EEN AVOND BIJ TRIMALCHIO

Senga en Giuseppe’s scienfiction-tv. © Martin Pulaski.

Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping.
Willem Elsschot, Kaas

Antwerpen, 7 augustus 1979

Vandaag is er weer dat oude verlangen naar orde, zowel in mijn onmiddellijke omgeving als in mijn denken en werkmethode. Mijn dagindeling moet afgebakend zijn. Om negen uur moet ik aan deze werktafel zitten, voor vijven mag ik alleen naar de keuken om ’s middags wat te eten en koffie te drinken. De rest van de tijd moet ik lezen en vooral schrijven. Dagboeknotities, indien mogelijk gedichten, proza: liefst in die volgorde. De orde die ik bedoel heeft geen politieke of maatschappelijke betekenis. Een chaotische samenleving lijkt me ondoenbaar maar liever dat nog dan de orde van de tirannie, de orde van het duizendjarige rijk, zoals we die kennen uit de propagandafilms van Leni Riefenstahl. Ik heb orde nodig als antidotum tegen de chaos in mezelf. Het is de orde, de helderheid van de dag tegenover het troebele, onoverzichtelijke van de nacht. Alleen als er orde is en alles op zijn plaats staat kan ik schrijven. Toch mag ik geen tijd verliezen met boeken klasseren. De zucht naar orde en classificatie kan immers pathologische vormen aannemen.

Als ik het goed begrepen heb houdt deze drang van me verband met wat Claude Lévi-Strauss in zijn werk La pensée sauvage [1] voor ogen heeft.  “Deze behoefte aan orde vormt de grondslag van wat wij het wilde denken noemen, maar alleen in zoverre dat het de basis is van alle denken”.

Vanwege de connotaties gebruik ik het woord orde niet graag. Ik noem het liever indelen, klasseren, onderbrengen, rubriceren, enzovoort.


Opeens was het avond. Giuseppe had ons geïnviteerd. Er zat een briefje van hem in de bus. Het leek bijna een formele uitnodiging. Het is al zeker een maand geleden dat we elkaar nog gezien hebben, las ik. Ik heb een verrassing voor jullie. En zijn jullie niet nieuwsgierig naar de lotgevallen van het poesje? Jullie moeten vanavond naar de Vinkenstraat komen. Waarom had hij niet aangebeld; of hadden we de deurbel weer niet gehoord?

Wat zag het er ordelijk uit bij mijn vriend. Hij weet dat ik zelden lang bij hem blijf hangen. Bijna altijd krijg ik er vanwege het stof dat zich gedurende maanden, misschien wel jaren heeft opgestapeld een hevige niesbui, soms zelfs een astma-aanval. Nu echter was alles comme il faut. Nergens bespeurde ik een stofje. Giuseppe had zelfs de keuken geschilderd. Zijn potjes met kruiden stonden daar mooi naast elkaar op alfabet gerangschikt. Ik heb me altijd afgevraagd hoe mensen in vuile, slecht verluchte en verlichte kamers kunnen nadenken en werken. Voor Giuseppe was dat kennelijk geen probleem. Het was voor ons, voor mij en Senga, dat hij zich zo had afgesloofd. Toch leek het mij ook voor Giuseppe een verbetering. De huidige staat van zijn woning  zou zijn vrijetijd heel wat aangenamer maken, dacht ik.

Giuseppe had allerlei lekkers in huis gehaald. Jullie lusten toch Franse kazen? Hij duidde ze  voor ons aan: Ami du Chambertin, Beaufort de Savoie, Boule des Moins, Brébis d’Oleron, Brie de Melun, Camembert de Normandie, Cantal, Caprice des Dieux, Chaumes, Emmentaler, Explorateur, Fromage de Coucouron, Gruyère de Savoie, Mâconnais, Munster, Pavé du Berry, Persillé de Sainte-Foy, Petit Montagnard, Rambol, Rigotte de Sainte-Colombe, Roquefort, Saint-Aubin, Saint-Paulin, Suprême des ducs, Tomme de Montagne, Vieux de Lille. Italiaanse kazen liggen mij niet zo, maar ik heb er toch maar wat van in huis gehaald, vervolgde hij: Bastardo del Grappa, Caciocavallo, Caprino della Val Brevenna, Crema del Friuli, Dolcezza d’Asiago, Furmaggitt di Montevecchia, Gorgonzola, Maiorchino di Novara di Sicilia, Montasio, Murazzano, Ostrica di montagna, Pecorino, Provola delle Madonie, Santo Stefano d’Aveto, Taleggio, Tumazzu di vacca en Zufi.

Hij had nog meer lekkers voor ons: dadels, garnalen, olijven, salami en vijgen. Duvels voor hem, rode wijn voor ons. Twee flessen Old Grand-Dad bourbon, mijn favoriet merk. Mogelijk was dat ook al voor John Steinbeck het geval. De whisky uit Kentucky is een trouwe metgezel op diens Travels With Charley. Raymond Chandler moet er ook van gehouden hebben, waarom anders zou hij in zijn meesterwerk The Long Goodbye zijn personage, de detective Philip Marlowe, die bourbon hebben laten aanbieden aan diens vriend?

Zoals zo vaak met Giuseppe hebben we die avond veel gepalaverd. Er zijn me alleen maar vage echo’s van die conversatie bijgebleven. Dat Giuseppe het poesje niet lang bij hem thuis had gehouden maar al gauw aan zijn Brusselse vriend Bert V. had meegegeven, had Gabriëlla ons al verteld. Giuseppe deed daar wat geheimzinnig over. Mogelijk had hij het naar een verlaten terrein in Mortsel Oude-God gebracht en daar aan zijn – of was het haar? – lot overgelaten. Senga noch ik konden ons er boos over maken. Het poesje was onze verantwoordelijkheid geweest. Als iemand zich schuldig moest voelen was ik het. Terwijl ik al jaren aan het verkondigen was dat het maar eens gedaan moest zijn met al die schuldgevoelens.

Zeker zullen Lowell George en Herbert Marcuse ter sprake zijn gekomen. De zanger van Little Feat, die nog maar pas zijn eerste en enige solo-elpee Thanks I’ll Eat It Here had uitgebracht, was een paar dagen tevoren aan een overdosis cocaïne overleden. Giuseppe was van in het begin een fan geweest van Little Feat. Hij had er bij mij vaak op aangedrongen om hun platen te beluisteren. Inmiddels was ik erg gaan houden van nummers als Brides of Jesus, I’ve Been the One, Truck Sop Girl en vooral Willin’. En wat te denken van Fat Man in the Bathtub? Waarschijnlijk was het niet de cocaïne die Lowell George de das omdeed, zei Giuseppe. Het was vraatzucht en obesitas. Op het einde woog hij bijna 150 kilo. De titel van zijn elpee laat aan duidelijkheid weinig te wensen over, zei ik. Dixie Chicken ook niet, meende Senga. Er viel even een stilte. Dan kwam Marcuse aan de beurt. Ik vertelde nog een keer dat ik op het Ritcs voor professor Kruithof aan een werk over De eendimensionale mens was begonnen. Maar dat ik er al gauw de brui aan had gegeven. Die mislukking, je mag het ook weigering noemen, had ertoe bijgedragen dat ik maar ineens met mijn hele filmstudie was gestopt. Te veel eendimensionale mensen op die school, zei ik. Marcuse is op dezelfde dag gestorven als Lowell George, zei Giuseppe. We waren toen net terug uit de Provence, zei Senga. Ons gesprek ging daarna over onze verregaande vervreemding. Jazeker, ook die van ons, ons gebrek aan kritisch bewustzijn, hoe wij onze eigen repressie bijna omhelzen. Kijk maar, ik ben al er best tevreden mee dat ik als een slaaf met de tram mag rijden. En wij met het bestaan van dat autoritaire Bijzonder Tijd Kader. Inmiddels waren we al aan onze tweede fles Old Grand-Dad begonnen.

Giuseppe bezat een klein wit tv-toestel. THX 1138, de eerste film van George Lucas, wordt uitgezonden, zei hij. Zullen we eens kijken? Ik houd niet van sciencefiction, zei Senga. Ik ook niet, zei ik. Ach, zei, Giuseppe, wat zijn jullie vervreemd van de werkelijkheid. Laten we toch even kijken. Dat deden we, en we waren danig onder de indruk. Met mijn dronken kop moest ik aan La passion de Jeanne D’Arc denken. Dat kwam waarschijnlijk door die kale koppen. Iedereen is kaalgeschoren in die film. Seks is verboden, drugs zijn verplicht. Wat betekent toch THX 1138, vroeg Senga. Dat moet toch iets betekenen? Het zal het kenteken van Lucas’ nummerplaat geweest zijn, zei Giuseppe. Zet je nog een plaatje van Little Feat op, vroeg ik, het geluid van je sciencefiction tv stelt niets voor. Terwijl Giuseppe een langspeelplaat oplegde slikte THX zijn drugs en keek naar holobroadcasts. Dat is toch Robert Duvall, riep Senga uit. Jazeker, en SEN 5241 is Donald Pleasence, zei Giuseppe. Of vice versa, zei ik.

Opeens zakte je ineen. Je leek wel comateus, zei Senga de dag nadien, nadat ik mijn roes had uitgeslapen. Giuseppe heeft een taxi gebeld. De chauffeur wilde je eerst niet in zijn auto. Hij was bang dat je zijn mooie wagen zou onderkotsen. Zijn woorden. De zak. Ik heb hemel en aarde moeten bewegen om hem ervan te verzekeren dat je niet zou overgeven, ha ha. Dat je dat nooit doet, ha ha. Alsof het ‘s nachts niet vaak zatte mensen zijn die een taxi laten opbellen, zei ik. Het is de enige legale mogelijkheid om je op zo’n uur dronken te verplaatsen. Je hebt hier dan nog tot negen uur op de grond gelegen. Ik kreeg je niet de trap op, je leek wel van lood. Heb je bij me zitten waken, vroeg ik. Wat dacht je, zei Senga. Wat ben je toch een engeltje, zei ik, kom eens wat dichter bij me. Heb je zin, vroeg ik. Wat dacht je, zei Senga.

Graf Herbert Marcuse. © Martin Pulaski, 2005.

[Nachten aan de kant 58]

[1]  Claude Lévi-Strauss, Het wilde denken, Meulenhoff, Amsterdam, 1968, p. 21.

GESCHIEDENIS VAN HET KONIJN

Antwerpen, 29 juli 1979

Om vijf uur blijft er van ons niet veel meer over dan schaduw. Geraamten met vlees rond, in de woorden van Senga. Dronken en tegelijk nuchter, dat heb je soms met speed, loop ik de trap van Cinderella’s Ballroom op, gevolgd door Gabriëlla en Senga. Naar de Schelde, hoor ik mezelf roepen, ik heb licht en lucht nodig. Ik wil zien hoe de dag daar begint. Geweldig idee, zegt Gabriëlla. We lopen aan de linkerkant over de Raapstraat, de Predikerinnenstraat, Klapdorp, de Lange Koepoortstraat en de Zirkstaat tot aan de Jordaenskaai. Gabriëlla is uitgelaten, Senga volgt zwijgend op korte afstand. Ik kijk even om. Wat ziet ze er bleek uit. Al haar energie is op de dansvloer achtergebleven. Ja, we zijn nu niet veel meer dan drie schaduwen in het nieuw ontstane licht.

Aan de stroom die maar stroomt en stroomt, rusteloos en gevaarlijk en sereen, blijven we staan. Na het urenlange gedreun, de wilde extase en de nauwelijks verdrongen lustgevoelens, heb ik behoefte aan contemplatie. Aan de Schelde lijk ik tot rust te zullen komen. De Schelde, mijn stroom. De sleepboten in de verte herinneren me aan mijn kinderjaren op het schip. Ja, dat kind is altijd in mij aanwezig, zeker hier, aan de weidse rivier. De meeuwen, wit en grijs, laten zich gelaten als wrakhout op het water meedrijven. Het water zelf in vele tinten grijs en bruin, en de wolken daarboven. Dat alles daar buiten, dichtbij en toch ver, en dan ook nog mijn hart dat klopt en het bloed, het bloedrode bloed.

Dan kijk ik weer om en zie Gabriëlla tussen de duiven. Wat doe je, roep ik. Ik voer ze Librium, antwoordt ze, ze maken zo’n kabaal. Opeens bespeur ik beneden op de kade een groot uitgevallen konijn. Dat wil ik van dichterbij zien. Ik loop ernaartoe. Het konijn verroert niet. Is het dan niet bang voor me? Nu weet ik wat me te doen staat. Ik ga dat vet konijn vangen. Ik probeer het knaagdier zo dicht mogelijk te naderen. Dat is natuurlijk het lot tarten: het konijn maakt zich uit de voeten. Toch geef ik het nog niet op, ik loop erachter aan. Tot ik helemaal buiten adem ben. Gabriëlla staat luidkeels te lachen. Wat verderop overziet Senga de hele situatie en zegt nog altijd niets. Later, in bed, nadat we gevrijd en daarna geslapen hebben, vertelt ze me hoe ze zich had voorgesteld dat we circusartiesten waren. Jullie moeten een circus beginnen en daarmee de wereld rondtrekken. Ik zal jullie manager zijn, zegt ze. Het wordt een gigantisch succes. Een Rolling Thunder Revue op zijn Ensors, zegt ze. Met een konijn in de hoofdrol, zeg ik. Staat die pot yoghurt weer aan jouw kant, vraagt Senga.

[Nachten aan de kant 57]

ZERO DE CONDUITE: 1971 IN 33 SONGS

Jesse, omstreeks 1971-72
Jesse, omstreeks 1971-72

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal (106.7 FM) in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Het motto van deze aflevering isI need a brand new friend who doesn’t bother me / I need a brand new friend who doesn’t trouble me / I need someone, yeah who doesn’t need me.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Allereerst wens ik alle luisteraars (en niet-luisteraars) een gezond en gelukkig 2022.

