NACHTEN IN HET PANNENHUIS 6: WERELDVERBETERAARS?

it would be so nice 1

Om het inner sanctum van Cinderella’s Ballroom te bereiken moest je een aantal hindernissen nemen. Eerst moest je een vervaarlijk uitziende buitenwipper passeren, het was belangrijk dat je die te vriend hield, vervolgens moest je een nogal gladde en weinig verlichte trap af. Noem het maar een afdaling in het inferno, waar evenwel de extase in het verschiet lag. Je mocht vooral niet te vroeg komen, zeker niet voor middernacht want dan stapte je een koude, vochtige en nogal lege kelder binnen. Het waren pas de muziek van DJ Maryse en de dansers – die omstreeks één uur binnenstrompelden en er voorlopig nog een beetje als living dead uitzagen maar al gauw tot leven werden gewekt – die de hel in een kortstondig, vurig paradijs veranderden. Een paradijs dat wij zo lang mogelijk wilden laten duren. Wie zou dat niet willen?

Het Pannenhuis, dat was van licht gemaakt. Je stapte binnen door een eenvoudige deur en je was vrij van beslommeringen, van zwaarte. De tijd kwam een tijdje tot stilstand. Ik kan me er geen ernstige ruzie of een handgemeen herinneren. Het tijdperk van de hippies was definitief voorbij, dit waren zonder twijfel andere tijden: de late jaren zeventig betekenden crisis, armoede, werkloosheid, opkomend individualisme. En toch was het Pannenhuis doordrongen van een lieve, zachtaardige sfeer, of hoe zal ik het noemen? Mogelijk was er toch iets van de spirit van de idealistisch experimenterende jongens van Pink Floyd blijven hangen, van A Saucerful of Secrets? Zoals in Remember a Day van Richard Wright, de toetsenspeler van de band.

Remember a day before today
A day when you were young.
Free to play alone with time
Evening never comes.
Sing a song that can’t be sung
Without the morning’s kiss
Queen, you shall be it if you wish
Look for your king
Why can’t we play today
Why can’t we stay that way

Op een late middag zat ik aan de toog. Ik raakte aan de praat met Brigitte van Cleynenbrogel. Ik weet niet meer heel precies waar ons gesprek over ging, wel dat het meisje me opviel als iemand met karakter. We hadden het zeker over boeken en schrijvers. Brigitte raadde me Thomas Bernhard aan, een Oostenrijkse schrijver waar ik nooit van gehoord had. De enige hedendaagse Oostenrijkse schrijver die ik kende was Peter Handke. Brigitte had van Bernhard De kalkfabriek bij. Ze had het boek uit, ik mocht het hebben. Het begon zo:
Maar in plaats dat ik tijdens dat op en neer lopen aan de studie denk, schijnt hij tegen Wieser gezegd te hebben, tel ik mijn stappen en word daardoor half gek.
Ik was er meteen weg van. Zo leerde ik die heel bijzondere en voor mij invloedrijke romanschrijver en toneelauteur kennen. En niet alleen voor mij invloedrijk. Onder meer van De wereldverbeteraar, Het jachtgezelschap, Ritter, Dene, Voss en Alles is rustig zag ik boeiende voorstellingen. Toneelgroep Stan heeft zich zo’n beetje in het werk van de pessimistische Oostenrijker gespecialiseerd.

Na een nacht in de Cinderella nodigde Brigitte ons een keer uit in haar nogal apart appartement. Lag de vloer niet met scherven van spiegels bezaaid? Dronken we niet het ene glas volle, ijskoude melk na het andere? Een jaar of twee, drie later zou ik vaststellen dat mijn nieuw vriend, Patje, met wie ik van 1983 tot 1991 het radioprogramma Shangri-La maakte, en zijn vriend Dédé in diezelfde flat woonden, nu zonder spiegelglas en zonder melk. Brigitte was een vriendin van Gabriëlla (iedereen noemde haar Bie). Dat ontdekte ik wat later, tijdens een voorstelling van de gedenkwaardige film Don’t Look Now van Nicolas Roeg in het Filmhuis, een zaaltje vlakbij de Stadswaag, waar ook Cinderella’s Ballroom was gevestigd en waar we wat later zelf met ons Aurora-clubje poëzieavonden zouden organiseren. Ik weet niet wat er met Brigitte is gebeurd. Ik heb haar nooit meer teruggezien. Opeens was ze verdwenen. Is ze niet in een commune ergens in de Kempen gaan wonen? Met Gabriëlla gaat alles goed, denk ik. Elkaar terugzien wil evenwel niet lukken. Zij en haar toenmalige vriend Max Borka woonden een poos in een appartement tegenover ons in de Lamorinièrestraat, waarnaartoe wij vanuit de Dolfijnstraat met spijt in het hart waren verhuisd. We kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Zeker toen Max – die toen nog Frank heette – en ik op Radio Centraal in 1982 datzelfde programma Shangri-La gingen maken.

In het Pannenhuis had ik met Max lange gesprekken. Vaak gingen die over Malcolm Lowry en zijn hoofdwerk, Under the Volcano, het verhaal van Geoffrey Firmin, een aan alcohol verslaafde Britse consul in het Mexicaanse stadje Cuernavaca. De roman speelt zich af op de Dag van de Doden in 1938-1939. Terwijl je leest lijken uit de bladzijden van het boek walmen van mescal en tequila op te stijgen. Als ik Under the Volcano nu zie staan denk ik altijd aan Peter Lorre en aan Richard Burton. Dat heeft zo zijn redenen, die ik later wel eens uit de doeken zal doen. In 1979 overleed het kolerieke jazzgenie Charles Mingus in Cuernavaca terwijl hij zich daar voor ALS liet behandelen. In 1988 was het de beurt aan Gil Evans, bekend van zijn samenwerking met Miles Davis, onder meer voor het sublieme album Sketches of Spain.
Max kon met vuur over Malcolm Lowry vertellen en wist er veel over: hij had zijn licentiaatsthesis aan de Britse schrijver gewijd. Tijdens die gesprekken dronken we waarschijnlijk niet even veel als de Consul maar ik denk dat we toch in de buurt kwamen. Nog een laatste, zeiden we dan, en morgen doen we het rustiger aan. We moeten tenslotte ook schrijven. Ons levenswerk dwingt ons tot enige soberheid. Of zouden we er niet beter helemaal mee stoppen? Nog een laatste dan maar.

max en bie 2

Afbeeldingen: Pink Floyd single, foto: M.P.; Max en Bie in het dakappartement aan de Lamorinièrestraat, omstreeks 1980, foto M.P.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 5: KICKS AGAINST THE PRICKS

1979-1980-aurora 13 001 (2)

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 voor mij in petto had. Tweede en laatste deel van een lijst ‘hoogte- en dieptepunten’. Armoede, vriendschap, extase, rock-‘n-roll, letteren en filosofie.

3 6 1978 In de Ommeganckstraat voordracht van mijn tekst ‘Paradijsvogels en poëzie’. Voorgelezen samen met  Senga, Paul Rigaumont en Ginette.  Senga leest Lucebert heel mooi voor, Ginette deelt voorwerpen uit: een baksteen, een banaan, een kroontjespen, enzovoort. Cake gekregen van Rita B., een fles wijn van professor Flam. ’s Avonds in de straten gedanst.

8 6 1978 Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen blijkt een meesterwerk. De teksten zijn korte verhalen, scenario’s voor ‘films noirs’.

16 6 1978 We helpen Ginette met haar verhuis naar de Dolfijnstraat. Daarna met Guillaume en Renée (en wie nog?) naar Brussel voor Suicide en Elvis Costello & the Attractions. Waarom wordt Alan Vega, zanger van Suicide, de microfoon uit de handen gerukt? Het optreden van Elvis Costello & the Attractions is kort en vijandig. Het publiek is razend, terecht vinden wij. Hardhandig optreden van de security. Er breken rellen uit. Het gaat er hard aan toe. Senga houdt me stevig vast, zodat ik niet mee ga vechten tegen die bruten van de ‘veiligheid’.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

Setlist Suicide
Ghost Rider /  Rocket U.S.A. / Cheree / Dance / Frankie Teardrop
(Voortijdig afgebroken, na boegeroep van het publiek. Waarom, want Suicide is geweldig? Later op cd uitgebracht als ‘23 minutes over Brussels’.)

Setlist Elvis Costello & the Attractions
Mystery Dance / Lip Service /  (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes /Less Than Zero / This Year’s Girl  (Vanwege de chaos niet helemaal zeker van de volgorde en de songs.)

17 6 1978 Summer Party in de Dolfijnstraat. Gedanst op platen van the Stranglers, Sex Pistols en de rock-‘n-roll van Guy Bleus. Ik steek een poster van Lenin in brand: no more heroes anymore. Een performance? Het geluid van gebroken glas tegen een tegeltjesmuur. Niet kunnen verdragen dat iedereen naar huis gaat, dat het afgelopen is, dat we alleen achterblijven. Verlatingsangst.

bob dylan 23 juni 1978_3

23 6 1978 Bob Dylan in het Feijenoord Stadion in Rotterdam. De eerste keer dat we hem live zien. Met Leo en Flor. Leo had toen nog een auto. Flor is in 2015 overleden. Op weg naar Rotterdam roken we één jointje. Eerst Champion Jack Dupree en Eric Clapton en dan Bob Dylan. Regen en wind. Bob Dylan als een verbeten Casanova door engelachtige musici van Memling omringd. De muziek stijgt op, mathematisch precies, uit een afgrond van verloren jaren. De verloren zoon is teruggekeerd.

Setlist Bob Dylan
A Hard Rain’s A-Gonna Fall / Love Her With a Feelin’ / Baby, Stop Crying / Mr. Tambourine Man / Shelter From the Storm / Love Minus Zero/No Limit / Tangled Up in Blue / Ballad of a Thin Man / Maggie’s Farm / I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) / Like a Rolling Stone / I Shall Be Released / Going, Going, Gone / Rainy Day Women #12 & 35 / One of Us Must Know (Sooner or Later) / You’re a Big Girl Now / One More Cup of Coffee (Valley Below) / Blowin’ in the Wind / I Want You / Señor (Tales of Yankee Power) /Masters of War / Just Like a Woman / Don’t Think Twice, It’s All Right / All Along the Watchtower / All I Really Want to Do / It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding) / Forever Young / I’ll Be Your Baby Tonight / The Times They Are A-Changin’

Christus_met_zingende_en_musicerende_engelen,_Hans_Memling,_(1483-1494),_Koninklijk_Museum_voor_Schone_Kunsten_Antwerpen,_778

5 7 1978 Diner voor onze vrienden en buren Jules en Rita. Samen zeven flessen wijn leeggedronken. We praten voornamelijk over Samuel Beckett, het concert van Bob Dylan en ik draai platen van Ray Charles.

7 7 1978 Senga en ik spelen ganzenspel. We drinken te veel Old Granddad. Senga moet overgeven.

11 7 1978 Ivo Michiels (scenario) en André Delvaux (regie) draaien een film in onze straat: Een vrouw tussen hond en wolf, met Marie-Christine Barrault en Rutger Hauer. Delvaux en Michiels staan voor onze deur. Van Ivo Michiels heb ik acht jaar geleden les gehad, scenarioschrijven. Cameraman, scriptgirls, jeeps, tanks, allemaal in onze straat. Soldaten en bevrijde Belgen alom.

10 8 1978 Bij Guillaume en Renée maken we nu echt kennis met Ludo Mich en zijn vriendin. Documentaire over Martin Scorsese. De regisseur spat bijna uit elkaar van energie, emoties, hij is een spraakwaterval. Waar heb ik nog zo iemand gezien en gehoord? Gebruikt hij drugs, amfetamine, cocaïne?

11 8 1978 Met Senga naar The Last Waltz van Martin Scorsese (ik was al met Jos geweest).
De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll. De muzikanten zijn stuk voor stuk grandioos – en duidelijk onder invloed. Neil Young ziet eruit als een vampier.

15 8 1978 Mogelijk eerste keer in Pannenhuis (met Guy Bleus?)

22 9 1978 Naar party in Studio Herman Teirlinck met Jos D. en zijn lief Hilde Van Mieghem. Ik voelde me eerst geremd en depressief. Het dansen op platen van John Cale, Patti Smith en Tom Verlaine heeft mij er bovenop geholpen. Gedanst tot iedereen naar huis was, dan wij ook naar huis, te voet.

23 9 1978  Naar Pannenhuis voor kunstmanifestatie Goddog. Anti-kunstenaars uit de wijdere buurt, punks, gekken, losers, outsiders presenteren hun ‘werk’. Het spreekt mij allemaal erg aan. Omdat ik deze mensen nauwelijks ken voel ik er mij wat onwennig bij. Maar ik hou van hun stijl, hun excentriciteit, de manier waarop ze de mode binnenstebuiten keren, hun anarchisme en non-conformisme.  Mijn sympathie ging altijd al naar mensen die hun waanzin durven tonen en weigeren deel uit te maken van wat we nog altijd het systeem noemen. I prefer not to. Eigenlijk gebeurde er niet veel. Het belangrijkste was dat iedereen er was. God-Dog is een mooi vormgegeven tijdschrift, waar geloof ik Dominique Grégoire, Ria Pacqueé en Yvette aan hebben meegewerkt. Alles met wijn overgoten.

27 9 1978 Ik weeg nog 55 kilogram.

