HOE NEEM JE AFSCHEID?

COO

De seizoenen volgen elkaar vliegensvlug op. Het is nog maar net m’n verjaardag geweest en ik ben al opnieuw aan de beurt. Ons leven op aarde is een korte vakantie (of een werkkamp, zo je wilt). We zijn nergens gelukkig maar willen toch blijven. Dat is paradoxaal. Je komt dat bij heel veel schrijvers tegen: het beste is zo snel mogelijk terug te keren naar waar we vandaan komen. Ook bij Leopardi, in ‘De herinneringen’, een van de mooiste gedichten die ik ken. Het leven op aarde is een hel, maar we zijn verontwaardigd als we worden verdreven. Leven is afscheid nemen. Elke dag moet je van iets afscheid nemen. Als we op reis zijn, zeg ik vaak tegen Laura: hier komen we nooit terug. En dan overvalt me zo’n wee, droevig gevoel. De meeste streken die we hebben bezocht, zullen we nooit weerzien. En dan zijn er nog zoveel plaatsen op deze wereld die we nooit zullen bereiken: Azië, Afrika.

‘s Nachts voor het slapengaan komt het vaak voor dat ik plotseling denk, het is toch een groot bedrog dat wij moeten sterven. Leven is eigenlijk iets dat niet mag ophouden. Sterfelijkheid is een schande, zei Elias Canetti. Afscheid nemen is voor mij altijd moeilijk geweest. Afscheid van mijn moeder toen ik naar ‘de kolonie’ (het Kinderdorp in Rekem) moest, op mijn achtste. Ik had tot dan in de veilige cocon van het schip en kort bij de warmte van mijn moeder geleefd. ’s Nachts het geklots van het water, dat zal hebben geleken op de tijd in de baarmoeder. Of het gebonk van de motor, als vervanger van het hart. Verdreven worden uit de baarmoeder is verdreven worden uit het paradijs. Roger Lewinter: “Précisément parce que l’être humain se conçoit dans un dehors extatique, où il s’élabore en dedans, après la naissance, expulsion du paradis, pour retrouver l’adéquation existentielle, l’état duel, confusionnel, du dehors-dedans, le dedans doit devenir à soi-même son dehors. Le corps, après la naissance, est ainsi le lieu de tout dehors, où l’être humain se représente la relation paradisiaque initialement vécue dans la matrice. » (Groddeck et le royaume millénaire de Jerôme Bosch,20.)

Soms sta ik voor mijn boeken en wordt het me teveel omdat ik dan besef dat ik de meeste werken nooit meer zal lezen. En mijn platen- en cd-collectie is zo groot, dat ik er nooit voldoende tijd voor zal vinden om alles te beluisteren, zelfs niet één keer. (Toch wel gek dat je dan toch CD’s blijft kopen, als je weet dat je ze misschien maar één of twee keer zal beluisteren. Na een maand afwezigheid uit de winkels heb ik vandaag weer heel wat schade ingehaald. Zo zit ik nu te luisteren naar Devils and Dust, niet slecht maar ook niet echt ontroerend.).

