ONDER DE MENSEN

washington square 001

 

Droomde dat ik in een hotelkamer in New York op een laptop zat te werken of gewoon maar wat te niksen. Opeens drong het tot me door dat daar buiten de stad New York zich uitstrekte. In mijn hoofd weerklonken de magische namen 5th Avenue, Flat Iron Building, Washington Square.
Een gevoel van verlies, van gemiste kansen maakte zich van me meester. Ik besefte dat ik dringend naar buiten moest, voor het te laat was. Niet op mijn kamer en nog minder op het scherm van mijn laptop was het te doen, maar buiten, op straat onder de mensen.

DOOR DE BOMEN HET GEDICHT

treesdownhere-1

Tijdens het kijken naar de korte documentaire Trees Down Here van Ben Rivers noteerde ik in het halfdonker deze woorden: ceder, iep, uil, slang. Maquette, gebouw, papier, potlood, contrapunt, sneeuw, tak, gras, raam, glas, steen, eikenhout.
Een kwartier later met de leeslamp aan noteerde ik in alle spoed de naam van de dichter – John Ashbery – van wie ik het gedicht Some Trees net had gehoord en de woorden a chorus of smiles.

Het filmgedicht Trees down here van Ben Rivers was voor mij een soort van openbaring. Opeens had ik weer zin gekregen in poëzie. Die zin was er namelijk al een hele tijd niet meer. Ik was gedichten vervelend gaan vinden. Nu en dan nam ik nog wel eens een dichtbundel uit het goed gevulde rek, maar meestal las ik er niet meer dan enkele regels in. Ze gaven mij geen plezier, ik begreep niet wat er stond. Elk gedicht leek een code te hebben die ik niet kon kraken. Elke dichtbundel was een museum met donkere geheimen en onontwarbare raadsels gevuld. Trees down here veranderde dat, veranderde mij.
In een droom die ik daarna had zei een vriend me dat hij tijdens een wandeling in de stad een mooi klein boekje van Friedrich Hölderlin in de etalage van een boekwinkel in de Bortiergalerij had zien liggen. Het vreemde was dat een andere vriend, mogelijk zijn dubbelganger, me dat net tevoren ook al had verteld. Maar wat is vreemd in een droom? Goed voor mijn collectie, zei ik. Maar niet meteen, want het woord collectie wilde me niet te binnen schieten.

Wat was er dan zo bijzonder aan Trees down here? Misschien de eenvoudige, heldere beelden? Als het ware essenties van de verschijnselen, Platonische ideeën. Niet helemaal want als je naar een goed gemaakte film kijkt, vergeet je dat je naar die film kijkt en zie je in zekere zin de verschijnselen zelf.
Er is echter meer dan die beelden en verschijnselen op zich. Ben Rivers toont ons in zijn onderzoek de tegenstelling tussen cultuur (of architectuur) en natuur. Meteen heft hij die tegenstelling weer op. De natuur dringt de cultuur binnen in de vorm van een slang. Een uil lijkt je een geheim te willen toevertrouwen. Het geheim van de poëzie? Zoals bij uilen meestal het geval is ziet ook deze er wijs uit. Wat je niet allemaal in zijn doordringende blik ontwaart! Het is echter onze eigen wereldse wijsheid die wij daarin zien. Terwijl we hem bekijken schrijven we met onze ogen al de eerste woorden van een gedicht of van een stukje proza. Ondertussen is er sneeuw gevallen op de ceders, de iepen, op de takken en het gras. Wit laat het zwart oplichten, wit verscherpt de contouren van het zichtbare. Is het echter meestal niet omgekeerd? Voor ik die vraag kan beantwoorden wordt als coda een gedicht van John Ashbery  uit 1948 voorgelezen: Some Trees.