5 10 1978 Ginette gaat weg bij ons. Vandaag wordt er verhuisd. Met Jos aan een toneelstuk begonnen dat Barman, Barmaid heet. Onafgewerkt gebleven. Er komt een paradijsvogel in voor en Mozarts Strijkkwartet nr. 14 in G, KV 387.

10 10 1978 Ik heb geen geld om het honorarium van mijn longarts, dokter Clerckx, te betalen. Hij vindt het niet erg. Bovendien geeft zijn secretaresse me zomaar 200 frank om antibiotica te kunnen kopen.

21 10 1978 Alleen naar de kroegen, op zoek naar Jos. Ik vind hem in de Gnoe. Hij zegt dat hij ziek is, zijn oog is ontstoken, hij draagt een zonnebril. Molenwiekt met zijn armen. Met hem naar het Pannenhuis, waar hij zich bitsig en agressief gedraagt. Ik lees er in Rolling Stone over de dood van Keith Moon.  Om 7 uur naar huis. Intense ervaring van het ochtendlicht in oktober.

27 10 1978 Voordracht van de filosoof Michel Serres: Les confessions de Jean-Jacques Rousseau. Paul Rigaumont vraagt zich af of Serres geen geconstrueerde naam is: twee keer RES, een keer omgekeerd.

10 11 1978 In Pannenhuis opening van tentoonstelling van Guillaume Bijl. Daarna een party met veel wijn, whisky en tequila. Lang gesprek met Jan Ceuleers. Black-out.

27 11 78 Toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag, viel de tijd opeens stil. De trein en de reizigers waren er niet meer. Er was iets anders in de plaats gekomen, iets wat je niet kunt benoemen. Je zou van een diepe ervaring kunnen spreken, van een revelatie. Maar dat zegt niets omdat het aan de lezer niets meedeelt over de aard van de ervaring.

1 12 1978 Vandaag is de eerste editie van De Morgen verschenen, een nieuwe poging tot een Vlaamse linkse krant. Ondanks het slordig taalgebruik, de drukfouten, de “progressieve” spelling, ben ik toch tevreden dat de krant er is. Na vele jaren zag ik mijn oude vriend Luc Deleu terug. Hij was net terug uit Nepal. Leopold Flam zegt dat Aurora iets moet worden als de George-Kreis, de groep rond de dichter Stefan George. Meent hij dat? Dat was een elitaire kring van apolitieke dichters, kunstenaars en filosofen. In geen geval wil ik lid blijven van een groep fossielen. We moeten bijgevolg verhinderen dat de filosofische kring Aurora zo’n troep wordt.

31 12 1978 Barre kou en veel sneeuw. Bij Renée en Guillaume om Van Kooten en De Bie te zien. Daarna samen naar de punky reggae party van Jacques Chapon, in de Harmoniestraat. Reggae en tequila en iedereen is er, behalve Jos, die huivert van party’s. Al gauw ziek geworden, maar toch nog naar de Gnoe. Chantal en Gazoe brengen ons naar huis. Ik ga op de keukenvloer liggen en daar blijf ik tot een heel stuk in het nieuwe jaar.

Wailers be there
The Dammed, The Jam, The Clash
Maytals will be there
Doctor Feelgood too, ooh
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
And it’s a punky reggae party
And it’s tonight
Punky reggae party
And it’s alright
Bob Marley, Punky Reggae Party

door francois 1977

Afbeeldingen: Jos en ik in Antwerpen, 1979; Senga & ik; Bob Dylan in concert in Rotterdam, 1978; Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen;  M.P. in zijn werkkamer in de Dolfijnstraat, omstreeks 1978, foto door mijn broer François Brouns.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 4: ALLEEN IN DE TIJD WORDT DE TIJD OVERWONNEN

 

AURORA GB RP 001

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 mij in de schoot wierp. Hier volgt een beknopte opsomming van hoogtepunten – die ook dieptepunten konden zijn. Wat ik weglaat: de meeste privéaangelegenheden (familie), de vele ziektegeschiedenissen, het merendeel van de literaire activiteiten, leesverslagen, enz. De lijst bevat vooral momenten die de nachten in het Pannenhuis aankondigen.

1 1 1978 Nacht van de initiatie. Doop, doopsel. Een mondharmonica wordt een huissleutel. Het echte Antwerpse nachtleven begint hier. Vriendschap met Guillaume Bijl, Renée Strubbe en Ria Pacquée.

21 1 1978 Bij Leo Steculorum en Flor Van Tendeloo, waar ook Guillaume B., Renée S.  en Ria P. aanwezig zijn en ik kennis maak met Chantal Strubbe, Gazoe en Yvette Van Hauwaert. Na middernacht gaan dansen in Cinderella’s Ballroom aan de Stadswaag.

1 3 1978 Mijn oude vriend Jan Van Veen op bezoek in de Dolfijnstraat. Hij praat ononderbroken van vijf uur ’s avonds tot middernacht.

6 3 1978 Van mijn sokken geblazen door Dodeskaden, een film uit 1970 van Akira Kurosawa.

10 3 1978 In de Gnoe. Met Renée en Guillaume lang gepraat over intelligent leven in andere zonnestelsels. Is het universum eindig of oneindig, vroegen wij ons af.

11 3 1978 Voordracht van Jean Paul Dollé, Le destin mondial du nihilisme. Bevraging van de geïnstitutionaliseerde waarheid.

12 3 1978 Feestje in Brussel van Wies, een vriendin van Ginette Bauwens. Ginette wil graag in Antwerpen komen wonen. Wij hebben nog een kamer vrij.

13 3 1978 Guy Bleus en Ronnie Bertels op visite in de Dolfijnstraat. We maken plannen voor samenwerking. Ik ben al een tijd aan het schrijven aan de experimentele prozatekst Stasis, een vervolg op Anastasis. Een uitgever heb ik niet nodig: als mijn teksten af zijn (en goed) worden ze in het tijdschrift van de filosofische kring Aurora gepubliceerd. Met Guy en Ronnie trek ik de stad in. Ook naar het Pannenhuis?

Hans Memling - Triptych of the Resurrection The Resurrection (centre) The Martyrdom of St Sebastian (left) and The Ascension (right) c1485-90 - (MeisterDrucke-71913) - Memling

17 3 1978 Een geweldige televisieavond bij Renée en Guillaume. Wonderlijke en vermakelijke woonkamerlessen esthetica en kunstgeschiedenis van Guillaume. Renée als een postmoderne gastvrouw. Mean Streets van Martin Scorsese. Alles is goed aan die film.

Jimmy: What’s a mook?
Johnny Boy: A mook, what’s a mook?
Tony DeVienazo: I don’t know…
Johnny Boy: What’s a mook?
Jimmy: You can’t call me a mook!
Joey ‘Clams’ Scala: I can’t?
Jimmy: No…
Joey ‘Clams’ Scala: [pause] I’ll give you mook! [punches Jimmy in the face]

18 3 1978 Down en out na een krankzinnige party bij Yvette in Boechout. Ik voel me door mijn vrienden in de steek gelaten. Heb de hele nacht pure Ricard gedronken. Probeerde kort voor we zouden vertrekken Chantal en Gazoe, die nogal hevige ruzie hadden, met elkaar te verzoenen. Tevergeefs. Met Senga alleen achtergebleven in het centrum van nergensland. Ten einde raad en woest en woedend en triest.

21 3 1978 Onverwacht bezoek van Guy Bleus. Hij maakt heel spontaan een muurtekening in onze keuken/salon/dansruimte: impressies van You Can Never Go Home Anymore van the Shangri Las.

00freddy bleus

25 3 1978 Patti Smith Group in het Koninklijk Circus op Paaszaterdag. Een ronduit verbluffend Easter Concert. Beter kan het niet meer worden. The Kids, vaste klanten in Cinderella’s Ballroom, als voorprogramma.

Setlist: We’re Gonna Have a Real Good Time Together (Velvet Underground/Lou Reed) / Kimberly / Till Victory / Space Monkey / 25th Floor / The Kids Are Alright (The Who cover / Tribute to the Kids) / Ghost Dance / We Three / Ask the Angels / Privilege (Set Me Free) (uit de film Privilege van Peter Watkins) / Time Is on My Side (Jerry Ragovoy) / Because the Night (Bruce Springsteen / Patti Smith) / Pumping (My Heart) / Easter / Radio Ethiopia / Gloria (Them) / Be My Baby (Ronettes) / Rock n Roll Nigger / My Generation (The Who)

27 3 1978 Guy Bleus beëindigt zijn fresco. Ik stel  voor om er een citaat van Rimbaud in te verwerken. Dat komt uit een brief van de dichter aan Paul Demeny: “Car Je est un autre. Si le cuivre – s’éveille clairon, il n’y a rien de sa faute. Cela m’est évident : j’assiste à l’éclosion de ma pensée : je la regarde, je l’écoute : je lance un coup d’archet : la Symphonie fait son remuement dans les profondeurs, ou vient d’un bond sur la scène”. We denken na over samenwerking aan een project dat we Schrifturen noemen.

29 3 1978 Koop This Year’s Model van Elvis Costello en ga met Jos Dorissen (alias Giuseppe) zitten drinken en praten in de Mok (Wolstraat).

9 4 1978 Bij Guillaume en Renée. Verjaardag Renée. Op televisie: Bob Dylan en Van Morrison.

12 4 1978 Overlijden van mijn tante Elly, mijn meter. Herinneringen aan pijnlijke gebeurtenissen in mijn kinderjaren.

15 4 1978 Naar het Bal Populaire in King Kong, met Jos, Bie, Willy en Jan. Ray, mijn vroegere collega van bij Corman, draait platen. Daarna het orkest van Raymond van het Groenewoud en dansen.

17 4 1978 Bezoek van Guy. We maken plannen voor twee nieuwe projecten: Beach Night en Move Art.

18 4 1978 Twee indrukwekkende films in Monty in de Montignystraat:  Chinesisches Roulette van Fassbinder (met Anna Karina en hetzelfde citaat uit de brief van Rimbaud aan Paul Demeny als nu in ‘ons’ fresco is opgenomen) en Il deserto dei Tartari van Valerio Zurlini, naar de roman van Dino Buzzati.

21 4 1978 Bij Renée en Guillaume de uitstekende film De angst van de doelman voor de strafschop van Wim Wenders, naar een boek van Peter Handke. Ik ben een bewonderaar van Handke en nu ook van Wim Wenders.

5 5 1978 Senga en ik helpen Guillaume Bijl bij het maken van zijn Pleasure Projects.

19 5 1978 Bij Renée  en Guillaume zien we Falsche Bewegung van Wim Wenders en Peter Handke, naar Goethe’s Wilhelm Meisters leerjaren. Daarna met Renée, Guillaume, Leo, Gerda en Chantal te voet naar de Gnoe in de Wolstraat, een heel eind. Alsof we personages uit Falsche Bewegung zijn, maar dan in de stad.

26 5 1978 Mijn vriend Paul Luyten geeft mij Four Quartets van TS Eliot cadeau.

“… Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.”
Burnt Norton, T.S. Eliot

MAISON DIEU 001

1 6 1978 Zwaar verkouden naar Brussel voor een optreden van Link Wray en Robert Gordon. Beste rock-‘n-roll concert ooit. Link Wray en Robert Gordon spelen onder meer: The Way I Walk, Mystery Train, Lonesome Train (On a Lonesome Track), Rumble, Hot Dog, Fire, (You’re So Square) Baby I Don’t Care, The Fool, Baby Let’s Play House en Red Hot.
Nadien naar De Tulp in Elsene. Paul Luyten en zijn vriend Kees daar toevallig ontmoet. Paul brengt ons naar Antwerpen terug. In de auto: Paul, Senga, ik, Maria Menten, Kees, Greta. Samen tot sluitingstijd in de Gnoe. Maria Menten besluit om naar Antwerpen te verhuizen.

2 6 1978 Mijn verjaardag. Bliksem, als geschenk van de heidense goden. Een fles Jim Beam als aardser cadeau. Ik bekijk uitzonderlijk nog eens de tarotkaarten. Mijn blik valt op de door de bliksem getroffen Toren, de zestiende kaart uit de grote Arcana. In de Tarot van Marseille heet deze kaart La Maison-Dieu, wat ziekenhuis betekent. Volgens sommige interpretaties slaat de kaart op rampen of ongelukken. Volgens anderen gaat het om “de zuivere kracht van de kosmische energie”. De bliksem is een attribuut van Jupiter of Zeus. In de poëtische verbeelding van Hölderlin speelt de bliksem een belangrijke rol. Van die verkoudheid ben ik op miraculeuze wijze verlost. Dankzij Link Wray?

