NACHTEN AAN DE KANT 12: MARGOT VANDERSTRAETEN

Margot-Vanderstraeten-3-c-Tom-Van-Nuffel-

Hoe graag had ik gisteravond niet zelf met Margot Vanderstraeten zitten praten. Hoewel Thomas Vanderveken een intelligente en hoffelijke gesprekspartner is, was ik toch wat jaloers. Of was ik dat net omdat hij die kwaliteiten bezit? Ik had daar niet alleen zo graag met haar zitten converseren vanwege haar stralende glimlach, haar welbespraaktheid, haar vurige rode jurk. Nee, ik heb zo mijn heel bijzondere redenen – die pas gaandeweg tijdens het kijken naar Alleen Elvis blijft bestaan aan het licht zijn gekomen.

Een man die ouder wordt heeft wel eens met verwardheid te kampen, niet alle informatie dringt nog even goed tot hem door, wat wereldvreemdheid tot gevolg heeft – en zijn geheugen wordt slechter. Ik ben zo’n ouder wordende man. Je moet me maar aanvaarden zoals ik ben. De ellende is dat ik dat zelf ook moet doen. Nu ik erover nadenk besef ik dat ik altijd wereldvreemd ben geweest; zelfs als ik denk het reilen en zeilen van de wereld en de mensen te kennen ben ik dat nog. Een dromer en een vreemde in de vertrouwde wereld; een andere voor de onbekende anderen. Maar is niet iedereen op die manier wereldvreemd? You know how it feels, you understand / What it is to be a stranger / In this unfriendly land, zingt Bobby Bland, maar de blues waar die regels vandaan komen, Lead Me On, heeft andere, pijnlijkere connotaties dan alleen maar die van de zorgen die het ouder worden met zich meebrengen.

Over Margot Vanderstraeten zou ik het hebben. Op 14 november kreeg ik van mijn vriendin Deborah via Messenger een berichtje naar aanleiding van mijn reeks over het Pannenhuis en het nachtleven in Antwerpen in de periode van punk, post-punk en new wave. Vermoedelijk had ze gelezen dat ik de naam niet kende van het restaurant op het Hendrik Conscienceplein waar vroeger het Pannenhuis onderdak had. Ik vernam dat Louis De Vries de motor achter het café was geweest, dat het restaurant BOHM en berkel heet, wat ik een rare naam vond, en dat het wordt opengehouden door een zekere Margot Vanderstraeten en haar man. Deborah raadde me aan om er eens een keer voor een hapje of een drankje langs te gaan. Nu ik zo was ondergedompeld in de geschiedenis van het Pannenhuis was dat interessante informatie. Ik wist dat ik de naam Margot Vanderstraeten al eerder had gehoord, maar meer dan iets vaags riep hij niet op. Had ze geen programma op Radio Centraal, of was ze een schrijfster? Nee, ik zal haar verwarren met Griet Op de Beeck, dacht ik. Voor mij blijft een griet een vis maar in Antwerpen is het een vrouw, dat deelde ik al eens mee. Margot, Margot, Margot… Voorlopig liet ik haar rusten ergens in een donker hoekje onder mijn hersenpan. Zodra haar bedje was gespreid ging ik door met mijn dagtaak.

MARGUERITE YOURCENAR

Vanavond krijgt Alleen Elvis blijft bestaan een gast die een fragment met Bernard Pivot heeft gekozen, zei Agnes die soms Senga heet, gisteren tijdens de lunch zomaar opeens. Daar keken wij toch altijd naar vanaf dat wij ons eerste tv-toestel hadden, niet? Jazeker, zei ik, dat was in de Lamorinièrestraat. Ik herinner me dat nog alsof het gisteren was. Apostrophes heette dat onvolprezen boekenprogramma. Maar wat een ellendige tijd was dat. Alleen misdaadromans, sommige muziek en televisieprogramma’s brachten enig soelaas in dat appartement. En wijn, zei Agnes. Vergeet de seks niet, zei ik. Ik woonde ook wel graag zo midden in de Joodse gemeenschap, zei Agnes. Ja, zei ik, dat gaf je soms het gevoel ver weg in een andere cultuur ondergedompeld te zijn. Met zo’n gast zou Alleen Elvis blijft bestaan wel eens interessant kunnen worden, ging ik verder, weet je wie het is? Dat heb ik niet verstaan, zei Agnes. Ik zal eens in Focus kijken, zei ik, als het daar al in staat, ze zijn nogal karig met hun informatie. Het is Margot Vanderstraeten, ken jij die, vroeg ik. Nee, zei Agnes. Ik ook niet, maar de naam zegt me wel iets. Ze heeft een boek geschreven dat Mazzel Tov heet. Nu herinner ik me dat ik haar een keer op televisie heb gezien. Een boeiende vrouw, meen ik mij te herinneren. Maar waarom heb ik dat boek dan niet gelezen?

