te maken moet je met die structuur beginnen.

Zo werd het zonder dat we het door hadden weer erg laat. Giuseppe wilde per sé de rekening betalen en gaf me meer dan voldoende geld voor een taxi. Ik zou toch dat hele stuk naar huis niet te voet afleggen?


[1] Aristoteles, Ethica, VIII-IX. Vertaald door Christine Pannier en Jean Verhaeghe.

Faye Dunavay in The Eyes Of Laura Mars

VADER, ZOON, VRIEND

[NACHTEN AAN DE KANT 29. MAART 1979]

Venez, venez vite
Je veux tout, mais tout de suite
Entrez dans ma danse
Moi je me balance, Georges Moustaki
[1]

Paul Rigaumont kwam ons een schilderwerkje brengen. Het heet De angst voor de verkorzeling en het is mooi en expressief, hoewel nog altijd een beetje in de stijl van Paul Klee. De schilder zegt dat het koude romantiek is. Ik weet niet goed wat hij daarmee bedoelt, maar als ik nog een keer, nu wat aandachtiger, kijk weet ik het wel. Paul gebruikt graag woorden als verkorzeling. Heeft het belang of dat woord niet bestaat in de Nederlandse taal? Nee, dat heeft geen belang. Het is een handschoenwoord. En wat dat dan is, een handschoenwoord? Dat moet je maar aan Paul vragen.

We verbleven drie dagen bij mijn ouders in Lanaken. Carnaval is het minst geschikte moment om daar naartoe te gaan. Al het lelijkste in de mens komt dan naar boven. Ik heb slechts één aangename herinnering aan dat verblijf. Ik herinner mij namelijk met genoegen de film La fiancée du pirate, een bescheiden maar giftig juweeltje (“poésie amère”) van Nelly Kaplan met in de hoofdrol één van mijn meest geliefde actrices, de sprankelende Bernadette Lafont. Marie, de dochter van een ‘dorpsheks’, besluit prostituée te worden. Ze verandert de hut waarin ze met haar moeder woont in een magisch bordeel en wreekt zich met de middelen die de natuur haar geschonken heeft, en de natuur is zeer mild geweest, op de dorpelingen, met hun hypocriete moraal.

Met mijn vader voel ik minder verwantschap dan met mijn schilderende koud-romantische vriend. Ik wil niet op hem lijken. Ik wil elke band met hem verbreken, zelfs de genetische. Mooie fantasie! Onmogelijk dat je niet op je vader lijkt, hoezeer je je ook inspant om volstrekt van hem te verschillen. Maar mogelijk kun je met een krachtige, volgehouden inspanning van de wil er geleidelijk aan toch minder gaan uitzien als hij en uiteindelijk een andere mens worden. Over tien, twintig jaar nog eens in de spiegel kijken. [2]

Vandaag ging ik even bij de dokter langs om iets over de toestand van mijn longen te vernemen. Die is erbarmelijk, maar het gaat al beter, meneer Pulaski, zei de welwillende dokter Clerckx. Beter, het zal wel zijn als ik nacht op nacht in rokerige kroegen en vochtige punkkelders zit, waar het stinkt naar pis en zweet – en soms bloed.
Thuis zat Paul Luyten op me te wachten. We hadden elkaar sinds december niet meer gezien. Paul heeft nu een dikke snor, waardoor hij enigszins op Nietzsche lijkt. In Pauls leven is er op die drie of vier maanden veel veranderd. Hij woont nu in Gent, waar hij een boekwinkel heeft overgenomen. Zijn plannen voor een loopbaan als acteur of als regisseur heeft hij opgegeven. Hij beweert dat hij onvoldoende talent heeft, waar ik het niet mee eens ben. Hoewel ik hem nooit heb zien acteren of regisseren. Het is intuïtie. Ik herken me in dat soort van zelfonderschatting en wegvluchten in bescheidenheid. Die is helemaal niet gespeeld of vals. Paul is uitermate intelligent en een van de meest integere mensen die ik ken. Ik weet niet wat ik van deze beslissing moet denken. Welke toekomst staat hem te wachten? Wordt hij een kleine zelfstandige, een zakenman? Hij klinkt niet erg enthousiast. Maar beter boekhandelaar dan slager of klaploper – of eeuwige amateur en grote belofte zoals ik. Veel geluk Paul, het komt allemaal goed.


[1] Een liedje uit de soundtrack van de film La fiancée du pirate, gezongen door Barbara.
[2] Deze aanmerkingen over mijn vader dateren van 1979. Later is mijn verhouding met hem beter geworden. Sindsdien heb ik al lang aanvaard dat ik op hem lijk en dat daar niets mis mee is.

STAMGASTEN

[NACHTEN AAN DE KANT 28. MAART 1979]

Een paar dagen na de openbaring van Charles Bukowski zat ik met enkele vrienden in het Pannenhuis. Dat was nu een vertrouwd toevluchtsoord geworden. Senga en ik waren eerst in de Cartoons, een kleine bioscoop voor cinefielen in de Kaasstraat, naar The General, het meesterwerk van onze uitverkoren komiek Buster Keaton gaan kijken. Het is tot op vandaag een van mijn meest geliefde films. Na de voorstelling liepen we in stilte over de Grote Markt, die ik altijd al zoveel mogelijk probeerde te vermijden omdat de onregelmatige vorm ervan me neurotisch maakt. De Brabofontein van Jef Lambeaux leidt me evenwel soms in bekoring, en dan kan ik maar moeilijk aan de neiging weerstaan om erop te klimmen. Dat deed ik niet: we sloegen de Kaasrui in en liepen via de Wijngaardstraat naar het Conscienceplein, het hart van de Kant.

In het café van Greta en Toulouse troffen we Guillaume en Renée aan, haar zus Chantal en haar vriend Gazoe. We waren met z’n allen in een ernstigere stemming dan meestal het geval is. Senga vertelde wat over The General, hoe teleurgesteld Buster Keaton was geweest over de negatieve reacties. De film had destijds helemaal geen succes gehad, recensenten vonden er niets grappigs aan. Mijn vriend Guy Bleus had bij hem thuis in Wellen een grote poster van Buster Keaton hangen. Buster was voor hem een lichtend voorbeeld. Na een paar glazen bier en wijn werd de sfeer wat losser, zoals dat wel vaker gebeurt. Gazoe was onder de indruk van Voyager 1, die net Jupiter had bereikt. Renée merkte op dat die raket sneller op Mars geraakt dan Gazoe met zijn bestelwagentje van in de Wolstraat tot aan de Dageraadsplaats. Gazoe had gelezen dat de Voyager muziek aan boord had, maar wist niet meer wat precies. Ik had er een lijstje van gezien en had een nummer van Chuck Berry, Dark Was the Night van Blind Willie Johnson en een van de Brandenburgse concerten van Bach onthouden. Renée vroeg zich af of er geen Jupitersymfonie was meegestuurd. Gazoe stelde zich de Jupitermannetjes en -vrouwtjes voor, luisterend naar No Particular Place to Go. Senga zat nog met Buster Keaton in het hoofd. Die zag ze nog niet meteen dansen op de rock and roll van Chuck Berry. Zelf dacht ik opeens aan Worstenman VDB: die vetzak heel zeker niet. Chantal wees erop dat er nog een stel varkens losliepen aan de Franse grens. Of die varkens al dan niet konden dansen, dat wist Guillaume, die al een hele tijd had gezwegen, nog zo maar niet. Hij vond dat Bruce Springsteen erbij moest zijn in die raket, een hedendaagse versie van Chuck Berry. Onlangs, tijdens een televisieavond bij Guillaume en Renée, hadden Senga en ik de zanger uit Asbury Park voor het eerst live gezien. Ik had hem geweldig gevonden. Springsteen was inderdaad, zoals Jon Landau beweerde, de herboren ziel en de toekomst van rock & roll. Hij laat het poppeloton ver achter zich, hij is een Fausto Coppi, een Eddy Merckx, niemand haalt hem nog in. Guillaume herhaalde nu hoe fantastisch hij hem vond, een blanke James Brown, en dan nog eens die briljante E-Street Band met hun aanstekelijke jive. Dat ritme, tsjak tsjak tsjak! Ik kwam helemaal op dreef. Ik zag in hem een positieve held, iemand die ons zowel opwinding als moraal brengt. Hij houdt zijn publiek voor wat een goed leven is. Je kunt niet zomaar als een blinde leven, je moet een droom hebben, een ideaal dat je moet proberen te verwezenlijken. Guillaume vreesde dat ik te ernstig werd. Voor hem was de zanger net zo goed een hansworst, een poesjenel, een clown, een rondreizende predikant en een verleider. Ja, een gunslinger bovendien, voegde ik eraan toe. Guillaume was in zijn nopjes nu Bo Diddley ter sprake kwam. Bo Diddley was een van zijn oude helden. Die rechthoekige rode gitaar van hem, dat was voor Guillaume pure popart. Niet toevallig dat Peter Blake hem heeft geschilderd, vond hij. Fantastisch werk, beaamde Renée. Bij de uitvoering van Rosalita deed hij me aan Dean Martin in Rio Bravo denken. Waarom weet ik eigenlijk niet en hij heeft al helemaal niets van een borrachón. Gazoe riep uit dat hij, Gazoe, hier de borrachón was. Renée was dan weer van mening dat Springsteen niet alleen maar een held en een moralist was maar in de eerste plaats een vuile rock & roller. Daar waren we het allemaal mee eens.
Senga vertelde dat François en Astrid hun schip hadden verkocht en nu aan de wal woonden. Ze hebben in Hoeselt een café overgenomen. Chantal vroeg zich af waar dat ergens was, Hoeselt. Ik wees naar een onzichtbare kaart van België en zei dat Hoeselt een stadje in Limburg is, niet ver van Bilzen. Die Derby, dat komt door mijn schoonzus, een meisje van de wal. Ze was het leven aan boord zo beu als koude pap. En nu zitten ze daar in dat dorpscafé. Als dat maar goed afloopt. Het lijkt me zo’n typisch stamcafé voor leeglopers en zatlappen. Borrachóns, riep Gazoe uit. Senga merkte op dat er toch maar een jukebox stond, een Seeburg nog wel, en dat wij er onlangs een keer geweest waren en hadden gedanst op Da Ya Think I’m Sexy. Rod Stewart!, lachte Renée. Guillaume, de ware familieman, dacht dat het allemaal wel goed zou komen met Astrid en François en zei dat hij ons bij een volgende gelegenheid wat reproducties van Peter Blake zou laten zien. Vervolgens liep hij, statig en als altijd geheel in het zwart, naar de toog en bestelde bij Greta, die in een pocket zat te lezen, waarschijnlijk misdaad, nog een rondje.