Voor deze eerste dag van 2022 koos ik songs uit de meest geliefde langspeelplaten van 1971. Gisteren was dat nog vijftig jaar geleden, vandaag al eenenvijftig. Bewijst dit dat tijd niet bestaat? Of dat tijd relatief is en een dag een jaar kan duren en een jaar slechts een dag?
Over dat ongewoon en voor mij gelukkig jaar 1971 schreef ik in juli 2020 een korte terugblik. Daarin is veel terug te vinden over de achtergrond van de muziek die vandaag aan bod komt. Wie er meer over wil weten verwijs ik naar dat stuk. Ik voegde daar toen een lijst van mijn honderd uitverkoren elpees aan toe. Vandaag zal die er mogelijk al enigszins anders uitzien.

Veel luisterplezier.

Nina Simone

  1. Can’t You Hear Me Knocking – The Rolling Stones – Sticky Fingers – Mick Jagger/Keith Richards – 7:16
  2. Crack In Your Door – Little Feat – Little Feat – Lowell George- 2:19
  3. Tell The Truth – Ike & Tina Turner – ‘Nuff Said – Ike Turner/Leon Ware – 2:57
  4. Brave & Strong – Sly & The Family Stone – There’s a Riot Going On – Sly Stone – 3:30
  5. Inner City Blues – Marvin Gaye – What’s Going On – Anna Gaye/Elgie Stover/James Nyx/Marvin Gaye – 5:28
  6. Driving Wheel – Al Green – Al Green Gets Next To You – Roosevelt Sykes – 3:01
  7. Rollin’ Stone – Humble Pie – Rock On  – Chester Burnett – 6:01
  8. Finest Lovin’ Man – Bonnie Raitt – Bonnie Raitt – Bonnie Raitt/Bryan Adams/Jim Vallance – 3:59
  9. A Woman Left Lonely [Album Version] – Janis Joplin – Pearl- Oldham/Penn – 3:30
  10. Gone Dead Train – Crazy Horse – Crazy Horse – Nitzsche/Titelman – 4:09
  11. Fishes and Scorpions – Stephen Stills – Stephen Stills 2 – S.Stills – 3:17
  12. Drifting – Jimi Hendrix – First Rays Of The New Rising Sun – Jimi Hendrix – 3:49
  13. Hyacinth House – The Doors – L.A. Woman [40th Anniversary] – The Doors- 3:10
  14. Horse Out in the Rain – Moby Grape – 20 Granite Creek – Peter Lewis – 2:16
  15. Jamaica Say You Will – The Byrds – Byrdmaniax – Jackson Browne – 3:37
  16. What Are Their Names – David Crosby – If I Could Only Remember My Name…. – David Crosby/Jerry Garcia/Michael Shrieve/Neil Young/Phil Lesh – 4:14
  17. Sarabanda – Bert Jansch – Rosemary Lane – Corelli – 1:33
  18. Go Your Way – Anne Briggs – Anne Briggs – Anne Briggs – 4:15
  19. Carey – Joni Mitchell – Blue – Joni Mitchell – 3:04
  20. Lopin’ Along Thru The Cosmos – Judee Sill – Judee Sill –  – 3:07
  21. In My Own Dream – Karen Dalton – In My Own Time – P. Butterfield – 4:18
  22. Far From Me – John Prine – John Prine – John Prine- 3:41
  23. Ramblin’ ‘Round – Linda Ronstadt – Linda Ronstadt  – Lead Belly/Woody Guthrie – 3:20
  24. I Wanna Roo You (Scottish Derivative) – Van Morrison – Tupelo Honey – Van Morrison – 3:27
  25. Where Do We Go From Here? – The Band – Cahoots – Robbie Robertson – 3:50
  26. Going Mobile – The Who – Who’s Next –  Pete Townshend – 3:43
  27. Crazy Mama – J.J. Cale – Naturally – J. J. Cale – 2:25
  28. Don’t Go Near The Water – The Beach Boys – Feel Flows: The Sunflower & Surf’s Up Sessions 1969-1971  – Jardine – 2:40
  29. Like Rain – Grin – Grin – Nils Lofgren – 3:40
  30. One In a Hundred – Gene Clark – White Light – Gene Clark – 3:35
  31. Home Again – Carole King – Tapestry – Carole King – 2:29
  32. Here Comes The Sun – Nina Simone – Here Comes The Sun – George Harrison – 3:37
  33. En Melody – Serge Gainsbourg – Histoire De Melody Nelson – J.C. Vannier – 3:26

Samenstelling en research: Martin Pulaski

2022

James Ensor, Carnaval in Vlaanderen


Gelukkig 2022, lieve vrienden! Mijn wensen? Dat je je goed mag voelen en niet slecht, dat je plezier mag hebben in plaats van pijn. Voldoening, genot en geluk in plaats van wanhoop, angst en verdriet. Kracht, gezondheid en goede daden. Waarheid in plaats van leugens. Wijsheid en inzicht in plaats van starheid en verblinding. Volharding en moed. Maat in plaats van mateloosheid. Stilte en troost van muziek. Lommerrijke dagen en een zacht klimaat in de steden en op het platteland. Feesten, velerlei lach en overal humor. De redding van onze blauwe en groene planeet. Wonderlijke dromen en vrede overal. (En natuurlijk ook Lou Reeds pow pow power of positive drinking.)

IN DE VERTE STAAT EEN PAARD

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP

Saintes-Maries-de-la-Mer, woensdag 18 juli 1979

Gisteren om drie uur in Saintes-Maries-de-la-Mer aangekomen. Nog steeds dezelfde afmattende hitte. Het kampeerterrein van Touring Club de France, een zandvlakte, een kleine woestijn, heeft iets van een gevangenenkamp. Ik hoor hier voornamelijk de Duitse taal, ook het personeel spreekt je in het Duits aan. Schoon en hygiënisch is het allemaal wel.

Tijdens de eerste nacht werd de aanvankelijke stilte al gauw verstoord door dronkaards en andere idioten. In de vele merendeels erg grote tenten gekreun, talloze orgasmen. Het viel me op hoe kort de stoeipartijen duurden. Liever had ik dat allemaal niet gehoord en mijn geliefde in de stille nacht lang en teder gestreeld, daar waar ze het graag heeft, en haar sweet nothings in het oor gefluisterd. Helaas onmogelijk in een strafkolonie. We lagen wakker en al gauw hoorden we motorrijders het kamp komen oprijden. Daarna hardrock, Deep Purple, Uriah Heep – of the Scorpions misschien? Het waren Duitsers, zagen we vanmorgen, in zwart leer gehuld, breed geschouderd, met op hun pezige armen tattoos van blote vrouwen. Born to be wild, maar twintig jaar te laat. Marlon Brando zou hun vandaag alleen maar uitlachen. Het is alvast duidelijk dat ons verblijf hier ons geen rust zal brengen.

Het strand van Saintes-Maries is van glooiend, golvend zand, zacht aan de voeten.

Deze middag hebben we op het strand gelegen. Je zou het zonnebaden kunnen noemen. Het zeewater was te koud om in te zwemmen. Samen het water ingaan is niet mogelijk. We zijn op onze hoede voor tasjesdieven. In een plastieken zak van platenzaak Brabo zit heel ons vermogen en mijn bril en enkele boeken. Een groot kapitaal is dat niet, maar we moeten nog wat kunnen eten en naar Antwerpen terug reizen. Libération heb ik ook mee, nog altijd een uitstekende krant, zeer geschikt om de verveling mee te verdrijven en me nog enigszins aan het bestaan van de werkelijkheid te helpen herinneren. De krant doet tevens dienst als parasol.

De muggen van de Camargue zijn gemeen. Zoemen doen ze niet, ze vallen meteen aan en voor je het weet hebben ze je gebeten. Ze zijn stukken agressiever en giftiger dan hun soortgenoten in Antwerpen. De autochtonen lachen erom. Zij kennen hun muggen en maken zich vrolijk om de arme vakantiegangers die door hun kleine beestjes worden getreiterd.

Al vroeg in een goedkoop restaurant vis gegeten en vooral koele wijn gedronken.

Boven een moeras zag ik daarna een verrukkelijke zonsondergang. Voorbij het moeras de Middellandse Zee. In de verte, zei Senga, in de verte ginds staat een paard, een wit paard. Zie je dat? De zon was bijna ondergegaan. Ja, het witte paard is nu nog rood en dra is het zwart. Onwillekeurig moest ik aan T.S. Eliot denken. En nu, nu ik zoveel jaren later deze notities herlees, weet ik nog altijd niet waarom ik dat deed. Mogelijk dacht ik aan regels uit The Four Quartets, of uit The Wasteland.

Na zonsondergang is deze landstreek op haar bekoorlijkst. De lucht wordt zachter, doordrongen van een moeilijk te definiëren parfum, maritiem en landelijk tegelijk. De hemel krijgt een donkere en tegelijk heldere blauwe kleur. Miljoenen fonkelende sterren, heel dichtbij, je lijkt er op korte tijd naartoe te kunnen vliegen. Hun schittering verlicht de hemel als een kristallen bal een balzaal. Ver weg witte sluiers, Melkwegen. Mijn boek met afbeeldingen van de sterrenbeelden heb ik thuisgelaten. Ik aanschouw een onleesbare hemel.

Terwijl het donker werd stonden we daar wat te rillen, verloren in dit gigantisch universum en toch gelukkig. Het vuur van de hemel, het water van de Middellandse Zee en de moerassen, de mariene lucht overal om ons heen en de warme aarde onder onze voeten stelden onze zintuigen danig op de proef. Het ene moment voelde alles zacht en teder aan, dan weer hard en brutaal. Ik besefte hoe de aarde onze lichamen begeerde, hoe zij naar alles wat leeft en ademhaalt verlangt. Maar dat aardse verlangen deerde mij toen niet. Ik vergat mijn vrienden, mijn zoontje, mijn vader en moeder en broer, ik vergat de mensen die het slecht met me voor hebben, ik vergat mijn honger, ik vergat de bootvluchtelingen in Azië en de hongersnood in Afrika. Ik vergat dat het leven niets waard is. Ik vergat de steen in mijn hart. Ik vergat al het afval dat de wereld overspoelt. Ik vergat mezelf en ik vergat Senga. Ik was deel van de lucht en de aarde en het water en het vuur. Ik was gelukkig.
Het wordt koud, zei Senga, laten we naar onze woning gaan. Woning, vroeg ik. Je weet wel, lachte Senga, het kamp.


[Nachten aan de Kant 50. Zomer 1979]

OP DRIFT IN PARIJS

Graf van Frédéric Chopin. Foto: MP

[Nachten aan de Kant 45]

“Mon front est rouge encore du baiser de la Reine…”
Gérard de Nerval, El Desdichado

Veel heb ik niet geslapen. Daar was ik te rusteloos voor. Pas toen ik in bed lag, begon het tot mij door te dringen dat ik in Parijs was, de stad die me samen met Londen het meest dierbaar is. Maar hoe kan ik dat weten, ik heb nog maar zo weinig van de wereld gezien. Flarden van onze conversatie in het restaurant bleven in mijn hoofd rondspoken. Flarden van de naargeestige stilte van Gabriella. Haar fascinatie voor Moby Dick, voor de witheid van de walvis. Biarritz. Tweehonderd kilometer stappen. Ik zag het kleine blinde poesje weer voor me, nu veilig bij Giuseppe. Of was dat zelfbedrog van me? Hoe meer moe ik werd hoe meer en hoe sneller allerlei beelden zich aan me opdrongen. Scènes van Delft en Transsylvanië uit Werner Herzogs versie van Nosferatu. Minder indrukwekkend dan die van Murnau, bedacht ik, maar de witte huid van Isabelle Adjani maakte veel goed. Sublieme beelden van koortsachtige, bekorende landschappen waarin Kit en Holly hun noodlot tegemoet rijden. Terrence Malicks Badlands, een hoogtepunt in de recente filmgeschiedenis. Woorden uit Un coup de dés dwarrelden in het donker van de kamer neer, als fonkelende sneeuwvlokken op een donkergrijze, onverschillige aarde. Ik dacht aan de afgrond, altijd gapend en altijd nabij. Ook hier, in het Hôtel de Lisbonne. Wij zijn schipbreukelingen van de witte zeilboot die onder de naam van Mallarmé vaart. Inmiddels was het gaan regenen. Ik hoorde de druppels op de zinken Parijse daken vallen. Zo zakte in mijn gedachten de hoge koorts en viel ik dan toch in slaap.

Na een schaars ontbijt met sterke koffie spoeden we ons naar het Gare de Lyon waar we nog twee slaapplaatsen kunnen reserveren op de trein naar Marseille. Het staat nu vast: we gaan naar Arles. Vanavond om kwart voor tien vertrekken we. Voldoende tijd om een dag in Parijs rond te slenteren.

Gérard de Nerval.

In Saint-Germain-des-Prés wordt een tragikomisch stuk opgevoerd. Zowat iedereen is hier een acteur die zichzelf speelt. De hele cast doet aan overacting. De acteurs zijn zich er te zeer van bewust dat ze in theater Sorbonne spelen. In het Quartier Latin, tussen levensechte filosofen en historici. Hoewel ik mijn tekst niet ken en zelfs niet weet wie de regisseur is, heb ik het gevoel dat ik meespeel. Een kleine, korte rol – maar meer dan een figurant. Die van een naamloze wereldburger die nergens thuis is, tenzij in straten als deze, met huizen waar achter de gevels boeken worden gelezen en gedichten geschreven. Je kunt je in deze zone zonder moeite een moderne Stéphane Mallarmé, een hedendaagse Guillaume Apollinaire voorstellen. Achter de “affiches qui chantent tout haut”.

Later bezoeken we het kerkhof Père Lachaise. Een oude, mogelijke wat morbide wens gaat daarmee in vervulling. Ik vind het goed en mooi om een reis te beginnen met een nederig bezoek aan het rijk der doden.

