VADER, ZOON, VRIEND

[NACHTEN AAN DE KANT 29. MAART 1979]

Venez, venez vite
Je veux tout, mais tout de suite
Entrez dans ma danse
Moi je me balance, Georges Moustaki
[1]

Paul Rigaumont kwam ons een schilderwerkje brengen. Het heet De angst voor de verkorzeling en het is mooi en expressief, hoewel nog altijd een beetje in de stijl van Paul Klee. De schilder zegt dat het koude romantiek is. Ik weet niet goed wat hij daarmee bedoelt, maar als ik nog een keer, nu wat aandachtiger, kijk weet ik het wel. Paul gebruikt graag woorden als verkorzeling. Heeft het belang of dat woord niet bestaat in de Nederlandse taal? Nee, dat heeft geen belang. Het is een handschoenwoord. En wat dat dan is, een handschoenwoord? Dat moet je maar aan Paul vragen.

We verbleven drie dagen bij mijn ouders in Lanaken. Carnaval is het minst geschikte moment om daar naartoe te gaan. Al het lelijkste in de mens komt dan naar boven. Ik heb slechts één aangename herinnering aan dat verblijf. Ik herinner mij namelijk met genoegen de film La fiancée du pirate, een bescheiden maar giftig juweeltje (“poésie amère”) van Nelly Kaplan met in de hoofdrol één van mijn meest geliefde actrices, de sprankelende Bernadette Lafont. Marie, de dochter van een ‘dorpsheks’, besluit prostituée te worden. Ze verandert de hut waarin ze met haar moeder woont in een magisch bordeel en wreekt zich met de middelen die de natuur haar geschonken heeft, en de natuur is zeer mild geweest, op de dorpelingen, met hun hypocriete moraal.

Met mijn vader voel ik minder verwantschap dan met mijn schilderende koud-romantische vriend. Ik wil niet op hem lijken. Ik wil elke band met hem verbreken, zelfs de genetische. Mooie fantasie! Onmogelijk dat je niet op je vader lijkt, hoezeer je je ook inspant om volstrekt van hem te verschillen. Maar mogelijk kun je met een krachtige, volgehouden inspanning van de wil er geleidelijk aan toch minder gaan uitzien als hij en uiteindelijk een andere mens worden. Over tien, twintig jaar nog eens in de spiegel kijken. [2]

Vandaag ging ik even bij de dokter langs om iets over de toestand van mijn longen te vernemen. Die is erbarmelijk, maar het gaat al beter, meneer Pulaski, zei de welwillende dokter Clerckx. Beter, het zal wel zijn als ik nacht op nacht in rokerige kroegen en vochtige punkkelders zit, waar het stinkt naar pis en zweet – en soms bloed.
Thuis zat Paul Luyten op me te wachten. We hadden elkaar sinds december niet meer gezien. Paul heeft nu een dikke snor, waardoor hij enigszins op Nietzsche lijkt. In Pauls leven is er op die drie of vier maanden veel veranderd. Hij woont nu in Gent, waar hij een boekwinkel heeft overgenomen. Zijn plannen voor een loopbaan als acteur of als regisseur heeft hij opgegeven. Hij beweert dat hij onvoldoende talent heeft, waar ik het niet mee eens ben. Hoewel ik hem nooit heb zien acteren of regisseren. Het is intuïtie. Ik herken me in dat soort van zelfonderschatting en wegvluchten in bescheidenheid. Die is helemaal niet gespeeld of vals. Paul is uitermate intelligent en een van de meest integere mensen die ik ken. Ik weet niet wat ik van deze beslissing moet denken. Welke toekomst staat hem te wachten? Wordt hij een kleine zelfstandige, een zakenman? Hij klinkt niet erg enthousiast. Maar beter boekhandelaar dan slager of klaploper – of eeuwige amateur en grote belofte zoals ik. Veel geluk Paul, het komt allemaal goed.


[1] Een liedje uit de soundtrack van de film La fiancée du pirate, gezongen door Barbara.
[2] Deze aanmerkingen over mijn vader dateren van 1979. Later is mijn verhouding met hem beter geworden. Sindsdien heb ik al lang aanvaard dat ik op hem lijk en dat daar niets mis mee is.

STAMGASTEN

[NACHTEN AAN DE KANT 28. MAART 1979]

Een paar dagen na de openbaring van Charles Bukowski zat ik met enkele vrienden in het Pannenhuis. Dat was nu een vertrouwd toevluchtsoord geworden. Senga en ik waren eerst in de Cartoons, een kleine bioscoop voor cinefielen in de Kaasstraat, naar The General, het meesterwerk van onze uitverkoren komiek Buster Keaton gaan kijken. Het is tot op vandaag een van mijn meest geliefde films. Na de voorstelling liepen we in stilte over de Grote Markt, die ik altijd al zoveel mogelijk probeerde te vermijden omdat de onregelmatige vorm ervan me neurotisch maakt. De Brabofontein van Jef Lambeaux leidt me evenwel soms in bekoring, en dan kan ik maar moeilijk aan de neiging weerstaan om erop te klimmen. Dat deed ik niet: we sloegen de Kaasrui in en liepen via de Wijngaardstraat naar het Conscienceplein, het hart van de Kant.

In het café van Greta en Toulouse troffen we Guillaume en Renée aan, haar zus Chantal en haar vriend Gazoe. We waren met z’n allen in een ernstigere stemming dan meestal het geval is. Senga vertelde wat over The General, hoe teleurgesteld Buster Keaton was geweest over de negatieve reacties. De film had destijds helemaal geen succes gehad, recensenten vonden er niets grappigs aan. Mijn vriend Guy Bleus had bij hem thuis in Wellen een grote poster van Buster Keaton hangen. Buster was voor hem een lichtend voorbeeld. Na een paar glazen bier en wijn werd de sfeer wat losser, zoals dat wel vaker gebeurt. Gazoe was onder de indruk van Voyager 1, die net Jupiter had bereikt. Renée merkte op dat die raket sneller op Mars geraakt dan Gazoe met zijn bestelwagentje van in de Wolstraat tot aan de Dageraadsplaats. Gazoe had gelezen dat de Voyager muziek aan boord had, maar wist niet meer wat precies. Ik had er een lijstje van gezien en had een nummer van Chuck Berry, Dark Was the Night van Blind Willie Johnson en een van de Brandenburgse concerten van Bach onthouden. Renée vroeg zich af of er geen Jupitersymfonie was meegestuurd. Gazoe stelde zich de Jupitermannetjes en -vrouwtjes voor, luisterend naar No Particular Place to Go. Senga zat nog met Buster Keaton in het hoofd. Die zag ze nog niet meteen dansen op de rock and roll van Chuck Berry. Zelf dacht ik opeens aan Worstenman VDB: die vetzak heel zeker niet. Chantal wees erop dat er nog een stel varkens losliepen aan de Franse grens. Of die varkens al dan niet konden dansen, dat wist Guillaume, die al een hele tijd had gezwegen, nog zo maar niet. Hij vond dat Bruce Springsteen erbij moest zijn in die raket, een hedendaagse versie van Chuck Berry. Onlangs, tijdens een televisieavond bij Guillaume en Renée, hadden Senga en ik de zanger uit Asbury Park voor het eerst live gezien. Ik had hem geweldig gevonden. Springsteen was inderdaad, zoals Jon Landau beweerde, de herboren ziel en de toekomst van rock & roll. Hij laat het poppeloton ver achter zich, hij is een Fausto Coppi, een Eddy Merckx, niemand haalt hem nog in. Guillaume herhaalde nu hoe fantastisch hij hem vond, een blanke James Brown, en dan nog eens die briljante E-Street Band met hun aanstekelijke jive. Dat ritme, tsjak tsjak tsjak! Ik kwam helemaal op dreef. Ik zag in hem een positieve held, iemand die ons zowel opwinding als moraal brengt. Hij houdt zijn publiek voor wat een goed leven is. Je kunt niet zomaar als een blinde leven, je moet een droom hebben, een ideaal dat je moet proberen te verwezenlijken. Guillaume vreesde dat ik te ernstig werd. Voor hem was de zanger net zo goed een hansworst, een poesjenel, een clown, een rondreizende predikant en een verleider. Ja, een gunslinger bovendien, voegde ik eraan toe. Guillaume was in zijn nopjes nu Bo Diddley ter sprake kwam. Bo Diddley was een van zijn oude helden. Die rechthoekige rode gitaar van hem, dat was voor Guillaume pure popart. Niet toevallig dat Peter Blake hem heeft geschilderd, vond hij. Fantastisch werk, beaamde Renée. Bij de uitvoering van Rosalita deed hij me aan Dean Martin in Rio Bravo denken. Waarom weet ik eigenlijk niet en hij heeft al helemaal niets van een borrachón. Gazoe riep uit dat hij, Gazoe, hier de borrachón was. Renée was dan weer van mening dat Springsteen niet alleen maar een held en een moralist was maar in de eerste plaats een vuile rock & roller. Daar waren we het allemaal mee eens.
Senga vertelde dat François en Astrid hun schip hadden verkocht en nu aan de wal woonden. Ze hebben in Hoeselt een café overgenomen. Chantal vroeg zich af waar dat ergens was, Hoeselt. Ik wees naar een onzichtbare kaart van België en zei dat Hoeselt een stadje in Limburg is, niet ver van Bilzen. Die Derby, dat komt door mijn schoonzus, een meisje van de wal. Ze was het leven aan boord zo beu als koude pap. En nu zitten ze daar in dat dorpscafé. Als dat maar goed afloopt. Het lijkt me zo’n typisch stamcafé voor leeglopers en zatlappen. Borrachóns, riep Gazoe uit. Senga merkte op dat er toch maar een jukebox stond, een Seeburg nog wel, en dat wij er onlangs een keer geweest waren en hadden gedanst op Da Ya Think I’m Sexy. Rod Stewart!, lachte Renée. Guillaume, de ware familieman, dacht dat het allemaal wel goed zou komen met Astrid en François en zei dat hij ons bij een volgende gelegenheid wat reproducties van Peter Blake zou laten zien. Vervolgens liep hij, statig en als altijd geheel in het zwart, naar de toog en bestelde bij Greta, die in een pocket zat te lezen, waarschijnlijk misdaad, nog een rondje.

Het was al laat toen ik aan diezelfde toog in gesprek raakte met Maria Mentens. Eigenlijk was het voornamelijk luisteren wat ik deed. Maria vertelde over haar vader, Michel Mentens. Hij was ambtenaar van beroep maar had eigenlijk acteur willen worden. Hij had een zwak voor kunstenaars, meer nog als ze jong en idealistisch waren. Geborneerde types vervullen hem met weerzin. Dat eerste had ik een paar jaar eerder zelf ervaren in Doorndal, een jeugdhuis in Sint-Pieters Woluwe, waar we mijn toneelstuk Dr. Jekyll & Friedrich Nietzsche hadden opgevoerd, met Senga in de rol van de Egyptische buikdanseres en prinses Mumie Ma. Ik had haar willen inwikkelen in witte linnen zwachtels. Daar zouden we haar tijdens het hoogtepunt uit bevrijd hebben, om het publiek met haar naakte Egyptische schoonheid uit het veld te slaan. Daar was niets van terecht gekomen: Senga was te schuchter geweest en bovendien heb je voor zo’n inwikkelproces 375 vierkante meter stof nodig en duurt het ongeveer veertien dagen. We moesten realistisch blijven: het stuk ging niet eens over een Egyptische prinses. Michel Mentens was erg enthousiast geweest en had me aangemoedigd. Mijn vader heeft veel respect voor acteurs en alles wat met theater te maken heeft, zei Maria. Voor hem maakt het niet uit of je beroemd bent of niet. Hij ziet meteen of wat je doet uit het hart komt. Heb je hem nooit bezocht in het huis aan Mooi Bos, vroeg ze. Helaas niet, zei ik. Senga en ik zijn kort na die voorstelling naar hier verhuisd. Misschien waren we toch beter in Brussel gebleven. Nee hoor, zei Maria, hier is het veel beter. Alleen al voor deze kroeg zou ik naar Antwerpen verhuizen. In Brussel staan ze nu uren voor jou in de kou, zei ik. Zot, zei Maria. Opeens kreeg ik zin om haar te kussen. Maar we hingen aan de toog en Toulouse en Greta hadden er duidelijk genoeg van. Tijd om te vertrekken uit de Kant.

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

[NACHTEN AAN DE KANT 27]

Waarom die lange nachten zonder slaap? Vrees je dat je anders te weinig uit het leven zal halen? Het moet angst voor de dood zijn, of de vrees voor een te kort leven. Je wilt elk ogenblik bewust ervaren. Zelfs tijdens een roes wil je je hoofd niet verliezen. To be alive is to be awake, stelde Henry David Thoreau lang geleden al vast. Slaap is niet de broer van de dood, het is de dood zelf.
Je was niet de enige die dacht dat je op je 27ste aan je einde zou komen. In 1969 Blankenberge lag je tezamen met vijf of zes hippies op de grond of op een bed in een voor de rest lege kamer boven een café. Een van je Brusselse kameraden lachte toen hij je een joint doorgaf. Jij hebt toch astma, Martin, ha ha, jij eindigt nog zoals Brian Jones. Brian Jones was kort tevoren, en niet lang nadat Mick Jagger en Keith Richards hem zijn ontslag als Rolling Stone hadden gegeven, op zijn 27ste overleden. Brian Jones, die the Rolling Stones had opgericht en de groepsnaam had bedacht. Je lachte zelf ook. Het was de eerste keer dat je hasjiesj rookte. Je verdween in een droom, daartoe ook nog eens aangespoord door A Saucerful of Secrets van Pink Floyd. Behalve een bed, of mogelijk twee bedden, stond er in die Blankenbergse kamer dus ook een platenspeler, en mogelijk zelfs een kastje, waar die platenspeler op rustte.

Hoe moe ik ook ben, toch kom ik uit bed: ik moet werken, schrijven. Gisteren ben ik met Giuseppe naar de bioscoop geweest. We zagen, een beetje tegen mijn zin, Sisters van Brian De Palma. Ik ben niet meteen een liefhebber van het horrorgenre, een van de weinige smaakverschillen met mijn vriend. Voor mij was het een merkwaardige ervaring. De film was meeslepend en mysterieus maar ik vond hem ook wat amateuristisch. Heb je werkelijk zoveel referenties naar andere films – in dit geval naar die van Alfred Hitchcock – nodig als je zelf een authentiek regisseur bent? Ook het thema van de Siamese tweeling / schizofrenie vond ik vergezocht. Na de film liepen we zwijgend naar Giuseppe’s flat in de Vinkenstraat. Hij zal ongetwijfeld geweten hebben dat ik niet zo had genoten van de film en ik had geen zin om mijn bedenkingen uit te spreken. Je moet elkaars voorkeuren en afwijkingen respecteren. Bij hem thuis dronken we een paar glazen bier. Giuseppe is een bewonderaar van Charles Bukowski. Ook daarin verschillen we enigszins van smaak. Bukowski is een uniek dichter en schrijver maar zijn directe stijl ligt me niet zo, al vind ik hem als vieze oude man wel een fascinerend personage. Giuseppe nam het bijzonder mooi uitgegeven boek Love is a dog from hell van de salontafel en las enkele fragmenten voor.

there’s no chance
at all:
we are trapped
by a singular
fate.

nobody ever finds
the one.

Hij las meer dan dat. Hij las het grappige cockroach, het bitterzoete who in the hell is Tom Jones en het trieste 462-0614 en hij las zo lang tot ik er niet meer onderuit kon: Charles Bukowski is niet alleen een dirty old man maar ook een erg begaafde en inventieve dichter. Met de echo van zijn eenvoudige veelzeggende woorden en beelden in mijn hoofd keerde ik naar huis terug waar mijn geliefde zeker al lag te slapen.

DE TIJD IS UIT ZIJN VOEGEN

[NACHTEN AAN DE KANT 25]

Na de voorstelling van de films van James Scott in het Filmhuis trokken we met Luc en zijn vriendin Mathilde naar het Pannenhuis om de woelige beeldenstroom tot stilstand te brengen en ook wel om onze voeten te verwarmen. Vooral hadden we bier of andere drank nodig, om onze geesten te verlevendigen en onze speekselklieren te stimuleren waarna we elkaar al pratend met wetenswaardigheden en onbenulligheden uit het lood konden slaan, maar meer nog, denk ik, om elkaar te troosten want het was een tijd dat we nog om elkaar gaven en geen hardvochtige plannen maakten om Antwerpen of zelfs de wereld te veroveren. 1979 was geen jaar van ieder voor zich en god tegen allen en wat dat betreft vielen de daaropvolgende jaren ook nog mee. Als gevolg van de crisis waren het veeleer sombere dagen maar door de kieren viel veel warm licht naar binnen. Alsof je opeens een vertrouwde melodie hoorde, zoals dat af en toe als je rondslentert in een vreemde stad gebeurt, die je ziel in verrukking bracht. We gingen aan een tafeltje zitten en al spoedig kregen we gezelschap van verwante zielen en werd het een levendige boel.
Luc zei dat het onlangs een half uur had gesneeuwd in de Sahara. De tijd is uit zijn voegen, O, vervloekt spel, dat ik degene moet zijn die het herstelt, zei Mathilde. Van wie is die vertaling, Mathilde, vroeg ik. Dat moet ik morgen in de bibliotheek eens nakijken, zei Mathilde. Hebben jullie onlangs Boxcar Bertha gezien, vroeg Eddie D. Jazeker, zei Senga, met die sexy Barbara Hershey in de titelrol. Ik geloof dat ze de hele film lang geen ondergoed aan heeft, zei ik. Dat meen je niet, zei Mathilde. Toch wel, zei Senga, af en toe zie je zelfs haar blote kont. Wanneer dan, vroeg ik. Als ze achter zo’n goederenwagon aanloopt, zei Senga. En hoe zit het met de blote kont van David Carradine, vroeg Eddie. Die is me niet zo opgevallen, zei ik. Roger Corman is een geweldig producer, zei Luc, hij staat altijd garant voor seks, sentiment en stijlvol bloedvergieten. En Martin Scorsese voor schoonheid, al moest hij in 1972 nog wel wat leren, zei ik. Ik houd van die wereld van hobo’s, zei Senga, ze bezitten niets en toch zijn ze redelijk gelukkig. Toen ik nog heel jong was droomde ik ervan om zo’n hobo te worden, zei ik. Dat kwam door een boek van Jack London dat ik gelezen had, Tussen de wielen, de Engelse titel heb ik nooit geweten. Dan was je nu al dood, zei Eddie. Wie is toch die Ayatollah Khomeini die nu aan de macht is in Iran, vroeg Mathilde. Een godsdienstwaanzinnige, dacht ik, maar ik zei het niet hardop. Ik moest denken aan die song van the Who, Won’t Get Fooled Again. And the parting on the left / Is now parting on the right / And the beards have all grown longer overnight. De tijd is uit zijn voegen, zei ik. Drinken jullie er nog een, vroeg Eddie. Zeker, antwoordden we unisono.
Op die ongeremde wijze mengden onze stemmen zich met het gerinkel van de glazen en het rumoer van de andere drinkers in het café en met de muziek die Toulouse niet al te luid had gezet, maar waar we af en toe toch een glimp van opvingen en die dan mee onderwerp werd van ons gesprek. Tot we ongedurig werden en onze voeten als betoverd in beweging kwamen: Cinderella’s Ballroom wenkte ons, we moesten ons gaan overgeven aan de roes van de dans. Aan meer opzwepende klanken dan die in het Pannenhuis, aan die van dj Maryse. Senga had niet voor niets haar rode schoenen aangetrokken. Soms leek het wel of ze vastgegroeid waren aan haar voeten.