Het was al laat toen ik aan diezelfde toog in gesprek raakte met Maria Mentens. Eigenlijk was het voornamelijk luisteren wat ik deed. Maria vertelde over haar vader, Michel Mentens. Hij was ambtenaar van beroep maar had eigenlijk acteur willen worden. Hij had een zwak voor kunstenaars, meer nog als ze jong en idealistisch waren. Geborneerde types vervullen hem met weerzin. Dat eerste had ik een paar jaar eerder zelf ervaren in Doorndal, een jeugdhuis in Sint-Pieters Woluwe, waar we mijn toneelstuk Dr. Jekyll & Friedrich Nietzsche hadden opgevoerd, met Senga in de rol van de Egyptische buikdanseres en prinses Mumie Ma. Ik had haar willen inwikkelen in witte linnen zwachtels. Daar zouden we haar tijdens het hoogtepunt uit bevrijd hebben, om het publiek met haar naakte Egyptische schoonheid uit het veld te slaan. Daar was niets van terecht gekomen: Senga was te schuchter geweest en bovendien heb je voor zo’n inwikkelproces 375 vierkante meter stof nodig en duurt het ongeveer veertien dagen. We moesten realistisch blijven: het stuk ging niet eens over een Egyptische prinses. Michel Mentens was erg enthousiast geweest en had me aangemoedigd. Mijn vader heeft veel respect voor acteurs en alles wat met theater te maken heeft, zei Maria. Voor hem maakt het niet uit of je beroemd bent of niet. Hij ziet meteen of wat je doet uit het hart komt. Heb je hem nooit bezocht in het huis aan Mooi Bos, vroeg ze. Helaas niet, zei ik. Senga en ik zijn kort na die voorstelling naar hier verhuisd. Misschien waren we toch beter in Brussel gebleven. Nee hoor, zei Maria, hier is het veel beter. Alleen al voor deze kroeg zou ik naar Antwerpen verhuizen. In Brussel staan ze nu uren voor jou in de kou, zei ik. Zot, zei Maria. Opeens kreeg ik zin om haar te kussen. Maar we hingen aan de toog en Toulouse en Greta hadden er duidelijk genoeg van. Tijd om te vertrekken uit de Kant.

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

[NACHTEN AAN DE KANT 27]

Waarom die lange nachten zonder slaap? Vrees je dat je anders te weinig uit het leven zal halen? Het moet angst voor de dood zijn, of de vrees voor een te kort leven. Je wilt elk ogenblik bewust ervaren. Zelfs tijdens een roes wil je je hoofd niet verliezen. To be alive is to be awake, stelde Henry David Thoreau lang geleden al vast. Slaap is niet de broer van de dood, het is de dood zelf.
Je was niet de enige die dacht dat je op je 27ste aan je einde zou komen. In 1969 Blankenberge lag je tezamen met vijf of zes hippies op de grond of op een bed in een voor de rest lege kamer boven een café. Een van je Brusselse kameraden lachte toen hij je een joint doorgaf. Jij hebt toch astma, Martin, ha ha, jij eindigt nog zoals Brian Jones. Brian Jones was kort tevoren, en niet lang nadat Mick Jagger en Keith Richards hem zijn ontslag als Rolling Stone hadden gegeven, op zijn 27ste overleden. Brian Jones, die the Rolling Stones had opgericht en de groepsnaam had bedacht. Je lachte zelf ook. Het was de eerste keer dat je hasjiesj rookte. Je verdween in een droom, daartoe ook nog eens aangespoord door A Saucerful of Secrets van Pink Floyd. Behalve een bed, of mogelijk twee bedden, stond er in die Blankenbergse kamer dus ook een platenspeler, en mogelijk zelfs een kastje, waar die platenspeler op rustte.

Hoe moe ik ook ben, toch kom ik uit bed: ik moet werken, schrijven. Gisteren ben ik met Giuseppe naar de bioscoop geweest. We zagen, een beetje tegen mijn zin, Sisters van Brian De Palma. Ik ben niet meteen een liefhebber van het horrorgenre, een van de weinige smaakverschillen met mijn vriend. Voor mij was het een merkwaardige ervaring. De film was meeslepend en mysterieus maar ik vond hem ook wat amateuristisch. Heb je werkelijk zoveel referenties naar andere films – in dit geval naar die van Alfred Hitchcock – nodig als je zelf een authentiek regisseur bent? Ook het thema van de Siamese tweeling / schizofrenie vond ik vergezocht. Na de film liepen we zwijgend naar Giuseppe’s flat in de Vinkenstraat. Hij zal ongetwijfeld geweten hebben dat ik niet zo had genoten van de film en ik had geen zin om mijn bedenkingen uit te spreken. Je moet elkaars voorkeuren en afwijkingen respecteren. Bij hem thuis dronken we een paar glazen bier. Giuseppe is een bewonderaar van Charles Bukowski. Ook daarin verschillen we enigszins van smaak. Bukowski is een uniek dichter en schrijver maar zijn directe stijl ligt me niet zo, al vind ik hem als vieze oude man wel een fascinerend personage. Giuseppe nam het bijzonder mooi uitgegeven boek Love is a dog from hell van de salontafel en las enkele fragmenten voor.

there’s no chance
at all:
we are trapped
by a singular
fate.

nobody ever finds
the one.

Hij las meer dan dat. Hij las het grappige cockroach, het bitterzoete who in the hell is Tom Jones en het trieste 462-0614 en hij las zo lang tot ik er niet meer onderuit kon: Charles Bukowski is niet alleen een dirty old man maar ook een erg begaafde en inventieve dichter. Met de echo van zijn eenvoudige veelzeggende woorden en beelden in mijn hoofd keerde ik naar huis terug waar mijn geliefde zeker al lag te slapen.

DE TIJD IS UIT ZIJN VOEGEN

[NACHTEN AAN DE KANT 25]

Na de voorstelling van de films van James Scott in het Filmhuis trokken we met Luc en zijn vriendin Mathilde naar het Pannenhuis om de woelige beeldenstroom tot stilstand te brengen en ook wel om onze voeten te verwarmen. Vooral hadden we bier of andere drank nodig, om onze geesten te verlevendigen en onze speekselklieren te stimuleren waarna we elkaar al pratend met wetenswaardigheden en onbenulligheden uit het lood konden slaan, maar meer nog, denk ik, om elkaar te troosten want het was een tijd dat we nog om elkaar gaven en geen hardvochtige plannen maakten om Antwerpen of zelfs de wereld te veroveren. 1979 was geen jaar van ieder voor zich en god tegen allen en wat dat betreft vielen de daaropvolgende jaren ook nog mee. Als gevolg van de crisis waren het veeleer sombere dagen maar door de kieren viel veel warm licht naar binnen. Alsof je opeens een vertrouwde melodie hoorde, zoals dat af en toe als je rondslentert in een vreemde stad gebeurt, die je ziel in verrukking bracht. We gingen aan een tafeltje zitten en al spoedig kregen we gezelschap van verwante zielen en werd het een levendige boel.
Luc zei dat het onlangs een half uur had gesneeuwd in de Sahara. De tijd is uit zijn voegen, O, vervloekt spel, dat ik degene moet zijn die het herstelt, zei Mathilde. Van wie is die vertaling, Mathilde, vroeg ik. Dat moet ik morgen in de bibliotheek eens nakijken, zei Mathilde. Hebben jullie onlangs Boxcar Bertha gezien, vroeg Eddie D. Jazeker, zei Senga, met die sexy Barbara Hershey in de titelrol. Ik geloof dat ze de hele film lang geen ondergoed aan heeft, zei ik. Dat meen je niet, zei Mathilde. Toch wel, zei Senga, af en toe zie je zelfs haar blote kont. Wanneer dan, vroeg ik. Als ze achter zo’n goederenwagon aanloopt, zei Senga. En hoe zit het met de blote kont van David Carradine, vroeg Eddie. Die is me niet zo opgevallen, zei ik. Roger Corman is een geweldig producer, zei Luc, hij staat altijd garant voor seks, sentiment en stijlvol bloedvergieten. En Martin Scorsese voor schoonheid, al moest hij in 1972 nog wel wat leren, zei ik. Ik houd van die wereld van hobo’s, zei Senga, ze bezitten niets en toch zijn ze redelijk gelukkig. Toen ik nog heel jong was droomde ik ervan om zo’n hobo te worden, zei ik. Dat kwam door een boek van Jack London dat ik gelezen had, Tussen de wielen, de Engelse titel heb ik nooit geweten. Dan was je nu al dood, zei Eddie. Wie is toch die Ayatollah Khomeini die nu aan de macht is in Iran, vroeg Mathilde. Een godsdienstwaanzinnige, dacht ik, maar ik zei het niet hardop. Ik moest denken aan die song van the Who, Won’t Get Fooled Again. And the parting on the left / Is now parting on the right / And the beards have all grown longer overnight. De tijd is uit zijn voegen, zei ik. Drinken jullie er nog een, vroeg Eddie. Zeker, antwoordden we unisono.
Op die ongeremde wijze mengden onze stemmen zich met het gerinkel van de glazen en het rumoer van de andere drinkers in het café en met de muziek die Toulouse niet al te luid had gezet, maar waar we af en toe toch een glimp van opvingen en die dan mee onderwerp werd van ons gesprek. Tot we ongedurig werden en onze voeten als betoverd in beweging kwamen: Cinderella’s Ballroom wenkte ons, we moesten ons gaan overgeven aan de roes van de dans. Aan meer opzwepende klanken dan die in het Pannenhuis, aan die van dj Maryse. Senga had niet voor niets haar rode schoenen aangetrokken. Soms leek het wel of ze vastgegroeid waren aan haar voeten.



Foto: Martin Pulaski

DE BEKLIMMING VAN BRABO

4-29-2013_074janvv

[NACHTEN AAN DE KANT 22]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979  2de deel: 1 juli tot 31 december.

7 7 1979 Nosferatu: Phantom der Nacht van Werner Herzog. Drinken en roken. Jan V. en Bie zonderen zich af. Ik blijf enkele dagen in bed.

9 7 1979 Over Badlands van Terrence Malick.

10 7 1979 Aankoop van stiletto’s. Voorbereidingen voor een reis naar de Provence en de Camargue. Bezoek van Willy Boy en Paul Luyten. Verhaal van het poesje.

29 7 1979 Terug in Antwerpen. Geschiedenis van het konijn.

5 8 1979 Blackout in het appartement van Giuseppe.

7 8 1979 In Brussel. Days of Heaven van Terrence Malick. Country en rock op de Grote Markt in Brussel: Commander Cody and His Lost Planet Airmen en Elliott Murphy.

8 8 1979 Een hongerloon. Het Land van de Grote Belofte van Andrej Wajda.

9 8 1979 Drie vragen van Ria Pacquée. De kleine Elias.

14 8 1979 Over Ernst Jünger.

16 8 1979 Verkeerde interpretatie van ‘Taferelen van onverschilligheid’.

24 08 1979 Jean-Paul Dollé. Beschouwingen over Last tango in Paris van Bernardo Bertolucci.

25 8 1979. Een merkwaardige brief van Guy Bleus. Waanzin? Gevoel van leegte na het vertrek van Jesse.

1 9 1979 Een horrordroom. H.C. Ten Berge.

2 9 1979 Doodservaring. Een lijk in de kelder bij de Filosofische Kring Aurora.

4 9 1979 Bob Dylans Slow Train Coming.

5 9 1979 Over Rainer Maria Rilke. Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge en Duineser Elegien. Immanuel Kant en Thomas De Quinceys Last days of Immanuel Kant.

6 9 1979 Céline et Julie vont en bateau van Jacques Rivette. De dubbelganger.

7 9 1979 De hartspecialist.

7 9 1979 L’année dernière à Marienbad van Alain Resnais en Alain Robbe-Grillet. Een avond met Max en Ginette.

8 9 1979 Enkele beschouwingen over Talking Heads en enkele andere jonge bands.

11 9 Over de negatieve aspecten van benzodiazepines.

12 9 Over ziekte en vergankelijkheid. Jobs identificatie met Jezus Christus.

