WIE IS DAT TOCH WEER?

hunger

Waarom heb ik zo’n slecht geheugen voor namen en gezichten? Heb ik dat altijd gehad? Een poos geleden las ik erover in een roman van Patrick Modiano, maar ik heb de titel niet genoteerd. Het is best mogelijk dat het in een boek van Sebald was. In ‘De emigrés’? Misschien is mijn geheugen wat dat betreft zo slecht omdat mijn kinderjaren een periode waren van bijna voortdurend afscheid nemen. Tot mijn achtste bij mijn ouders op het schip. Mijn zes jaar oudere broer op een schippersschool in Brugge. In de havens waar we aanmeerden, Antwerpen, Eisden, Luik, Charleroi, maakte ik snel kennis met andere schipperskinderen, en dan speelden we samen cowboy en indiaan of andere spelletjes, maar dat was altijd maar voor één of twee dagen. Ik herinner me uit die periode nauwelijks iemand, behalve uiteraard mijn ouders en mijn grootmoeder, Honorine Costers. Vanaf mijn achtste verbleef ik, zoals ik hier al vaker beschreef, in een kinderkolonie in de bossen van Rekem: Kinderdorp Molenberg. Ik bleef daar met één andere jongen, die ik me als Serge herinner, geen gezicht, voor een langere periode, vier jaar, terwijl de andere kinderen na drie maanden alweer vertrokken. Nooit voldoende tijd om een echte vriendschap op te bouwen. Ik herinner me dat het afscheid nemen me in het begin erg bedroefde; ongetwijfeld had ik met sommige jongens of meisjes toch al een emotionele band gesmeed. Dan kwam hun vertrek hard aan. Ooit ben ik met mijn moeder in Antwerpen een van die jongens gaan bezoeken. Hij heette Eddie Begas. Een Grieks meisje waar ik verliefd op was, en ik meen dat het wederzijds was, herinner ik mij ook. Zij heette Veronica Satory. Of was het Santorini? Van haar heb ik een foto en zij komt regelmatig terug in mijn teksten en mijn dromen. Al de anderen, meer dan vijfhonderd kinderen schat ik, ben ik vergeten.

Maar ook van de meeste van mijn familieleden ben ik vergeten hoe ze eruit zagen. Ik herinner me Barbarella, Edmond Dantès alias De Graaf van Monte Cristo en Laarmans beter dan veel van mijn tantes en ooms en neven en nichten. Terwijl er van Edmond Dantès en Laarmans natuurlijk geen afbeeldingen bestaan. Van D’Artagnan ook niet, en die herinner ik mij nog het best van al. Van die fictieve personages heb ik mij mentale beelden gevormd. Kennelijk blijven de mentale beelden van fictieve helden beter in het geheugen hangen, in dat van mij althans, dan die van echte mensen. Het is ook goed mogelijk dat echte personen over wie me verhalen verteld zijn maar die ik zelden of nooit heb ontmoet me beter bijgebleven zijn dan degenen die ik echt heb gekend. Sommige van mijn familieleden, veel zijn het er sowieso niet, zijn inderdaad een fictief leven gaan leiden. Van schimmen heb ik gaandeweg interessante, enigszins tragische helden gemaakt: mijn tante Georgette, mijn neef Louis, mijn oom Frans, mijn grootmoeder Honorine Costers. Allemaal van moederskant. Langs vaderskant heb ik geen enkele held gevonden. Hadden ze het bouwmateriaal niet in zich, of was ik er vanwege een onbekende emotionele remming niet toe in staat?

Mogelijk lijkt dit allemaal niet zo erg, maar het is het wel. Mensen die ik al meermaals ontmoet heb niet herkennen is een serieuze handicap. Ik wil liefst van al geen onbeschofte indruk maken, maar ten gevolge van dit gebrek kom ik waarschijnlijk wel zo over. Op straat wil ik voorbijgangers graag groeten, maar ik wil ook weer niet als een idioot bekeken worden en dan loop ik maar door. En dan heb ik achteraf spijt, en soms schuldgevoelens.