Foto: Martin Pulaski

DE BEKLIMMING VAN BRABO

4-29-2013_074janvv

[NACHTEN AAN DE KANT 22]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979  2de deel: 1 juli tot 31 december.

7 7 1979 Nosferatu: Phantom der Nacht van Werner Herzog. Drinken en roken. Jan V. en Bie zonderen zich af. Ik blijf enkele dagen in bed.

9 7 1979 Over Badlands van Terrence Malick.

10 7 1979 Aankoop van stiletto’s. Voorbereidingen voor een reis naar de Provence en de Camargue. Bezoek van Willy Boy en Paul Luyten. Verhaal van het poesje.

29 7 1979 Terug in Antwerpen. Geschiedenis van het konijn.

5 8 1979 Blackout in het appartement van Giuseppe.

7 8 1979 In Brussel. Days of Heaven van Terrence Malick. Country en rock op de Grote Markt in Brussel: Commander Cody and His Lost Planet Airmen en Elliott Murphy.

8 8 1979 Een hongerloon. Het Land van de Grote Belofte van Andrej Wajda.

9 8 1979 Drie vragen van Ria Pacquée. De kleine Elias.

14 8 1979 Over Ernst Jünger.

16 8 1979 Verkeerde interpretatie van ‘Taferelen van onverschilligheid’.

24 08 1979 Jean-Paul Dollé. Beschouwingen over Last tango in Paris van Bernardo Bertolucci.

25 8 1979. Een merkwaardige brief van Guy Bleus. Waanzin? Gevoel van leegte na het vertrek van Jesse.

1 9 1979 Een horrordroom. H.C. Ten Berge.

2 9 1979 Doodservaring. Een lijk in de kelder bij de Filosofische Kring Aurora.

4 9 1979 Bob Dylans Slow Train Coming.

5 9 1979 Over Rainer Maria Rilke. Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge en Duineser Elegien. Immanuel Kant en Thomas De Quinceys Last days of Immanuel Kant.

6 9 1979 Céline et Julie vont en bateau van Jacques Rivette. De dubbelganger.

7 9 1979 De hartspecialist.

7 9 1979 L’année dernière à Marienbad van Alain Resnais en Alain Robbe-Grillet. Een avond met Max en Ginette.

8 9 1979 Enkele beschouwingen over Talking Heads en enkele andere jonge bands.

11 9 Over de negatieve aspecten van benzodiazepines.

12 9 Over ziekte en vergankelijkheid. Jobs identificatie met Jezus Christus.

13 9 1979 De huisarts dokter Debaene. Effi Briest van Rainer Werner Fassbinder, een meesterwerk. Café De Volle Maan. Herinneringen aan de eerste dagen en nachten met Senga. Hilde Van M. In café de Cereus met Giuseppe.

14 9 1979 Cultiveer ik het schrijverschap? Over Een brief lezen in de metro in het NVT.

15 9 1979 Over Chinesisches Roulette van Rainer Werner Fassbinder.

16 9 1979 Seks, angst en dood.

19 9 1979. Dokter Clerckx, longarts.

20 9 1979 Zoeken naar iets in plaats van niets (Find myselfs a city to live in).

26 9 1979 Verkoop van het Dolfijnhuis.

1 10 1979 Over Engelen, Emmanuel Swedenborg en William Blake.

2 10 1979 In het Rivierenhof. Samuel Becketts Murphy. Verkoop van de zwarte leren jas van Senga. Een nacht in Cinderella’s Ballroom. Captagon.

4 10 1979 Droom over Charles Gounod en andere muziek.

8 10 1979 Beschouwingen over Mes petites amoureuses van Jean Eustache, Proust en Rimbaud.

10 10 1979 Southside Johnny & the Asbury Jukes in AB Brussel.

11 10 1979 Bezoek van mijn ouders en broer. De erfenis van tante Ellie.

14 10 1979 Utamaro’s wereld.

17 10 1979 Een droom. Op het kerkhof. In het labyrint van Orpheus en Renée.

18 10 1979 Violette Nozière van Claude Chabrol. Oedipus. Gedichten van André Breton, Benjamin Péret en Paul Eluard. Bij Aurora voorbereiding van een poëziemanifestatie.

violette3

19 10 1979 Op zoek naar een nieuwe woonst. Een bezoek van dokter Debaene.

20 10 1979 ‘Huwelijksparty’ (performance) van Guy Bleus in het Pannenhuis. Tequila. Wat is lijden?

24 10 1979 Met Paul R. naar een lezing van Marcelin Pleynet. Théorie de l’art moderne. Een avond van bezinning in het Pannenhuis.

25 10 1979 Lamorinièrestraat 213: Een nieuwe woning gevonden. Jammen met Jimi Hendrix.

27 10 1979 Poëziemanifestatie van Aurora in het Filmhuis. Lovende woorden van de dichter Eldert Willems.

30 10 1979 Jesse op vakantie bij ons. Jesse en Vera organiseren een feestje. Een cheque van mijn moeder. Pannenkoeken eten. Voorlezen uit Jack London.

11 1979 Met Jesse naar Abba in Vorst Nationaal. Een bizarre rit met de taxi.

6 11 1979 De kleine Paul eet verf. Over Die linkshändige Frau van Peter Handke.

linkshandige frau

8 11 1979 Droom van de zwarte zon. Gesprek met Eddy Devos over de zon van Vincent Van Gogh, psychotherapie en over Wozzeck van Alban Berg en Büchner.

9 11 1979 Over mijn moeilijke vriendschap met Job. Gesprek over filosofie en literatuur.

10 11 1979 Annie Reniers over het nihilisme. De tijdelijkheid.

12 11 1979 Senga en ik nodigen Giuseppe en zijn nieuwe vriendin Anna uit voor een etentje. Om 4 uur ’s nachts met zijn vieren naar Cinderella’s Ballroom.

13 11 1979 Over Cul-de-sac van Roman Polanski en Days of Heaven van Terrence Malick.

15 11 1979 Teleurstelling en woede. Zwaar aan de drank in het Pannenhuis, met Wout Vercammen en Walter Van Rooy. Verzoening met Wout Vercammen.

16 11 1979 De Staat als grondslag van de Vrijheid, voordracht van Leopold Flam. Performance van Ria Pacquée in Ruimte Z. Een nieuwe beat generation? Met Guy Bleus naar Pannenhuis en Cinderella.

17 11 1979 The Kinks in Vorst Nationaal. Beschouwingen over The Kinks, massa en agressie.

23 11 1979 Euforie met Giuseppe, Anna en Senga in de Muze en de Kroeg. Oeuvres Complètes van Antonin Artaud.

29 11 1979 Verhuis naar de Lamorinièrestraat. Ware Vriendschap.

1 12 1979 Opening tentoonstelling van werk van Guy Bleus bij Filosofische Kring Aurora.

12 12 1979 Over Apocalypse Now van Francis Ford Coppola.

13 12 1979 De geschiedenis van een tafel. Het leven een droom. Een cadeau van Senga: Something Else by the Kinks.

kinks-something2

14 12 1979 Paul Rigaumont over De verwijdering. Met ons groepje en Flam naar café des Arts. Later een heerlijke nacht in Cinderella’s Ballroom met schitterende muziekkeuze van Maryse.

18 12 1979 La Luna van Bertolucci. Senga slikt een hoge dosis efedrine (Alfavit), een middel tegen astma.

20 12 1979 Dwaze nacht in het Pannenhuis en de Skipper. Met Walter Van Rooy en Guillaume Bijl. De beklimming van Brabo.

31 12 1979 Herinneringen aan de laatste dag van 1969. Wedergeboorte. De beste albums van het afgelopen decennium.

98 antwerpen1978horizontaal

LOOKING FOR MS. AND MR. GOODBAR

Buster-Keaton-Marion-Mack-The-General

[NACHTEN AAN DE KANT 21]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979. 1ste deel: 1 januari tot 30 juni.

““’He could not live with himself.’ It was just a phrase, but an exact one. Under the pressure of Power, the self cracks and splits. The public coward lives with the private hero. Or vice versa. Or, more usually, the public coward lives with the private coward. But that was too simple: the idea of a man split into two by a dividing axe. Better: a man crushed into a hundred pieces of rubble, vainly trying to remember how they – he – had once fitted together.”
Julian Barnes, The Noise of Time

Om mijn terugblik op onze eerste jaren in Antwerpen en vooral op de nachtelijke zijde daarvan meer samenhang en context te geven volgt hier (en in de volgende afleveringen) een beknopte opsomming van relatieve hoogtepunten van 1979 – die ook in dit geval dieptepunten konden zijn. Ik probeer de aandacht vooral op het Pannenhuis te richten maar net als voor 1978 moeten sommige voorvallen bij ons thuis of op andere plaatsen ook worden vermeld. Vergeet daarbij niet dat er geen nacht is zonder dag en dat alle herinneringen tegelijk waarheid en verzinsel zijn. Wat jij zegt had ik zelf net zo goed kunnen zeggen, en vice versa.

4 1 1979 Huiselijke taferelen in het Dolfijnhuis. Op droog zaad. Robert Falcon Scott.

7 1 1979  Ziekte van Senga. Bezoek van moeder, Guillaume Bijl en Anton. Een nacht in café De Gnoe.

12 1 1979 Opening in het Pannenhuis van de tentoonstelling Termen, werk van Leo Steculorum. Gesprek met Paul Rigaumont over kunst en kunstkritiek. Ontmoeting met Wout Vercammen.

17 1 1979 Met Guy Bleus naar Quick en Pannenhuis. Gesprekken met Luc Van Tendeloo en Ria Pacquée over Jabberwocky en Aguirre, der Zorn Gottes. Een droom over een hels concert en Geheime Agenten.

24 1 1979 Opgeklaarde hemel. Project van de Filosofische Kring Aurora goedgekeurd voor het Bijzonder Tijdelijke Kader. Kleuren tegen die bleierne Zeit.

29 1 1979 Laatste nieuws (over amokmakers): John Travolta, Patricia Hearst, Brenda Spencer. Stijl. Droom van Marina di Pisa.

8 2 1979 Dwepers. Bij Wim Meewis de zachtmoedige schrijver. Café Tivo. Een nacht in de kroegen met Giuseppe. Warren Oates, Monte Hellman en Sam Peckinpah. Millie Perkins. Ervaring van stilstand en het opene in het Stadspark.

monte_hellman_Shooting_07_blu-ray_

14 2 1979 De dood van Jean Renoir. Lectuur van Nietzsches De vrolijke wetenschap en van Die Blendung (Het Martyrium) van Elias Canetti.

17 2 1919 Kunstfilms van James Scott. Over popartkunstenaar Richard Hamilton.

19 2 1919 Droom van een tentoonstelling in het Pannenhuis: EAT ART.

22 2 1979 Met Giuseppe naar Sisters van Brian DePalma. Giuseppe’s fascinatie voor horror. Giuseppe leest voor uit Charles Bukowski’s The Days Run Like Horses Over The Hill.

26 2 1979 Mijn broer François en mijn schoonzus Astrid zeggen de scheepvaart vaarwel en openen café Derby in Hoeselt. Jukeboxmuziek. Dansen op Do Ya Think I’m Sexy van Rod Stewart.

28 2 1979 Bij Pax Christi voor een job. Wat is polemologie? Wandeling in oude Antwerpse straatjes. De schoonheid van straatnamen.

2 3 1979 In Cartoons The General van Buster Keaton. Nacht in het Pannenhuis met Chantal Strubbe, Renée Strubbe, Gazoe en Guillaume Bijl. Maria Mentens vertelt me uitgebreid over haar vader, de mensch Michel Mentens. Ongewild parasitisme.

6 3 1979 Bezoek van mijn vriend uit Sint-Joost, Paul Luyten. Paul woont nu in Gent en runt een boekwinkel (Walry). VDB is formateur en heeft een Plan. Aan de Franse grens lopen massa’s varkens op straat. Voyager 1 bereikt Jupiter.

11 3 1979 Televisieavond bij Guillaume en Renée. Bruce Springsteen live: Eddy Merckx/Fausto Coppi van rock & roll. La Notte van Michelangelo Antonioni. Problemen van de hedendaagse literatuur.

23 3 1979 Shoppen met stijl. Regenjassen van De Wolmolen. Met Paul Luyten naar de film Sybil van Daniel Petrie. In het Pannenhuis en Gard Sivik.

1979-1980-aurora 5 001

27 3 1979 In het Pannenhuis tentoonstelling/performance van Guy Bleus: Diploma’s/Smell Art/Mail Art. Diploma’s te koop.

2 4 1979 Een vervelend misverstand. Mislukte voordracht over Dantes Paradijs. Een probleem genaamd ironie.

4 4 1979 Tentoonstelling Frans Gentils in Pannenhuis. Rhythm & Blues Party. Dans als ziekte en als doodsverlangen. Marcia Trionfale van Marco Bellocchio.

24 4 1979 Opening van Guillaume Bijls tentoonstelling ‘Autorijschool Z’ in Galerij Z. Met Senga, Bie DM en Giuseppe. In St-Katelijne Vest geknield en gebeden voor het beeld van Jezus Christus.

25 4 1979 Televisieavond bij Guillaume Bijl en Renée Strubbe. Patti Smith in Rockpalast: hogepriesteres van rock & roll. So You Want To Be a Rock and Roll Star?

01  Rock ‘n’ Roll Star
02  Hymn
03  Rock ‘n’ Roll Nigger
04  Privilege
05  Dancing Barefoot
06  Redondo Beach
07  25th Floor
08  Revenge
09  Wave
10  Pumpin’ My Heart
11  7 Ways Of Going
12  Because The Night
13  Frederic
14  Jailhouse Rock
15  Gloria
16  My Generation

28 4 1979 Met Giuseppe in café Pallieter op het Mechelseplein. Gesprek over muziek en literatuur, Sartre, schrijven onder invloed van amfetamine. In het Pannenhuis ruzie met Job.

8 5 1979 Paul Rigaumont toont me werk van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Veličković, geboren in 1936 in Joegoslavië (nu Servië). Margaret Thatcher is de eerste vrouwelijke premier van Groot-Brittannië.

Vladimir VELIKOVIC2

10 5 1979 De dood van Louis Paul Boon.

16 5 1979 Gedachten over punk, onverschilligheid en gemeenschap. Eenzaamheid als wapen. Nog meer  Vrolijke Wetenschap.

17 5 1979 Achterhaald radicalisme van enkele kameraden. Schranderheid die domheid blijkt te zijn.

20 5 1979 Moeilijkheden met conversatie en het formuleren van ideeën.

23 5 1979 Droom over de dood van David Bowie.

30 5 1979  Genereuze vrienden – Nieuw Vlaams Tijdschrift – Wim Meewis revisited.

1 6 1979 Enkele woorden over Ezra Pound. Mijn verhaal ‘Een brief lezen in de metro’ gepubliceerd in NVT.

11 6 1979 De blijde intrede van Bie De Meulenaere.

12 6 1979 Over boeken en schoenen.

15 6  Met Senga en Bie naar Looking for Mister Goodbar van Richard Brooks. Paul Rigaumont begint met olieverf op groot doek te schilderen. Zelfmoord van Jean-Louis Bory.

21 6 1979 Dood van Nicholas Ray. Verhalen van Eddy Devos uitgegeven door Aurora. Gedichten van Tonko Brem alias Antoon Van den Braembussche.

27 6 1979 Met Senga en Bie DM naar Dylans Renaldo en Clara (opnieuw).

29 6 1979 Opening van tentoonstelling van Walter Van Rooy in Pannenhuis. Met Bie en haar zus Leen in het Pannenhuis, de Muze, de Mok en de Kroeg. Poesjes ontdekt in de kelder van het Dolfijnhuis.

goodbar2

 

DE NIEUWE GIDS

La_Barque_de_Dante_(Delacroix_3820)

Van alle cafés waar ik ooit kwam heb ik aan het Pannenhuis de beste herinneringen, ook al beleefde ik extatische momenten in Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag. Daar heb ik net zo goed fijne herinneringen aan, maar ze zijn vager dan die aan het Pannenhuis. Wellicht omdat ik in Cinderella’s Ballroom voornamelijk voor de muziek kwam, en om te dansen.

Zo begon op 5 november 2019 deze reeks, eerst met als titel Nachten in het Pannenhuis, later als Nachten aan de kant. Mijn bedoeling was de sfeer van het Antwerpse nachtleven in de periode 1978-1982 op te roepen en enkele vrienden en kennissen uit die tijd uit mijn eigen vergetelheid naar boven te wroeten.
In dit verhaal – dat vrij lang werd onderbroken –  ben ik nu aan het 21ste hoofdstuk aangekomen. Mijn eindbestemming is nog niet in zicht. Een aantal van de nachtelijke vrienden van vroeger is wel al vrij uitgebreid aan bod gekomen: Guillaume Bijl, Renée Strubbe, Leo Steculorum, Jos Dorissen, Agnes alias Senga, Guy Bleus, Flor Van Tendeloo, Brigitte van Cleynenbrogel, Gabriëlla Boonen, Max Borka, Johnny Pappas, Ria Pacquée, Paul Rigaumont, “Anton”, Dominique, Wout Vercammen. Maar een behoorlijk aantal protagonisten moet zeker nog voor het voetlicht treden. Ik wil hierbij verduidelijken dat het mij hoofdzakelijk te doen is om wat ik nachtvrienden noem. Mijn vrienden van overdag, degenen die ik ’s nachts zelden ontmoette, en mijn familie, waaronder mijn zoontje, komen maar sporadisch in beeld. Niet omdat ik hen geen warm hart toedraag, integendeel. Alleen leken het wel aparte werelden (die soms wel eens konden samenvallen).