13 9 1979 De huisarts dokter Debaene. Effi Briest van Rainer Werner Fassbinder, een meesterwerk. Café De Volle Maan. Herinneringen aan de eerste dagen en nachten met Senga. Hilde Van M. In café de Cereus met Giuseppe.

14 9 1979 Cultiveer ik het schrijverschap? Over Een brief lezen in de metro in het NVT.

15 9 1979 Over Chinesisches Roulette van Rainer Werner Fassbinder.

16 9 1979 Seks, angst en dood.

19 9 1979. Dokter Clerckx, longarts.

20 9 1979 Zoeken naar iets in plaats van niets (Find myselfs a city to live in).

26 9 1979 Verkoop van het Dolfijnhuis.

1 10 1979 Over Engelen, Emmanuel Swedenborg en William Blake.

2 10 1979 In het Rivierenhof. Samuel Becketts Murphy. Verkoop van de zwarte leren jas van Senga. Een nacht in Cinderella’s Ballroom. Captagon.

4 10 1979 Droom over Charles Gounod en andere muziek.

8 10 1979 Beschouwingen over Mes petites amoureuses van Jean Eustache, Proust en Rimbaud.

10 10 1979 Southside Johnny & the Asbury Jukes in AB Brussel.

11 10 1979 Bezoek van mijn ouders en broer. De erfenis van tante Ellie.

14 10 1979 Utamaro’s wereld.

17 10 1979 Een droom. Op het kerkhof. In het labyrint van Orpheus en Renée.

18 10 1979 Violette Nozière van Claude Chabrol. Oedipus. Gedichten van André Breton, Benjamin Péret en Paul Eluard. Bij Aurora voorbereiding van een poëziemanifestatie.

violette3

19 10 1979 Op zoek naar een nieuwe woonst. Een bezoek van dokter Debaene.

20 10 1979 ‘Huwelijksparty’ (performance) van Guy Bleus in het Pannenhuis. Tequila. Wat is lijden?

24 10 1979 Met Paul R. naar een lezing van Marcelin Pleynet. Théorie de l’art moderne. Een avond van bezinning in het Pannenhuis.

25 10 1979 Lamorinièrestraat 213: Een nieuwe woning gevonden. Jammen met Jimi Hendrix.

27 10 1979 Poëziemanifestatie van Aurora in het Filmhuis. Lovende woorden van de dichter Eldert Willems.

30 10 1979 Jesse op vakantie bij ons. Jesse en Vera organiseren een feestje. Een cheque van mijn moeder. Pannenkoeken eten. Voorlezen uit Jack London.

11 1979 Met Jesse naar Abba in Vorst Nationaal. Een bizarre rit met de taxi.

6 11 1979 De kleine Paul eet verf. Over Die linkshändige Frau van Peter Handke.

linkshandige frau

8 11 1979 Droom van de zwarte zon. Gesprek met Eddy Devos over de zon van Vincent Van Gogh, psychotherapie en over Wozzeck van Alban Berg en Büchner.

9 11 1979 Over mijn moeilijke vriendschap met Job. Gesprek over filosofie en literatuur.

10 11 1979 Annie Reniers over het nihilisme. De tijdelijkheid.

12 11 1979 Senga en ik nodigen Giuseppe en zijn nieuwe vriendin Anna uit voor een etentje. Om 4 uur ’s nachts met zijn vieren naar Cinderella’s Ballroom.

13 11 1979 Over Cul-de-sac van Roman Polanski en Days of Heaven van Terrence Malick.

15 11 1979 Teleurstelling en woede. Zwaar aan de drank in het Pannenhuis, met Wout Vercammen en Walter Van Rooy. Verzoening met Wout Vercammen.

16 11 1979 De Staat als grondslag van de Vrijheid, voordracht van Leopold Flam. Performance van Ria Pacquée in Ruimte Z. Een nieuwe beat generation? Met Guy Bleus naar Pannenhuis en Cinderella.

17 11 1979 The Kinks in Vorst Nationaal. Beschouwingen over The Kinks, massa en agressie.

23 11 1979 Euforie met Giuseppe, Anna en Senga in de Muze en de Kroeg. Oeuvres Complètes van Antonin Artaud.

29 11 1979 Verhuis naar de Lamorinièrestraat. Ware Vriendschap.

1 12 1979 Opening tentoonstelling van werk van Guy Bleus bij Filosofische Kring Aurora.

12 12 1979 Over Apocalypse Now van Francis Ford Coppola.

13 12 1979 De geschiedenis van een tafel. Het leven een droom. Een cadeau van Senga: Something Else by the Kinks.

kinks-something2

14 12 1979 Paul Rigaumont over De verwijdering. Met ons groepje en Flam naar café des Arts. Later een heerlijke nacht in Cinderella’s Ballroom met schitterende muziekkeuze van Maryse.

18 12 1979 La Luna van Bertolucci. Senga slikt een hoge dosis efedrine (Alfavit), een middel tegen astma.

20 12 1979 Dwaze nacht in het Pannenhuis en de Skipper. Met Walter Van Rooy en Guillaume Bijl. De beklimming van Brabo.

31 12 1979 Herinneringen aan de laatste dag van 1969. Wedergeboorte. De beste albums van het afgelopen decennium.

98 antwerpen1978horizontaal

LOOKING FOR MS. AND MR. GOODBAR

Buster-Keaton-Marion-Mack-The-General

[NACHTEN AAN DE KANT 21]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979. 1ste deel: 1 januari tot 30 juni.

““’He could not live with himself.’ It was just a phrase, but an exact one. Under the pressure of Power, the self cracks and splits. The public coward lives with the private hero. Or vice versa. Or, more usually, the public coward lives with the private coward. But that was too simple: the idea of a man split into two by a dividing axe. Better: a man crushed into a hundred pieces of rubble, vainly trying to remember how they – he – had once fitted together.”
Julian Barnes, The Noise of Time

Om mijn terugblik op onze eerste jaren in Antwerpen en vooral op de nachtelijke zijde daarvan meer samenhang en context te geven volgt hier (en in de volgende afleveringen) een beknopte opsomming van relatieve hoogtepunten van 1979 – die ook in dit geval dieptepunten konden zijn. Ik probeer de aandacht vooral op het Pannenhuis te richten maar net als voor 1978 moeten sommige voorvallen bij ons thuis of op andere plaatsen ook worden vermeld. Vergeet daarbij niet dat er geen nacht is zonder dag en dat alle herinneringen tegelijk waarheid en verzinsel zijn. Wat jij zegt had ik zelf net zo goed kunnen zeggen, en vice versa.

4 1 1979 Huiselijke taferelen in het Dolfijnhuis. Op droog zaad. Robert Falcon Scott.

7 1 1979  Ziekte van Senga. Bezoek van moeder, Guillaume Bijl en Anton. Een nacht in café De Gnoe.

12 1 1979 Opening in het Pannenhuis van de tentoonstelling Termen, werk van Leo Steculorum. Gesprek met Paul Rigaumont over kunst en kunstkritiek. Ontmoeting met Wout Vercammen.

17 1 1979 Met Guy Bleus naar Quick en Pannenhuis. Gesprekken met Luc Van Tendeloo en Ria Pacquée over Jabberwocky en Aguirre, der Zorn Gottes. Een droom over een hels concert en Geheime Agenten.

24 1 1979 Opgeklaarde hemel. Project van de Filosofische Kring Aurora goedgekeurd voor het Bijzonder Tijdelijke Kader. Kleuren tegen die bleierne Zeit.

29 1 1979 Laatste nieuws (over amokmakers): John Travolta, Patricia Hearst, Brenda Spencer. Stijl. Droom van Marina di Pisa.

8 2 1979 Dwepers. Bij Wim Meewis de zachtmoedige schrijver. Café Tivo. Een nacht in de kroegen met Giuseppe. Warren Oates, Monte Hellman en Sam Peckinpah. Millie Perkins. Ervaring van stilstand en het opene in het Stadspark.

monte_hellman_Shooting_07_blu-ray_

14 2 1979 De dood van Jean Renoir. Lectuur van Nietzsches De vrolijke wetenschap en van Die Blendung (Het Martyrium) van Elias Canetti.

17 2 1919 Kunstfilms van James Scott. Over popartkunstenaar Richard Hamilton.

19 2 1919 Droom van een tentoonstelling in het Pannenhuis: EAT ART.

22 2 1979 Met Giuseppe naar Sisters van Brian DePalma. Giuseppe’s fascinatie voor horror. Giuseppe leest voor uit Charles Bukowski’s The Days Run Like Horses Over The Hill.

26 2 1979 Mijn broer François en mijn schoonzus Astrid zeggen de scheepvaart vaarwel en openen café Derby in Hoeselt. Jukeboxmuziek. Dansen op Do Ya Think I’m Sexy van Rod Stewart.

28 2 1979 Bij Pax Christi voor een job. Wat is polemologie? Wandeling in oude Antwerpse straatjes. De schoonheid van straatnamen.

2 3 1979 In Cartoons The General van Buster Keaton. Nacht in het Pannenhuis met Chantal Strubbe, Renée Strubbe, Gazoe en Guillaume Bijl. Maria Mentens vertelt me uitgebreid over haar vader, de mensch Michel Mentens. Ongewild parasitisme.

6 3 1979 Bezoek van mijn vriend uit Sint-Joost, Paul Luyten. Paul woont nu in Gent en runt een boekwinkel (Walry). VDB is formateur en heeft een Plan. Aan de Franse grens lopen massa’s varkens op straat. Voyager 1 bereikt Jupiter.

11 3 1979 Televisieavond bij Guillaume en Renée. Bruce Springsteen live: Eddy Merckx/Fausto Coppi van rock & roll. La Notte van Michelangelo Antonioni. Problemen van de hedendaagse literatuur.

23 3 1979 Shoppen met stijl. Regenjassen van De Wolmolen. Met Paul Luyten naar de film Sybil van Daniel Petrie. In het Pannenhuis en Gard Sivik.

1979-1980-aurora 5 001

27 3 1979 In het Pannenhuis tentoonstelling/performance van Guy Bleus: Diploma’s/Smell Art/Mail Art. Diploma’s te koop.

2 4 1979 Een vervelend misverstand. Mislukte voordracht over Dantes Paradijs. Een probleem genaamd ironie.

4 4 1979 Tentoonstelling Frans Gentils in Pannenhuis. Rhythm & Blues Party. Dans als ziekte en als doodsverlangen. Marcia Trionfale van Marco Bellocchio.

24 4 1979 Opening van Guillaume Bijls tentoonstelling ‘Autorijschool Z’ in Galerij Z. Met Senga, Bie DM en Giuseppe. In St-Katelijne Vest geknield en gebeden voor het beeld van Jezus Christus.

25 4 1979 Televisieavond bij Guillaume Bijl en Renée Strubbe. Patti Smith in Rockpalast: hogepriesteres van rock & roll. So You Want To Be a Rock and Roll Star?

01  Rock ‘n’ Roll Star
02  Hymn
03  Rock ‘n’ Roll Nigger
04  Privilege
05  Dancing Barefoot
06  Redondo Beach
07  25th Floor
08  Revenge
09  Wave
10  Pumpin’ My Heart
11  7 Ways Of Going
12  Because The Night
13  Frederic
14  Jailhouse Rock
15  Gloria
16  My Generation

28 4 1979 Met Giuseppe in café Pallieter op het Mechelseplein. Gesprek over muziek en literatuur, Sartre, schrijven onder invloed van amfetamine. In het Pannenhuis ruzie met Job.

