DITA EN MARIUS OVER LITTLE RICHARD

Millie Small

Ring ring ring (ringtone)
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Je hebt het toch gehoord van Little Richard? De Quasar of rock, aldus zijn biograaf Charles White…
Marius: Hoe vertaal je dat eigenlijk, Quasar? Ach wat maakt het ook uit, dood is dood. Paul McCartney noemde hem one of the greatest kings. Wat een verlies, Dita. Samen met Chuck Berry was hij toch wel de grootste van allemaal, ook al was hij eerder klein van gestalte.
Dita: Een paar dagen geleden ontvielen ons ook al Florian Schneider en Millie Small.
Marius: Het is godgeklaagd. Zeg Dita, heb je al opgemerkt dat er een diepere verwantschap bestaat tussen Little Richard, Florian Schneider en Millie Small?
Dita: Bedoel je hun dada-achtige poëzie, hun repetitieve stijl?
Marius: Ja, dat bedoel ik. Luister maar eens naar Little Richards True Fine Mama. Dat pareltje is tekstueel niet veel meer dan dit: Honey, honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey, honey / Honey, honey, honey /Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey / Honey, honey, honey.
Dita: Perfect. En Autobahn van Kraftwerk dan, dat gaat zo: Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn / Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn
Marius: En dan hebben we My Boy Lollipop nog niet gehad:  Oh, my boy lollipop / Oh, my boy lollipop / My boy lollipop.
Dita: Tschernobyl, Harrisburgh / Sellafield, Hiroshima /Tschernobyl, Harrisburgh / Sellafield, Hiroshima.
Marius: Radioactivity… Hoe absurd. Ik zocht de tekst van Tutti Frutti.  Wat nu… Een nummer van Pat Boone, staat er. Kun je dat geloven? Pat Boone? Ze hadden er even goed Charlton Heston of Ben Hur van kunnen maken. Maar goed, de tekst ken je wel, denk ik. Die gaat zo:
A-bop-bop, a-loo-mop, a-lop-bop-bop / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / Tutti Frutti, all rootie / A-bop-bop, a-loo-mop, a-lop-bop-bop.
Dita: Geweldig, een van de indrukwekkendste dadagedichten ooit geschreven. Maar ik vraag me al heel lang af hoe je dat awopbop etcetera moet spellen. Bestaat daar consensus over, een draagvlak bedoel ik.
Marius: Dat kan ik je via de telefoon moeilijk verklappen. Ik stuur je wel een mailtje. Zelf baseer ik me op Nik Cohns onovertroffen boek Awopbopaloobop Alopbamboom: Pop From the Beginning, uit 1969. Ken je dat?
Dita: Wat dacht je, Marius? Over the Rolling Stones schreef hij “if they have any sense of neatness they’ll get themselves killed in an air crash, three days before their thirtieth birthdays.”
Marius: Dat geloof ik niet.
Dita: Dat ik dat uit het hoofd ken? Nee, ik heb het boekje hier niet zo toevallig liggen. Ik wilde nog eens nalezen wat Nik Cohn over Little Richard schrijft. Zo spel jij dus Awopbopaloobop Alopbamboom?
Marius: Ja. Dat is de eenvoudigste manier, vind ik. Zeg Dita, wat vind je van deze oefening in Dada: It’s not because the money you have is only chicken feed / It’s because I know I’m not the only chicken you feed / I don’t care if a boy has barely enough to feed me /I just wanta know that I’m the only chicken he feeds.
Dita: Van wie is dat?
Marius: Een single van Millie, maar wie de auteur is weet ik niet. Een kennis van me schreef naar aanleiding van haar dood nogal denigrerend over Millie. Hij vond dat de openbare omroep daar geen aandacht aan had moeten besteden.
Dita: Wat! Dat kan toch niet. Millie heeft ons destijds zoveel plezier bezorgd. Die kennis van jou zou toch moeten weten dat zij in de UK en ook bij ons de bluebeat heeft geïntroduceerd en op die manier een wegbereider voor ska en reggae is geweest.
Marius: Wind je maar niet zo op, Dita. Maar je hebt natuurlijk gelijk.
Dita: Wil die kennis dan nog wat meer sport op de openbare omroep? Fuck sporza, zeg.
Marius: Nee, de man is echt wel oké. Ik denk dat hij Millie niet goed kent. Dat is alles.
Dita: Weet je wat ik ook schitterend tekstregels vind? Niet helemaal dada, maar toch. Ze zijn van Big Joe Turner: Now flip, flop and fly / I don’t care if I die / Now flip, flop and fly / I don’t care if I die /Don’t ever leave me, don’t ever say goodbye.
Marius: Geweldig. Zullen we het hierbij laten, Dita? Ik wil graag nog wat in het boek van Charles White lezen.
Dita: En ik ga platen van Little Richard beluisteren. Las net dat zijn album The Rill Thing zo goed is. Het was een soort van comeback uit 1970 op Reprise.
Marius: Little Richard op het label van Frank Sinatra?
Dita: Dat is toch niet zo uitzonderlijk. Captain Beefheart zat daar toch ook een tijdje op?
Marius: Captain Beefheart! De allergrootste dadaïstische rocker… Alleen al Beatle bones and smokin’ Stones:  The dry sands fall /  The strawberry mouth; strawberry moth; strawberry caterpillar / Strawberry butterfly; strawberry fields / The winged eel slither on the heels of today’s children / Strawberry feels forever.
Dita: Wanneer zou onze favoriete wijnbar weer opengaan?
Marius: Het zal nog wel even duren maar ik kijk er naar uit. Mondmasker of geen mondmasker.
Dita: Halsreikend?
Marius: Halsreikend.