Tijd voor Alleen Elvis blijft bestaan en Margot Vanderstraeten. Charmante, intelligente vrouw, welbespraakt, in het rood, de kleur van mijn hart. Ik val in herhaling. Ze komt uit Zonhoven in Limburg en groeide op in de buurt van een cité. Die rijke microkosmos van arme immigranten uit Italië, Griekenland, Polen, Spanje, Marokko, de meesten van hen mijnwerkers. Dat was een eerste herkenningspunt: ik ben vertrouwd met een vergelijkbare omgeving in Eisden-cité, waar ik twee jaar op internaat heb doorgebracht. Ook ik heb in de klas gezeten met kinderen van mijnwerkers, hun ouders Italianen, Polen en Grieken. De periode daar heeft mijn horizon verruimd: geen wereldvreemdheid maar wereldopenheid is daar mijn deel geworden. Margot Vanderstraeten is al op jonge leeftijd op internaat Dostojewski en andere klassieke auteurs gaan lezen. Een tweede herkenningspunt. We begrepen lang niet alle betekenislagen van boeken als De gebroeders Karamazov, maar de lectuur ervan stimuleerde ons om op verkenning te gaan in de taal. We werden verliefd op onze taal, het Nederlands. Margot Vanderstraeten ging in Antwerpen wonen, in de Joodse wijk. Ik schreef al dat het niet gemakkelijk is om aanvaard te worden in de stad aan de Schelde. Om meer kansen te krijgen om in die proef te slagen kun je proberen je het Antwerpse dialect eigen te maken. Je kunt ook iets helemaal anders doen: Margot Vanderstraeten ging haar mooie Nederlandse taal cultiveren. Nog een herkenningspunt, al is mij dat lang niet zo goed gelukt.

eisden schippersschool

Pas op het einde van de talkshow, na een clip over meesterkok Jiri Ono, dringt het tot me door dat Margot Vanderstraeten de vrouw is waar Deborah me over heeft gemaild. Ik verneem dat zij en haar man het restaurant uitbaten in het pand waar vroeger het Pannenhuis was. Dat het BOHM en berkel heet.
Wat is er zo merkwaardig aan dit verhaal? Agnes en ik hebben in de vroege jaren tachtig, toen we trouwe kijkers waren van Apostrophes van Bernard Pivot en van het nooit overtroffen filmprogramma Cinéma Cinémas van Claude Ventura en Anne Andreu [1], gebabysit voor Deborah. Enkele jaren eerder verscheen op een avond in het Pannenhuis voor onze ogen voor het eerst Deborah’s moeder. Didi want zo heet zij was inderdaad een verschijning. Ik geloof dat wij allebei meteen verliefd op haar werden, al kan ik wat dat betreft alleen voor mezelf spreken. Zelfs al hadden wij reeds heel wat tegendraadse en non-conformistische meisjes en jongens gezien waren we diep onder de indruk. Geen van ons beiden durfde Didi aan te spreken, zo van slag waren we. Pas een hele tijd later, toen bleek dat Didi net als ik een programma maakte bij Radio Centraal, heeft Agnes in café Tom Tom contact met haar gezocht. We werden goede vrienden en dat zijn we gebleven.

1983oostduinkerke1983-1

Uit de Joodse buurt zijn we in 1991 vertrokken. Guillaume Bijl en Renée Strubbe woonden toen al lang niet meer in de Lange Leemstraat. Ik was blij dat ik weg was uit Antwerpen en vooral uit de Lamorinièrestraat, waar niet één boom groeide. Toch mis ik sommige dingen. Op vrijdagavond, de vooravond van de sabbat (erew sjabbat), als ik van het station van Berchem naar huis liep, vroeg een nieuwe bewoner van het appartement van Guillaume en Renée me soms om in de keuken het vuur uit- of aan te komen steken. Dan herkende ik niets meer van de plek waar ik zoveel mooie avonden met mijn vrienden had doorgebracht. Ondanks de droefheid die me daarbij overviel vond ik het toch een hele eer om – als buitenstaander – een minuutje bij die eeuwenoude Joodse plechtigheid aanwezig te mogen zijn.

