DOOR DE BOMEN HET GEDICHT

treesdownhere-1

Tijdens het kijken naar de korte documentaire Trees Down Here van Ben Rivers noteerde ik in het halfdonker deze woorden: ceder, iep, uil, slang. Maquette, gebouw, papier, potlood, contrapunt, sneeuw, tak, gras, raam, glas, steen, eikenhout.
Een kwartier later met de leeslamp aan noteerde ik in alle spoed de naam van de dichter – John Ashbery – van wie ik het gedicht Some Trees net had gehoord en de woorden a chorus of smiles.

Het filmgedicht Trees down here van Ben Rivers was voor mij een soort van openbaring. Opeens had ik weer zin gekregen in poëzie. Die zin was er namelijk al een hele tijd niet meer. Ik was gedichten vervelend gaan vinden. Nu en dan nam ik nog wel eens een dichtbundel uit het goed gevulde rek, maar meestal las ik er niet meer dan enkele regels in. Ze gaven mij geen plezier, ik begreep niet wat er stond. Elk gedicht leek een code te hebben die ik niet kon kraken. Elke dichtbundel was een museum met donkere geheimen en onontwarbare raadsels gevuld. Trees down here veranderde dat, veranderde mij.
In een droom die ik daarna had zei een vriend me dat hij tijdens een wandeling in de stad een mooi klein boekje van Friedrich Hölderlin in de etalage van een boekwinkel in de Bortiergalerij had zien liggen. Het vreemde was dat een andere vriend, mogelijk zijn dubbelganger, me dat net tevoren ook al had verteld. Maar wat is vreemd in een droom? Goed voor mijn collectie, zei ik. Maar niet meteen, want het woord collectie wilde me niet te binnen schieten.

Wat was er dan zo bijzonder aan Trees down here? Misschien de eenvoudige, heldere beelden? Als het ware essenties van de verschijnselen, Platonische ideeën. Niet helemaal want als je naar een goed gemaakte film kijkt, vergeet je dat je naar die film kijkt en zie je in zekere zin de verschijnselen zelf.
Er is echter meer dan die beelden en verschijnselen op zich. Ben Rivers toont ons in zijn onderzoek de tegenstelling tussen cultuur (of architectuur) en natuur. Meteen heft hij die tegenstelling weer op. De natuur dringt de cultuur binnen in de vorm van een slang. Een uil lijkt je een geheim te willen toevertrouwen. Het geheim van de poëzie? Zoals bij uilen meestal het geval is ziet ook deze er wijs uit. Wat je niet allemaal in zijn doordringende blik ontwaart! Het is echter onze eigen wereldse wijsheid die wij daarin zien. Terwijl we hem bekijken schrijven we met onze ogen al de eerste woorden van een gedicht of van een stukje proza. Ondertussen is er sneeuw gevallen op de ceders, de iepen, op de takken en het gras. Wit laat het zwart oplichten, wit verscherpt de contouren van het zichtbare. Is het echter meestal niet omgekeerd? Voor ik die vraag kan beantwoorden wordt als coda een gedicht van John Ashbery  uit 1948 voorgelezen: Some Trees.

Verduidelijken deze opmerkingen waarom een film van vijftien minuten mij weer zin heeft doen krijgen in gedichten? Ik geloof het niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Vooreerst zijn er de bomen. Zelfs los van mijn biografie, dat ik bijvoorbeeld als jongen een hele zomer in een boom doorbracht met niet meer dan een zwembroekje aan en dat ik daar, beschermd en verhuld door de nauwelijks bewegende bladeren, voor het eerst gevoelens had waarvan ik wat later ontdekte dat ze van erotische aard waren. Los daarvan ben ik teruggekeerd naar de bomen, niet vanwege mijn ego, niet vanwege een of ander verlangen naar voldoening, maar vanwege de bomen zelf [1]. Dit bezeten zijn van bomen is al enkele jaren aan de gang. Ik weet niet goed wat het is. Ik kan er nauwelijks over nadenken en erover schrijven valt me moeilijk. De voorbije weken had ik soms zin om één te worden met de bladeren van de bomen hier in de buurt. Alleen het woord boom al heeft iets magisch.
Mogelijk heeft Trees down here me duidelijk gemaakt dat elke boom een gedicht is. Een gedicht dat de aarde schrijft. Ik moet erover nadenken, erover dromen. Ik moet de gedichten van Hölderlin herlezen. En die van andere dichters. En om dit alles nog beter te begrijpen moet ik de andere dromen die ik na die over het boekje van Hölderlin had én over het stadje Sabaudia vertellen. Dat zal voor morgen of overmorgen zijn. Als in het grijze decemberlicht de bomen nog minder zichtbaar zullen zijn.