Nachten aan de kant is zonder dat ik het wilde in verschillende richtingen uitgewaaierd; samen hebben we ons op soms overwoekerde zijpaden begeven. Af en toe leek onze nieuwe omgeving op een donker woud. Moeilijk om daar weer uit te raken, zeker als het midden van je levensweg al ver achter je ligt.  Voor een onderneming als deze – noem het een reis in de tijd – heb je een gids nodig, een nieuwe Vergilius, die kennis heeft van popmuziek, Europese literatuur, filmkunst, theater, dans, iemand die het nachtleven van omstreeks 1980 kent. Niet alleen dat, deze Vergilius moet je eveneens helpen om met een 21steeeuwse blik en een hedendaags bewustzijn terug te kijken naar het eigen verleden en je de mogelijkheid geven om de tijdgenoten van toen naar de wereld van vandaag te verplaatsen. Die gids kan ik alleen in mezelf vinden. Ik moet als het ware uit mezelf treden en met de andere die ik dan ben in dialoog gaan. Een moeilijke maar niet onmogelijke opgave. Je hebt altijd meerdere zelven. Je leeft tegelijk in het verleden en in het nu, de tijd van Trump en anti-democratie en qua omvang de ernstige pandemie sinds de Spaanse Griep van 1918-1919.

Wat ik wil doen om dit verslag wat meer helderheid te geven is nog eens een lijst maken, zoals ik voor het jaar 1978 al deed in Alleen in de tijd wordt de tijd overwonnen en in Kicks aganst the pricks.
In de volgende twee of drie hoofdstukken zal ik  een beknopte opsomming geven van hoogtepunten van 1979 – die ook in dit geval dieptepunten konden zijn. Ik probeer de aandacht vooral op het Pannenhuis te richten maar net als voor 1978 moeten voorvallen bij mij thuis of op andere plaatsen – al was het maar als context – een plaats krijgen.

Afbeelding: La barque de Dante, Eugène Delacroix

 

 

 

 

DWEPERS

1978-1980-AURORA 14 001

[NACHTEN AAN DE KANT 20]

Inmiddels is het februari geworden. Vanmorgen kwam de huisbaas vragen hoe het zat, komt er nog wat van, van die huishuur. We zullen wel zien. Het is nog maar de achtste. Waar maakt die lieve man zich druk om? Zijn vrouw zal hem wel aanporren. Neen, door huisbazen laat ik me niet opjagen. Vandaag wil ik rust in mijn hoofd.

Een paar dagen geleden vergaderden we met de redactie van Aurora bij de schrijver Wim Meewis. Een beminnelijk man, iemand die ik ten zeerste waardeer. Ik heb de indruk dat het wederzijds is. Hij heeft me al meermaals gezegd dat hij mijn teksten graag leest. Wim en zijn vrouw wonen in een ruime flat op de elfde verdieping van een groot gebouw met een adembenemend uitzicht op de Schelde, de stroom van gelukkige momenten en persoonlijke tragedies. Mijn broer en schoonzus zijn er bij een schipbreuk bijna in verdronken. Een voorbijvarende sleepboot kon hen op het laatste moment nog redden. Toen ik nog een kleine jongen was is een van mijn neven, Louis Costers, tijdens mistig weer overboord gesukkeld. Pas weken later werd zijn levenloos lichaam op een oever een heel eind van Antwerpen teruggevonden. Sindsdien worden de verheven gevoelens die de stroom bij me oproepen soms verdrongen door huiveringwekkende herinneringen.

Na de vergadering met enkele redactieleden gingen we nog wat ‘napraten’ in café Tivo op de Bolivarplaats. Veel gezeur en negatieve gevoelens ten aanzien van Leopold Flam, onze ‘leider’. Daar doe ik liever niet aan mee. Wat een contrast met de poëzie die de Schelde bij me oproept. Toen Job was uitgeraasd over professor Flam moest Van Morrison het ontgelden. Het leek wel of Job het over een gewetenloze schurk had, zo wond hij zich op. Van Morrison, die vent  heeft volstrekt geen talent, riep hij uit. Een oplichter, vervolgde hij. En zo ging hij nog een tijd door. Job weet goed dat de Ierse zanger en songschrijver een van de weinige echt stralende sterren aan het rockfirmament is. Hij weet dat Astral Weeks en Moondance meesterwerken zijn. Het is de drank die hem zo dwars doet liggen, denk ik. Job heeft wel vaker een kwade dronk. Het is naar het schijnt iets in zijn frontale kwab, of anders zal het zijn amygdala wezen, de details ken ik niet, het is een delicate kwestie. Ik keek op mijn horloge, wat ik zelden doe in fijn gezelschap. Round midnight, dacht ik, tijd om hier op te stappen.

monte_hellman_Shooting_09_blu-ray_2

two_monte_hellman_Shooting_06_blu-ray_3

Gelukkig was Giuseppe thuis. Zo is het toch nog een genoeglijke nacht geworden. Volgens mijn wat buitensporige maatstaven van de laatste jaren hebben we zelfs niet al te veel gedronken. We zijn naar een volkscafé bij hem in de buurt gegaan, een plek waar we wel vaker zitten. Er valt helemaal niets te beleven, maar wat maakt ons dat uit? Met Giuseppe ga ik niet op café  omdat daar iets te beleven is. Terwijl Giuseppe was gaan plassen heb ik op een bierviltje een ontwerp voor een gedicht over de Schelde geschreven. Mogelijk kan ik daar nog iets mee aanvangen, later, als ik ouder en wijzer ben. Kitsch schittert in de smoelen van het schone volk, en meer van dat. Haast onleesbaar.

We hebben uren over film gepraat, wat we wel vaker doen. Giuseppe dweept met Montgomery Clift. Hij heeft net zijn biografie gelezen en wil dat ik dat ook doe. Je moet, zei hij. Oké, zei ik, dat zal ik doen. Je weet hoe gehoorzaam ik ben. Eigenlijk wil ik mij Monty liever herinneren zoals ik hem ken uit Red River, maar dat zei ik niet. Giuseppe houdt teveel van levens. Hij verslindt dagboeken, biografieën en autobiografieën. Ik heb hem het werk van regisseur Monte Hellman aangeraden; een drietal van zijn films worden dezer dagen tijdens Film International vertoond. In het Filmmuseum in Brussel was ik beslist onder de indruk van The Shooting en Ride in the Whirlwind, niet eens zo lang geleden. Vooral van die eerste, die een raadselachtig verhaal vertelt over een opdracht in de woestijn, met Warren Oates en Jack Nicholson. Paarden, dubbelgangers, cocaïne, het land van Cocagne. Giuseppe was een even grote bewonderaar van Warren Oates als ik. Van het een kwam het ander. Het ander was Bring Me the Head of Alfredo Garcia. De beste film van Peckinpah, zei Giuseppe. De beste rol van Warren Oates, zei ik. In The Shooting speelt ook een mij verder onbekende actrice mee, Millie Perkins. Van haar ben ik nog altijd aan het dromen, zei ik, ze ziet er even mysterieus uit als het personage dat ze vertolkt. Ik geloof dat zij het liefje van Elvis was in Wild in the Country, zei Giuseppe. Beroemd is ze er niet mee geworden, zei ik. Ze was meer een beatmeisje, zei Giuseppe. Ze had zangeres moeten worden, zei hij. Misschien kan ze niet zingen, zei ik. In Wild in the Country zingt ze alvast niet, zei Giuseppe. Ken je dit, vroeg hij. Hij toonde mij het Duitse tijdschrift Filmkritik. Nee, zei ik. Uit de bibliotheek meegenomen, er is toch geen kat die het leest, zei hij. Hij liet me een stukje van een interview met Wim Wenders lezen. Wat Wenders daarin vertelde was zo hartverwarmend dat ik hem meteen als een verre vriend ging beschouwen. Je mag het hebben, zei Giuseppe, je hebt er meer aan dan ik. Trouwens, Martin, ik heb Bobby Bland ontdekt, zei hij, wat een geweldige zanger. Ik ken alleen zijn Turn On Your Lovelight en dan nog voornamelijk in de versies van Van Morrison, met Them, en die van The Grateful Dead, zei ik. Ik zal voor jou zijn elpee His California Album eens meebrengen, zei Giuseppe. Opgenomen begin jaren zeventig. Fantastisch album, vooral het nummer Up and Down World.

De ochtend was aangebroken. We bestelden onze laatste glazen bier in café de Balie, tegenover het Justitiepaleis. Ze smaakten bitter en overbodig, maar ze stonden daar voor ons op tafel met een bedoeling. We hadden al lang weg moeten zijn, naar huis, we hadden meer dan voldoende pils naar binnen, maar we wilden zo lang mogelijk bij elkaar blijven, in die betoverde cirkel van vriendschap. Daarom stonden die glazen daar. Zo was er een uiterlijke reden om onze roes in stand te houden: demon alcohol, ons noodlot.

Naar huis dan maar, waar Senga op me wachtte. De dag is helder, zoals hij alleen in februari helder kan zijn. Antwerpen is een geheel van lichtblauwe, scherp afgetekende vormen. Veel net niet verblindend wit zie ik ook. In het Stadspark zitten de meeuwen en de eenden stil op het ijs. Het is een merkwaardig zicht. Deze versie van de werkelijkheid zie je alleen maar als je een hele nacht bent opgebleven. De vogels zijn nu in het opene gekomen, ze hebben de gewichtloosheid van marionetten, de tijd heeft geen vat op ze. Zelfs het ijs laat je niet onverschillig. De wereld is tot stilstand gekomen. Er is nog niets begonnen. Welke andere stad is zo doordrenkt van deze sfeer? Stilstand, jazeker, en toch weet ik dat er tegelijk beweging is. In de verte worden de grote zeeschepen gelost en geladen. De dokwerkers zijn druk in de weer. Ik herinner mij uit mijn kinderjaren de immense kranen, de zeeschepen uit de hele wereld, de geur van sinaasappelen en bananen. De geur van hout uit Brazilië, het immense woud daar dat ik ooit met mijn broer zou ontdekken.

Bijna middag toen ik thuis kwam. Weer een Antwerpse nacht in mijn kleren en onder mijn huid gekropen.

1979-1980jos-flam

Foto’s: met Wim Meewis, circa 1979; The Shooting van Monte Hellman; met Leopold Flam en Giuseppe (regenjasbrigade).

OPGEKLAARDE HEMEL

1979-1980-aurora 6 001

[NACHTEN AAN DE KANT 18]

Januari 1979 loopt ten einde. Af en toe klaart de hemel op en dan schijnt de zon zo fel naar binnen dat ik een ogenblik verblind ben, wat mij, zeker omdat het maar van korte duur is, een prettig gevoel geeft. Op een kille winterdag zo onverhoeds de zon je huid voelen strelen, je verrukt voelen door haar unieke warmte: plots weer blij zijn dat je leeft. Het donkere seizoen heeft je niet klein gekregen. Om een dergelijke vreugde uit te drukken bestaan geen adequate woorden, er is muziek voor nodig, een wijsje dat wordt gefloten of geneuried, of gescat in de stijl van Louis Armstrong.

Gisteren kwam Paul Rigaumont ons goed nieuws brengen in verband met de filosofische kring Aurora en ons tijdschrift. Ons BTK-project is goedgekeurd [1]. Je zal je misschien afvragen wat dat was, een BTK-project. BTK was het acroniem voor Bijzonder Tijdelijk Kader. Het ging om een plan van de socialistische politicus Guy Spitaels, toenmalig minister van Arbeid en Tewerkstelling, dat in leven was geroepen om de toenmalige gigantische werkloosheid te bestrijden. Deze BTK-projecten hebben niets te maken met de BTK-moordenaar Dennis Rader, een man die tussen 1974 en 1991 onder het motto Bind, Torture en Kill in Wichita in de staat Kansas minstens tien mensen vermoordde. In brieven aan burgers en aan de politie beschreef hij zijn moorden in detail. Aangehouden werd hij pas in 2004.
Voor Senga, Paul en mij is het net een levensbevestigend project. Binnenkort zullen we, alvast gedurende een jaar, uit de ellende van de werkloosheid ontsnappen (en uit de statistieken). Voor die duur zullen we een vast inkomen hebben en niet meer dagelijks op een ander uur een stempeltje moeten gaan halen in het stempellokaal in de Lange Kievitsstraat. Het betekent vooral dat we voltijds kunnen gaan werken aan een project dat ons na aan het hart ligt. We zullen er onze eigenheid niet voor moeten opgeven, integendeel, onze zelfverwezenlijking [1] zal deel uitmaken van het project. We zullen zowel de kwaliteit van het driemaandelijks tijdschrift Aurora kunnen verbeteren als een echt en levendig centrum voor filosofie, kunst en literatuur worden. Naast het tijdschrift zullen we andere filosofische en literaire werken kunnen uitgeven, we zullen lezingen, performances, tentoonstellingen en poëziemiddagen organiseren.

Vorig jaar, op een donkere herfstdag, had Paul ons in ons Dolfijnhuis al eens met een bezoek verrast. We hadden al vaker over een wat minder amateuristische aanpak van de activiteiten van de filosofische kring Aurora gediscussieerd. Amateuristisch waren we omdat we geen geld hadden, geen subsidies, niets. We hadden alleen maar een huis in de Lange Leemstraat 58, dat ons gratis ter beschikking werd gesteld door een zekere dokter Stienlet. Onze kleurrijke verbeeldingskracht was ons enige wapen tegen het antraciet van de crisistijd [2]. Die dag was Paul ons komen meedelen dat de situatie mogelijk zou verbeteren. Paul had de ambtenaren van de RVA kunnen overtuigen van de culturele en maatschappelijke waarde van ons Aurora-project. Hij had kunnen bewerkstelligen dat we met zijn drieën een bediendencontract zouden krijgen.

Die dag had Paul nog een andere verrassing: hij zou opnieuw gaan schilderen. Zijn ogen kregen een vrolijke uitdrukking toen hij ons dat toevertrouwde. Tot dan had ik hem altijd als een ernstige jongeman gezien, nu kreeg hij iets speels over zich. Dat vrolijke, speelse zou ik later, als hij stond te schilderen of gewoon maar wat met me praatte, vaak terugzien. Als bewijsmateriaal, als wilde hij duidelijk maken dat hij het meende, had hij een klein schilderijtje op papier voor ons meegebracht. Achteraf besefte ik dat het al grotendeels een Paul Rigaumont was geweest terwijl ik op dat ogenblik vooral de invloed van Paul Klee ontwaarde.

Gisteren dan dit opbeurende nieuws. Alle redenen zijn goed om feest te vieren, maar een betere dan deze, dat onze praktische levens zo’n positieve wending krijgen, kan ik me niet voorstellen. Senga is een fles Jim Beam gaan kopen. Deze middag was Guy hier even om mij zomaar een cadeautje te brengen, een Greatest Hits-album van Del Shannon, een zanger die ik al sinds mijn elfde, toen ik voor het eerst zijn Runaway hoorde, uitermate bewonder. Jammer dat Guy geen tijd had om wat langer te blijven. Giuseppe, die ons toevallig ook even kwam begroeten, is wel gebleven. Met hem hebben we er een feestelijke Del Shannon- en BTK-avond van gemaakt. Giuseppe zat Stranger in Town mee te zingen, met zijn mooie, gevoelige stem waarmee we hem destijds in Brussel songs van Neil Young hadden horen coveren. Daarna kwamen Armed Forces van Elvis Costello & the Attractions en Street Hassle van Lou Reed nog aan de beurt, elpees die ik enkele dagen geleden heb aangeschaft. Ik denk dat Street Hassle tot op vandaag de meest geslaagde soloplaat van Lou Reed is. Alleen al dat nummer Dirt:

You remember that song
by a guy named Bobby Fuller?
It goes like this:
I fought the law
and the law won
I fought the law
and the low won.

Wij waren die avond echter lang niet zo pessimistisch. Voor een keer hadden wij de wet  aan onze kant. Ook al was dat maar voor een jaar.

[1] Zelfverwezenlijking: een begrip van de humanistische psycholoog Abraham Maslow.

[2]  De film ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta was in die dagen in de Cartoons of in het Filmhuis te zien. Het was een drama over Gudrun Ensslin en haar zus Christiane. Gudrun Ensslin was vanaf 1970 lid van de eerste generatie van de Rote Armee Fraktion, werd in 1972 gearresteerd en opgesloten in de Stammheim-gevangenis in de buurt van Stuttgart. Ze ging talloze malen in hongerstaking tegen het strakke gevangenisregime. In 1977 hing ze zichzelf op in haar isoleercel. ‘Bleierne Zeit’ (loden tijd) is inmiddels een gevleugelde uitdrukking die naar de jaren van de links-radicale terreur in Duitsland en Italië verwijst. Margarethe von Trotta vond de woorden in een elegisch gedicht van Hölderlin, ‘:
“Trüb ists heut, es schlummern die Gäng und die Gassen und fast will
Mir es scheinen, es sei, als in der bleiernen Zeit.”

1979-1980-aurora 11 001

Foto’s: Tijdens een evenement van de filosofische kring Aurora; Senga aan het werk bij Aurora.

DE OUDE DUIVEL GENAAMD TIJD

[NACHTEN AAN DE KANT 16]

“Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.”

goddog2

In onze levens en in de wereld hangt alles met alles samen. In mijn terugblik op de muziek waar ik in de jaren zestig en zeventig van hield – en in veel gevallen nu nog steeds – ben ik in het jaar 1978 en in mijn stad aan de Schelde aangekomen. Op slag zit ik weer in mijn werkkamer in ons Dolfijnhuis, hoor in de grote betegelde kamer op de gelijkvloerse verdieping opnieuw Some Girls en Darkness on the Edge of Town weerklinken en zie de vrienden van toen voor me, net zoals ikzelf ruim veertig jaar jonger dan vandaag, en neem me voor om op café te gaan, bij voorkeur naar het Pannenhuis op het Conscienceplein, bij Greta en Toulouse.