florian-schneider

little richard

JOHN PRINE IS DAN TOCH DOOD

sdr_vivi

De dood van John Prine was aangekondigd, maar tegen alle verwachtingen in waren we blijven hopen dat hij het zou halen. Toen ik vanmorgen het nieuws las in een bericht van Rosanne Cash was ik sprakeloos. We spreken sowieso al niet veel meer en als we dan toch iets zeggen gaat het maar al te vaak over de dood. Over het virus, over mondmaskers, over deurklinken en kraantjes ontsmetten. Beter zwijgen dan maar.
Nu sneed de dood nog dieper in het vlees. Ik had gisteravond al gelezen dat Hal Willner overleden was, en voor ik slapen ging keek ik nog een keer naar de hoes van Marianne Faithfulls ‘Strange Weather’. Om aan haar te denken heb ik ze op een ereplaats gezet. Zo’n mooie foto op die hoes. John Prines ‘Aimless Love’ heeft ook een ereplaats gekregen. Hal Willner is de producer van ‘Strange Weather,’ die sublieme elpee, maar dat was ik vergeten. Ik kende hem van de Nino Rota-hommage, ‘Amarcord  Nino Rota’ (1981), ‘Lost in the Stars: The Music of Kurt Weill (1985)’,  ‘Stay Awake: Various Interpretations of Music from Vintage Disney Films (1988)’ en ‘Rogue’s Gallery: Pirate Ballads, Sea Songs, and Chanteys (2006)’. Marianne Faithfull is sterk en zal het gevecht winnen, dacht ik nog voor ik het licht uitdeed.

Het lijkt erop dat dit het einde is van mijn generatie, en van ongeveer al mijn (anti)helden. En er waren er al zoveel dood, antwoordde ik op facebook op een empathische opmerking van mijn vriend Roen Hetzwoen. Op sociale media zie ik geliefde muzikanten met de moed der wanhoop liedjes zingen en spelen. Alsof hun leven ervan afhangt. Hun leven hangt ervan af. Al die gespannen ijver doet denken aan De vertellingen van Duizend-en-een-nacht en aan Decamerone van Giovanni Boccaccio.
Terwijl de Onzichtbare Vijand ons in bibberende wezentjes verandert – die nauwelijks nog weten waar ze vandaan komen, waar ze zijn en waar ze naartoe gaan – moeten we sterk zijn, volhouden, kalm blijven, mogen we de moed niet opgeven.

Over John Prine kan ik vandaag niets vertellen. Morgen evenmin, denk ik. Hij is dood en is vast al aangekomen in een door hemzelf met een lach en een traan verzonnen hilarische hemel. Als we zijn songs beluisteren kunnen we ons zonder veel moeite een beeld vormen van hoe die eruitziet.  Zijn eerste elpee, verschenen in 1971, was een nieuwe ster aan de hemel, een ster die altijd maar feller is gaan schijnen. Een monument voor John Prine oprichten is niet nodig: die langspeelplaat is al een monument. Daar bleef het niet bij. Mogelijk heeft hij dat meesterwerk nooit overtroffen, maar veel van zijn werk kwam toch dicht in de buurt. Veel van zijn ongeëvenaarde songs zullen nog lang voortleven, beluisterd en gezongen worden. Zolang er mensen zullen zijn. En honden.

Om het verdriet van mij af te schudden heb ik een chronologische lijst gemaakt van wat voor mij de mooiste songs van John Prine zijn.