De sereniteit en de stilte die er heersen zal ik wel nooit vergeten. De regen die zacht neervalt als een zegen van ons goedgezinde goden. De portier is een authentiek type, stokoud, gebogen, zijn stem trillend met een eerbiedig, typisch Frans pathos. Je hoort de aangeboren eerbied voor l’Histoire, les Hommes Célèbres, les Artistes, vermengd met de deemoed die zo vaak opduikt in de nabijheid van de Dood. Trots wijst hij ons op een plannetje de plaatsen aan waar zijn beroemdheden hun eindeloze slaap slapen: Edith Piaf, Frédéric Chopin, Marcel Proust, Amedeo Modigliani, de wanhopige Gérard de Nerval, Guillaume Apollinaire. Ik ben ervan overtuigd dat hij hun graven ook in de donkerste nacht nog zou terugvinden. Er ligt hier ook een zekere Jim Morrison begraven, voegt hij er nog aan toe, “un chanteur américain”, veel jongeren vragen naar hem. [1]

Bij het graf van Chopin krijgt Senga opnieuw een verschrikkelijke hoestbui. Kan dat toeval zijn? Chopin leed toch aan tuberculose? Lang sta ik te mijmeren bij het graf van Gérard de Nerval. Maar weinig van mijn tijdgenoten schijnen de schrijver van Les Chimères en van het onovertroffen verhaal Sylvie een bezoek te brengen. Worden zijn boeken nog gelezen? Wat een pijnlijk contrast met de laatste rustplaats van Jim Morrison. Wel zingt Steve Winwood een aangrijpend lied over de Parijse dichter. [2]

Graf van Jim Morrison in 2014. Foto: MP

Père Lachaise is een labyrint. Je verliest er gemakkelijk je weg en dat is niet wat je echt wilt. Er even rondslenteren, dat wel, maar toch ook weer niet té lang. Daar is later nog voldoende tijd voor. Tussen de graven zwerven opvallend veel grote, enigszins zwaarlijvige en daardoor wat traag bewegende katten rond. Ze kijken met een doordringende blik naar je, als vanuit een andere wereld. Opvallend veel van de poezen hebben een rode pels. Ik schrik als een enorme zwarte kat uit een grote houten kist opspringt. Lijken deze dieren niet op mensen? Misschien zijn zij wel reïncarnaties van sommige doden die hier begraven liggen? Ik krijg een inval voor een verhaal – een soort van fabel – dat zich afspeelt in het land genaamd La Chaise. De inwoners zijn levende doden die luisteren naar namen als Jean de La Fontaine, Gérard de Nerval, Sarah Bernhardt, Oscar Wilde en dergelijke meer. Hun graven zijn hun huizen. De levende doden kunnen vrij rondwandelen, met elkaar praten, zingen, aan politiek doen, korte films maken; ze kunnen toneelspelen, bij voorkeur stukken van Molière en Racine. Ze kunnen van gedaante veranderen. Liefst van al nemen deze illustere doden de gedaanten van katten aan. Soms, vooral op feestdagen, brengen ze de levenden aan het schrikken. Hun volgevreten buikjes schudden dan van het lachen. Zelf beleef ik al wat plezier aan het bedenken van dit eenvoudige verhaal. Maar schrijven zal ik het nooit. Ik ben geen fabelschrijver. Ik ben een surrealist. [3]

De laatste tombe waar we veel aandacht aan geven is die van Oscar Wilde. Het is de allermooiste:

                And alien tears will fill for him
Pity’s long broken urn,
For his mourners will be outcast men,
And outcasts always mourn.

Deze dode kan in vrede rusten; sommige bezoekers hebben hem nog werkelijk lief. Er brandt zelfs een kaars bij zijn tombe.

Graf van Oscar Wilde in 2014. Foto: MP

Van Père Lachaise nemen we de metro naar Ile Saint-Louis. Daar, in Square Barye, rakelen we herinneringen aan onze prille liefde op. Onze allereerste uitstap, in juli 1975, toen we nog maar twee maanden samenwoonden, was naar Parijs. Net als toen drinken we nu aan de oever van de Seine rode wijn en eten een stuk brood. Is er sinds 1975 iets veranderd? Ik ben harder geworden, minder gauw ontroerd. De Seine kan me niet meer zo bekoren, tot tranen toe bewegen, als in die tijd. Ook in onze verhouding gaat het er minder zachtmoedig aan toe. Het romantische van de verliefdheid is er nagenoeg uit verdwenen. De tijd heeft voor verwijdering gezorgd, er is meer afstand tussen ons gekomen. Maar anderzijds weet ik dat onze volwassen liefde is gegroeid, dat we ons inspannen om elkaar te begrijpen zoals we werkelijk zijn. Dat we elkaar niet langer op een romantische wijze aanbidden maar elkaar graag zien. En we passen nog altijd even goed in elkaar, vooral op dagen dat we van vuur zijn, zoals Les filles du feu van Nerval.

Bij het graf van Jim Morrison in 2014. Foto: MP

[1] In die tijd had Jim Morrison nog geen grafsteen. “Jim’s grave did not resemble that of a hero, I had been the only person to visit & it struck me very hard.” Dat schreef Nico enkele dagen na Jim Morrisons dood vanuit Parijs aan haar New Yorkse vriend Danny Fields. In de Nico-biografie van de hand van Jennifer Otter Bickerdike, You are beautiful and you are alone, waarin dit fragment uit Nico’s brief wordt geciteerd, lees ik nog het volgende: “Indeed, for his first several years in the legendary Pêre Lachaise Cemetery, the final resting place of other legendary figures such as Oscar Wilde and Edith Piaf, Morrison’s body lay in an unmarked grave.” “It wasn’t until 1981, on the tenth anniversary of his death, that he got a proper headstone and bust, created by Croatian artist Mladen Mikulin. Less than seven years later, by March 1988, the bust had been stolen.”

[2] Op de elpee When the Eagle Flies (Island, 1974) van Traffic. De tekst is van Viv Stanshall, de aan alcohol verslaafde maar erudiete zanger van the Bonzo Dog Band. Er waren maar weinig popliefhebbers die er enig idee van hadden waar die song, Dream Gerrard (sic), precies over ging. “Hippos don’t wear hats, / lobsters shriek if provoked / On long blue ribbons.”

[3] Zo zag ik mezelf in 1979. Nu al lange tijd niet meer. De realiteit is vaak zo surrealistisch dat realisme volstaat.

CONVERSATIE OVER DRANK, DRUGS EN STILETTO’S

Martin Pulaski, Parijs 2015

[Nachten aan de Kant 44]

Alles is wat het lijkt; zo lijkt het althans. Of toch niet?

In een restaurant op wandelafstand van Hôtel de Lisbonne eten we couscous royal, enigszins exotisch en betaalbaar. Het is echter vooral dorst wat we hebben. De eerste karaf koele rosé is sneller leeg dan het heeft geduurd om ze te vullen. Na een dag van grotendeels kijken naar steden en landschappen en veel zwijgen raken we nu aan de praat. We zijn dan wel weg uit Antwerpen, Antwerpen is nog niet weg uit ons.

Dat ik de voorbije weken overdreven heb met drinken en feesten, zeg ik. Al waren de nachten bij Ercola, in de Mok en Cinderella’s Ballroom opwindend, ze waren ook nefast voor zowel mijn lichamelijke als geestelijke gezondheid. Het zijn feesten van vreugde en pijn, zegt Senga. Bij Ercola heb ik me zo kunnen uitleven, ik kon maar niet stoppen met dansen. Ik moet mijn leven veranderen, zeg ik. Als dat nog mogelijk is, zegt Senga. We kunnen toch niet de weg opgaan van Gabriella en zeker niet van Jacques, zeg ik. Ja, het gaat duidelijk weer de verkeerde kant op met ze, zegt Senga. De dagen dat Jacques er was hebben we bijna niet meer met elkaar gesproken. Ze hebben waarschijnlijk al die tijd aan de morfine gezeten. Mogelijk is het maar een korte terugval. Wat was het akelig stil in hun kamer, zeg ik. Maar nu zijn ze misschien al in Arcachon. Ze zouden van daaruit een voetreis naar Biarritz maken. Hopelijk zal die onderdompeling in de natuur, of wat er nog van rest, hun goed doen. Wat ze vooral nodig hebben is rust. Tweehonderd kilometer stappen, dat zou ik ook wel willen, zeg ik. Helemaal tot aan de Spaanse grens en met rechts van ons de Golf van Biskaje om ons te verfrissen. Echt, met die zware rugzakken van ons, vraagt Senga.

Zouden we nog een halve liter rosé bestellen, stelt Senga voor. Waarom ook niet, zeg ik. Hij is lekker en ons budget kan het wel aan. Maar toch, al dat drinken, opper ik. De voorbije dagen hebben we het ook weer zo bont gemaakt, met al die vrienden van ons. Die avond voor we naar de Kant zijn gegaan hebben we met Gabriella wel een hele fles Jack Daniels leeggedronken. Jacques was er nog niet, dan is Gabriella heel wat avontuurlijker en spraakzamer, zegt Senga. Al blijft ze altijd een sfinx. En dan nog met de taxi naar de stad en daar de hele nacht margarita’s gedronken, zeg ik. Mogelijk heeft Gabriella minder last van katers dan wij, met die morfine, zeg Senga. Een dag eerder had ik dan ook nog eens met Ria in de Mok bier zitten drinken en joints roken. Ik geloof dat Ria alleen maar pils drinkt. Zoals Guillaume. Zeker geen sterkedrank. Ik weet zelfs niet meer waarover ik met Ria allemaal heb gepraat. Van alles over mij zeker, nu ik er een keer niet bij was, zegt Senga. Dan alvast niets slechts, Senga. Ik was die dag zo gelukkig met die twee elpees die je voor me had gekocht. Rust Never Sleeps is voor mij nu al een van de allermooiste platen van Neil Young. Je weet toch dat ik heb zitten wenen bij Pocahontas. Zo aangrijpend is dat nummer. En dat ik The Basement Tapes nu weer kan beluisteren, Going to Acapulco, Tiny Montgomery en de rest. Wat was er toch ook alweer met dat eerste exemplaar gebeurd, vraagt Senga. Dat ligt nog bij Peter Dekkers, samen met die mooie grote editie van Un coup de dés jamais n’abolira le hasard. Hij heeft me toen zijn Born To Run uitgeleend. Ik kende Bruce Springsteen helemaal niet, alleen de naam. Je hield niet van zijn naam, dat weet ik nog, zegt Senga. Springsteen, dat is toch geen naam voor een artiest, zei je. Ach, die vooroordelen altijd, zeg ik. Zo heb ik er in overvloed. Senga, ik ben zo blij met die platen. Ik kon gewoonweg niet leven zonder die Basement Tapes. En met Rust Never Sleeps zal hetzelfde gebeuren. Pocahontas en Powderfinger zijn nu al hoogtepunten in het werk van Neil Young. Jammer dat we Peter nooit meer hebben teruggezien sinds we uit Brussel vertrokken zijn, zegt Senga. Zoveel vrienden hebben we daar achtergelaten. Ja, maar we hebben er nu andere bijgekregen. En veel van de oude vrienden zien we wel nog. Gisteren nog Willy Boy en Giuseppe en Paul Walman. Hebben we echt een halve bak tripel leeggedronken, vraagt Senga. En een hele bak Stella, zeg ik. Het was een uitbundige avond, zegt Senga. Altijd met vrienden, zeg ik. En het mooist van al is dat Giuseppe het poesje heeft meegenomen. Je was echt wanhopig, niet? Ik had mij er zo aan gehecht, dat weet je, Martin. Ik heb er nachten niet van kunnen slapen. Wat moest er met dat hulpeloze wezentje gebeuren? We konden het toch niet naar de dierenbescherming brengen om het te laten afmaken? Niemand wilde dat poesje, als dat niet erg is. Het was ziek en misschien wel blind, zeg ik. Wie wil er nu zo’n gebrekkig diertje? Ik geloof dat het mijn moederlijke instincten waren, zegt Senga. Maar het poesje wilde zelfs niet drinken. Waarom hebben we het eigenlijk geen naam gegeven?

Ik begin behoorlijk dronken te worden van al die rosé, zeg ik. Zouden we niet beter gaan slapen? Dan kunnen we morgen nog wat van Parijs zien. Laten we het Pocahontas noemen, zegt Senga. Ik hoop dat Giuseppe Pocahontas goed verzorgt, zeg ik. Ik vertrouw hem niet helemaal, zegt Senga. Hij heeft soms iets wreeds in zijn blik. Die nochtans overwegend teder en zachtaardig is. Ik heb ook iets wreeds, zeg ik. Met mij moet niet gesold worden. Ik kan gevaarlijk zijn. Ik had een Charlie Starkweather kunnen worden.
Ik dacht eraan hoe waanzinnig het was geweest om voor we op reis vertrokken nog gauw naar de wapenwinkel op het Astridplein te lopen en daar twee stiletto’s te kopen, een zwart exemplaar voor Senga, een groen wat groter exemplaar voor mezelf. Waanzinnig ja, maar ik vond het wel heerlijk om mijn stiletto open te klikken, opnieuw en opnieuw. Een oefening voor je weet maar nooit. Toen ik nog een puber was had ik ook zo’n knipmes gehad. Ik dacht toen dat ik in de wieg was gelegd om misdadiger te worden. Maar opeens hoorde ik al die liedjes op de radio, Eve of Destruction, The Times They Are a-Changin’, I Got You Babe, je weet wel. Een bewijs voor de transformatieve kracht van muziek. Pop heeft van een rebel zonder reden een opstandeling met een reden gemaakt. Wederopstanding, het leidmotief van mijn leven. Anastasis. Maar nu opnieuw met een knipmes op zak.