De opening van de expo van werken van Leo Steculorum is net achter de rug. Na afloop zijn Senga en ik nog met Leo en Wout Vercammen kip en frieten gaan eten in het Kiekenkot. Sinds 2 december 2019 zijn er in deze kroniek een tweetal dagen voorbijgegaan. Maar wat gaat het leven in de objectieve werkelijkheid onverbiddelijk zijn gang: acht maanden lang is in de rivieren het water naar de zee gestroomd en sinds Nieuwjaar zijn er 630.000 mensen gestorven aan een nog altijd mysterieus virus.

Daar gaat de deurbel. Wie kan dat zijn, ik verwacht niemand, en zit net goed in de flow van mijn tekst. Ik kijk even door het raam en zie dat het Guy Bleus is: dan is het goed. Ik heb hem sinds vorige zomer niet meer gezien, of vergis ik mij nu? Ik leg een plaat op van Mink DeVille, Cabretta, en we praten een poos over wat er de voorbije maanden in onze levens is gebeurd. Opnieuw valt op hoe onze manieren van denken gelijk blijven lopen. Al gauw krijgen we zin om nog een keer de stad in te trekken. Voor we ons naar het Pannenhuis begeven gaan we een hamburger eten in de Quick, een van onze favoriete restaurants. Terwijl we staan te bestellen vraagt Guy aan het meisje dat ons bedient of hij de zaakvoerder van dit filiaal kan spreken. Hij moet even wachten tot zo’n gladde jongen hem te woord wil staan. Ik ben geïnteresseerd in een job bij jullie, zegt Guy, ik wil dolgraag een Quick Boy worden. Hij krijgt meteen alle informatie en een sollicitatieformulier mee.

Hoewel het nog niet donker is als we het Pannenhuis binnenstappen, ziet Ria er toch behoorlijk dronken uit, al is ze niet bezopen. Heb ik Ria ooit wel eens zat gezien? Met haar valt altijd te praten, ook nu weer. Zoals steeds moet er eerst wat ijs gebroken worden, wat over de werkloosheid gesakkerd, over de crisis waar maar geen eind aan komt. Voor we het weten hebben we het over Geeraard de Duivel en Jacoba Van Zottegem. Uiteindelijk zijn we niet ontevreden met onze status van misfits. Stel je voor dat we flikken zouden zijn, of ambtenaren van de RVA, of nakomelingen van die vervloekte Geeraard.

1 aguirrewrathofgod

Luc Van Tendeloo komt aan onze tafel zitten. Hij leeft van de Openbare Onderstand, daar bak je ook geen zoete broodjes van. Dat belet hem niet om vaak naar de bioscoop te gaan. Hij heeft nog maar pas Aguirre, der Zorn Gottes gezien. IJskoud in de King Kong, maar wat een film, en wat een regisseur, die Werner Herzog, roept hij uit, zijn lippen vol bierschuim. Prachtig, zeg ik, die stroom dat is toch een manifestatie van het heilige. Ja, en je beseft ook dat logica zo weinig betekent, zeker in de wildernis en in het licht van de eeuwigheid, zegt Luc. Mensen die geobsedeerd zijn door zuiverheid, moeten we wantrouwen, zeg ik. Dat zeker, zegt Luc. Echt angstaanjagend, haast satanisch, die Klaus Kinski, voegt hij eraan toe. Onlangs zei iemand me nog dat ik op hem lijk, zeg ik. Jij lijkt helemaal niet op Kinski, zegt Ria.
Ik vertel over ons laatste bezoek aan Guillaume en Renée. Jabberwocky was op tv, die film van Terry Gilliam met Michael Palin. Hij is een kuiper die allerlei dolle avonturen beleeft. Zo moet hij een strijd op leven en dood voeren met het monster Jabberwocky. Alleen als Michael Palin Jabberwocky kan doden krijgt hij de hand van Griselda Fishfinger, de prinses. Wel grappig en goed gemaakt maar ik heb me de hele avond moeten inspannen om de zweetvoeten van Renée niet te ruiken. Hoewel die geur goed bij de film past. Bij Griselda Fishfinger, vraagt Ria. Eerder bij Koning Bruno the Questionable, zegt ik.

Guy zit aan de toog, met Greta te praten. Toulouse legt nog een keer the Shangri-Las op de platendraaier. Guy zal daar om hebben gevraagd. I’m all packed up and I’m on my way and I’m gonna fall in love / But at the moment it doesn’t look good / At the moment it will never happen again. Als we die avond naar huis terugkeren, vertelt Guy me dat hij het met Greta over een nieuwe tentoonstelling heeft gehad, hij wil een performance met geuren doen, wanneer weet hij nog niet. Smell art, voegt hij eraan toe. Soms kan een mens niet duidelijk genoeg zijn.

jabberwocky2

Ik heb voor het eerst gebruik gemaakt van de metro, zegt Ria. Metro? Twee stations, Opera en Groenplaats, waar zelfs de drie mannen en de paardenkop wegblijven. De paardenkop zal in een kroeg op de Paardenmarkt zitten. En waarom komen er in dat Vlaams spreekwoord geen vrouwen voor? Allemaal vermoord door Geerard de Duivel misschien. Of door zijn donkere zoon.
Heb je Giuseppe onlangs nog gezien, vraagt Luc. Jazeker, zeg ik, eergisteren nog. Om vijf uur ’s morgens werd er wel twintig keer aan onze deur gebeld. Ik wilde of durfde niet gaan kijken om te zien wie het was. Giuseppe natuurlijk, wie anders. ’s Middags stond hij opnieuw voor de deur. Had zeker Duvels zitten drinken in de Cereus. Hij had een cadeautje voor me: een prachtige Duitstalige filmencyclopedie. Ik was er opgetogen mee, ook al stond er een stempel in van de bibliotheek waar Giuseppe sinds kort aan het werk is. Dat boek wil ik wel eens een keer zien, zegt Luc. Je mag het eens uitlenen, zeg ik, maar je moet dan wel je kruiwagen meebrengen.

Guy is nu weer bij ons komen zitten. Omdat ik het ook allemaal niet meer zo goed weet vertel ik mijn vrienden dan maar een droom die ik afgelopen nacht had. Hoewel ik weet dat alleen psychoanalytici naar dromen luisteren, als ze al niet in slaap vallen, want dat zie je natuurlijk niet.
In een concertzaal zit ik naast een aardig meisje. Maar terstond staan er twee agenten van de Geheime Politie achter me. Ze bevelen me om op te staan en grijpen me stevig bij de armen. Wat gebeurt er, vraag ik. U moet bij mijnheer Pauwels komen, zegt die met de snor. Gina komt huilend de betonnen trap afgerend, haar ogen helemaal rood. Dit betekent het einde voor jou, Martin, zegt ze. De agenten dwingen me diezelfde betonnen trap op te gaan, hoger en hoger, tot waar het erg donker wordt. Ze leiden me naar een duistere ruimte met in het midden een grote kooi. De Agent zonder snor opent de getraliede deur van de kooi, de andere duwt me naar binnen. Ik val neer op de koude cementen vloer. De deur gaat op slot. Er staan nu zeker wel een vijftal mannen rond de kooi en allemaal lachen ze me uit. Zie die dwaas daar liggen! Ik lig met mijn hoofd boven een zwart gat dat heel diep lijkt en waar een kille, onaangename geur uit opstijgt. Dan kijk ik omhoog en zie een opening in de wand voor me. Door die opening kan ik de concertzaal zien en het bevallige meisje dat naast me zat en het podium en wat er zich op dat podium afspeelt: een wel erg kort optreden van Ravi Shankar, niet langer dan vijf minuten, gevolgd door een onbenullige gitarist die van geen ophouden weet. De snobs in de zaal vinden het allemaal schitterend, maar ik schuimbek van woede om dit bedrog. Het mooie meisje probeert me te kalmeren, maar dat lukt niet. De organistoren vinden mijn gedrag beneden alle peil. Twee agenten grijpen me bij de armen en leiden me weg. De deur van de concertzaal gaat open. Heel even vang ik nog een glimp op van de helse trap omhoog.

00-ANTWERPEN 1968-2b

POP 1978: VOORBEELDIGE MODELLEN

elpees2 004

In 1978 waren we stilaan geïntegreerd in Antwerpen, in zoverre dat al mogelijk was. Beslist voelden we ons thuis in ons huis in de Dolfijnstraat en in de aangename buurt die Zurenborg heet. We woonden dan wel niet aan de goede maar aan de slechte kant van de spoorweg, the wrong side of the tracks, maar de huisgevels waren er witgeschilderd, wat een opvallend verschil was met waar we vandaan kwamen, onze grauwe hoofdstad die helemaal aan het verloederen was vanwege armoede, uitzichtloosheid, bevolkingsvlucht en wanbestuur. Ik was blij dat ik er weg was, ondanks de talloze mooie herinneringen en de vele vrienden en kameraden die ik er had achtergelaten.
Vlakbij ons Dolfijnhuis, dat we in de zomer van 1977 hadden opgeknapt, was de gezellige Dageraadsplaats, met een boekwinkel, een wijnhandel, een Unic en een bruine kroeg, de Cereus (nu het Zeezicht). Onze woning werd een uitvalsbasis om Antwerpen te verkennen en om er een aantal illustere inwoners van die stad als gewaardeerde gasten in te ontvangen en te entertainen met rock and roll, poëzie en andere vormen van modern vermaak. We hadden inderdaad al gauw een aantal fijne vrienden, die voor ons de ziel van onze nieuw thuisstad waren. Dat nieuwe leven was zeker niet alleen maar rozengeur. Senga en ik hadden geen werk meer en van de maneschijn konden we niet leven. We moesten elke dag opnieuw naar het stempellokaal in de Lange Kievitsstraat, telkens op een ander uur, om er een stempel op onze roze kaart te laten zetten. Een dag zonder stempel was een dag zonder geld. Wij zagen de agenten van de RVA als hedendaagse klonen van de Schutzstaffel. Wilden ze ons niet keer op keer een of andere rotjob in de strot rammen? Hadden ze ons nooit eens iets interessants te bieden, werk dat bijvoorbeeld paste bij onze vaardigheden, kennis en interesses? En waarom wilden ze zo graag weten hoe we leefden en hoe we onze dagen vulden? Overigens werkte ik hard: elke dag van 9 uur tot aan het avondeten zat ik op mijn kamer te schrijven en te studeren. Niet dat ik daar iets mee verdiende. Het was werk dat ik voor het plezier deed en omdat het moest: innerlijke noodzaak.

Tijdens de weekends gingen we naar de kroegen en clubs en werd er gediscussieerd en gedanst. Veel vrije tijd brachten we door in goedkope kledingwinkels. In de punkperiode was mode, DIY-stijl, opnieuw belangrijk geworden. Voor mij was het van mijn mod-periode (circa 1966-1968) geleden dat ik me nog zo bewust met kleren had beziggehouden. Senga ontpopte zich tot een alternatieve superstar. Ze wist met weinig middelen een unieke stijl te creëren, een combinatie van funky chic, gedurfd goedkoop en vooral sexy. Gelukkig kenden we een aantal winkels waar coole kleren erg goedkoop waren. Voor we op vrijdag- of zaterdagavond gingen dansen konden we urenlang kleren staan passen, waarbij ik dan de meest geschikte platen draaide om alvast in de stemming te komen. Zo kon ik de filosofische en experimentele teksten waar ik een hele week op gezwoegd had toch een tijdje vergeten.

03 1_edited2

1979-1980-aurora 12 001

In een reeks teksten geschreven in 2019, Aleen in de tijd wordt de tijd overwonnen   en Kicks Against the Pricks  (in de reeks Nachten aan de Kant, over het nachtleven in Antwerpen) beschrijf ik de eerste jaren van mij en Senga in Antwerpen.

Uit het hoofdstuk Bloed  wil ik in deze context één paragraaf aanhalen, omdat hij zo typerend is voor de spirit van punk, zowel intersubjectief als muzikaal:
Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

Uit deze terugblik mag blijken dat 1978 zo mogelijk nog meer een punkjaar was dan 1977. Pas nu begon de passie, de intensiteit van het leven dat ermee samenhing, van het gevaar ook, goed tot ons door te dringen. De singles en albums die al een jaar oud waren klonken toch nog fris en opzwepend. Er zat helemaal geen sleet op nummers als Blank Generation, Lust for Life en Police and Thieves. Daar kwamen nu nieuwe favorieten bij als Ain’t That Nothin’ van Television, This Year’s Girl en Pump it Up van Elvis Costello & the Attractions, Dirt van Lou Reed, Rock and Roll Nigger en Privilege (Set Me Free) van Patti Smith, Ever Fallen In Love (With Someone You Shouldn’t ‘ve?) van the Buzzcocks en tientallen andere geweldige songs bij. Bovendien brachten ‘oudere helden’ dat jaar opzienbarende langspeelplaten uit, die tot hun beste werk mogen gerekend worden: Bruce Springsteen & the E-Street Band, the Rolling Stones, Bob Dylan, Neil Young en Lou Reed.
In Rotterdam zag ik dat jaar voor het eerst Bob Dylan live. Ik beleefde euforische ogenblikken bij concerten van Patti Smith en Robert Gordon & Link Wray. Voor mij was vooral Link Wray een revelatie. Sinds die 1ste juni in de AB ben ik een trouwe fan van deze hoogst originele garagerocker, mogelijk de meest waarachtige punk van ze allemaal.

elpees2 008

  1. This Year’s Model – Elvis Costello & the Attractions
  2. Adventure – Television
  3. Easter – Patti Smith Group
  4. Some Girls – The Rolling Stones
  5. Darkness On The Edge Of Town – Bruce Springsteen
  6. Bob Dylan – Street-Legal
  7. Street Hassle – Lou Reed
  8. Return To Magenta – Mink DeVille
  9. Comes A Time – Neil Young
  10. Hearts Of Stone – Southside Johnny And The Asbury Jukes
  11. More Songs About Buildings And Food – Talking Heads
  12. Road To Ruin – The Ramones
  13. Love Bites – The Buzzcocks
  14. Jesus Of Cool – Nick Lowe
  15. Shiny Beast (Bat Chain Puller) – Captain Beefheart
  16. The Modern Dance / Dub Housing – Pere Ubu
  17. X-Dreams – Annette Peacock
  18. Dread Beat An’ Blood – Poet & The Roots
  19. Third/Sister Lovers – Big Star
  20. Fresh Fish Special – Robert Gordon With Link Wray
  21. Public Image First Edition – Public Image Ltd.
  22. Chairs Missing – Wire
  23. Excitable Boy – Warren Zevon
  24. Flyin’ Shoes – Townes Van Zandt
  25. Jazz – Ry Cooder
  26. The Last Waltz – The Band
  27. Parallel Lines – Blondie
  28. Q: Are We Not Men? A: We Are Devo – Devo
  29. Real Life – Magazine
  30. Very Extremely Dangerous – Eddie Hinton
  31. Nina Hagen Band – Nina Hagen Band
  32. The Kids – The Kids
  33. Chaka – Chaka Khan
  34. All Mod Cons – The Jam
  35. Misfits – The Kinks
  36. Bush Doctor – Peter Tosh
  37. One Nation Under A Groove – Funkadelic
  38. Here, My Dear – Marvin Gaye
  39. The Only Ones – The Only Ones
  40. C’est Chic – Chic

FUNKADELIC

Ook nog het vermelden waard: West Texas Waltzes & Dust Blown Tractor Tunes – Butch Hancock, Millionaires And Teddy Bears en Dynamite Daze – Kevin Coyne, Hermit of Mink Hollow – Todd Rundgren, The Bride Stripped Bare – Bryan Ferry, Honky Tonk Masquerade – Joe Ely, Quarter Moon In A Ten Cent Town – Emmylou Harris, Living In The Streets – Kim Fowley, His Eye Is On The Sparrow – Mickey Newbury, Guy Clark – Guy Clark, All I Want To Do In Life – Jack Clement, Ambient 1: Music For Airports en Music For Films – Brian Eno, Nite Flights – The Walker Brothers, Shpritsz – Herman Brood & His Wild Romance, Bruised Orange – John Prine, So Alone – Johnny Thunders, Crossing The Red Sea With The Adverts – The Adverts, Double Fun – Robert Palmer, David Johansen – David Johansen, Wavelength – Van Morrison, Blue Valentine – Tom Waits.)

Niet of bijna niet opgenomen in deze lijst wegens te weinig ervaring met deze genres: jazz, reggae, funk, disco, spoken word. Sommige platen, vooral in de genres country en folk, staan lager dan ik ze nu zou situeren. Dat komt omdat ik ze toen nog niet kende of er minder, helemaal niet of nog niet in geïnteresseerd was. Townes Van Zandt zou nu helemaal bovenaan staan. Guy Clark, Ry Cooder, Emmylou Harris, Warren Zevon en Big Star verdienen ook beter. Maar dat was toen en dit is nu.

ADVENTURE

Foto’s: Martin Pulaski; regenjassenfoto: fotograaf onbekend.

