HOPE SANDOVAL, DE BLAUWE BLOEM

‘She Hangs Brightly’ van Mazzy Star was de allerlaatste vinylplaat die ik kocht. Het zou meteen een van mijn allermooiste muzikale ontdekkingen zijn, het begin van een donker-romantisch avontuur. Met dat kleinood in een plastic zakje van Music Mania stapte ik de platenwinkel uit, deed de deur achter me dicht en stond in de vuile straat. Brussel was in 1990 smerig en gevaarlijk, niet cool en funky en artistiek zoals nu. Ik mengde mij onder de grijze mensen die daar liepen en begaf me naar het Centraal Station, hongerig en koortsig van verlangen naar het onbekende dat op me wachtte. Ik had er geen idee van hoe Mazzy Star zou klinken, wist niets over Hope Sandoval, had haar stem nog niet gehoord, wist niet hoe ze eruitzag.

Ik heb altijd al van sterren gehouden. Niet van alle sterren, wees gerust, van sommige. Greta Garbo, Lucia Bosé, Monica Vitti, Nico, Françoise Hardy. Ze allemaal nog een keer opsommen lijkt me overbodig: hun namen vind je op veel plaatsen in deze geschriften terug. Vaak zie ik als in een roes hun gezichten voor me. Ze duiken op uit de mist in mijn hoofd, hun trekken winnen aan duidelijkheid. In wat zo van hen aan me verschijnt zie ik wat Roland Barthes de lyriek van de vrouw noemt. Straks, als ik weer thuis zou zijn in het appartement in de Lamorinièrestraat in Antwerpen, waar zonder dat ik hen zou zien de Sefardische joden voorbij zouden lopen, zou Hope Sandoval plaats nemen in dat pantheon van menselijke sterren, onbereikbaar en onontkoombaar.

Op het einde van de jaren tachtig deden platenwinkels overal in het land hun vinyl massaal van de hand. De muziekindustrie dwong muziekliefhebbers ertoe om op het cd-formaat over te schakelen. Op wie van vinyl hield werd voortaan neergekeken, vooral door jonge hipsters, die toen yuppies heetten. Je herkende ze aan hun dure sokken en stropdassen. Ik betreurde het verdwijnen van die mooie vorm. Ik had al zoveel jaren van vinyl, van singles, ep’s en elpees, genoten, van elk aspect ervan, tot de geur toe. Maar gaandeweg ging ik ook van de cd als muziekdrager houden. In het begin persten de platenmaatschappijen ons af door exorbitant hoge prijzen te vragen voor lelijke en slecht klinkende schijfjes. Maar al na enkele jaren klonken cd’s stukken beter dan dat vermaledijde vinyl, waar zo vaak iets mis mee was en dat vanaf de jaren tachtig van slechte kwaliteit was geweest. Er kwamen schitterende boxen uit, oude platen werden geremasterd en met bonustracks aangevuld. Bij de cd’s zaten boekjes met essays van muziekliefhebbers die ook nog eens konden schrijven. Er verschenen duizenden cd-versies van platen die al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar waren geweest. Onvoorstelbaar dat je nu al die albums van obscure psychedelische bands, van weinig bekende soulmuzikanten, zelfs van countryhelden als George Jones en Loretta Lynn kon vinden… Gouden dagen om muziek te (her)ontdekken.

