DE NAAM VAN DE MOORDENAAR

 

Het toilet van Bathseba

Ring ring ring (ringtone )…
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Zeg, weet jij nog hoe die moordenaar van Barnabas Shuttleworthy heet, ik geloof dat het zijn beste vriend was?
Marius: Wat een merkwaardige vraag, je kunt dat toch in een oogwenk in Wikipedia vinden…
Dita: Ik wilde het liever uit jouw mond horen, dat is zoveel echter. En om eerlijk te zijn: ik wilde dolgraag je stem nog een keer horen. Bovendien weet je toch ongeveer alles over Edgar Allan Poe?
Marius: Dat is lief van je, Dita. De moordenaar heet Charles Goodfellow. Schitterende vondst, zo’n naam voor een koelbloedige moordenaar, vind ik.
Dita: Ik herinner me wel nog het kistje Margaux dat Goodfellow na de dood van Barnabas Shuttleworthy ontvangt. Daar zit wel geen wijn in maar het stoffelijk overschot van zijn slachtoffer, reeds in staat van ontbinding. Met de bijbelse woorden “Jij bent de man!” beschuldigt hij  Goodfellow van de lafhartige moord. Je houdt het niet voor mogelijk dat een schrijver zoiets kan bedenken. En dan ook nog eens dat buikspreken!
Marius: Zo is het helemaal, Dita. “Jij bent de man!” is inderdaad een verwijzing naar een passage in de Bijbel, maar dat zal jij beter weten dan ik.
Dita: Misschien, Marius, misschien… Ik weet wel dat de uitspraak voorkomt in 2 Samuel 12. God stuurt de profeet Nathan naar Koning David. Die vertelt David de gelijkenis van de rijke man die een gast op bezoek krijgt. De rijkaard is te krenterig om voor de bereiding van de maaltijd een van zijn eigen geiten of schapen te gebruiken. Daarom neemt hij het enige lammetje van de arme man en zet dat de gast voor.
Marius: En David was zelf zo’n dader, niet?
Dita: Jazeker. Nathan zegt hem: Die man, dat bent u. David heeft namelijk Uria laten vermoorden en hem zijn vrouw Batsheba afgenomen. God is wel een bijzonder strenge rechter. David moet immers aanzien dat God zijn vrouwen aan een ander geeft, aan iemand van zijn eigen familie. Die zal met zijn vrouwen slapen bij klaarlichte dag.
Marius: In het verhaal van Edgar Allan Poe valt de moordenaar dood. Zou God daar ook voor iets tussen gezeten hebben?
Dita: Dat hebben we alleen maar het raden naar, niet, Marius? Ik heb intussen veel zin gekregen in zo’n glaasje Chateau Margaux. En jij?
Marius: We moeten daar zo gauw mogelijk werk van maken, Dita. Wat denk je van volgende week donderdag? Ken jij een geschikte wijnbar?
Dita: Niet zo meteen. Ik zal er eens naar uitkijken.
Marius: Toch niet in de Wikipedia?
Dita: Ha ha ha.

Afbeelding: Cornelis Cornelisz van Haarlem, Het toilet van Bathseba

VERMOEIDE STRIJDERS

 

enfant secret 2

Enkele dagen geleden zag  ik L’enfant secret van Philippe Garrel, een autobiografische film uit 1979 met Anne Wiazemsky, Henri de Maublanc, Elli Medeiros en Bambou. De soundtrack is van Faton Cahen, bekend of niet bekend van de Franse progressieve-rockband Magma. In L’enfant secret vertelt Garrel een liefdesverhaal gebaseerd op zijn relatie met de zangeres Nico. De titel verwijst naar het zoontje van Nico, Ari, dat door zijn vader, Alain Delon, nooit werd erkend.
Met Philippe Garrels filmstijl ben ik vertrouwd. Ik houd van zijn zwartwit, zijn lange stiltes, zijn trage camerabewegingen, zijn schaarse maar veelzeggende dialogen, zijn herhalingen. Zoals in al zijn films doen ook in L’enfant secret de acteurs en actrices aan underacting. Geen duidelijk zichtbare emoties bij de personages, wat niet belet dat je als toeschouwer toch met ze meevoelt. De film heeft vooral door zijn ritme en het vele donker een hypnose-effect. Je raakt bedwelmd: de kleine wereld die je op het scherm ziet en hoort wordt jouw eigen kleine wereld.