lagereschool1

[1] En 1982, Pierre Desgraupes, alors directeur des programmes d’Antenne 2, décide de lancer une nouvelle émission consacrée au cinéma. Désireux de proposer un concept novateur, il confie le projet à Michel Boujut et lui donne une liberté totale. Ce dernier fait appel au réalisateur Claude Ventura et à la journaliste Anne Andreu.
En résulte une émission au style unique, à la mise en scène singulière, composée d’un assemblage hétéroclite de séquences et d’interviews intimistes qui n’hésite pas à laisser la place au silence. Il s’en dégage souvent un sentiment nostalgique, voire mélancolique.
La formule étant devenue dépassée pour les critères de l’époque, la diffusion devient de plus en plus erratique, jusqu’à son arrêt total en novembre 1991 après un ultime numéro consacré à Alfred Hitchcock.

Afbeeldingen: Margot Vanderstraeten door Tom Van Nuffel; Marguerite Yourcenar; Home voor Schipperskinderen, Eisden cité; Met Senga en Harobed in Oostduinkerke, 1983 (?); Lagere School, Eisden cité, circa 1962.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 6: WERELDVERBETERAARS?

under the volcana

Om het inner sanctum van Cinderella’s Ballroom te bereiken moest je een aantal hindernissen nemen. Eerst moest je een vervaarlijk uitziende buitenwipper passeren, het was belangrijk dat je die te vriend hield, vervolgens moest je een nogal gladde en weinig verlichte trap af. Noem het maar een afdaling in het inferno, waar evenwel de extase in het verschiet lag. Je mocht vooral niet te vroeg komen, zeker niet voor middernacht want dan stapte je een koude, vochtige en nogal lege kelder binnen. Het waren pas de muziek van DJ Maryse en de dansers – die omstreeks één uur binnenstrompelden en er voorlopig nog een beetje als living dead uitzagen maar al gauw tot leven werden gewekt – die de hel in een kortstondig, vurig paradijs veranderden. Een paradijs dat wij zo lang mogelijk wilden laten duren. Wie zou dat niet willen?

Het Pannenhuis, dat was van licht gemaakt. Je stapte binnen door een eenvoudige deur en je was vrij van beslommeringen, van zwaarte. De tijd kwam een tijdje tot stilstand. Ik kan me er geen ernstige ruzie of een handgemeen herinneren. Het tijdperk van de hippies was definitief voorbij, dit waren zonder twijfel andere tijden: de late jaren zeventig betekenden crisis, armoede, werkloosheid, opkomend individualisme. En toch was het Pannenhuis doordrongen van een lieve, zachtaardige sfeer, of hoe zal ik het noemen? Mogelijk was er toch iets van de spirit van de idealistisch experimenterende jongens van Pink Floyd blijven hangen, van A Saucerful of Secrets? Zoals in Remember a Day van Richard Wright, de toetsenspeler van de band.

Remember a day before today
A day when you were young.
Free to play alone with time
Evening never comes.
Sing a song that can’t be sung
Without the morning’s kiss
Queen, you shall be it if you wish
Look for your king
Why can’t we play today
Why can’t we stay that way

Thomas-Bernhard-Vienna-Photograph-1970

Op een late middag zat ik aan de toog. Ik raakte aan de praat met Brigitte van Cleynenbrogel. Ik weet niet meer heel precies waar ons gesprek over ging, wel dat het meisje me opviel als iemand met karakter. We hadden het zeker over boeken en schrijvers. Brigitte raadde me Thomas Bernhard aan, een Oostenrijkse schrijver waar ik nooit van gehoord had. De enige hedendaagse Oostenrijkse schrijver die ik kende was Peter Handke. Brigitte had van Bernhard De kalkfabriek bij. Ze had het boek uit, ik mocht het hebben. Het begon zo:
Maar in plaats dat ik tijdens dat op en neer lopen aan de studie denk, schijnt hij tegen Wieser gezegd te hebben, tel ik mijn stappen en word daardoor half gek.
Ik was er meteen weg van. Zo leerde ik die heel bijzondere en voor mij invloedrijke romanschrijver en toneelauteur kennen. En niet alleen voor mij invloedrijk. Onder meer van De wereldverbeteraar, Het jachtgezelschap, Ritter, Dene, Voss en Alles is rustig zag ik boeiende voorstellingen. Toneelgroep Stan heeft zich zo’n beetje in het werk van de pessimistische Oostenrijker gespecialiseerd.