Verduidelijken deze opmerkingen waarom een film van vijftien minuten mij weer zin heeft doen krijgen in gedichten? Ik geloof het niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Vooreerst zijn er de bomen. Zelfs los van mijn biografie, dat ik bijvoorbeeld als jongen een hele zomer in een boom doorbracht met niet meer dan een zwembroekje aan en dat ik daar, beschermd en verhuld door de nauwelijks bewegende bladeren, voor het eerst gevoelens had waarvan ik wat later ontdekte dat ze van erotische aard waren. Los daarvan ben ik teruggekeerd naar de bomen, niet vanwege mijn ego, niet vanwege een of ander verlangen naar voldoening, maar vanwege de bomen zelf [1]. Dit bezeten zijn van bomen is al enkele jaren aan de gang. Ik weet niet goed wat het is. Ik kan er nauwelijks over nadenken en erover schrijven valt me moeilijk. De voorbije weken had ik soms zin om één te worden met de bladeren van de bomen hier in de buurt. Alleen het woord boom al heeft iets magisch.
Mogelijk heeft Trees down here me duidelijk gemaakt dat elke boom een gedicht is. Een gedicht dat de aarde schrijft. Ik moet erover nadenken, erover dromen. Ik moet de gedichten van Hölderlin herlezen. En die van andere dichters. En om dit alles nog beter te begrijpen moet ik de andere dromen die ik na die over het boekje van Hölderlin had én over het stadje Sabaudia vertellen. Dat zal voor morgen of overmorgen zijn. Als in het grijze decemberlicht de bomen nog minder zichtbaar zullen zijn.

john ashbery en jane freilicher

[1] Onlangs las ik een interview met de begenadigde Amerikaanse auteur Richard Powers waaruit blijkt dat ook hij zich naar de bomen heeft gekeerd, zij het op een wat radicalere manier dan ik (zo meen ik te begrijpen). The Overstory (in het Nederlands Tot in de hemel), zijn roman van na die ommekeer, heb ik nog niet gelezen.

Afbeeldingen: Trees down here; John Ashbery & Jane Freilicher

ESPERANCE

jonge torless

In weerwil van het alles doordringende zonlicht las ik toch het verhaal ‘Espérance’ van Herman Broch en kon ik me zonder moeite in deze tekst, waar de geur van de dood in rondwaart, verplaatsen. Af en toe zag ik me op de pagina’s verschijnen, zoals in een droom tegelijk aanwezig en afwezig.

“Er viel een ogenblik stilte en het enige dat te horen was, was het dreunen van apenvuisten en het getokkel van mandolines. Toen klonk er een dompig gesis alsof de hele stad bestond uit papier en magnesium, een ontzaglijk witte vlam schoot omhoog, helder als daglicht, zo verblindend dat we nog maanden later pijn in onze ogen hadden.”

Het is inderdaad net alsof ik dit werkelijk heb gedroomd. Of eerder nog: ik zwierf echt door de straten van die verzonnen stad.

[Uit mijn dagboek, ongedateerd]
Afbeelding: Poolse poster voor Die Verwirrungen des Zöglings Törleß  (1966) van Volker Schlöndorff. Ontwerp van Kazimierz Krolikowski (1921-1994).

MEG BAIRD EN KURT VILE IN DE AB

kurt vile

Hebben jullie ook zo genoten van het concert van Kurt Vile, gisteren in de AB? Ik wel. Ik ben er zelfs vrolijk van geworden. Een paar danspasjes in het donker. Jammer dat het publiek nog volop aan het praten was tijdens de romantische en breekbare folk van Meg Baird en Mary Lattimore. Ik dacht, ik sluit de ogen en geef me als aan een droom over aan de geluiden van Meg’s stem, van haar gitaar, van Mary’s harp. Al gauw slenter ik over een zomers strand ergens in Engeland. De negentiende eeuw is maar net begonnen. Wat verderop zitten Shelley en Keats de zonsondergang te bewonderen.
Het lawaai van de mensen beneden was nu dat van de zee geworden. De golven grijs en blauw, witte meeuwen erboven. Meg Baird’s zachte hoge stem is in de natuur, in het grote geheel opgenomen. Het harpspel van Mary Lattimore een lichte bries. Ja, ik hoor nu de muziek die moeder aarde lang geleden toen wij mensen goed voor haar waren voortbracht.
En Kurt Vile? Kurt Vile is bescheiden en lief en speelt mooi gitaar. Hij kan er wat van! Veranderen wil hij wel, Skinny Mini, zegt hij, maar hij wil ook hetzelfde blijven. Hij is een van die kunstenaars die goed zijn in herhalen. Kurt heeft een grappige stem, een beetje die van een Flintstone of een andere mannelijke stripfiguur. Zijn teksten zijn ontwapenend. Ze dreigen te ontsporen, maar dat doen ze net niet. Onmogelijk Kurt Vile niet aan je hart te drukken. Kurt komt uit een gezin van tien kinderen en heeft geen universitair diploma. Mooi gedaan, Kurt!
(Hij is helemaal geen Kurt Weil, de wereld veranderen kan hij langs geen kanten. Vergeet dat maar. Je zal je tevreden moeten stellen met zijn wilde verbeelding.)