Maar natuurlijk wist ik dat allemaal nog niet toen ik die allerlaatste vinylplaat aanschafte. En dat is goed zo, je moet niet altijd alles willen weten; zolang je maar niet ophoudt jezelf te leren kennen en te luisteren naar wat de andere mensen je te vertellen hebben. Ik was gewoonweg blij dat ik een mooie plaat gevonden had. Ja, ik was er zeker van dat het een mooie plaat was. Want ik kende de achtergrond wel. In de vroege jaren tachtig, toen popmuziek schel en synthetisch klonk (wat ik soms zelfs kon smaken, ‘Poison Arrow’ van ABC bijvoorbeeld), was in Los Angeles een nieuwe psychedelische beweging ontstaan. Van de narcotische folkrock van the Rain Parade was ik meteen weg. Hun muziek sloot aan bij Buffalo Springfield, the Byrds en Pink Floyd van ‘A Saucerful of Secrets’. Hun elpee ‘Emergency Third Rail Power Trip’ (1983) was een psychedelische tour de force, die me ook nu nog geregeld in vervoering brengt. The Rain Parade bestond uit Steven en David Roback, Matt Piucci, Will Glenn en Eddie Kalwa. David Roback verliet the Rain Parade al gauw en richtte met Kendra Smith (ex-Dream Syndicate) eerst Clay Allison op, een bandje dat kort daarna Opal zou heten. Opal bracht één uitstekend album uit, ‘Happy Nightmare Baby’ (1987), waarna Kendra Smith spoorloos verdween en Hope Sandoval haar plaats innam.
‘She Hangs Brightly’ is het debuut van Mazzy Star. De muziek die de band maakt wordt droompop genoemd, wat voor een keer een juiste omschrijving is. Het lijkt wel of de muzikanten al dromend – of toch wel zeker in een roes – hun instrumenten bespelen en terwijl je naar hun liedjes luistert begin je zelf ook te dromen. Drugs zijn daar niet eens voor nodig, het gaat vanzelf. De klanken die David Roback aan zijn gitaar ontlokt, lijken uit een andere, ijlere en tragere wereld in die van ons binnen te sijpelen. Hope Sandovals stem is het geluid van een fluwelen blauwe bloem. Of van de blauwe bloem van de Duitse romantische dichter Novalis. Eenzaamheid en droefheid hebben nooit zo mooi en verleidelijk geklonken als in ‘Halah’, de openingstrack van ‘She Hangs Brightly’.

hope 2Het is echter geen perfecte droom. Koude, weerbarstige elektriciteit ontregelt soms het sprookje. Het Velvet Underground-syndroom, met opalen toetsen. I never really wanted your heart, zingt Hope dan. Haast alle songs op de plaat zitten boordevol sinistere charme (woorden van Gina Arnold). Soms hoor ik kil en boos verlangen, soms alleen nog maar lethargie. Een bitter mysterie heeft akkoorden, een melodie, een bedwelmende stem gevonden. In de titelsong hoor ik het kermisachtige orgeltje van Ray Manzarek en David Roback verandert in Robbie Krieger, maar Hope Sandoval blijft de eeuwige vrouw, verleidelijk, pijnstillend, troostend. Gevaarlijk ook, als een borderliner: “I stay near the edge and waste my time.”
[Later ontdek ik dat ‘Blue Flower’ oorspronkelijk al in 1972 door de uitstekende Britse progressieve band Slapp Happy werd opgenomen. ‘Five String Serenade’, op ‘Among My Swan’ (1996) is dan weer een liedje van Arthur Lee, de poète maudit van de onvolprezen popgroep Love. Live verraste Hope Sandoval ons in 2002 op ‘Play With Fire’ van the Rolling Stones. Mazzy Star heeft ook goede smaak in het coveren van andermans materiaal.]
De voorkant van de hoes toont ons een ook al enigszins mysterieuze foto van een trappenhal in Art Deco-stijl. Dat interieur kwam mij bekend voor. Ik had het gevoel dat ik al eens in dat rijk geornamenteerde huis geweest was, op zoek naar een visum voor een of ander Oostblokland. Of was het slechts in een droom geweest? In de notities op de achterkant van de hoes vond ik geen informatie. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voor ik te weten kwam dat het de trappenhal is van Hotel Tassel, een prachtig gebouw van Victor Horta in de Paul-Emile Jansonlaan in Brussel.