Martin Pulaski, Parijs 2015

HOOFDKWARTIER ZURENBORG

[Nachten aan de Kant 42]

Van 1977 tot 1980 woonden we in een pand in de Dolfijnstraat in de wijk Zurenborg in Antwerpen. Een fijne buurt met een mooi plein, de Dageraadplaats, een naam die me nauw aan het hart lag omdat ik het ochtendrood (Aurora) nooit méér gekoesterd heb dan in die dagen. Dat hield zeker verband met filosofie en poëzie, maar niet minder met de nachten, die mij toen zo dierbaar waren. Je weet hoe indrukwekkend een zonsopgang is als je de hele nacht bent opgebleven. Op de Dageraadplaats was toen nog een uitstekende boekwinkel en de plaatselijke slijterij viel evenmin te versmaden. Ons stamcafé was de Cereus; later tot Het Zeezicht omgedoopt. Ook Dolfijnen liggen mij nauw aan het hart, ook al omdat ze in twee van mijn favoriete songs voorkomen, The Dolphins van Fred Neil en Dolphin’s Smile van the Byrds.
Daar, in Zurenborg, ontstond het plan om ooit mijn Antwerpse nachten een tweede leven te geven. Maar dat kon ik slechts verwezenlijken door ook de dagen van werk en studie in beeld te brengen. Nu, zovele jaren later, blijkt dat er veel meer komt bij kijken dan alleen maar het reconstrueren van een specifieke tijd en plaats. Honderden dromen (en nachtmerries) en talloze herinneringen hebben sindsdien het verhaal aangevuld. In literatuur, films, muziek, kunst, op websites ontdek ik nuanceringen en nieuwe revelaties.

De foto’s hierboven maakte ik in 1977 aan de Draakplaats. De heel bijzondere torentjes op de achtergrond hebben mij altijd gefascineerd. Ze staan naast de spoorwegberm en maken deel uit van een watervoorzieningssysteem van de spoorwegmaatschappij. Mijn model is zoals zo vaak Senga, minder bekend dan de heilige Agnes, beschermheilige van verloofde stellen, van de kuisheid, van jonge meisjes en maagden en van slachtoffers van verkrachting.

REGEN

Porto, 23 oktober 2017

Vandaag hoorde je enkele verrassende woorden en een blauwe jongen zong een nieuwe melodie, zo delicaat en breekbaar, had je zoiets al eerder gehoord? En dan was er nog Willie Nelson en een telefoongesprek en zelfs een vogel, eerlijker dan duizend politici tezamen. Meer nog? Ja. Je wandelde in de regen en dacht aan liefde en vertwijfeling. Zou je de bus nemen of lopen? Je zou lopen. In de regen lopen. De zoete regen. Dezelfde regen. Dezelfde wind. Dezelfde aarde. Die van jou en mij.

*

[Kennelijk hadden de woorden van Sam Phillips’ Same Rain zich ergens in een regenachtige plek van mijn onbewuste genesteld.]

ZERO DE CONDUITE: SLAPEN, DROMEN

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verander je leven. Het motto van deze show is In the land of my dreams / You’re sweeter than ever before / In the land of my dreams / You love me so much more. Je kunt dit programma via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers.

Opgedragen aan Agnes Anquinet.

Vorige zaterdag, toen ik dit programma monteerde en een korte inleiding opnam, had ik er geen idee van hoe de zware hartoperatie van Agnes zou aflopen. We hadden allebei het volste vertrouwen in het medisch team van UZ Brussel, maar hadden toch ook twijfels. Je weet maar nooit wat er kan gebeuren in zo’n operatiekamer. In hoop en angst en nog een resem andere emoties heb ik deze lijst van songs over slapen en vooral dromen samengesteld. In mijn donkerste momenten dacht ik, stel dat Agnes het niet overleeft, dan… Ja, wat dan? Dat ze deze liedjes niet meer zou kunnen horen? Ga weg, zo narcistisch was ik nu ook weer niet. En zo belangrijk vond ik deze stukjes muziek nu ook weer niet. Ik zou het programma niet hebben laten uitzenden, dat spreekt vanzelf. Dieper ben ik op die mogelijkheid niet ingegaan: Agnes moest overleven. Ik stond geen ander vooruitzicht meer toe. Al leek het dan maandag wel allemaal verkeerd te gaan. Een uiterst problematische operatie, acht uur in de operatiekamer. Ondraaglijke spanning in mijn eigen hart (en niet alleen in dat van mij).
Maar dat was maandag. Inmiddels is het tij gekeerd en ziet de toekomst er bijna rooskleurig uit. Hoewel, rooskleurig? Wat heb je aan die bleekrode tint? Het komt erop neer dat Agnes weer thuis zal zijn en dat we samen nieuwe dromen zullen kunnen dromen. Ik twijfel er niet aan dat daar prettige en rijke en zelfs wilde dromen bij zullen zijn maar dat ook nachtmerries niet zullen ontbreken. De warmte voel je alleen maar als je weet dat er ook kou is. Of zoals Ismaël, de verteller in Herman Melvilles Moby Dick, het formuleert: “Temeer, zeg ik, want om echt van lichaamswarmte te genieten, moet een klein stukje van je koud zijn; iedere eigenschap in deze wereld is immers alleen wat het is uit contrast. Niets bestaat in zichzelf.” (Vertaling Barber van de Pol).
Het idee bij deze aflevering van Zéro de conduite was dat Agnes veel zou slapen en dromen in haar ziekenhuisbed. Dat ze geen pijn zou hebben. En dat ze dan na een week van diepe en pijnloze rust op een stralende lentedag zou ontwaken. Deze liedjes vervangen de dromen die ze in mijn verbeelding – in mijn verbeelding van voor de operatie – zou hebben. Natuurlijk is de realiteit altijd anders dan de voorstelling die je je ervan maakt. Soms is dat een goede zaak.

Veel luisterplezier.

Sleep – This Heat – Deceit – This Heat

I Go To Sleep – The Pretenders – Pretenders II – Ray Davies

I Can’t Sleep – Aziza Mustafà Zadeh ft. Toots Thielemans – Jazziza – Zadeh

Land Of My Dreams – Anna Domino – East and West – Aretha Franklin

The Dream’s Dream – Television – Adventure – Tom Verlaine

Tiny Children – The Teardrop Explodes – Wilder – Julian Cope

Chasing The Dream – Sunhouse – Crazy On The Weekend – Gavin Clarke

Dreams – Clint Mansell & Kronos Quartet – Requiem For A Dream – Clint Mansell

Am I Dreaming – Jane Canada – Break-A-Way: The Songs Of Jackie De Shannon 1961-1967 – Jackie De Shannon

Johnny Angel – Shelley Fabares – Les Hits 1962 Salut Les Copains – Lyn Duddy

Dreamin’ Of You – Noreen Corcoran – Phil’s Spectre II: Another Wall Of Soundalikes – Nino Tempo

Wonderful Land – The Shadows – Les Hits 1962 Salut Les Copains – Lordan

Tout est permis quand on rêve – Lilian Harvey & Henri Garat – Les plus belles chansons du cinéma – W. R. Heymann/A. Boyer/R. Bertram/J. Cis

Dreaming A Dream – Al Bowlly with Ray Noble & His Orchestra – Pennies From Heaven – R.P. Weston/B. Lee/J. Waller/J. Tunbridge

Girl Of My Dreams – Dizzy Gillespie feat. Stan Getz – Diz & Getz – Sunny Clapp

This Time The Dream’s On Me – Russ Freeman & Chet Baker – Chet Baker & Russ Freeman Quartet – Arlen/Mercer

Nightmare – Percy Mayfield – Poet Of The Blues – Percy Mayfield

Nightmare – Artie Shaw & His New Music – Pop Music: The Early Years 1890-1950 – Artie Shaw

‘Til The Following Night – Screaming Lord Sutch & The Savages – Joe Meek: The Alchemist Of Pop – Home Made Hits & Rarities 1959-1966 – Sutch

Night Of The Vampire – The Moontrekkers – Joe Meek: The Alchemist Of Pop – Home Made Hits & Rarities 1959-1966 – LePort

Alligator Wine – Screamin’ Jay Hawkins – The Leiber & Stoller Story – Volume 2 – On The Horizon 1956 – 1965 – Jerry Leiber/Mike Stoller

Make My Dreams Come True (take 2) – Elmore James & His Broom Dusters – Blues After Hours – Elmore James

Six Dreams – The Seeds – Pushin To Hard [The Best Of The Seeds] – Sky Saxon

Dream Within A Dream – Spirit – The Family That Plays Together – Jay Ferguson

Oh! Wot A Dream – Kevin Ayers  – Bananamour – Kevin Ayers – Kevin Ayers

Gallery Of Dreams – Rosie & The Originals – Angel Baby Revisited – Unknown

Girl of My Dreams – Etta James – At Last! – Charles Clapp

Dreamer – Patti LaBelle & The Bluebelles – Sweet Inspirations: The Songs Of Dan Penn & Spooner Oldham – Dan Penn/Spooner Oldham

Circle Dream – 10,000 Maniacs – Our Time In Eden – Dennis Drew/Natalie Merchant

Series Of Dreams [Recorded New Orleans 3/23/89, Outtake From Oh Mercy] – Side Tracks – Bob Dylan

Take Care In Your Dreams – Tindersticks – No Treasure But Hope – Neil Fraser/Robert McKinna/David Boulter

Summer Of Their Dreams – Virgina Astley – From Gardens Where We Feel Secure – Virginia Astley

Reve – Françoise Hardy – La Question – Taiguara/Hardy

How Can We Hang On To A Dream – Tim Hardin – Tim Hardin 1 – Tim Hardin

The Dream Machine – John Zorn – Dreamachines – John Zorn

Please Don’t Wake Me – Cinderella – 2.Dimension Dolls, Beyond The Valley:Girls Will Be Girls –

Please wake up – Louie And The Lovers – The Complete Recordings – Louie Ortega


Samenstelling, research en montage: Martin Pulaski

ZERO DE CONDUITE: TELL IT TO YOUR HEART

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM en verander je leven. Het motto van deze show is For so long I thought about it / And now I just can’t live without it / This beautiful image I have of you.
Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers. Opgedragen aan Agnes Anquinet.

Vanavond is er ondanks mijn eerder gedane belofte geen derde aflevering van de reeks baanbrekers in populaire muziek. De realiteit heeft zich op de zo mogelijk hardste wijze aan ons privéleven opgedrongen. Mijn geliefde Agnes lijdt aan hartfalen en moet op 1 maart een zware operatie ondergaan. (Meer details daarover vind je in enkele vorige mededelingen.) Om die reden heb ik gekozen voor een ander soort songs. Liedjes die Agnes nauw aan het hart liggen, die volgens mij troost brengen en mogelijk op die manier een helende kracht hebben. Het zijn geen doodsliederen, verre van, want er is geen dood in zicht. Deze 36 songs – vrij willekeurig en intuïtief geselecteerd –  zijn levensbevestigend. Veel van de liedjes kun je meezingen en op heel wat ervan kun je dansen. Agnes komt hier sterker uit, dat zeggen al onze vrienden en ik zeg het zelf ook. Ik weet het. Het zal goed aflopen, maar toch houden we ons spreekwoordelijke hart vast. Ondertussen hebben we als houvast muziek als die van vanavond, maar ook boeken, films en heel veel herinneringen aan een  rijk leven samen en met onze vrienden. Dit programma is ook voor jullie, vrienden, die zo met dat verzwakte hart van Agnes begaan zijn.

Veel luisterplezier!


The Beat Goes On – Sonny & Cher – The Beat Goes On – Sonny Bono

Too Busy Thinkin’ About My Baby – Marvin Gaye – M.P.G.  – N.Whitfield/J.Bradford

You’re My Remedy – The Marvelettes – The Definitive Collection – Smokey Robinson

A Love Like Yours (Don’t Come Knocking Everyday) – Martha Reeves & The Vandellas – Come And Get These Memories – Eddie Holland/Brian Holland/Lamont Dozier

Whole Lot Of Shakin´ In My Heart (Since I Met You) – Smokey Robinson & The Miracles – Away We A Go-Go – Smokey Robinson

That’s Where It’s At – Sam Cooke – The Man And His Music – J. W. Alexander/Sam Cooke

Ruler Of My Heart – Irma Thomas – Time Is On My Side – N. Neville

You, Baby – The Ronettes – Phil Spector – Back To Mono (1958-1969) [Disc 2] – P.Spector/B.Mann/C.Weil

Please Let Me Wonder – The Beach Boys – The Beach Boys Today! – Brian Wilson/Mike Love

I’m Only Sleeping – The Beatles – Revolver – Lennon/McCartney

Darlin’ Companion – The Lovin’ Spoonful – Hums Of The Lovin’ Spoonful – John Sebastian

She’s A Rainbow – The Rolling Stones – Their Satanic Majesties Request – Mick Jagger/Keith Richards

Little Wing – The Jimi Hendrix Experience – Axis: Bold As Love – Jimi Hendrix

Today – Jefferson Airplane – Surrealistic Pillow – Marty Balin/Paul Kantner

8:05 – Moby Grape – Moby Grape – D. Stevenson/J Miller

All Come To Meet Her – Skip Spence – Oar – Skip Spence

Time Is Passing – Pete Townshend – Who Came First – Pete Townshend

Andalucia – John Cale – Paris 1919 – John Cale

Little Sister – Nico – Chelsea Girl – John Cale/Lou Reed

Step Right Up – Anne Briggs – The Time Has Come – H. McCullough

Head And Heart – John Martyn – Bless The Weather – John Martyn

Chase The Blues Away – Tim Buckley – Blue Afternoon – Tim Buckley

Your Gentle Way Of Loving Me – The Byrds – Dr. Byrds & Mr. Hyde – F. Guilbeau/G. Paxton

If Not For You – Bob Dylan – New Morning – B. Dylan

Only Love Can Break Your Heart – Neil Young – After The Goldrush – Neil Young

Loretta – Townes Van Zandt – Flyin’ Shoes – Townes Van Zandt

A Song For You – Gram Parsons – GP – Gram Parsons

Secret Heart – Ron Sexsmith – Ron Sexsmith – Ron Sexsmith

Steal Your Love – Lucinda Williams – Essence – Lucinda Williams

She Is My Everything – John Prine – Fair And Square – John Prine

Heartache Spoken Here – Warren Zevon – Mr. Bad Example – Warren Zevon

A Matter Of Time – Los Lobos – How Will The Wolf Survive? – David Hidalgo/Louie Perez

Listen To Her Heart – Tom Petty & The Heartbreakers – You’re Gonna Get It! – Tom Petty

Tell It To Your Heart – Lou Reed – Mistrial – Lou Reed

Hold On, Hold On – Neko Case – Fox Confessor Brings The Flood – Neko Case

Glory – Television – Adventure – Tom Verlaine

Research, samenstelling en montage: Martin Pulaski

WAAR WAREN WE GEBLEVEN?