don't look now 1

Na een nacht in de Cinderella nodigde Brigitte ons een keer uit in haar nogal apart appartement. Lag de vloer niet met scherven van spiegels bezaaid? Dronken we niet het ene glas volle, ijskoude melk na het andere? Een jaar of twee, drie later zou ik vaststellen dat mijn nieuw vriend, Patje, met wie ik van 1983 tot 1991 het radioprogramma Shangri-La maakte, en zijn vriend Dédé in diezelfde flat woonden, nu zonder spiegelglas en zonder melk. Brigitte was een vriendin van Gabriëlla (iedereen noemde haar Bie). Dat ontdekte ik wat later, tijdens een voorstelling van de gedenkwaardige film Don’t Look Now van Nicolas Roeg in het Filmhuis, een zaaltje vlakbij de Stadswaag, waar ook Cinderella’s Ballroom was gevestigd en waar we wat later zelf met ons Aurora-clubje poëzieavonden zouden organiseren. Ik weet niet wat er met Brigitte is gebeurd. Ik heb haar nooit meer teruggezien. Opeens was ze verdwenen. Is ze niet in een commune ergens in de Kempen gaan wonen? Met Gabriëlla gaat alles goed, denk ik. Elkaar terugzien wil evenwel niet lukken. Zij en haar toenmalige vriend Max Borka woonden een poos in een appartement tegenover ons in de Lamorinièrestraat, waarnaartoe wij vanuit de Dolfijnstraat met spijt in het hart waren verhuisd. We kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Zeker toen Max – die toen nog Frank heette – en ik op Radio Centraal in 1982 datzelfde programma Shangri-La gingen maken.

In het Pannenhuis had ik met Max lange gesprekken. Vaak gingen die over Malcolm Lowry en zijn hoofdwerk, Under the Volcano, het verhaal van Geoffrey Firmin, een aan alcohol verslaafde Britse consul in het Mexicaanse stadje Cuernavaca. De roman speelt zich af op de Dag van de Doden in 1938-1939. Terwijl je leest lijken uit de bladzijden van het boek walmen van mescal en tequila op te stijgen. Als ik Under the Volcano nu zie staan denk ik altijd aan Peter Lorre en aan Richard Burton. Dat heeft zo zijn redenen, die ik later wel eens uit de doeken zal doen. In 1979 overleed het kolerieke jazzgenie Charles Mingus in Cuernavaca terwijl hij zich daar voor ALS liet behandelen. In 1988 was het de beurt aan Gil Evans, bekend van zijn samenwerking met Miles Davis, onder meer voor het sublieme album Sketches of Spain.
Max kon met vuur over Malcolm Lowry vertellen en wist er veel over: hij had zijn licentiaatsthesis aan de Britse schrijver gewijd. Tijdens die gesprekken dronken we waarschijnlijk niet even veel als de Consul maar ik denk dat we toch in de buurt kwamen. Nog een laatste, zeiden we dan, en morgen doen we het rustiger aan. We moeten tenslotte ook schrijven. Ons levenswerk dwingt ons tot enige soberheid. Of zouden we er niet beter helemaal mee stoppen? Nog een laatste dan maar.

max en bie 2

Afbeeldingen: Albert Finney in Under the Volcano van John Huston; Thomas Bernhard; Don’t Look Now van Nicolas Roeg; Max en Bie in het dakappartement aan de Lamorinièrestraat, omstreeks 1980.

DE NAAM VAN DE MOORDENAAR

 