hope sandoval by luz gallardo

In levenden lijve zou ik Hope Sandoval en Mazzy Star pas op 9 november 1996 ‘zien’ en horen, en nog wel in de Vaartkapoen te Molenbeek. Een nieuw mysterie diende zich aan: waarom trad de band in het donker op? Waarom mochten wij, volgelingen van Hope, die zo naar de zangeres hunkerden, haar schoonheid niet eens zien? Of toch maar een heel klein beetje, als wat donkerblauw licht een stukje van haar gezicht, van haar hand kronkelend aan de microfoon, onthulde. Was het sadisme? Was het om onze romantische droom niet aan te tasten? Op 7 september 2002 zag ik haar opnieuw, dit keer in de AB Club, in een wat minder donker donker, in net niet helemaal nachtelijk nachtblauw. Mazzy Star bestond toen niet langer. Een jaar eerder had de zangeres onder de naam Hope Sandoval & the Warm Inventions haar betoverende langspeelplaat ‘Bavarian Fruit Bread’ uitgebracht. Op die late nazomeravond was ze nog altijd even mysterieus, even langoureus; haar nachtelijke stem – die van de blauwe bloem – nog altijd even benevelend.

Twaalf jaar eerder in mijn Antwerpse avondland waar niets mij nog beviel, kon ik die eerste nacht met haar naam en haar ingebeeld beeld in mijn hoofd de slaap maar niet vatten. Tussen waken en dromen in lag ik daar in dat vreemde bed te verlangen naar de muziek geworden engel, Hope Sandoval. Het mooiste meisje van de wereld met de mooiste naam ooit door ouders aan een kind gegeven.

Tassel_House_stairway

Foto’s: Platenhoes, Martin Pulaski, 2018; Hope Sandoval live, Luz Gallardo, andere foto’s: fotograaf onbekend.

WAT BETEKENT HOOCHIEKOOCHIE?

le-mepris

Het woord ‘hooch’ is slang – of bargoens, nu je toch aandringt – voor sterke alcohol, ‘strong liquor’ zeggen de Amerikanen, meer bepaald als het spul van inferieure kwaliteit is of illegaal gestookt werd. De uitdrukking komt nogal veel voor in oude gangsterfilms en meer nog in de blues. ‘Coochie’ verwijst naar de vrouwelijke genitaliën. Voor de naam van mijn weblog heb ik van de C een K gemaakt, hoochieKoochie, niet omdat ik meer van de K dan van C houd, want het tegendeel is het geval, maar om vooral niet de indruk te geven dat mijn blog een creatie is voor bluespuristen. De K moet monomanen en volbloed ‘hoochie coochie men’ op een dwaalspoor zetten, of zelfs verhinderen dat ze me vinden. Ze zullen de uitdrukking nooit met een K spellen, geen sprake van. Voor Amerikanen, en zeker voor zwarte Amerikanen, heeft de K nogal negatieve connotaties, in zoverre een letter connotaties kan hebben. Als ik naar de KKK verwijs, wordt echter alles duidelijk. Het was bij het opstarten van mijn blog uiteraard niet mijn bedoeling dat mijn K naar die diabolische organisatie zou verwijzen. Als ‘coochie’ een benaming is van het vrouwelijke geslachtsorgaan, dan kan mijn K alleen maar naar het woord ‘kut’ verwijzen, hoe lelijk ik dat woord ook vind (wat ik hier al meermaals ter sprake heb gebracht, dacht ik).

Ik wil vooral benadrukken dat mannen en vrouwen van om het even welke kleur hier welkom zijn, alleen heb ik een aversie tegen – vooral blanke – door blues geobsedeerde puristen, degenen die bijvoorbeeld weten op welke dag Blind Lemon Jefferson ‘Matchbox Blues’ opnam.

‘Hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ houdt tevens verband met voodoo en in het bijzonder met de voodoo ‘priesters’ en ‘predikers’, en dat kunnen zowel mannen als vrouwen zijn. Het fenomeen voodoo staat bekend om zijn ‘voodoo queens’; de beroemdste is Marie Laveaux, begraven op het Lafayette-kerkhof in New Orleans. Of er nog iets van haar stoffelijke resten overblijft is twijfelachtig. De zwarte cultuur is in New Orleans na de orkaan Katrina voor een groot deel uitgeroeid. Blanke mannetjes in de regering-Bush – en bij haar slaafjes in dienst van de federale overheid – willen van de stad een soort van permanente Disneyland-achtige Mardi Gras voor blanke vrouwtjes en mannetjes maken. Alle dagen feest, alle dagen kermis: laat de toeristen maar komen, maar houd ze weg van de echte stad, de stad van dood en verderf. (Ja, ik heb de documentaire van Spike Lee gezien.)