De melancholie van de middelbare leeftijd. Mijn jeugd is voorgoed voorbij. Maar in mijn bewustzijn ben ik een jonge man gebleven. Ik voel me misschien wel beter bij jongere mensen. Mijn leeftijdgenoten hebben het gemaakt in de maatschappij. Er gebeurt niets nieuws meer in hun leven. Ze staan niet meer open voor ‘het nieuwe’, denk ik soms. (Maar ik mag niet veralgemenen. Ik heb vrienden van mijn leeftijd die helemaal niet aan dit beeld beantwoorden. Zij hebben zich nooit aangepast aan de middelmaat.) Bij jonge mensen voel ik me goed. Maar ik weet niet hoe zij mij zien. Waarschijnlijk ben ik voor hen een oude kerel. Ik geloof niet dat vroeger alles beter was. Ik heb geen nostalgie naar een bepaalde periode. Wel naar dingen die gebeurd zijn in mijn jeugd, omdat ik toen jong was. Als je jong bent is altijd alles beter. Het pijnlijke van je bestaan is dat je niet jong meer bent. Dat zegt Leopardi ook in De herinneringen.Het geeft mij een elegisch en bitter gevoel te weten dat wij moeten verdwijnen en dat de dingen blijven. De stoel waarop ik zit, de tafel waarop mijn koffie staat te dampen. De boeken die ik heb gelezen of die ik in mijn handen heb gehouden blijven na mijn dood achter. Ik houd ze nu samen, ik heb ze bijeengebracht. Als ik dood zal zijn, zullen ze hun betekenis verliezen. Denk maar aan wat er met de boeken van Jos is gebeurd, na zijn dood. Ze hebben hun lezer verloren, die ze leven gaf, ze zijn betekenisloos geworden en mensen met ruwe zeden hebben ze in dozen gestopt en naar markten en tweedehandsboekenwinkels gebracht. Kopers zullen wellicht geprobeerd hebben zijn naam te verwijderen, evenals het gekke ventje dat hij altijd bij zijn naam zette. Dat ons leven korter is dan dat van een boom. Is het daarom dat sommige mensen zo graag bomen omhakken, hele wouden platbranden? Het regenwoud in Brazilië wordt grondig aangepakt. Is het jaloezie van sommige mensen? Kunnen zij het niet verdragen dat het woud hen overleeft en zuurstof zal geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden het meest geliefd op aarde. Dat zegt iedereen. Maar als je ziet wat er met het regenwoud gebeurt, ga je daar toch sterk aan twijfelen.

Tussen mijn twintigste en dertigste voelde ik mij heel sterk aangetrokken door alles wat melancholisch was. Vooral de romantiek. Schrijvers als Shelley, Heinrich Von Kleist, Leopardi, Gérard de Nerval. Dat heeft wel sporen nagelaten, denk ik. Wat hield ik van de zwarte zon van de melancholie.
Eigenlijk zijn er twee vormen van melancholie, tenminste twee vormen: de ene is de zoete melancholie waarbij je terugdenkt aan de gouden tijd van je kinderjaren, de andere is de wrange, tragische melancholie, waarbij je beseft dat je sterfelijk bent, en dat je leven kort is.

Ik heb vandaag een boek gekocht van Martha Nussbaum om geen enkele andere reden dan dat het over emoties gaat. Ik ken die Nussbaum niet, maar emoties wel, en ook de afwezigheid ervan. Waarom zijn de mensen zo afstandelijk, verbergen zij hun emoties, hun gevoelens? Waarom zijn ze er niet als je hen het meeste nodig hebt? Ook weer retorische vragen, natuurlijk, want ik ben zelf een mens. Heel vaak ben ik afwezig geweest, heel vaak ben ik afwezig. Probeer het maar eens, vraag mij eens iets, neem de proef op de som. Terwijl ik naar Bruce Springsteen luister wacht ik af in mijn kamer.

Foto: met mijn ouders en hun vrienden bij de Waterval van Coo

WEEFSELS VAN HET HART

1968

Georges Bataille beweert dat mensen lachen uit schrik. Ook met erotisch gedoe wordt gelachen, maar dan wel omdat beschaafde personen er schrik voor hebben. Schrik is een positieve eigenschap. Beschavingen komen voort uit schrik voor allerlei akelige dingen in de wereld en daarbuiten. Het zou ook kunnen dat Georges Bataille dat helemaal niet beweert. Ik heb echter geen zin om de inleiding bij Madame Edwarda te herlezen.

Op een vrij groot adreskaartje van St Joseph’s Bed and Breakfast in Roundstone vind ik de volgende notitie terug.“Een hevig onweer met Frankie, Sara en Sontag in Bierdorp. Dat moet ik beschrijven in een verhaal. Een wolkbreuk. Hete dag in augustus. Midden in een open veld; het modderige water stroomt over de veldweg. Ik draag de buggy van Frankie en vrees te zullen worden getroffen door de bliksem. Sara heeft alleen een dun katoenen jurkje en een slipje aan. De regen en de hitte geven haar een ongewone, intense erotische uitstraling. Ik heb nooit zo hevig naar haar verlangd, terwijl ik daar liep met Frankie en Sontag. In het gebulder van de donder en bukkend voor de bliksem. Druipend van de regen, de voeten vol modder, komen we in het dorp aan. Sontag neemt ons mee naar een huis van een tante van hem. Daar krijgen we droge kleren, die ons niet passen.”