DE BETOVERING VAN VIRGINIA WOOLF

vanessa bell - vw 1

Toen ik in 1971 filosofie ging studeren wist ik zo goed als niets, beweerde ik in een eerdere notitie. [1] Op de middelbare school had ik niets geleerd. Onlangs las ik in een interview met David Lynch dat hij over zijn schooljaren ongeveer hetzelfde denkt. Ongetwijfeld is hij niet de enige.
Met die uitspraak bedoelde ik dat ik niets wist wat waarde had voor het leven in al zijn facetten: zowel praktisch als intellectueel als erotisch als creatief. Laat mij van dat niets dan maar weinig maken, want zoals ik in vorige boekverhaaltjes al heb verteld, had ik wel al wat gelezen voor ik naar de universiteit ging. Ik kan me echter niet herinneren dat ik al boeken in het Engels had gelezen. Mogelijk was dat de reden waarom ik voor het keuzevak Engelse literatuur koos. Dat was een interessant vak, veel boeiender dan een aantal verplichte vakken, zoals psychologie en logica. We moesten dat jaar geloof ik vijf Engelstalige romans lezen. Ik kan ze mij niet allemaal meer herinneren; George Orwells ‘1984’ was er zeker bij. We bestudeerden verhalen uit de bundel ‘The Second Penguin Book of English Short Stories’. Mijn geheugen is niet meer zo goed om dat nog zo precies te weten: het boek ligt hier links naast mijn laptop. Zonder de pocket bij de hand zou ik me – ondanks dat geheugenverlies – zeker nog ‘The Road From Colonus’ van E.M. Forster, ‘Ivy Day in the Committee Room’ en ‘The Mark on the Wall’ van Virginia Woolf herinneren, drie sublieme korte verhalen van drie meester-schrijvers.
Een ware openbaring was ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf. Enkele bladzijden volstonden om mij voor altijd voor deze geniale schrijfster te winnen. Ook die Penguin Modern Classic heb ik hier nu binnen handbereik. Het boek, met op de cover een portret van Virginia Woolf door Vanessa Bell, de oudere zus van de schrijfster, roept meteen herinneringen op aan een gelukkig periode in mijn leven. Het toen nog vredige en romantische huis, vooral in mei als de seringen bloeiden, in de Visélaan in Watermaal-Bosvoorde; mijn mooie en vaak geestige vrouw V., die net als ik filosofie studeerde en eveneens Virginia Woolf las; mijn klein lief zoontje J.; onze lange wandelingen in het Terkamerenbos of in de buurt van de spoorweg tot aan het station van Watermaal, dat vanwege de schilderijen van Paul Delvaux nog altijd tot de verbeelding spreekt; de vele vrienden en medestudenten die dagelijks bij ons over de vloer kwamen; de intense, de verbeelding stimulerende gesprekken en discussies; de geur van de joints en Lucky Strikes die we rookten; de muziek van Johnny Winter, Rod Stewart, Derek and the Dominoes, Johnny Jenkins. En de boeken, de boeken.

virginia en leonard woolf 1912

Mrs. Dalloway betoverde me. De vertellende stem nam me mee naar een zachte wereld die tegelijk hard, zelfs wreed was. Tedere mensen konden elkaar opeens verscheuren. Sensuele en intellectuele personages in salons, getekend door de eerste wereldoorlog, praatten over Shakespeare en porselein en zelfmoord. Later, nadat ik T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ had gelezen, vatte ik de wereld van Mrs. Dalloway, van Virginia Woolf, samen in twee regels uit dat onvergetelijke gedicht:
In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

In ‘The Mark on the Wall’, verschenen in 1917, een vroeg voorbeeld van stream of consciousness, formuleerde Virginia Woolf, als we even de verteller laten samenvallen met de auteur, in zekere zin al haar missie: “I want to sink deeper and deeper, away from the surface, with its hard separate facts.” ‘Mrs. Dalloway’, verschenen in 1925, was het ingenieuze resultaat van die intentieverklaring.