Martin Pulaski, Brussel, 1975

Waar waren we gebleven? Het was een ochtend in het begin van juli in het jaar 1979. Ik deed de deur open van onze woning in de Dolfijnstraat, gelegen in de Antwerpse wijk die nog steeds Zurenborg heet. Ik dacht dat ik op dat ogenblik akelige witte vogels uit een van die fantastische verhalen van Edgar Allan Poe hoorde schreeuwen, hun vleugels wel een meter breed, maar bij nader inzien bleek het geluid op te stijgen uit onze schimmelige kolenkelder, voor mij grotendeels onbekend terrein, al wist ik wel dat er geen kolen te vinden waren. In een donkere hoek trof ik vier kleine kittens aan.
We stonden toen op het punt om al liftend naar de Provence af te reizen. Onze rugzakken en ons kleine zilverkleurige tentje, als de uitrusting van stuntelige ruimtereizigers, stonden klaar voor de reis.

Terwijl ik aan het nadenken was over hoe ik verder zou gaan met mijn verhaal, of ik ook van die reis verslag zou uitbrengen, terwijl die toch helemaal niets te maken heeft met het nachtleven in Antwerpen, of dat ik meteen zou doorgaan met de geschiedenis van Gabriella, en ik mocht die kleine poesjes niet uit het oog verliezen, toen greep de realiteit in. Al was mijn kroniek toch ook de realiteit, of liever: ooit was dat alles realiteit geweest.

Want op 13 januari werd Agnes – in mijn verhaal noem ik haar Senga, de naam die zij destijds zelf zo graag gebruikte – wakker met pijn in de borst en ademnood. We dachten meteen aan covid-19 en waren danig in paniek. Omdat ik chronisch ziek ben vreesde ik ook voor mijn eigen lot. We konden ofwel naar de spoed gaan hier in het nabijgelegen ziekenhuis, of de ambulance bellen, die haar dan naar datzelfde ziekenhuis zou voeren, of we konden eerst onze huisarts raadplegen. Omdat bij covid-19 enkele uren meer of minder niet veel verschil maken, dachten we, besloten we om eerst naar de huisarts te gaan. Ook al omdat het kleine ziekenhuis hier in de buurt geen van ons beiden erg bevalt. Bovendien is het Franstalig, wat voor Agnes niet zo’n groot probleem is: zij is tweetalig. Maar toch verkiezen we het UZ in Jette, weliswaar hier ver vandaan. De huisarts sloot covid-19 uit, het was iets nog veel ernstigers, ze had dringende verzorging nodig. Ze had longoedeem, te weinig zuurstof, een veel te snelle hartslag. Ze moest meteen naar het UZ Brussel. Daar werd inderdaad longoedeem vastgesteld en hartfalen. Een dag later bleek het om een beschadiging van de mitralisklep te gaan, een van de drie hartkleppen. De nagenoeg definitieve uitspraak kwam er op 20 januari. Agnes’ hartfalen is van zo’n ernstige aard dat een openhartoperatie nodig is, of, in het allerbeste geval, een operatie via een kleinere opening (Minimaal Invasieve Mitraalklep Chirurgie, heet zoiets in medische termen). Het voordeel van de tweede ingreep is een kleinere holte in de borstkas. Welke ingreep het wordt vernemen we op 27 januari. Nog twee dagen.

Vorige donderdag is Agnes naar huis mogen komen. Onze levens hebben op 13 januari een wending genomen die ik zelfs niet in de ergste nachtmerries heb kunnen voorvoelen. Maar een nachtmerrie houdt opeens op, het echte leven gaat door. Een leven dat doorgaat, dat betekent niet alleen tragiek maar ook mogelijkheden. Een zee van mogelijkheden, om met Patti Smith te spreken, de eeuwige optimist. Agnes heeft de moed en de kracht om in elk opzicht beter te worden. Ze wordt beter.

Intussen blijft het wachten op het lot van de poesjes en hoe het met Gabriella verdergaat. Maar dat is allemaal al gebeurd en nu is nu. Ooit neem ik de draad weer op. Liever vroeger dan later.

VANDAAG

La Gomera, 14 januari 2020

Voor Agnes

Hoe ben jij daar zonder horizon

En hoe ben ik hier dan met alleen wat matte dagen

om af te tellen zonder meer

Als wat lichte sneeuw smelt op gehaaste auto’s

In het grijs getreurde verhaal van vandaag.

Wat vertelden de sterren die je niet zag daar zo uitzichtloos

Die ik niet zag vanwege veel grauwe wolken

De hemel ook nu nog donker en rafelig de rook

Uit de schoorstenen hier tegenover

Een meeuw, twee meeuwen zie ik

En dan verlies ik de draad in het licht van de lantaarns.

Weet je nog wat ik tegen je zei

Twee dagen geleden

Terwijl ik wees naar de tuin van de buren

Wat ziet die appelboom er nu doods uit

Zo zonder kruin

En die tuin van ons, wat een modderpoel

Hier groeit nooit meer gras

En we dronken nog een glas

Was het witte of was het rode

Daar wordt het sombere tafereel al vager

En zelfs een weinig vrolijk.


Vergeet die corona maar mijn liefste

Je hart is de kroon op je werk

Sterk slaat het tegen de harde gebaren van deze tijd

Sterk omhelst het nu al in het klein en nog wat smal

Een nieuw met het hoofd omhoog geheven leven.

14 1 2021

STRIJD IN HET RIJK DER ZINNEN

[Nachten aan de Kant 35. November 2020]

Natuurlijk waren het leven en de tijd in Antwerpen waarover ik het voorbije jaar [1] al zoveel heb geschreven geen ononderbroken la dolce vita. Er deden zich net als overal en in alle tijden talloze problemen voor en allerlei conflicten, ruzies en zelfs gevechten maakten het bestaan soms uiterst onaangenaam. Zoals ik in het echte leven conflicten meestal uit de weg ga doe ik dat ook in mijn neergeschreven herinneringen. Het lijdt geen twijfel dat niemand geheel en al goed, deugdzaam en voortreffelijk is. Elke mens heeft zijn schaduwzijde, iedereen bezit karaktertrekken die minder fraai zijn, soms zelfs verontrustend en angstaanjagend. Dat geldt in mindere of meerdere mate ook voor de besten onder ons. Het is mij echter nooit gelukt om daarover met enige nauwkeurigheid te schrijven, niet omdat ik het negatieve bewust aan het licht wil onttrekken maar omdat ik er de woorden niet voor vind. In algemene termen kan ik wel negatieve aspecten van de samenleving en van de mens als sociaal wezen aan de kaak stellen, vooral als het om politiek en religie gaat, als het vormen van boosaardigheid betreft, bijvoorbeeld racisme, onderdrukking of uitbuiting.

In de woelige dagen van punk en new wave en, niet te vergeten, van werkloosheid, had ik meermaals ruzie met vrienden, meestal op café, onder invloed van alcohol en amfetamine. Sommige vrienden, onder wie L. S., hadden wat we een kwade dronk noemen. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken: het gaat om een genetisch verschil in de hersenen. Ik beschouwde hem als een van mijn beste vrienden maar soms veranderde hij in een onuitstaanbare en agressieve man. Dan herkende ik nauwelijks de vriend en lieve buur met wie ik tot een stuk in de nacht over filosofische onderwerpen zat te praten of met wie ik, na het roken van een paar joints, in vrije vorm gitaar zat te spelen. Met weer een andere vriend, M. B., had ik een conflict over zijn mensbeeld. Het stoorde me dat hij de mensen in twee klassen indeelde. Aan de ene zijde liet hij de ‘slechten’ hun opwachting maken. Dat waren de bourgeois, onder wie ook de intellectuelen, de schrijvers en de kunstenaars. Aan de overzijde bevonden zich de ‘anderen’. Wie  waren dat, die anderen? Zij die niet in de eerste klasse thuishoorden? Het proletariaat of zelfs het lompenproletariaat? Ik vroeg me af wat daar dan zo voortreffelijk aan was, al zou ik ze nooit zoals Hillary Clinton vele jaren later deed a basket of deplorables [2] hebben genoemd.  Op een avond in het Pannenhuis noemde M.B. mij een intellectueel, iemand van de slechte klasse dus. L.S. deed dat ook wel eens, als ik het bijvoorbeeld over literaire theorieën van de Tel Quel-groep had, en achteraf gezien had hij daarin niet helemaal ongelijk. M.B. vond ik in zijn oordeel veel te radicaal. In mijn ogen nam hij standpunten in die ik al lang achter me gelaten had. Ik vond zijn veroordeling van de massamedia achterhaald. Zo wilde hij met nog enkele compagnons de route als performance een televisietoestel stukslaan. Dat had ik in 1968 de popgroep the Move op het podium van Jazz Bilzen al zien doen. [3] Toen had ik dat opwindend gevonden, maar nu, in 1979? Ik had het gevoel dat hij en zijn kompanen een beeld van mij imiteerden dat ik zelf al lang verworpen had. Ik vond het naïef: een TV is een ding, een middel. Hoe kan dat nu slecht zijn? Daar maakten we dan ruzie over. Maar een paar dagen later was dat allemaal weer vergeten en vergeven.

Ook mijn leven met Senga was in die dagen niet alleen maar een rijk der zinnen. Meer dan ons lief was maakten we ruzie. Vaak ging het om een kleinigheid maar als er jaloezie in het spel was kon het uit de hand lopen. Ons drankgebruik en de pillen die wij slikten verhevigden dat allemaal nog. Omdat ik me moeilijk kon concentreren had jaren tevoren toen ik filosofie studeerde een arts verbonden aan de VUB mij met enige regelmaat het middel Captagon voorgeschreven. Dat was regelrechte amfetamine, heel erg stimulerend en opwindend. Ik kon er inderdaad beter van studeren en na mijn studies bleef ik het nemen om mijn aandacht bij het schrijven te houden en aan onderzoek te doen. Geleidelijk aan moest ik er meer van nemen om hetzelfde effect te krijgen: ik wilde honderd procent concentratie. Mijn principe was dat ik de pillen alleen maar slikte om te werken, nooit voor het plezier. Maar dat was een theoretische indeling van dag en nacht en van werk en plezier. Als ik op vrijdag of zaterdag uitging waren die pillen natuurlijk niet uit mijn systeem verdwenen. Zonder dat spul had ik het waarschijnlijk nooit een hele nacht op de dansvloer van Cinderella’s Ballroom volgehouden. Overigens denk ik dat zowat iedereen daar aan de speed zat. Herman Brood voelde er zich in zijn nopjes. Captagon was op velerlei wijze een gevaarlijk goedje. Je kreeg er meer zelfvertrouwen van dan goed voor je was. De gekste dingen die ik schreef, en vanwege de paranoia – een andere nevenwerking van dat middel – werden mijn teksten hoe langer hoe gekker, begon ik nu haast geniaal te vinden. Al bleef mijn aangeboren twijfel gelukkig wel altijd op de achtergrond zeuren. Zolang ik aan mijn tafel bleef doorwerken, elke dag van negen uur ’s morgens tot ongeveer zes uur ’s avonds, was dat allemaal niet zo erg. Maar daarna kon dat in combinatie met tequila of bourbon wel eens uit de hand lopen. Van Captagon kun je immers agressief gedrag gaan vertonen. Senga en ik waren geen Sid Vicious en Nancy Spungen, verre van, maar soms begaven we ons op gevaarlijk terrein. Overigens heb ik Sid Vicious altijd een idioot gevonden, ik begreep helemaal niet waarom jongeren hem toen zo bewonderden. Had hij ooit iets goeds gedaan? Zich volgespoten met heroïne en zijn vriendin Nancy Spungen doodgeschoten in het Chelsea Hotel in New York City? In het najaar van 1979 begon ik te beseffen dat ik met die pillen moest ophouden en zoals ik enkele jaren tevoren van de ene dag op de andere was opgehouden met roken zo hield ik nu op met Captagon. Het was genoeg geweest. Het gevolg daarvan was echter dat ik het vanaf 1980 erg moeilijk kreeg met schrijven en geleidelijk aan in een zware depressie belandde. Gelukkig was er muziek, en waren er boeken. Zonder vrienden en zonder Senga, hoewel zij nog lange tijd daarna pillen is blijven slikken, had ik die immens donkere periode, die zo’n zes jaar aansleepte, mogelijk niet overleefd.

[1] De eerste notitie, met als titel Nachten in het Pannenhuis 1, dateert van 5 november 2019.

[2] “Basket of deplorables” is a phrase from a 2016 presidential election campaign speech delivered by Democratic nominee Hillary Clinton on September 9, 2016, at a campaign fundraising event, which she used to describe half of the supporters of her opponent, Republican nominee Donald Trump saying “They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic”. The next day, she expressed regret for “saying half”, while insisting that Trump had deplorably amplified “hateful views and voices”.

[3] Het kan ook op televisie geweest zijn, mogelijk was het een optreden in Tienerklanken, Moef-Ga-Ga of Beat Club.


BORDEEL

1980agnestrap2

[NACHTEN AAN DE KANT 23]

Het mag een raadsel zijn waarom ik gisteravond ging luisteren naar een voorlezing over reclame en massacultuur. Valt over dat onderwerp nog iets interessants te zeggen? Ik was echter niet de enige op het appel daar in het gemeentehuis van Borgerhout. Er waren in filosofie geschoolde vrienden van me, enkele kunstenaars die ik ken en twee individuen die zonder twijfel Geheim Agenten waren. Verder dan hun Burberry regenjassen en sjaals moet je niet kijken. Toevallig of niet kwam een van die lieden naast me zitten. Tijdens de lezing zat hij ijverig in een groen Atoma schrift te noteren. Ik las onder meer de woorden onbenullig, ergerniswekkend en hoofdpijn. Er kwam inderdaad maar geen einde aan die vervelende voordracht. Je zou van minder een migraineaanval krijgen. Tot slot volgde een epiloog van de Professor, onze gastheer en binnenkort zelfs mijn baas, of wordt dat Guy Spittaels, de bevoegde minister, of een van zijn BTK-inspecteurs? Ik wierp nog een blik op het groene boekje van de Geheim Agent naast mij. Manische spreekdrift, stond er, en verbaal sadisme. Wat hadden die bijtende woorden – en vooral die drie sissende s’en te betekenen? Wel was het waar dat mijn oren waren gaan fluiten, was dat het begin van een oorontsteking? Of tinnitus misschien? Met die luide muziek in de Cinderella zou dat wel eens kunnen. Bordeel, schreef de Geheim Agent, en stront in de mond. Wat een gezeik, dacht ik. Toen ik eindelijk buitenkwam voelde ik mij een beetje zoals toen ik in de tijd dat ik nog met tegenzin naar de Heilige Mis ging eindelijk de kerk mocht verlaten.