Wordt vervolgd

Afbeeldingen: Uitnodiging tentoonstelling Guillaume Bijl en Ria Pacquée bij Aurora 1977-1978; met Freddie Bleus voor het fresco van zijn broer, in de Dolfijnstraat in Antwerpen; Wederopstanding van Memling; de tarotkaart La Maison-Dieu.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (3): VLIEGEND TAPIJT

blankenberge1969

Kenmerkend voor nachten in de stad ’s nachts is dat ik weinig zie, niet zozeer omdat het donker is maar omdat ik niet kijk en niet luister. Zelden dringt tot me door wie er in een café zit, wat voor soort mensen het zijn, welke kleren ze aan hebben, hoe ze kijken, waarover ze praten, welke woorden ze gebruiken. Voor mijn ogen zit een beslagen scherm en mijn oren zijn volgepropt met watten. Een mistig innerlijk landschap. Ik hoor flarden van een gesprek, betekenisloze zinnen, stukjes melodie van een troebel lied, klankwolken, wazigheden, rumoer. Maar ik luister met aandacht en overgave naar wat mijn vriend me vertelt, ik volg zijn verhaal, het is aanstekelijk, ik begin zelf ook te vertellen, een lange historie over vroeger, toen we gelukkig waren, of ongelukkig, en eenzaam. Maar niet slecht eenzaam, eerder goed eenzaam. We hadden bijvoorbeeld nog geen Nabokov of Thomas Mann nodig als compensatie voor de harde werkelijkheid. Lolita noch Settembrini. Ik verdwijn dan op mijn beurt zelf in de woorden. Ik vergeet mijn bestaan. Zou dat euforie zijn? Welbehagen? Uitbundigheid? De woorden weven de stof van het verhaal. Onze zinnen verliezen hun gewicht, weven een vliegend tapijt dat ons op een wervelwind van de grond meeneemt naar een onbekende bestemming, ver weg van het rumoer en mensen zonder gezicht.

Een ex-militair kwam bij ons aan tafel zitten, bij mij en Giuseppe. Niet dat hij al oud was. Een jonge ex-militair. Hoe heette hij ook alweer? Joris of zo. Maar ook weer niet piepjong. Hij moest ons dringend een verhaal vertellen. Mijn ouders zijn rijke mensen, zei hij. Ik ben een rijkeluiszoon, dat valt niet te betwijfelen. Het zou een lang verhaal worden met nogal wat overbodige woorden en zijsprongen. Zou ik wel blijven luisteren? Ik kom uit een bourgeoisfamilie, zei hij. Het is de eerste keer dat ik binnenstap in een café als dit. Ik weet niet wat me bezield heeft. Een verlangen naar vrijheid misschien? Mijn afkomst heeft me gedetermineerd, ik keek op naar autoritaire figuren. Daarom ging ik vrijwillig bij het leger. Daar gingen mijn ogen pas open. In de kazerne kwam ik al gauw in conflict met enkele officieren. Ik besefte nu pas goed wat het betekende je vrijheid op te geven en je te onderwerpen aan gezagsdragers. Op slag werd ik antiautoritair. Ja, ja, de schellen vielen me van de ogen. Weer in het ouderlijk huis kreeg ik ruzie met mij pa. Ik, schrijver dezes, vat de monoloog van Joris een beetje samen. Ik rond hem zelfs af. Het duurt me wat te lang en dreigt eentonig te worden voor de lezer. Gelukkig was de ex-militair niet alleen. Zijn entourage leek zich wat voor hem te schamen en drong er bij hem op aan om te vertrekken. De opstandige bourgeoiszoon vond het jammer dat hij zijn woordenstroom moest onderbreken maar tenslotte boog hij gehoorzaam het hoofd en vertrok. Eerst wierp hij me nog een enigszins boze blik toe. Was ik even zijn vader-substituut geweest? Wie zal het zeggen, het geloof in Freud heb ik, anti-oedipus,  al een tijdje opgegeven.

Giuseppe had er de hele tijd verveeld bijgezeten. Hij hield niet van onderbrekingen. Ik ook niet. We waren net zo lekker ver weg geweest op dat vliegend tapijt. Ergens in de kosmos, waar piepkleine deeltjes van Gram Parsons, de cosmic cowboy, rondcirkelden. Nu kwam Jean Doppegieter aan ons tafeltje zitten. Ik kende hem van in 1969, toen we in de straten van Blankenberge beatniks waren geweest. Een lieve man. Hij wilde me een foto tonen. Na acht jaar had iemand hem inderdaad nog een foto opgestuurd waar we allemaal samen op staan, ongewassen, de haren lang, in voorlopige vrijheid, een heel klein beetje gelukkig.

The_Absinthe_Drinker_by_Viktor_Oliva

Afbeeldingen: In Blankenberge, zomer 1969, Jean Doppegieter is de derde van links; De absintdrinker, Victor Oliva, 1901.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (2)

00me, laura & jos 1978

Alles heeft een begin, ook deze aantekeningen omtrent het Pannenhuis. Alle begin is moeilijk. De eerste woorden, waar al de rest op logische of onlogische wijze uit voortvloeit, moeten hun doel treffen en ecologisch zijn. Je mag een wit blad niet vuil maken met lelijke woorden of overbodige leugens. Antwerpen is een harde noot om te kraken. Soms denk ik dat je er geboren moet zijn om er helemaal aanvaard te worden. Om voor vol aanzien te worden, of toch voor meer dan leeg. Dat je op zijn minst het dialect moet spreken, liefst zonder accent. Als je er niet geboren bent moet je bijgevolg een goed acteur zijn. Bestaan er evenwel acteurs die een Limburgs accent kunnen wegmoffelen?

Voor sommige reizigers die stranden in t‘ Stad wordt, geloof ik, een uitzondering gemaakt. Het komt me voor dat je er gemakkelijker wordt aanvaard als je wat excentriek bent, een circusartiest, een woordkunstenaar, een muzikant, een schilder zelfs. Maar ook als je excentriek bent, wat Senga – zo wilde mijn geliefde toen genoemd worden – en ik zeker waren, moet je inspanningen doen om in een Antwerps midden opgenomen te worden. In een midden (milieu) of in een kringetje buiten dat midden, bijvoorbeeld in een subcultuur.

00leo-flor2

Toen Senga en ik in Antwerpen aankwamen waren wij op tweeërlei wijze door het lot begunstigd. In de eerste plaats hadden wij échte Antwerpse vrienden en vrienden die bevriend waren met échte Antwerpenaren. Leo Steculorum, Flor Van Tendeloo en Guillaume Bijl behoorden tot de eerste categorie; Guy Bleus tot de tweede. Het is goed mogelijk dat ik iemand vergeet. In de tweede plaats was er zich in 1977 ook in Antwerpen heel snel een nieuwe subcultuur aan het ontwikkelen: punk. Terwijl wij die zomer en herfst de vele kamers van ons huis in de Dolfijnstraat aan het schilderen waren had ik via een oude transistorradio kennis gemaakt met de explosieve songs van the Clash, the Sex Pistols, the Stranglers, Richard Hell & the Voidoids en, wonder boven wonder, the Ramones en was ik op die manier uit een lange rock-‘n-roll-winterslaap wakker geschud. De Hector Berlioz-periode had nu wel lang genoegd geduurd.

ramones-rocket

Hoe, wanneer precies en met wie ik het Pannenhuis na al die jaren opnieuw ontdekte weet ik niet meer en ik vind het ook niet terug in mijn dagboeknoties. Heel waarschijnlijk gebeurde dat in de tweede helft van 1978. Heel goed mogelijk was het ter gelegenheid van de kunstmanifestatie Goddog op 23 september dat jaar. Ook daarover vind ik maar weinig terug. De mooie losbladige editie van Goddog Express die ik al van die dag in mijn bezit heb en koester en die Marc Schepers eergisteren op facebook postte [1] lijkt verdwenen te zijn. Wel las ik in een klein rood notitieboekje dat iedereen die avond stomdronken was, ikzelf inbegrepen. Geen wonder dat ik me van het evenement nauwelijks iets herinner en er niets over kon noteren omdat ik de volgende dag een zware kater had.

goddog express

1978 was een van de opwindendste jaren van mijn hele leven. Het is nu te laat om nog te verwachten dat die op elk gebied bijna onafgebroken opwinding van toen ooit nog overtroffen zal worden. In dat jaar bracht ik veel tijd met vrienden door. Dat waren in het bijzonder Guy Bleus uit Wellen in Limburg, die vaak naar Antwerpen kwam en dan soms bij ons bleef logeren, Leo Steculorum en zijn vrouw Flor, Guillaume Bijl en Renée Strubbe en Jos Dorissen uit Mechelen aan de Maas. Het was met deze vrienden en hun entourages dat ik het Antwerpse nachtleven ging verkennen en dankzij wie ik deel ging uitmaken van een soort van alternatieve kunstscene.

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat 1978 mij in de schoot wierp. Een zeer beknopte opsomming van hoogtepunten (die ook dieptepunten konden zijn, niets is zuiver en eenduidig; hoed je voor de zuivere waarheid) volgt hier morgen.

tongeren 1968

[1] De afbeelding hierboven heb ik van facebook gedownload, met dank aan Marc Schepers.

Afbeeldingen: Senga, Jos D., ik bij Jos thuis, omstreeks 1980; Leo S., Flor V. en op de achtergrond mijn zoontje Jesse, in Oostduinkerke, 1973; the Ramones; Goddog; Koninklijk Atheneum Tongeren, 1968: repetitie voor mijn koninklijk toneelstuk De droom, met links van me Ivan Popovic en rechts Guy Bleus en Henri Janssen (niets is wat het lijkt).

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (1)

1980 agnes-4-29-2013_002_edited

In de eerste jaren van wat ik maar mijn Antwerpse periode zal noemen zocht ik vaak met mijn geliefde, soms ook op mijn eentje, het Pannenhuis op. Dat was in die dagen geen bruine kroeg maar een witte, gelegen aan het Conscienceplein, de plek waar in de jaren zestig de Antwerpse provo’s hun happenings hielden. In februari 1968 waren mijn Limburgse vrienden en ik er aanwezig bij een fenomenaal psychedelisch concert van Pink Floyd. Daarna, tot ik in 1977 in Antwerpen ging wonen, zette ik er geen stap meer binnen.

Van alle cafés waar ik ooit kwam heb ik aan het Pannenhuis de beste herinneringen, ook al beleefde ik extatische momenten in Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag. Daar heb ik net zo goed fijne herinneringen aan, maar ze zijn vager dan die aan het Pannenhuis. Wellicht omdat ik in Cinderella’s Ballroom voornamelijk voor de muziek kwam, en om te dansen. Eigenlijk heb ik daar nooit iemand echt leren kennen. Zelfs de nachtraven die er zoals wij elk weekend kwamen kan ik me nauwelijks herinneren. De namen zijn weg, als ik ze al ooit al gekend heb. Ik ga ervanuit dat sommigen van hen, van die uitbundige en vaak excentrieke jongens en meisjes, stuk voor stuk voorlopers van wat later de Antwerpse mode werd, inmiddels dood zijn, of naar een exotisch land vertrokken om daar hun leven te rekken. De belangrijkste protagonisten, zoals Maryse en Robert, herinner ik me gelukkig wel nog. En voor details kan ik overigens altijd te rade gaan bij de sympathieke facebookgroep Cinderella’s Ballroom, die is ontstaan na het succes van mijn toch eerder beknopt stukje hier, getiteld De jaren zeventig in Antwerpen (een titel die de lading niet dekt). Ik kan eveneens teruggrijpen naar mijn dagboeknotities uit die tijd maar iets houdt me tegen om dat te doen. Ben ik bang voor teleurstellingen?

Met het Pannenhuis is het helemaal anders. Daar ging ik naartoe voor vrienden en kennissen, voor ontmoetingen en gesprekken. Muziek, die er ook niet te versmaden was, speelde daar een wat ondergeschikte rol. Gedanst werd er bijna nooit. Ik herinner me een black & white night met skamuziek. De 24 hour party people droegen die avond zwart en wit, Two-tone, in navolging van the Specials, the Beat en the Selecter, drie Britse bands die ons nauw aan het hart lagen. Ze leken op skinheads, die we eerder met extreemrechts en racisme associeerden, maar de Two-tone-beweging was net het tegenovergestelde: de muzikanten en hun fans waren zowel blank als zwart en eerder radicaal links. Two-tone was een genre dat voortkwam uit de Britse en Jamaicaanse subcultuur, een fusie van ska, new wave en punk rock.

Meestal was de muziek maar achtergrond, die soms voorgrond werd, zoals bij Remain In Light, het meesterwerk van Talking Heads en bij de songs van the Modern Lovers. Een zwak had ik voor twee elpees die Toulouse en Greta vaak draaiden: The Best of the Shangri-Las en Nico’s Chelsea Girl. Toulouse en Greta runden het Pannenhuis, ze stonden er achter de toog en organiseerden er evenementen, voornamelijk tentoonstellingen van tegendraadse kunstenaars. Ze hielden van kunst, film, waren gretige lezers. Toulouse werkte aan een boek. Hij was een ernstig man maar dan wel met veel gevoel voor humor.

00-1978-1980-AURORA 11 001

Met namen van cafés als het Pannenhuis is er iets vreemds aan de hand. Je denkt helemaal niet aan een echt pannenhuis, aan de betekenis die het woord normalewijs heeft. Het Pannenhuis als naam van de kroeg is een soort van algemene betekenaar van alles wat je er beleefd hebt, van de sfeer die er hing, de mensen die er kwamen, enzovoort. Het is een soort van reiskoffer, om het wat plastischer uit te drukken, waar al die dingen in zitten. In A la recherche du temps perdu zal Proust wel over dergelijke woorden en namen hebben geschreven, maar ik herinner me de details niet meer. Ik word ouder, mijn geheugen takelt af; een film die ik vorige week zag ben ik vandaag al vergeten.