1976: JAAR VAN HET VERLANGEN

dylandesire

Verlangen. 1976 was voor mij het jaar van het verlangen. Verlangen naar kennis, naar seks, naar liefde, naar gedichten, verhalen en theaterteksten, naar kunst, naar vriendschap, naar beweging. Een creatiever, meer geïnspireerd en intenser jaar zal mij niet meer te beurt vallen. Senga en ik verhuisden van de kleine flat op de vijfde verdieping in de Hamerstraat naar een wat ruimer gelijkvloers gelegen appartement in de Waterkrachtstraat, nog altijd in Sint-Joost, de kleinste en armste gemeente van Brussel. Het is op die plaats en in die periode dat ik geestelijk tot ontplooiing kwam en mijn schrijverschap ernstig ging nemen. Ik besefte dat ik nog veel moest leren, op elk gebied. Dat betekende vooral lezen, niet alleen literatuur maar ook literatuurtheorie, filosofie, geschiedenis en antropologie. Mijn voorkeur ging uit naar ‘moeilijke’ schrijvers als Antonin Artaud, Henri Michaux, Friedrich Hölderlin, Percy Shelley, naar romantiek, dada en surrealisme. Daarnaast las ik menig werk over de pre-socratische filosofen en de Franse Revolutie, met het oog op een toneelstuk over Empedocles, dat ik niet kon voltooien. Zoals zoveel in het leven was het maken en samenwerken belangrijker dan het resultaat. Het eerste stuk dat ik daar in de Hydraulische Straat schreef, Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche, werd wel tot een goed einde gebracht én opgevoerd als een soort van feest.
Ik werkte dat jaar voltijds bij Boekwinkel Corman in de Ravensteinstraat. (Bij die periode stond ik al stil in de terugblik dingen die voorbijgaan). ‘s Avonds en ’s nachts schreef ik of gingen we naar het Filmmuseum, nu Cinematek. In de weekends bracht ik tijd met mijn zoontje door. Voor het eerst gingen we naar Londen (een schoolreis in 1967 niet meegeteld), waar ik onder de indruk kwam van William Turner, William Blake en – natuurlijk – John Everett Millais’ Ophelia en Henry Wallis’ Chatterton.
In mei maakte ik samen met Senga mijn allereerste reis, met nauwelijks geld op zak liftend door Frankrijk (Orange, Nice) met als bestemming Florence. Daar betoverden ons de kunstenaars van de Renaissance; vooral het Uffizi was een openbaring. Je kon daar toen nog zomaar binnenlopen. In Brussel bezochten we een imponerende tentoonstelling over het symbolisme.
Ja, in ons leven van verlangens hing toen alles samen. De wonderlijke films die we zagen, de boeken, de kunstwerken, onze liefde, de gesprekken met vrienden over Mario Praz, de brieven van Van Gogh, Noa Noa van Paul Gauguin, de gedichten van TS Eliot en Gerard Manley Hopkins, de Openbaring van Johannes, Thomas De Quinceys Confessions of an English, Opium-Eater, A Modest Proposal van Jonathan Swift, Napoleon van Abel Gance, La chute de la maison Usher van Jean Epstein, M comme Mathieu van Jean-François Adam en Mes petites amoureuses van Jean Eustache.
Dat lijken misschien wat veel gespreksonderwerpen. In werkelijkheid waren het er veel meer en ze gingen niet alleen over het ware, het goede en het schone. We zitten hier nu weliswaar al vier of vijf maanden alleen thuis, maar toen waren er bijna elke dag vrienden op bezoek. Soms hoopte ik dat ze niet te lang zouden blijven, zodat ik verder kon werken. Een van mijn beste vrienden toen was Paul L. die in de buurt woonde en als hij me voor het raam zag zitten schrijven kwam hij vaak even binnen voor een babbel. Hij las mijn teksten en gaf er nuttig commentaar op. Andere vrienden van toen waren Jos D., Willy B., Hugo W., Ginette B., Johny L., Christian P., Guy en Freddy B., Jan Van V., Erwin G., Pol De D., Bie De M., “Theo”, Gert Van S. en ik vergeet er zeker nog een aantal.

Mijn grootse schrik van het jaar – en de jaren ervoor ook al – betrof de twee jaar burgerdienst die me te wachten stonden, maar gelukkig werd ik vrijgesteld. Een goed einde van een lang en verkrampt gevecht, een aaneenschakeling van misverstanden, het resultaat van wereldvreemdheid en afwezigheid van betrouwbare informatie. Bijna vijftig jaar later beschouwd zie ik in dat verhaal van die legerdienst/burgerdienst veeleer stof voor een komedie dan voor de halve tragedie die het toen voor me was.

mobycitizen

Welke muziek beluisterde ik? Keer op keer Horses en Radio Ethiopia van Patti Smith en Desire van Bob Dylan. Black and Blue van the Rolling Stones (die we live zagen in Vorst Nationaal, waarbij we er bijna het leven bij inschoten). Vooral Keith Richards fascineerde me, zelfs zijn obsessie voor vuurwapens, onder meer een Belgische revolver uit 1899. You’re never alone with a Smith & Wesson, luidde de kop van een artikel in NME. Alexander Spence bleef ik trouw; zijn elpee Oar weerklonk op zijn minst één keer per week in ons droomappartement. Hetzelfde voor The Madcap Laughs en Barrett van Syd Barrett en een aantal elpees van the Byrds en Moby Grape. Voor jazz en klassieke muziek ging ik naar de Mediatheek.
Voor recente muziek was er weinig tijd. Overigens heb ik nog steeds de indruk dat er dat jaar weinig boeiende platen zijn uitgekomen. Sommige van de beste albums – wel in mijn lijstje opgenomen – heb ik pas in 1977 leren kenen, onder meer die van the Ramones, Blondie en the Modern Lovers. Met die bands werd een nieuw en erg opwindend muzikaal hoofdstuk aangekondigd.

3-25-2013_028b

3-25-2013_029

  1. Desire / Hard Rain – Bob Dylan
  2. Radio Ethiopia – Patti Smith Group
  3. Chicken Skin Music – Ry Cooder
  4. Station To Station – David Bowie
  5. Black And Blue – The Rolling Stones
  6. Hejira – Joni Mitchell
  7. The Pretender – Jackson Browne
  8. Warren Zevon – Warren Zevon
  9. Rock and Roll Heart – Lou Reed
  10. The Ramones – The Ramones
  11. The Modern Lovers – The Modern Lovers
  12. Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman & The Modern Lovers
  13. Howlin’ Wind / Heat Treatment – Graham Parker
  14. Long May You Run – The Stills-Young Band
  15. Fly Like An Eagle – Steve Miller Band
  16. The Royal Scam – Steely Dan
  17. I Don’t Want To Go Home – Southside Johnny & The Asbury Jukes
  18. Songs In The Key Of Life – Stevie Wonder
  19. Full Of Fire – Al Green
  20. Yes We Have No Mañanas, So Get Your Mañanas Today – Kevin Ayers
  21. Blondie – Blondie
  22. Small Change – Tom Waits
  23. Kate & Anna McGarrigle – Kate & Anna McGarrigle
  24. Troubadour – J.J. Cale
  25. Texas Rock For Country Rollers – Doug Sahm
  26. Hasten Down The Wind – Linda Ronstadt
  27. Texas Cookin’ – Guy Clark
  28. 801 Live – 801
  29. All American Alien Boy – Ian Hunter
  30. Cardiff Rose – Roger McGuinn

zevon

1970: ENGELEN EN DROMERS

sunflower1

Hoe word je volwassen? In 1970 was ik het nog steeds niet en werd het ook niet, zelfs al ontbond ik de APP (Anti-Progressieve Partij, een sarcastische eenmanspartij), nam ik voorlopig afscheid van mijn vriend en kamergenoot Erwin, verhuisde ik van een kamertje in de Karmelietenstraat naar een appartement in de Boomkwekerijstraat (boven de club Les Anges Noirs van Fonseca) en trouwde ik met het mooie meisje dat in december ’69 mijn hart had gestolen. In beide woningen waren zwervende zoekers welkom, de meesten afkomstig uit Nederland, sommigen uit de VS, een enkeling uit Finland. Vaak werden het dan lange avonden vol gesprekken over onze hooggespannen toekomstverwachtingen. We dachten nog steeds dat de bevrijding nakend was. We dronken jasmijnthee en beluisterden de nieuwste elpees. Mogelijk was 1970 daar het meest geschikte jaar voor.
Met geestverwanten hingen we rond op de Kaasmarkt, de place to be voor hippies en beatniks. Wij waren niet de enigen die daar tijd verspilden: de politie hield ons nauwlettend in het oog. De agenten zagen ons als staatsgevaarlijk, een bedreiging voor de wet en orde van hun werkgevers. De meisjes onder ons waren sexy gekleed, we hadden lange haren, rookten wiet en – ergst van al – we dronken weinig of geen bier. Om de haverklap moesten we onze identiteitskaart bovenhalen; we werden op allerlei manieren getreiterd en vernederd. Als we op ons eentje door een of andere wat afgelegen straat liepen scholden mannen die vreesden dat hun penis aan kracht zou verliezen ons de huid vol. Op heel wat plekken waren we niet welkom. Er waren enkele vrijhavens, zoals de Florio, de Speakeasy en de Free Press Bookshop. Ik ging naar de filmschool (Ritcs), waar ik de meeste lessen saai en overbodig vond. De beste leraar daar was de nu bijna vergeten schrijver Ivo Michiels. Voor hem had ik respect. (Ook dit verhaal heb ik al eerder verteld. Nu wil ik het vooral over muziek hebben.)

Uit alle kamers en appartementen en cafés stroomde ons muziek tegemoet. De meeste liedjes en elpees van die tijd weerspiegelden onze levensstijl en onze manier van denken. Van live muziek en avant-garde theater genoot ik het meest in Théâtre 140, gerund door de onvolprezen Jo Dekmine [1]. In 1970 las ik nog altijd Aloha en Rolling Stone; het blad van Jann Wenner was toen nog min of meer een undergroundtijdschrift. In beide tijdschriften stonden boeiende, soms zelfs diepgravende platenbesprekingen. Naast de liefde voor mijn zoethart en de fijne vriendschappen was muziek het centrum van mijn universum, al las ik zeker ook wel enkele interessante boeken. Veel van Jan Wolkers, Franz Kafka, Louis Paul Boon. Ook ontdekte ik toevallig William Faulkner.

Na zoveel jaar herinner ik me maar weinig details. Ik hield dat jaar geen dagboek bij. De gevoelens die Neil Youngs After the Goldrush bij me opriep kan ik niet onder woorden brengen, maar ze zijn zeker nog in een of andere laag van mijn bewustzijn aanwezig. In jou ook. Daarin verschil je niet zo veel van mij, denk ik. De pastorale klanken van Bob Dylans Self Portrait, een album dat bijna iedereen in mijn omgeving haatte, kleurden veel van mijn zomerdagen. In de winter vond ik troost in de bitterzoete songs op New Morning. De schoonheid van Loaded drong pas in 1971 ten volle tot me door. Ik kocht de elpee van mijn vriend Luc Deleu, die er niks aan vond. Dat begreep ik niet zo goed. Aan American Beauty had hij ook al een bloedhekel. Marc Didden, mijn toenmalige boezemvriend, en ik waren grote fans van Creedence Clearwater Revival. Tijdens onze wandelingen in het Zoniënwoud zongen we wel eens een van John Fogerty’s liedjes. Het debuut van Ry Cooder opende een heel universum van muziek die ik nog niet kende. Ik ben hem daar nog altijd dankbaar voor. Een van de mooiste liedjes van dat jaar was voor mij Amsterdam van John Cale, zijn Big White Cloud moest er niet voor onderdoen en dan was er ook nog The Only Living Boy In New York.

Mag dat volstaan als portret van de onvolwassen twintigjarige schooier die ik in 1970 was? Ik stel voor dat je dan een blik werpt op de lijst van honderd albums die ik heb samengesteld. Hopelijk vind je de tijd om sommige van deze parels te ontdekken, zelfs die helemaal onderaan de lijst. Vandaag de dag is dat heel wat eenvoudiger en goedkoper dan in 1970.

ry cooder

  1. After The Goldrush – Neil Young
  2. Loaded – The Velvet Underground
  3. New Morning / Self-Portrait – Bob Dylan
  4. Sunflower – Beach Boys
  5. Moondance – Van Morrison
  6. 12 Songs – Randy Newman
  7. John Lennon/Plastic Ono Band – John Lennon/Plastic Ono Band
  8. Layla and Other Assorted Love Songs – Derek and the Dominos
  9. All Things Must Pass – George Harrison
  10. Cosmo’s Factory – Creedence Clearwater Revival
  11. Vintage Violence – John Cale
  12. Band of Gypsys – Jimi Hendrix
  13. The Madcap Laughs /Barrett – Syd Barrett
  14. Spirit In The Dark – Aretha Franklin
  15. Curtis – Curtis Mayfield
  16. Ton-Ton Macoute! – Johnny Jenkins
  17. Morisson Hotel – The Doors
  18. Workingman’s Dead / American Beauty – Grateful Dead
  19. Ry Cooder – Ry Cooder
  20. Stephen Stills – Stephen Stills
  21. Live At Leeds – The Who
  22. Bridge Over Troubled Water – Simon and Garfunkel
  23. Déjà Vu – Crosby, Stills, Nash & Young
  24. His Band and the Street Choir – Van Morrison
  25. Untitled – The Byrds
  26. Fire And Water – Free
  27. Jesse Davis! – Jesse Davis
  28. Greatest Hits – Phil Ochs
  29. Together After Five – Sir Douglas Quintet
  30. Hollywood Dream – Thunderclap Newman
  31. Desertshore – Nico
  32. Stage Fright – The Band
  33. Woodsmoke And Oranges – Paul Siebel
  34. Burrito Deluxe – Flying Burrito Brothers
  35. Get Yer Ya-Ya’s Out – Rolling Stones
  36. The Man Who Sold The World – David Bowie
  37. Bryter Layter – Nick Drake
  38. Fancy – Bobbie Gentry
  39. Idlewild South – Allman Brothers Band
  40. Twelve Dreams of Dr. Sardonicus – Spirit
  41. Fun House – The Stooges
  42. Hark! The Village Wait – Steeleye Span
  43. Rick Sings Nelson – Ricky Nelson and The Stone Canyon Band
  44. I’m A Loser – Doris Duke
  45. Workin’ Together – Ike & Tina Turner
  46. The Last Poets – The Last Poets
  47. Total Destruction To Your Mind – Swamp Dogg
  48. Lorca / Starsailor – Tim Buckley
  49. Shooting At The Moon – Kevin Ayers
  50. McCartney – Paul McCartney
  51. Gasoline Alley – Rod Stewart
  52. John Barleycorn Must Die – Traffic
  53. Let It Be – The Beatles
  54. From A Whisper To A Scream – Allen Toussaint
  55. Psychedelic Shack – The Temptations
  56. Leon Russell – Leon Russell
  57. Fully Qualified Survivor / Window – Michael Chapman
  58. Trout Steel – Mike Cooper
  59. Your Saving Grace / Number 5 – The Steve Miller Band
  60. John Phillips (John the Wolfking of L.A.) – John Phillips
  61. The Use Of Ashes – Pearls Before Swine
  62. Lick My Decals Off, Baby – Captain Beefheart & The Magic Band
  63. What About Me – Quicksilver Messenger Service
  64. The Black-Man’s Burdon – Eric Burdon And War
  65. The Garden Of Jane Delawney / On The Shore – Trees
  66. Jesse Winchester – Jesse Winchester
  67. Soleil – Françoise Hardy
  68. Stormbringer – John & Beverley Martyn
  69. Any Way That You Want Me – Evie Sands
  70. Sex Machine – James Brown
  71. Future Blues – Canned Heat
  72. The J. Geils Band – The J. Geils Band
  73. Remedies – Dr. John
  74. CJ Fish – Country Joe And The Fish
  75. Kristofferson – Kris Kristofferson
  76. If You Could Read My Mind – Gordon Lightfoot
  77. Tumbleweed Connection – Elton John
  78. Just Another Diamond Day – Vashti Bunyan
  79. Nilsson Sings Newman – Harry Nilsson
  80. Fotheringay – Fotheringay
  81. Writer – Carole King
  82. John B. Sebastian – John Sebastian
  83. Indianola Mississippi Seeds – B.B. King
  84. Yes We Can – Lee Dorsey
  85. On Tour – Delaney & Bonnie & Friends With Eric Clapton
  86. Blows Against The Empire – Paul Kantner & Jefferson Starship
  87. Eric Clapton – Eric Clapton
  88. Love, Death & The Lady – Shirley & Dolly Collins
  89. Mad Shadows – Mott The Hoople
  90. Clover – Clover
  91. Matthews’ Southern Comfort – Matthews’ Southern Comfort
  92. Loose Salute – Michael Nesmith & The First National Band
  93. Fanny – Fanny
  94. Bill Fay – Bill Fay
  95. Beaucoups Of Blues – Ringo Starr
  96. Flat Baroque And Berserk – Roy Harper
  97. The End Of An Ear – Robert Wyatt
  98. Gimme Shelter – Merry Clayton
  99. Marrying Maiden – It’s A Beautiful Day
  100. Here Comes Shuggie Otis – Shuggie Otis

1970-matti1

[1] “Jo Dekmine: Eerlijk gezegd, hoop ik eigenlijk aan de rand van een zekere schizofrenie te leven. Dicht bij die paniekerige onevenwichtigheid die zich meester maakt van de échte artiesten, de dichters, de cineasten van deze tijd. Ik voel me beslist solidair met de gekheid van mijn tijd. Trouwens deze rage brengt een buitengewone scheppende kracht met zich.”
Uit een interview met TV-Panorama

1969: MUZIEK VOOR SCHOOIERS

HENRY 2

Niet alleen voor de inwoners van Parijs en van zowat alle grote steden van de wereld maar ook voor mezelf was 1968  een uitermate boeiend jaar. Over hoe het er in de grote wereld aan toe ging bestaan een aantal interessante boeken, waarvan ik er twee wil aanbevelen: 1968: The Year that Rocked the World van Mark Kurlansky en There’s a Riot Going On: Revolutionaries, Rock Stars and The Rise and Fall Of ‘60s Counter-culture van Peter Doggett  [1]. Toch sla ik in deze korte beschouwingen over een aantal van mijn geliefkoosde popalbums dat woelig jaar voorlopig over. Ik wil hier niet alles nauwgezet en chronologisch, als een popboekhouder, onder de loep nemen. Overigens heb ik er al meermaals over geschreven; dat is allemaal terug te vinden op deze blog.
Mijn verhuis naar Brussel in 1969 en mijn (zinloze) studies aan het Ritcs heb ik ook al uitvoerig behandeld, hier en hier. Het is sowieso niet mijn bedoeling om in dit bestek al te diep op mijn biografie in te gaan, al zijn aan mijn ervaringen met muziek zeker wel (auto)biografische elementen verbonden. Op zowel persoonlijk als muzikaal vlak was mijn kennismaking (en al gauw vriendschap) met Marc Didden in september 1969 een mijlpaal. De ontmoeting met mijn eerste vrouw zou mijn leven ingrijpend veranderen.

De periode tot september 1969 was er een van nieuwe – soms vluchtige –  vriendschappen, verliefdheden, zoeken maar moeilijk of helemaal niet vinden. Van dromen van een leven weg uit de hel van het internaat, van herwonnen vrijheid. De vrijheid die ik had gekend als kind op het schip en als adolescent tijdens de lange zomervakanties. Is vrijheid niet bijna altijd kinderlijk en sensueel en vaak ook erotisch? Is muziek niet ook bijna altijd kinderlijk en sensueel en vaak erotisch?

Hoewel ik het internaatleven in Tongeren als iets infernaals beleefde, waren er ook stralende dagen. Dat heb ik aan die fijne vrienden te danken over wie ik het in de vorige notitie al had. Op mijn eentje kon ik wegvluchten in boeken en in beginnend dichterschap. Samen gaven we ons over aan popmuziek en de mode die daar mee samenhing. Tegen het grijs van die tijd kwamen wij in opstand met de vele kleuren in onze garderobe en met onze lange haren.