john ashbery en jane freilicher

[1] Onlangs las ik een interview met de begenadigde Amerikaanse auteur Richard Powers waaruit blijkt dat ook hij zich naar de bomen heeft gekeerd, zij het op een wat radicalere manier dan ik (zo meen ik te begrijpen). The Overstory (in het Nederlands Tot in de hemel), zijn roman van na die ommekeer, heb ik nog niet gelezen.

Afbeeldingen: Trees down here; John Ashbery & Jane Freilicher

ESPERANCE

jonge torless

In weerwil van het alles doordringende zonlicht las ik toch het verhaal ‘Espérance’ van Herman Broch en kon ik me zonder moeite in deze tekst, waar de geur van de dood in rondwaart, verplaatsen. Af en toe zag ik me op de pagina’s verschijnen, zoals in een droom tegelijk aanwezig en afwezig.

“Er viel een ogenblik stilte en het enige dat te horen was, was het dreunen van apenvuisten en het getokkel van mandolines. Toen klonk er een dompig gesis alsof de hele stad bestond uit papier en magnesium, een ontzaglijk witte vlam schoot omhoog, helder als daglicht, zo verblindend dat we nog maanden later pijn in onze ogen hadden.”

Het is inderdaad net alsof ik dit werkelijk heb gedroomd. Of eerder nog: ik zwierf echt door de straten van die verzonnen stad.

[Uit mijn dagboek, ongedateerd]
Afbeelding: Poolse poster voor Die Verwirrungen des Zöglings Törleß  (1966) van Volker Schlöndorff. Ontwerp van Kazimierz Krolikowski (1921-1994).

EDGAR ALLAN POE DOOR DE OGEN VAN J.-K. HUYSMANS

edgar allan poe

In de literatuur was hij de eerste, die onder de zinnebeeldige titel The Imp Of the Perverse grote aandacht had geschonken aan de onweerstaanbare impulsen waaraan de wil, zonder ze te kennen, is blootgesteld en die door de hersenpathologie tegenwoordig met een grote mate van zekerheid verklaard kunnen worden. Hij was ook de eerste geweest, die algemene bekendheid had gegeven aan de neerdrukkende invloed van de angst op de wilsvermogens, zoals verdovende middelen de zintuigen verlammen en pijlgif de motorische zenuwcentra vernietigt. Hij had zich op dit onderwerp, op deze versuffing van de wil geconcentreerd; hij had de werkingen van dit morele gif geanalyseerd en de symptomen van het verloop ervan beschreven: zenuwstoornissen die met angstige onrust beginnen, in beklemming overgaan en tenslotte culmineren in een ontzetting die de wilsuitingen verlamt, zonder dat het intellect, hoewel aan het wankelen gebracht, verslapt.

J.-K. Huysmans, Tegen de keer.
Vertaald door Jan Siebelink

 

ARMOEDE EN DE RELIGIE VAN BOEKEN

400 coups

Veerle Bekkers, een trol met vele onzichtbare gezichten, schrijft me dat ik rijkdom niet belangrijk vind. Dat ik één keer minder op reis moet gaan en met het op die manier gespaarde geld een mens in armoede moet helpen. In mijn grote kamer waar nu alleen maar boeken staan voor mij alleen, schrijft ze, moet ik een dakloze te slapen leggen. Dat is toch mijn boodschap, voegt ze eraan toe.