8 5 1979 Paul Rigaumont toont me werk van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Veličković, geboren in 1936 in Joegoslavië (nu Servië). Margaret Thatcher is de eerste vrouwelijke premier van Groot-Brittannië.

Vladimir VELIKOVIC2

10 5 1979 De dood van Louis Paul Boon.

16 5 1979 Gedachten over punk, onverschilligheid en gemeenschap. Eenzaamheid als wapen. Nog meer  Vrolijke Wetenschap.

17 5 1979 Achterhaald radicalisme van enkele kameraden. Schranderheid die domheid blijkt te zijn.

20 5 1979 Moeilijkheden met conversatie en het formuleren van ideeën.

23 5 1979 Droom over de dood van David Bowie.

30 5 1979  Genereuze vrienden – Nieuw Vlaams Tijdschrift – Wim Meewis revisited.

1 6 1979 Enkele woorden over Ezra Pound. Mijn verhaal ‘Een brief lezen in de metro’ gepubliceerd in NVT.

11 6 1979 De blijde intrede van Bie De Meulenaere.

12 6 1979 Over boeken en schoenen.

15 6  Met Senga en Bie naar Looking for Mister Goodbar van Richard Brooks. Paul Rigaumont begint met olieverf op groot doek te schilderen. Zelfmoord van Jean-Louis Bory.

21 6 1979 Dood van Nicholas Ray. Verhalen van Eddy Devos uitgegeven door Aurora. Gedichten van Tonko Brem alias Antoon Van den Braembussche.

27 6 1979 Met Senga en Bie DM naar Dylans Renaldo en Clara (opnieuw).

29 6 1979 Opening van tentoonstelling van Walter Van Rooy in Pannenhuis. Met Bie en haar zus Leen in het Pannenhuis, de Muze, de Mok en de Kroeg. Poesjes ontdekt in de kelder van het Dolfijnhuis.

goodbar2

 

DE NIEUWE GIDS

La_Barque_de_Dante_(Delacroix_3820)

Van alle cafés waar ik ooit kwam heb ik aan het Pannenhuis de beste herinneringen, ook al beleefde ik extatische momenten in Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag. Daar heb ik net zo goed fijne herinneringen aan, maar ze zijn vager dan die aan het Pannenhuis. Wellicht omdat ik in Cinderella’s Ballroom voornamelijk voor de muziek kwam, en om te dansen.

Zo begon op 5 november 2019 deze reeks, eerst met als titel Nachten in het Pannenhuis, later als Nachten aan de kant. Mijn bedoeling was de sfeer van het Antwerpse nachtleven in de periode 1978-1982 op te roepen en enkele vrienden en kennissen uit die tijd uit mijn eigen vergetelheid naar boven te wroeten.
In dit verhaal – dat vrij lang werd onderbroken –  ben ik nu aan het 21ste hoofdstuk aangekomen. Mijn eindbestemming is nog niet in zicht. Een aantal van de nachtelijke vrienden van vroeger is wel al vrij uitgebreid aan bod gekomen: Guillaume Bijl, Renée Strubbe, Leo Steculorum, Jos Dorissen, Agnes alias Senga, Guy Bleus, Flor Van Tendeloo, Brigitte van Cleynenbrogel, Gabriëlla Boonen, Max Borka, Johnny Pappas, Ria Pacquée, Paul Rigaumont, “Anton”, Dominique, Wout Vercammen. Maar een behoorlijk aantal protagonisten moet zeker nog voor het voetlicht treden. Ik wil hierbij verduidelijken dat het mij hoofdzakelijk te doen is om wat ik nachtvrienden noem. Mijn vrienden van overdag, degenen die ik ’s nachts zelden ontmoette, en mijn familie, waaronder mijn zoontje, komen maar sporadisch in beeld. Niet omdat ik hen geen warm hart toedraag, integendeel. Alleen leken het wel aparte werelden (die soms wel eens konden samenvallen).

Nachten aan de kant is zonder dat ik het wilde in verschillende richtingen uitgewaaierd; samen hebben we ons op soms overwoekerde zijpaden begeven. Af en toe leek onze nieuwe omgeving op een donker woud. Moeilijk om daar weer uit te raken, zeker als het midden van je levensweg al ver achter je ligt.  Voor een onderneming als deze – noem het een reis in de tijd – heb je een gids nodig, een nieuwe Vergilius, die kennis heeft van popmuziek, Europese literatuur, filmkunst, theater, dans, iemand die het nachtleven van omstreeks 1980 kent. Niet alleen dat, deze Vergilius moet je eveneens helpen om met een 21steeeuwse blik en een hedendaags bewustzijn terug te kijken naar het eigen verleden en je de mogelijkheid geven om de tijdgenoten van toen naar de wereld van vandaag te verplaatsen. Die gids kan ik alleen in mezelf vinden. Ik moet als het ware uit mezelf treden en met de andere die ik dan ben in dialoog gaan. Een moeilijke maar niet onmogelijke opgave. Je hebt altijd meerdere zelven. Je leeft tegelijk in het verleden en in het nu, de tijd van Trump en anti-democratie en qua omvang de ernstige pandemie sinds de Spaanse Griep van 1918-1919.

Wat ik wil doen om dit verslag wat meer helderheid te geven is nog eens een lijst maken, zoals ik voor het jaar 1978 al deed in Alleen in de tijd wordt de tijd overwonnen en in Kicks aganst the pricks.
In de volgende twee of drie hoofdstukken zal ik  een beknopte opsomming geven van hoogtepunten van 1979 – die ook in dit geval dieptepunten konden zijn. Ik probeer de aandacht vooral op het Pannenhuis te richten maar net als voor 1978 moeten voorvallen bij mij thuis of op andere plaatsen – al was het maar als context – een plaats krijgen.

Afbeelding: La barque de Dante, Eugène Delacroix

 

 

 

 

DWEPERS

1978-1980-AURORA 14 001

[NACHTEN AAN DE KANT 20]

Inmiddels is het februari geworden. Vanmorgen kwam de huisbaas vragen hoe het zat, komt er nog wat van, van die huishuur. We zullen wel zien. Het is nog maar de achtste. Waar maakt die lieve man zich druk om? Zijn vrouw zal hem wel aanporren. Neen, door huisbazen laat ik me niet opjagen. Vandaag wil ik rust in mijn hoofd.

Een paar dagen geleden vergaderden we met de redactie van Aurora bij de schrijver Wim Meewis. Een beminnelijk man, iemand die ik ten zeerste waardeer. Ik heb de indruk dat het wederzijds is. Hij heeft me al meermaals gezegd dat hij mijn teksten graag leest. Wim en zijn vrouw wonen in een ruime flat op de elfde verdieping van een groot gebouw met een adembenemend uitzicht op de Schelde, de stroom van gelukkige momenten en persoonlijke tragedies. Mijn broer en schoonzus zijn er bij een schipbreuk bijna in verdronken. Een voorbijvarende sleepboot kon hen op het laatste moment nog redden. Toen ik nog een kleine jongen was is een van mijn neven, Louis Costers, tijdens mistig weer overboord gesukkeld. Pas weken later werd zijn levenloos lichaam op een oever een heel eind van Antwerpen teruggevonden. Sindsdien worden de verheven gevoelens die de stroom bij me oproepen soms verdrongen door huiveringwekkende herinneringen.

Na de vergadering met enkele redactieleden gingen we nog wat ‘napraten’ in café Tivo op de Bolivarplaats. Veel gezeur en negatieve gevoelens ten aanzien van Leopold Flam, onze ‘leider’. Daar doe ik liever niet aan mee. Wat een contrast met de poëzie die de Schelde bij me oproept. Toen Job was uitgeraasd over professor Flam moest Van Morrison het ontgelden. Het leek wel of Job het over een gewetenloze schurk had, zo wond hij zich op. Van Morrison, die vent  heeft volstrekt geen talent, riep hij uit. Een oplichter, vervolgde hij. En zo ging hij nog een tijd door. Job weet goed dat de Ierse zanger en songschrijver een van de weinige echt stralende sterren aan het rockfirmament is. Hij weet dat Astral Weeks en Moondance meesterwerken zijn. Het is de drank die hem zo dwars doet liggen, denk ik. Job heeft wel vaker een kwade dronk. Het is naar het schijnt iets in zijn frontale kwab, of anders zal het zijn amygdala wezen, de details ken ik niet, het is een delicate kwestie. Ik keek op mijn horloge, wat ik zelden doe in fijn gezelschap. Round midnight, dacht ik, tijd om hier op te stappen.

monte_hellman_Shooting_09_blu-ray_2

two_monte_hellman_Shooting_06_blu-ray_3

Gelukkig was Giuseppe thuis. Zo is het toch nog een genoeglijke nacht geworden. Volgens mijn wat buitensporige maatstaven van de laatste jaren hebben we zelfs niet al te veel gedronken. We zijn naar een volkscafé bij hem in de buurt gegaan, een plek waar we wel vaker zitten. Er valt helemaal niets te beleven, maar wat maakt ons dat uit? Met Giuseppe ga ik niet op café  omdat daar iets te beleven is. Terwijl Giuseppe was gaan plassen heb ik op een bierviltje een ontwerp voor een gedicht over de Schelde geschreven. Mogelijk kan ik daar nog iets mee aanvangen, later, als ik ouder en wijzer ben. Kitsch schittert in de smoelen van het schone volk, en meer van dat. Haast onleesbaar.

We hebben uren over film gepraat, wat we wel vaker doen. Giuseppe dweept met Montgomery Clift. Hij heeft net zijn biografie gelezen en wil dat ik dat ook doe. Je moet, zei hij. Oké, zei ik, dat zal ik doen. Je weet hoe gehoorzaam ik ben. Eigenlijk wil ik mij Monty liever herinneren zoals ik hem ken uit Red River, maar dat zei ik niet. Giuseppe houdt teveel van levens. Hij verslindt dagboeken, biografieën en autobiografieën. Ik heb hem het werk van regisseur Monte Hellman aangeraden; een drietal van zijn films worden dezer dagen tijdens Film International vertoond. In het Filmmuseum in Brussel was ik beslist onder de indruk van The Shooting en Ride in the Whirlwind, niet eens zo lang geleden. Vooral van die eerste, die een raadselachtig verhaal vertelt over een opdracht in de woestijn, met Warren Oates en Jack Nicholson. Paarden, dubbelgangers, cocaïne, het land van Cocagne. Giuseppe was een even grote bewonderaar van Warren Oates als ik. Van het een kwam het ander. Het ander was Bring Me the Head of Alfredo Garcia. De beste film van Peckinpah, zei Giuseppe. De beste rol van Warren Oates, zei ik. In The Shooting speelt ook een mij verder onbekende actrice mee, Millie Perkins. Van haar ben ik nog altijd aan het dromen, zei ik, ze ziet er even mysterieus uit als het personage dat ze vertolkt. Ik geloof dat zij het liefje van Elvis was in Wild in the Country, zei Giuseppe. Beroemd is ze er niet mee geworden, zei ik. Ze was meer een beatmeisje, zei Giuseppe. Ze had zangeres moeten worden, zei hij. Misschien kan ze niet zingen, zei ik. In Wild in the Country zingt ze alvast niet, zei Giuseppe. Ken je dit, vroeg hij. Hij toonde mij het Duitse tijdschrift Filmkritik. Nee, zei ik. Uit de bibliotheek meegenomen, er is toch geen kat die het leest, zei hij. Hij liet me een stukje van een interview met Wim Wenders lezen. Wat Wenders daarin vertelde was zo hartverwarmend dat ik hem meteen als een verre vriend ging beschouwen. Je mag het hebben, zei Giuseppe, je hebt er meer aan dan ik. Trouwens, Martin, ik heb Bobby Bland ontdekt, zei hij, wat een geweldige zanger. Ik ken alleen zijn Turn On Your Lovelight en dan nog voornamelijk in de versies van Van Morrison, met Them, en die van The Grateful Dead, zei ik. Ik zal voor jou zijn elpee His California Album eens meebrengen, zei Giuseppe. Opgenomen begin jaren zeventig. Fantastisch album, vooral het nummer Up and Down World.