De zomer van 1969 was anders dan alle andere zomers. In de opwinding van de eerste dagen van onze ‘vita nuova’, was al iets bitters geslopen. Alleen en met mijn vrienden hing ik rond in de straten van Neerharen, Hasselt, Maastricht en Blankenberge. Later vond ik het woord dat onze levensstijl van toen goed omschreef: schooiers, in het Engels bums. De uitdrukking had een positieve inhoud gekregen, maar het negatieve aspect zat er nog altijd aan vastgekleefd. Die negatieve component maakte zich ook meester van mijn adolescente psyche. De verrukkelijkste dagen werden gevolgd door weken van donkere twijfels en angsten. Vooral was ik bang voor seks. In tegenstelling tot de jongens in de dorpen, zij die niet opgesloten zaten in een internaat, wist ik er niets van. Een meisje kussen was al een goddelijke ervaring. Wat moest de rest dan zijn? Maar ik wist ook niet wat ik met mijn leven moest aanvangen. Wat zou de toekomst brengen? Op de eindexamens aan het Atheneum in Tongeren volgde een lange, mooie, moeilijke zomer en dan de ingangsproeven aan het Ritcs in Brussel. Waar heel even alles openbloeide.

Meestal was het wegvluchten in muziek. 1969 was daar een uitermate geschikt jaar voor. Ik was er bij op het First International Pop Event op 21 juni, georganiseerd door Louis de Vries en Jo Dekmine. Louis de Vries was de baas van café het Pannenhuis in Antwerpen [2] en Jo Dekmine directeur van Théâtre 140 in Brussel. Op dat popevent in Deurne raakten we bedwelmd door de muziek van The Pebbles, Yes, The Nice, Colosseum en vooral Peter Green’s Fleetwood Mac. Peter Green behoorde op dat ogenblik tot ’s werelds meest vooraanstaande bluesgitaristen, op gelijke voet met B.B. King en Elmore James. Het festival duurde tot lang na middernacht. Tot we een trein weer naar huis konden nemen zaten we in een kroeg in de Wolstraat. We hoefden er niets te consumeren maar mochten ons hoofd niet op de tafel laten rusten voor een ogenblik slaap. Overigens was dat typisch in die dagen, op café gaan zonder iets te drinken, alleen maar voor het gezelschap en de muziek.

De sfeer op Jazz Bilzen was in 1969 niet meer die van een love-in en ook lang niet meer zo braaf als in ’67. Er werden sterke drank en hoestsiroop (Romilar) gedronken, allerlei pillen geslikt, het regende, we hadden het koud en kwamen ten val in de modder. Claudi kwam niet opdagen, Monique evenmin. Mijn vrienden en ik wisten het allemaal niet meer zo goed. We sliepen in een kamer in het huis van de ouders van Paul Vrijens, de basgitarist van the Scrub, met wie we in Blankenberge kennis hadden gemaakt.
De muziek op de Bilzense weide was beter en gevarieerder dan ooit. Er traden voor ons op: Humble Pie met de fantastische zanger Steve Marriott, een betoverende en sexy Marsha Hunt & White Trash, the Soft Machine met Robert Wyatt in bloot bovenlijf, Aynsley Dunbar Retaliation, the Bonzo Dog Band, Shocking Blue, Taste en Ornette Coleman. Stuk voor stuk avontuurlijk en vaak grensoverschrijdend. De set van Ornette Coleman was mijn eerste kennismaking met jazz. Nog altijd zie ik hem daar op dat podium musiceren, zijn lyrisch en dissonant saxofoonspel ten hemel stijgend.

Een ander memorabel counter-culture-evenement vond op 11 oktober in Londerzeel plaats: de Island Show. Er traden drie progressieve Britse bands op die platen uitbrachten op het Island-label en die we al een tijdje bewonderden: Spooky Tooth, Free en Jethro Tull. Live klonken ze nog stukken beter dan op plaat. Ik woonde toen al op een kamer in de Karmelietenstraat in Brussel. De nacht brachten we door in een bouwwerf in Londerzeel. De rest is kleine geschiedenis en een lijstje [3].

  1. The Gilded Palace of Sin – The Flying Burrito Brothers
  2. Let It Bleed – The Rolling Stones
  3. The Band – The Band
  4. Nashville Skyline – Bob Dylan
  5. Everybody Knows This Is Nowhere – Neil Young & Crazy Horse
  6. Led Zeppelin II – Led Zeppelin
  7. Liege & Lief / What We Did On Our Holidays / Unhalfbricking / – Fairport Convention
  8. Oar – Alexander “Skip” Spence
  9. Abbey Road – The Beatles
  10. The Velvet Underground – The Velvet Underground
  11. Dr. Byrds & Mr. Hyde / Ballad of Easy Rider – The Byrds
  12. Free – Free
  13. Dusty In Memphis – Dusty Springfield
  14. Mendocino – Sir Douglas Quintet
  15. From Elvis in Memphis – Elvis Presley
  16. Ummagumma / More – Pink Floyd
  17. Happy Trails – Quicksilver Messenger Service
  18. Nick Drake – Five Leaves Left
  19. Pickin’ Up The Pieces – Poco
  20. Bayou Country / Willy and the Poor Boys / Green River – Creedence Clearwater Revival
  21. Then Play On – Fleetwood Mac
  22. Happy Sad – Tim Buckley
  23. 20/20 – The Beach Boys
  24. Scott 4 – Scott Walker
  25. Hollywood Dream – Thunderclap Newman
  26. Stooges – The Stooges
  27. Tons of Sobs – Free
  28. Volume II – The Soft Machine
  29. Crosby, Stills & Nash – Crosby Stills & Nash
  30. Trout Mask Replica – Captain Beefheart And His Magic Band
  31. Stand! – Sly & the Family Stone
  32. Blind Faith – Blind Faith
  33. Stand Up – Jethro Tull
  34. Live/Dead – The Grateful Dead
  35. Second Winter – Johnny Winter
  36. Ssssh – Ten Years After
  37. Testifyin’ – Clarence Carter
  38. Bless Its Pointed Little Head – Jefferson Airplane
  39. Barabajagal – Donovan
  40. Brave New World / Your Saving Grace Steve Miller Band

[1] Het boek van Peter Doggett beslaat de jaren 1965-1972.

[2] Over het Pannenhuis heb ik vorig jaar al uitvoerig bericht, maar dat verhaal moet zeker nog een vervolg krijgen.

[3] Niet alle elpees uit deze lijst waren in ons bezit. Sommige ervan, met name die van Elvis Presley, Nick Drake en Clarence Carter, kregen wij pas later te horen. Aanvankelijk hield ik niet van Nick Drake. Uiteraard hadden de elpees die vanaf 1965 waren uitgekomen nog niets van hun magie verloren.

 

monique3

Afbeeldingen: boven: mijn vriend Henry als schooier, circa 1968; onder: lachende jongen met Monique, circa 1968.

POP 1967: GROOVY

king&queen (3) tongeren1967

1967 was, wat de hele wijde wereld nu wel weet, het jaar van flower power en van wat de ‘summer of love’ wordt genoemd. In het midden van dat jaar werd ik zeventien. Zoals ongeveer alles in die tijd veranderde mijn leven razendsnel. Wilde ik tot voor kort nog leider van een jongerenbende worden, wat ik zelfs een beetje was geweest, ontpopte ik mij nu in een mum van tijd tot dichter en liefdeskind. Van een potentiële Arthur ‘Cody’ Jarrett (“Made it, Ma! Top of the world!”) [1] naar een ware beat-jongen, als het ware voor POP in de wieg gelegd. Jan Depooter, Luc Verjans, Henry Janssen en Guy Bleus, mijn vrienden in het internaat in Tongeren,  hadden samen met mij de magie die dat jaar in de lucht hing aangevoeld en waren er bezeten van geraakt.

“If you believe in magic, come along with me / We’ll dance until morning ‘til there’s just you and me”, had John Sebastian van The Lovin’ Spoonful in 1965 gezongen. Twee jaar later kon je moeilijk anders dan geloven in die magie, in een caleidoscoop  van wijnkleurige bloemen, geurige kruiden, oranje hemels, elektrische bananen, frêle dromerige meisjes, ongeziene juwelen en love-ins. [2] Je moest wel beamen dat liefde van een hogere orde is dan oorlog. Moest je dat? Natuurlijk niet. Het lijkt wel vergeten dat de meerderheid van de jongeren van toen helemaal niet in dergelijke idealen en in verandering geloofde. Zij die dat niet deden waren wat de Nederlandse protestzanger Armand het klootjesvolk noemde. Dat jaar werd de tot dan nog latente tegenstelling wij-zij manifest.

Alsof het psychedelische bloemen waren of magische paddenstoelen die we zomaar konden plukken waren er overal om ons heen opeens elpees die in geluid, woord en beeld de magische boodschap verkondigden. Langspeelplaten werden op ons losgelaten en ze brachten ons in verrukking. Ons Tongers groepje ging zich Sunshine World noemen. We begonnen met een provo-achtig tijdschrift dat eerst Testament heette, later Subterranean. (Trouwe lezers van hoochiekoochie kennen deze kleine geschiedenis al).
De magische elpees maakten helaas deel uit van de echte wereld waar voorlopig nog zaken werden gedaan en niets gratis was. Elk van ons afzonderlijk kon onmogelijk al die mooie platen aanschaffen, dus maakten we keuzes. Als jij Mr. Fantasy koopt en jij Surrealistic Pillow dan ik Bee Gees 1st, enz. We bestelden heel wat van onze albums via een leerling wiens pa beroepsmilitair was in Duitsland. Hoe heette hij ook alweer? Ik geloof dat platen in de BSD, wat de tiende provincie van België werd genoemd, ongeveer de helft goedkoper waren dan in het vaderland. Op die manier kwam ons groepje in het bezit van bijna alle langspeelplaten die later zo belangrijk zijn geworden. In de kelder van het Atheneum hielden we tijdens de ‘speeltijd’ luistersessies. Lichamelijke opvoeding hoefde voor mij niet meer. Dat was te militaristisch. Ik luisterde dan naar platen of werkte aan een experimenteel toneelstuk. We werden lekker high van al die muziek uit de hogere sferen, zonder drugs of wat dan ook. We stegen supersonisch op, tot hoog boven de wolken, reisden naar Jupiter en Pluto en vooral Venus, maar bleven weg van de donkere kant van de maan. Waar wij kwamen was geen sterveling ooit geweest. Het was een mooie droom, waaruit we maar niet wilden ontwaken. Maar ook hier was er weer de rumoerige realiteit, er waren grenzen, er waren normen, er was fatsoen. Dat lange haar moest geknipt.

In die droom beleefde ik een tweede droom: Jazz Bilzen, het eerste popfestival waar ik bij aanwezig was. Voor de eerste keer zag ik een buitenlandse beatgroep optreden, Procol Harum, die een hit had met A Whiter Shade Of Pale. Nu is dat natuurlijk een fait divers, maar toen was het iets waar je extatisch van werd. Zeker als je er de sfeer van flower power bij denkt. Louis Neefs, die voor de Belgische televisie werkte, zag me daar met een groepje vrienden op de grond zitten, met bloemen in mijn haren en op mijn saffraankleurig fluwelen jasje vastgespeld, en zal gedacht hebben, merkwaardige snuiter, goed voor een babbeltje. Dit is hier allemaal fantastisch, zei ik, want hier gebeurt anders nooit iets. En het moet maar eens gedaan zijn met die oorlog in Vietnam en met alle andere oorlogen. Het is tijd voor eeuwigdurende vrede. Toen het interview werd uitgezonden, in het programma Tienerklanken, zat ik alweer op internaat. Tienerklanken, zei de studiemeester? Niets van. Hier wordt alleen naar voetbal gekeken.

Informatie over nieuwe platen was nauwelijks te vinden. De Vlaamse kranten leken van het bestaan van popmuziek niet af te weten. Alleen het tijdschrift voor radio en televisie Humo was een beetje op de hoogte. In Nederland was het stukken beter. Daar had je Muziek Express, Teenbeat, Tiq en vooral Hitweek, dat al gauw onze muziekbijbel werd. Hitweek, later omgedoopt tot Aloha, zocht de underground op en wij gingen mee met die verwante droomreizigers. Zo ontstond de beruchte tegencultuur. (Ik sla enkele stappen over. Het moet vlug gaan. Er zijn andere tijden gekomen, man.)
We bleven van revoluties en bevrijding dromen. Alles moest radicaal veranderen. We werden bozer en bozer en riepen met luide stem Up against the wall, motherfuckers, ook al wisten we niet wie de echte Motherfuckers waren en zelfs niet dat ze bestonden. Iedereen weet hoe uit die woede en razernij terreur is ontstaan. Er zijn duizenden boeken over geschreven, dat van Geert Buelens [3] alleen al telt duizend bladzijden. Heb je het gelezen? Alles staat erin, tot in de kleinste details, met massa’s lijstjes erbij.

Ik besef dat ik ondertussen ben teruggekeerd van die reis naar de sterren, het is al bijna Watergate, en dan moeten Reagan en Thatcher en het neokapitalisme nog komen. Nee, laten we nog even in het jaar van de liefde verwijlen, wild en jong en groovy. “Do you believe in Magic? It’s like telling a stranger about rock and roll…”

7

  1. Are You Experienced? – Jimi Hendrix Experience
  2. John Wesley Harding – Bob Dylan
  3. The Piper at the Gates of Dawn – Pink Floyd
  4. The Velvet Underground & Nico – The Velvet Underground & Nico
  5. Absolutely Free – The Mothers of Invention
  6. Bee Gees 1st – Bee Gees
  7. The Who Sell Out – The Who
  8. I Never Loved a Man the Way I Love You – Aretha Franklin
  9. Between the Buttons – The Rolling Stones
  10. Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band – The Beatles
  11. Younger Than Yesterday – The Byrds
  12. Forever Changes – Love
  13. Moby Grape – Moby Grape
  14. Buffalo Springfield Again – Buffalo Springfield
  15. Their Satanic Majesties Request – Rolling Stones
  16. Safe As Milk – Captain Beefheart & His Magic Band
  17. Outsiders – The Outsiders
  18. Chelsea Girl – Nico
  19. Disraeli Gears – Cream
  20. Something Else – The Kinks
  21. One Nation Underground – Pearls Before Swine
  22. Surrealistic Pillow – Jefferson Airplane
  23. The Doors / Strange Days – The Doors
  24. Smiley Smile – The Beach Boys
  25. Mr. Fantasy – Traffic
  26. Procol Harum – Procol Harum
  27. Mellow Yellow – Donovan
  28. Electric Music for the Mind and Body – Country Joe and the Fish
  29. Goodbye and Hello – Tim Buckley
  30. Tim Hardin 2 – Tim Hardin
  31. The Resurrection Of Pigboy Crabshaw – Butterfield Blues Band
  32. Songs of Leonard Cohen – Leonard Cohen
  33. Song Cycle – Van Dyke Parks
  34. Feelin’ Groovy – Harpers Bizarre
  35. The Time Has Come – Chamber Brothers
  36. Ode to Billie Joe – Bobby Gentry
  37. Trogglodynamite – The Troggs
  38. The Blues Alone – John Mayall & The Bluesbreakers
  39. Tim Rose – Tim Rose
  40. You’re A Big Boy Now – The Lovin’ Spoonful

[1] Arthur ‘Cody’ Jarrett is het hoofdpersonage uit de misdaadfilm White Heat (1949) van Raoul Walsh. “Made it, Ma! Top of the world!” is de uitroep van Cody net voor zijn tragische dood.
[2] The Byrds maken er een mooie opsomming van in Renaissance Fair, terug te vinden op het album Younger Than Yesterday, 1967.
[3] Do You Believe in Magic, The Lovin’ Spoonful, op hun gelijknamige elpee uit 1965.
[4] Geert Buelens, De jaren zestig, Een cultuurgeschiedenis, 2018. 1024 pagina’s.

Foto’s: Boven: In de King & Queen in Tongeren, meisje van de King & Queen, Luc Verjans, ik, Jan Depooter; Onder: Jan Depooter en ik.

EEN AANGENAAM TIJDVERDRIJF

IMG_20200409_112112-anderlecht

Waar houd ik van? Wat is me het liefst? Dat verschilt van jaar tot jaar, van dag tot dag, zelfs van uur tot uur. Zoals Johnny Winter houd ik soms van alles, soms van niets. [1] Daarom is het nogal absurd om de (pop)muziek die mijn voorkeur geniet in lijsten onder te brengen en op die manier het ene album, de ene artiest, zoveel waarde toe te kennen en de andere zoveel.

Nu is het ongeveer iets dergelijks wat ik de voorbije twee maanden (of hoe lang duurt het al?) – op vraag van mijn vriend en muziekminnaar Roen Hetzwoen en uit behoefte aan enige orde en duidelijkheid in mijn leven – heb gedaan. Het was, en blijft nog even, een mooi tijdverdrijf. Zo’n lijstje is geen Dafalgan noch een pepmiddel, maar het proces, het maken, heeft me goed gedaan. Soms voelde ik de adrenaline stromen. Ik meen dat de verteller in Lou Reeds Kicks al een moord moet plegen om iets dergelijks te voelen. Dan toch liever een lekkere opsomming.

Ik kon me al een hele tijd moeilijk concentreren waardoor lezen en schrijven quasi onmogelijk werden. Dat was al het geval na mijn ziekte in december maar is verergerd als gevolg van de pandemie. Als ik niet kan lezen en schrijven ben ik ongelukkig. Het gebeurt wel vaker dat ik het gevoel heb te verstikken in de dagelijkse herhaling, het altijd maar opnieuw moeten beginnen. In het verleden maakte ik dan een reis, om mijn hoofd leeg te maken en weer te vullen met nieuwe ervaringen, geluiden, landschappen, beelden van mensen onderweg. Wat nu zoals je weet onmogelijk is.
Bezig zijn met muziek en met deze lijstjes bood me, een beetje als reizen, een mogelijkheid om te ontsnappen, om niet de godganse dag aan dat virus, aan besmetting, aan ziekte en dood te denken. Om al die vormen van voorzichtigheid, al die nieuwe leefregels waar we ons moeten aan houden uit respect voor onszelf en voor elkaar, enkele uren per dag te vergeten.

Mijn bedoeling was niet om bij die lijstjes voor Roen veel uitleg te schrijven. Aanvankelijk hield ik het ook zo, gaf ik alleen een opsomming van wat ik van bijvoorbeeld R.E.M. of Marianne Faithfull de beste albums vind. Gaandeweg vond ik dat dat niet volstond, dat er wat commentaar nodig was. Nog later ben ik op het idee gekomen om die stukjes uit te werken voor hoochiekoochie. Ook Roen was van mening dat ik dat moest doen. Als ze hier – vanaf morgen – verschijnen is dat mede te danken aan zijn toewijding en overtuigingskracht.