Mijn pleidooi in het manifest waar ze commentaar op geeft, was er echter een voor broederschap, voor de wereld intrekken, letterlijk of figuurlijk, voor openheid. Opnieuw leren zien, horen, voelen. Een pleidooi dat impliciet ook te lezen valt in Rilkes Aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Ik schreef dat ik verlangde naar het neerhalen van muren en het openen van grenzen. Een muur is veel meer dan een stenen muur waar je niet door kunt; een grens is veel meer dan die tussen twee landen. Een grote kamer vol boeken is veel meer dan een grote kamer vol boeken, het is een droom, een toekomst opgebouwd uit woorden en zinnen, een nachtmerrie, een gevangenis, een zachte machine, een erotisch ballet, een taxi naar Timboektoe, een raket naar de maan en naar Venus.

Mijn pleidooi was er een voor gelijke rechten voor iedereen en overal. Ik voelde een sterk verlangen naar geluk voor alle mensen, overal. Voor me zag ik een visioen van vrede op aarde voor iedereen, mensen, dieren en planten. Ik betreurde de mogelijke ondergang van onze mooie wereld. Wat betekenen al onze bezittingen, onze rijkdom, ons aangenaam tijdverdrijven als daarbuiten – en binnenin onszelf – alles verwoest wordt? Ik schreef dat de meeste dingen die je thuis welvarend hebt vergaard niets voorstellen in vergelijking met een nacht van liefde onder heldere sterren.

Ik wilde helemaal geen autobiografische tekst schrijven en zeker geen rechtvaardiging voor wat ik doe en laat. Mevrouw Bekkers heeft mij er vroeger, onder andere namen, al van beschuldigd dat ik alleen maar over mezelf schrijf. Dat ik een narcist ben.
Nu zie ik mij genoodzaakt om toch enkele dingen te verklaren. Ik ben een groot deel van mijn leven arm geweest. Als je weet dat ik een schipperskind ben weet je eigenlijk al genoeg. Je moet heel hard vechten om aan die wereld te kunnen ontsnappen. Als je daar al zin in hebt. Als je zoals ik als kleine jongen de lokroep van het andere, in mijn geval van kunst en cultuur, hoort. De nieuwe wereld waar je in terechtkomt, die van kunst en cultuur, van o zo verfijnde mensen, is veel harder dan de oude, in mijn geval die van de binnenschippers. Je wordt er niet meteen toegelaten, wees daar maar zeker van. Talloos zijn de hindernissen op je levensweg, manieren om je uit te sluiten die de bourgeoisie sinds 1789 heeft bedacht. Schoenmaker blijf bij je leest, de appel valt niet ver van de boom, je weet wel. Ik ben vaak gevallen, af en toe weer opgestaan. Terug naar Reims, het boek van Didier Eribon dat nu zo in de belangstelling staat, vertelt veel over het parcours dat ik heb afgelegd. Over de uitsluiting, en over het triomfantelijk gevoel als de schone zielen je uiteindelijk aanvaarden. Eigenlijk heb ik dat triomfantelijk gevoel nooit gehad. Op zijn minst was het altijd gemengd. Ik heb me meestal vervreemd gevoeld van zowel de oude wereld, die van mijn ouders en van mijn broer, als van de nieuwe wereld, die van de stedelijke cultuur. Alleen als een dronken outlaw in bars en clubs voelde ik me met mezelf samenvallen.
Wat me sterkt heeft gemaakt – en gehouden – zijn boeken. Met boeken, met woorden van schrijvers en dichters heb ik rondom mij een wereld opgebouwd. Zij gaven uitleg bij wat mij in verwarring bracht, zij hielpen mij teleurstellingen en ontgoochelingen te verwerken en te boven te komen. Zij spraken me moed in, gaven me troost. Liefde voor boeken is een religie. Je kunt dat heel mooi zien in Les 400 coups van François Truffaut, als de jonge Antoine Doinel een altaartje bouwt voor zijn geliefde schrijver, Honoré de Balzac als ik me niet vergis. De boeken die mevrouw Bekkers zo verwenst zijn inderdaad ook materiële voorwerpen, maar tegelijk zijn ze immaterieel. In mijn ogen zijn ze heilig, een woord dat ik niet gauw gebruik, ik ben geen Allen Ginsberg. Samen met mijn muziekverzameling zijn de boeken mijn kerk. Ze zijn een onmisbaar deel van mijn existentie. Zonder boeken ga ik ten onder. Ik herken mij in veel van de dichters en schrijvers die zich hier rond mij verzameld hebben. Het is echter niet waar dat ik me er met huid en haar, op narcistische wijze, in terugvind. Ik zie mezelf avonturen beleven met Don Quichot, met Julien Sorel, met Geoffrey Firmin, Humbert Humbert, met de dubbelgangers van Borges. Als ik lees word ik een personage, een verzinsel. In boeken en hun verhalen, in de woorden en beelden van mooie gedichten, wis ik mezelf uit. Ik verdwijn uit mezelf zoals ik die ene keer toen ik opium gerookt had uit mezelf verdween. Met dit verschil dat ik van een roman of verhaal of gedicht nooit ziek geworden ben.