In café de Raadszaal bespeelde zoals daar steeds het geval is de plaatselijke artiest het Hammondorgel. Vandaag meende ik Green Green Grass of Home en A Man Without Love te herkennen. Tom Jones en Englebert Humperdinck waren hier nog niet vergeten. Mijn in filosofie geschoolde vrienden en ik kwamen er wat nakaarten: de altijd terugkerende symbolische moord op de vader. Ik zat er naar oude gewoonte stilzwijgend bij en bedacht dat de Professor wat leek op de makelaar Anton Saitz in Fassbinders film In einem Jahr mit 13 Monden. En ook wel wat op Fischerle, de pooier en schaakkampioen uit Die Blendung van Elias Canetti. Maar dat hield ik voor mezelf. Er werd al voldoende met giftige pijlen geschoten. En dan te denken dat ik op dat zelfde ogenblik in het Filmhuis naar Samuel Fullers Shock Corridor had kunnen zitten kijken. Het heeft dertig jaar geduurd eer ik die film dan toch te zien heb gekregen.

Middernacht. Graag had ik nog wat gelezen in De vrolijke wetenschap, maar je kunt niet alles hebben in het leven. Of zoals de Engelsen zeggen: You can’t have your cake and eat it too. We hadden een mooie avond met behoorlijk wat rode wijn en de heerlijke couscous die Senga met liefde had bereid. Overdag was ze gaan shoppen. Ze heeft twee mooie pullovers gekocht. De ene is doorzichtig en de andere diep uitgesneden. Vanavond had ze de diep uitgesneden versie aan, die ze als minijurk draagt. Na het eten hebben we platen beluisterd van Poet & the Roots en Mink Deville. Wat een schitterend album toch weer, dat Return to Magenta, in het bijzonder Just Your Friends, met die bezeten mondharmonica. Onder invloed van de wijn deed ik pogingen om voor Senga Big Joe Turner’s TV Mama te zingen:

Every time she loves me, man, she makes me scream
She just tastes like candy, boys, I really go for sweets
I love her from her head down to her little bitty feet

Het leven in het Dolfijnhuis is stukken minder vervelend dan in het gemeentehuis van Borgerhout, zei ik zomaar tegen Senga. En Geheim Agenten zie ik hier ook niet, voegde ik eraan toe. Geheim Agenten, vroeg Senga. Laat maar zitten, zei ik, we zijn hier veilig. Met mij aan het roer valt op dit schip niets te vrezen.

Foto: Martin Pulaski

 

 

1976: JAAR VAN HET VERLANGEN

dylandesire

Verlangen. 1976 was voor mij het jaar van het verlangen. Verlangen naar kennis, naar seks, naar liefde, naar gedichten, verhalen en theaterteksten, naar kunst, naar vriendschap, naar beweging. Een creatiever, meer geïnspireerd en intenser jaar zal mij niet meer te beurt vallen. Senga en ik verhuisden van de kleine flat op de vijfde verdieping in de Hamerstraat naar een wat ruimer gelijkvloers gelegen appartement in de Waterkrachtstraat, nog altijd in Sint-Joost, de kleinste en armste gemeente van Brussel. Het is op die plaats en in die periode dat ik geestelijk tot ontplooiing kwam en mijn schrijverschap ernstig ging nemen. Ik besefte dat ik nog veel moest leren, op elk gebied. Dat betekende vooral lezen, niet alleen literatuur maar ook literatuurtheorie, filosofie, geschiedenis en antropologie. Mijn voorkeur ging uit naar ‘moeilijke’ schrijvers als Antonin Artaud, Henri Michaux, Friedrich Hölderlin, Percy Shelley, naar romantiek, dada en surrealisme. Daarnaast las ik menig werk over de pre-socratische filosofen en de Franse Revolutie, met het oog op een toneelstuk over Empedocles, dat ik niet kon voltooien. Zoals zoveel in het leven was het maken en samenwerken belangrijker dan het resultaat. Het eerste stuk dat ik daar in de Hydraulische Straat schreef, Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche, werd wel tot een goed einde gebracht én opgevoerd als een soort van feest.
Ik werkte dat jaar voltijds bij Boekwinkel Corman in de Ravensteinstraat. (Bij die periode stond ik al stil in de terugblik dingen die voorbijgaan). ‘s Avonds en ’s nachts schreef ik of gingen we naar het Filmmuseum, nu Cinematek. In de weekends bracht ik tijd met mijn zoontje door. Voor het eerst gingen we naar Londen (een schoolreis in 1967 niet meegeteld), waar ik onder de indruk kwam van William Turner, William Blake en – natuurlijk – John Everett Millais’ Ophelia en Henry Wallis’ Chatterton.
In mei maakte ik samen met Senga mijn allereerste reis, met nauwelijks geld op zak liftend door Frankrijk (Orange, Nice) met als bestemming Florence. Daar betoverden ons de kunstenaars van de Renaissance; vooral het Uffizi was een openbaring. Je kon daar toen nog zomaar binnenlopen. In Brussel bezochten we een imponerende tentoonstelling over het symbolisme.
Ja, in ons leven van verlangens hing toen alles samen. De wonderlijke films die we zagen, de boeken, de kunstwerken, onze liefde, de gesprekken met vrienden over Mario Praz, de brieven van Van Gogh, Noa Noa van Paul Gauguin, de gedichten van TS Eliot en Gerard Manley Hopkins, de Openbaring van Johannes, Thomas De Quinceys Confessions of an English, Opium-Eater, A Modest Proposal van Jonathan Swift, Napoleon van Abel Gance, La chute de la maison Usher van Jean Epstein, M comme Mathieu van Jean-François Adam en Mes petites amoureuses van Jean Eustache.
Dat lijken misschien wat veel gespreksonderwerpen. In werkelijkheid waren het er veel meer en ze gingen niet alleen over het ware, het goede en het schone. We zitten hier nu weliswaar al vier of vijf maanden alleen thuis, maar toen waren er bijna elke dag vrienden op bezoek. Soms hoopte ik dat ze niet te lang zouden blijven, zodat ik verder kon werken. Een van mijn beste vrienden toen was Paul L. die in de buurt woonde en als hij me voor het raam zag zitten schrijven kwam hij vaak even binnen voor een babbel. Hij las mijn teksten en gaf er nuttig commentaar op. Andere vrienden van toen waren Jos D., Willy B., Hugo W., Ginette B., Johny L., Christian P., Guy en Freddy B., Jan Van V., Erwin G., Pol De D., Bie De M., “Theo”, Gert Van S. en ik vergeet er zeker nog een aantal.

Mijn grootse schrik van het jaar – en de jaren ervoor ook al – betrof de twee jaar burgerdienst die me te wachten stonden, maar gelukkig werd ik vrijgesteld. Een goed einde van een lang en verkrampt gevecht, een aaneenschakeling van misverstanden, het resultaat van wereldvreemdheid en afwezigheid van betrouwbare informatie. Bijna vijftig jaar later beschouwd zie ik in dat verhaal van die legerdienst/burgerdienst veeleer stof voor een komedie dan voor de halve tragedie die het toen voor me was.

mobycitizen

Welke muziek beluisterde ik? Keer op keer Horses en Radio Ethiopia van Patti Smith en Desire van Bob Dylan. Black and Blue van the Rolling Stones (die we live zagen in Vorst Nationaal, waarbij we er bijna het leven bij inschoten). Vooral Keith Richards fascineerde me, zelfs zijn obsessie voor vuurwapens, onder meer een Belgische revolver uit 1899. You’re never alone with a Smith & Wesson, luidde de kop van een artikel in NME. Alexander Spence bleef ik trouw; zijn elpee Oar weerklonk op zijn minst één keer per week in ons droomappartement. Hetzelfde voor The Madcap Laughs en Barrett van Syd Barrett en een aantal elpees van the Byrds en Moby Grape. Voor jazz en klassieke muziek ging ik naar de Mediatheek.
Voor recente muziek was er weinig tijd. Overigens heb ik nog steeds de indruk dat er dat jaar weinig boeiende platen zijn uitgekomen. Sommige van de beste albums – wel in mijn lijstje opgenomen – heb ik pas in 1977 leren kenen, onder meer die van the Ramones, Blondie en the Modern Lovers. Met die bands werd een nieuw en erg opwindend muzikaal hoofdstuk aangekondigd.

3-25-2013_028b

3-25-2013_029

  1. Desire / Hard Rain – Bob Dylan
  2. Radio Ethiopia – Patti Smith Group
  3. Chicken Skin Music – Ry Cooder
  4. Station To Station – David Bowie
  5. Black And Blue – The Rolling Stones
  6. Hejira – Joni Mitchell
  7. The Pretender – Jackson Browne
  8. Warren Zevon – Warren Zevon
  9. Rock and Roll Heart – Lou Reed
  10. The Ramones – The Ramones
  11. The Modern Lovers – The Modern Lovers
  12. Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman & The Modern Lovers
  13. Howlin’ Wind / Heat Treatment – Graham Parker
  14. Long May You Run – The Stills-Young Band
  15. Fly Like An Eagle – Steve Miller Band
  16. The Royal Scam – Steely Dan
  17. I Don’t Want To Go Home – Southside Johnny & The Asbury Jukes
  18. Songs In The Key Of Life – Stevie Wonder
  19. Full Of Fire – Al Green
  20. Yes We Have No Mañanas, So Get Your Mañanas Today – Kevin Ayers
  21. Blondie – Blondie
  22. Small Change – Tom Waits
  23. Kate & Anna McGarrigle – Kate & Anna McGarrigle
  24. Troubadour – J.J. Cale
  25. Texas Rock For Country Rollers – Doug Sahm
  26. Hasten Down The Wind – Linda Ronstadt
  27. Texas Cookin’ – Guy Clark
  28. 801 Live – 801
  29. All American Alien Boy – Ian Hunter
  30. Cardiff Rose – Roger McGuinn

zevon

POP 1975: IDIOT WIND

PLATENHOEZEN1975 004DESPERATE

1975 was voor mij een jaar van innerlijke en uiterlijke onrust. Of komt dat op hetzelfde neer? Midden in onze eindexamens filosofie, terwijl ik de laatste hand legde aan mijn thesis over het einde van het burgerlijke gezin, liet ik mijn geliefden achter. Geliefden? Mijn zoontje had ik innig lief maar met mijn vrouw kon ik niet langer harmonieus samenleven. Het is waar, ons huwelijk was in ongeveer alles het tegenovergestelde van burgerlijk, en toch liep het op de klippen. Als na zes jaar blijkt dat het niet werkt, in ons geval vooral vanwege niet verzoenbare karakters, dan kun je er beter mee ophouden. Dat klinkt erg rationeel, maar in werkelijkheid was het dat uiteraard niet. Ik voelde mij verscheurd, door en door ellendig. Voor mijn partner zal het niet anders geweest zijn. Tegelijk was ik bezeten van de liefde. Er moest een ander, beter leven mogelijk zijn. En een ander, beter leven – dat is altijd ergens anders. Hoewel Rimbaud ook daar aan twijfelde: “La vraie vie est absente. Nous ne sommes pas au monde.” [1]

Mijn eerste grote liefde – en huwelijk – had een muzikale oorsprong. Het was een geval van jeugdige overmoed en van navolging van idolen. We wilden net zo zijn als John & Yoko, al hoefden we voor ons huwelijk niet noodzakelijk naar Gibraltar af te reizen. Eigenlijk waren we tegen het huwelijk: wij waren ervan overtuigd dat we door te trouwen dat instituut binnenstebuiten zouden keren. Maar om een dergelijk ideaal te verwezenlijken moet je met z’n tweeën dezelfde weg bewandelen, en liefst ook nog in dezelfde richting. Je zou bijna met elkaar moeten versmelten, een perfecte eenheid vormen. Heb ik die versmelting niet altijd nagestreefd, ook in mijn vriendschappen? Dat is een te hoge eis, en zo was het onvermijdelijk dat onze verbintenis zou eindigen in valse noten en kakafonie.

Onze scheiding had eveneens een muzikale achtergrond. Eind 1974 had ik gedroomd dat ik van Bob Dylan een lang, hartverscheurend nieuw lied, vol woede en verdriet, op de radio hoorde. Ik rende meteen blootsvoets de trap af, de straat op en riep tegen de voorbijgangers, kom binnen, kom luisteren, een revelatie! Toen ik middenin mijn periode van innerlijke onrust Blood on the Tracks voor het eerst hoorde herkende ik meteen Idiot Wind, het was het lange lied uit mijn droom. We’re idiots, babe / It’s a wonder we can even feed ourselves. Bob Dylans Blood on the Tracks was niet alleen de plaat van het jaar, het was en blijft de beste elpee over het einde van een relatie. Ik ken geen aangrijpender song over afscheid dan If You See Her Say Hello. Vaak als ik het hoorde barstte ik in tranen uit, het maakte niet uit of ik alleen was of onder vrienden. Enkele andere songs van Dylan die me tijdens de scheiding zowel troostten als bedroefden waren One Of Us Must Know (Sooner or Later), 4th Time Around en Most Likely You Go Your Way (And I’ll Go Mine) en de hele bootleg Live in Melbourne, Australia, 1966.