Het was me vaak een genoegen om lijstjes van andere vrienden van Roen – duidelijk stuk voor stuk melomanen – te bestuderen en hun verhalen over deze of gene elpee, dit of dat concert te lezen. Ik besef dat we veel gemeenschappelijk hebben, hoe verschillend we ook mogen zijn in smaak en karakter. Ik heb veel bijgeleerd en vooral heb ik zin gekregen om muziek die ik nog niet ken te gaan ontdekken.

De cursiefjes en anekdotes die ik als uitleg bij mijn lijstjes heb geschreven zijn in tegenstelling tot sommige van mijn literaire teksten niet voor de eeuwigheid gemaakt. Soms echter is een dag een eeuwigheid.

[Morgen de eerste lijst: de beste albums van 1967.]

[1] Op Johnny Winters elpee Second Winter staat een nummer dat I Love Everybody en een dat I Hate Everybody heet.

Foto:  Een coronawandeling in Anderlecht. MP, 9 april 2020,

NACHTEN AAN DE KANT 15 : IN HET PANNENHUIS

1980leoflortequila

De opening van Termen, de tentoonstelling van Leo Steculorum in het Pannenhuis, was een succes. Over Leo’s werk kan van mening worden verschild, maar over de sfeer en vooral het plezier dat we hadden, is dat moeilijker. De meeste van de vrienden die er waren leken, achteraf en nuchter beschouwd, op grote ernstig spelende kinderen. Het gebeurt nu wel vaker dat ik me in het café van Toulouse en Greta feestelijk begin te voelen. Het is een plek waar je elkaar ontmoet om te praten en te discussiëren, om van mening te verschillen. Om te zwijgen, te lezen. En om te drinken: dat is waar kunstenaars, dichters en schrijvers misschien nog het beste in zijn. Jazeker, wij excelleren in dronkenschap en euforie, mijnheer de minister, en soms in wanhoop.
Voor ik in de mist verdwaalde praatte ik met Paul Rigaumont over schilderen en kritiek. Het komt erop aan zelfvertrouwen te hebben, en door te gaan met het werk, zei Paul. Kunstkritiek leek ons eerder overbodig en in ieder geval voor wie zich ermee inlaat een hachelijke onderneming. We hadden het over Elias Canetti, die daar in Macht en Massa gevat over schrijft:
“’Een slecht boek’, zegt iemand, of ‘een slecht portret’, en hij neemt een air aan alsof hij iets ter zake kundigs zegt. In ieder geval verraadt zijn gezicht daarbij dat hij het graag zegt. Want de vorm van de uitlating is bedrieglijk, en ze gaat zeer spoedig in een persoonlijke over. ‘Een slecht dichter’ of ‘een slecht schilder’ wordt al gauw gezegd, en het klinkt alsof men zegt ‘een slecht mens’. Overal heeft men de gelegenheid bekenden, onbekenden en zichzelf bij dit proces van veroordelen te betrappen. Het plezier in negatieve beoordeling is altijd onmiskenbaar. Het is een hard en wreed plezier, dat zich door niets laat afschrikken.”
Ik denk dat ik nog veel van Kafka zou kunnen leren, zei ik. (Onze gesprekken verliepen vaak associatief. Elias Canetti heeft namelijk in Het andere proces over de brieven van Franz Kafka aan Felice Bauer geschreven.) Maar ik durf hem nu niet te lezen, ging ik verder, zeker zijn dagboeken en brieven niet. Veel te gevaarlijk. Waarom niet, vroeg Paul. Omdat hij me te zeer zou beïnvloeden. Je weet toch hoe ik ben? Daar moet je niet bang voor zijn, zei hij. Dat is bijgeloof. Je hebt je eigen stem.

Dominique was net terug uit Moskou. Daar was het pas koud, -45 graden. Hij heeft op straat mensen gezien van wie de neus afgevroren was. Dat kan niet, zei ik. Toch wel, zei Dominique. In Moskou is dat niet zo uitzonderlijk. Eerlijk gezegd kreeg ik het koud van naar hem te luisteren en ging daarom bij Greta nog een glas bier bestellen. Een van de voordelen van het Pannenhuis was dat je daar pas je rekening moest betalen als je er geld voor had. Meestal deed ik dat meteen nadat ik mijn uitkering getrokken had. Een dag of zo later was het daarvoor alweer te laat.

francis bacon 2

Ondanks zijn verlegenheid en zijn afkeer van vernissages is Giuseppe ook even komen kijken. Veel drukte om niets, leek hij te denken, maar als hij dat al deed zei hij er alvast niets over. Wel over Francis Bacon. Ik had hem een paar dagen tevoren voorbereidend werk voor een stuk over die schilder laten lezen. Dat heb ik geschreven toen ik nog in Sint-Joost woonde, in een periode dat ik ongeveer twee, drie uur per nacht sliep. Overdag werkte ik in een boekwinkel. Je stond op het punt waanzinnig te worden, denk ik, zei Giuseppe. Dat is zo, wat een paranoia was dat, zei ik. Daarom heb ik je die dingen laten lezen. Zo zie je dat wat ik nu schrijf lang zo gek niet meer is. Ik noem het studies voor een portret van Francis Bacon. Eigenlijk ging het tegelijk over de filosoof Francis Bacon. De Lord Chancellor, aan wie door sommigen het werk van Shakespeare wordt toegeschreven, vroeg Giuseppe. Precies, zei ik. Weet je hoe hij aan zijn eind kwam? Hij liep een longontsteking op toen hij een bevroren kip aan het bestuderen was. Kennelijk hadden nogal wat bacteriën het invriezen overleefd. Giuseppe lachte. Gooi dat voorbereidend werk van je maar in de vuilbak, zodat geen mens het te zien krijgt, zei hij. Ik kan niets weggooien, helemaal niets, zei ik. En zeker niet mijn beschrijving van de Stront-Man van Onan op het Drieluik van 1973. Het is allemaal even overdreven, vergezocht, nodeloos ingewikkeld en vooral bombastisch. Daar heb je gelijk in. Ik had slaap nodig, rust, rust, rust. Ik las wel enkel schitterende vondsten, zei Giuseppe. Ik herinner mij er nu twee, vervolgde hij: “De onschuldige grijns van Calabazas”, en “Een zevental schakeringen van amarant”. Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.

Met Renée Strubbe had ik het over Proust lezen. Wat een ernstige gesprekken op zo’n feest, stel ik nu vast. Ik vertelde haar dat ik mij van de vroege ochtend tot de late avond niet meer inlaat met literatuur. Het zijn niets dan leugens, zei ik. Je overdrijft, Martin, zei Renée. Ja, dat komt door de drank, zei ik. Zodra de avond valt, ging ik verder, laat ik mij de letterkundige leugens weer welgevallen. Zeker als ik Proust lees voel ik nog een zeker welbehagen. Maar het gebeurt wel eens dat ik ’s avonds te uitgeput ben om nog te lezen. Dan leest Senga voor en dat doet ze zo goed. Vandaar dat welbehagen, zei Renée. Senga heeft een mooie stem, zei ze. Mijn nachtvoorlezeres, zei ik. Ik begin hoe langer hoe meer te geloven dat het lot onherroepelijk is, zei Renée. Enkele jaren geleden had ik me onmogelijk kunnen indenken dat ik ooit fatalist zou worden, nu vraag ik me af of ik dat al niet een hele tijd ben. Ik leg me neer bij de onvermijdelijke gang van zaken in de wereld, zei ze. Terwijl ze die woorden uitsprak lachte ze alsof ze iets heel grappigs vertelde. Je moet je daar tegen verzetten, zei ik. We zijn vrije mensen, en zelfs als we het niet zijn moeten we doen alsof we het zijn. Dat is listig, zegt Renée. Misschien wel, zei ik. Kom laten we nog iets bestellen.

Toen het termenfeestje in het Pannenhuis op zijn einde liep zijn Senga en ik met Leo Steculorum en Wout Vercammen kip met frieten gaan eten in het Kiekenkot. Het was mijn eerste kennismaking met Wout. We waren allemaal dronken maar ik was nog helder genoeg om vast te kunnen stellen hoe negatief en verbitterd hij was. Niets of niemand vond genade in zijn ogen. Hij leek mij de verpersoonlijking van het absolute nihilisme. Zijn woordenstroom, een aaneenschakeling van vervloekingen en verwensingen, liep echter over een bedding van gevoeligheid en kwetsbaarheid. Je ziet die bodem in zijn blik, ook als hij opeens iets vrolijks zegt, of diergeluiden maakt. Gaandeweg heb ik Wout leren kennen als een heel lieve man. Het is mede dank zij hem dat ik samen met Max Borka een programma ben gaan maken bij Radio Centraal, nu zevenendertig jaar geleden.

Afbeeldingen: Francis Bacon alias Baco van Verulam; Leo Steculorum en Flora Van Tendeloo circa 1980.

 

NACHTEN AAN DE KANT 14: HUISELIJKE TAFERELEN

 

Robert_Falcon_Scott_in_the_Cape_Evans_hut,_October_1911

4 januari 1979. Senga en ik zijn allebei ziek en we zitten op droog zaad. Met mij gaat het al wat beter, Senga heeft hoge koorts. Geen geld voor dokter, geneesmiddelen of drank. Bovendien is het bitter koud. Ik voel me een beetje zoals de poolreiziger Robert Falcon Scott als hij zijn allerlaatste boodschap neerschrijft. Het is echter niet de vorst die ons ziek maakt. Mijn ziekte is alvast ouder en verbetener dan de kou.
Nu er sneeuw op de daken ligt schitteren de meeuwen als witte balletdansers in een lichtgrijs decor. Of zijn het ijsschaatsers die vleugels hebben gekregen? Wat ze uitdrukken is schaarste. Uit de scherpe lijnen die de vogels trekken kun je afleiden hoe koud de lucht is. Je voelt in je eigen ledematen dat hun bloed net niet bevriest. De mensen op straat zien er veel kleiner uit dan op warmere dagen. Dik zien ze er ook uit. Magere mensen blijven in de winter liever binnen. Dan ben ik wel een uitzondering op die regel: ik ben mager en kom graag buiten als het koud is, vooral ‘s nachts. Gisteren woog ik vijfenvijftig kilo. De zon overspoelt mijn kamer met sneeuwwit licht. Buiten is het zeker tien graden onder nul. De kou bevalt mij. Een ondergesneeuwde straat. Een toegevroren kanaal. Met dikke lagen sneeuw bedekte sparren in een wit landschap. Voetsporen in de sneeuw stemmen me nog altijd droef te moede (een oude uitdrukking, maar ik vind ze hier wel gepast). En dan heb ik het nog niet over het verkeer. In naam van snelheid en efficiëntie verkiezen stedelingen grijze, modderige pap boven blanke sneeuw. Sneeuw en ijs zijn gevaarlijk, en dat moet vermeden worden. Terwijl de vuile gezouten smurrie mij pas echt gevaarlijk lijkt. Onheil voor mens en dier en plant.
Wegens de bijtende kou en de verkeersmoeilijkheden moesten we de vorige dagen niet gaan stempelen. We mochten de hele dag thuis blijven, zogezegd zitten nietsdoen. Dat we geen reet uitvoeren, daar zijn onze hardwerkende medemensen van overtuigd. Werkloos tuig, dat zijn wij. Ik geef toe dat ik dit keer niet veel gedaan heb. Mijn werkkamer op orde gebracht, wat naar de radio geluisterd (nieuwe plaat van Elvis Costello), de krant en Humo gelezen en gewacht. En nu heb ik toch al deze regels geschreven. Soms vraagt een mens zich af waar hij de energie vandaan blijft halen.

7 januari 1979. Vrijdagavond stond mijn moeder hier zomaar opeens voor de deur. Een telegram van ons had haar ongerust gemaakt, ze was onmiddellijk naar hier gekomen. Senga had op dat ogenblik erg hoge koorts (39,5), buiten was het ijzig koud (-16°), ik was hypernerveus. Het bezoek van mama maakte mij er niet rustiger op. Zij was zelf nogal in de war, onderbrak me voortdurend en begon dan over iets helemaal anders. Met als gevolg misverstanden en soms harde woorden. Van beide kanten een gebrek aan begrip. Mama verwijt me dat ik ondankbaar en gevoelloos ben, wat ik dan weer ongegrond en onrechtvaardig vind. Toch is het mogelijk dat ik hard en koel overkom, waardoor zij de indruk krijgt dat haar aanwezigheid me onverschillig laat of zelfs ergert.
Terwijl we elkaar zo verkeerd zitten te verstaan en Senga boven ligt te ijlen krijgen we eerst bezoek van Guillaume, die goddank maar even blijft. Het gebeurt maar zelden dat ik de Heer dank, en in dit geval doet het me zelfs pijn omdat ik mij in normale omstandigheden zo verheug op Guillaume zijn visites. Mama herkent Guillaume nog van die keer dat we scrabble zaten te spelen. Tegen hem is ze hartelijk. Zou ze in hem een betere zoon zien dan in mij? Daarna is het de beurt aan Anton, die ik sowieso verwachtte. Maar ik ben niet in staat hem met warmte en andere tekenen van vriendschap te bejegenen. Door al die drukte krijgt mama helemaal het gevoel dat ze een ongewenste gast is. En ze komt dan nog speciaal helemaal uit Limburg omdat ze dacht dat ik ernstig ziek was, terwijl nu blijkt dat Senga het zorgenkind is. Waarom ook hebben wij in onze telegram geschreven dat ik de grote zieke was?

Hoe kan ik mama aan het verstand brengen dat ze hier welkom is en dat we haar graag zien? Moet ik omdat zij er is mijn vrienden de deur wijzen? Iedereen is hier even welkom, familie of geen familie. En misschien is het wel waar dat ik de voorkeur geef aan vrienden, boven familieleden, en zelfs boven mijn ouders.

Mama blijft slapen. Tot één uur ’s nachts zitten we in de bruine fauteuils van de huisbaas te praten en elkaar te onderbreken. Ik laat mama zoveel mogelijk aan het woord en als ze mij iets verwijt, wat bijna de hele tijd het geval is, probeer ik mij te verdedigen. Dan begint ze meteen over een ander onderwerp om me daarover ook al verwijten naar het hoofd te slingeren. Het komt erop neer dat ik te veel geld uitgeef aan drank, dat ik te vaak op café ga, dat het hier de zoete inval is, dat mijn ‘kameraden’ van ons profiteren. Als ik dan bijvoorbeeld antwoord dat ik op café heel dikwijls getrakteerd word door mijn vrienden zegt mama dat ik een uitzuiper ben. Het is ook nooit goed. Nog een geluk dat ze mij geen uitvreter noemt, zoals dat personage van Nescio, de kerel die “je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.” [1] Voor ik ga slapen moet ik de waterleiding nakijken en de kranen toedraaien. In de kelder is het berekoud. Heel even krijg ik het gevoel dat ik in mijn eigen ijzige afgrond afdaal. Maar al gauw lig ik lekker in het warme bed naast mijn koortsige geliefde.

Zaterdagmiddag vertrekt mama. Bij het afscheid klaagt ze dat ze zo ongelukkig is en dat ze met haar eigen ogen kan zien hoe onberoerd mij dat laat en dat Senga zo ziek is laat mij ook al onverschillig en dat ze zo graag tot zondag zou blijven maar dat zij wel doorheeft dat ze hier bij ons, bij mij dus, in de weg loopt. Hoezo dan? Omdat ik, zegt zij, toen Anton gisteren voor hij vertrok liet verstaan dat hij vanavond zou terugkomen, had moeten antwoorden dat dat niet kon, omdat mama nog hier zou zijn. Ondanks die kritiek geeft ze mij toch wat geld voor de dokter. Zodra mama weg is wil ik meteen de huisarts opbellen. Geen sprake van, zegt Senga. We kunnen dat geld wel voor iets beters gebruiken. Toch heeft ze nog altijd hoge koorts.

001 writing

Om twee uur zou Giuseppe langskomen om het schilderij Capaneus the Blasphemer van William Blake te analyseren. “O Capaneus, in het feit dat uw hovaardigheid niet wordt getemperd, ligt uw zwaarste straf: geen marteling zou beter bij u passen dan juist deze woede van u!” [2] Maar Giuseppe is niet komen opdagen. Zodoende had ik wat meer tijd om voor Leo Steculorum vier lijsten met reeksen termen over te typen. Hij stelt die vanaf volgende vrijdag tentoon in het Pannenhuis. Eén lijst waarop alle termen, één lijst waarop tijdsgebonden begrippen, één lijst waarop ruimtegebonden begrippen, één lijst waarop termen met betrekking tot maten. Leo kan zelf niet snel genoeg typen om die vier pagina’s op een week af te krijgen. Beschouw dit maar als een vriendendienst.

Zaterdagavond komt Anton me oppikken om de stad in te gaan. Hij stelt Sally, zijn nieuwe vriendin, aan ons voor. Met enige tegenzin en nogal wat schuldgevoelens, zowel jegens mama, wat nu geen enkele zin meer heeft, als jegens Senga, trek ik de deur achter me dicht. Senga zei dat ze het niet erg vond. Je bent in goed gezelschap, zei ze. Met Anton erbij zal je niets ergs overkomen. Dat weet ik nog zo niet. Bij Anton voel ik me nooit honderd procent oké. Hoewel ik toegeef dat we niet over alles wat in ons omgaat moeten praten, vind ik het toch knap lastig helemaal niets te weten over elkaars gevoelens. Soms gedraagt Anton zich toch zo geheimzinnig. Het probleem is evenwel dat ik me heel goed in hem kan vergissen. Mogelijk heeft hij de beste bedoelingen. Dat hele gedoe met mijn moeder spookte ook nog in mijn hoofd. In Cinderella’s Ballroom ben ik bijna meteen gaan dansen. Maryse draaide als altijd weer geweldige plaatjes, zelfs iets van Elvis Presley, die oude god. Anton en Sally heb ik niet meer gezien. Al dansend heb ik wat nog overbleef van dat grieperige gevoel uitgezweet. Ik voelde me al net zo sterk als die verdoemde Capaneus. Forget your sickness and dance! Forget your weakness and dance! zingt Bob Marley in Them Belly Full (But We Hungry), en dat blijkt een goede raad te zijn. Vorig jaar tijdens het concert van Robert Gordon en Link Wray heb ik dat ook al eens ondervonden.