Het is absurd om mij ervan te beschuldigen dat ik hier in deze kamer waar mijn boeken staan geen dakloze te slapen leg. Ik ben oud en moe en al te vaak ziek. Lopen valt mij moeilijker met de dag. Ik ga mensen uit de weg omdat mijn geheugen erop achteruit gaat. Ik leef van een klein pensioen omdat ik geen volledige loopbaan heb. Ook dat is een gevolg van uitsluiting en de faalangst die daarmee samenhangt. Faalangst, existentiële onzekerheid. Ik lijd aan angst- en paniekaanvallen. Tegelijk houd ik van mensen, ben ik heel graag in hun omgeving. Ik kan niet zonder mijn vrienden. Ik kan niet leven zonder vriendschap. Ik ben gek op steden, wandelingen, ontmoetingen. Ik voel me leeg zonder de input van tentoonstellingen, concerten, films. Dat is de emotionele kant van het verhaal.

Hoe zit het met de rationele kant? Hoe zit het met armoede? Zijn wij als individuen verantwoordelijk voor onze armen? Zijn wij geen gemeenschap, hebben wij geen sociale zekerheid, hebben wij geen politici verkozen? Zijn er geen instellingen om armoede en andere maatschappelijke problemen aan te pakken? Willen wij niet zoals iedereen bijdragen aan het verbeteren van die instellingen? Willen wij als gemeenschap geen humane aanpak van de armoede en van de vluchtelingen in het Maximiliaanpark en elders?
Al heel lang, sinds ik Marx heb gelezen, ben ik tegen liefdadigheid. Liefdadigheid bestendigt armoede. Het is ook weer een vorm van uitsluiting en onderdrukking. Als er armoede is moet de samenleving veranderen, moeten de structuren veranderen. Dat kunnen wij niet als individu, als enkeling, als eenzame en toch empathische ziel. Niemand heeft het recht ons ervan te beschuldigen dat wij niet aan liefdadigheid doen.
(Overigens weet niemand of ik me wel zo streng aan die principes houd. Niemand weet of ik stiekem toch niet een beetje aan liefdadigheid doe. Je krijgt zoveel verzoeken voor dit of dat, dat je hart wel van steen moet zijn om niet af en toe gehoor te geven aan al die jammerklachten. Toch blijf ik ervan overtuigd dat een instelling als Artsen zonder grenzen, of welke andere vergelijkbare organisatie dan ook, de volledige financiële steun van de overheid zou moeten krijgen. Daarvoor dient ons belastinggeld. Mijn geld hoeft niet zo nodig naar de verstikkende ring rond Brussel te gaan. Maar daar beschuldigt me vooralsnog niemand van: dat ik via die belastingen mijn steentje bijdraag aan allerlei werken die de lucht verpestende auto’s de toegang tot deze stad vergemakkelijken.)