Bierdorp: waarschijnlijk kon ik me op het moment dat ik de notitie maakte – in Roundstone – de naam van de gemeente waar het onweer zich voordeed, niet herinneren. Dat gebeurt wel vaker op reis, dat namen van plaatsen of van personen mij niet willen te binnen schieten. Niet alleen in Ierland, na een avond Guinness bij Gus O’Connor.

Wandeling. In westelijke richting in de heuvels van Poggio Attendi, dan zuidelijk tot San Donato, dan terug via Montanto en Santa Lucia. Toscane, zomer 1996. De heerlijke Vino Nobile van Montepulciano. Op het terras van ons hotel hebben we daar met kleine teugen van genoten. Ook in het café Poliziano. Ik weet wel zeker dat het gevoel dat we toen hadden niet zal terugkomen als we er opnieuw naartoe gaan.

“Tingeltangelzangeres.”

Ik moet ooit een keer het verhaal vertellen hoe we tequila leerden drinken. Amerikanen in het Hard rock café, aan het Fernand Cockplein in Elsene, leerden ons tequila drinken. Job, Nora, Laura en mij. Duchateau beweert dat hij er ook bij was, maar ik geloof er niets van. Laura kan het zich niet herinneren. Zij heeft me die nacht in het bad gegooid (met mijn zeemvelleren jas aan). Ze was plotseling in razernij weggelopen van me en had thuis al haar kleren uitgetrokken. Toen Job, Nora en ik binnenkwamen, stond ze naakt in de badkamer (de ingang van ons appartement was via de badkamer). Ik was woedend. Toen ik druipnat uit het bad stapte kotste Job op mijn rug. De pindanootjes lagen over de vloer uitgezaaid. De salontafel en de stoelen waren omver gestoten. De bovenbuurvrouw, een echte feeks, belde de politie. Toen de agenten binnenstapten – alle deuren stonden open – was de rust weer hersteld. Alles opgeruimd en netjes. Job zei: “We hebben zitten discussiëren over Socrates”. In het Antwerps, zei hij dat. De agenten geloofden hem, moesten eens lachen. Je zag ze denken: “filosofen!”. “In ’t vervolg niet zo luid discussiëren, mannen ”, zeiden ze, en vertrokken. Het waren Vlamingen. Misschien waren ze wel uit Antwerpen afkomstig. De Amerikanen zeiden dat je tequila puur moest drinken. Je had er citroen en zout voor nodig. Je strooide eerst wat zout op de rug van je hand, dat likte je af, dan dronk je de borrel leeg en vervolgens beet je in een stuk citroen. Dat herhaalde je een aantal keren, tot je ver genoeg weg was, maar net niet te ver. Na The Hard Rock Café zijn we naar een fuif gegaan. Nora had er vol vuur en overgave met mij en Laura gedanst. Job was er boos geworden, geloof ik. Op weg naar huis was Job in het midden van de Troonstraat gaan liggen, aan metrostation Luxemburg (nu Troon). Ik was over de brugleuning geklommen en aan een vlaggenmast gaan hangen. Mijn bril is naar beneden gevallen, in de tunnel van de kleine ring, waar overdag het verkeer doorraast. ’s Anderendaags ben ik er nog naar gaan zoeken. Tevergeefs. (Veel later, nadat ik in de Kiekenmarkt in mekaar was geklopt, is Laura naar een andere, al heel wat duurdere bril gaan zoeken. Tevergeefs.) De tequila-avond heeft zich afgespeeld in 1976, zo ongeveer.

Ik vind net een notitie terug: “I wouldn’t be buried in this suit.”

Aantekening bij het verhaal Lenny’s verjaardag: ongeveer zeven jaar geleden (op mijn verjaardagsfeestje op 16 juni 1998, om precies te zijn) zei Danny dat we porto dronken op zijn verjaardag (in het verhaal heb ik hem Lenny genoemd). De fles porto is stuk gevallen op de vloer, zegt hij. Pas daarna hebben we grappa gedronken.Waarom moeten er bloemen zijn, rozen, lelies, papavers? Als we ze toch niet mee kunnen nemen? Elegische stemming.