Het was mij in het Pannenhuis vooral om de conversaties te doen. Hoewel ik schuchter ben en me meestal afzijdig houd, vond ik het daar niet moeilijk om met iemand een gesprek aan te knopen. De sfeer was er open, verwelkomend. Ik denk dat het witte café op het Conscienceplein voor nogal wat van de vaste klanten een tweede thuis was. Ik ontmoette er niet alleen vrienden en kennissen van vroeger maar ook jonge mannen en vrouwen in wie ik zielsverwanten herkende. De meesten van hen zijn al lang uit mijn leven verdwenen. Sommigen zie ik af en toe nog eens op facebook voorbijtrekken, bleke wolken in een heldere lucht.

Wie herinner ik me nog? In de eerste plaats de oude vrienden die ik er opnieuw tegen het lijf liep: Jan Ceuleers, die ik kende van de universiteit, een man van wie ik veel opstak over Internationale Situationniste en het surrealisme. Met Jean Doppegieter ging het meestal over de zomer van 1969 – nu ruim vijftig jaar geleden – in Blankenberge, waar we als beatniks op straat hadden geleefd. We trokken er op met the Scrub, een band uit Bilzen, en zagen er the Pebbles, die doorleefde soulmuziek speelden, onder meer Piece Of My Heart, een single van Erma Franklin. Ronnie Bertels, een vriend van Guy Bleus, stelde er gedichten ten toon. (Wat zou er met Ronnie gebeurd zijn? Ik herinner mij nu opeens een decadente party in de vroege jaren zeventig in een oud en wat vervallen herenhuis in Ekeren, waar V. en ik ’s morgens verkleumd van de kou op de eerste trein wachtten.) Mijn oude boezemvriend Guy Bleus (met wie ik in Tongeren op internaat heb geleden), een van de voorlopers van de mail-art, reikte er paspoorten voor Mars uit. Het Mars-paspoort op mijn naam bezit ik nog altijd. Leo Steculorum stelde er woorden tentoon. Daar had hij maanden, mogelijk zelfs jaren aan gewerkt. Leo was de enige met wie ik meermaals ruzie had. Ik herinner me heel goed dat hij Van Morrison een ‘valsaard’ noemde. Waarop ik woedend werd. Van Morrison, de man die ‘The Great Deception’ heeft geschreven? Marc Ceulemans, veel te jong gestorven, vond ik innemend. We praatten meermaals met veel enthousiasme over muziek, vooral over punk en new wave. Hij speelde in de punkband De Kommeniste. Kort voor zijn dood zag ik hem nog een keer terug bij een concert van een Antwerps muziekgezelschap.

00-ID MARS 001

Dikwijls trokken Agnes en ik samen met Guillaume Bijl en zijn levensgezellin Renée Strubbe naar het Pannenhuis. Tot vroeg in de ochtend zaten we te praten over kunst. Guillaume was een wandelende kunstencyclopedie. Van hem heb ik veel opgestoken over contemporaine kunst. Soms was hij zo dronken dat ik hem naar huis moest begeleiden, zelf ook niet bepaald nuchter. Ik weet niet hoe ik de taxi betaalde, arm als ik was. Misschien deed hij dat wel, genereus als hij was. Met Renée Strubbe gingen de gesprekken over boeken en fait-divers. Gesprekken waren het eigenlijk niet: Renée was een spraakwaterval. Met zijn vieren zijn we heel goede vrienden geworden, tot het allemaal verbrokkelde en voor Renée tragisch afliep. Ik herinner mij nu ook weer de magische televisieavonden bij Guillaume en Renée. Dat waren evenementen, performances en kleine filmvoorstellingen. Ik kan er nu niet meer over kwijt, de emoties overmannen mij te zeer.

Andere beginnende kunstenaars met wie ik in het Pannenhuis vriendschap sloot waren Ria Pacquée, Walter Van Rooy, de drijvende kracht achter Ruimte Z, de tedere Guy Rombouts. Ja, ik herinner me zijn droomalfabet nog. Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos, toen ook aan het begin van hun carrière. Van Danny Devos was ik altijd een beetje bang: hij had iets dreigends over zich en was geobsedeerd door seriemoordenaars. Anne-Mie vond ik fascinerend, als vrouw en als kunstenaar. Later hadden ze een apart programma op radio Centraal: Als u niet naar ons komt, komen wij wel naar u. Eddie Devos, die toen verhalen schreef, maar ook al schilderde. Annie Gentils en haar broer, de schilder Frans Gentils. Ik noem nu maar even de namen, zodat ik ze niet vergeet. Later vertel ik er meer over. Als de tijd gekomen is, waarmee ik bedoel dat mijn geest er rijp moet voor zijn. Mijn geest, die lijkt een beetje op een grand cru, een Château Margaux 1961 of zo: je mag hem niet overhaast opendoen. Het probleem is dat ik niet goed weet hoe lang hij in de fles moet blijven. Het is heel goed mogelijk dat hij zijn beste tijd al overschreden heeft. Wat dan aangevangen? Iedereen weet dat je altijd voorzichtig moet zijn met een geest in een fles. En meer nog als hij eruit weet te ontsnappen.

Wordt vervolgd…

00-1979-1980-aurora 10 kleur 001_edited c

Bij de afbeeldingen: in de periode die ik hierboven beschreef bezat ik geen fototoestel. Van het Pannenhuis, Cinderella’s Ballroom en andere plekken heb ik niet één foto. Het is dus niet uit narcisme dat ik deze foto’s gekozen heb: Agnes (alias Senga) op het dak van ons appartement in de Lamorinièrestraat; identiteitskaart van Mars, een werk van Guy Bleus; in Borgerhout, ikzelf, Thierry, rokende Agnes, Chantal; in de Lange Brilstraat, met van rechts naar links: Agnes, een onbekend meisje, Chantal, Paul Rigaumont, ikzelf (aan de rechterzijde Cinderella’s Ballroom).

KOPENHAAGSE BEELDEN

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 012

Soms zegt één beeld meer dan duizend woorden, zeg je. Soms ben ik het met je eens. Onze tijd is gek van fotografie, maar kijkt onze tijd ook nog naar foto’s? Zijn er niet te veel om ze nog aandachtig en van dichtbij te kunnen bekijken? Om ze te zien? Wat is dat toch met al die foto’s, met al die fotoboeken op salontafels? Wat is dat met het verschuiven van onze aandacht van plastische kunst naar fotografie? Al die bedevaarten naar fototentoonstellingen, waar zijn die goed voor? Wat heeft onze tijd eraan? Wat doet hij ermee? Volstaat het moment niet langer? De belevenis? De ervaring?
Al dat treuren om overleden fotografen, ook nu weer om Robert Frank, Peter Lindbergh en Fred Herzog, wat betekent dat toch? Want ik weet het niet. Ik maak ook maar wat foto’s. Snapshots zijn het, meer niet.

In juni reisde ik per trein naar Hamburg en van daar naar Kopenhagen. Hoewel ik nog zwak was van een lange ziekte beleefde ik er mooie en intense momenten. Tijdens de reis had ik te weinig energie om wat dan ook te noteren, maar ik wilde toch een aantal indrukken onthouden. Het geheugen gaat er niet op vooruit, hoor ik je zo vaak zeggen. En dat stel ik nu ook aan den lijve vast. Deze foto’s zijn een soort van dagboeknotities. Maar ze hebben minder moeite gekost dat die in woorden. Zeggen ze ook meer?

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 074

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 078

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 088

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 098

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 103

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 106

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 151

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 158

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 181

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 196

crosby 2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 253 b

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 201

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 223

2019-06-29-hamburg-kopenhagen-canon 242

Beelden: van Puttgarden naar Rødbyhavn; Kierkegaards graf; een groepje Italianen aan Kierkegaards graf; Ben Websters graf; Christiansborg (x3); Louisiana; Pipilotti Rist; Yayoi Kusama; Karel Appel; Njideka Akunyli Crosby; zwemmers in Louisiana; Louisiana; hotelkamer ’s ochtends.

VERMOEIDE STRIJDERS

 

enfant secret 2

Enkele dagen geleden zag  ik L’enfant secret van Philippe Garrel, een autobiografische film uit 1979 met Anne Wiazemsky, Henri de Maublanc, Elli Medeiros en Bambou. De soundtrack is van Faton Cahen, bekend of niet bekend van de Franse progressieve-rockband Magma. In L’enfant secret vertelt Garrel een liefdesverhaal gebaseerd op zijn relatie met de zangeres Nico. De titel verwijst naar het zoontje van Nico, Ari, dat door zijn vader, Alain Delon, nooit werd erkend.
Met Philippe Garrels filmstijl ben ik vertrouwd. Ik houd van zijn zwartwit, zijn lange stiltes, zijn trage camerabewegingen, zijn schaarse maar veelzeggende dialogen, zijn herhalingen. Zoals in al zijn films doen ook in L’enfant secret de acteurs en actrices aan underacting. Geen duidelijk zichtbare emoties bij de personages, wat niet belet dat je als toeschouwer toch met ze meevoelt. De film heeft vooral door zijn ritme en het vele donker een hypnose-effect. Je raakt bedwelmd: de kleine wereld die je op het scherm ziet en hoort wordt jouw eigen kleine wereld.

Het is mogelijk dat niet iedereen intimistische films als die van Philippe Garrel zo beleeft. Sommigen zullen zich ergeren aan de tegendraadsheid en de traagheid. Toen ik er gisteravond in het sprookjesachtige Warandepark met op de achtergrond de exotische muziek van de Feeërieën nog eens over nadacht besefte ik dat ik zelf ook in zo’n kleine wereld heb geleefd, en dat – in mindere mate – nog steeds doe. Een andere omgeving, een andere stijl, dat zeker, maar er zijn nogal wat overeenkomsten met die van de donkere setting waar Garrel ons mee naartoe neemt.
Aan het einde van de jaren zeventig en zeker in de jaren tachtig leefde ik net zo geïsoleerd, net zo opgesloten in mezelf en in de zelfgekozen microkosmos van verwante zielen. In zoverre we dat zelf al kunnen kiezen. Het was de nasleep van de tegencultuur. We waren vermoeide strijders die nooit hadden gestreden maar wel de oorlog verloren.
De muziek waar ik van hield hoorde je weinig op de radio (tenzij in het onvolprezen programma Domino, leerschool van heel wat muziekminnaars). Mijn favoriete films, die van Terrence Malick, Yasujiro Ozu, Shohei Imamura, de jonge Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Jacques Rivette en die van oude meesters als Friedrich Wilhelm Murnau, Jean Epstein en Robert Bresson, zag je alleen in cinefiele filmhuizen zoals Cartoon’s en Monty in Antwerpen en in het Brusselse Filmmuseum. Ik las geen bestsellers, geen boeken van bekende Nederlandse schrijvers (en van onbekende ook maar heel weinig). Wel ging mijn liefde naar romantische auteurs: Shelley, Keats en Kleist (die ik tot de romantici rekende). Ik had een grote bewondering voor Hölderlin en voor Antonin Artaud. Ik geloof dat ik maar één Nederlandse dichter las, H. H. ter Balkt alias Habakuk II de Balker, die ik als een Captain Beefheart van de Lage Landen beschouw(de). Mogelijk ben ik enkele dichters vergeten. Maar hoe het ook zij: ik verachtte het literaire wereldje van toen. Dat van de salons en boekenbeurzen en de praatprogramma’s (het bestaan waarvan ik pas in 1984, na aanschaf van een televisietoestel, ontdekte). Ik las geen kranten. Hoewel ik enkele kunstenaars als goede vrienden beschouwde interesseerde hedendaagse kunst me weinig. Ik liftte naar Firenze, Rome, Venetië en Padua om er de grote meesters uit de renaissance te bestuderen. De mooiste herinneringen heb ik aan een kort verblijf in Tübingen, en dan vooral aan mijn bezoek aan de toren waar Hölderlin de laatste zevenendertig jaar van zijn leven sleet. Hoewel de toren die er in 1979 stond niet meer de originele was, voelde ik er toch de aanwezigheid van de grote tragische dichter. Door een raam zag ik de Neckar stromen, dezelfde en toch niet dezelfde rivier die Hölderlin zo vaak zoveel troost had geschonken. Ja, grotendeels leefde ik in de negentiende eeuw en voor de rest in het boek The Romantic Agony [1] van Mario Praz, een tijdlang mijn literair-esthetische bijbel. Mijn kijk op de renaissance was negentiende-eeuws, de manier waarop ik naar muziek luisterde was dat vermoedelijk ook.
Op een dag echter gingen misdaadromans in mijn lezend leven ook een grote rol spelen . Hoe ik daartoe gekomen ben weet ik niet goed meer. Mogelijk kwam het door mijn vele gesprekken met mijn vriend Jos. Mogelijk raakte ik eraan verslingerd nadat ik de film Hammett van Wim Wenders had gezien. Voortaan vond ik het heerlijk om de hard-boiled romans van Dashiell Hammett, Raymond Chandler, Ross McDonald en vooral James Cain te lezen; een ware verrukking als ik een kater had. Wat later kwamen Sjöwall en Wahlöö het groepje misdaadverzinners vervoegen. Die had Jos mij aangeraden, dat weet ik wel zeker. In het begin aarzelde ik nog wat, onder meer omdat die twee schrijvers, een echtpaar, zulke rare namen hadden en ook wel omdat het zo’n lelijke Zwarte Beertjes waren. Maar zodra ik er één gelezen had volgde de rest.