Maar wat voor zin hebben deze woorden nog? Iemand als mevrouw Bekkers wil alleen maar beschuldigen en beschadigen. Ik ben ermee gestopt me af te vragen waarom sommige mensen ervoor kiezen zo door de wereld te gaan. Ze moeten het zelf maar weten. Er is altijd een andere, een betere wereld.

Fahrenheit-451-don quichot

Afbeeldingen: Les 400 coups, François Truffaut; Fahrenheit 451, François Truffaut.

VAN DE WREEDHEID EN DE TROOST

puinvrouwen 1

Een van de weinige lezers van hoochiekoochie die af en toe nog commentaar geeft (het is ooit anders geweest) vond mijn beschouwingen van enkele dagen geleden over De roverbruidegom en Friedrich II wreed. Wat zeker het geval is. Waarom schrijf ik soms zulke naargeestige teksten? Het zou kunnen dat ik mezelf, en zo ook mijn lezers, gerust wil stellen. Dat de wrede wereld waar we nu in leven nog wel meevalt, dat de menselijke werkelijkheid vroeger veel erger, veel gruwelijker was.
Omdat ik zelf vond dat zoveel bloedvergieten in het echte leven (geschiedenis) en zoveel gruwelijks in een sprookje (verbeelding) nogal ver ging heb ik er op het einde het droomstukje in conversatievorm aan toegevoegd. Ik houd niet van horror in film en literatuur, al zijn er enkele uitzonderingen, waaronder The Shining van Stanley Kubrick en Sisters van Brian De Palma, en wil mij ook niet aan dat genre wagen. Maar bij het herlezen van mijn tekst vond ik de dialoog van de prins van Homburg en zijn geliefde Natalie een beetje artificieel. Die hele droomscène was er met de haren bijgesleept. Heinrich von Kleist komt wel vaker op de proppen als ik hem niet echt nodig heb. Je zou hem een obsessie kunnen noemen. Nu is hij mijn kroniek binnengeslopen omdat ik net een Italiaanse filmversie van zijn geniaal stuk had gezien, Il principe di Homburg van Marco Bellocchio, waarin de romantische droomwereld van Kleist en zijn personages waarheidsgetrouw wordt geëvoceerd. Een paar dagen eerder had ik voor het eerst de heel bijzondere film Deutschland, bleiche Mutter van Helma Sanders-Brahms gezien. Het toeval wil dat deze enigszins miskende regisseuse debuteerde met een biografie van Heinrich von Kleist én zijn verhaal Das Erdbeben in Chili verfilmde. Dat had ik als Kleist-bewonderaar moeten weten, maar ik wist het niet. Ik vond het vooral een mooi toeval. Twee films gekocht in Berlijn, allebei met een Kleist-connectie. Terwijl ik dit jaar niet eens zijn graf aan de Wannsee ben gaan bezoeken.
Maar je laten leiden door het toeval is niet altijd wenselijk. Als je ziek bent laat je je toch ook niet door het toeval leiden om de juiste arts te vinden? Je zou een tekst als een soort van ziekte kunnen beschouwen. Die heeft de juiste geneeswijze nodig, in dit geval is dat het einde. Er moet over nagedacht worden, gewikt en gewogen, gekozen.

homburg 3

Het einde behoorde de bomen van het volkspark in Friedrichshain toe. De meeste bomen daar zijn recent, de overgrote meerderheid werd tijdens de tweede wereldoorlog verwoest. Wat overbleef werd opgestookt tijdens de barkoude winters na de oorlog. Hetzelfde lot ondergingen de bomen van Tiergarten en andere Berlijnse parken en bossen. De dappere Trümmerfrauen [1] is het allang vergeven dat ze niet wilden doodvriezen. Ze stonden voor ongeveer alles alleen, hun mannen waren gedood aan het front of in krijgsgevangenschap afgevoerd.
De torens en bunkers die zich in het park bevonden werden opgeblazen, de gaten met puin gevuld en met aarde toegedekt. Het zijn nu heuvels, geschiedenisbergjes noem ik ze. Om eerlijk te zijn lijken de bomen helemaal niet op die van het bos dat ik me bij De Roverbruidegom voorstel. Maar zoals zoveel in Berlijn groeien ze op bloed doordrenkte grond. Als ik de geschiedenis laat rusten herinneren de heuvels mij vooral aan wat in de Maasvallei ‘de kip’ werd genoemd, de heuvels aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart, waar ik als kind zo vaak heb gespeeld en gedroomd. Ik was een romanticus lang voor ik wist wat dat woord betekende. Hele zomerdagen zat ik daar in de bomen met mijn pennenmes figuren te snijden uit boomschors en boeken van Alexandre Dumas en Victor Hugo te lezen. Zo reis ik in mijn gedachten van een eerder gruwelijke omgeving naar het pastorale landschap van mijn kinderjaren en vind ik tegelijk troost voor de verschrikkingen van deze tijd.