Illegal Smile
Hello In There
Sam Stone
Paradise
Far From Me
Angel From Montgomery
Donald and Lydia
John Prine (1971)

Souvenirs
The Late John Garfield Blues
The Great Compromise
Diamonds in the Rough (1972)

Please Don’t Bury Me
Christmas In Prison
Dear Abby
Blue Umbrella
A Good Time
Sweet Revenge (1973)

Come Back To Us Barbara Lewis Hare Krishna Beauregard
He Was In Heaven Before He Died
Common Sense (1975)

Fish and Whistle
Sabu Visits the Twin Cities Alone
If You Don’t Want My Love
The Hobo Song
Bruised Orange (1978)

Down By The Side Of The Road
Automobile
Pink Cadillac (1979)

Slow Boat To China
Unwed Fathers
The Bottomless Lake
People Putting People Down
Somewhere Someone’s Falling In Love
Aimless Love (1984)

Speed of the Sound of Loneliness
Sailin’ Around
Linda Goes To Mars
Out of Love
German Afternoons (1986)

The Sins of Mephisto
All the Best
Jesus the Missing Years
The Missing Years (1991)

Lake Marie
Day’s Done
Same Thing Happened to Me
Lost Dogs and Mixed Blessings (1995)

In Spite of Ourselves
In Spite of Ourselves (1999)

Long Monday
Some Humans Ain’t Human
Crazy As a Loon
Safety Joe
Fair & Square (2005)

Knockin’ On Your Screen Door
I Have Met My Love Today
Egg & Daughter Nite, Lincoln Nebraska, 1967 (Crazy Bone)
Summer’s End
When I Get To Heaven
The Tree of Forgiveness (2018)

Foto: MP

 

SCHERVEN, TER HERINNERING

BRUSSEL 037

“Elke mens, hoe verschillend ook, heeft dezelfde bestemming. We leven met zijn allen in een eigen en in een gemeenschappelijk labyrint waar we een uitweg uit zoeken. Onderweg treffen wij talloos veel hindernissen aan, de ene al meer dan de andere. Maar als wij elkaar ’s avonds, na de dagtaak, ontmoeten vergeten we die dingen. Er is zo’n groot verschil tussen hoe we zijn als we alleen zijn in onze kamers en als we ons tussen onze soortgenoten begeven.” [1]

Dat schreef ik vorig jaar in november. Nu begeven we ons niet langer tussen onze soortgenoten. We blijven thuis en kijken door het raam. Gisteren maakte ik mijn laatste wandeling, hier in de buurt. De magnolia’s staan in bloei. In het Astridpark gaan de werken door. De arbeiders zitten hoog en zo te zien veilig op hun bulldozers en graafmachines.

Hoe lang zal deze afzondering duren? Hoe lang houden we het vol? En stel dat we het volhouden, lang volhouden als het moet, wat komt dan daarna? In wat voor een wereld zullen we dan leven? Alleen in onze kamers kunnen we onze twijfels en angsten onmogelijk vergeten en maar met heel veel moeite van ons afwerpen. Hoe vinden we nu nog een uitweg uit dat eigen labyrint waarover ik het in de notitie hierboven had?

Alles herinnert ons aan de ziekte. Waar we ook kijken (de lege straat), wat we ook zien (koppen op televisie, filmpersonages die elkaar aanraken, kussen, etc.) wat we ook horen (het nieuws op de radio, flarden songs, vogelgezang, één enkele verdwaalde auto), wat we ook voelen (hart, longen, ademhaling), wat we ook denken (te veel om op te sommen): alles herinnert ons aan de ziekte, aan zieke soortgenoten, lijdende mensen, alles herinnert ons aan de dood.

Hoe lang houden al die moedige mensen die de zieken verzorgen het vol? Wat gaat er in ze om? Hoe slapen ze? Wat weten wij in onze kamers daarvan? Betekenen het handgeklap en de witte lakens iets voor ze als ze een zieke bijstaan? Maar we moeten iets doen, dat wel, al is het maar om ons zelf voor te houden dat we geen gevoelloze wezens zijn. In onze steun, in onze aanmoedigingen, beseffen we hoe machteloos we zijn. Hoe nutteloos, vaak.

Zoals jij las ik dat in Bergamo in Lombardije de crematoria vierentwintig lijken per dag moeten ‘verwerken’. Mortuaria hebben geen ruimte meer over. In het Ponte San Pietro-ziekenhuis in Bergamo doet de fitnessruimte dienst als mortuarium. Zoals jij las ik dat in Bergamo dagelijks tussen de vijftig en zestig patiënten aan het coronavirus overlijden – gemiddeld één per half uur. Zoals jij las ik dat in het dorp Zogno, nabij Bergamo, de priester besloot “het gebruikelijke gebeier van zijn kerkklokken, dat hoort bij begrafenissen, terug te schroeven tot eenmaal daags. Anders zouden de klokken de hele dag luiden.”