Van alles wat ik hier heb opgesomd komt er zo goed als niets ter sprake in L’enfant secret. En toch, en toch is er die geestelijke verwantschap met Philippe Garrel – en met andere vergelijkbare kunstenaars. Ik denk dat gevoelens van afzondering, eenzaamheid en melancholie daar de grondtonen van zijn. Net als Philippe Garrel leefde ik in die tijd in een milieu waarin waanzin, psychiatrische instellingen, zelfmoord, amfetamine en morfine schering en inslag waren in de levens van sommige van mijn vrienden, de meest tragische van de vermoeide strijders tegen de toen heersende cultuur. Noem mijn generatie niet de generatie van vrijheid-blijheid. Als er al zoiets bestaat als mijn generatie. De deelgeneratie waar ik toe behoor zou je een nieuwe verloren generatie kunnen noemen, vergelijkbaar met die uit de jaren dertig, die van F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Ezra Pound. De meesten van ons waren beautiful losers. Maar ik ben een overlever, ook al verafschuw ik die uitdrukking en ook al voel ik me nog steeds nergens thuis.

1978-1980-AURORA 15 DROMEN 001_editedb

[1] Lezers die in die dagen geen Italiaans kenden moesten hun toevlucht zoeken tot de Engelse vertaling van wat oorspronkelijk ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Het boek werd later in het Nederlands vertaald als ‘Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’.

Afbeeldingen: Anne Wiazemsky en Henri de Maublanc in L’enfant secret; schrijver dezes en Agnes (toen Senga) omstreeks 1979.

BRIAN JONES EN DE DOOD

IMG_20191011_124557

Op 3 juli 1969 stierf een van mijn grootste jeugdhelden, hoewel we in dat anti-tijdperk het woord ‘held’ niet gebruikten. Hoe noemden we iemand als Brian Jones dan wel? Hij was zeker geen idool. Aan idolatrie deden we evenmin. Voor mij was hij een verre vriend. Ondanks de afstand meende ik hem beter te kennen dan Jan, Henry of Luc. Wat een vergissing, achteraf gezien. Wist ik veel hoe erg het met Brian gesteld was. In welke mate drugs en ‘geneesmiddelen’ hem op die jonge leeftijd al hadden verwoest. Ik dacht dat hij van een astma-aanval was gestorven. In mijn donkerste ogenblikken ging ik ervan uit dat Mick Jagger en Keith Richards hem hadden vermoord of laten vermoorden. Dat was ook het uitgangspunt van een artikel dat ik een jaar of twee later voor Humo schreef. Niemand op de redactie geloofde mijn hysterische hypothese: mijn stuk werd niet gepubliceerd.
3 juli 1969 zal zeker een van die mooie zomerdagen geweest zijn waar ik me zo weinig van herinner omdat ik zo gelukkig was. Gedaan met de middelbare school, weg uit de hel van het Tongerse internaat. Eindelijk vrij, de wereld aan mijn voeten. Blankenberge, de Noordzee, aan de overkant Londen, dat nog even bleef swingen. Mijn langharige vrienden, the Scrub, the Pebbles. Take another little piece of my heart now baby, zongen ze.
Telkens als ik een sigaret opstak waarschuwde mijn Brusselse vriend Duduche me: als ik zo doorging zou ik het ook niet lang meer trekken. Zevenentwintig zou ik wel nooit worden. Tot ik dan eindelijk die leeftijd had bereikt heb ik zijn waarschuwing geloofd. Ik was immers een dubbelganger van Brian Jones… Wat hadden we dan zoal gemeen? We hadden allebei astma en we zagen graag meisjes, al dan niet blond.
In 1977, toen ik zevenentwintig was geworden, was punk onder ons. En boven ons en rondom ons. Geen tijd om aan de dood te denken, geen tijd om aan het verleden te denken – en zeker niet aan de toekomst. Forever now! En zo werd ik zesenvijftig. Tot 2 juni 2006 was ik er zeker van dat ik op die leeftijd zou sterven. Er gebeurde helemaal niets. Alleen had ik in die periode te kampen met een zware depressie.
Nu Brian vijftig jaar dood is ben ik negenenzestig, een eerder oude man. Ik ben nog steeds niet dood, al heeft het in 2011 niet veel gescheeld. Brian is al lang geen verre vriend meer (dacht ik even, wanhopig als ik soms ben). En mijn vrienden van vroeger zijn niet meer als toen, als ze nog in leven zijn, en ikzelf ben al helemaal niet meer als toen. Ik ben helaas zoals nu. Beter wordt het nooit.
Vanmorgen bij het ontbijt beluisterde ik enkele oude liedjes van the Rolling Stones. Hoe belachelijk vond ik opeens Tell Me en Heart of Stone. Infantiel, vond ik. Maar dan, toen ik op het terras de planten water stond te geven, hoorde ik Get Off My Cloud, één en al opwinding. Een nieuwe geboorte van rock & roll, een nieuw begin. Punk in 1966. Opnieuw zag ik Brian Jones, mijn verre vriend in Londen, grijnzen en nog eens aan zijn sigaret trekken en heel diep inhaleren. England’s dreaming, hoorde ik hem zuchten. Kom jongen, ik speel nog even wat slide voor je, wat denk je van Elmore James’ Make My Dreams Come True?

Afbeelding: Martin Pulaski

WIE IS DAT TOCH WEER?

fifties - met moeder en françois

Waarom heb ik zo’n slecht geheugen voor namen en gezichten? Heb ik dat altijd gehad? Een poos geleden las ik erover in een roman van Patrick Modiano, maar ik heb de titel niet genoteerd. Het is best mogelijk dat het in een boek van Sebald was. In ‘De emigrés’? Misschien is mijn geheugen wat dat betreft zo slecht omdat mijn kinderjaren een periode waren van bijna voortdurend afscheid nemen. Tot mijn achtste bij mijn ouders op het schip. Mijn zes jaar oudere broer op een schippersschool in Brugge. In de havens waar we aanmeerden, Antwerpen, Eisden, Luik, Charleroi, maakte ik snel kennis met andere schipperskinderen, en dan speelden we samen cowboy en indiaan of andere spelletjes, maar dat was altijd maar voor één of twee dagen. Ik herinner me uit die periode nauwelijks iemand, behalve uiteraard mijn ouders en mijn grootmoeder, Honorine Costers. Vanaf mijn achtste verbleef ik, zoals ik hier al vaker beschreef, in een kinderkolonie in de bossen van Rekem: Kinderdorp Molenberg. Ik bleef daar met één andere jongen, die ik me als Serge herinner, geen gezicht, voor een langere periode, vier jaar, terwijl de andere kinderen na drie maanden alweer vertrokken. Nooit voldoende tijd om een echte vriendschap op te bouwen. Ik herinner me dat het afscheid nemen me in het begin erg bedroefde; ongetwijfeld had ik met sommige jongens of meisjes toch al een emotionele band gesmeed. Dan kwam hun vertrek hard aan. Ooit ben ik met mijn moeder in Antwerpen een van die jongens gaan bezoeken. Hij heette Eddie Begas. Een Grieks meisje waar ik verliefd op was, en ik meen dat het wederzijds was, herinner ik mij ook. Zij heette Veronica Satory. Of was het Santorini? Van haar heb ik een foto en zij komt regelmatig terug in mijn teksten en mijn dromen. Al de anderen, meer dan vijfhonderd kinderen schat ik, ben ik vergeten.

Maar ook van de meeste van mijn familieleden ben ik vergeten hoe ze eruit zagen. Ik herinner me Barbarella, Edmond Dantès alias De Graaf van Monte Cristo en Laarmans beter dan veel van mijn tantes en ooms en neven en nichten. Terwijl er van Edmond Dantès en Laarmans natuurlijk geen afbeeldingen bestaan. Van D’Artagnan ook niet, en die herinner ik mij nog het best van al. Van die fictieve personages heb ik mij mentale beelden gevormd. Kennelijk blijven de mentale beelden van fictieve helden beter in het geheugen hangen, in dat van mij althans, dan die van echte mensen. Het is ook goed mogelijk dat echte personen over wie me verhalen verteld zijn maar die ik zelden of nooit heb ontmoet me beter bijgebleven zijn dan degenen die ik echt heb gekend. Sommige van mijn familieleden, veel zijn het er sowieso niet, zijn inderdaad een fictief leven gaan leiden. Van schimmen heb ik gaandeweg interessante, enigszins tragische helden gemaakt: mijn tante Georgette, mijn neef Louis, mijn oom Frans, mijn grootmoeder Honorine Costers. Allemaal van moederskant. Langs vaderskant heb ik geen enkele held gevonden. Hadden ze het bouwmateriaal niet in zich, of was ik er vanwege een onbekende emotionele remming niet toe in staat?

Mogelijk lijkt dit allemaal niet zo erg, maar het is het wel. Mensen die ik al meermaals ontmoet heb niet herkennen is een serieuze handicap. Ik wil liefst van al geen onbeschofte indruk maken, maar ten gevolge van dit gebrek kom ik waarschijnlijk wel zo over. Op straat wil ik voorbijgangers graag groeten, maar ik wil ook weer niet als een idioot bekeken worden en dan loop ik maar door. En dan heb ik achteraf spijt, en soms schuldgevoelens.

DE BETOVERING VAN VIRGINIA WOOLF

vanessa bell - vw 1

Toen ik in 1971 filosofie ging studeren wist ik zo goed als niets, beweerde ik in een eerdere notitie. [1] Op de middelbare school had ik niets geleerd. Onlangs las ik in een interview met David Lynch dat hij over zijn schooljaren ongeveer hetzelfde denkt. Ongetwijfeld is hij niet de enige.
Met die uitspraak bedoelde ik dat ik niets wist wat waarde had voor het leven in al zijn facetten: zowel praktisch als intellectueel als erotisch als creatief. Laat mij van dat niets dan maar weinig maken, want zoals ik in vorige boekverhaaltjes al heb verteld, had ik wel al wat gelezen voor ik naar de universiteit ging. Ik kan me echter niet herinneren dat ik al boeken in het Engels had gelezen. Mogelijk was dat de reden waarom ik voor het keuzevak Engelse literatuur koos. Dat was een interessant vak, veel boeiender dan een aantal verplichte vakken, zoals psychologie en logica. We moesten dat jaar geloof ik vijf Engelstalige romans lezen. Ik kan ze mij niet allemaal meer herinneren; George Orwells ‘1984’ was er zeker bij. We bestudeerden verhalen uit de bundel ‘The Second Penguin Book of English Short Stories’. Mijn geheugen is niet meer zo goed om dat nog zo precies te weten: het boek ligt hier links naast mijn laptop. Zonder de pocket bij de hand zou ik me – ondanks dat geheugenverlies – zeker nog ‘The Road From Colonus’ van E.M. Forster, ‘Ivy Day in the Committee Room’ en ‘The Mark on the Wall’ van Virginia Woolf herinneren, drie sublieme korte verhalen van drie meester-schrijvers.
Een ware openbaring was ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf. Enkele bladzijden volstonden om mij voor altijd voor deze geniale schrijfster te winnen. Ook die Penguin Modern Classic heb ik hier nu binnen handbereik. Het boek, met op de cover een portret van Virginia Woolf door Vanessa Bell, de oudere zus van de schrijfster, roept meteen herinneringen op aan een gelukkig periode in mijn leven. Het toen nog vredige en romantische huis, vooral in mei als de seringen bloeiden, in de Visélaan in Watermaal-Bosvoorde; mijn mooie en vaak geestige vrouw V., die net als ik filosofie studeerde en eveneens Virginia Woolf las; mijn klein lief zoontje J.; onze lange wandelingen in het Terkamerenbos of in de buurt van de spoorweg tot aan het station van Watermaal, dat vanwege de schilderijen van Paul Delvaux nog altijd tot de verbeelding spreekt; de vele vrienden en medestudenten die dagelijks bij ons over de vloer kwamen; de intense, de verbeelding stimulerende gesprekken en discussies; de geur van de joints en Lucky Strikes die we rookten; de muziek van Johnny Winter, Rod Stewart, Derek and the Dominoes, Johnny Jenkins. En de boeken, de boeken.

virginia en leonard woolf 1912

Mrs. Dalloway betoverde me. De vertellende stem nam me mee naar een zachte wereld die tegelijk hard, zelfs wreed was. Tedere mensen konden elkaar opeens verscheuren. Sensuele en intellectuele personages in salons, getekend door de eerste wereldoorlog, praatten over Shakespeare en porselein en zelfmoord. Later, nadat ik T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ had gelezen, vatte ik de wereld van Mrs. Dalloway, van Virginia Woolf, samen in twee regels uit dat onvergetelijke gedicht:
In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

In ‘The Mark on the Wall’, verschenen in 1917, een vroeg voorbeeld van stream of consciousness, formuleerde Virginia Woolf, als we even de verteller laten samenvallen met de auteur, in zekere zin al haar missie: “I want to sink deeper and deeper, away from the surface, with its hard separate facts.” ‘Mrs. Dalloway’, verschenen in 1925, was het ingenieuze resultaat van die intentieverklaring.