Het is mogelijk dat niet iedereen intimistische films als die van Philippe Garrel zo beleeft. Sommigen zullen zich ergeren aan de tegendraadsheid en de traagheid. Toen ik er gisteravond in het sprookjesachtige Warandepark met op de achtergrond de exotische muziek van de Feeërieën nog eens over nadacht besefte ik dat ik zelf ook in zo’n kleine wereld heb geleefd, en dat – in mindere mate – nog steeds doe. Een andere omgeving, een andere stijl, dat zeker, maar er zijn nogal wat overeenkomsten met die van de donkere setting waar Garrel ons mee naartoe neemt.
Aan het einde van de jaren zeventig en zeker in de jaren tachtig leefde ik net zo geïsoleerd, net zo opgesloten in mezelf en in de zelfgekozen microkosmos van verwante zielen. In zoverre we dat zelf al kunnen kiezen. Het was de nasleep van de tegencultuur. We waren vermoeide strijders die nooit hadden gestreden maar wel de oorlog verloren.
De muziek waar ik van hield hoorde je weinig op de radio (tenzij in het onvolprezen programma Domino, leerschool van heel wat muziekminnaars). Mijn favoriete films, die van Terrence Malick, Yasujiro Ozu, Shohei Imamura, de jonge Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Jacques Rivette en die van oude meesters als Friedrich Wilhelm Murnau, Jean Epstein en Robert Bresson, zag je alleen in cinefiele filmhuizen zoals Cartoon’s en Monty in Antwerpen en in het Brusselse Filmmuseum. Ik las geen bestsellers, geen boeken van bekende Nederlandse schrijvers (en van onbekende ook maar heel weinig). Wel ging mijn liefde naar romantische auteurs: Shelley, Keats en Kleist (die ik tot de romantici rekende). Ik had een grote bewondering voor Hölderlin en voor Antonin Artaud. Ik geloof dat ik maar één Nederlandse dichter las, H. H. ter Balkt alias Habakuk II de Balker, die ik als een Captain Beefheart van de Lage Landen beschouw(de). Mogelijk ben ik enkele dichters vergeten. Maar hoe het ook zij: ik verachtte het literaire wereldje van toen. Dat van de salons en boekenbeurzen en de praatprogramma’s (het bestaan waarvan ik pas in 1984, na aanschaf van een televisietoestel, ontdekte). Ik las geen kranten. Hoewel ik enkele kunstenaars als goede vrienden beschouwde interesseerde hedendaagse kunst me weinig. Ik liftte naar Firenze, Rome, Venetië en Padua om er de grote meesters uit de renaissance te bestuderen. De mooiste herinneringen heb ik aan een kort verblijf in Tübingen, en dan vooral aan mijn bezoek aan de toren waar Hölderlin de laatste zevenendertig jaar van zijn leven sleet. Hoewel de toren die er in 1979 stond niet meer de originele was, voelde ik er toch de aanwezigheid van de grote tragische dichter. Door een raam zag ik de Neckar stromen, dezelfde en toch niet dezelfde rivier die Hölderlin zo vaak zoveel troost had geschonken. Ja, grotendeels leefde ik in de negentiende eeuw en voor de rest in het boek The Romantic Agony [1] van Mario Praz, een tijdlang mijn literair-esthetische bijbel. Mijn kijk op de renaissance was negentiende-eeuws, de manier waarop ik naar muziek luisterde was dat vermoedelijk ook.
Op een dag echter gingen misdaadromans in mijn lezend leven ook een grote rol spelen . Hoe ik daartoe gekomen ben weet ik niet goed meer. Mogelijk kwam het door mijn vele gesprekken met mijn vriend Jos. Mogelijk raakte ik eraan verslingerd nadat ik de film Hammett van Wim Wenders had gezien. Voortaan vond ik het heerlijk om de hard-boiled romans van Dashiell Hammett, Raymond Chandler, Ross McDonald en vooral James Cain te lezen; een ware verrukking als ik een kater had. Wat later kwamen Sjöwall en Wahlöö het groepje misdaadverzinners vervoegen. Die had Jos mij aangeraden, dat weet ik wel zeker. In het begin aarzelde ik nog wat, onder meer omdat die twee schrijvers, een echtpaar, zulke rare namen hadden en ook wel omdat het zo’n lelijke Zwarte Beertjes waren. Maar zodra ik er één gelezen had volgde de rest.