PLATENHOEZEN1975 003DYLAN

Mijn tweede grote liefde ontstond uit erotisch verlangen en taal. Er gingen veel geschreven woorden aan onze ontmoeting vooraf, ettelijke brieven en gedichten. Ik bouwde de verliefdheid op tot ik een prachtig en wellustig huis van liefde had. Een dergelijk huis bouw je niet alleen, het is zoals de te begane weg waar ik het hierboven over had: je moet vooraf al samen een plan maken, zelfs al gebeurt dat alleen maar in de verbeelding. Bij de werkelijke ontmoeting leg je de twee plannen over elkaar: ze vallen samen. Ons echte huis, waar we in mei introkken, was een kleine flat in Sint-Joost, niet meer dan twee kamertjes op de vijfde verdieping, geen lift, geen keuken. De eerste weken was er een van extatische liefde maar ook van hard werk; mijn thesis moest af en ik moest nog een heel aantal examens afleggen. Dat bracht ik tot een goede einde. Ik was gelukkig in de liefde en werd onderscheiden voor mijn hard werk. Maar wat nu? Ik had er geen flauw idee van hoe ik mijn brood zou gaan verdienen. Lesgeven aan een middelbare school was niets voor mij, vond ik. Die zomer gaf ik wel wat privélessen Nederlands aan een Franstalige jongen in Etterbeek. Om de eindjes aan mekaar te knopen werkte ik in de kelder van de bibliotheek van de VUB, waar de directrice mij net niet misbruikte. Omdat ik niet op haar avances inging werd ik aan de deur gezet. Wat later vond ik een job als verkoper bij Corman, mijn favoriete boekwinkel in Brussel. Was er dan toch een stralende toekomst voor me weggelegd? Tegelijk begon ik aan mijn loopbaan als schrijver, al zag ik me meer in de traditie van de bohémien en de poète maudit. In 1975 raakte ik in de ban van de dichters die ik nog steeds het meest waardeer: Arthur Rimbaud en Friedrich Hölderlin. Senga en ik maakten plannen voor een klein maar radicaal theater. Inspiratie vonden we bij Heinrich von Kleist, Antonin Artaud en oude expressionistische films. Eerst echter moesten we leren dansen. Zo kwam 1976 in zicht.

In onze kleine flat was er altijd muziek. Meer klassiek (Schumann, Chopin, Grieg, Schubert, Berlioz, Monteverdi) en jazz (Ornette Coleman, Albert Ayler, John Coltrane) dan pop. Wel nog albums van antihelden als Syd Barrett, Alexander Spence, Lou Reed, Nico, John Cale. En eeuwig en altijd Bob Dylan. In 1975 hoorde ik voor het eerst de Sun-opnames van Elvis Presley.

roken1

  1. Blood On The Tracks – Bob Dylan
  2. The Basement Tapes – Bob Dylan/The Band
  3. Horses – Patti Smith
  4. Coney Island Baby – Lou Reed
  5. Another Green World – Brian Eno
  6. Tonight’s The Night / Zuma – Neil Young
  7. Slow Dazzle / Helen of Troy – John Cale
  8. Ruth Is Stranger Than Richard – Robert Wyatt
  9. Diamond Head – Phil Manzanera
  10. Born To Run – Bruce Springsteen
  11. Young Americans – David Bowie
  12. Desperate Straights – Slapp Happy / Henry Cow
  13. Southern Nights – Allen Toussaint
  14. Fire On The Bayou – The Meters
  15. Al Green Is Love – Al Green
  16. Katy Lied – Steely Dan
  17. Born To Be With You – Dion
  18. John Fogerty – John Fogerty
  19. Red Headed Stranger – Willie Nelson
  20. Rock ‘n’ Roll – John Lennon
  21. Elite Hotel / Pieces of the Sky – Emmylou Harris
  22. Old No. 1 – Guy Clark
  23. Northern Lights – Southern Cross – The Band
  24. Bongo Fury – Frank Zappa & Captain Beefheart
  25. Neu! ’75 – Neu!
  26. The Hissing of Summer Lawns – Joni Mitchell
  27. Still Crazy After All These Years – Paul Simon
  28. Sweet Deceiver – Kevin Ayers
  29. Clang Of The Yankee Reaper – Van Dyke Parks
  30. Lovers – Mickey Newbury
  31. Pressure Drop – Robert Palmer
  32. Got No Bread, No Milk, No Money, But We Sure Got A Lot Of Love – James Talley
  33. Landed – Can
  34. Pour Down Like Silver – Richard & Linda Thompson
  35. Ian Hunter – Ian Hunter
  36. Dreaming My Dreams – Waylon Jennings
  37. Love To Love You Baby – Donna Summer
  38. Discreet Music – Brian Eno
  39. Radio-Aktivität – Kraftwerk
  40. Spirit Of ’76 – Spirit

PLATENHOEZEN1975 008WYATT

Wat gebeurde er dat jaar in de grote wereld (die ten gevolge van het verdriet en de liefde héél klein geworden was)?

Bill Gates richt Microsoft op. (Mijn voorkeur ging nog lange tijd naar Olivetti en Smith-Corona.) Einde van de oorlog in Vietnam. Pol Pot wordt premier in Cambodja. Mozambique en Angola zijn onafhankelijk. Ingebruikname van de kerncentrales Tihange I, Doel I en Doel II.

Films? Salò o le 120 giornate di Sodoma, Pier Paolo Pasolini. Jeanne Dielman, 23, quai du Commerce, 1080 Bruxelles, Chantal Akerman.  Barry Lyndon, Stanley Kubrick. La Chair de l’orchidée, Patrice Chéreau. The Day of the Locust, John Schlesinger. Dog Day Afternoon, Sydney Lumet.  Het land van de grote belofte, Andrzej Wajda. Falsche Bewegung, Wim Wenders. Le fils d’Amr est mort, Jacques Andrien. L’Histoire d’Adèle H., François Truffaut. L’important c’est d’aimer, Andrzej Żuławski. Nashville, Robert Altman. One Flew Over the Cuckoo’s Nest, Miloš Forman. The Passenger, Michelangelo Antonioni. De Spiegel, Andrej Tarkovski.

Een keuze uit de boeken: The Philosophy of Andy Warhol, Andy Warhol. Ragtime, E.L. Doctorow. Humboldt’s Gift, Saul Bellow. Bruno Bettelheim, Het nut van sprookjes. Mystery Train: Images of America in Rock ‘n’ Roll, Greil Marcus. Kafka: pour une littérature mineure, Deleuze & Guattari.  Twee vrouwen, Harry Mulisch. En heel veel poëzie.

Dood: Oum Kalsoum. George Stevens. T-Bone Walker. Michel Simon. Hugues C. Pernath. Tim Buckley. Cannonball Adderley. Dmitri Sjostakovitsj. Saint-John Perse. Hannah Arendt. Bernard Herrmann. Walker Evans. Josephine Baker. Pier Paolo Pasolini wordt vermoord gevonden op een strand in Ostia, nabij Rome. Vreugde bij alle mensen van goede wil om de dood van dictator Franco.

nixon assasin

[1] Arthur Rimbaud, Délires, in Une saison en enfer.

 

 

POP 1973: QUEESTE

marvingaye22020-07-06

De sfeer van hoe mijn leven er in 1973 uitzag, van hoe we onze eindeloze dagen sleten, van de boeken die we lazen, de films die we zagen, de kleren die we droegen en van wat er toen allemaal in de grote wereld gebeurde hoor ik soms terug in de langspeelplaten die er dat jaar uitkwamen. Mogelijk begiftig ik de muziek van toen met eigenschappen die zij alleen in mijn hoofd kan hebben en hoor jij er iets helemaal anders in. Maar ik ben wie ik ben, wie ik ook moge wezen. (Want wie is de ik die nu denkt aan deze woorden van Van Morrison: I’m satisfied / With my world / Cause I made it / The way it is / Satisfied /Inside?)

Ook 1973 was een jaar van verandering en crisis, zowel op artistiek, politiek, sociaal als persoonlijk gebied. Uit de lieflijke maar verwarrende droom van de jaren zestig waren we al een tijd ontwaakt; waar we nu in leefden begon veeleer op een nachtmerrie te lijken, ook al riepen we wel eens “Stop!” en dan hield dat nare visioen even op. Dan leek het of de utopische droom weer onder ons was en wij er ons middenin bevonden, als in het oog van een goedaardige storm. Anders gezegd: we waren wakker en moesten flink wat inspanningen doen om ons iets van die oude droom van universele liefde en schoonheid te kunnen herinneren. Het tijdperk van het cynisme leek te zijn aangebroken.
Omdat mijn vrienden en ik een hecht groepje vormden en de meesten van ons filosofie studeerden leefden we in een enigszins ander verhaal. We sloten ons af van wat de echte wereld wordt genoemd, die in diepe crisis verkeerde. Mogelijk voelden we ons beter dan de andere, grotere groep studenten aan de universiteit, zij die door Leopold Flam arrivisten werden genoemd. Wij zouden dat nooit worden, hielden we onszelf voor, wij studeerden niet voor een diploma of voor een carrière, het was ons om bewustwording en kritisch denken te doen. Sommigen van ons waren marxisten (eerder trotskisten), sommigen anarchisten (ni dieu ni maître, Auguste Blanqui indachtig), anderen zenboeddhisten en aanhangers van de macrobiotiek. Soms was ik gelukkig met deze gang van zaken, maar het gebeurde meer en meer dat ik er ongelukkig van werd. Hoe kon ik – bijvoorbeeld – de filosofie die ik bestudeerde in overeenstemming brengen met mijn dagelijks leven, met mijn gezin? Wat mijn situatie nog bemoeilijkte was dat ik verlangde naar een soort van liefde waarvan ik later inzag dat die niet bestaat, niet kan bestaan. Was het geen illusionaire liefde, geen verzengende obsessie? In de hele wereld was er niets dat ik meer wilde dan te worden liefgehad. Tegelijk voelde ik aan dat aan die liefde niet tegemoet werd gekomen. Logisch, denk ik nu, dat is nu eenmaal je lot als je zoveel van de anderen verwacht. Altijd al had ik getwijfeld aan mezelf. Was ik wel iets waard? Wat had ik de anderen te bieden? Welke zin had mijn leven? Uit mijn studieresultaten bleek dat ik veel waard was. Dat schonk me ongetwijfeld grote voldoening, maar dat leek niet te volstaan. Mooie cijfers en lovende woorden waren een vorm van erkenning, liefde was iets geheel anders. Ik begreep helemaal niet meer wie ik was en nog minder begreep ik wie de vrouw was van wie ik hield. Ondanks momenten van geluk en euforie voelde ik mij vervreemden van mijn kleine gezin en de andere huisgenoten. Achteraf gezien denk ik dat de hasjiesj die we rookten, tussen de cursussen door en ’s avonds als er vrienden op visite waren, die gevoelens van vervreemding en verwijdering deden toenemen. Nog een geluk dat we niet dronken.

De heerlijkste momenten waren die met mijn zoontje, het mooiste jongetje van de wereld en ook het liefste. Als we gingen wandelen in de idyllische buurten in Watermaal-Bosvoorde, de wereld van Paul Delvaux, als we rondhingen aan de villa’s in de buurt van de spoorweg en aan het station van Watermaal. Als we poppenkast speelden en het leek of er voor ons dat nooit iemand had gedaan. Als ik mijn jongen ’s avonds sprookjes of zelf verzonnen verhalen vertelde. Als ik hem ’s morgens naar de Drie Linden vergezelde of hem daar om vier uur ging oppikken. Als we speelden en de tijd niet bestond.

Na een kort verblijf in Amsterdam kreeg ik bij mijn ouders in Neerharen hoge koorts. Het koste mij een immense inspanning om nog in Brussel terug te geraken. De huisarts stelde geelzucht vast. Ik moest een hele zomer bed houden en mij aan een streng dieet houden. Door het raam van onze slaapkamer, die ik tot in september niet verliet, zag ik de heerlijke dagen van juli en augustus verstrijken. Ik verlangde naar een wandeling in het Terkamerenbos, vlakbij en onbereikbaar, of in het Zoniënwoud, op een halfuur wandelafstand. Maar ik vond troost bij de boeken die mijn vrouw van de bibliotheek voor me meebracht. Ik herinner me dat ik veel in het eerste deel van A la recherche du temps perdu las, waarschijnlijk zonder de jonge/oude Marcel goed te begrijpen. Werken van Boris Vian zijn me ook bijgebleven, onder meer de verontrustende roman L’Herbe rouge. Een hoogtepunt was De aantekeningen van Malte Laurids Brigge van Rilke. Nu ik ziek was kwam mij veel liefde tegemoet. Het was die vorm van liefde die agape wordt genoemd, genegenheid waar niets voor wordt terugverwacht. Het beste wat de ene mens de andere kan geven, zeker als degene die ontvangt zwak en ziek is. Maar de onmogelijke liefde waar ik toen ik nog gezond was en ook later weer naar zocht en die ik nergens op aarde leek te zullen vinden, wordt met het woord eros aangeduid.