Een ander fragment, ook uit november vorig jaar:

“Omdat de zon al op is ga ik nog even in ons tuintje naar de bloemen kijken. De calendula’s ontluiken, de reukerwten ook; de korenbloemen zijn haast uitgebloeid; de zonnebloemen, de azalea’s en de asters laten op zich wachten. Als ik daar zo sta te kijken overvalt mij weer zo’n ongewoon en zeldzaam intens gevoel. Het is de zon. Ik kijk omhoog. Daar is de hemel die ons allemaal met elkaar verbindt. And I become the other dreamers. De lucht blauwer dan ooit. Delicaat lichtblauw. Opeens zie ik de bloemen zoals ze werkelijk zijn, hun diepe, felle en toch ook zachte kleuren, hun wonderlijke vormen; gedichten van de aarde voor de hemel en de zon. Senga is inmiddels naar buiten gekomen en omhelst me nu. We kussen elkaar, ik ben gelukkig.” [2]

Wij hebben nu helemaal geen tuintje, alleen een terras met wat uitgebloeide geraniums. Maar dat geeft niet. Ik denk aan andere mensen, veel socialer dan ik, die in normale omstandigheden veel buitenkomen. Wat doen zij nu zonder dat drukke en vrolijke bestaan? Ik denk aan degenen die helemaal geen terras hebben. Degenen die alleen in een kleine flat wonen. Aan de mensen die niet eens een dak boven hun hoofd hebben. Het is koud vandaag. In Kroatië heeft de aarde gebeefd. Wie heeft er zin in verzen van Walt Whitman, die als hij droomde de andere dromers werd? Wie kan vergeten? Terwijl vandaag de lucht toch ook “blauwer dan ooit” is. Senga heet al heel lang weer Agnes. We willen elkaar wel graag kussen, denk ik, maar we doen het niet. We zijn niet gelukkig. Hoe zouden we gelukkig kunnen zijn in de donkerste tijd van ons, van jullie leven.

19-22 maart 2020

[1] Nachten aan de kant 9: Outside Of Society
[2] Nachten aan de kant 13: Van groot ongenoegen en geluk

AFSCHEID VAN DAVID ROBACK

david roback

David Roback is dood. Ik heb hem nooit gekend, nooit een noemenswaardig interview met hem, nooit een diepgravend artikel over hem gelezen. Het lijkt erop dat hij in woord noch beeld wilde worden gevat, dat hij op geen enkele manier in de belangstelling wilde staan. David Robacks leven is voor mij een mysterie en waarschijnlijk is dat voor veel mensen die van zijn muziek houden net zo. Daar is niets mis mee: goede muziek is goede muziek. Wat wij over de toevallige levensomstandigheden van een muzikant of componist – of van een kunstenaar in het algemeen – vernemen zou niets mogen veranderen aan onze appreciatie van hun creaties.

Het zal geen toeval zijn dat David Roback samenwerkte met vrouwen die veel meer in de kijker stonden dan hij, eerst Kendra Smith, daarna Hope Sandoval. Hoewel die twee merkwaardige zangeressen zelf ook een afkeer van schijnwerpers leken te hebben. Zo vonden de optredens van Mazzy Star, de meest populaire band van David Roback, vaak in het donker plaats. Mij overkwam het dat ik op 28 oktober 1993 in de VK in Molenbeek een concert van Mazzy Star bijwoonde zonder ook maar een glimp van de buitenaards mooie vocaliste en de begeleidende musici te kunnen opvangen. Een teleurstelling, omdat ik niet van tevoren wist dat zij in duisternis opereerden. Maar die omstandigheid ondermijnde niet de etherische schoonheid van hun songs, het wierp geen schaduw op het melancholieke gitaarspel van David Roback, verduisterde niet de sprookjesachtige tristesse van Hope Sandovals stem [1].

IMG_20200303_123911

Hoe heb ik de muziek van David Roback leren kennen? Vanaf de vroege jaren tachtig draaide ik op Radio Centraal in Antwerpen in mijn programma Shangri-La, samen met Pat G., diverse muziekgenres, gaande van alle vormen van blues en rhythm and blues, via soul en country tot psychedelica, acid rock en contemporaine gitaarrock. Hoewel Radio Centraal een underground-zender mag worden genoemd was zelfs classic rock voor ons geen taboe. (Waarom zou het ook? Wat is er mis met Reelin’ In The Years van Steely Dan, Midnight Rider van the Allman Brothers Band en Rock and Roll van Velvet Underground? ) Veel van de popmuziek van die dagen kon ons evenwel maar matig boeien. Te gepolijst, te oppervlakkig, te glitterachtig; wat ontbrak was de geest en de intensiteit van rock-‘n-roll. Veel toenmalige popsongs hadden maar één doel: zoveel mogelijk verkopen. De plaatjes dienden voor kortstondig vermaak, meer was er niet aan.