Wat herinner ik me nog van de plaatsen waar ik ooit ben geweest?Neem nu Stuttgart… Een hotelkamer met een open gasleiding. Ik was werkelijk bang dat we tijdens onze slaap zouden worden vergast door die ‘nazi’s’. Hadden ze ook al niet gevraagd om in onze bagage te mogen kijken? Dat was toch tegen alle gastvrijheid in! Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Ulrike Meinhof zat in de gevangenis. Ze wilden zogezegd weten of er geen drank tussen onze kleren zat, want dat mocht niet. Misschien dachten ze wel dat we bommen bij ons hadden, of machinegeweren…Met alternatieve mensen die ons in hun kleine autootjes meenamen (in die tijd liftten we nog langs de Duitse snelwegen) hadden we het over de terreur van de staat en over de verschrikkingen van de Stammheimgevangenis. De ‘nazi’s’ in het hotel hadden in zoverre gelijk dat we sympathiseerden met Ulrike Meinhof. Ik vond dat ze op een mensonwaardige manier werd behandeld. Overigens zagen we er ook verdacht uit, Laura met haar hennahaar en ik met mijn lokken tot op mijn schouders. Zo’n hennahaar hadden alleen hippiemeisjes. Terroristen, zullen de Duitsers oude stempel misschien hebben gedacht.

Toen ik de eerste keer in Berlijn was (1998) zag ik dat de meerderheid van de jonge vrouwen daar rode haren had. Wat vond ik ze allemaal aantrekkelijk… En overal in de stad hingen affiches voor de film “Lola rennt”. Lola met de rode haren: zou het een terroriste zijn, vroeg ik me af.Toen we op een zomeravond in Innsbrück aankwamen zaten alle hotels vol. Toch werd er voor ons nog een kamertje vrijgemaakt. Dat was dan wel gastvrijheid, in Oostenrijk, waar Hitler vandaan kwam. Maar ook Wittgenstein natuurlijk, en Robert Musil, de beste schrijver.

In Pécs logeerden we bij een verdacht sujet, een vrijgezel in een groot appartement. Wat ik mij vooral herinner is het wasrek in de badkamer, dat met kabels en katrollen tot tegen het plafond was getrokken. De vrijgezel in zijn mouwloze onderhemd. Zijn bleke armen. Pécs was een vreemde en fascinerende stad. Het was er bloedheet. Dankzij de hitte waren de vrouwen schaars gekleed. Of was dat typisch Hongaars, misschien? Waren zij altijd zo warmbloedig?

In Eger, stad van het Stierenbloed of Egri Bikaver, wandelden we door de straten en over de pleinen met de dorpsfilosoof en (soms) zijn dochter. Hij sprak vlot Duits en ik had net een cursus Duits achter de rug, zodat de conversaties nogal meevielen. Jammer genoeg was de man oerconservatief. In het begin wantrouwden we hem. We wilden met hem bijvoorbeeld geen uitstap maken naar het bos van Szilvasvarad (een naam voor een sprookje, vind ik). We dachten dat hij ons daar misschien wel zou vermoorden, in dat donkere woud. Toen we er dan toch een keer aan het wandele
n waren, kwamen we hem en zijn dochter ‘toevallig’ tegen. Hij heeft ons niets in de weg gelegd. In de bus terug naar Eger heb ik wel een flinke kou gevat. Een paar dagen later zaten we in een bioscoop in Zagreb, waar intussen de burgeroorlog heeft gewoed, naar ‘The Color Purple’ te kijken, mijn keel helemaal toe van de infectie. De dorpsfilosoof van Eger was een bijzonder zachtaardige Hongaar. Hij had veel problemen gehad in zijn leven. Zijn professoraat was hem afgenomen omdat hij geen lid was van de Communistische partij. In Szilvasvarad staken duizenden kleine kikkertjes de weg over. Je kon bijna niet anders dan er op trappen.