Niets wat betreft ‘hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ is echt zeker. Het is een twilight zone van de begrippen. Sommigen beweren dat de twee woorden samen, ‘hoochie coochie’, niets meer of minder betekenen dan het vrouwelijk geslachtsorgaan. Drank (foezel) komt in deze betekenis niet aan bod. Een ‘hoochie coochie’ is de vagina, de ‘hoochie coochie man’ is degene die erop belust is. Sommige van die mannen willen het liever kort houden en korten het geslacht af tot ‘coochie’, zeker in een gesprek van man tot man.

Een bravere betekenis, in zekere zin, is die van de dans, de ‘hoochie coochie’. Het is alleszins een zeer seksueel beladen en geladen dans. De lichamen worden elastisch, zitten opeens vol dynamiet, elk spoor van gelatenheid verdwijnt als een blokje ijs in een glas Southern Comfort. Er wordt veel met de heupen gewiegd, met de bekkens geschud. Bovendien is elke dans een vorm van voorspel tot de daad, of alvast tot een poging tot de daad, want niet altijd lukt het de ‘hoochie koochie man’ om zich staande te houden, en vooral niet om te ejaculeren, meestal vanwege teveel ‘hooch’, maar vaak eisen ook de jaren hun tol.

Er wordt met stelligheid beweerd dat ‘coochie’ gelijk staat aan ‘cunt’, vagina. Vagina vind ik wel een mooi woord. Het roept bij mij altijd associaties op met Virginia Woolf en vooral met haar zuster, Vanessa. Ik heb daar geen duidelijke verklaring voor. Dat van die vagina wisten we inmiddels al. De ‘hoochie coochie’ doen echter is in deze versie niet zomaar wat schuifelen op de dansvloer, maar is echt de daad begaan. In niet zo lang vervlogen dagen was het datgene waarover niet mocht worden gesproken. En indien er echt niet over gesproken kon worden dan moest er ook niet over gesproken worden. Men kon nog altijd zingen en, tientallen jaren later, schreeuwen en brullen zoals Yoko Ono, John Lennon, John Lydon en Kurt Cobain.

Voilà, beste lezers, zo weet u in welk wespennest u terecht bent gekomen. Maar schrik niet, het is niet alleen een wespennest, het is ook een labyrint – en elk labyrint is aangenaam om in te vertoeven, ook al wil je voor het donker naar huis.

moonshine_old_timey_main

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (2)

kinderdorprekem9.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (vroege ochtend)

In mijn dromen heb ik geen leeftijd, hoewel ik me vermoedelijk als jong ervaar. Ik ben niet aanwezig in mijn dromen. Maar wie ben ik daar dan eigenlijk? Misschien is het zogenaamde echte ‘ik’ en is het echte leven alleen maar schaduw van wat zich in de droom voordoet? Telkens als ik ‘ The Dark Is Rising’ hoor, dat liedje van Mercury Rev, krijg ik de tranen in de ogen als Jonathan Donahue ‘In my dreams I’m always strong’ zingt. Maar laat ik niet al te platonisch worden. Het is zo al erg genoeg met de liefde gesteld.

kinderdorprekem3.jpg

Ik zal het maar een mooie droom noemen. De tijd bestond niet. Nee, er bestonden meerdere tijden, die zich met elkaar vermengden als nog goudgele maar toch al rottende bladeren met zwarte modder. Ik liep hand in hand met een jong blond meisje, zeventien ongeveer en naar het me nu voorkomt uit Nederland afkomstig. Ze sprak met dat mooie Hollandse accent uit de jaren zestig. Ik was zielsgelukkig in haar nabijheid. Haar hand, die ik stevig vasthield, was een talisman, een bron van onbenoembare vreugde. Ze leek wat op mijn jeugdvriendinnetje Henriëtte P., maar als ik nu een blik werp op de enige foto die ik van Henriëtte heb zie ik dat ze slechts een schaduw is van het blonde meisje uit Nederland. Terwijl ik droomde voelde ik passie, sensualiteit, maar zonder de seksuele component. Je zou kunnen zeggen dat het om een emotie ging die het zinnelijke en het geestelijke oversteeg. Zoals de tijden versmolten ook die hoedanigheden met elkaar. Met het volwassen worden verliezen we zulke emoties uit het oog, of misschien herinneren we ze ons nog wel maar we hebben er geen toegang meer toe. Toch niet als we denken wakker te zijn en onze dagelijkse dingen doen.