Als Cinderella’s Ballroom de deuren sluit is er nog altijd de Gnoe. Daar zitten Guillaume Bijl en Luc Van Tendeloo, een warmhartige vriend van me en net als ik een filmminnaar, aan een tafeltje. Theo de paranoïde psycholoog, een man die ik onlangs wat beter heb leren kennen, staat aan de toog.
Hoe kun je met zo’n fils à papa optrekken, vraagt Guillaume. Hij doelt op Anton. Hij had ons van op een afstand in Cinderella’s Ballroom gezien. En Anton en ik zijn een tijdje geleden een keer samen bij hem thuis geweest. Ik weet het niet, zeg ik. Dingen gebeuren. Ik wil Anton verdedigen. Dat de zonen niet altijd hetzelfde zijn als de vaders en zo. Maar mijn pleidooi zal niet heel vurig zijn geweest ·want binnen de kortste keren liggen Guillaume en Luc met hun hoofd op tafel te snurken. Theo, die me psychologische bijstand had kunnen geven, valt nergens meer te bespeuren. Rudi, wil je een taxi opbellen? Ik moet mijn vrienden veilig thuisbrengen. Zo doe ik nog eens iets goeds. De taxichauffeur lijkt sterk op John Cazale in Dog Day Afternoon. Eerst naar de Sint-Jorispoort, mijnheer, dan naar de Lange Leemstraat en ik woon in de Dolfijnstraat. In de Lange Leemstraat kost het me heel wat moeite om Guillaume wakker te krijgen. Zelfs een zware regenbui kan hem niet deren, geloof ik. Maar kijk, nu is hij dan toch wakker.

[1] Nescio, De uitvreter
[2] Dante, De goddelijke komedie, Inferno, Canto XIV

Afbeeldingen: Robert Falcon Scott door Herbert Ponting; een vriendendienst van Martin Pulaski.

NACHTEN AAN DE KANT 13: VAN GROOT ONGENOEGEN EN GELUK

jos-matti1 (2)

6 augustus 1978. Vrijdagavond ging ik bij Giuseppe aanbellen. Er brandde licht maar voor de rest geen teken van leven. Opeens werd ik bang. Er was toch niets ergs gebeurd, met Giuseppe weet je maar nooit. Wat kon ik doen? Ik ben dan maar het hele eind tot bij Job gelopen. Het zal wel niets ergs zijn, zei hij, maar laten we toch nog maar eens gaan kijken. Giuseppe bleek nogal diep geslapen te hebben, nu was hij wakker. Job was moe en is naar huis teruggekeerd.
Hoe konden wij van deze avond nog iets maken? Naar de bioscoop? We waren nog net op tijd voor The Last Waltz, de film van Martin Scorsese over het afscheidsconcert van the Band, met onder meer Bob Dylan, the Staple Singers, Muddy Waters en Ronnie Hawkins. De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll, vonden we. Neil Young heeft iets van een vampier en brengt een nagenoeg perfecte versie van Helpless. Van Morrison, klein van gestalte maar één brok dynamiet die elk ogenblik kan ontploffen. Wat deed Neil Diamond in deze film, Giuseppe? Daar vraag je mij iets, Martin.

Na The Last Waltz liepen we naar ’t Groot Ongenoegen, waar we rustig hebben zitten praten zonder dit keer al te veel te drinken. Giuseppe vindt mijn proza lang niet toegankelijk genoeg. Over een experimentele tekst als Stasis is hij niet te spreken. De titel alleen al… Wat betekent dat eigenlijk, Stasis. Het tegengestelde van Anastasis, zeg ik voor de grap. Stilstand, alles zit vast, je kunt niet vooruit en niet achteruit, voeg ik eraan toe. Flauwekul, Martin, je moet eenvoudiger gaan schrijven, man. Hoe vaak moet ik dat nog herhalen? Waarom luister je niet naar de raad van je beste vriend? Je bent toch een bewonderaar van Walt Whitman? Deze verzen uit The Sleepers vind ik heel mooi:
I go from bedside to bedside, I sleep close with the other sleepers each in turn,
I dream in my dream all the dreams of the other dreamers,
And I become the other dreamers.”
Heel mooi, Giuseppe, maar dat was in de negentiende eeuw. De wereld was toen nog niet zo ingewikkeld. En ik denk dat Whitman een evenwichtig man was. Hoe kan ik zo eenvoudig gaan schrijven, Giuseppe? Ik ben geen eenvoudig man. Ik ben een complex iemand. Mijn bestaan is problematisch en ronduit chaotisch, ook al leef ik een schijnbaar geordend bestaan. In mijn hoofd is het een gevecht van jewelste tussen dagdromen, verlangens, twijfels, angsten, noem maar op. Moet ik die chaos dan niet aanvaarden? Moet die geen uitdrukking vinden in wat ik schrijf? Giuseppe, ik besef dat mijn werk moeilijk te doorgronden valt, maar ik kan niet anders. Als maar weinigen het snappen is dat jammer. Natuurlijk zou ik wel een publiek willen bereiken, maar niet tegen elke prijs. Niet door mezelf te verraden. Ik wil mijn eigenheid niet opgeven – ook al is die niet vast omlijnd – om op die manier in de smaak te vallen bij een groter publiek en bij uitgeverijen. Bijgevolg schrijf ik voorlopig voor mijn vrienden, nee, voor al degenen die een inspanning willen doen om tot de kern van wat ik wil zeggen door te dringen. Zolang ik dat kan volhouden. Wie van mij schone letteren verwacht zal geduld moeten oefenen. Je loopt nog eens met je hoofd tegen de muur, Martin, zegt Giuseppe. Er zijn best wel wat hedendaagse auteurs die net zo goed in jouw complexe wereld leven en toch heldere verhalen schrijven. Ik denk nu aan Patrizio Canaponi. Maar er zijn er nog. Je weet hoe verknocht ik ben aan Jan Arends. Als dat niet eenvoudig is. Ik houd niet / van bloemen. // Ik heb nooit / een korrel aarde / bezeten. // Ik wortel niet / in de grond. // Mijn bestaan / is ontkend. // Hoe moet ik dan / van bloemen houden? Daar heb je gelijk in, zeg ik. En dan valt er een lange stilte.

2018-04-11-aurora 018

Later staan we in een hoek van Cinderella’s Ballroom recht onder een grote luidspreker en daar proberen we over onze lievelingsfilms te praten. We moeten in elkaars oor schreeuwen om iets te begrijpen. Jacques Rivette. Miklós Jancsó’s Rode Psalm. Repulsion. Sisters van Brian De Palma. She is watching the detectives / When they shoot, shoot, shoot, shoot /  They beat him up until the teardrops start / But he can’t be wounded ‘cause he’s got no heart. Johnny Guitar. Ja, geweldig, met Joan Crawford. When you boil it all down, what does a man really need? Just a smoke and a cup of coffee.. Sterling Hayden. Wat een sexy meisje daar! War amongs’ the rebels / Madness, madness, war. Hé, Linton Kwesi Johnson. Nee, ik dans niet. Napoléon van Abel Gance. Vampyr. De eerste vampierfilm. De vuisten in de zakken. Van wie? Marco Bellocchio. Le Père Noël à les yeux bleus. Jean Eustache. Wat mis ik het Filmmuseum, Giuseppe. Right outside the Rainbow / Inside James Brown was screamin soul / Outside the rebels were freezin’ cold / Babylonian tyrants descended / Bounced on the brothers who were bold. Luister, een Walt Whitman van vandaag, Giuseppe. Linton Kwesi Johnson. Im Lauf der Zeit zag ik pas op televisie. Meesterwerk. Ik kan niet nadenken met die dub. Laten we ergens anders gaan. Mouchette. Les enfants du paradis. Nee, het is te laat. Tijd voor bed. Naar die Garance van mij.

Omdat de zon al op is ga ik nog even in ons tuintje naar de bloemen kijken. Voor een keer dat ik niet dronken ben. De calendula’s ontluiken, de reukerwten ook; de korenbloemen zijn haast uitgebloeid; de zonnebloemen, de azalea’s en de asters laten op zich wachten. Als ik daar zo sta te kijken overvalt mij weer zo’n ongewoon en zeldzaam intens gevoel. Het is de zon. Ik kijk omhoog. Daar is de hemel die ons allemaal met elkaar verbindt. And I become the other dreamers. De lucht blauwer dan ooit. Delicaat licht blauw. Opeens zie ik de bloemen zoals ze werkelijk zijn, hun diepe, felle en toch ook zachte kleuren, hun wonderlijke vormen; gedichten van de aarde voor de hemel en de zon. Senga is inmiddels naar buiten gekomen en omhelst me nu. We kussen elkaar, ik ben gelukkig.

Afbeeldingen: Giuseppe (Jos D.) omstreeks 1982; Aurora, tijdschrift van de filosofische kring Aurora.

NACHTEN AAN DE KANT 12: MARGOT VANDERSTRAETEN

lamorinièrestraat (2)

Hoe graag had ik gisteravond niet zelf met Margot Vanderstraeten zitten praten. Hoewel Thomas Vanderveken een intelligente en hoffelijke gesprekspartner is, was ik toch wat jaloers. Of was ik dat net omdat hij die kwaliteiten bez ikit? Ik had daar niet alleen zo graag met haar zitten converseren vanwege haar stralende glimlach, haar welbespraaktheid, haar vurige rode jurk. Nee, ik heb zo mijn heel bijzondere redenen – die pas gaandeweg tijdens het kijken naar Alleen Elvis blijft bestaan aan het licht zijn gekomen.

Een man die ouder wordt heeft wel eens met verwardheid te kampen, niet alle informatie dringt nog even goed tot hem door, wat wereldvreemdheid tot gevolg heeft – en zijn geheugen wordt slechter. Ik ben zo’n ouder wordende man. Je moet me maar aanvaarden zoals ik ben. De ellende is dat ik dat zelf ook moet doen. Nu ik erover nadenk besef ik dat ik altijd wereldvreemd ben geweest; zelfs als ik denk het reilen en zeilen van de wereld en de mensen te kennen ben ik dat nog. Een dromer en een vreemde in de vertrouwde wereld; een andere voor de onbekende anderen. Maar is niet iedereen op die manier wereldvreemd? You know how it feels, you understand / What it is to be a stranger / In this unfriendly land, zingt Bobby Bland, maar de blues waar die regels vandaan komen, Lead Me On, heeft andere, pijnlijkere connotaties dan alleen maar die van de zorgen die het ouder worden met zich meebrengen.

Over Margot Vanderstraeten zou ik het hebben. Op 14 november kreeg ik van mijn vriendin Deborah via Messenger een berichtje naar aanleiding van mijn reeks over het Pannenhuis en het nachtleven in Antwerpen in de periode van punk, post-punk en new wave. Vermoedelijk had ze gelezen dat ik de naam niet kende van het restaurant op het Hendrik Conscienceplein waar vroeger het Pannenhuis onderdak had. Ik vernam dat Louis De Vries de motor achter het café was geweest, dat het restaurant BOHM en berkel heet, wat ik een rare naam vond, en dat het wordt opengehouden door een zekere Margot Vanderstraeten en haar man. Deborah raadde me aan om er eens een keer voor een hapje of een drankje langs te gaan. Nu ik zo was ondergedompeld in de geschiedenis van het Pannenhuis was dat interessante informatie. Ik wist dat ik de naam Margot Vanderstraeten al eerder had gehoord, maar meer dan iets vaags riep hij niet op. Had ze geen programma op Radio Centraal, of was ze een schrijfster? Nee, ik zal haar verwarren met Griet Op de Beeck, dacht ik. Voor mij blijft een griet een vis maar in Antwerpen is het een vrouw, dat deelde ik al eens mee. Margot, Margot, Margot… Voorlopig liet ik haar rusten ergens in een donker hoekje onder mijn hersenpan. Zodra haar bedje was gespreid ging ik door met mijn dagtaak.

MARGUERITE YOURCENAR

Vanavond krijgt Alleen Elvis blijft bestaan een gast die een fragment met Bernard Pivot heeft gekozen, zei Agnes die soms Senga heet, gisteren tijdens de lunch zomaar opeens. Daar keken wij toch altijd naar vanaf dat wij ons eerste tv-toestel hadden, niet? Jazeker, zei ik, dat was in de Lamorinièrestraat. Ik herinner me dat nog alsof het gisteren was. Apostrophes heette dat onvolprezen boekenprogramma. Maar wat een ellendige tijd was dat. Alleen misdaadromans, sommige muziek en televisieprogramma’s brachten enig soelaas in dat appartement. En wijn, zei Agnes. Vergeet de seks niet, zei ik. Ik woonde ook wel graag zo midden in de Joodse gemeenschap, zei Agnes. Ja, zei ik, dat gaf je soms het gevoel ver weg in een andere cultuur ondergedompeld te zijn. Met zo’n gast zou Alleen Elvis blijft bestaan wel eens interessant kunnen worden, ging ik verder, weet je wie het is? Dat heb ik niet verstaan, zei Agnes. Ik zal eens in Focus kijken, zei ik, als het daar al in staat, ze zijn nogal karig met hun informatie. Het is Margot Vanderstraeten, ken jij die, vroeg ik. Nee, zei Agnes. Ik ook niet, maar de naam zegt me wel iets. Ze heeft een boek geschreven dat Mazzel Tov heet. Nu herinner ik me dat ik haar een keer op televisie heb gezien. Een boeiende vrouw, meen ik mij te herinneren. Maar waarom heb ik dat boek dan niet gelezen?

Tijd voor Alleen Elvis blijft bestaan en Margot Vanderstraeten. Charmante, intelligente vrouw, welbespraakt, in het rood, de kleur van mijn hart. Ik val in herhaling. Ze komt uit Zonhoven in Limburg en groeide op in de buurt van een cité. Die rijke microkosmos van arme immigranten uit Italië, Griekenland, Polen, Spanje, Marokko, de meesten van hen mijnwerkers. Dat was een eerste herkenningspunt: ik ben vertrouwd met een vergelijkbare omgeving in Eisden-cité, waar ik twee jaar op internaat heb doorgebracht. Ook ik heb in de klas gezeten met kinderen van mijnwerkers, hun ouders Italianen, Polen en Grieken. De periode daar heeft mijn horizon verruimd: geen wereldvreemdheid maar wereldopenheid is daar mijn deel geworden. Margot Vanderstraeten is al op jonge leeftijd op internaat Dostojewski en andere klassieke auteurs gaan lezen. Een tweede herkenningspunt. We begrepen lang niet alle betekenislagen van boeken als De gebroeders Karamazov, maar de lectuur ervan stimuleerde ons om op verkenning te gaan in de taal. We werden verliefd op onze taal, het Nederlands. Margot Vanderstraeten ging in Antwerpen wonen, in de Joodse wijk. Ik schreef al dat het niet gemakkelijk is om aanvaard te worden in de stad aan de Schelde. Om meer kansen te krijgen om in die proef te slagen kun je proberen je het Antwerpse dialect eigen te maken. Je kunt ook iets helemaal anders doen: Margot Vanderstraeten ging haar mooie Nederlandse taal cultiveren. Nog een herkenningspunt, al is mij dat lang niet zo goed gelukt.

eisden schippersschool

Pas op het einde van de talkshow, na een clip over meesterkok Jiri Ono, dringt het tot me door dat Margot Vanderstraeten de vrouw is waar Deborah me over heeft gemaild. Ik verneem dat zij en haar man het restaurant uitbaten in het pand waar vroeger het Pannenhuis was. Dat het BOHM en berkel heet.
Wat is er zo merkwaardig aan dit verhaal? Agnes en ik hebben in de vroege jaren tachtig, toen we trouwe kijkers waren van Apostrophes van Bernard Pivot en van het nooit overtroffen filmprogramma Cinéma Cinémas van Claude Ventura en Anne Andreu [1], gebabysit voor Deborah. Enkele jaren eerder verscheen op een avond in het Pannenhuis voor onze ogen voor het eerst Deborah’s moeder. Didi want zo heet zij was inderdaad een verschijning. Ik geloof dat wij allebei meteen verliefd op haar werden, al kan ik wat dat betreft alleen voor mezelf spreken. Zelfs al hadden wij reeds heel wat tegendraadse en non-conformistische meisjes en jongens gezien waren we diep onder de indruk. Geen van ons beiden durfde Didi aan te spreken, zo van slag waren we. Pas een hele tijd later, toen bleek dat Didi net als ik een programma maakte bij Radio Centraal, heeft Agnes in café Tom Tom contact met haar gezocht. We werden goede vrienden en dat zijn we gebleven.

1983oostduinkerke1983-1

Uit de Joodse buurt zijn we in 1991 vertrokken. Guillaume Bijl en Renée Strubbe woonden toen al lang niet meer in de Lange Leemstraat. Ik was blij dat ik weg was uit Antwerpen en vooral uit de Lamorinièrestraat, waar niet één boom groeide. Toch mis ik sommige dingen. Op vrijdagavond, de vooravond van de sabbat (erew sjabbat), als ik van het station van Berchem naar huis liep, vroeg een nieuwe bewoner van het appartement van Guillaume en Renée me soms om in de keuken het vuur uit- of aan te komen steken. Dan herkende ik niets meer van de plek waar ik zoveel mooie avonden met mijn vrienden had doorgebracht. Ondanks de droefheid die me daarbij overviel vond ik het toch een hele eer om – als buitenstaander – een minuutje bij die eeuwenoude Joodse plechtigheid aanwezig te mogen zijn.

lagereschool1

[1] En 1982, Pierre Desgraupes, alors directeur des programmes d’Antenne 2, décide de lancer une nouvelle émission consacrée au cinéma. Désireux de proposer un concept novateur, il confie le projet à Michel Boujut et lui donne une liberté totale. Ce dernier fait appel au réalisateur Claude Ventura et à la journaliste Anne Andreu.
En résulte une émission au style unique, à la mise en scène singulière, composée d’un assemblage hétéroclite de séquences et d’interviews intimistes qui n’hésite pas à laisser la place au silence. Il s’en dégage souvent un sentiment nostalgique, voire mélancolique.
La formule étant devenue dépassée pour les critères de l’époque, la diffusion devient de plus en plus erratique, jusqu’à son arrêt total en novembre 1991 après un ultime numéro consacré à Alfred Hitchcock.

Afbeeldingen: Lamorinièrestraat, Antwerpen; Marguerite Yourcenar; Home voor Schipperskinderen, Eisden cité; Met Senga en Harobed in Oostduinkerke, 1983 (?); Lagere School, Eisden cité, cica 1962.