Van alles wat ik hier heb opgesomd komt er zo goed als niets ter sprake in L’enfant secret. En toch, en toch is er die geestelijke verwantschap met Philippe Garrel – en met andere vergelijkbare kunstenaars. Ik denk dat gevoelens van afzondering, eenzaamheid en melancholie daar de grondtonen van zijn. Net als Philippe Garrel leefde ik in die tijd in een milieu waarin waanzin, psychiatrische instellingen, zelfmoord, amfetamine en morfine schering en inslag waren in de levens van sommige van mijn vrienden, de meest tragische van de vermoeide strijders tegen de toen heersende cultuur. Noem mijn generatie niet de generatie van vrijheid-blijheid. Als er al zoiets bestaat als mijn generatie. De deelgeneratie waar ik toe behoor zou je een nieuwe verloren generatie kunnen noemen, vergelijkbaar met die uit de jaren dertig, die van F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Ezra Pound. De meesten van ons waren beautiful losers. Maar ik ben een overlever, ook al verafschuw ik die uitdrukking en ook al voel ik me nog steeds nergens thuis.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

[1] Lezers die in die dagen geen Italiaans kenden moesten hun toevlucht zoeken tot de Engelse vertaling van wat oorspronkelijk ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Het boek werd later in het Nederlands vertaald als ‘Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’.

Afbeeldingen: Anne Wiazemsky en Henri de Maublanc in L’enfant secret; schrijver dezes en Agnes (toen Senga) omstreeks 1979.

REMCO CAMPERT IS NEGENTIG

remco-verjaardag 001

Op de afbeelding hierboven zie je het voorplat van Remco Camperts verhalenbundel ‘Hoe ik mijn verjaardag vierde’, verschenen bij De Bezige Bij in 1969. Vandaag viert de schrijver zijn negentigste verjaardag.
Hoewel het leven voor niemand van ons nog zo vurrukkulluk is als in de sixties (en Liesje al lang vertrokken is uit Lui Letterland) is het toch nog altijd een wonder en een lieve lust. Of om het filosofisch uit te drukken: zijn is altijd beter dan niet-zijn.

Gelukkige verjaardag, Remco Campert!

RemcoCampert1963

BOEKPRESENTATIE RETROSPECTIEF PAUL RIGAUMONT

61043323_841887392846895_1692937981934960640_n

Boekpresentatie en tentoonstelling morgen woensdag 22 mei om 19 uur, in Het Huis van de Mens, Sainctelettesquare 17 1000 Brussel.
Een eerste monografie in eigen beheer, nieuwe foto’s van het beeldend oeuvre, getuigenissen van Olga Rigaumont-Tanghe, Martin Pulaski (Matti Brouns) en Christian Van Haesendonck

Boekcompositie door Herman Houbrechts, hardcover, gebonden, 95pp, gedrukt in een oplage van 300, €35. Welkom!

 

