HOPE SANDOVAL’S DROOM

Kapitein drinkt sterke rum tijdens een lange droomvaart. In de seringenmist bespeurt hij zijn albatros. Een loods is overbodig tenzij hij zijn gitaar inplugt en het voordek onderdompelt in fuzz en feedback. En dan daarbovenop het heroïnegefluister van Hope Sandoval. Je proeft haar gif in je oor. Je vreest verdrinking in de donkere platen, waar de bedrogen tweelingbroers rusten. In haar zwarte hand houdt ze een appel. De kapitein werpt zijn lege fles overboord en zegt ‘schandalig’, ‘verrukkelijk zo zonder uitzicht’! ‘Alle magere vrouwen zijn hoeren’, verklaart het Boek der Schlemielen. De omvang van hun borsten. De hitsigheid van hun stemmen. Maar magerder kan niet in zulk donker donker. Tot je dag binnenvaart en de lucht licht wordt van vioolgeur. Hope Sandoval zal zich dan afzonderen als een vampier in een bunker en haar stem voeden met velerlei medicijnen.

ELEMENTAIRE DEELTJES


plechtige communie 2

Wij zaten beiden op de ronde tafel. Jij luisterde naar m’n verhaal en vertelde me over weinig fraaie dingen die sommige mensen – die ik zelf ook bleek te kennen – je hadden aangedaan. Dat je zo openhartig met me was ontroerde me en gaf me nog meer moed om mezelf bloot te geven. Maar dan kwamen mijn ouders de kamer binnen. Ze gingen aan een kleine tafel naast de onze tegenover elkaar zitten en begonnen een gesprek. Het leek alsof ze deden alsof wij er niet waren maar ik kon me niet van de indruk ontdoen dat ze wilden horen wat ik je allemaal toevertrouwde. Jij besefte wat er in me omging: ik zag de woede zich van je meester maken. Ook voor jou waren mijn ouders indringers, ja, misschien nog wel meer voor jou dan voor mij. Je stond op – pas nu viel het me op dat je niet langer samen met mij op de tafel zat, maar heel gewoon op een stoel – stapte op m’n ouders toe en riep zonder enige twijfel in je stem: “buiten!” Daarbij maakte je een volstrekt duidelijk gebaar in de richting van de deur. Op dat moment bewonderde ik je, neen, bewondering is een te zwak woord, ik had het gevoel dat je deel van me werd, dat we ons verenigden in een gezamenlijke strijd tegen de vijand.

Ik voelde me ellendig en alleen op de wereld. De enige die me kon helpen, dacht ik, was G. Maar G. weigerde. Hij wilde niet inzien wat er in me omging, hoe wanhopig ik wel was. Ik smeekte, ik huilde, ik greep hem bij z’n hals. “Help me, G., zo kan ik niet meer verder leven…” Hij bleef me afwijzen, hoewel ik op het laatste moment toch heel even het gevoel had dat hij enig begrip begon te krijgen. Dat er ergens een opening in hem ontstond waardoor mijn ontreddering, mijn wanhoop druppelsgewijs bij hem naar binnen kon sijpelen. Nee, niet de wanhoop zelf maar sporen daarvan, heel kleine deeltjes, elektronen, of nog kleiner.

Foto: Martin Pulaski

DROMEN ZIJN GEEN BEDROG

Ik zat aan mijn bureau te werken aan een verhaal. De mechanische schrijfmachine waarop ik mijn tekst intypte veroorzaakte allerlei problemen, onder meer door letters die bleven hangen. Erger waren de andere moeilijkheden waar ik mee te kampen had. Mijn levensgezellin had last van mijn aanwezigheid, of van de aanwezigheid van dat bureau in de kamer waarin ik zat te werken. Er ontstond een woordenwisseling. Ik kreeg de indruk dat zij geen respect had voor mijn ‘scheppend’ werk, voor de kunstenaar in mij. Dat ze op die manier mijn ziel miskende en zodoende niets om me gaf. Deze ijskoude vaststelling deed een verlammende droefheid ontstaan. Ik wilde mijn wanhoop uitschreeuwen, maar dat was niet mogelijk. Ik zag haar de trap afgaan, met ons kind op de arm, en ik kreeg heel sterk het gevoel dat het nu voor goed gedaan was: zij zouden niet meer terug komen. Toen ik dat besefte begon ik te schreeuwen, zij het nog altijd met moeite, en het klonk theatraal, alsof ik het niet meende. ‘Ik spring naar beneden’, riep ik. ‘Nu maak ik er een eind aan. Kom terug naar boven of ik doe het…’ De trapleuning was beschadigd, wat mij het springen heel wat vergemakkelijken zou. Voor de deur beneden draaide ze zich nog een keer om, en toen ze me daar boven zag staan moet ze iets gevoeld hebben, moet het tot haar doorgedrongen zijn dat ik het meende. Op het moment dat ik zag dat ze aanstalten maakte om terug naar boven te komen, voelde ik een grote troost in mij opwellen en warme tranen begonnen over mijn wangen te rollen. Het was lang geleden dat ik nog zo bevredigend gehuild had. Bij het ontwaken was mijn gezicht helemaal vochtig.

Dat speelde zich een paar nachten geleden af.

Afgelopen nacht bevond ik mij in een vuile kamer. Vermoedelijk had er een feestje plaatsgevonden. De gasten hadden hun afval en stof laten rondslingeren. Mijn moeder, mijn broer en nog wat mensen zaten gezellig bij elkaar in de kamer ernaast. Ik werd ziek van het vuil, maar er was niemand die daar enige aandacht aan schonk. Van lieverlede begon ik dan zelf maar alles aan de kant te zetten en te stofzuigen. Dat maakte mij natuurlijk nog zieker. Wat het allemaal moeilijker maakte was een bepaald zelfmedelijden dat me parten speelde. Met het stofzuigen hield ik al snel op. Ik viel uit tegen mijn moeder: dat ze niets om me gaf, dat zij het was die me ziek had gemaakt, door me als baby te weinig te beschermen, te weinig te koesteren, te weinig liefde te geven. Ze bleef echter onverschillig. ‘Laat hem zijn stukje nog maar eens een keer opvoeren’ scheen ze te denken. Ik werd hoe langer hoe woedender, maar voelde tegelijk aan dat dat geen enkele zin had.

Ik was met A. en een aantal vrienden op reis, in een land dat op Marokko leek. Oogverblindende kleuren, sterke geuren van Noord-Afrika. Overal waren kraampjes met warm eten, drank, fruit. Het was de tijd van het ontbijt, het ogenblik van de dag waarop mijn honger het grootst is. Als ik dan niet op tijd iets in mijn maag krijg, word ik slap en ga ik moeilijk doen. Dat was nu niet anders. Mijn vrienden, zelfs A, die anders nooit ontbijt, hadden zich van allerlei lekkernijen voorzien. Op de een of andere manier had ik mijn kans gemist. Of was het omdat ik niets had gezien dat ik lekker vond? Misschien was ik wel bang voor bacteriën? We liepen door gangen, kamers, straten, over pleinen. Ik voelde me almaar zwakker worden, en bozer. Dit was toch wel bijzonder onrechtvaardig en wreed van mijn vrienden, en vooral van A, dat zij zich zo te goed deden aan hun lekkernij en mij honger lieten lijden. Ik maakte me boos op A, maar ze scheen mijn klachten niet te horen. Toen we op het strand kwamen moest ik meteen gaan zitten, ik kon geen stap meer zetten. A kwam naast me zitten en vroeg wat er aan de hand was. Gaf ze me een hap van haar broodje? Werd ik op die manier getroost?