Waarom vond ik de microkosmos van ‘Mrs Dalloway’ zo betoverend? Vanwege Virginia Woolfs Engels. Haar taalgebruik was rijk, suggestief, expressief en tegelijk impressionistisch. Vanwege controversiële gedachten en uitspraken van Clarissa Dalloway en de andere personages. Een mooi voorbeeld is dit:  “Fear no more the heat of the sun. She must go back to them. But what an extraordinary night! She felt somehow very like him – the young man who had killed himself. She felt glad he had done it; thrown it away while they went on living.” Je kunt iets dergelijks wel denken, maar spreek je het ook uit of schrijf je het neer? (Ik zou nu veel zinnen en paragrafen kunnen citeren. “Love destroyed too. Everything that was fine, everything that was true, went.” Maar lees liever het boek zelf, beste lezer.) Vanwege het spel met de tijd. De gebeurtenissen in Mrs Dalloway spelen zich af op één zomerse dag in Londen. Toch worden wij via de gedachten van het hoofdpersonage deelachtig aan gedenkwaardige momenten uit de levens van meerdere personages, aan hun momenten van geluk, mislukking, pijn, verdriet, euforie, aan hun gevoelens van liefde en haat, aan hun dromen – aan hun existentie (of Dasein, om het met Heidegger te zeggen.) En zeker ook vanwege dat tumultueuze, rijk geschakeerde, van geschiedenis verzadigde Londen. Ja, ook vanwege die échte ontdekking van Londen vond ik ‘Mrs Dalloway’ betoverend (en boeiender dan om het even welke reisgids).

Na de lectuur van ‘The Mark on the Wall’ en ‘Mrs Dalloway’ ging ik op zoek naar ander werk van Virginia Woolf. In de zomer van 1974 moest ik zes weken het bed houden vanwege hepatitis. In mijn herinnering zijn die stille dagen zonder enige beweging, terwijl buiten de zon de Visélaan, het Terkamerenbos, de campus van de VUB-ULB, het Zoniënwoud, en het hele noordelijk halfrond verlichtte, versmolten met de microkosmos van ‘To the Lighthouse’, een van de mooiste romans die ik ooit heb mogen lezen.
“When life sank down for a moment, the range of experience seemed limitless. And to everybody there was always this sense of limitless resources, she supposed (…). Beneath it is all dark, it is all spreading, it is unfathomably deep; but now and again we rise to the surface and that is what you see us by. Her horizon seemed to her limitless.” [2]

virginia woolf 2

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het zevende deel.
[2] To the Lighthouse, p. 72-73.
Afbeeldingen: Virginia Woolf door Vanessa Bell; Virginia en Leonard Woolf in 1912; Virginia Woolf, datum en fotograaf onbekend.

NIETZSCHE ALS OPVOEDER

Friedrich-Nietzsche 5

Zodra ik naar de universiteit ging om er mij in filosofie te verdiepen, besefte ik dat ik mijn manier van lezen ernstiger en systematischer moest gaan aanpakken. [1] Op korte tijd probeerde ik zoveel mogelijk achterstand in te halen, niet alleen op gebied van wijsbegeerte maar ook van literatuur, poëzie, theater. Een aantal professoren, in de eerste plaats Leopold Flam, stimuleerden mij in mijn leeshonger en gaven mij een beter inzicht in wat essentiële boeken waren en wat bijkomstige of triviale. Ook tijdens gesprekken met vrienden en medestudenten ontdekte ik ‘nieuwe’ boeken en auteurs. (Het plezier in het triviale heb ik echter nooit opgegeven.)

Sinds mijn zesde levensjaar was ik vooral zoet geweest met stripverhalen en avonturenromans en was ik al gauw een dagdromer geworden. De ene dag was ik Buffalo Bill, de andere dag Sitting Bull, dan weer Ivanhoe, de Rode Ridder of Shane. Nadat ik de film Spartacus had gezien was ik, hoe kan het ook anders, zeker enkele weken lang Spartacus.
Ik las veel maar zonder systeem en zonder begeleiding. Mijn moeder had me leren lezen maar deed dat zelf nog maar nauwelijks. Het dagelijks leven als schippersvrouw eiste te veel van haar tijd en energie. In haar jeugd had ze vooral boeken van Abraham Hans gelezen, een schrijver van ongeveer honderdzeventig volksromans en massa’s kinderverhalen, en tevens journalist voor Het Laatste Nieuws en De Telegraaf. Mijn vader had nooit veel gelezen. Na de lagere school was hij in Eisden in de mijn gaan werken en daarna als scheepsknecht op binnenvaartschepen op de Zuid-Willemsvaart aan de slag gegaan, wat hij bleef doen tot hij mijn moeder ontmoette en zelfstandig schipper werd. In mijn kindertijd heb ik hem alleen oorlogsromans zien lezen en de krant Het Laatste Nieuws.
Omdat ik tot mijn achtste levensjaar meestal alleen was, kon niemand mij advies geven over wat ‘goede boeken’ en ‘slechte boeken’ waren. Mogelijk was dat een meevaller. Na de lagere school in het Kinderdorp Molenberg in de bossen van Rekem, waar ik voornamelijk Kuifje, Suske en Wiske, Nero en het tijdschrift Robbedoes las, belandde ik eerst in Eisden en daarna, voor de middelbare school, in Tongeren. Daarover had ik het al in eerdere teksten in deze reeks.

ecce homo - nietzsche 001

Een van de boeken die mijn eerste jaren aan de VUB het best markeren is Ecce Homo van Friedrich Nietzsche, al heeft hij uiteraard belangrijker werk geschreven, met name De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek, De vrolijke wetenschap, Voorbij goed en kwaad en Aldus sprak Zarathustra.
Het geloof in de eigen genialiteit, de grootheidswaanzin, de opgewonden stijl – eigenschappen die van Ecce Homo zo’n uitzonderlijk boek maken – vond ik als jonge, onzekere filosofiestudent vermetel en eigenlijk verrukkelijk. De toon van het werk riep herinneringen op aan Dali’s ‘Mijn leven als genie’ dat ik in mijn Tongerse periode had gelezen. De lectuur van Ecce Homo verrijkte mijn leven; ik besefte dat het niet altijd nodig is om bescheiden te zijn, wat gemakkelijker gezegd was dan gedaan. Voor Nietzsche echter was het kinderspel: op bijna elke pagina van Ecce Homo voerde hij bewijzen aan voor zijn uitmuntendheid, zijn aardse verhevenheid. Op elke pagina las je waarom hij zo wijs was, waarom hij zo knap was en waarom hij zulke goede boeken schreef.

Talloos zijn in Ecce Homo de metaforen waarin lucht en bergen, sneeuw, hygiëne, gezondheid voorkomen. Deze filosofische autobiografie gaf mij het gevoel dat ik zienderogen beter kon ademhalen, dat ik gezonder werd, sterker, beter opgewassen tegen de vele fratsen die het noodlot nog voor mij in petto had. Het mag duidelijk zijn: ik identificeerde mij met de verteller-held-filosoof. Mijn twijfels en onzekerheden smolten weg als op de allerwarmste zomerdagen sneeuw in de Alpen. Sils-Maria in het Zwitserse kanton Graubünden, waar Nietzsche van 1881 tot 1888 zijn zomers doorbracht, heeft voor mij nog steeds een magische klank. Altijd al heb ik er naartoe willen reizen maar het zal er waarschijnlijk nooit van komen: koekoeksklokken en koebellen houden mij op een veilige afstand.
Nu ik het toch over sneeuw heb: nooit zal ik vergeten wat Nietzsche in dit late werk over ziekte en ressentiment schrijft. Nietzsche was fysiek zwak en vaak ziek. De remedie daartegen was volgens hem wat hij Russisch fatalisme noemde, “dat fatalisme zonder wrok, waarmee de Russische soldaat, voor wie de veldtocht te zwaar wordt, ten slotte liggen gaat in de sneeuw.” [2] Het komt neer op het reduceren van de stofwisseling. Gevoelens van ressentiment branden je sneller op. Ergernis, dorst naar wraak, dat “gifschijten in alle betekenissen” is voor iemand die aan het einde van zijn krachten is de meest nadelige manier van redeneren. “Ressentiment is voor een zieke het taboe bij uitstek, voor zijn geval het Kwaad: maar helaas zijn meest natuurlijke neiging.” De ziel bevrijden van het ressentiment is de eerste stap op weg naar gezondheid, want dat affect is voor niemand nadeliger dan voor de zwakke en de zieke zelf.
Ecce Homo bevat overigens niet alleen gezondheids- en hygiënemetaforen, het boek geeft ook tips om gezond te leven. Wat te eten (geen vet), wat te drinken (geen alcohol, geen koffie, weinig – en zeker geen slappe – thee, veel bronwater) en wat te doen met je lijf en leden (veel bewegen). Zitvlees is een zonde tegen de heilige geest, aldus Nietzsche.
Ecce Homo is meteen ook een goede inleiding tot het werk van Nietzsche omdat hij er zijn boeken in samenvat en in een samenhangend geheel plaatst. Na de lectuur van dit kleine meesterwerk ben ik de Duitse filosoof blijven lezen, zij het met oplettendheid en voorzichtigheid, wat echt wel een vereiste is. Zijn herenmoraal is explosief materiaal, gevaarlijk voor de onbevangen en weinig kritische geest.
Van Nietzsche leerde ik het lichaam te koesteren. Ik besefte dat creativiteit samenhangt met lust en levensbeaming, dat een goede conditie een voorwaarde is om een (kunst)werk van lange adem tot een goed einde te brengen, dat dansen misschien wel de essentie van het leven is en dat je in alles geduld moet hebben, hoe onrustig je ‘van nature’ ook mag wezen.

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka, dichters en poëzie, en Knut Hamsun. Dit is het zesde deel.

[2] Citaten uit Friedrich Nietzsche, Ecce Homo. Hoe iemand wordt wat hij is. Vertaald door Pé Hawinkels. In de reeks Privé-Domein, 1969.

NIETZSCHE 1

HET MYSTERIE KNUT HAMSUN

no-nb_sml_ 172

De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het vijfde deel.

Omstreeks 1975-76 begon ik Knut Hamsun te lezen. Het was in de tijd dat ik bij boekhandel Corman in Brussel werkte. De filiaalhouder, Charles Paron (1914-1986), zelf schrijver, verhalenverteller én maoïst, sprak vol bewondering over Hamsuns avonturenroman Zwervers (1927). Ik had de naam Knut Hamsun ook al in The Books In My Life van Henry Miller aangetroffen. In dat boekenboek schrijft Miller: “Hamsun, as I have often said, affected me as writer. None of his books intrigued me as much as Mysteries.  (…) the men I concentrated on were Hamsun first of all, then Arthur Machen, then Thomas Mann.” [1] Het duurde een tijdje eer ik een Nederlandstalige editie – in een vooroorlogse spelling – van dat werk te pakken kreeg. Al gauw raakte ik in de ban van August en Edevart, de weerbarstige en komische avonturiers die in Hamsuns mooiste roman tot leven kwamen. Niet veel later las ik de meeste van zijn in het Nederlands vertaalde boeken. De meeste ‘nieuwe’ vertalingen verschenen in de jaren ’70 bij uitgeverij De Arbeiderspers. Voor een vertaling in hedendaags Nederlands van Zwervers moesten we tot 2013 wachten.
Op latere leeftijd sympathiseerde de Noorse schrijver helaas met het nazisme, maar van die verwerpelijke ideologie – bijvoorbeeld van antisemitisme of van geloof in de suprematie van het ‘Arische ras’ – heb ik in zijn romans weinig of geen sporen aangetroffen. Een monster als de Noorse terrorist Anders Breivik zal in Hamsuns werk zeer waarschijnlijk geen inspiratie hebben gevonden voor zijn wandaden, eerder integendeel. De Nobelprijswinnaar bereikte de gezegende leeftijd van 92 jaar. Mogelijk was hij al seniel toen hij een bloed en bodem-aanhanger en bewonderaar van Goebbels en Hitler werd. Mogelijk verkeerde hij in de waan dat zij Nietzscheaanse übermenschen waren. Zelf heeft hij echter in zijn autobiografie, Langs overwoekerde paden (1949), ontkend dat hij aan waanzin ten prooi was gevallen. Zijn bewondering voor de kopstukken van het Derde Rijk heeft hoe dan ook een gitzwarte schaduw over zijn literair werk geworpen, wat naoorlogse potentiële lezers zeker zal afgeschrikt hebben.

Hamsuns personages zijn bijna altijd outsiders, tragikomische en vaak ook hypersensitieve figuren die niet thuishoren in de moderne wereld van consumptie en arrivisme – in de burgerlijke maatschappij. In Hitler-Duitsland zouden dergelijke antihelden meteen zijn opgepakt en opgesloten.
Knut Hamsun kreeg als kind van arme boeren weinig scholing: hij was een autodidact. Net als Haruki Murakami [2] was hij als knaap een verstokte lezer. Dat lezen en zijn avontuurlijk bestaan hebben hem ertoe aangezet zelf te gaan schrijven. Zijn eerste roman, Honger (1890), was meteen een baanbrekend werk en vind je nog steeds terug in veel lijsten van de honderd beste romans. Alleen al door de verhaaltechniek die stream of consciousness wordt genoemd was het boek radicaal anders dan wat er tot dan toe aan fictie was gepubliceerd en is het een voorloper van het twintigste-eeuwse modernisme.
Boeken van Hamsun die ik, als me voldoende tijd rest, zal herlezen zijn Honger, Pan, Mysteriën en Victoria. Zwervers wellicht niet, dat meesterwerk heb ik nog niet lang geleden opnieuw verslonden.
Ik blijf Charles Paron en Henry Miller dankbaar om mij de weg naar dit unieke oeuvre te wijzen.