Meg-Baird-6-23

GRIJS

nostalghia1

De voorbije nacht had ik niet één vriend meer, alleen maar vijanden. Ze zaten achter me aan, ze wilden mijn dood. Op het moment van mijn grootste wanhoop en diepste verdriet kwam er een zachtaardige hond op me af. Ik zag meteen dat hij beter was dan alle mensen die ik als mijn vrienden had beschouwd. Voortaan bleef hij bij me, zodat ik mijn weg vond en niet meer alleen was. En zodat ik een uitweg vond uit de donkere nacht van deze ziel. Uit het eenzame labyrint van dit verdriet.

Dat is nu vijf jaar geleden. Het leven is gaandeweg opnieuw een avontuur geworden. Zelfs na de dagen op het kruispunt net voor het schaduwrijke woud, met zoveel mogelijkheden om de weg te verliezen. Met alleen maar een hond als metgezel, en niet eens een echte, maar een metafoor. Wie had het voor mogelijk gehouden? De kleur grijs is zoveel beter dan helemaal geen kleur.

Afbeelding: Andrej Tarkovski, Nostalghia, 1983.
[“Wanneer de Russische dichter Andrej Gortsjakov naar Italië reist om onderzoek te doen naar de 18e-eeuwse componist Pavel Sosnovski, krijgt hij een depressie uit heimwee naar zijn vaderland.”]

HOPE SANDOVAL, DE BLAUWE BLOEM

‘She Hangs Brightly’ van Mazzy Star was de allerlaatste vinylplaat die ik kocht. Het zou meteen een van mijn allermooiste muzikale ontdekkingen zijn, het begin van een donker-romantisch avontuur. Met dat kleinood in een plastic zakje van Music Mania stapte ik de platenwinkel uit, deed de deur achter me dicht en stond in de vuile straat. Brussel was in 1990 smerig en gevaarlijk, niet cool en funky en artistiek zoals nu. Ik mengde mij onder de grijze mensen die daar liepen en begaf me naar het Centraal Station, hongerig en koortsig van verlangen naar het onbekende dat op me wachtte. Ik had er geen idee van hoe Mazzy Star zou klinken, wist niets over Hope Sandoval, had haar stem nog niet gehoord, wist niet hoe ze eruitzag.

Ik heb altijd al van sterren gehouden. Niet van alle sterren, wees gerust, van sommige. Greta Garbo, Lucia Bosé, Monica Vitti, Nico, Françoise Hardy. Ze allemaal nog een keer opsommen lijkt me overbodig: hun namen vind je op veel plaatsen in deze geschriften terug. Vaak zie ik als in een roes hun gezichten voor me. Ze duiken op uit de mist in mijn hoofd, hun trekken winnen aan duidelijkheid. In wat zo van hen aan me verschijnt zie ik wat Roland Barthes de lyriek van de vrouw noemt. Straks, als ik weer thuis zou zijn in het appartement in de Lamorinièrestraat in Antwerpen, waar zonder dat ik hen zou zien de Sefardische joden voorbij zouden lopen, zou Hope Sandoval plaats nemen in dat pantheon van menselijke sterren, onbereikbaar en onontkoombaar.