In 1983 en 1984 evenwel bereikten ons vanuit Californië de muzikale golven van wat we leerden kennen als de Paisley Underground. Doorgaans houd ik niet van dergelijke trefwoorden, maar Paisley Underground kon ermee door. Ook al omdat de bands die onder die noemer vielen tegen de tijdsgeest ingingen en teruggrepen naar een sound die voornamelijk bestond uit gitaar, orgel, bas, drums en harmonische samenzang. Ook de namen van de groepen bevielen ons zeer: Green On Red, the Rain Parade, Dream Syndicate, The Bangles, Three O’Clock, Long Ryders. Deze Californische bands speelden songs geïnspireerd door de psychedelische rock van de jaren zestig. Je hoorde de invloed van de vroege Pink Floyd, Buffalo Springfield, Velvet Underground, Love. Wij van Shangri-La waren er meteen weg van. Gelukkig had je in Antwerpen, op de Grote Markt nog wel, een platenwinkel bij wie we voor de platen van de Paisley Underground terecht konden: Brabo. Dat dat aanbod er was, was vooral te danken aan de diep betreurde Walter Geertsen, die een grote liefde voelde voor alles wat maar enigszins psychedelisch klonk.

rainparade1

Wie van de Paisley Underground-bands mijn bijzondere aandacht kreeg was the Rain Parade, een groep die wat ik narcotische folkrock noemde ten gehore bracht. Met een platenbon die ik van mijn vriend Wilfried voor mijn verjaardag kreeg, kocht ik bij Brabo Emergency Third Rail Power Trip [2], Het was een langspeelplaat die veel indruk maakte, een van de beste van dat verdoemde 1984. Bij songs als This Can’t Be Today, 1 HR ½ Ago, Carolyn’s Song  en What She’s Done To Your Mind kon je lekker wegdromen. Je werd high zonder drugs te hoeven nemen. Samen met zijn broer Steven (zang, bas) en Matt Piucci (zang, gitaar) schreef David Roback (zang, gitaar) het merendeel van de liedjes. Kort na dat debuut verliet hij the Rain Parade om zijn eigen nogal ondoorgrondelijke weg te gaan. We hoorden een tijd niets van hem maar dan kwam hij terug uit die vrijwillige ballingschap, eerst met een groepje dat Clay Allison [3] heette en korte tijd later de naam Opal kreeg. Kendra Smith, ex-Dream Syndicate bassiste, was de geweldige en zoals gezegd nogal mysterieuze zangeres van de groep. Hun album Happy Nightmare Baby verscheen in 1987 op SST. Een mooie rockplaat waar ik aanvankelijk helemaal weg van was, maar als ik ze nu beluister vind ik dat er toch wat te veel van T.Rex in zit. Hoewel de stem van Kendra Smith daar een nieuwe dimensie aan toevoegt. Eigenlijk houd ik meer van de in 1989 uitgebrachte collectie Early Recordings, waar Opal soberder, delicater klinkt. Dat houdt mogelijk verband met weer een andere zangeres, Suki Ewers, die op een aantal van de songs te horen valt.

Tussendoor was er nog een voortreffelijke langspeelplaat uitgebracht van de ‘supergroep’ Rainy Day. Daaraan werkten – of droomden – onder meer mee: Susanna Hoffs en Vicky Peterson van the Bangles, Michael Quercio van the Three O’Clock, Kendra Smith van the Dream Syndicate, Steven Roback van Rain Parade en het brein achter de plaat, David Roback. Het ging om een verzameling verstilde covers van sixties-classics, zoals I’ll Keep It With Mine (Bob Dylan), On the Way Home (Buffalo Springfield), Flying On The Ground is Wrong  (Buffalo Springfield), Rainy Day, Dream Away (Jimi Hendrix) en het wonderlijke Holocaust (van Big Star, in 1974 opgenomen, in 1978 uitgebracht). Chris Eckman schreef onlangs hoe deze elpee de oren van veel toen debuterende muzikanten heeft geopend. Velen van hen waren punks die nooit aandachtig naar Buffalo Springfield en the Byrds hadden geluisterd. Dat ze nu met deze muziek in aanraking kwamen was te danken aan de man in de schaduw, David Roback.

opal-1

Tijdens een tournee van Opal in 1987 liet Kendra Smith het opeens afweten. De folkzangeres Hope Sandoval nam haar plaats in en al gauw ontstond er een nieuwe groep: Mazzy Star. Hun eerste elpee She Hangs Brightly kwam uit in 1990. Het was een revelatie. David Roback had in Hope Sandoval zijn perfecte muzikale partner gevonden. Haar betoverende, droomachtige stem harmonieerde heel mooi met het psychedelische minimalisme van zijn gitaarspel. Het verhaal van die enigmatische elpee boordevol borderline-achtige frasen en kronkelende, donkere gitaarmotieven vertelde ik in mijn tekst ‘De blauwe bloem’. ‘She Hangs Brightly’ was, zoals je daar kunt lezen, de laatste vinylplaat die ik kocht. Tegelijk werd het een parel aan een van mijn twee kronen.

Het andere werk van Mazzy Star, So Tonight That I Might See (1993), Among My Swan (1996), Seasons Of Your Day (2013) en Still (ep, 2018), moest daar niet voor onderdoen. De songs van Hope Sandoval en David Roback zijn stuk voor stuk even tijdloos, even engelachtig erotisch, even dromerig en zacht: allemaal kerven ze genadeloos in de sterfelijke ziel van de melomaan.