DE BETOVERING VAN VIRGINIA WOOLF

vanessa bell - vw 1

Toen ik in 1971 filosofie ging studeren wist ik zo goed als niets, beweerde ik in een eerdere notitie. [1] Op de middelbare school had ik niets geleerd. Onlangs las ik in een interview met David Lynch dat hij over zijn schooljaren ongeveer hetzelfde denkt. Ongetwijfeld is hij niet de enige.
Met die uitspraak bedoelde ik dat ik niets wist wat waarde had voor het leven in al zijn facetten: zowel praktisch als intellectueel als erotisch als creatief. Laat mij van dat niets dan maar weinig maken, want zoals ik in vorige boekverhaaltjes al heb verteld, had ik wel al wat gelezen voor ik naar de universiteit ging. Ik kan me echter niet herinneren dat ik al boeken in het Engels had gelezen. Mogelijk was dat de reden waarom ik voor het keuzevak Engelse literatuur koos. Dat was een interessant vak, veel boeiender dan een aantal verplichte vakken, zoals psychologie en logica. We moesten dat jaar geloof ik vijf Engelstalige romans lezen. Ik kan ze mij niet allemaal meer herinneren; George Orwells ‘1984’ was er zeker bij. We bestudeerden verhalen uit de bundel ‘The Second Penguin Book of English Short Stories’. Mijn geheugen is niet meer zo goed om dat nog zo precies te weten: het boek ligt hier links naast mijn laptop. Zonder de pocket bij de hand zou ik me – ondanks dat geheugenverlies – zeker nog ‘The Road From Colonus’ van E.M. Forster, ‘Ivy Day in the Committee Room’ en ‘The Mark on the Wall’ van Virginia Woolf herinneren, drie sublieme korte verhalen van drie meester-schrijvers.
Een ware openbaring was ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf. Enkele bladzijden volstonden om mij voor altijd voor deze geniale schrijfster te winnen. Ook die Penguin Modern Classic heb ik hier nu binnen handbereik. Het boek, met op de cover een portret van Virginia Woolf door Vanessa Bell, de oudere zus van de schrijfster, roept meteen herinneringen op aan een gelukkig periode in mijn leven. Het toen nog vredige en romantische huis, vooral in mei als de seringen bloeiden, in de Visélaan in Watermaal-Bosvoorde; mijn mooie en vaak geestige vrouw V., die net als ik filosofie studeerde en eveneens Virginia Woolf las; mijn klein lief zoontje J.; onze lange wandelingen in het Terkamerenbos of in de buurt van de spoorweg tot aan het station van Watermaal, dat vanwege de schilderijen van Paul Delvaux nog altijd tot de verbeelding spreekt; de vele vrienden en medestudenten die dagelijks bij ons over de vloer kwamen; de intense, de verbeelding stimulerende gesprekken en discussies; de geur van de joints en Lucky Strikes die we rookten; de muziek van Johnny Winter, Rod Stewart, Derek and the Dominoes, Johnny Jenkins. En de boeken, de boeken.

virginia en leonard woolf 1912

Mrs. Dalloway betoverde me. De vertellende stem nam me mee naar een zachte wereld die tegelijk hard, zelfs wreed was. Tedere mensen konden elkaar opeens verscheuren. Sensuele en intellectuele personages in salons, getekend door de eerste wereldoorlog, praatten over Shakespeare en porselein en zelfmoord. Later, nadat ik T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ had gelezen, vatte ik de wereld van Mrs. Dalloway, van Virginia Woolf, samen in twee regels uit dat onvergetelijke gedicht:
In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

In ‘The Mark on the Wall’, verschenen in 1917, een vroeg voorbeeld van stream of consciousness, formuleerde Virginia Woolf, als we even de verteller laten samenvallen met de auteur, in zekere zin al haar missie: “I want to sink deeper and deeper, away from the surface, with its hard separate facts.” ‘Mrs. Dalloway’, verschenen in 1925, was het ingenieuze resultaat van die intentieverklaring.

Waarom vond ik de microkosmos van ‘Mrs Dalloway’ zo betoverend? Vanwege Virginia Woolfs Engels. Haar taalgebruik was rijk, suggestief, expressief en tegelijk impressionistisch. Vanwege controversiële gedachten en uitspraken van Clarissa Dalloway en de andere personages. Een mooi voorbeeld is dit:  “Fear no more the heat of the sun. She must go back to them. But what an extraordinary night! She felt somehow very like him – the young man who had killed himself. She felt glad he had done it; thrown it away while they went on living.” Je kunt iets dergelijks wel denken, maar spreek je het ook uit of schrijf je het neer? (Ik zou nu veel zinnen en paragrafen kunnen citeren. “Love destroyed too. Everything that was fine, everything that was true, went.” Maar lees liever het boek zelf, beste lezer.) Vanwege het spel met de tijd. De gebeurtenissen in Mrs Dalloway spelen zich af op één zomerse dag in Londen. Toch worden wij via de gedachten van het hoofdpersonage deelachtig aan gedenkwaardige momenten uit de levens van meerdere personages, aan hun momenten van geluk, mislukking, pijn, verdriet, euforie, aan hun gevoelens van liefde en haat, aan hun dromen – aan hun existentie (of Dasein, om het met Heidegger te zeggen.) En zeker ook vanwege dat tumultueuze, rijk geschakeerde, van geschiedenis verzadigde Londen. Ja, ook vanwege die échte ontdekking van Londen vond ik ‘Mrs Dalloway’ betoverend (en boeiender dan om het even welke reisgids).