Het toilet van Bathseba

Ring ring ring (ringtone )…
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Zeg, weet jij nog hoe die moordenaar van Barnabas Shuttleworthy heet, ik geloof dat het zijn beste vriend was?
Marius: Wat een merkwaardige vraag, je kunt dat toch in een oogwenk in Wikipedia vinden…
Dita: Ik wilde het liever uit jouw mond horen, dat is zoveel echter. En om eerlijk te zijn: ik wilde dolgraag je stem nog een keer horen. Bovendien weet je toch ongeveer alles over Edgar Allan Poe?
Marius: Dat is lief van je, Dita. De moordenaar heet Charles Goodfellow. Schitterende vondst, zo’n naam voor een koelbloedige moordenaar, vind ik.
Dita: Ik herinner me wel nog het kistje Margaux dat Goodfellow na de dood van Barnabas Shuttleworthy ontvangt. Daar zit wel geen wijn in maar het stoffelijk overschot van zijn slachtoffer, reeds in staat van ontbinding. Met de bijbelse woorden “Jij bent de man!” beschuldigt hij  Goodfellow van de lafhartige moord. Je houdt het niet voor mogelijk dat een schrijver zoiets kan bedenken. En dan ook nog eens dat buikspreken!
Marius: Zo is het helemaal, Dita. “Jij bent de man!” is inderdaad een verwijzing naar een passage in de Bijbel, maar dat zal jij beter weten dan ik.
Dita: Misschien, Marius, misschien… Ik weet wel dat de uitspraak voorkomt in 2 Samuel 12. God stuurt de profeet Nathan naar Koning David. Die vertelt David de gelijkenis van de rijke man die een gast op bezoek krijgt. De rijkaard is te krenterig om voor de bereiding van de maaltijd een van zijn eigen geiten of schapen te gebruiken. Daarom neemt hij het enige lammetje van de arme man en zet dat de gast voor.
Marius: En David was zelf zo’n dader, niet?
Dita: Jazeker. Nathan zegt hem: Die man, dat bent u. David heeft namelijk Uria laten vermoorden en hem zijn vrouw Batsheba afgenomen. God is wel een bijzonder strenge rechter. David moet immers aanzien dat God zijn vrouwen aan een ander geeft, aan iemand van zijn eigen familie. Die zal met zijn vrouwen slapen bij klaarlichte dag.
Marius: In het verhaal van Edgar Allan Poe valt de moordenaar dood. Zou God daar ook voor iets tussen gezeten hebben?
Dita: Dat hebben we alleen maar het raden naar, niet, Marius? Ik heb intussen veel zin gekregen in zo’n glaasje Chateau Margaux. En jij?
Marius: We moeten daar zo gauw mogelijk werk van maken, Dita. Wat denk je van volgende week donderdag? Ken jij een geschikte wijnbar?
Dita: Niet zo meteen. Ik zal er eens naar uitkijken.
Marius: Toch niet in de Wikipedia?
Dita: Ha ha ha.

Afbeelding: Cornelis Cornelisz van Haarlem, Het toilet van Bathseba

VERMOEIDE STRIJDERS

 

enfant secret 2

Enkele dagen geleden zag  ik L’enfant secret van Philippe Garrel, een autobiografische film uit 1979 met Anne Wiazemsky, Henri de Maublanc, Elli Medeiros en Bambou. De soundtrack is van Faton Cahen, bekend of niet bekend van de Franse progressieve-rockband Magma. In L’enfant secret vertelt Garrel een liefdesverhaal gebaseerd op zijn relatie met de zangeres Nico. De titel verwijst naar het zoontje van Nico, Ari, dat door zijn vader, Alain Delon, nooit werd erkend.
Met Philippe Garrels filmstijl ben ik vertrouwd. Ik houd van zijn zwartwit, zijn lange stiltes, zijn trage camerabewegingen, zijn schaarse maar veelzeggende dialogen, zijn herhalingen. Zoals in al zijn films doen ook in L’enfant secret de acteurs en actrices aan underacting. Geen duidelijk zichtbare emoties bij de personages, wat niet belet dat je als toeschouwer toch met ze meevoelt. De film heeft vooral door zijn ritme en het vele donker een hypnose-effect. Je raakt bedwelmd: de kleine wereld die je op het scherm ziet en hoort wordt jouw eigen kleine wereld.