De ochtend was aangebroken. We bestelden onze laatste glazen bier in café de Balie, tegenover het Justitiepaleis. Ze smaakten bitter en overbodig, maar ze stonden daar voor ons op tafel met een bedoeling. We hadden al lang weg moeten zijn, naar huis, we hadden meer dan voldoende pils naar binnen, maar we wilden zo lang mogelijk bij elkaar blijven, in die betoverde cirkel van vriendschap. Daarom stonden die glazen daar. Zo was er een uiterlijke reden om onze roes in stand te houden: demon alcohol, ons noodlot.

Naar huis dan maar, waar Senga op me wachtte. De dag is helder, zoals hij alleen in februari helder kan zijn. Antwerpen is een geheel van lichtblauwe, scherp afgetekende vormen. Veel net niet verblindend wit zie ik ook. In het Stadspark zitten de meeuwen en de eenden stil op het ijs. Het is een merkwaardig zicht. Deze versie van de werkelijkheid zie je alleen maar als je een hele nacht bent opgebleven. De vogels zijn nu in het opene gekomen, ze hebben de gewichtloosheid van marionetten, de tijd heeft geen vat op ze. Zelfs het ijs laat je niet onverschillig. De wereld is tot stilstand gekomen. Er is nog niets begonnen. Welke andere stad is zo doordrenkt van deze sfeer? Stilstand, jazeker, en toch weet ik dat er tegelijk beweging is. In de verte worden de grote zeeschepen gelost en geladen. De dokwerkers zijn druk in de weer. Ik herinner mij uit mijn kinderjaren de immense kranen, de zeeschepen uit de hele wereld, de geur van sinaasappelen en bananen. De geur van hout uit Brazilië, het immense woud daar dat ik ooit met mijn broer zou ontdekken.

Bijna middag toen ik thuis kwam. Weer een Antwerpse nacht in mijn kleren en onder mijn huid gekropen.

1979-1980jos-flam

Foto’s: met Wim Meewis, circa 1979; The Shooting van Monte Hellman; met Leopold Flam en Giuseppe (regenjasbrigade).

OPGEKLAARDE HEMEL

1979-1980-aurora 6 001

[NACHTEN AAN DE KANT 18]

Januari 1979 loopt ten einde. Af en toe klaart de hemel op en dan schijnt de zon zo fel naar binnen dat ik een ogenblik verblind ben, wat mij, zeker omdat het maar van korte duur is, een prettig gevoel geeft. Op een kille winterdag zo onverhoeds de zon je huid voelen strelen, je verrukt voelen door haar unieke warmte: plots weer blij zijn dat je leeft. Het donkere seizoen heeft je niet klein gekregen. Om een dergelijke vreugde uit te drukken bestaan geen adequate woorden, er is muziek voor nodig, een wijsje dat wordt gefloten of geneuried, of gescat in de stijl van Louis Armstrong.

Gisteren kwam Paul Rigaumont ons goed nieuws brengen in verband met de filosofische kring Aurora en ons tijdschrift. Ons BTK-project is goedgekeurd [1]. Je zal je misschien afvragen wat dat was, een BTK-project. BTK was het acroniem voor Bijzonder Tijdelijk Kader. Het ging om een plan van de socialistische politicus Guy Spitaels, toenmalig minister van Arbeid en Tewerkstelling, dat in leven was geroepen om de toenmalige gigantische werkloosheid te bestrijden. Deze BTK-projecten hebben niets te maken met de BTK-moordenaar Dennis Rader, een man die tussen 1974 en 1991 onder het motto Bind, Torture en Kill in Wichita in de staat Kansas minstens tien mensen vermoordde. In brieven aan burgers en aan de politie beschreef hij zijn moorden in detail. Aangehouden werd hij pas in 2004.
Voor Senga, Paul en mij is het net een levensbevestigend project. Binnenkort zullen we, alvast gedurende een jaar, uit de ellende van de werkloosheid ontsnappen (en uit de statistieken). Voor die duur zullen we een vast inkomen hebben en niet meer dagelijks op een ander uur een stempeltje moeten gaan halen in het stempellokaal in de Lange Kievitsstraat. Het betekent vooral dat we voltijds kunnen gaan werken aan een project dat ons na aan het hart ligt. We zullen er onze eigenheid niet voor moeten opgeven, integendeel, onze zelfverwezenlijking [1] zal deel uitmaken van het project. We zullen zowel de kwaliteit van het driemaandelijks tijdschrift Aurora kunnen verbeteren als een echt en levendig centrum voor filosofie, kunst en literatuur worden. Naast het tijdschrift zullen we andere filosofische en literaire werken kunnen uitgeven, we zullen lezingen, performances, tentoonstellingen en poëziemiddagen organiseren.

Vorig jaar, op een donkere herfstdag, had Paul ons in ons Dolfijnhuis al eens met een bezoek verrast. We hadden al vaker over een wat minder amateuristische aanpak van de activiteiten van de filosofische kring Aurora gediscussieerd. Amateuristisch waren we omdat we geen geld hadden, geen subsidies, niets. We hadden alleen maar een huis in de Lange Leemstraat 58, dat ons gratis ter beschikking werd gesteld door een zekere dokter Stienlet. Onze kleurrijke verbeeldingskracht was ons enige wapen tegen het antraciet van de crisistijd [2]. Die dag was Paul ons komen meedelen dat de situatie mogelijk zou verbeteren. Paul had de ambtenaren van de RVA kunnen overtuigen van de culturele en maatschappelijke waarde van ons Aurora-project. Hij had kunnen bewerkstelligen dat we met zijn drieën een bediendencontract zouden krijgen.

Die dag had Paul nog een andere verrassing: hij zou opnieuw gaan schilderen. Zijn ogen kregen een vrolijke uitdrukking toen hij ons dat toevertrouwde. Tot dan had ik hem altijd als een ernstige jongeman gezien, nu kreeg hij iets speels over zich. Dat vrolijke, speelse zou ik later, als hij stond te schilderen of gewoon maar wat met me praatte, vaak terugzien. Als bewijsmateriaal, als wilde hij duidelijk maken dat hij het meende, had hij een klein schilderijtje op papier voor ons meegebracht. Achteraf besefte ik dat het al grotendeels een Paul Rigaumont was geweest terwijl ik op dat ogenblik vooral de invloed van Paul Klee ontwaarde.

Gisteren dan dit opbeurende nieuws. Alle redenen zijn goed om feest te vieren, maar een betere dan deze, dat onze praktische levens zo’n positieve wending krijgen, kan ik me niet voorstellen. Senga is een fles Jim Beam gaan kopen. Deze middag was Guy hier even om mij zomaar een cadeautje te brengen, een Greatest Hits-album van Del Shannon, een zanger die ik al sinds mijn elfde, toen ik voor het eerst zijn Runaway hoorde, uitermate bewonder. Jammer dat Guy geen tijd had om wat langer te blijven. Giuseppe, die ons toevallig ook even kwam begroeten, is wel gebleven. Met hem hebben we er een feestelijke Del Shannon- en BTK-avond van gemaakt. Giuseppe zat Stranger in Town mee te zingen, met zijn mooie, gevoelige stem waarmee we hem destijds in Brussel songs van Neil Young hadden horen coveren. Daarna kwamen Armed Forces van Elvis Costello & the Attractions en Street Hassle van Lou Reed nog aan de beurt, elpees die ik enkele dagen geleden heb aangeschaft. Ik denk dat Street Hassle tot op vandaag de meest geslaagde soloplaat van Lou Reed is. Alleen al dat nummer Dirt:

You remember that song
by a guy named Bobby Fuller?
It goes like this:
I fought the law
and the law won
I fought the law
and the low won.

Wij waren die avond echter lang niet zo pessimistisch. Voor een keer hadden wij de wet  aan onze kant. Ook al was dat maar voor een jaar.

[1] Zelfverwezenlijking: een begrip van de humanistische psycholoog Abraham Maslow.

[2]  De film ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta was in die dagen in de Cartoons of in het Filmhuis te zien. Het was een drama over Gudrun Ensslin en haar zus Christiane. Gudrun Ensslin was vanaf 1970 lid van de eerste generatie van de Rote Armee Fraktion, werd in 1972 gearresteerd en opgesloten in de Stammheim-gevangenis in de buurt van Stuttgart. Ze ging talloze malen in hongerstaking tegen het strakke gevangenisregime. In 1977 hing ze zichzelf op in haar isoleercel. ‘Bleierne Zeit’ (loden tijd) is inmiddels een gevleugelde uitdrukking die naar de jaren van de links-radicale terreur in Duitsland en Italië verwijst. Margarethe von Trotta vond de woorden in een elegisch gedicht van Hölderlin, ‘:
“Trüb ists heut, es schlummern die Gäng und die Gassen und fast will
Mir es scheinen, es sei, als in der bleiernen Zeit.”

1979-1980-aurora 11 001

Foto’s: Tijdens een evenement van de filosofische kring Aurora; Senga aan het werk bij Aurora.

DE OUDE DUIVEL GENAAMD TIJD

[NACHTEN AAN DE KANT 16]

“Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.”

goddog2

In onze levens en in de wereld hangt alles met alles samen. In mijn terugblik op de muziek waar ik in de jaren zestig en zeventig van hield – en in veel gevallen nu nog steeds – ben ik in het jaar 1978 en in mijn stad aan de Schelde aangekomen. Op slag zit ik weer in mijn werkkamer in ons Dolfijnhuis, hoor in de grote betegelde kamer op de gelijkvloerse verdieping opnieuw Some Girls en Darkness on the Edge of Town weerklinken en zie de vrienden van toen voor me, net zoals ikzelf ruim veertig jaar jonger dan vandaag, en neem me voor om op café te gaan, bij voorkeur naar het Pannenhuis op het Conscienceplein, bij Greta en Toulouse.

De opening van de expo van werken van Leo Steculorum is net achter de rug. Na afloop zijn Senga en ik nog met Leo en Wout Vercammen kip en frieten gaan eten in het Kiekenkot. Sinds 2 december 2019 zijn er in deze kroniek een tweetal dagen voorbijgegaan. Maar wat gaat het leven in de objectieve werkelijkheid onverbiddelijk zijn gang: acht maanden lang is in de rivieren het water naar de zee gestroomd en sinds Nieuwjaar zijn er 630.000 mensen gestorven aan een nog altijd mysterieus virus.