Praag associeer ik met paranoia. In het ruime, kraaknette appartement waar we logeerden, een half uurtje buiten de stad, in de wijk Knetzky Luka, konden we ’s avonds, na het nuttigen van een paar flessen witte wijn op het terras van café Europa, niet meer binnen. Er was iets met het slot. De vrouw deed verwoede pogingen, maar het lukte niet. Ze moest de hulp van haar vriend (of echtgenoot) inroepen. Ze zei geen woord tegen ons. Nochtans kende ze Engels. De man moest het slot helemaal losschroeven. In volstrekte stilte. In de restaurants waren de mensen bang om afgeluisterd te worden. Terecht. Op een avond hebben we in restaurant Rudolf toch zitten praten met Oost-Duitsers, uit Leipzig. Ze keken af en toe achterdochtig om zich heen. Ze waren zeer ontevreden over het regime in hun vaderland. Iedereen wordt er afgeluisterd, fluisterden ze. Alleen in kerken kunnen we vrijuit spreken. Ons bezoek aan Praag was een paar maanden voor de fluwelen revolutie. Ik had niet echt in de gaten dat er zo’n revolutie werd voorbereid. Ik zag bovenal onbeschoftheid, onvriendelijkheid, slecht en vettig eten. Zeker in het restaurant Savarin, een oud kasteel, werden we buitengewoon onvriendelijk bejegend. Toen we er buiten kwamen hadden we zo’n honger dat we worsten zijn gaan eten in een selfservice, met een groot glas bier erbij. Neen, Praag ontving ons niet met open armen. De betere momenten in Praag waren die met de vrienden (Jim en Ronda, met wie we afgesproken hadden, maar die we een dag voor onze afspraak al tegen het lijf liepen op het Oude Stadsplein, nadat we met Hollandse meisjes in restaurant De Gier biefstuk met eieren hadden gegeten), (Lou en Cindy, die we toevallig ontmoetten in Hradcany en met wie we een mooie avond beleefden in restaurant Europa, een schitterend art deco-interieur). Praag was een buitengewoon mooie stad. Misschien wel de mooiste stad waar ik ooit ben geweest. Ik heb er twee hoeden gekocht, heel wat klassieke elpees, Laura heeft er zich leren handschoenen aangeschaft in een supermarkt, waar voor de rest niet veel te koop was, en een Russisch polshorloge.

Het lange wachten op een lift aan de grens tussen Duitsland en Oostenrijk, op weg naar Italië, in de zomer. De troost van zoete alcohol, tegen de kou en de regen. Na uren in onze handen klappen en met onze voeten stampen dan toch meegenomen, maar wel in een open voertuig. We vergingen van de kou. Overal bergen rondom ons. Ik kreeg een afschuw van de bergen met sneeuw op hun toppen.Er bestaat geen zuiverheid op de wereld. Het verlangen naar zuiverheid is misschien wel het grootste gevaar in de mens.Alle interessante ervaringen met openbaar vervoer op een rij zetten.

Treinreizen.

Ongewone belevenissen in de metro. Bijvoorbeeld hoe je ooit hevig schrok van een vrouw zonder neus die opstapte op bus 96 in de Troonstraat. Je had net cursus gevolgd over de Esthetica van Hegel. In het station in Antwerpen een man met een volledig paars gezicht. The Color Purple. De auto als openbaar vervoer (liften). Tram en bus. Nog niet zo lang geleden bracht een buschauffeur ons, met de lichten uit, tot helemaal aan de Westrand in Dilbeek. Anders hadden we nog meer dan een half uur moeten lopen in de kou. We gingen kijken naar Francesca, van Wedekind. Een stuk met mooie blote vrouwen.

In Duitsland, wilde een Siciliaanse trucker mijn gezellin verkrachten. Hij vond dat het minste wat we konden doen, in ruil voor wat hij ons aanbood. “Vier stunde fahren und ein stunde schlafen”, mompelde hij af en toe. Toen hij zijn zin niet kreeg wat dat verkrachten betreft, zette hij ons uit zijn truck, middenin de Duitse nacht.

Vliegtuig. Boot.

Ervaringen met honden: Picky en Jimpy, Suzy.

Ervaringen met het nummer 56. Je schrik om op je 56ste te sterven. Dat valt dan nog mee. Vroeger dacht je dat je zeker niet ouder dan 26 zou worden. Huisnummer 56 in de Dolfijnstraat. Tram 103 die in 56 verandert. 1956 het jaar van de rock & roll. Van de opstand in Boedapest.Laura woonde in de periode 1985-1987 in de Osystraat 58 in Antwerpen (officieel adres).

Vanaf 1987 tot 1989 had ik een kamer in de Breughelstraat.

Nog een geluk dat ik vaak schrik heb. Zo bouw ik mijn wereldje op. Af en toe komt er een stukje bij. Als ik weer eens wakker schrik uit mijn vervelende slaap. Mijn muurtje van woorden en stilte, dat nooit afgeraakt. Maar kan het kwaad? Jij bent toch ook maar een fragment.