Als je mij zou vragen, wat hoor jij nou het liefst van David Roback, dan zou ik eerst zeggen, ik weet het niet en vervolgens zijn (on)volledig werk nog eens beluisteren… Dat is wat ik de voorbije dagen deed. Ik probeerde niet te denken aan de tragische gebeurtenissen in Syrië, Turkije, Griekenland en elders in de wereld en me niet bang te laten maken door de massa’s nare tijdingen over de nieuwe epidemie. Ik luisterde, raakte in trance, voelde een mengeling van droefheid en geluk, vroeg me af hoe Hope Sandoval zich voelde en Davids broer Steven; ik luisterde nog meer, raakte in trance, probeerde te schrijven, deed er het zwijgen toe, in mijn hoofd en om mij heen decemberbloemen. Zo werd het maart 2020, ellendige, lege dagen, regen op Brussel, koude en stramme ledematen. Maar de troost van Taste Of Blood, Halah, Blue Flower, Be My Angel, Fade Into You, Blue Light, Into Dust, She’s My Baby, Disappear, Flowers In December, Take Everything, Look On Down From The Bridge, Spoon, In The Kingdom, Quiet The Winter Harbor, Still. Mijn antwoord op je vraag? Ik weet het nog altijd niet, vandaar deze opsomming.

IMG_20200226_150045

David Roback bereikte met Hope Sandoval en Mazzy Star een eenzame en ijle top dicht bij de sterren en ver weg van de menselijke beslommeringen. In 1990 vertelde hij al aan de Los Angeles Times dat hij kunst benaderde op een Rip Van Winkle-manier. Hij luisterde niet naar zijn tijdgenoten, was nooit op zoek naar een succesformule. Rolling Stone wist hem drie jaar later ook nog te ontfutselen dat je achter die lange periodes van stilte tussen het verschijnen van nieuw werk van Mazzy Star niets moest zoeken. Wij blijven muziek maken, maar dan wel voor onszelf, zei hij. “When I’m working on music with Hope, the person that’s foremost in my thoughts is Hope. We tend to get quite caught up in just the making of the music for ourselves.” De manier waarop David Roback omging met roem en succes mag voorbeeldig worden genoemd. Hij was een outsider maar geen heremiet in de Californische woestijn. David Roback was geliefd en maakte deel uit van een gemeenschap van andere outsiders, een groepje in het duister tastende enkelingen, dromers in de vallei van de schaduw van de dood. Ontroostbaar? Op weg waarnaartoe? Naar het blauwe licht? Het antwoord is de muziek.

[1] Setlist: Mary of Silence /  Ghost Highway / Rock Section (The Colors Out Of Time cover) /  Blue Flower (Slapp Happy cover) / Halah / Give You My Lovin’ / Ride It On / Into Dust / Flowers in December / Blue Light / She Hangs Brightly / Hair and Skin / So Tonight That I Might See

[2] In de VS al in 1983 uitgebracht, bij ons in 1984.

[3] Van Clay Allison kenden wij een hele tijd maar één nummer, een cover van Elizabeth Cottons Freight Train (terug te vinden op de mooie compilatie-elpee Don’t Shoot op Zippo).

Afbeeldingen: Foto David Roback, fotograaf onbekend (via Mazzy Star facebookpagina); binnenkant cd-boekje Mazzy Star, Among My Swan; The Rain Parade, Emergency Third Rail Power Trip; Opal, Happy Nightmare Baby; cds Opal, Mazzy Star en soundtrack van de film Clean van Olivier Assayas met Maggie Cheung en muziek van onder meer David Roback).

 

 

NAAR HET DONKERE LAND

1978-1980-AURORA 7 001b_edited2

Voor Neil Casal en Luc Deleu

Je had je ranke handen vol goud en de dood zat op je schouders.
Wil je voor ik ga nog iets van me kopen, vroeg je.
Je mandoline misschien, zei ik.
We keken elkaar nog even aan, je glimlach in een andere richting.
Hoe ontoereikend mijn laatste woorden, dacht ik.
Daarop keerde je me de rug toe en vertrok naar het donkere land.

Afbeelding: Luc Deleu, midden op de foto. Omstreeks 1980.