Daar gaat de deurbel. Wie kan dat zijn, ik verwacht niemand, en zit net goed in de flow van mijn tekst. Ik kijk even door het raam en zie dat het Guy Bleus is: dan is het goed. Ik heb hem sinds vorige zomer niet meer gezien, of vergis ik mij nu? Ik leg een plaat op van Mink DeVille, Cabretta, en we praten een poos over wat er de voorbije maanden in onze levens is gebeurd. Opnieuw valt op hoe onze manieren van denken gelijk blijven lopen. Al gauw krijgen we zin om nog een keer de stad in te trekken. Voor we ons naar het Pannenhuis begeven gaan we een hamburger eten in de Quick, een van onze favoriete restaurants. Terwijl we staan te bestellen vraagt Guy aan het meisje dat ons bedient of hij de zaakvoerder van dit filiaal kan spreken. Hij moet even wachten tot zo’n gladde jongen hem te woord wil staan. Ik ben geïnteresseerd in een job bij jullie, zegt Guy, ik wil dolgraag een Quick Boy worden. Hij krijgt meteen alle informatie en een sollicitatieformulier mee.

Hoewel het nog niet donker is als we het Pannenhuis binnenstappen, ziet Ria er toch behoorlijk dronken uit, al is ze niet bezopen. Heb ik Ria ooit wel eens zat gezien? Met haar valt altijd te praten, ook nu weer. Zoals steeds moet er eerst wat ijs gebroken worden, wat over de werkloosheid gesakkerd, over de crisis waar maar geen eind aan komt. Voor we het weten hebben we het over Geeraard de Duivel en Jacoba Van Zottegem. Uiteindelijk zijn we niet ontevreden met onze status van misfits. Stel je voor dat we flikken zouden zijn, of ambtenaren van de RVA, of nakomelingen van die vervloekte Geeraard.

1 aguirrewrathofgod

Luc Van Tendeloo komt aan onze tafel zitten. Hij leeft van de Openbare Onderstand, daar bak je ook geen zoete broodjes van. Dat belet hem niet om vaak naar de bioscoop te gaan. Hij heeft nog maar pas Aguirre, der Zorn Gottes gezien. IJskoud in de King Kong, maar wat een film, en wat een regisseur, die Werner Herzog, roept hij uit, zijn lippen vol bierschuim. Prachtig, zeg ik, die stroom dat is toch een manifestatie van het heilige. Ja, en je beseft ook dat logica zo weinig betekent, zeker in de wildernis en in het licht van de eeuwigheid, zegt Luc. Mensen die geobsedeerd zijn door zuiverheid, moeten we wantrouwen, zeg ik. Dat zeker, zegt Luc. Echt angstaanjagend, haast satanisch, die Klaus Kinski, voegt hij eraan toe. Onlangs zei iemand me nog dat ik op hem lijk, zeg ik. Jij lijkt helemaal niet op Kinski, zegt Ria.
Ik vertel over ons laatste bezoek aan Guillaume en Renée. Jabberwocky was op tv, die film van Terry Gilliam met Michael Palin. Hij is een kuiper die allerlei dolle avonturen beleeft. Zo moet hij een strijd op leven en dood voeren met het monster Jabberwocky. Alleen als Michael Palin Jabberwocky kan doden krijgt hij de hand van Griselda Fishfinger, de prinses. Wel grappig en goed gemaakt maar ik heb me de hele avond moeten inspannen om de zweetvoeten van Renée niet te ruiken. Hoewel die geur goed bij de film past. Bij Griselda Fishfinger, vraagt Ria. Eerder bij Koning Bruno the Questionable, zegt ik.

Guy zit aan de toog, met Greta te praten. Toulouse legt nog een keer the Shangri-Las op de platendraaier. Guy zal daar om hebben gevraagd. I’m all packed up and I’m on my way and I’m gonna fall in love / But at the moment it doesn’t look good / At the moment it will never happen again. Als we die avond naar huis terugkeren, vertelt Guy me dat hij het met Greta over een nieuwe tentoonstelling heeft gehad, hij wil een performance met geuren doen, wanneer weet hij nog niet. Smell art, voegt hij eraan toe. Soms kan een mens niet duidelijk genoeg zijn.

jabberwocky2

Ik heb voor het eerst gebruik gemaakt van de metro, zegt Ria. Metro? Twee stations, Opera en Groenplaats, waar zelfs de drie mannen en de paardenkop wegblijven. De paardenkop zal in een kroeg op de Paardenmarkt zitten. En waarom komen er in dat Vlaams spreekwoord geen vrouwen voor? Allemaal vermoord door Geerard de Duivel misschien. Of door zijn donkere zoon.
Heb je Giuseppe onlangs nog gezien, vraagt Luc. Jazeker, zeg ik, eergisteren nog. Om vijf uur ’s morgens werd er wel twintig keer aan onze deur gebeld. Ik wilde of durfde niet gaan kijken om te zien wie het was. Giuseppe natuurlijk, wie anders. ’s Middags stond hij opnieuw voor de deur. Had zeker Duvels zitten drinken in de Cereus. Hij had een cadeautje voor me: een prachtige Duitstalige filmencyclopedie. Ik was er opgetogen mee, ook al stond er een stempel in van de bibliotheek waar Giuseppe sinds kort aan het werk is. Dat boek wil ik wel eens een keer zien, zegt Luc. Je mag het eens uitlenen, zeg ik, maar je moet dan wel je kruiwagen meebrengen.

Guy is nu weer bij ons komen zitten. Omdat ik het ook allemaal niet meer zo goed weet vertel ik mijn vrienden dan maar een droom die ik afgelopen nacht had. Hoewel ik weet dat alleen psychoanalytici naar dromen luisteren, als ze al niet in slaap vallen, want dat zie je natuurlijk niet.
In een concertzaal zit ik naast een aardig meisje. Maar terstond staan er twee agenten van de Geheime Politie achter me. Ze bevelen me om op te staan en grijpen me stevig bij de armen. Wat gebeurt er, vraag ik. U moet bij mijnheer Pauwels komen, zegt die met de snor. Gina komt huilend de betonnen trap afgerend, haar ogen helemaal rood. Dit betekent het einde voor jou, Martin, zegt ze. De agenten dwingen me diezelfde betonnen trap op te gaan, hoger en hoger, tot waar het erg donker wordt. Ze leiden me naar een duistere ruimte met in het midden een grote kooi. De Agent zonder snor opent de getraliede deur van de kooi, de andere duwt me naar binnen. Ik val neer op de koude cementen vloer. De deur gaat op slot. Er staan nu zeker wel een vijftal mannen rond de kooi en allemaal lachen ze me uit. Zie die dwaas daar liggen! Ik lig met mijn hoofd boven een zwart gat dat heel diep lijkt en waar een kille, onaangename geur uit opstijgt. Dan kijk ik omhoog en zie een opening in de wand voor me. Door die opening kan ik de concertzaal zien en het bevallige meisje dat naast me zat en het podium en wat er zich op dat podium afspeelt: een wel erg kort optreden van Ravi Shankar, niet langer dan vijf minuten, gevolgd door een onbenullige gitarist die van geen ophouden weet. De snobs in de zaal vinden het allemaal schitterend, maar ik schuimbek van woede om dit bedrog. Het mooie meisje probeert me te kalmeren, maar dat lukt niet. De organistoren vinden mijn gedrag beneden alle peil. Twee agenten grijpen me bij de armen en leiden me weg. De deur van de concertzaal gaat open. Heel even vang ik nog een glimp op van de helse trap omhoog.

00-ANTWERPEN 1968-2b

POP 1978: VOORBEELDIGE MODELLEN

elpees2 004

In 1978 waren we stilaan geïntegreerd in Antwerpen, in zoverre dat al mogelijk was. Beslist voelden we ons thuis in ons huis in de Dolfijnstraat en in de aangename buurt die Zurenborg heet. We woonden dan wel niet aan de goede maar aan de slechte kant van de spoorweg, the wrong side of the tracks, maar de huisgevels waren er witgeschilderd, wat een opvallend verschil was met waar we vandaan kwamen, onze grauwe hoofdstad die helemaal aan het verloederen was vanwege armoede, uitzichtloosheid, bevolkingsvlucht en wanbestuur. Ik was blij dat ik er weg was, ondanks de talloze mooie herinneringen en de vele vrienden en kameraden die ik er had achtergelaten.
Vlakbij ons Dolfijnhuis, dat we in de zomer van 1977 hadden opgeknapt, was de gezellige Dageraadsplaats, met een boekwinkel, een wijnhandel, een Unic en een bruine kroeg, de Cereus (nu het Zeezicht). Onze woning werd een uitvalsbasis om Antwerpen te verkennen en om er een aantal illustere inwoners van die stad als gewaardeerde gasten in te ontvangen en te entertainen met rock and roll, poëzie en andere vormen van modern vermaak. We hadden inderdaad al gauw een aantal fijne vrienden, die voor ons de ziel van onze nieuw thuisstad waren. Dat nieuwe leven was zeker niet alleen maar rozengeur. Senga en ik hadden geen werk meer en van de maneschijn konden we niet leven. We moesten elke dag opnieuw naar het stempellokaal in de Lange Kievitsstraat, telkens op een ander uur, om er een stempel op onze roze kaart te laten zetten. Een dag zonder stempel was een dag zonder geld. Wij zagen de agenten van de RVA als hedendaagse klonen van de Schutzstaffel. Wilden ze ons niet keer op keer een of andere rotjob in de strot rammen? Hadden ze ons nooit eens iets interessants te bieden, werk dat bijvoorbeeld paste bij onze vaardigheden, kennis en interesses? En waarom wilden ze zo graag weten hoe we leefden en hoe we onze dagen vulden? Overigens werkte ik hard: elke dag van 9 uur tot aan het avondeten zat ik op mijn kamer te schrijven en te studeren. Niet dat ik daar iets mee verdiende. Het was werk dat ik voor het plezier deed en omdat het moest: innerlijke noodzaak.

Tijdens de weekends gingen we naar de kroegen en clubs en werd er gediscussieerd en gedanst. Veel vrije tijd brachten we door in goedkope kledingwinkels. In de punkperiode was mode, DIY-stijl, opnieuw belangrijk geworden. Voor mij was het van mijn mod-periode (circa 1966-1968) geleden dat ik me nog zo bewust met kleren had beziggehouden. Senga ontpopte zich tot een alternatieve superstar. Ze wist met weinig middelen een unieke stijl te creëren, een combinatie van funky chic, gedurfd goedkoop en vooral sexy. Gelukkig kenden we een aantal winkels waar coole kleren erg goedkoop waren. Voor we op vrijdag- of zaterdagavond gingen dansen konden we urenlang kleren staan passen, waarbij ik dan de meest geschikte platen draaide om alvast in de stemming te komen. Zo kon ik de filosofische en experimentele teksten waar ik een hele week op gezwoegd had toch een tijdje vergeten.

03 1_edited2

1979-1980-aurora 12 001

In een reeks teksten geschreven in 2019, Aleen in de tijd wordt de tijd overwonnen   en Kicks Against the Pricks  (in de reeks Nachten aan de Kant, over het nachtleven in Antwerpen) beschrijf ik de eerste jaren van mij en Senga in Antwerpen.