Foto: Blankenberge, 1968, Martin & Monique.

TREURLIED TUSSEN KALE BOMEN

jos d in 1976

Gisteren wilde ik iets schrijven over mijn in 1991 overleden beste vriend Jos Dorissen. Ik heb onlangs een scanner gekocht en had een foto van hem uit 1976 ingescand (ik denk hij dateert uit de lente van dat jaar, net voor de mooiste zomer van ons leven), die ik hier wilde tonen. De foto had, met bij mij veel meer effect dan een madeleine in een kopje thee, mijn herinneringen weer op gang gebracht. Toch kreeg ik over Jos geen regel, geen woord op ‘papier’. Ik denk dat ik eerst heel veel moet drinken eer dat wil lukken, want dat is wat wij samen ook meestal deden. Maar ik wil niet schrijven onder invloed van alcohol en eigenlijk wil ik ook helemaal niet meer drinken. Ik heb dus niets geschreven over mijn beste vriend en ik heb de foto ook niet getoond. Dat is me niet gelukt. Kennelijk is hij te zwaar voor dit medium, ofwel ligt het aan mijn onkunde, dat kan ook. Ik kan nauwelijks rekenen en heb geen verstand van techniek. Later, als iemand mij zal hebben geholpen, zal hier wel een beeld verschijnen van een goede, intelligente en mooie man. Maar vooral een diep melancholische jongen die zich niet met dit saaie leven kon verzoenen. Zelfs het pessimisme van Schopenhauer bood hem geen houvast, laat staan een uitweg. Omdat ik ook vandaag niets over Jos kan schrijven grijp ik hier terug naar een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van zijn dood.

Treurlied tussen kale bomen.”

In Romeins marmer gebeiteld zie ik voor mij zijn buste. Hij heeft het ongelauwerd hoofd van een jonge dode dichter die geen sterveling kent. Ik zit zo stil mogelijk gebogen over dit kringlooppapier, waarop ik zijn naam schrijf: een neerliggende berk met een boogje op zijn top. Als ik met mijn ogen knipper beland ik in een klein Alexandrië tussen boeken die moeten branden als bossen omdat hij ze aanbad. Goden die hij in zijn handen had. Denken vindt geen vleugels voor een beter woord dan wit. Mijn dromen doven uit. Zij vergezellen de sterrren die tussen kale bomen vallen in de tuin. Niet dat de bomen een treurlied aanheffen voor een onaangepaste paljas of dat zij lijken op dorische zuilen. Nu het al zo vroeg donker wordt staan zij er alleen maar zo.”

(Omdat Jos hier niet wil verschijnen plaats ik Neil Youngs ‘After the Goldrush’. Neil Young was samen met Gram Parsons een van de grote helden van Jos. Lange tijd heeft hij rondgelopen met van die gelapte jeans aan, ook toen hij trambestuurder was in Antwerpen, wat ze daar wattman noemden.)

Inmiddels is Neil Young’s foto hier verdwenen en heeft Jos zijn rechtmatige plaats gekregen. Ik moet toegeven dat niemand me daarbij geholpen heeft, wat ik nochtans gehoopt en verwacht had. Maar ik begrijp nu dat je niet op de andere moet rekenen om je problemen op te lossen. Eigenlijk moet je nooit op de anderen rekenen. En dan kan het gebeuren dat er soms toch nog iemand uit nacht en nevel opduikt en je de hand reikt.
Foto: Martin Pulaski, Jos in 1976.