BRIAN JONES EN DE DOOD

IMG_20191011_124557

Op 3 juli 1969 stierf een van mijn grootste jeugdhelden, hoewel we in dat anti-tijdperk het woord ‘held’ niet gebruikten. Hoe noemden we iemand als Brian Jones dan wel? Hij was zeker geen idool. Aan idolatrie deden we evenmin. Voor mij was hij een verre vriend. Ondanks de afstand meende ik hem beter te kennen dan Jan, Henry of Luc. Wat een vergissing, achteraf gezien. Wist ik veel hoe erg het met Brian gesteld was. In welke mate drugs en ‘geneesmiddelen’ hem op die jonge leeftijd al hadden verwoest. Ik dacht dat hij van een astma-aanval was gestorven. In mijn donkerste ogenblikken ging ik ervan uit dat Mick Jagger en Keith Richards hem hadden vermoord of laten vermoorden. Dat was ook het uitgangspunt van een artikel dat ik een jaar of twee later voor Humo schreef. Niemand op de redactie geloofde mijn hysterische hypothese: mijn stuk werd niet gepubliceerd.
3 juli 1969 zal zeker een van die mooie zomerdagen geweest zijn waar ik me zo weinig van herinner omdat ik zo gelukkig was. Gedaan met de middelbare school, weg uit de hel van het Tongerse internaat. Eindelijk vrij, de wereld aan mijn voeten. Blankenberge, de Noordzee, aan de overkant Londen, dat nog even bleef swingen. Mijn langharige vrienden, the Scrub, the Pebbles. Take another little piece of my heart now baby, zongen ze.
Telkens als ik een sigaret opstak waarschuwde mijn Brusselse vriend Duduche me: als ik zo doorging zou ik het ook niet lang meer trekken. Zevenentwintig zou ik wel nooit worden. Tot ik dan eindelijk die leeftijd had bereikt heb ik zijn waarschuwing geloofd. Ik was immers een dubbelganger van Brian Jones… Wat hadden we dan zoal gemeen? We hadden allebei astma en we zagen graag meisjes, al dan niet blond.
In 1977, toen ik zevenentwintig was geworden, was punk onder ons. En boven ons en rondom ons. Geen tijd om aan de dood te denken, geen tijd om aan het verleden te denken – en zeker niet aan de toekomst. Forever now! En zo werd ik zesenvijftig. Tot 2 juni 2006 was ik er zeker van dat ik op die leeftijd zou sterven. Er gebeurde helemaal niets. Alleen had ik in die periode te kampen met een zware depressie.
Nu Brian vijftig jaar dood is ben ik negenenzestig, een eerder oude man. Ik ben nog steeds niet dood, al heeft het in 2011 niet veel gescheeld. Brian is al lang geen verre vriend meer (dacht ik even, wanhopig als ik soms ben). En mijn vrienden van vroeger zijn niet meer als toen, als ze nog in leven zijn, en ikzelf ben al helemaal niet meer als toen. Ik ben helaas zoals nu. Beter wordt het nooit.
Vanmorgen bij het ontbijt beluisterde ik enkele oude liedjes van the Rolling Stones. Hoe belachelijk vond ik opeens Tell Me en Heart of Stone. Infantiel, vond ik. Maar dan, toen ik op het terras de planten water stond te geven, hoorde ik Get Off My Cloud, één en al opwinding. Een nieuwe geboorte van rock & roll, een nieuw begin. Punk in 1966. Opnieuw zag ik Brian Jones, mijn verre vriend in Londen, grijnzen en nog eens aan zijn sigaret trekken en heel diep inhaleren. England’s dreaming, hoorde ik hem zuchten. Kom jongen, ik speel nog even wat slide voor je, wat denk je van Elmore James’ Make My Dreams Come True?

Afbeelding: Martin Pulaski

OP VOORSCHRIFT VAN DR. JOHN

dr john 5

De stem, de muziek, de songs en de persoonlijkheid van Malcolm John Rebennack, beter bekend als Mac en beroemd als Dr. John, bezitten voor mij en mijn vrienden en waarschijnlijk voor iedereen die van muziek houdt een magische, bijna bovennatuurlijke kracht en schoonheid. Wat ergens wel vreemd is want het ritme dat het leeuwendeel van Dr. Johns songs en van zijn beste albums zo veerkrachtig en aanstekelijk maakt is honderd procent van de aarde, van het lijf, van het kloppende hart. Maar als je daar even bij stilstaat is dat toch weer niet zo vreemd: aarde, lichaam en geest vormen een magisch geheel en muziek is transcendentie van de natuur in de mens. Een mooie vaststelling op deze dag van Pinksteren, al hoef je niet echt in de Heilige Geest te geloven, om door de grooves van Dr. John geroerd te worden (en als de sterren in de juiste constellatie staan, uit je verkrampt lichaam te treden en op te gaan in iets wat ons met elkaar en met het één-en-al – of  Ἓν καὶ Πᾶν in het Grieks – verbindt).
Overigens denk ik dat de dokter bij al deze metafysica eens flink zijn wenkbrauwen zou optrekken. Je hoeft mij ook helemaal niet te geloven. Luister gewoon naar zijn platen, in je luie zetel, in een donkere kamer, in de keuken, op een boot, in de trein, op de dansvloer, in de weide, boven op een berg of op het strand. Altijd zal geluk en betovering je deel worden. Je bent tenslotte een mens en een mens is vooral zwak. De allergrootste componisten en muzikanten kunnen je sterker en beter maken, kunnen je zelfs genezen. Malcolm Rebennack is een van die allergrootsten.  Dat schrijf ik in de tegenwoordige tijd.