monte cristo dumas

[1] De puinruimsters worden ook getoond in Deutschland, bleiche Mutter. Helma Sanders-Brahms gebruikte voor haar film échte actualiteitsbeelden.

Afbeeldingen: Trümmerfrauen (puinruimsters); Il principe di Homburg van Marco Bellocchio; De graaf van Monte Cristo van Alexandre Dumas, een kopie van de uitgave die ik in een boom in Neerharen las.

DE ROVERBRUIDEGOM

deutschland bleiche mutter 5

Met onze broodjes terug naar het park op zoek naar een bank. Veel schoolkinderen en joggers, stedelingen op zoek naar frisse lucht, want ook Berlijn heeft te kampen met fijn stof en andere luchtvervuiling. We lopen door een heuvelachtig stuk van het park dat bijna op een bos lijkt. Een beetje op dat van De roverbruidegom. Na een korte afdaling vinden we eindelijk een plek waar we rustig onze broodjes kunnen opeten.
Recht voor me zie ik het standbeeld van Friedrich II. Geen sprookjesschrijver, die man. Hoewel bijvoorbeeld De roverbruidegom toch heel wreed is. Ja, ik heb het niet kunnen laten. Ik heb toch wat over die sprookjes van Jacob en Wilhelm Grimm opgezocht op mijn smartphone… Een van hun sprookjes, De roverbruidegom, heb ik zelfs helemaal gelezen. De roverbruidegom en zijn trawanten komen een huis midden in een donker bos binnen, alwaar de bruid zich verscholen heeft. Hun plan is de bruid op te eten, het water staat al te koken. Maar ze hebben een ander jong meisje meegebracht, het voorgerecht. “Ze lieten haar wijn drinken: drie glazen vol, een glas witte wijn, een glas rode wijn en een glas gele wijn, en daarvan brak haar hart. Toen rukten ze haar de mooie kleren af, legden haar op een tafel, hakten haar mooie lichaam aan stukken en strooiden er zout over.” [1]
Omdat ik toch al over de sprookjes van Grimm had zitten lezen heb ik Friedrich II ook maar eens opgezocht. Ergens in mijn achterhoofd zat de idee dat hij een verlichte vorst was, bevriend met Voltaire en Casanova en andere ‘grote mannen’. Het is heel goed mogelijk dat hij een verlichte heerser was, maar hij was net zo goed een bloeddorstige tiran.
Het verhaal van Friedrich II begint voortreffelijk. Als kind van soldatenkoning Friedrich Wilhelm I wilde hij niet met tinnen soldaatjes spelen maar liever met zijn zuster. In de barkoude Pruisische winters mocht de jonge Friedrich geen handschoenen dragen. Al gauw had hij genoeg van dat leven en vooral van de tirannie van zijn vader en probeerde naar Engeland te vluchten. Daarbij werd hij geholpen door zijn adjudant, Hans Hermann von Katte. De vluchtpoging mislukte. De achttienjarige Friedrich moest van zijn vader toekijken hoe zijn vriend von Katte voor zijn ogen onthoofd werd. Het lijk van de adjudant moest voor het raam van de jonge Friedrich blijven liggen. Roept deze scène geen herinneringen op aan Griekse tragedies, meer bepaald aan Antigone? En aan sommige toneelstukken van Heinrich von Kleist? Eenmaal koning nam Friedrich een aantal toe te juichen beslissingen: hij stelde godsdienstvrijheid in en schafte ondervraging met foltering af. Maar hij voerde ook oorlog met Frankrijk, Rusland en Oostenrijk. De Zevenjarige Oorlog kennen we nog uit de geschiedenisles. Na de slag bij Kunersdorf (nu Kunowice in Polen) op 12 augustus 1759 bleven er van zijn leger van 50.000 soldaten nog 3.000 over. De lange oorlog putte Pruisen volkomen uit. Op het einde ervan had een half miljoen soldaten en burgers, ongeveer tien procent van de bevolking, het leven verloren.
De lectuur van deze geschiedenis had mij in een droomtoestand gebracht. Was ik nu wel wakker? Waren deze bomen echt? Wie had mijn broodje opgegeten?
Hoe zit het, Arthur, ben je er nog, vroeg de vrouw die naast me op de bank zat.
Hoezo, vroeg ik. Wie ben jij?
Herken je me niet, ik ben toch Natalie, zei ze.
Natalie, de prinses van Oranien, vroeg ik. Maar je lijkt ook wel wat op Jeanne Moreau. En waarom noem je mij Arthur?
Ik houd niet zo van je andere voornaam, zei Natalie.
Nu begrijp ik het, zei ik, ik ben Friedrich Arthur von Homburg.
Eindelijk word je wakker uit je droom, zei Natalie. Zullen we eens de stad ingaan? Misschien is de rij bij ‘Wanderlust’ vandaag wat minder lang.
Laten we het hopen, zei ik.
Toen ik van de bank opstond was ik weer een gewone sterveling, een man met de vreemde naam Martin Pulaski. We liepen naar tram 4 die ons naar de Hackesche Markt zou brengen. Van daar was het nog een tiental minuten lopen tot aan de Alte Nationalgalerie. Ik was nu helemaal wakker. De gebroeders Grimm had ik weer diep in mijn onbewuste weggeduwd, waar ze thuishoorden. Friedrich II mocht hen daar gezelschap houden.