Na de lectuur van ‘The Mark on the Wall’ en ‘Mrs Dalloway’ ging ik op zoek naar ander werk van Virginia Woolf. In de zomer van 1974 moest ik zes weken het bed houden vanwege hepatitis. In mijn herinnering zijn die stille dagen zonder enige beweging, terwijl buiten de zon de Visélaan, het Terkamerenbos, de campus van de VUB-ULB, het Zoniënwoud, en het hele noordelijk halfrond verlichtte, versmolten met de microkosmos van ‘To the Lighthouse’, een van de mooiste romans die ik ooit heb mogen lezen.
“When life sank down for a moment, the range of experience seemed limitless. And to everybody there was always this sense of limitless resources, she supposed (…). Beneath it is all dark, it is all spreading, it is unfathomably deep; but now and again we rise to the surface and that is what you see us by. Her horizon seemed to her limitless.” [2]

virginia woolf 2

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het zevende deel.
[2] To the Lighthouse, p. 72-73.
Afbeeldingen: Virginia Woolf door Vanessa Bell; Virginia en Leonard Woolf in 1912; Virginia Woolf, datum en fotograaf onbekend.

DE WRAAK VAN LUC TUYMANS, ETC.

kill bill uma thurman

Enkele opzienbarende uitspraken die ik aantrof in een interview [1] met Luc Tuymans.

Wraak

De visie van Luc Tuymans

“Er heeft bij mij altijd wel het idee van wraak meegespeeld. (…) Dat heeft met mijn jeugd te maken. Ik ben als kind zwaar gepest door de leerlingen van mijn klas. Ik heb altijd gedacht: jullie zullen nog wel zien. En daar ben ik nu mee bezig. Als je ouder wordt, is het belangrijk om je woede goed te beheersen. Maar woedend blijf ik. Milder of waardig ouder worden, is geen optie voor mij. Integendeel, ik word alleen nog woedender.”

jeff tweedy let's go

De visie van Jeff Tweedy

“I wanted to be me, punishing the popular kids with music. I wanted to publicly shame them, to shout at them in song, “How did you not realize when you looked down on me in school that I would become this famous and celebrated, singing song about how this small town couldn’t appreciate me and that’s why I left? Don’t you feel stupid now?”
It was a comforting fantasy as a preteen, but I’ve been disabused of the notion countless times over the years that music is in any way an effective means of revenge. The people in the crosshairs of my scorn, which I expected to respond with full-on biblical weeping and gnashing of teeth, didn’t care. Not only did they not feel punished by the song’s awesome and unforgiving power, they refused to recognize that my musical chastisement had been directed at them. They didn’t care in my third-grade class, and they didn’t care forty years later when we were all grown-ups and I had maybe accomplished enough to deserve a reaction beyond “Oh, you were that guy in French class that I never talked to.””

Sneakers

De visie van Luc Tuymans

“Dan komt er een tentoonstelling in Hongkong bij galerie David Zwirner. Maar die is uitgesteld tot maart 2020 omdat ik in mei aan mijn voet moet worden geopereerd. Er zijn ligamenten doorgescheurd, een gevolg van een aandoening die ik van mijn vader heb geërfd: platvoeten. Maar ik wilde me niet laten opereren vóór Venetië: ik zag het niet zitten om me in Venetië in een rolstoel te moeten verplaatsen. Dat is onmogelijk met al die bruggetjes. Daarom loop ik nu op sneakers, niet meteen een schoeisel dat ik normaal zou dragen. Maar zo is de pijn draaglijk.”