DANTE BEATRICE.jpg

Het dicht bij elkaar zijn en mijn lichte kussen op haar lichte, roze lippen. We liepen over een bospad op weg naar het Kinderdorp Molenberg. Hoewel ik haar gids was zal ik haar voor het gemak Beatrice noemen. Zo hebben we een cultureel referentiepunt dat niet eens op toeval berust. Het meisje heette echt Beatrice, net zoals de koningin van haar land van herkomst. In het Kinderdorp was in al die jaren niets veranderd. Zelf waren we ook niet noemenswaardig veranderd. Al die tijd hadden we daar hand in hand in de klas van juffrouw B. gezeten en kort voor zonsondergang door de bossen gedoold (zonder ooit te verdwalen). Soms had ik haar Veronica genoemd. Want het gebeurde meer dan eens dat ze me vroeg: hoe heet ik nou eigenlijk, lieveling? Alleen in de kapel waar ik elke dag naar de mis ging en van mijn latere leven als priester zat te dromen was het kleine maar rijkversierde koorgestoelte verdwenen. Op de trap naar het vliegtuig een laatste zachte kus, een laatste zoete glimlach. En nu vliegt datzelfde vliegtuig hier hoog boven me voorbij. Westwaarts. Door mijn raam kan ik het zien glinsteren in de zon, een kleine, zilveren talisman, voor lange tijd onderweg naar een andere, nog onbekende tijd.

right stuff.png

 

AAN MIJ DE WRAAK

vengeance is mine imamura.jpg

 

Een man en een vrouw.

Een sterke vent trekt hun paarden door de rivier, door het dal, door woestenij, lava. Van het Oosten naar het Westen.

(De nacht valt. Een uitgeputte slavin. Van fluweel de donkere rozen op haar donkere buik. Niet langer dromen van bloed en pijn.)

Weken, maanden voordien viel hij neer in de schaduw van een magere vrouw. Ik heb genoeg geleden, zei ze. Neem me, neem me met je mee.

Op de linkeroever, niet ver van het vee, werden zij bruid en bruidegom, de sterren vlak bij hun ogen. De volle maan vlak bij hun mond.

(Daarop moeten zij vluchten. De geschiedenis in.)

Tijd verloopt.

Als zij zich met zijn haren, met zijn geslacht heeft getooid en ingestreken met zijn bloed en ingestreken met zijn faeces valt zij de vijandige stad binnen, waar hij door allen werd geminacht.

Ik kom voor mijn kroon, zegt ze. Ik kom voor zijn kroon, zegt ze. Met mijn schadeclaims brand ik jullie stad af. Jullie hebben nog een uur om van elkaar af te zien. Jullie hebben nog een uur om elkaar te doden.

Daarna heers ik over jullie ruïnes tot er geen einde meer is, onzichtbaar de maan en de sterren.

Brussel, 2010-2016

Ω

Afbeelding: Vengeance Is Mine, Shohei Imamura, 1979

MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.

P1020340.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel

 

DRIE KLEUREN: ROOD

LEmpire-des-sens.jpg

LEMPIRE-DES-SENS-01.jpg

08.jpg

glissement robbe-grillet

Rood van bloed. Rood van vuur. Rood van adem. Rood van de apocalyps. Rood van liefde en seks. Rood van vlees. Rood van steden. Rood van oorlog. Rood van passie. Verzengend rood.  Afschuwelijk rood. Magnifiek rood. Rood van de hemel. Rood van de bergen. Rood van de mijnen.

Onontgonnen rood. Jouw rood. Mijn rood. Onbegonnen rood. Morgenrood. Avondrood.