WALLY TAX EN HET VERDRIET

outsiders 2

Ik heb jarenlang een dagboek bijgehouden. Voor wie schreef ik al die dingen neer? Het antwoord op die vraag ken ik nog altijd niet. Wat ik wel weet is dat ik me tot iemand richtte, tot een denkbeeldige lezer, tot een onbekende maar verwante ziel. Mag ik hierbij opmerken dat ik het woord ‘ziel’ niet in een christelijke betekenis gebruik? I’m a soul man. Maar toch… Leken die ontboezemingen ook niet een beetje op in stilte bidden? Lag het noteren in die mooie ingebonden cahiers wellicht in verlengde van de persoonlijke gebeden uit mijn kinderjaren? Tot mijn dertiende ben ik namelijk gelovig geweest en, zoals talloze jongens in België, zelfs misdienaar. Het in ‘vrije verzen’ bidden tot god gaf me een gevoel van verlossing; de gebeden in het Latijn zullen veeleer een esthetische ervaring geweest zijn. Voor een kleine jongen die de grote wereld nog niet heeft ontdekt is een mis in het Latijn iets groots, een sterk en geheimzinnig ritueel. Die dagboeken staan nu netjes op een rij in een grote kast. Zeer waarschijnlijk zal niemand ze ooit lezen, of ik zou ze zelf moeten openslaan. Misschien vind ik er wel inspiratie in voor een verhaal of voor een stukje dat ik dan kwijt kan op deze openbare plek. Proza dat niet in een la terechtkomt om daar betekenisloos te liggen vergaan. En zo kom ik tot de vraag die ik van in het begin al wilde stellen: wie leest wat hier staat? Komen hier verwante zielen op bezoek? Zijn er ook toevallige bezoekers die zich ergeren aan mijn hypochondrie en mijn heldenverering? Aan mijn sentimentaliteit, mijn liefde voor americana, mijn atheïsme, mijn namenfetisjisme, mijn vrouwengekte, mijn religiositeit, mijn onvolwassenheid en onverantwoordelijkheid. Zijn er anderen die mij bewonderen om mijn rock & roll-hart, om mijn kleine cinema, om mijn litanieën, om mijn verbazing, mijn twijfels en mijn bewondering? Om mijn kleine literatuur (om een uitdrukking van Gilles Deleuze en Félix Guattari te gebruiken) en vermolmde grammatica? Of komen deze woorden rechtstreeks uit het hart in de grote leegte terecht en is het hun echo die ik hoor als ik – vooral ’s nachts net voor het slapen gaan – geluiden waarneem die ik niet kan thuisbrengen?

Gisteren wilde ik mijn verdriet bij de dood van Wladimir Tax delen met jou. Maar ben je er wel? Heb je mijn verdriet gevoeld? Heb je een cd of lp van the Outsiders opgelegd en meegezongen met Teach Me To Forget You en Touch? Liepen er tranen over je wangen? Zat je met troebele ogen voor de televisie te zoeken naar een waardig In Memoriam? Want dat had deze grote man toch wel verdiend, hij die tijdens zijn leven zo weinig erkenning heeft gekregen. Tenzij lang geleden, toen we allen jong waren, in Amsterdam, in Maastricht, in Hasselt, toen we paarse broeken droegen en bananenschillen rookten en op the Outsiders kickten en gilden als jonge meisjes. Maar wat waren nu weer precies: meiskes of jongens? Lang geleden, toen onze gebeden werden beantwoord door Bob Dylan, the Shangri Las, the Lovin Spoonful, the Rolling Stones, the Ronettes, the Who en ja, door Wally Tax en zijn Outsiders.

TEACH ME TO FORGET YOU, WALLY TAX

wally tax love in

Nederland was zo al geen bezoek meer waard en nu Wally Tax overleden is mag dat land van de kaart worden geveegd (ik maak een uitzondering voor Bergen en Schoorl, echte dichtersoorden). The Outsiders waren in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw de ruigste en beste beatgroep van Nederland, en na the Rolling Stones en the Who, van de hele wereld. Wally Tax was hun charismatische zanger en mondharmonicaspeler.Als hij zong kreeg je meteen kippenvel. Dat is niet zomaar een gratuite bewering: ik heb het echt meegemaakt in de Teeny Club in Hasselt, omstreeks 1967. The Outsiders speelden loeihard, en produceerden zeer hoge tonen. Een week later in het Koninklijk Atheneum in Tongeren hoorde ik Ron Splinters gitaarsolo’s nog altijd nafluiten in mijn oren. Eigenlijk hoor ik dat geluid nog steeds een beetje. Maar wat ik vandaag vooral hoor is die soulvolle, tegelijk dreigende en strelende stem van Wladimir Tax. De man was ongeveer vijftig procent romanticus en vijftig procent punk. De muziek die hij schreef (samen met Ron Splinter) was emotionele, tedere en boze rock &roll. Hoe vaak heb ik niet geluisterd naar Afraid Of the Dark, Teach Me To Forget You, The Filthy Rich, Touch en natuurlijk Lying All the Time. Ik heb die platen ook niet van de hand gedaan of op zolder gelegd: ze horen bij mijn wereld. Net zoals de romans van Remco Campert, de essays van Simon Vinkenoog (die over the Outsiders heeft gepubliceerd in het boek Vogelvrij) en de platenbesprekingen van Jan Donkers – allemaal Grote Nederlandse Helden – blijken de liedjes van Wally Tax en Ron Splinter bouwstenen voor mijn bestaan te zijn geweest. “You thought me how to love you / Now better teach me how to live without you.” Het leven heeft weer wat minder zin in mij. Zo blijf ik nu zonder woorden achter tot iemand ze weer tot leven wekt. Jij?