Het is mogelijk dat niet iedereen intimistische films als die van Philippe Garrel zo beleeft. Sommigen zullen zich ergeren aan de tegendraadsheid en de traagheid. Toen ik er gisteravond in het sprookjesachtige Warandepark met op de achtergrond de exotische muziek van de Feeërieën nog eens over nadacht besefte ik dat ik zelf ook in zo’n kleine wereld heb geleefd, en dat – in mindere mate – nog steeds doe. Een andere omgeving, een andere stijl, dat zeker, maar er zijn nogal wat overeenkomsten met die van de donkere setting waar Garrel ons mee naartoe neemt.
Aan het einde van de jaren zeventig en zeker in de jaren tachtig leefde ik net zo geïsoleerd, net zo opgesloten in mezelf en in de zelfgekozen microkosmos van verwante zielen. In zoverre we dat zelf al kunnen kiezen. Het was de nasleep van de tegencultuur. We waren vermoeide strijders die nooit hadden gestreden maar wel de oorlog verloren.
De muziek waar ik van hield hoorde je weinig op de radio (tenzij in het onvolprezen programma Domino, leerschool van heel wat muziekminnaars). Mijn favoriete films, die van Terrence Malick, Yasujiro Ozu, Shohei Imamura, de jonge Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Jacques Rivette en die van oude meesters als Friedrich Wilhelm Murnau, Jean Epstein en Robert Bresson, zag je alleen in cinefiele filmhuizen zoals Cartoon’s en Monty in Antwerpen en in het Brusselse Filmmuseum. Ik las geen bestsellers, geen boeken van bekende Nederlandse schrijvers (en van onbekende ook maar heel weinig). Wel ging mijn liefde naar romantische auteurs: Shelley, Keats en Kleist (die ik tot de romantici rekende). Ik had een grote bewondering voor Hölderlin en voor Antonin Artaud. Ik geloof dat ik maar één Nederlandse dichter las, H. H. ter Balkt alias Habakuk II de Balker, die ik als een Captain Beefheart van de Lage Landen beschouw(de). Mogelijk ben ik enkele dichters vergeten. Maar hoe het ook zij: ik verachtte het literaire wereldje van toen. Dat van de salons en boekenbeurzen en de praatprogramma’s (het bestaan waarvan ik pas in 1984, na aanschaf van een televisietoestel, ontdekte). Ik las geen kranten. Hoewel ik enkele kunstenaars als goede vrienden beschouwde interesseerde hedendaagse kunst me weinig. Ik liftte naar Firenze, Rome, Venetië en Padua om er de grote meesters uit de renaissance te bestuderen. De mooiste herinneringen heb ik aan een kort verblijf in Tübingen, en dan vooral aan mijn bezoek aan de toren waar Hölderlin de laatste zevenendertig jaar van zijn leven sleet. Hoewel de toren die er in 1979 stond niet meer de originele was, voelde ik er toch de aanwezigheid van de grote tragische dichter. Door een raam zag ik de Neckar stromen, dezelfde en toch niet dezelfde rivier die Hölderlin zo vaak zoveel troost had geschonken. Ja, grotendeels leefde ik in de negentiende eeuw en voor de rest in het boek The Romantic Agony [1] van Mario Praz, een tijdlang mijn literair-esthetische bijbel. Mijn kijk op de renaissance was negentiende-eeuws, de manier waarop ik naar muziek luisterde was dat vermoedelijk ook.
Op een dag echter gingen misdaadromans in mijn lezend leven ook een grote rol spelen . Hoe ik daartoe gekomen ben weet ik niet goed meer. Mogelijk kwam het door mijn vele gesprekken met mijn vriend Jos. Mogelijk raakte ik eraan verslingerd nadat ik de film Hammett van Wim Wenders had gezien. Voortaan vond ik het heerlijk om de hard-boiled romans van Dashiell Hammett, Raymond Chandler, Ross McDonald en vooral James Cain te lezen; een ware verrukking als ik een kater had. Wat later kwamen Sjöwall en Wahlöö het groepje misdaadverzinners vervoegen. Die had Jos mij aangeraden, dat weet ik wel zeker. In het begin aarzelde ik nog wat, onder meer omdat die twee schrijvers, een echtpaar, zulke rare namen hadden en ook wel omdat het zo’n lelijke Zwarte Beertjes waren. Maar zodra ik er één gelezen had volgde de rest.

Van alles wat ik hier heb opgesomd komt er zo goed als niets ter sprake in L’enfant secret. En toch, en toch is er die geestelijke verwantschap met Philippe Garrel – en met andere vergelijkbare kunstenaars. Ik denk dat gevoelens van afzondering, eenzaamheid en melancholie daar de grondtonen van zijn. Net als Philippe Garrel leefde ik in die tijd in een milieu waarin waanzin, psychiatrische instellingen, zelfmoord, amfetamine en morfine schering en inslag waren in de levens van sommige van mijn vrienden, de meest tragische van de vermoeide strijders tegen de toen heersende cultuur. Noem mijn generatie niet de generatie van vrijheid-blijheid. Als er al zoiets bestaat als mijn generatie. De deelgeneratie waar ik toe behoor zou je een nieuwe verloren generatie kunnen noemen, vergelijkbaar met die uit de jaren dertig, die van F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Ezra Pound. De meesten van ons waren beautiful losers. Maar ik ben een overlever, ook al verafschuw ik die uitdrukking en ook al voel ik me nog steeds nergens thuis.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

[1] Lezers die in die dagen geen Italiaans kenden moesten hun toevlucht zoeken tot de Engelse vertaling van wat oorspronkelijk ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Het boek werd later in het Nederlands vertaald als ‘Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’.