Got many clients come from miles around, running down my prescription. I got my medicine, to cure all your ills. I got remedies of every description. Aldus Dr. John Creaux, die mij sinds 1968 tot zijn trouwe en gehoorzame cliënten mag rekenen. Dit is een lijst van de heilzame middelen die hij me sinds mijn achttiende verjaardag voorschreef:

Gris-Gris Gumbo Ya Ya
Danse Kalinda Ba Doom
Mama Roux
I Walk on Guilded Splinters
Gris-Gris (1968) (Atco, 33-234)

Glowin’
The Lonesome Guitar Strangler
Babylon (1969) (Atco, SD 33-270)

Loop Garoo
What Goes Around Comes Around
Remedies (1970) (Atco, SD 33-316)

Black John the Conqueror
Where Ya at Mule
The Sun, Moon & Herbs (1971) (Atco, SD 33-362)

Blow Wind Blow
Junko Partner
Dr. John’s Gumbo (1972) Atco, SD 7006)

Right Place Wrong Time
I Been Hoodood
Cold Cold
In the Right Place (1973) (Atco, SD 7018)

Quitters Never Win
Mos’ Scocious
(Everybody Wanna Get Rich) Rite Away
Desitively Bonnaroo (1974) (Atco, SD 7043)

Wild Honey
City Lights (1979) (Horizon/A&M, SP-732)

Mac’s Boogie
Saints
Dr. John Plays Mac Rebennack, Vol. 1 (1981) (Clean Cuts, 705)

Marie La Veau
Your Average Kind Of Guy
The Brightest Smile In Town (1983) (Clean Cuts, 707)

Black Night
In a Sentimental Mood (1989) (Warner Bros., 25889)

Milneburg Joys
Didn’t He Ramble
I’ll Be Glad When You’re Dead , You Rascal You
Cabbage Head
Goin’ Back to New Orleans (1992) (Warner Bros., 26940)

Television
Limbo
Witchy Red
Television (1994) (GRP/MCA, 4024)

There Must Be A Better World Somewhere
I’m Confessin’ That I Love You
Afterglow (1995) (Blue Thumb/GRP/MCA, 7000)

Voices In My Head
John Gris
I Don’t Wanna Know
Anutha Zone (1998) (Point Blank/Virgin/EMI, 46218)

I’m Gonna Go Fishin’
It Don’t Mean a Thing
Satin Doll
Duke Elegant (2000) (Blue Note/Parlophone/EMI, 23220)

Holdin Pattern’
Take What I Can Get
One 2 A.M. Too Many
Creole Moon (2001) (Blue Note/Parlophone/EMI, 34591)

Marie Laveau
Dis, Dat or D’Udda
Chickee Le Pas
I Ate Up the Apple Tree
Time Marches On
N’Awlinz: Dis Dat or d’Udda (2004) (Blue Note/Parlophone/EMI, 78602)

Calm in the Storm
Sippiana Hericane (2005) (Blue Note/Parlophone/EMI, 45687)

Locked Down
Revolution
Ice Age
Locked Down (2012) (Nonesuch/WEA, 530395)

Nobody Knows the Trouble I’ve Seen
When You’re Smiling (The Whole World Smiles With You)
Ske-Dat-De-Dat: The Spirit of Satch (2014) (Concord/UMe, 35187)

Bad Neighborhood – Ronnie & the Delinquents
Morgus the Magnificent – Morgus & the Ghouls
Storm Warning – Mac Rebennack
Good Times In New Orleans – 1958-1962 (Soul Jam, 2016)

Andere zaligmakende middelen laat ik voorlopig buiten beschouwing. Al hebben de brouwsels van  Mac’s collega’s en assistenten mij meermaals van een gewisse (zielen)dood gered. Daarvoor dank ik onder meer John Hammond Jr., Mike Bloomfield (Triumvirate), the Band, Levon Helm, Rickie Lee Jones (Makin’ Whoopee), Doug Sahm, Bob Dylan (Wallflower), the Rolling Stones (Exile On Main Street), Van Morrison (A Period of Transition), Ringo Starr, Jimmie Vaughn, Canned Heat, Leon Redbone, B.B. King, Willie Nelson, Snooks Eaglin, the Meters, Allen Toussaint, Greg Allman en David Bromberg.

You gotta pull together, go hand in hand. You really got to do your best.
Wouldn’t it be a perfect sight to see: the whole world filled with happiness.
Everybody let’s sing, sing, sing? (Let freedom ring)
(Everybody let’s sing, sing, sing?)
Let’s all pitch in to do our thing, make a better world to live in.
Earl King