Op het einde van de jaren tachtig deden platenwinkels overal in het land hun vinyl massaal van de hand. De muziekindustrie dwong muziekliefhebbers ertoe om op het cd-formaat over te schakelen. Op wie van vinyl hield werd voortaan neergekeken, vooral door jonge hipsters, die toen yuppies heetten. Je herkende ze aan hun dure sokken en stropdassen. Ik betreurde het verdwijnen van die mooie vorm. Ik had al zoveel jaren van vinyl, van singles, ep’s en elpees, genoten, van elk aspect ervan, tot de geur toe. Maar gaandeweg ging ik ook van de cd als muziekdrager houden. In het begin persten de platenmaatschappijen ons af door exorbitant hoge prijzen te vragen voor lelijke en slecht klinkende schijfjes. Maar al na enkele jaren klonken cd’s stukken beter dan dat vermaledijde vinyl, waar zo vaak iets mis mee was en dat vanaf de jaren tachtig van slechte kwaliteit was geweest. Er kwamen schitterende boxen uit, oude platen werden geremasterd en met bonustracks aangevuld. Bij de cd’s zaten boekjes met essays van muziekliefhebbers die ook nog eens konden schrijven. Er verschenen duizenden cd-versies van platen die al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar waren geweest. Onvoorstelbaar dat je nu al die albums van obscure psychedelische bands, van weinig bekende soulmuzikanten, zelfs van countryhelden als George Jones en Loretta Lynn kon vinden… Gouden dagen om muziek te (her)ontdekken.

Maar natuurlijk wist ik dat allemaal nog niet toen ik die allerlaatste vinylplaat aanschafte. En dat is goed zo, je moet niet altijd alles willen weten; zolang je maar niet ophoudt jezelf te leren kennen en te luisteren naar wat de andere mensen je te vertellen hebben. Ik was gewoonweg blij dat ik een mooie plaat gevonden had. Ja, ik was er zeker van dat het een mooie plaat was. Want ik kende de achtergrond wel. In de vroege jaren tachtig, toen popmuziek schel en synthetisch klonk (wat ik soms zelfs kon smaken, ‘Poison Arrow’ van ABC bijvoorbeeld), was in Los Angeles een nieuwe psychedelische beweging ontstaan. Van de narcotische folkrock van the Rain Parade was ik meteen weg. Hun muziek sloot aan bij Buffalo Springfield, the Byrds en Pink Floyd van ‘A Saucerful of Secrets’. Hun elpee ‘Emergency Third Rail Power Trip’ (1983) was een psychedelische tour de force, die me ook nu nog geregeld in vervoering brengt. The Rain Parade bestond uit Steven en David Roback, Matt Piucci, Will Glenn en Eddie Kalwa. David Roback verliet the Rain Parade al gauw en richtte met Kendra Smith (ex-Dream Syndicate) eerst Clay Allison op, een bandje dat kort daarna Opal zou heten. Opal bracht één uitstekend album uit, ‘Happy Nightmare Baby’ (1987), waarna Kendra Smith spoorloos verdween en Hope Sandoval haar plaats innam.
‘She Hangs Brightly’ is het debuut van Mazzy Star. De muziek die de band maakt wordt droompop genoemd, wat voor een keer een juiste omschrijving is. Het lijkt wel of de muzikanten al dromend – of toch wel zeker in een roes – hun instrumenten bespelen en terwijl je naar hun liedjes luistert begin je zelf ook te dromen. Drugs zijn daar niet eens voor nodig, het gaat vanzelf. De klanken die David Roback aan zijn gitaar ontlokt, lijken uit een andere, ijlere en tragere wereld in die van ons binnen te sijpelen. Hope Sandovals stem is het geluid van een fluwelen blauwe bloem. Of van de blauwe bloem van de Duitse romantische dichter Novalis. Eenzaamheid en droefheid hebben nooit zo mooi en verleidelijk geklonken als in ‘Halah’, de openingstrack van ‘She Hangs Brightly’.