Uit het hoofdstuk Bloed  wil ik in deze context één paragraaf aanhalen, omdat hij zo typerend is voor de spirit van punk, zowel intersubjectief als muzikaal:
Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

Uit deze terugblik mag blijken dat 1978 zo mogelijk nog meer een punkjaar was dan 1977. Pas nu begon de passie, de intensiteit van het leven dat ermee samenhing, van het gevaar ook, goed tot ons door te dringen. De singles en albums die al een jaar oud waren klonken toch nog fris en opzwepend. Er zat helemaal geen sleet op nummers als Blank Generation, Lust for Life en Police and Thieves. Daar kwamen nu nieuwe favorieten bij als Ain’t That Nothin’ van Television, This Year’s Girl en Pump it Up van Elvis Costello & the Attractions, Dirt van Lou Reed, Rock and Roll Nigger en Privilege (Set Me Free) van Patti Smith, Ever Fallen In Love (With Someone You Shouldn’t ‘ve?) van the Buzzcocks en tientallen andere geweldige songs bij. Bovendien brachten ‘oudere helden’ dat jaar opzienbarende langspeelplaten uit, die tot hun beste werk mogen gerekend worden: Bruce Springsteen & the E-Street Band, the Rolling Stones, Bob Dylan, Neil Young en Lou Reed.
In Rotterdam zag ik dat jaar voor het eerst Bob Dylan live. Ik beleefde euforische ogenblikken bij concerten van Patti Smith en Robert Gordon & Link Wray. Voor mij was vooral Link Wray een revelatie. Sinds die 1ste juni in de AB ben ik een trouwe fan van deze hoogst originele garagerocker, mogelijk de meest waarachtige punk van ze allemaal.

elpees2 008

  1. This Year’s Model – Elvis Costello & the Attractions
  2. Adventure – Television
  3. Easter – Patti Smith Group
  4. Some Girls – The Rolling Stones
  5. Darkness On The Edge Of Town – Bruce Springsteen
  6. Bob Dylan – Street-Legal
  7. Street Hassle – Lou Reed
  8. Return To Magenta – Mink DeVille
  9. Comes A Time – Neil Young
  10. Hearts Of Stone – Southside Johnny And The Asbury Jukes
  11. More Songs About Buildings And Food – Talking Heads
  12. Road To Ruin – The Ramones
  13. Love Bites – The Buzzcocks
  14. Jesus Of Cool – Nick Lowe
  15. Shiny Beast (Bat Chain Puller) – Captain Beefheart
  16. The Modern Dance / Dub Housing – Pere Ubu
  17. X-Dreams – Annette Peacock
  18. Dread Beat An’ Blood – Poet & The Roots
  19. Third/Sister Lovers – Big Star
  20. Fresh Fish Special – Robert Gordon With Link Wray
  21. Public Image First Edition – Public Image Ltd.
  22. Chairs Missing – Wire
  23. Excitable Boy – Warren Zevon
  24. Flyin’ Shoes – Townes Van Zandt
  25. Jazz – Ry Cooder
  26. The Last Waltz – The Band
  27. Parallel Lines – Blondie
  28. Q: Are We Not Men? A: We Are Devo – Devo
  29. Real Life – Magazine
  30. Very Extremely Dangerous – Eddie Hinton
  31. Nina Hagen Band – Nina Hagen Band
  32. The Kids – The Kids
  33. Chaka – Chaka Khan
  34. All Mod Cons – The Jam
  35. Misfits – The Kinks
  36. Bush Doctor – Peter Tosh
  37. One Nation Under A Groove – Funkadelic
  38. Here, My Dear – Marvin Gaye
  39. The Only Ones – The Only Ones
  40. C’est Chic – Chic

FUNKADELIC

Ook nog het vermelden waard: West Texas Waltzes & Dust Blown Tractor Tunes – Butch Hancock, Millionaires And Teddy Bears en Dynamite Daze – Kevin Coyne, Hermit of Mink Hollow – Todd Rundgren, The Bride Stripped Bare – Bryan Ferry, Honky Tonk Masquerade – Joe Ely, Quarter Moon In A Ten Cent Town – Emmylou Harris, Living In The Streets – Kim Fowley, His Eye Is On The Sparrow – Mickey Newbury, Guy Clark – Guy Clark, All I Want To Do In Life – Jack Clement, Ambient 1: Music For Airports en Music For Films – Brian Eno, Nite Flights – The Walker Brothers, Shpritsz – Herman Brood & His Wild Romance, Bruised Orange – John Prine, So Alone – Johnny Thunders, Crossing The Red Sea With The Adverts – The Adverts, Double Fun – Robert Palmer, David Johansen – David Johansen, Wavelength – Van Morrison, Blue Valentine – Tom Waits.)

Niet of bijna niet opgenomen in deze lijst wegens te weinig ervaring met deze genres: jazz, reggae, funk, disco, spoken word. Sommige platen, vooral in de genres country en folk, staan lager dan ik ze nu zou situeren. Dat komt omdat ik ze toen nog niet kende of er minder, helemaal niet of nog niet in geïnteresseerd was. Townes Van Zandt zou nu helemaal bovenaan staan. Guy Clark, Ry Cooder, Emmylou Harris, Warren Zevon en Big Star verdienen ook beter. Maar dat was toen en dit is nu.

ADVENTURE

Foto’s: Martin Pulaski; regenjassenfoto: fotograaf onbekend.

1976: JAAR VAN HET VERLANGEN

dylandesire

Verlangen. 1976 was voor mij het jaar van het verlangen. Verlangen naar kennis, naar seks, naar liefde, naar gedichten, verhalen en theaterteksten, naar kunst, naar vriendschap, naar beweging. Een creatiever, meer geïnspireerd en intenser jaar zal mij niet meer te beurt vallen. Senga en ik verhuisden van de kleine flat op de vijfde verdieping in de Hamerstraat naar een wat ruimer gelijkvloers gelegen appartement in de Waterkrachtstraat, nog altijd in Sint-Joost, de kleinste en armste gemeente van Brussel. Het is op die plaats en in die periode dat ik geestelijk tot ontplooiing kwam en mijn schrijverschap ernstig ging nemen. Ik besefte dat ik nog veel moest leren, op elk gebied. Dat betekende vooral lezen, niet alleen literatuur maar ook literatuurtheorie, filosofie, geschiedenis en antropologie. Mijn voorkeur ging uit naar ‘moeilijke’ schrijvers als Antonin Artaud, Henri Michaux, Friedrich Hölderlin, Percy Shelley, naar romantiek, dada en surrealisme. Daarnaast las ik menig werk over de pre-socratische filosofen en de Franse Revolutie, met het oog op een toneelstuk over Empedocles, dat ik niet kon voltooien. Zoals zoveel in het leven was het maken en samenwerken belangrijker dan het resultaat. Het eerste stuk dat ik daar in de Hydraulische Straat schreef, Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche, werd wel tot een goed einde gebracht én opgevoerd als een soort van feest.
Ik werkte dat jaar voltijds bij Boekwinkel Corman in de Ravensteinstraat. (Bij die periode stond ik al stil in de terugblik dingen die voorbijgaan). ‘s Avonds en ’s nachts schreef ik of gingen we naar het Filmmuseum, nu Cinematek. In de weekends bracht ik tijd met mijn zoontje door. Voor het eerst gingen we naar Londen (een schoolreis in 1967 niet meegeteld), waar ik onder de indruk kwam van William Turner, William Blake en – natuurlijk – John Everett Millais’ Ophelia en Henry Wallis’ Chatterton.
In mei maakte ik samen met Senga mijn allereerste reis, met nauwelijks geld op zak liftend door Frankrijk (Orange, Nice) met als bestemming Florence. Daar betoverden ons de kunstenaars van de Renaissance; vooral het Uffizi was een openbaring. Je kon daar toen nog zomaar binnenlopen. In Brussel bezochten we een imponerende tentoonstelling over het symbolisme.
Ja, in ons leven van verlangens hing toen alles samen. De wonderlijke films die we zagen, de boeken, de kunstwerken, onze liefde, de gesprekken met vrienden over Mario Praz, de brieven van Van Gogh, Noa Noa van Paul Gauguin, de gedichten van TS Eliot en Gerard Manley Hopkins, de Openbaring van Johannes, Thomas De Quinceys Confessions of an English, Opium-Eater, A Modest Proposal van Jonathan Swift, Napoleon van Abel Gance, La chute de la maison Usher van Jean Epstein, M comme Mathieu van Jean-François Adam en Mes petites amoureuses van Jean Eustache.
Dat lijken misschien wat veel gespreksonderwerpen. In werkelijkheid waren het er veel meer en ze gingen niet alleen over het ware, het goede en het schone. We zitten hier nu weliswaar al vier of vijf maanden alleen thuis, maar toen waren er bijna elke dag vrienden op bezoek. Soms hoopte ik dat ze niet te lang zouden blijven, zodat ik verder kon werken. Een van mijn beste vrienden toen was Paul L. die in de buurt woonde en als hij me voor het raam zag zitten schrijven kwam hij vaak even binnen voor een babbel. Hij las mijn teksten en gaf er nuttig commentaar op. Andere vrienden van toen waren Jos D., Willy B., Hugo W., Ginette B., Johny L., Christian P., Guy en Freddy B., Jan Van V., Erwin G., Pol De D., Bie De M., “Theo”, Gert Van S. en ik vergeet er zeker nog een aantal.

Mijn grootse schrik van het jaar – en de jaren ervoor ook al – betrof de twee jaar burgerdienst die me te wachten stonden, maar gelukkig werd ik vrijgesteld. Een goed einde van een lang en verkrampt gevecht, een aaneenschakeling van misverstanden, het resultaat van wereldvreemdheid en afwezigheid van betrouwbare informatie. Bijna vijftig jaar later beschouwd zie ik in dat verhaal van die legerdienst/burgerdienst veeleer stof voor een komedie dan voor de halve tragedie die het toen voor me was.

mobycitizen

Welke muziek beluisterde ik? Keer op keer Horses en Radio Ethiopia van Patti Smith en Desire van Bob Dylan. Black and Blue van the Rolling Stones (die we live zagen in Vorst Nationaal, waarbij we er bijna het leven bij inschoten). Vooral Keith Richards fascineerde me, zelfs zijn obsessie voor vuurwapens, onder meer een Belgische revolver uit 1899. You’re never alone with a Smith & Wesson, luidde de kop van een artikel in NME. Alexander Spence bleef ik trouw; zijn elpee Oar weerklonk op zijn minst één keer per week in ons droomappartement. Hetzelfde voor The Madcap Laughs en Barrett van Syd Barrett en een aantal elpees van the Byrds en Moby Grape. Voor jazz en klassieke muziek ging ik naar de Mediatheek.
Voor recente muziek was er weinig tijd. Overigens heb ik nog steeds de indruk dat er dat jaar weinig boeiende platen zijn uitgekomen. Sommige van de beste albums – wel in mijn lijstje opgenomen – heb ik pas in 1977 leren kenen, onder meer die van the Ramones, Blondie en the Modern Lovers. Met die bands werd een nieuw en erg opwindend muzikaal hoofdstuk aangekondigd.