De visie van Andy Warhol

andy warhol

Misprijzen / Le mépris

De visie van Luc Tuymans

“Er zit iets megalomaans in die man [Curzio Malaparte, M.P.]. Zijn modernistische villa is gebruikt als setting voor de film Le Mépris die Jean-Luc Godard in 1963 maakte. Toen ik die onlangs opnieuw zag, was ik bijna gechoqueerd: dat soort epische film zal nooit meer gemaakt worden. De jonge Brigitte Bardot spreekt zinnen uit waar ze geen reet van snapte, de dialogen slaan nergens op maar de beelden zijn onvergetelijk. Daarna ben ik alles van Malaparte gaan lezen. La Pelle is zeker geen onvergetelijk boek. Kaputt is veel beter. De indrukwekkende schoorsteenmantel uit de villa van Malaparte heb ik geschilderd. Die hangt in de tentoonstelling.

le mepris 2

De visie van Martin Pulaski

“‘Le mépris’ van Jean-Luc Godard, een van de mooist in beeld gebrachte films ooit. (…) Een puzzel waarin Brigitte Bardot op haar mooist is, en voor een keer geloofwaardig, en Michel Piccoli op zijn elegantst en boordevol melancholie en onbegrip. Alles in technicolor-licht badend, zoals BB in de azuren zee. Maar de afwezigheid van de goden, even dood als de verstarde wereld van het profijt, de afgunst, de vernedering en het misprijzen. O, terugkeren naar Ithaka, naar Penelope, naar Telemachus, daar onder de olijfbomen rusten. Maar niets van dat alles: het eindigt met een crash.”

[1] Interview in Knack nr. 13 van 27 maart tot 2 april 2019

le mepris 1

NIETZSCHE ALS OPVOEDER

Friedrich-Nietzsche 5

Zodra ik naar de universiteit ging om er mij in filosofie te verdiepen, besefte ik dat ik mijn manier van lezen ernstiger en systematischer moest gaan aanpakken. [1] Op korte tijd probeerde ik zoveel mogelijk achterstand in te halen, niet alleen op gebied van wijsbegeerte maar ook van literatuur, poëzie, theater. Een aantal professoren, in de eerste plaats Leopold Flam, stimuleerden mij in mijn leeshonger en gaven mij een beter inzicht in wat essentiële boeken waren en wat bijkomstige of triviale. Ook tijdens gesprekken met vrienden en medestudenten ontdekte ik ‘nieuwe’ boeken en auteurs. (Het plezier in het triviale heb ik echter nooit opgegeven.)

Sinds mijn zesde levensjaar was ik vooral zoet geweest met stripverhalen en avonturenromans en was ik al gauw een dagdromer geworden. De ene dag was ik Buffalo Bill, de andere dag Sitting Bull, dan weer Ivanhoe, de Rode Ridder of Shane. Nadat ik de film Spartacus had gezien was ik, hoe kan het ook anders, zeker enkele weken lang Spartacus.
Ik las veel maar zonder systeem en zonder begeleiding. Mijn moeder had me leren lezen maar deed dat zelf nog maar nauwelijks. Het dagelijks leven als schippersvrouw eiste te veel van haar tijd en energie. In haar jeugd had ze vooral boeken van Abraham Hans gelezen, een schrijver van ongeveer honderdzeventig volksromans en massa’s kinderverhalen, en tevens journalist voor Het Laatste Nieuws en De Telegraaf. Mijn vader had nooit veel gelezen. Na de lagere school was hij in Eisden in de mijn gaan werken en daarna als scheepsknecht op binnenvaartschepen op de Zuid-Willemsvaart aan de slag gegaan, wat hij bleef doen tot hij mijn moeder ontmoette en zelfstandig schipper werd. In mijn kindertijd heb ik hem alleen oorlogsromans zien lezen en de krant Het Laatste Nieuws.
Omdat ik tot mijn achtste levensjaar meestal alleen was, kon niemand mij advies geven over wat ‘goede boeken’ en ‘slechte boeken’ waren. Mogelijk was dat een meevaller. Na de lagere school in het Kinderdorp Molenberg in de bossen van Rekem, waar ik voornamelijk Kuifje, Suske en Wiske, Nero en het tijdschrift Robbedoes las, belandde ik eerst in Eisden en daarna, voor de middelbare school, in Tongeren. Daarover had ik het al in eerdere teksten in deze reeks.