hope 2Het is echter geen perfecte droom. Koude, weerbarstige elektriciteit ontregelt soms het sprookje. Het Velvet Underground-syndroom, met opalen toetsen. I never really wanted your heart, zingt Hope dan. Haast alle songs op de plaat zitten boordevol sinistere charme (woorden van Gina Arnold). Soms hoor ik kil en boos verlangen, soms alleen nog maar lethargie. Een bitter mysterie heeft akkoorden, een melodie, een bedwelmende stem gevonden. In de titelsong hoor ik het kermisachtige orgeltje van Ray Manzarek en David Roback verandert in Robbie Krieger, maar Hope Sandoval blijft de eeuwige vrouw, verleidelijk, pijnstillend, troostend. Gevaarlijk ook, als een borderliner: “I stay near the edge and waste my time.”
[Later ontdek ik dat ‘Blue Flower’ oorspronkelijk al in 1972 door de uitstekende Britse progressieve band Slapp Happy werd opgenomen. ‘Five String Serenade’, op ‘Among My Swan’ (1996) is dan weer een liedje van Arthur Lee, de poète maudit van de onvolprezen popgroep Love. Live verraste Hope Sandoval ons in 2002 op ‘Play With Fire’ van the Rolling Stones. Mazzy Star heeft ook goede smaak in het coveren van andermans materiaal.]
De voorkant van de hoes toont ons een ook al enigszins mysterieuze foto van een trappenhal in Art Deco-stijl. Dat interieur kwam mij bekend voor. Ik had het gevoel dat ik al eens in dat rijk geornamenteerde huis geweest was, op zoek naar een visum voor een of ander Oostblokland. Of was het slechts in een droom geweest? In de notities op de achterkant van de hoes vond ik geen informatie. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voor ik te weten kwam dat het de trappenhal is van Hotel Tassel, een prachtig gebouw van Victor Horta in de Paul-Emile Jansonlaan in Brussel.

hope sandoval by luz gallardo

In levenden lijve zou ik Hope Sandoval en Mazzy Star pas op 9 november 1996 ‘zien’ en horen, en nog wel in de Vaartkapoen te Molenbeek. Een nieuw mysterie diende zich aan: waarom trad de band in het donker op? Waarom mochten wij, volgelingen van Hope, die zo naar de zangeres hunkerden, haar schoonheid niet eens zien? Of toch maar een heel klein beetje, als wat donkerblauw licht een stukje van haar gezicht, van haar hand kronkelend aan de microfoon, onthulde. Was het sadisme? Was het om onze romantische droom niet aan te tasten? Op 7 september 2002 zag ik haar opnieuw, dit keer in de AB Club, in een wat minder donker donker, in net niet helemaal nachtelijk nachtblauw. Mazzy Star bestond toen niet langer. Een jaar eerder had de zangeres onder de naam Hope Sandoval & the Warm Inventions haar betoverende langspeelplaat ‘Bavarian Fruit Bread’ uitgebracht. Op die late nazomeravond was ze nog altijd even mysterieus, even langoureus; haar nachtelijke stem – die van de blauwe bloem – nog altijd even benevelend.

Twaalf jaar eerder in mijn Antwerpse avondland waar niets mij nog beviel, kon ik die eerste nacht met haar naam en haar ingebeeld beeld in mijn hoofd de slaap maar niet vatten. Tussen waken en dromen in lag ik daar in dat vreemde bed te verlangen naar de muziek geworden engel, Hope Sandoval. Het mooiste meisje van de wereld met de mooiste naam ooit door ouders aan een kind gegeven.

Tassel_House_stairway

Foto’s: Platenhoes, Martin Pulaski, 2018; Hope Sandoval live, Luz Gallardo, andere foto’s: fotograaf onbekend.

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (8)

Posada-bike-small_1.jpg

Dag 5: 6 november 2016

Omdat mijn tijd vaker versnelt dan vertraagt, omdat de werking van mijn geheugen aan dat tijdsverloop is gekoppeld, wil ik even terugkomen op deze reeks teksten die ik ‘Tien dagen die mijn wereld deden wankelen’ noemde.

De eerste dag schreef ik dit: “Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.” Dat was een nogal intuïtieve vooropstelling, maar ze blijkt nog niet aan inflatie onderhevig te zijn.

En ik voegde er dit aan toe: “Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.” Ook aan die woorden wens ik niets te wijzigen.