[1] Henry Miller, The Books In My Life, New Directions, 1969, p. 40.
[2] Haruki Murakami, Romanschrijver van beroep, 2015/2019.

no-nb_bldsa_HA 057

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

EEN MAGERE DROMER (INTERLUDIUM)

SPEELPLEINC

De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Voor ik aan het vierde deel begin, over dichters en in het bijzonder over de dichter Lucebert, wil ik eerst enkele mogelijke misverstanden over het schoolse leren uit de weg ruimen, in het bijzonder over hoe ik dat ervaren heb. Of beter: hoe ik mij herinner dat ik het ervaren heb, want de werkelijkheid zelf is voor goed weg, tenzij in documenten en die zijn in mijn geval eerder schaars.

Het is niet helemaal waar dat ik op de middelbare school niets leerde. Ik ervoer het leven in een internaat als een vorm van gevangenschap. Naarmate het besef daarvan toenam ging ik me er meer en meer tegen verzetten. Het was echter een rebellie die zich, zeker aanvankelijk, vooral tot mijn hoofd beperkte. Ik werd een mijmeraar, een dagdromer, een wat vreemde jongen. Maar ook weer niet zo vreemd dat ik geen vrienden had. In deze context wil ik het evenwel niet over die vriendschappen hebben, behalve dit, dat je ook van vrienden veel kan leren. Zij maken deel uit van wat ik de geestelijke genealogie van een mens noem.
Omdat ik mager was had ik ook wel wat vijanden. Kennelijk hielden in die tijd de meeste jongens, misschien omdat ze te dik waren, niet van mager vlees. Dat ik ‘knookske’ werd genoemd volstond om me nog meer op mezelf terug te plooien. Zo kwam het dat ik in de klas vaak niet aanwezig was: ik zat er wel, maar mijn gedachten waren ergens anders. Van de leraar wiskunde moest ik het in bijna elke les horen: Martin is weer aan het dromen. Wat maakte dat ik me nog meer in mezelf terugtrok en er voor wiskunde, waar ik aanvankelijk zeer ingenomen mee was, geen interesse meer overbleef. Hetzelfde gebeurde met de vakken fysica, scheikunde en biologie. Ik onderging ze als vormen van dwang, als een reeks abstracte formules die me niets bijbrachten over hoe ik moest leven. Alleen in de lessen Nederlands en Engels was ik helemaal mee, ja, was ik zelfs de beste van de klas. In wat mindere mate was ik ook aandachtig bij Frans en Duits (jammer dat dat een keuzevak was) en bij wat toen zedenleer werd genoemd. Het is duidelijk dat ik een andere richting had moeten kiezen dan de Moderne en de Wetenschappelijke A, maar toen die beslissing werd genomen had ik geen flauw benul van wat de verschillen tussen de Moderne en Latijns-Griekse afdelingen waren. Wat er de voor- en nadelen van waren, wat er het nut en de zin van was. Over mijn studierichting werd zonder mijn inspraak beslist. Ik prees me al gelukkig dat ik mocht doorleren.

Mijn gevoelige snaren werden bijgevolg alleen maar op een positieve manier geraakt in de lessen Nederlands en Engels. Nederlands betekende voor mij in de eerste plaats zinsontleding. In de tweede plaats wekte het vak mijn belangstelling op voor poëzie, vooral die van Guido Gezelle en Hendrik Marsman.
Onze leraar Engels was geen inspirerende man maar mijn kennismaking met die taal betekende liefde op het eerste zicht. Wat was het een mooie, rijke, veelzijdige taal – en niet moeilijk om te leren (dacht ik toen). Engels werd mijn tweede taal, mogelijk wel mijn eerste. In notities uit die tijd vind ik talloze Engelse uitdrukkingen terug. Ik weet niet wat het was met Frans, maar ik was er bang voor. Ik durfde de welluidende woorden niet uit te spreken. Ik vond dat ik belachelijk klonk als ik Frans sprak. Nochtans kregen we veel poëzie te lezen, zelfs van Baudelaire. Terwijl de Nederlandse en Engelse poëzie echter een passie werd, bleef de Franse niet veel meer dan leerstof.

atheneum4 (2)

Afbeeldingen: op de speelplaats in het Koninklijk Atheneum Tongeren met een studiemeester; klasfoto van enkele klassen samen, omstreeks 1966 (ik herinner me alleen nog de namen van mijn toenmalige beste vrienden).

FRANK ZAPPA IN TONGEREN

1968sketch

19680onlymoney01

Deze foto’s werpen wat meer licht op mijn tekst over Franz Kafka en Frank Zappa / the Mothers Of Invention. Je ziet twee beelden van een voorstelling die plaats vond in het Koninklijk Atheneum te Tongeren in het najaar van 1968 of in het begin van 1969. Wie er de fotograaf van was kan ik niet achterhalen, mogelijk was het Guy Bleus.
Het zijn foto’s van een sketch die mijn vrienden en ik toen opvoerden en waarvoor ik de tekst had geschreven. Onderwerp was de elpee ‘We’re Only In It For The Money’ van the Mothers Of Invention, die eerder dat jaar was verschenen. Ik herinner me dat de tekst was gebaseerd op een strip over datzelfde toen controversiële album. Tekeningen en scenario van de strip waren van Theo van den Boogaard in het undergroundtijdschrift Aloha. Wij waren grote bewonderaars van zijn strips; onder meer ‘Witje’ en ‘Ans en Hans krijgen de kans’ vielen bij ons in de smaak. Theo van den Boogaard is vooral bekend, denk ik, van zijn strips over de televisieheld Sjef Van Oekel.
Helaas vind ik de tekst van mijn sketch niet meer terug. Vreemd, want ik bewaar alles maar dan ook alles. Of misschien is het maar goed ook.
Op de foto’s zie je onder meer Ivan Popovic en Jos Matheï (beiden met pruik), Jan Depooter (zonder pruik, Swinging London T-shirt) en mezelf (zonder pruik, wel valse Zappa-snor, Velvet Underground shirt).
Jan Depooter speelde de Afro-Amerikaanse producer Tom Wilson, bekend van zijn werk met onder meer the Mothers of Invention en the Velvet Underground. Ik stond als Frank Zappa op het podium. Ivan Popovic en Jos Matheï waren klassieke muzikanten uit een symfonieorkest.

OP ZOEK NAAR FRANZ KAFKA (EN FRANK ZAPPA)

kafka 1

“Er blijft ons niets anders over dan de confrontatie met het eigen monochrome zwart aan te gaan. Wie het daarmee aan de stok krijgt, beseft al gauw dat het leven dieper is dan de autobiografie. Het geschreven woord dringt nooit ver genoeg door in het eigen zwart. We kunnen niet opschrijven wat we oorspronkelijk zijn.”
Peter Sloterdijk, Sferen (pag. 234-235)

Waarschijnlijk ontdekte ik Franz Kafka ongeveer in dezelfde periode als Louis Paul Boon. Wel zeker stond die ontdekking los van wat ik op school over literatuur te weten kwam. Mijn hele middelbare schooltijd lang heb ik nauwelijks iets gedenkwaardigs geleerd. Er waren weinig leraren die mij in wat dan ook gestimuleerd hebben, in lezen al zeker niet. Lezen werd op school eerder als een afwijking dan als een zegen beschouwd. Meermaals rukten studiemeesters, zogeheten opvoeders, mij brutaal een boek uit de handen als ik weer eens een keer op de speelplaats stond te lezen in plaats van tegen een bal of iemands schenen te schoppen. Lezen tijdens de lange uren studietijd ’s avonds was al helemaal taboe: er stond nog net geen lijfstraf op.
Sinds 1967 met het verschijnen van Absolutely Free was ik een bewonderaar van Frank Zappa en the Mothers Of Invention. Op de hoes van de conceptelpee We’re Only In It For the Money van the Mothers Of Invention, uitgebracht in 1968, las ik met veel aandacht de instructies bij de compositie The Chrome Plated Megaphone Of Destiny. Frank Zappa schreef het volgende:
1. If you have already worked your way through “In the Penal Colony” by Franz Kafka, skip instructions #2, #3, #4.
2. Everybody else: go dig up a book of short stories & read “In the Penal Colony”.
3. Do not listen to this piece until you have read the story.
4. Do not read and listen at the same time.

We’re Only In It For The Money kocht ik op 1 juni 1968, de dag voor mijn achttiende verjaardag, in platenwinkel De harp in Maastricht. Ongetwijfeld was dat het vruchtbaarste cadeau dat ik mezelf ooit toestond. Wat heb ik veel geleerd van Frank Zappa, en meer bepaald van die langspeelplaat. Kritisch denken, satire, galgenhumor, vrolijke opstandigheid, dadaïstische geluidscollages, avant-garde cabaret, anti-establishment-attitude, Beatles-kritiek (the Beatles als een kapitalistisch fenomeen), ontluistering van de opkomende jeugdcultuur, analyse van de massamedia, verwerping van de consumptiemaatschappij, en wat niet nog allemaal. Alleen al de naam van de band, the Mothers Of Invention, was zo fascinerend dat ik er urenlang over kon zitten peinzen, een soort van mediteren zou je het kunnen noemen. Zoals zenboeddhisten mediteren door zich te concentreren op een of andere koan en zo tot een dieper inzicht hopen te komen, zo mediteerde ik over de moeders van de vindingrijkheid, of waren het de moeders van de uitvindingen? Hoewel ik helemaal geen zenboeddhist was, deed ik in die tijd toch aan een idiosyncratische vorm van meditatie. Meestal concentreerde ik me echter niet op the Mothers Of Invention, maar op het beeld van een Oranje Kat. Die Oranje Kat heeft me geruime tijd achtervolgd en is vervolgens in een stalker veranderd, een man met een vlezig kaal hoofd die me vanuit een raam in een zolderkamer aan de overkant van de Karmelietenstraat begluurde, en die ik Het Monster noemde. Na mijn verhuis een jaar later naar de Boomkwekerijstraat is dat akelig wezen uit mijn leven verdwenen.

Ik weet het niet zeker maar mogelijk heeft die hoestekst me ertoe aangespoord om op een zaterdag in mijn favoriete boekwinkel, eveneens in Maastricht, de roman ‘Het slot’ aan te schaffen. Dat zal dan een heel eind na de zomer geweest zijn, na drie onvergetelijke dagen op het legendarische festival dat Jazz Bilzen heette. Hippies die op een weide bijeenkwamen, nog zoiets waar Frank Zappa flink de spot mee dreef, luister maar eens naar Flower Punk. Een andere stimulus die mij deed overgaan tot aankoop van een boek van Franz Kafka was een kleine salamander die ik op de kaft ontwaarde, want ook toen al was ik verknocht aan reeksen. Ik had dankzij Louis Paul Boons Mijn kleine oorlog en De voorstad groeit al kennisgemaakt met de Salamander-reeks van Uitgeverij Querido in Amsterdam. Het was een mooie en handige pocketreeks en mogelijk ging ik ervan uit dat alles wat erin verscheen lezenswaardig was.

Mijn keuze viel op Het slot, zoals iedereen nu weet één van Kafka’s drie romans. Zeker, nu weet iedereen dat en wie het niet weet zoekt het op. Maar toen wisten we niets. Of liever, een jongen als ik wist niets. Het enige wat ik had was nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en ontluikende intelligentie (wat ongeveer hetzelfde is als de twee andere eigenschappen). Ik wist niets en ik kon ook niets opzoeken. Ik had geen encyclopedie, alleen enkele woordenboeken (waar ik verzot op was, ik kon uren achtereen zitten lezen in Kramers’ Nederlands Woordenboek, uitgegeven door Van Goor Zonen te Den Haag) en was te trots om aan iemand wat te vragen. Mogelijk ging ik van de veronderstelling uit dat niemand een antwoord zou geven op mijn vragen, die ik zelf nogal bizar vond. Mijn ouders waren eenvoudige mensen die niet veel meer dan de krant en wat tijdschriften lazen. De boeken in hun bezit betroffen bijna allemaal de oorlog. Die waren van mijn vader: de oorlog in het algemeen en zijn jaar krijgsgevangenschap in Oostenrijk in het bijzonder hadden hem diep getekend en met die eigenaardige fascinatie voor Der Krieg opgezadeld. Op die manier kende ik wel de kleinste details over de oorlog, maar weinig over de liefde en de schoonheid en nog minder over kunst en literatuur. Mijn moeder had als meisje wel veel gelezen, onder meer Abraham Hans, oprichter van de Vlaamse Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, maar was daar onder dwang van het alledaags geploeter mee opgehouden. Zij had zeker wel gevoel voor schoonheid en vond die oorlogsverhalen van haar echtgenoot maar niets. Zij heeft me leren lezen en schrijven. Toen ik ging studeren schaamde ik me voor de ongeletterdheid van mijn ouders, een schaamte die ik vorig jaar ook aantrof in het autobiografische ‘Terug naar Reims’ van Didier Eribon.