Waarom vond ik de microkosmos van ‘Mrs Dalloway’ zo betoverend? Vanwege Virginia Woolfs Engels. Haar taalgebruik was rijk, suggestief, expressief en tegelijk impressionistisch. Vanwege controversiële gedachten en uitspraken van Clarissa Dalloway en de andere personages. Een mooi voorbeeld is dit:  “Fear no more the heat of the sun. She must go back to them. But what an extraordinary night! She felt somehow very like him – the young man who had killed himself. She felt glad he had done it; thrown it away while they went on living.” Je kunt iets dergelijks wel denken, maar spreek je het ook uit of schrijf je het neer? (Ik zou nu veel zinnen en paragrafen kunnen citeren. “Love destroyed too. Everything that was fine, everything that was true, went.” Maar lees liever het boek zelf, beste lezer.) Vanwege het spel met de tijd. De gebeurtenissen in Mrs Dalloway spelen zich af op één zomerse dag in Londen. Toch worden wij via de gedachten van het hoofdpersonage deelachtig aan gedenkwaardige momenten uit de levens van meerdere personages, aan hun momenten van geluk, mislukking, pijn, verdriet, euforie, aan hun gevoelens van liefde en haat, aan hun dromen – aan hun existentie (of Dasein, om het met Heidegger te zeggen.) En zeker ook vanwege dat tumultueuze, rijk geschakeerde, van geschiedenis verzadigde Londen. Ja, ook vanwege die échte ontdekking van Londen vond ik ‘Mrs Dalloway’ betoverend (en boeiender dan om het even welke reisgids).

Na de lectuur van ‘The Mark on the Wall’ en ‘Mrs Dalloway’ ging ik op zoek naar ander werk van Virginia Woolf. In de zomer van 1974 moest ik zes weken het bed houden vanwege hepatitis. In mijn herinnering zijn die stille dagen zonder enige beweging, terwijl buiten de zon de Visélaan, het Terkamerenbos, de campus van de VUB-ULB, het Zoniënwoud, en het hele noordelijk halfrond verlichtte, versmolten met de microkosmos van ‘To the Lighthouse’, een van de mooiste romans die ik ooit heb mogen lezen.
“When life sank down for a moment, the range of experience seemed limitless. And to everybody there was always this sense of limitless resources, she supposed (…). Beneath it is all dark, it is all spreading, it is unfathomably deep; but now and again we rise to the surface and that is what you see us by. Her horizon seemed to her limitless.” [2]

virginia woolf 2

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het zevende deel.
[2] To the Lighthouse, p. 72-73.
Afbeeldingen: Virginia Woolf door Vanessa Bell; Virginia en Leonard Woolf in 1912; Virginia Woolf, datum en fotograaf onbekend.

NIETZSCHE ALS OPVOEDER

Friedrich-Nietzsche 5

Zodra ik naar de universiteit ging om er mij in filosofie te verdiepen, besefte ik dat ik mijn manier van lezen ernstiger en systematischer moest gaan aanpakken. [1] Op korte tijd probeerde ik zoveel mogelijk achterstand in te halen, niet alleen op gebied van wijsbegeerte maar ook van literatuur, poëzie, theater. Een aantal professoren, in de eerste plaats Leopold Flam, stimuleerden mij in mijn leeshonger en gaven mij een beter inzicht in wat essentiële boeken waren en wat bijkomstige of triviale. Ook tijdens gesprekken met vrienden en medestudenten ontdekte ik ‘nieuwe’ boeken en auteurs. (Het plezier in het triviale heb ik echter nooit opgegeven.)