ecce homo - nietzsche 001

Een van de boeken die mijn eerste jaren aan de VUB het best markeren is Ecce Homo van Friedrich Nietzsche, al heeft hij uiteraard belangrijker werk geschreven, met name De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek, De vrolijke wetenschap, Voorbij goed en kwaad en Aldus sprak Zarathustra.
Het geloof in de eigen genialiteit, de grootheidswaanzin, de opgewonden stijl – eigenschappen die van Ecce Homo zo’n uitzonderlijk boek maken – vond ik als jonge, onzekere filosofiestudent vermetel en eigenlijk verrukkelijk. De toon van het werk riep herinneringen op aan Dali’s ‘Mijn leven als genie’ dat ik in mijn Tongerse periode had gelezen. De lectuur van Ecce Homo verrijkte mijn leven; ik besefte dat het niet altijd nodig is om bescheiden te zijn, wat gemakkelijker gezegd was dan gedaan. Voor Nietzsche echter was het kinderspel: op bijna elke pagina van Ecce Homo voerde hij bewijzen aan voor zijn uitmuntendheid, zijn aardse verhevenheid. Op elke pagina las je waarom hij zo wijs was, waarom hij zo knap was en waarom hij zulke goede boeken schreef.

Talloos zijn in Ecce Homo de metaforen waarin lucht en bergen, sneeuw, hygiëne, gezondheid voorkomen. Deze filosofische autobiografie gaf mij het gevoel dat ik zienderogen beter kon ademhalen, dat ik gezonder werd, sterker, beter opgewassen tegen de vele fratsen die het noodlot nog voor mij in petto had. Het mag duidelijk zijn: ik identificeerde mij met de verteller-held-filosoof. Mijn twijfels en onzekerheden smolten weg als op de allerwarmste zomerdagen sneeuw in de Alpen. Sils-Maria in het Zwitserse kanton Graubünden, waar Nietzsche van 1881 tot 1888 zijn zomers doorbracht, heeft voor mij nog steeds een magische klank. Altijd al heb ik er naartoe willen reizen maar het zal er waarschijnlijk nooit van komen: koekoeksklokken en koebellen houden mij op een veilige afstand.
Nu ik het toch over sneeuw heb: nooit zal ik vergeten wat Nietzsche in dit late werk over ziekte en ressentiment schrijft. Nietzsche was fysiek zwak en vaak ziek. De remedie daartegen was volgens hem wat hij Russisch fatalisme noemde, “dat fatalisme zonder wrok, waarmee de Russische soldaat, voor wie de veldtocht te zwaar wordt, ten slotte liggen gaat in de sneeuw.” [2] Het komt neer op het reduceren van de stofwisseling. Gevoelens van ressentiment branden je sneller op. Ergernis, dorst naar wraak, dat “gifschijten in alle betekenissen” is voor iemand die aan het einde van zijn krachten is de meest nadelige manier van redeneren. “Ressentiment is voor een zieke het taboe bij uitstek, voor zijn geval het Kwaad: maar helaas zijn meest natuurlijke neiging.” De ziel bevrijden van het ressentiment is de eerste stap op weg naar gezondheid, want dat affect is voor niemand nadeliger dan voor de zwakke en de zieke zelf.
Ecce Homo bevat overigens niet alleen gezondheids- en hygiënemetaforen, het boek geeft ook tips om gezond te leven. Wat te eten (geen vet), wat te drinken (geen alcohol, geen koffie, weinig – en zeker geen slappe – thee, veel bronwater) en wat te doen met je lijf en leden (veel bewegen). Zitvlees is een zonde tegen de heilige geest, aldus Nietzsche.
Ecce Homo is meteen ook een goede inleiding tot het werk van Nietzsche omdat hij er zijn boeken in samenvat en in een samenhangend geheel plaatst. Na de lectuur van dit kleine meesterwerk ben ik de Duitse filosoof blijven lezen, zij het met oplettendheid en voorzichtigheid, wat echt wel een vereiste is. Zijn herenmoraal is explosief materiaal, gevaarlijk voor de onbevangen en weinig kritische geest.
Van Nietzsche leerde ik het lichaam te koesteren. Ik besefte dat creativiteit samenhangt met lust en levensbeaming, dat een goede conditie een voorwaarde is om een (kunst)werk van lange adem tot een goed einde te brengen, dat dansen misschien wel de essentie van het leven is en dat je in alles geduld moet hebben, hoe onrustig je ‘van nature’ ook mag wezen.

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka, dichters en poëzie, en Knut Hamsun. Dit is het zesde deel.

[2] Citaten uit Friedrich Nietzsche, Ecce Homo. Hoe iemand wordt wat hij is. Vertaald door Pé Hawinkels. In de reeks Privé-Domein, 1969.

NIETZSCHE 1