 

Waarom ik voor Het slot koos kan ik niet meer achterhalen. Het zal zoals zoveel van wat ik in mijn leven heb gedaan toeval geweest zijn. Hoe het ook zij, dit boek sprak nu eens echt tot mijn verbeelding.
Het is heel goed mogelijk dat ik mijn lectuur laat op een winteravond aanvatte, want dat was de tijd dat ik het liefste las, diep weggedoken onder mijn deken; een symbolische terugkeer naar de baarmoeder. Na het lezen van de eerste mysterieuze paragraaf kon ik niet anders dan door blijven lezen tot de laatste mysterieuze paragraaf. Wat lag er niet allemaal voor donkers verborgen onder die schijnbaar eenvoudige woorden. In dit boek staat namelijk niet één rommelige, onduidelijke, moeilijk te begrijpen zin. Tegelijk is Het slot een bizarre mengelmoes van diffuse intriges, ambiguïteit, erotiek, ambitie, ondoorgrondelijke verhoudingen, chaotische hiërarchieën, macht en machteloosheid, autoriteit, contradicties, eenzaamheid, pijn en allerlei vormen van uitsluiting.

Veel van wat ik in Het slot las was een voorafschaduwing van mijn eigen leven. Ook ik was een soort van landmeter, al was mijn naam niet K., en ook ik zou nooit het slot bereiken. Ik zou mijnheer Klamm zelfs nooit te zien krijgen. Net als K. ben ik altijd een outsider gebleven, door niemand erkend, een onzichtbaar iemand, een mens naar wie niet wordt geluisterd, en net als K. ben ik in weerwil van alle tegenwerking pogingen blijven ondernemen om mijn doel te bereiken. Soms op naïeve, soms op gewiekste wijze. Al had ik maar een vaag idee van wat dat doel was, al was het maar een kasteel dat in de mist gehuld bleef. Al was het maar het fabelachtige bezit van een kasteelheer wiens naam ik niet kende. Mogelijk was ik al ruimschoots tevreden als ik achter de bar wat kon liggen stoeien met mijn Frieda, make love not war indachtig – als verwerping van de wereld van mijn vader. Mogelijk was ik al ruimschoots tevreden om, lieflijk opgenomen in de schoot van een alternatieve elite, in een kleine club een rock-‘n-rollband te zien optreden die niemand kende. Mogelijk was mijn doel niet meer dan alles van Franz Kafka lezen. Of was het mijn hele leven lang op zoek gaan naar Salamanders, Zwarte Beertjes, Ooievaars, Bezige Bijen, Penguins, Vikings, Arbeiderspersboeken, City Lights pockets, Faber & Fabers, Insel taschenbucher, Ambos, Witte Gallimards, Pléiadedeeltjes, Bert Bakker Boeken, Van Oorschot-delen, Privé-Domein edities, Garnier-Flammarions, Meulenhoffs, stapels en stapels en stapels – een hele Wereldbibliotheek vol. Weet ik veel wat het doel was, wat het is – en maakt het een sikkepit uit?

Clam-gallas paleis

Hoewel ik van Franz Kafka op vrij jonge leeftijd alles las wat in het Nederlands was vertaald, had hij denk ik niet veel invloed op mijn toenmalige stijl, in tegenstelling tot Louis Paul Boon, maar wel op mijn wereldbeeld. Ik heb het vermoeden dat ik nooit meer een van die drie onvoltooide romans van de Praagse schrijver zal lezen. Af en toe nog eens naar The Trial kijken, Orson Welles’ briljante verfilming van Het proces, zal moeten volstaan. In mijn verbeelding is Romy Schneider evenwel voor altijd Frieda uit Het slot. Ja, met haar lig ik te vrijen onder de toog van de gelagkamer in het zo ongastvrije dorp. “Een onaanzienlijk klein blond meisje, met trieste ogen en magere wangen, dat echter verraste door haar blik, een blik van buitengewone superioriteit.” In Kafka’s dagboeken zal ik zeker nog bladeren en lezen. Sommige van zijn verhalen zal ik herlezen: De gedaanteverwisseling, Een hongerkunstenaar, Voor de wet, en andere tijdloze fragmenten van de fabeltjeskrant voor de eeuwigheid.

“De voor andere mensen zeker ongelooflijke moeilijkheden die ik bij gesprekken met mensen heb, worden daardoor veroorzaakt dat mijn denken, of beter de inhoud van mijn bewustzijn, nevelig is, dat ik daarin, voor het zover het alleen op mij aankomt, ongestoord en dikwijls zelfvoldaan berust, maar dat een gesprek met mensen scherpte, bevestiging en blijvende samenhang nodig heeft, dingen die in mij niet aanwezig zijn. Geen mens zal met mij in nevelwolken willen liggen, en zelfs als hij dat wilde, kan ik de nevel niet uit mijn hoofd drijven, tussen twee mensen lost hij op en is niets.”
Franz Kafka, 24 januari 1915

Afbeeldingen: Clam-Gallas Paleis in Praag; Franz Kafka.

WORSTELEN MET LOUIS PAUL BOON

lp boon 001

In 2013 begon ik aan een soort van geestelijke genealogie. Ik ging op zoek naar de wortels van mijn bestaan, los van de wederwaardigheden van mijn ouders, grootouders en dergelijke meer. Ik wilde te weten komen hoe ik geworden ben wie ik ben en nagaan wie in die menswording en bewustwording een invloedrijke rol had gespeeld. Het zouden korte autobiografische schetsen worden over de psyche, de geest of de ziel – hoe je dat rare ding, dat soms ook de zetel van het zelf wordt genoemd, ook mag noemen. Daarbij wilde ik niet uit het oog verliezen dat die geest niet bestaat, of toch niet los van het lichaam en van de gemeenschap, van de anderen. Ik wilde het toeval een rol laten spelen in het ontstaan van de teksten. In de eerste reeks die ik op die manier schreef ontdekte ik dat het toeval ook al aan het werk was geweest in ontmoetingen die ik op jonge leeftijd had met voorbeeldige mannen en vrouwen, met leraren, mentors en vrienden, met schrijvers, filmregisseurs, componisten en kunstenaars.

Enkele weken geleden nam ik die draad weer op. Mijn aandacht ging daarbij naar een aantal boeken en schrijvers die mijn wereldbeeld hebben beïnvloed en zelfs bepaald. De eerste schrijver die mij voor de geest kwam was Edgar Allan Poe. Mijn tweede beschouwing moest over Louis Paul Boon en De Kapellekensbaan gaan. Allerlei remmingen, mogelijk waren het listen van dat raadselachtige onbewuste, hebben me die taak zeer bemoeilijkt. [1] Daar is dan nog eens een flinke griep bovenop gekomen. Werken die vaccins écht of zijn die spuitjes alleen maar een onderdeel van een winterritueel, iets wat ons mogelijk sterker maakt als we er maar voldoende in geloven en niet de hele tijd twijfelen en wanhopen?
Wat maakt het mij écht zo moeilijk om over Boontjes werk te schrijven? Ik weet wel heel zeker dat hij me omstreeks mijn zestiende diepgaand beïnvloed heeft. Dat kan ik zonder meer toegeven. Mogelijk zijn er in mijn stijl zelfs nog sporen van terug te vinden, al heb ik er veel voor gedaan om die zo gauw mogelijk uit te wissen. Vooral heb ik er zorg voor gedragen geen boontjessporen meer te maken. Stel je voor: barokke taaltekens die alle richtingen uitgaan en toch stevig op het blad staan in plaats van heldere bloedsporen in de sneeuw (die soms zwart ziet van de romantiek).
Zou het kunnen dat ik niet opnieuw wil geconfronteerd worden met die zo Vlaamse verankering van Louis Paul Boon? Al vroeg heb ik de ‘Vlaamse richting’ – die met Hendrik Conscience, Ernest Claes en zelfs Filip De Pillecyn begonnen was – samen met de romantiek van de Gulden Sporenslag, Jacob van Artevelde en de hele vermaledijde Vlaamse Beweging (waar ik me niet bewust van was)– de rug toegekeerd en me naar het Noorden en daarna de rest van de westerse wereld gewend. Maar ik kan niet ontkennen dat die Louis Paul Boon-periode er is geweest. Dat ik dweepte met vergeten straten, dat ik ook een kleine oorlog voerde, dat ik het gevoel had dat ik de mensen een geweten moest schoppen (maar hoe?), dat ik gesprekken voerde met mossieu colson van tminnesterie, professor spothuyzen, tippetotje, de kantieke schoolmeester en vooral met de kleine ondine. En soms vond ik net als de meester uit Erembodegem dat het allemaal geen zin had.
Zou het kunnen dat ik op mijn zestiende al een boek wilde schrijven zo rijk als De Kapellekensbaan, een boek dat een wereld zou zijn, dat honderd werelden zou zijn, maar dat ik bijna meteen ook al besefte dat ik dat allemaal uit mijn duim zou moeten zuigen en dat ik die vervolgens bekeek, en dat ik zag dat die nogal bleek en bloedeloos was, al hing er wel wat inkt aan? Dat boek is er nooit gekomen en zal er ook nooit komen: ik heb die rijke Vlaamse taal van me afgeschud, in het begin met allerlei fantasietjes in de stijl van Edgar Allan Poe en John Lennon; later in die van de romantici en de surrealisten; soms bijna verdrinkend in de taal van Hölderlin en Nietzsche en Heinrich von Kleist; soms ten hemel opstijgend in de taal van Lucebert; maar ze in een tegenbeweging schoonspoelend met die van Remco Campert en Nescio en Raymond Carver. Tot ik stilaan mezelf werd en bijna niets meer over had. Niets om te bezingen, niets om te beschrijven, bijna geen woorden om je toe te vertrouwen. Ja, dat zou kunnen.

Het was een lange, vermoeiende, gevaarlijke en weinig dankbare reis door de taal en de literatuur. Waarbij ik Louis Paul Boon helemaal uit het oog verloor. Tot ik nagenoeg zijn volledig werk erfde van onze benedenburen, tweetalige Brusselaars, socialisten oude stempel, die Boon nog gekend hadden en zelfs bevriend waren geweest met Herman Teirlinck en Maurice Carême, die hier aan de overkant van onze vergeten straat woonde. Er is nog steeds een klein Carême-museum, dat ik tot mijn schande nooit heb bezocht. Maar dat is een ander verhaal: dat van mijn ontmoeting op latere leeftijd met mijnheer en mevrouw Spanoghe.

Een tweeling, zegt men, is gespleten, heeft een dubbele persoonlijkheid, heeft zoals Janus – de god van het begin en het einde – twee kanten, is zijn eigen dubbelganger, en meer van dat moois. Het zou wel eens waar kunnen zijn. In mij zijn het magische, het verhevene, het romantische en het realistische met elkaar in een wankel evenwicht. Je zou ook kunnen zeggen dat de twee principes voortdurend, tot verlammens toe, strijd leveren met elkaar. Met Edgar Allan Poe bereikte ik hogere sferen, zowel van licht als duisternis, zowel van schoonheid als pure afschuw. Met Louis Paul Boon kwam ik dan weer met mijn voeten op de grond terecht. Ook al verdrong ik zijn invloed en vergat ik zijn spoor, wandel ik toch nog altijd op de bittere grond van toen, op de vuile grond van toen, onder de heldere onschuldige hemel van toen.

[1] Toen ik las dat Joachim Pohlman, de uitermate rechtse ideoloog van de N-VA (ik wil het woord  ‘fascistisch’ liever niet gebruiken) op zijn zestiende sterk beïnvloed werd door Louis Paul Boon nam mijn zin om dit stuk te schrijven nog meer af. Pohlman, las ik in hetzelfde artikel in Knack, is eveneens een bewonderaar van de antisemiet Louis Ferdinand Céline en van de bloeddorstige oorlogsschrijver Ernst Jünger.

 

REIZEN IN MIJN KAMER

dsc_0322

De elfde dag ziek. Eergisteren ging het beter, gisteren hervallen. Niezen, hoesten, piepende ademhaling, vooral erg moe. Het ergste is, geloof ik, het leven buiten te moeten missen: concerten (Jim James), theater (Rosas, Theatergroep Stan, Needcompany), een afspraak met een goede vriend, bioscoopbezoek (Roma wilde ik nog heel graag zien), tentoonstellingen, wandelingen. Het stadsleven. Enige troost bieden boeken, hoewel met mondjesmaat. Het meeste plezier beleef ik aan ‘Sferen’ van Peter Sloterdijk, enkele bladzijden per dag, meer gaat niet. In Edward Said’s ‘Ontheemd’ – autobiografisch werk over zijn jeugd – heb ik me meermaals herkend. Curzio Malaparte’s ‘Dagboek van een vreemdeling in Parijs’ wekt bij mij ergernis op maar het is vaak ook grappig. Een man die ’s nachts meeblaft met de honden! Liefst van al in Frankrijk doet hij dat, schrijft hij.

Voor muziek ben ik te zwak en te onrustig. Ik geloof dat het de eerste keer is dat muziek tijdens een ziekte mij niet weet te troosten of te ontroeren. ’s Ochtends kijk ik een uur of twee naar foto’s die ik maakte op reizen naar Umbrië, Andalusië, Wenen, Berlijn. En dan voel ik me schuldig omdat ik mijn leven toch nogal wat heb gevlogen. Maar ik heb nooit een auto gehad, zelfs geen rijbewijs, en heb veel met de trein en de bus gereisd, in Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië (toen het nog een deel was van Tsjechoslowakije), Hongarije en de Verenigde Staten (maar daar moest ik wel eerst met het vliegtuig naar toe). Nee, die schuldgevoelens zijn nergens voor nodig. Ik laat ze achterwege en geef mij over aan de mooie herinneringen.

26 1 2019

Afbeelding: Martin Pulaski, Umbrië, 2009.