Afbeeldingen: Anne Wiazemsky en Henri de Maublanc in L’enfant secret; schrijver dezes en Agnes (toen Senga) omstreeks 1979.

REMCO CAMPERT IS NEGENTIG

remco-verjaardag 001

Op de afbeelding hierboven zie je het voorplat van Remco Camperts verhalenbundel ‘Hoe ik mijn verjaardag vierde’, verschenen bij De Bezige Bij in 1969. Vandaag viert de schrijver zijn negentigste verjaardag.
Hoewel het leven voor niemand van ons nog zo vurrukkulluk is als in de sixties (en Liesje al lang vertrokken is uit Lui Letterland) is het toch nog altijd een wonder en een lieve lust. Of om het filosofisch uit te drukken: zijn is altijd beter dan niet-zijn.

Gelukkige verjaardag, Remco Campert!

RemcoCampert1963

BOEKPRESENTATIE RETROSPECTIEF PAUL RIGAUMONT

61043323_841887392846895_1692937981934960640_n

Boekpresentatie en tentoonstelling morgen woensdag 22 mei om 19 uur, in Het Huis van de Mens, Sainctelettesquare 17 1000 Brussel.
Een eerste monografie in eigen beheer, nieuwe foto’s van het beeldend oeuvre, getuigenissen van Olga Rigaumont-Tanghe, Martin Pulaski (Matti Brouns) en Christian Van Haesendonck

Boekcompositie door Herman Houbrechts, hardcover, gebonden, 95pp, gedrukt in een oplage van 300, €35. Welkom!

 

DE BETOVERING VAN VIRGINIA WOOLF

vanessa bell - vw 1

Toen ik in 1971 filosofie ging studeren wist ik zo goed als niets, beweerde ik in een eerdere notitie. [1] Op de middelbare school had ik niets geleerd. Onlangs las ik in een interview met David Lynch dat hij over zijn schooljaren ongeveer hetzelfde denkt. Ongetwijfeld is hij niet de enige.
Met die uitspraak bedoelde ik dat ik niets wist wat waarde had voor het leven in al zijn facetten: zowel praktisch als intellectueel als erotisch als creatief. Laat mij van dat niets dan maar weinig maken, want zoals ik in vorige boekverhaaltjes al heb verteld, had ik wel al wat gelezen voor ik naar de universiteit ging. Ik kan me echter niet herinneren dat ik al boeken in het Engels had gelezen. Mogelijk was dat de reden waarom ik voor het keuzevak Engelse literatuur koos. Dat was een interessant vak, veel boeiender dan een aantal verplichte vakken, zoals psychologie en logica. We moesten dat jaar geloof ik vijf Engelstalige romans lezen. Ik kan ze mij niet allemaal meer herinneren; George Orwells ‘1984’ was er zeker bij. We bestudeerden verhalen uit de bundel ‘The Second Penguin Book of English Short Stories’. Mijn geheugen is niet meer zo goed om dat nog zo precies te weten: het boek ligt hier links naast mijn laptop. Zonder de pocket bij de hand zou ik me – ondanks dat geheugenverlies – zeker nog ‘The Road From Colonus’ van E.M. Forster, ‘Ivy Day in the Committee Room’ en ‘The Mark on the Wall’ van Virginia Woolf herinneren, drie sublieme korte verhalen van drie meester-schrijvers.
Een ware openbaring was ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf. Enkele bladzijden volstonden om mij voor altijd voor deze geniale schrijfster te winnen. Ook die Penguin Modern Classic heb ik hier nu binnen handbereik. Het boek, met op de cover een portret van Virginia Woolf door Vanessa Bell, de oudere zus van de schrijfster, roept meteen herinneringen op aan een gelukkig periode in mijn leven. Het toen nog vredige en romantische huis, vooral in mei als de seringen bloeiden, in de Visélaan in Watermaal-Bosvoorde; mijn mooie en vaak geestige vrouw V., die net als ik filosofie studeerde en eveneens Virginia Woolf las; mijn klein lief zoontje J.; onze lange wandelingen in het Terkamerenbos of in de buurt van de spoorweg tot aan het station van Watermaal, dat vanwege de schilderijen van Paul Delvaux nog altijd tot de verbeelding spreekt; de vele vrienden en medestudenten die dagelijks bij ons over de vloer kwamen; de intense, de verbeelding stimulerende gesprekken en discussies; de geur van de joints en Lucky Strikes die we rookten; de muziek van Johnny Winter, Rod Stewart, Derek and the Dominoes, Johnny Jenkins. En de boeken, de boeken.