Sinds mijn zesde levensjaar was ik vooral zoet geweest met stripverhalen en avonturenromans en was ik al gauw een dagdromer geworden. De ene dag was ik Buffalo Bill, de andere dag Sitting Bull, dan weer Ivanhoe, de Rode Ridder of Shane. Nadat ik de film Spartacus had gezien was ik, hoe kan het ook anders, zeker enkele weken lang Spartacus.
Ik las veel maar zonder systeem en zonder begeleiding. Mijn moeder had me leren lezen maar deed dat zelf nog maar nauwelijks. Het dagelijks leven als schippersvrouw eiste te veel van haar tijd en energie. In haar jeugd had ze vooral boeken van Abraham Hans gelezen, een schrijver van ongeveer honderdzeventig volksromans en massa’s kinderverhalen, en tevens journalist voor Het Laatste Nieuws en De Telegraaf. Mijn vader had nooit veel gelezen. Na de lagere school was hij in Eisden in de mijn gaan werken en daarna als scheepsknecht op binnenvaartschepen op de Zuid-Willemsvaart aan de slag gegaan, wat hij bleef doen tot hij mijn moeder ontmoette en zelfstandig schipper werd. In mijn kindertijd heb ik hem alleen oorlogsromans zien lezen en de krant Het Laatste Nieuws.
Omdat ik tot mijn achtste levensjaar meestal alleen was, kon niemand mij advies geven over wat ‘goede boeken’ en ‘slechte boeken’ waren. Mogelijk was dat een meevaller. Na de lagere school in het Kinderdorp Molenberg in de bossen van Rekem, waar ik voornamelijk Kuifje, Suske en Wiske, Nero en het tijdschrift Robbedoes las, belandde ik eerst in Eisden en daarna, voor de middelbare school, in Tongeren. Daarover had ik het al in eerdere teksten in deze reeks.

ecce homo - nietzsche 001

Een van de boeken die mijn eerste jaren aan de VUB het best markeren is Ecce Homo van Friedrich Nietzsche, al heeft hij uiteraard belangrijker werk geschreven, met name De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek, De vrolijke wetenschap, Voorbij goed en kwaad en Aldus sprak Zarathustra.
Het geloof in de eigen genialiteit, de grootheidswaanzin, de opgewonden stijl – eigenschappen die van Ecce Homo zo’n uitzonderlijk boek maken – vond ik als jonge, onzekere filosofiestudent vermetel en eigenlijk verrukkelijk. De toon van het werk riep herinneringen op aan Dali’s ‘Mijn leven als genie’ dat ik in mijn Tongerse periode had gelezen. De lectuur van Ecce Homo verrijkte mijn leven; ik besefte dat het niet altijd nodig is om bescheiden te zijn, wat gemakkelijker gezegd was dan gedaan. Voor Nietzsche echter was het kinderspel: op bijna elke pagina van Ecce Homo voerde hij bewijzen aan voor zijn uitmuntendheid, zijn aardse verhevenheid. Op elke pagina las je waarom hij zo wijs was, waarom hij zo knap was en waarom hij zulke goede boeken schreef.