[Dit was het tweede deel van mijn avonturen in Volkspark Friedrichshain in Berlijn.]

 

[1] Weer thuis in Brussel zag ik de film ‘Deutschland, bleiche Mutter’, die ik in Berlijn bij Dussmann had gekocht. In dit verhaal over een moeder en haar dochtertje in Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog vertelt de moeder dit sprookje als ze door een verlaten huis dolen. Duitsland is dan al grotendeels verwoest. De vader is afwezig, want aan het front.
Waarom is de regisseuse van dit meesterwerk, Helma Sanders-Brahms, veel minder beroemd dan haar tijdgenoten Werner Herzog, Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders?

Foto: Deutschland, bleiche Mutter, Helma Sanders-Brahms, 1980.

EEN FRAGMENT UIT ULYSSES VAN ALFRED TENNYSON

alfred-tennyson-

Lezend in Een Odyssee van Daniel Mendelsohn werd ik herinnerd aan deze regels uit het beroemde gedicht Ulysses van Alfred Tennyson:

(…) Come, my friends,
‘T is not too late to seek a newer world.
Push off, and sitting well in order smite
The sounding furrows; for my purpose holds
To sail beyond the sunset, and the baths
Of all the western stars, until I die.
It may be that the gulfs will wash us down:
It may be we shall touch the Happy Isles,
And see the great Achilles, whom we knew.
Tho’ much is taken, much abides; and tho’
We are not now that strength which in old days
Moved earth and heaven, that which we are, we are;
One equal temper of heroic hearts,
Made weak by time and fate, but strong in will
To strive, to seek, to find, and not to yield.

Je blijft alleen maar écht leven als je niet zwicht, als je niet berust maar blijft zoeken, als je keer op keer vertrekt naar elders en zo lang mogelijk onderweg blijft. Als je je nestelt in je behaaglijke, vertrouwde omgeving word je een sufferd en is het figuurlijke en zelfs letterlijke einde nabij. Kom vrienden, het is niet te laat om nog een nieuwe wereld te vinden!