De tien dagen begonnen op de kalender op 2 november 2016. Allerzielen. Nu zijn we eenenveertig dagen later. Het mag inmiddels wel duidelijk wezen dat je een kroniek (of noem het verhaal, want er is nauwelijks verschil tussen fictie en non-fictie; het enige verschil, wellicht, is dat je bij fictie de namen van de personages en soms van de plaatsen verandert) niet op die manier kunt afbakenen in de tijd. Alleen al op 2 november 2016 zijn er tientallen, wellicht honderden ‘andere’ momenten – ik heb er geen idee van hoeveel – die tijdsgrens binnengedrongen. Momenten uit 1967, uit 1975, uit 2009, uit 2011, et cetera. Andere momenten die de wereld en mijn leven deden wankelen.
Maar een mens heeft imaginaire grenzen nodig, heeft een leidraad nodig, een structuur, een houvast. Vandaar die tien dagen. Die desondanks niet willekeurig gekozen zijn. We beleven ongetwijfeld een periode van voor onze generaties verontrustende veranderingen, van wereldschokkende gebeurtenissen, van bijna onbegrijpelijke chaos en van verwoestingen van ‘oude waarden’. Met die ‘oude waarden’ bedoel ik niet alleen moraal, politiek, geloof, manieren van samenleven, maar ook dorpen en steden, havens, kanalen en rivieren, heuvels en bergen, weilanden en velden, de hele natuur en de wereld zoals we haar tot vandaag kennen.

1957Alabama_bus.jpg

Ik droom dat ik op een vaste datum in de zomer, steeds op hetzelfde uur, elk jaar opnieuw met Laura in een gele autobus zit. We rijden elke keer door hetzelfde landschap, een dorpse omgeving – of eerder nog het gebied waar de stad overgaat in het platteland. Elke keer kijken we op hetzelfde moment door het enigszins vuile raam van de bus en zien daar bij een verkeerssignaal Laura staan wachten. Wil ze de straat oversteken of wacht ze op iemand? Of is ze in gedachten verzonken? Achter Laura zien we arbeidershuizen, die er elke keer als we er voorbijrijden anders uitzien. De kleur van de gevels, de grootte van de ramen, de gordijnen. Elk jaar zien ze er slechter uit, groezeliger, meer vervallen. Na een aantal ritten (of jaren) zijn de kleine huizen weg en staat er nieuwbouw. Maar het verkeerssignaal staat er nog altijd en ook Laura, die zelf niet verandert. De laatste rit voert ons naar een gigantisch grasveld, zo groen dat het pijn doet aan de ogen. Daar stappen we uit. Ver weg, ongeveer in het midden van het grasveld, zien we kleine rode stipjes, niet groter dan onzelievevrouwebeestjes (sommigen gewagen van lieveheersbeestjes; vroeger werden de diertjes ‘freyafugle’ genoemd, vogel van de godin Freya). We weten dat dat onze twee rode koffers zijn, waar we al lange tijd naar op zoek zijn. De koffers zijn open, zegt Laura. Ja, zeg ik, deze keer heb ik ze opgelaten. Waarom, vraagt Laura. Dat weet ik eigenlijk niet, zeg ik. Zo’n groot grasveld en dan die koffers openlaten, zegt Laura. Tsja, zeg ik.

tijd,geheugen,ruimte,gebeurtenissen,wereld,kalender,tien dagen,fictie,non-fictie,namen,personages,momenten,chaos,verwoestingen,droom,bus,laura,onzelievevrouwbeestjes,freya,herhaling,grasveld,koffers,rood,geel,robert musil,schrijver,hubert van herreweghen,dichter,kleuren,saudade,portugal,dood

Op 6 november 1880 werd in Klagenfurt Robert Musil, een van mijn uitverkoren schrijvers, geboren. Eergisteren overleed in Dilbeek de Vlaamse, katholieke dichter Hubert van Herreweghen. Dat vernam ik vandaag. En van hem vond ik deze woorden terug:
“Mijn kinderen hebben nooit geweten dat ik verzen schreef. Ik las mijn verzen niet hardop. Poëzie moet je in je horen. Het hele klankspel binnensmonds – met medeklinkers en zo – lijkt op kleuren. De zang maakt duidelijk hoe het in de ziel van de dichter toegaat. Over de zang van Anton van Wilderode heb ik ooit gezegd: drink eens een borrel, dat er wat leven inkomt. Het was al prikkeldraad en doornen waar je tegenaan schuurde. Schreeuwen tegen het bestaan – innerlijk althans – heb ik voor het laatst gedaan met mijn gedichten over Portugal (Van Herreweghen maakte er een reis in 1949, red.). Ik hoorde daar Amália Rodrigues, werd getroffen door de saudade (weemoed) van de fado en heb daar gedichten bij geschreven. Dat was pas schreeuwen: machteloze revolte. Er werd muziek op gezet.””*

aleppo.jpg

*Brussel Deze Week, 24 1 2008