In september verbleven we een maand aan zee, met onze vrienden L. en F. en hun dochtertje V. Hoewel er ook woordenwisselingen waren, om het eufemistisch uit te drukken, waren dat voor mij de kostbaarste dagen van het jaar. Wandelend op het immense strand in Oostduinkerke ontwaarde ik soms een kleine vonk van wat het goddelijke wordt genoemd. Daar kon ik met niemand over spreken. Mijn vriend en ik voerden lange gesprekken over literatuur, kunst en filosofie. Altijd was er muziek, altijd Bob Dylan. Zijn Pat Garrett & Billy the Kid was net uitgekomen. Wat een weergaloze soundtrack was dat! In oktober was ik hersteld en kon ik weer naar de universiteit, waar ik helemaal herleefde.

brugge 1974

Wat gebeurde er in de échte wereld? Enkele wetenswaardigheden. Opening van World Trade Center in New York. In Chili pleegt Pinochet een staatsgreep, met de steun van de CIA. Salvador Allende en Victor Jara worden vermoord. In Thailand worden 1577 studenten vermoord. Oliecrisis en heerlijke autoloze zondagen. Palestijnse terreur in Rome. Jom-kippoer oorlog. Militaire junta vermoordt studenten in Griekenland.
1973 was een goed jaar voor de seringen en voor film. Badlands van Terrence Malick, het meesterwerk dat ik pas jaren later zou zien. Serpico van Sydney Lumet. Don’t Look Now van Nicolas Roeg. L’invitation van Claude Goretta. The Long Goodbye van Robert Altman. Mean Streets, de eerste klassieker van Martin Scorsese. La nuit Américaine van François Truffaut. Scènes uit een huwelijk van Ingmar Bergman. Turks Fruit van Paul Verhoeven. (Verliefd op Monique van de Ven.) Belle van André Delvaux. The Exorcist van William Friedkin. Herinner je je Tubular Bells? La grande bouffe van Marco Ferreri. Lucky Luciano van Francesco Rosi. O Lucky Man! van Lindsay Anderson. Herinner je je Alan Price? Scarecrow van Jerry Schatzberg.
Milan Kundera’s Het leven is elders. De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsyn. Vooral oude boeken, eeuwig jong: Nietzsche, Hendrik Marsman, Sartre, Albert Camus, Kierkegaard, August Strindberg, Rilke.
Op 8 april overlijdt Pablo Picassso. Drink to me, drink to my health / You know I can’t drink any more… Op 19 september komen ze voor de jonge Gram Parsons, in Joshua Tree.  Verder betreuren we Jane Bowles, John Ford, Max Horkheimer, Pablo Neruda, Pablo Casals, W.H. Auden.

linkwray2020-07-06

  1. Paris 1919 – John Cale
  2. Berlin – Lou Reed
  3. Pat Garrett & Billy The Kid – Bob Dylan
  4. New York Dolls – The New York Dolls
  5. Countdown to Ecstasy – Steely Dan
  6. Goats Head Soup – The Rolling Stones
  7. Aladdin Sane – David Bowie
  8. Band On The Run – Paul McCartney & Wings
  9. A Wizard, a True Star – Todd Rundgren
  10. For Your Pleasure / Stranded – Roxy Music
  11. Beans And Fatback / Be What You Want To – Link Wray
  12. GP – Gram Parsons
  13. Bananamour – Kevin Ayers
  14. Doug Sahm And Band – Doug Sahm
  15. Roadmaster – Gene Clark
  16. For Everyman – Jackson Browne
  17. The Joker – Steve Miller Band
  18. The Blue Ridge Rangers – John Fogerty
  19. Hard Nose the Highway – Van Morrison
  20. Let’s Get It On – Marvin Gaye
  21. Shoot Out At The Fantasy Factory – Traffic
  22. Here Come the Warm Jets – Eno
  23. In the Right Place – Dr. John
  24. Mind Games – John Lennon
  25. Aquashow – Elliott Murphy
  26. Ringo – Ringo Starr
  27. Closing Time – Tom Waits
  28. His California Album – Bobby Bland
  29. Innervisions – Stevie Wonder
  30. Fresh – Sly and the Family Stone
  31. Back To The World – Curtis Mayfield
  32. Catch A Fire / Burnin’ – Bob Marley & The Wailers
  33. Holland – Beach Boys
  34. Byrds – The Byrds
  35. The Great Lost Kinks Album – The Kinks
  36. Ferguslie Park – Stealers Wheel
  37. Sweet Revenge – John Prine
  38. Dixie Chicken – Little Feat
  39. The Wild, the Innocent and the E Street Shuffle – Bruce Springsteen
  40. Call Me – Al Green
  41. Moondog Matinee – The Band
  42. Brothers And Sisters – The Allman Brothers Band
  43. Raw Power – Iggy And The Stooges
  44. Neu – Neu 2
  45. A Little Touch Of Schmilsson In The Night – Harry Nilsson
  46. Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser – Boudewijn de Groot
  47. Tubular Bells – Mike Oldfield
  48. Don’t Shoot Me, I’m Only the Piano Player – Elton John
  49. Grand Hotel – Procol Harum
  50. There Goes Rhymin’ Simon – Paul Simon
  51. Shotgun Willie – Willie Nelson
  52. Kindling – Gene Parsons
  53. Valley Hi – Ian Matthews
  54. Song For Juli – Jesse Colin Young
  55. The Adventures Of Panama Red – New Riders Of The Purple Sage
  56. Drift Away – Dobie Gray
  57. Hey Now Hey (The Other Side of the Sky) – Aretha Franklin
  58. Heart Food – Judee Sill
  59. Maria Muldaur – Maria Muldaur
  60. Phew! – Claudia Lennear
  61. Poet, Fool Or Bum – Lee Hazlewood
  62. The Captain and Me – Doobie Brothers
  63. Funky Kingston – Toots & The Maytals
  64. Homemade Ice Cream – Tony Joe White
  65. Takin’ My Time – Bonnie Raitt
  66. Hank Wilson’s Back Vol. 1 – Leon Russell
  67. Leg End – Henry Cow
  68. Lonesome, On’ry And Mean – Waylon Jennings
  69. River – Terry Reid
  70. It Hurts So Good – Millie Jackson

roxymusic2020-07-06

“There’s a law for everything
And for Elephants that sing to keep
The cows that agriculture won’t allow
Hanky Panky nohow
Hanky Panky nohow oh”
John Cale

RUSTIGE DAGEN, MOMENTEN VAN GELUK

cof_vivi

Ook vandaag kan ik de keren dat ik sinds begin maart de deur uit ben geweest op de vingers van je handen tellen, je duimen buiten beschouwing gelaten. Die laat ik je om te duimen op een goede afloop. Of wat dacht je? Hoewel we met z’n allen maar al te goed weten dat het nooit goed afloopt.

Toch zijn er de voorbije weken momenten geweest dat ik zat te huilen van geluk vanwege de stilte die over deze wereld is gekomen. Ik hoor alles zoveel beter nu, vooral de vogels in de tuinen achter onze woning. Dank zij die nieuwe stilte zijn de geluiden mooier en bijna overrompelend in hun muzikaliteit. Ik zou er veel voor over hebben om nu componist te zijn. Maar dan wel een heel stille componist, iemand die alleen maar noteert om later, als het lawaai er weer is, de muziek van die vroegere nieuwe stilte vorm te geven.

Ik zie ook beter. Eerst de bloesems aan de bomen, ook in diezelfde tuintjes en één keer in een klein park hier in de buurt, en daarna de vele schakeringen van het groen van de bladeren aan de bomen in het Astridpark en als ik beneden ben en daar door het raam kijk om te zien of mijn geliefde nog niet op komst is, met haar rode trolley gevuld met gele bananen en rode paprika’s en groene prei en oranje wortelen, de bladeren aan de oude vertrouwde bomen in onze straat.

Op een middag was er brand in een van bijgebouwen van de huizen die aan de straat achter die tuintjes van het vogelgefluit gelegen zijn. Het vuur laaide heel snel op, de vlammen rood en oranje, zwarte rook bijna loodrecht naar blauwe lucht, waar ik kort tevoren een schaars vliegtuig had zien vliegen. Een brand is altijd angstaanjagend, maar deze was voor mij tegelijk een voorstelling met een metafysische lading. Een oerscène, zou ik het durven te noemen. De brandweerlieden, hoe klein ze ook waren in vergelijking met het bijgebouw en het vuur, hadden het vuur gauw onder controle. Er waren voor het eerst in lange tijd meerdere mensen in de tuintjes verschenen. Sommigen stonden op ladders om het schouwspel beter te kunnen zien. Nu was het weer rustig. De zwartgeblakerde muur van het bijgebouw stond er alsof hij er altijd zo had gestaan, donker en grauw als na een vergeten oorlog.

Graag zou ik een keer voor de voordeur gaan zitten, op een oude stoel, met een kussen achter mijn rug en een biertje op de grond. Ja, zoals dat lang geleden werd gedaan in de dorpen, maar ook in sommige wijken van onze steden. Maar zelfs deze pandemie heeft dat gebruik niet doen heropleven. Bovendien moeten we, willen we ons een beetje veilig voelen, een, twee, drie meter afstand houden en nogal wat voorbijgangers zien er als dokters of struikrovers uit, en daar valt maar moeilijk mee te praten. Overigens heb ik dat soort wandelaars liever dan degenen die doen alsof er niets aan de hand is en lustig in het rond spuwen.

Ja, enkele momenten ben ik op die wijze gelukkig geweest. Mag ik het diep noemen? Diep gelukkig? Het huilen dat ermee gepaard ging was van verdriet. Een schuldgevoel overmande me bijna meteen: man, hoe kun je gelukkig zijn als anderen zo lijden en in ziekenhuizen en instellingen liggen te sterven? Terwijl ik aan dat lijden van de anderen denk word ik bang voor het lijden en de dood die mij ook te wachten staan, hopelijk nu nog niet, maar ooit op een dag…

Deze rust zal gauw voorbij zijn. Vandaag hoor ik al wat lawaai van auto’s, bussen… Liefste, met je mooie vingers en duimen, laten we nog even zo blijven. Laat het bruisende leven nog wat wachten, evenals het gebrom van de bulldozers in het Astridpark en het geraas van de zaagmachines van de boomvijanden. Mag ik nog even vergeten dat ik mogelijk nooit meer naar Santa Fe zal kunnen reizen, zelfs niet naar Amsterdam, naar Spa, naar het centrum van mijn stad? Ja, in deze zo kortstondige stilte wil ik vergeten dat ik net als tienduizenden soortgenoten aan een zuurstofapparaat gekoppeld zou kunnen liggen. Deze stilte van het groen en van de duizenden vogels in onze dierbare lucht. Hun moeilijk te vatten gezang.

 

TERRY MALLOY EN EDIE DOYLE

onthewaterfront2

In On the Waterfront van Elia Kazan doen New Yorkse havenarbeiders, die dagelijks de corruptie en de misdaad binnen hun vakbond aan den lijve ondervinden, alsof ze doof en stom zijn (D and D wordt het genoemd). Het hoofdpersonage, de ex-bokser Terry Malloy, weet die laffe houding om te buigen en zich uiteindelijk te verzetten tegen de plaatselijke maffiabaas met de wel heel toepasselijke naam Johnny Friendly.

Dat een misdadige organisatie een systeem dat dient om de belangen van de havenarbeiders te beschermen infiltreert, lijkt op een nachtmerrie. Maar het is de realiteit, die historisch is gegroeid. Er zitten gaten in het kapitalistisch uitbuitingssysteem en ook de vakbond is menselijk, al te menselijk. Mensen zijn niet perfect. Uit eigenbelang en soms zelfs uit hebzucht aanvaarden ze corruptie en geweld en worden ze zelf corrupt en gewelddadig. Er zit ook een psychologisch aspect aan dat zwijgen. Een verklikker wordt in een gemeenschap als die van de dokwerkers als het laagste van het laagste beschouwd.

Dank zij de liefde en toewijding van een vergevingsgezinde vrouw, de mooie Edie Doyle, kan Terry Malloy een goede verklikker worden en zich zo, paradoxaal genoeg, ontpoppen als de held van de New Yorkse havenkant, wat hem als bokser niet gelukt is. Toegegeven, een katholieke priester met een geweten speelt eveneens een rol in deze ommezwaai.
Edie vergeeft Terry Malloy zijn betrokkenheid bij de moord op haar broer Joey. Ze ziet zijn zwakheid, zijn machteloosheid, maar heeft tegelijk oog voor zijn tedere kant en zijn onder schuldgevoelens en cynisme bedolven moed. Die mix van tegenstrijdige karaktertrekken krijgt in de acteerprestatie van Marlon Brando perfect gestalte.
De vrouw Edie, prachtig vertolkt door Eva Marie Saint, zou je de geest van de muziek kunnen noemen. Dat is niets meer dan een gedachte-experiment van mij. Een kleine sprong die ik maak van de realiteit (de film On The Waterfrond) in de verbeelding. Muziek die liefde is, zoals David Crosby ooit zong op zijn solodebuut ‘If I could only remember my name’. Wat uiteraard niet betekent dat alle muziek die eigenschap heeft. Ook muziek is menselijk al te menselijk en kan uitermate destructief zijn. Maar dat is een ander verhaal.

Deze tekst is niet meer dan een voetnoot bij ‘Nachtmerrie en muziek’ en bij de naam Terry Malloy in Bob Dylans ‘Murder Most Foul’.

 

Rimpelingen

"Schrijven is je herinneren wat nooit is gebeurd." Harry Mulisch

Hardnekkige melodietjes

Kirstin Vanlierde

Devriese

Stukjes van nu en columns van vroeger

ViLT

ViLT : Elke Dag Verse Lyriek

hotfox63

IN MEMORY EVERYTHING SEEMS TO HAPPEN TO MUSIC -Tennessee Williams

Marjon werkt.

Pijn en poëzie op de werkvloer.

Pierewit

Verschijnt nu en dan weer niet.

reddend zwemmen

weblog van rob van essen

KOTSEN OP WOENSDAG

ALLE ANDERE DAGEN BEN IK BEST OKÉ

Aanlegplaats

thuishaven voor blogs vol literair talent

Johan De Crom

Politieke meningen, prozaïsche strelingen

(Botho) Straussian

composition/Neue Musik, noise, techno, field recording

Dichtertje

EEN MANIER VAN KIJKEN...

Boekenwulf

Lezen, een open deur naar een betoverde wereld - François Mauriac

HOOCHIEKOOCHIE

kroniek van een kamertjeszondaar

deintro.wordpress.com/

Uw introductie in muziek

bijgekleurd

een wereld in zwart en wit is ook maar grijs

musings on films

in-depth approaches to cinema

catherineciseaux

teksten, illustraties, cartoons, schilderijen

Nogevenlezen.nl

Verhalen van Sandrijn Swarts

BERTJENS

Zij. Diversen.

Ben Joosten

Nunc Est Scribendum

Johnny B.

He not busy being born, is busy dying.

eleventweleven straatsalaat

11antfroggies schaaflicht doebiedoebie

JAN GEERTS

- dichter, verder, maar vooral dichter -