3-25-2013_028b

3-25-2013_029

  1. Desire / Hard Rain – Bob Dylan
  2. Radio Ethiopia – Patti Smith Group
  3. Chicken Skin Music – Ry Cooder
  4. Station To Station – David Bowie
  5. Black And Blue – The Rolling Stones
  6. Hejira – Joni Mitchell
  7. The Pretender – Jackson Browne
  8. Warren Zevon – Warren Zevon
  9. Rock and Roll Heart – Lou Reed
  10. The Ramones – The Ramones
  11. The Modern Lovers – The Modern Lovers
  12. Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman & The Modern Lovers
  13. Howlin’ Wind / Heat Treatment – Graham Parker
  14. Long May You Run – The Stills-Young Band
  15. Fly Like An Eagle – Steve Miller Band
  16. The Royal Scam – Steely Dan
  17. I Don’t Want To Go Home – Southside Johnny & The Asbury Jukes
  18. Songs In The Key Of Life – Stevie Wonder
  19. Full Of Fire – Al Green
  20. Yes We Have No Mañanas, So Get Your Mañanas Today – Kevin Ayers
  21. Blondie – Blondie
  22. Small Change – Tom Waits
  23. Kate & Anna McGarrigle – Kate & Anna McGarrigle
  24. Troubadour – J.J. Cale
  25. Texas Rock For Country Rollers – Doug Sahm
  26. Hasten Down The Wind – Linda Ronstadt
  27. Texas Cookin’ – Guy Clark
  28. 801 Live – 801
  29. All American Alien Boy – Ian Hunter
  30. Cardiff Rose – Roger McGuinn

zevon

1970: ENGELEN EN DROMERS

sunflower1

Hoe word je volwassen? In 1970 was ik het nog steeds niet en werd het ook niet, zelfs al ontbond ik de APP (Anti-Progressieve Partij, een sarcastische eenmanspartij), nam ik voorlopig afscheid van mijn vriend en kamergenoot Erwin, verhuisde ik van een kamertje in de Karmelietenstraat naar een appartement in de Boomkwekerijstraat (boven de club Les Anges Noirs van Fonseca) en trouwde ik met het mooie meisje dat in december ’69 mijn hart had gestolen. In beide woningen waren zwervende zoekers welkom, de meesten afkomstig uit Nederland, sommigen uit de VS, een enkeling uit Finland. Vaak werden het dan lange avonden vol gesprekken over onze hooggespannen toekomstverwachtingen. We dachten nog steeds dat de bevrijding nakend was. We dronken jasmijnthee en beluisterden de nieuwste elpees. Mogelijk was 1970 daar het meest geschikte jaar voor.
Met geestverwanten hingen we rond op de Kaasmarkt, de place to be voor hippies en beatniks. Wij waren niet de enigen die daar tijd verspilden: de politie hield ons nauwlettend in het oog. De agenten zagen ons als staatsgevaarlijk, een bedreiging voor de wet en orde van hun werkgevers. De meisjes onder ons waren sexy gekleed, we hadden lange haren, rookten wiet en – ergst van al – we dronken weinig of geen bier. Om de haverklap moesten we onze identiteitskaart bovenhalen; we werden op allerlei manieren getreiterd en vernederd. Als we op ons eentje door een of andere wat afgelegen straat liepen scholden mannen die vreesden dat hun penis aan kracht zou verliezen ons de huid vol. Op heel wat plekken waren we niet welkom. Er waren enkele vrijhavens, zoals de Florio, de Speakeasy en de Free Press Bookshop. Ik ging naar de filmschool (Ritcs), waar ik de meeste lessen saai en overbodig vond. De beste leraar daar was de nu bijna vergeten schrijver Ivo Michiels. Voor hem had ik respect. (Ook dit verhaal heb ik al eerder verteld. Nu wil ik het vooral over muziek hebben.)

Uit alle kamers en appartementen en cafés stroomde ons muziek tegemoet. De meeste liedjes en elpees van die tijd weerspiegelden onze levensstijl en onze manier van denken. Van live muziek en avant-garde theater genoot ik het meest in Théâtre 140, gerund door de onvolprezen Jo Dekmine [1]. In 1970 las ik nog altijd Aloha en Rolling Stone; het blad van Jann Wenner was toen nog min of meer een undergroundtijdschrift. In beide tijdschriften stonden boeiende, soms zelfs diepgravende platenbesprekingen. Naast de liefde voor mijn zoethart en de fijne vriendschappen was muziek het centrum van mijn universum, al las ik zeker ook wel enkele interessante boeken. Veel van Jan Wolkers, Franz Kafka, Louis Paul Boon. Ook ontdekte ik toevallig William Faulkner.

Na zoveel jaar herinner ik me maar weinig details. Ik hield dat jaar geen dagboek bij. De gevoelens die Neil Youngs After the Goldrush bij me opriep kan ik niet onder woorden brengen, maar ze zijn zeker nog in een of andere laag van mijn bewustzijn aanwezig. In jou ook. Daarin verschil je niet zo veel van mij, denk ik. De pastorale klanken van Bob Dylans Self Portrait, een album dat bijna iedereen in mijn omgeving haatte, kleurden veel van mijn zomerdagen. In de winter vond ik troost in de bitterzoete songs op New Morning. De schoonheid van Loaded drong pas in 1971 ten volle tot me door. Ik kocht de elpee van mijn vriend Luc Deleu, die er niks aan vond. Dat begreep ik niet zo goed. Aan American Beauty had hij ook al een bloedhekel. Marc Didden, mijn toenmalige boezemvriend, en ik waren grote fans van Creedence Clearwater Revival. Tijdens onze wandelingen in het Zoniënwoud zongen we wel eens een van John Fogerty’s liedjes. Het debuut van Ry Cooder opende een heel universum van muziek die ik nog niet kende. Ik ben hem daar nog altijd dankbaar voor. Een van de mooiste liedjes van dat jaar was voor mij Amsterdam van John Cale, zijn Big White Cloud moest er niet voor onderdoen en dan was er ook nog The Only Living Boy In New York.

Mag dat volstaan als portret van de onvolwassen twintigjarige schooier die ik in 1970 was? Ik stel voor dat je dan een blik werpt op de lijst van honderd albums die ik heb samengesteld. Hopelijk vind je de tijd om sommige van deze parels te ontdekken, zelfs die helemaal onderaan de lijst. Vandaag de dag is dat heel wat eenvoudiger en goedkoper dan in 1970.

ry cooder

  1. After The Goldrush – Neil Young
  2. Loaded – The Velvet Underground
  3. New Morning / Self-Portrait – Bob Dylan
  4. Sunflower – Beach Boys
  5. Moondance – Van Morrison
  6. 12 Songs – Randy Newman
  7. John Lennon/Plastic Ono Band – John Lennon/Plastic Ono Band
  8. Layla and Other Assorted Love Songs – Derek and the Dominos
  9. All Things Must Pass – George Harrison
  10. Cosmo’s Factory – Creedence Clearwater Revival
  11. Vintage Violence – John Cale
  12. Band of Gypsys – Jimi Hendrix
  13. The Madcap Laughs /Barrett – Syd Barrett
  14. Spirit In The Dark – Aretha Franklin
  15. Curtis – Curtis Mayfield
  16. Ton-Ton Macoute! – Johnny Jenkins
  17. Morisson Hotel – The Doors
  18. Workingman’s Dead / American Beauty – Grateful Dead
  19. Ry Cooder – Ry Cooder
  20. Stephen Stills – Stephen Stills
  21. Live At Leeds – The Who
  22. Bridge Over Troubled Water – Simon and Garfunkel
  23. Déjà Vu – Crosby, Stills, Nash & Young
  24. His Band and the Street Choir – Van Morrison
  25. Untitled – The Byrds
  26. Fire And Water – Free
  27. Jesse Davis! – Jesse Davis
  28. Greatest Hits – Phil Ochs
  29. Together After Five – Sir Douglas Quintet
  30. Hollywood Dream – Thunderclap Newman
  31. Desertshore – Nico
  32. Stage Fright – The Band
  33. Woodsmoke And Oranges – Paul Siebel
  34. Burrito Deluxe – Flying Burrito Brothers
  35. Get Yer Ya-Ya’s Out – Rolling Stones
  36. The Man Who Sold The World – David Bowie
  37. Bryter Layter – Nick Drake
  38. Fancy – Bobbie Gentry
  39. Idlewild South – Allman Brothers Band
  40. Twelve Dreams of Dr. Sardonicus – Spirit
  41. Fun House – The Stooges
  42. Hark! The Village Wait – Steeleye Span
  43. Rick Sings Nelson – Ricky Nelson and The Stone Canyon Band
  44. I’m A Loser – Doris Duke
  45. Workin’ Together – Ike & Tina Turner
  46. The Last Poets – The Last Poets
  47. Total Destruction To Your Mind – Swamp Dogg
  48. Lorca / Starsailor – Tim Buckley
  49. Shooting At The Moon – Kevin Ayers
  50. McCartney – Paul McCartney
  51. Gasoline Alley – Rod Stewart
  52. John Barleycorn Must Die – Traffic
  53. Let It Be – The Beatles
  54. From A Whisper To A Scream – Allen Toussaint
  55. Psychedelic Shack – The Temptations
  56. Leon Russell – Leon Russell
  57. Fully Qualified Survivor / Window – Michael Chapman
  58. Trout Steel – Mike Cooper
  59. Your Saving Grace / Number 5 – The Steve Miller Band
  60. John Phillips (John the Wolfking of L.A.) – John Phillips
  61. The Use Of Ashes – Pearls Before Swine
  62. Lick My Decals Off, Baby – Captain Beefheart & The Magic Band
  63. What About Me – Quicksilver Messenger Service
  64. The Black-Man’s Burdon – Eric Burdon And War
  65. The Garden Of Jane Delawney / On The Shore – Trees
  66. Jesse Winchester – Jesse Winchester
  67. Soleil – Françoise Hardy
  68. Stormbringer – John & Beverley Martyn
  69. Any Way That You Want Me – Evie Sands
  70. Sex Machine – James Brown
  71. Future Blues – Canned Heat
  72. The J. Geils Band – The J. Geils Band
  73. Remedies – Dr. John
  74. CJ Fish – Country Joe And The Fish
  75. Kristofferson – Kris Kristofferson
  76. If You Could Read My Mind – Gordon Lightfoot
  77. Tumbleweed Connection – Elton John
  78. Just Another Diamond Day – Vashti Bunyan
  79. Nilsson Sings Newman – Harry Nilsson
  80. Fotheringay – Fotheringay
  81. Writer – Carole King
  82. John B. Sebastian – John Sebastian
  83. Indianola Mississippi Seeds – B.B. King
  84. Yes We Can – Lee Dorsey
  85. On Tour – Delaney & Bonnie & Friends With Eric Clapton
  86. Blows Against The Empire – Paul Kantner & Jefferson Starship
  87. Eric Clapton – Eric Clapton
  88. Love, Death & The Lady – Shirley & Dolly Collins
  89. Mad Shadows – Mott The Hoople
  90. Clover – Clover
  91. Matthews’ Southern Comfort – Matthews’ Southern Comfort
  92. Loose Salute – Michael Nesmith & The First National Band
  93. Fanny – Fanny
  94. Bill Fay – Bill Fay
  95. Beaucoups Of Blues – Ringo Starr
  96. Flat Baroque And Berserk – Roy Harper
  97. The End Of An Ear – Robert Wyatt
  98. Gimme Shelter – Merry Clayton
  99. Marrying Maiden – It’s A Beautiful Day
  100. Here Comes Shuggie Otis – Shuggie Otis

1970-matti1

[1] “Jo Dekmine: Eerlijk gezegd, hoop ik eigenlijk aan de rand van een zekere schizofrenie te leven. Dicht bij die paniekerige onevenwichtigheid die zich meester maakt van de échte artiesten, de dichters, de cineasten van deze tijd. Ik voel me beslist solidair met de gekheid van mijn tijd. Trouwens deze rage brengt een buitengewone scheppende kracht met zich.”
Uit een interview met TV-Panorama