ADOLESCENTIE IN LIMBURG

gris gris

Eergisteren vertelde ik Laura nog een paar dingen over mijn adolescentie in Limburg. Er waren, zoals bij Marcel Proust, twee kanten : de kant van Hasselt (mijn vrienden Jan en Luc) en de kant van Neerharen (mijn vrienden Valère, Jean-Pierre, Martin, Jean en mijn vriendinnen Anita, Linda en Sylvia). Die twee werelden liet ik niet met elkaar in aanraking komen. Er is veel te vertellen over die periode, het midden van de jaren ’60. Je had de lokroep van de ‘misdaad’ – meer bepaald spionage – ontstaan uit fantasieën over James Bond met zijn Lüger en zijn goudgelakte vriendinnetjes. In Eisden Cité toonden wat oudere, gevaarlijkere jongens mij hun fonkelende knipmessen. Zelf had ik een luchtkarabijn en een luchtpistool, waarmee ik soms wel eens op vogels en zelfs op kippen schoot. Die kakelden dan alleen maar even en dan zochten ze weer verder naar iets eetbaars in de ondankbare aarde. Gaia bestond toen natuurlijk nog niet. Dan waren er ook de verlokkingen van de Congo Bar en de Paddock waar je gin fizz en zelfs pure Gordon’s Gin kon drinken. Ik was altijd de leider van de groep in Neerharen. Maar leiders worden verraden, dat moet je erbij nemen, ook al ben je Napoleon Solo II. En toen kwam 1967: flower power en een nieuwe wending in het leven van talloze jongeren. Weegaloze jaren braken aan. Mijn achttiende verjaardag. De twee kanten kwamen voor het eerst samen: Luc, Henri, Jan, Anita en nog een ander meisje (haar naam voor altijd weg, nee, die staat wellicht in een dagboek uit die tijd). De meisjes uit Neerharen waren welkom op mijn feestje, de jongens kwamen uit Hasselt. Doctor John the Nighttripper, zoals hij toen nog heette. Die voodoo had nog nooit iemand gehoord. En niemand maar dan ook echt niemand kende White Light White Heat. Hoe dat in 1968 klonk, dat kon je aan geen mens vertellen. It’s like telling a stranger about rock and roll. Daar dansten we dan op: Doctor John, the Velvet Underground… En op Vincebus Eruptum van Blue Cheer. De vader van Anita was rijkswachter, geloof ik, of toch politieagent, Anita zelf een fan van Engelbert Humperdinck. En waarom ook niet. Op Anita’s zus Linda, een onderwijzeres, was ik verliefd, maar zij had al een verloofde. Slechts één avond heeft ze mij gegund, meer niet. Waarom maar één avond en geen twee of helemaal geen, las ik ergens. Je bent natuurlijk nooit origineel in deze tijden van walging en afgrijzen. Wist je al dat de paus dood is?

Op 7 juni vind je mij in het Koninklijk Circus, bij Mercury Rev. Er is nog niet veel veranderd. Vorige zaterdag luisterden we in Antwerpen naar liedjes van the Mamas en the Papas en the Searchers en dansten we in Gent op Jackie DeShannon en Big Star. De bruid danst nog steeds rock & roll of struikelt, blind van dronkenschap, en valt in een ondiepe put. De taxichauffeur wacht stoïcijns, of is het onverschillig, tot het stof is weggewaaid. Over de vreemde gebeurtenissen van gisteren vertel ik morgen of later, veel later. Je moet de dingen doseren. De weinig slaap die je is gegund moet je als was het een vrouw of een grote teddybeer knuffelen tot je ervan in slaap valt!