Het woord rood, een leeg omhulsel, een nietszeggend beeld, een eindeloze metafoor. Het rood van ‘Rode Psalm’, van ‘La Chinoise’, van ‘Trois couleurs: rouge’, van ‘Het rijk der zinnen’, van ‘Le rouge et le noir’. “La Chinoise is een film over rood als de kleur van het denken.” De fabel van de cinema, Jacques Rancière, 2001.

Beelden: Nagisa Oshima; Alain Robbe-Grillet; Martin Pulaski

DE CARIBISCHE DRUMMERS

saul-leiter-barbara-or-margaret-1955.png

Hoe het verhaal begon kan ik me niet herinneren. Vorige vrijdag lag Annabelle hier lui op de chaise longue met alleen nog haar zwarte Suède laarsjes aan. Ik zat aan mijn oude kersenhouten tafel, net niet helemaal met mijn rug naar haar toegekeerd. Waarschijnlijk probeerde ik neer te schrijven wat ik zag als ik, bijna tersluiks, naar haar keek. Hoe zij daar lag, haar lange benen, de kleur van haar huid, de lome blik in haar ogen. Op een computerscherm, links van me, begon een drumband te spelen. De muzikanten marcheerden door een Caribisch stadje, hun getrommel even kleurrijk als de gevels van de oude huizen. Als de klank luider werd leek wat ze speelden een kakofonie, maar altijd hoorde je toch ook structuur in hun opwindende muziek. Wat je hoorde en onderging was een combinatie van emotie, woede, verleidingstechniek en wiskunde. Soms, als het volume afnam, vreesde ik dat de muzikanten al gauw uit het gezichtsveld zouden verdwijnen.

Onze postbode kwam de kamer binnen met een pakje. “Uit Amerika”, zei hij. Hij wierp een nieuwsgierige blik op Annabelle, haar ogen nu op het computerscherm gericht, maar haar lichaam nog altijd in volstrekte rust. Heel even maar bekeek de postbode haar en dan werd zijn aandacht getrokken door de straatdrummers. Natuurlijk moest hij zijn ronde doen, maar ik zag dat hij het moeilijk had om zich uit de uitgelaten sfeer van de muziek los te rukken. Tenslotte zei hij “geweldig” en vertrok. Mij leek het alsof hij op die paar minuten een andere mens was geworden. Wat later moest Annabelle ook de deur uit, ik geloof naar haar werk.

Een paar dagen nadien liep ik met mijn vrouw naar de winkel. We passeerden de postbode. “Wat was dat toch magisch, dat uitzinnig getrommel dat ik daar bij jou hoorde,” zei hij. Ik wist niet wat te antwoorden. Ik knikte en maakte me zo gauw mogelijk uit de voeten. Mijn vrouw vond dat maar vreemd. Wat was er aan de hand? En pas nu zag ik dat ze niet langer blond was: ze had haar haren zwart laten verven.

Eergisteren lag ik in bed met een zwartharig meisje, dat ik vaag van ergens kende. Een actrice misschien. Ik herinner me haar naam niet. Ze was omstreeks elf uur komen aanbellen en vroeg meteen, de voordeur was nog niet toe, of ze bij me mocht komen liggen. Om vier uur kwam mijn vrouw thuis, nu weer met blonde haren. Het zwartharige meisje vertrok, ik viel opnieuw in slaap. ’s Avonds zag ik een in cadeaupapier ingepakte fles op mijn nachtkastje staan. In de lege whiskyfles zat een brief van mijn vrouw. Harde woorden van afscheid. Ze nam mijn gedrag niet langer, ze was voorgoed vertrokken. Ik kwam uit bed, mijn hart gebroken. In de keuken, waar het nu donker was, zag ik haar silhouet, niet meer dan een vage schim was het – ik wist dat ze weg was.

muziek, drummers, caribische trommelaars, meisjes, vrouwen, lust, visite, erotiek, verlangen, wellust, genot, kijken, annabelle, bed, luiheid, cadeau, jaloezie, huwelijk, verlaten, alleen, eenzaamheid, postbode, "the postman always rings twice"

Foto: Saul Leiter, ‘Barbara or Margret’,  1955; Tay Garnet, ‘The Postman Always Rings Twice’, 1946.