virginia en leonard woolf 1912

Mrs. Dalloway betoverde me. De vertellende stem nam me mee naar een zachte wereld die tegelijk hard, zelfs wreed was. Tedere mensen konden elkaar opeens verscheuren. Sensuele en intellectuele personages in salons, getekend door de eerste wereldoorlog, praatten over Shakespeare en porselein en zelfmoord. Later, nadat ik T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ had gelezen, vatte ik de wereld van Mrs. Dalloway, van Virginia Woolf, samen in twee regels uit dat onvergetelijke gedicht:
In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

In ‘The Mark on the Wall’, verschenen in 1917, een vroeg voorbeeld van stream of consciousness, formuleerde Virginia Woolf, als we even de verteller laten samenvallen met de auteur, in zekere zin al haar missie: “I want to sink deeper and deeper, away from the surface, with its hard separate facts.” ‘Mrs. Dalloway’, verschenen in 1925, was het ingenieuze resultaat van die intentieverklaring.

Waarom vond ik de microkosmos van ‘Mrs Dalloway’ zo betoverend? Vanwege Virginia Woolfs Engels. Haar taalgebruik was rijk, suggestief, expressief en tegelijk impressionistisch. Vanwege controversiële gedachten en uitspraken van Clarissa Dalloway en de andere personages. Een mooi voorbeeld is dit:  “Fear no more the heat of the sun. She must go back to them. But what an extraordinary night! She felt somehow very like him – the young man who had killed himself. She felt glad he had done it; thrown it away while they went on living.” Je kunt iets dergelijks wel denken, maar spreek je het ook uit of schrijf je het neer? (Ik zou nu veel zinnen en paragrafen kunnen citeren. “Love destroyed too. Everything that was fine, everything that was true, went.” Maar lees liever het boek zelf, beste lezer.) Vanwege het spel met de tijd. De gebeurtenissen in Mrs Dalloway spelen zich af op één zomerse dag in Londen. Toch worden wij via de gedachten van het hoofdpersonage deelachtig aan gedenkwaardige momenten uit de levens van meerdere personages, aan hun momenten van geluk, mislukking, pijn, verdriet, euforie, aan hun gevoelens van liefde en haat, aan hun dromen – aan hun existentie (of Dasein, om het met Heidegger te zeggen.) En zeker ook vanwege dat tumultueuze, rijk geschakeerde, van geschiedenis verzadigde Londen. Ja, ook vanwege die échte ontdekking van Londen vond ik ‘Mrs Dalloway’ betoverend (en boeiender dan om het even welke reisgids).

Na de lectuur van ‘The Mark on the Wall’ en ‘Mrs Dalloway’ ging ik op zoek naar ander werk van Virginia Woolf. In de zomer van 1974 moest ik zes weken het bed houden vanwege hepatitis. In mijn herinnering zijn die stille dagen zonder enige beweging, terwijl buiten de zon de Visélaan, het Terkamerenbos, de campus van de VUB-ULB, het Zoniënwoud, en het hele noordelijk halfrond verlichtte, versmolten met de microkosmos van ‘To the Lighthouse’, een van de mooiste romans die ik ooit heb mogen lezen.
“When life sank down for a moment, the range of experience seemed limitless. And to everybody there was always this sense of limitless resources, she supposed (…). Beneath it is all dark, it is all spreading, it is unfathomably deep; but now and again we rise to the surface and that is what you see us by. Her horizon seemed to her limitless.” [2]

virginia woolf 2

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het zevende deel.
[2] To the Lighthouse, p. 72-73.
Afbeeldingen: Virginia Woolf door Vanessa Bell; Virginia en Leonard Woolf in 1912; Virginia Woolf, datum en fotograaf onbekend.