Talloos zijn in Ecce Homo de metaforen waarin lucht en bergen, sneeuw, hygiëne, gezondheid voorkomen. Deze filosofische autobiografie gaf mij het gevoel dat ik zienderogen beter kon ademhalen, dat ik gezonder werd, sterker, beter opgewassen tegen de vele fratsen die het noodlot nog voor mij in petto had. Het mag duidelijk zijn: ik identificeerde mij met de verteller-held-filosoof. Mijn twijfels en onzekerheden smolten weg als op de allerwarmste zomerdagen sneeuw in de Alpen. Sils-Maria in het Zwitserse kanton Graubünden, waar Nietzsche van 1881 tot 1888 zijn zomers doorbracht, heeft voor mij nog steeds een magische klank. Altijd al heb ik er naartoe willen reizen maar het zal er waarschijnlijk nooit van komen: koekoeksklokken en koebellen houden mij op een veilige afstand.
Nu ik het toch over sneeuw heb: nooit zal ik vergeten wat Nietzsche in dit late werk over ziekte en ressentiment schrijft. Nietzsche was fysiek zwak en vaak ziek. De remedie daartegen was volgens hem wat hij Russisch fatalisme noemde, “dat fatalisme zonder wrok, waarmee de Russische soldaat, voor wie de veldtocht te zwaar wordt, ten slotte liggen gaat in de sneeuw.” [2] Het komt neer op het reduceren van de stofwisseling. Gevoelens van ressentiment branden je sneller op. Ergernis, dorst naar wraak, dat “gifschijten in alle betekenissen” is voor iemand die aan het einde van zijn krachten is de meest nadelige manier van redeneren. “Ressentiment is voor een zieke het taboe bij uitstek, voor zijn geval het Kwaad: maar helaas zijn meest natuurlijke neiging.” De ziel bevrijden van het ressentiment is de eerste stap op weg naar gezondheid, want dat affect is voor niemand nadeliger dan voor de zwakke en de zieke zelf.
Ecce Homo bevat overigens niet alleen gezondheids- en hygiënemetaforen, het boek geeft ook tips om gezond te leven. Wat te eten (geen vet), wat te drinken (geen alcohol, geen koffie, weinig – en zeker geen slappe – thee, veel bronwater) en wat te doen met je lijf en leden (veel bewegen). Zitvlees is een zonde tegen de heilige geest, aldus Nietzsche.
Ecce Homo is meteen ook een goede inleiding tot het werk van Nietzsche omdat hij er zijn boeken in samenvat en in een samenhangend geheel plaatst. Na de lectuur van dit kleine meesterwerk ben ik de Duitse filosoof blijven lezen, zij het met oplettendheid en voorzichtigheid, wat echt wel een vereiste is. Zijn herenmoraal is explosief materiaal, gevaarlijk voor de onbevangen en weinig kritische geest.
Van Nietzsche leerde ik het lichaam te koesteren. Ik besefte dat creativiteit samenhangt met lust en levensbeaming, dat een goede conditie een voorwaarde is om een (kunst)werk van lange adem tot een goed einde te brengen, dat dansen misschien wel de essentie van het leven is en dat je in alles geduld moet hebben, hoe onrustig je ‘van nature’ ook mag wezen.

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka, dichters en poëzie, en Knut Hamsun. Dit is het zesde deel.

[2] Citaten uit Friedrich Nietzsche, Ecce Homo. Hoe iemand wordt wat hij is. Vertaald door Pé Hawinkels. In de reeks Privé-Domein, 1969.

NIETZSCHE 1

HET MYSTERIE KNUT HAMSUN

no-nb_sml_ 172

De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het vijfde deel.

Omstreeks 1975-76 begon ik Knut Hamsun te lezen. Het was in de tijd dat ik bij boekhandel Corman in Brussel werkte. De filiaalhouder, Charles Paron (1914-1986), zelf schrijver, verhalenverteller én maoïst, sprak vol bewondering over Hamsuns avonturenroman Zwervers (1927). Ik had de naam Knut Hamsun ook al in The Books In My Life van Henry Miller aangetroffen. In dat boekenboek schrijft Miller: “Hamsun, as I have often said, affected me as writer. None of his books intrigued me as much as Mysteries.  (…) the men I concentrated on were Hamsun first of all, then Arthur Machen, then Thomas Mann.” [1] Het duurde een tijdje eer ik een Nederlandstalige editie – in een vooroorlogse spelling – van dat werk te pakken kreeg. Al gauw raakte ik in de ban van August en Edevart, de weerbarstige en komische avonturiers die in Hamsuns mooiste roman tot leven kwamen. Niet veel later las ik de meeste van zijn in het Nederlands vertaalde boeken. De meeste ‘nieuwe’ vertalingen verschenen in de jaren ’70 bij uitgeverij De Arbeiderspers. Voor een vertaling in hedendaags Nederlands van Zwervers moesten we tot 2013 wachten.
Op latere leeftijd sympathiseerde de Noorse schrijver helaas met het nazisme, maar van die verwerpelijke ideologie – bijvoorbeeld van antisemitisme of van geloof in de suprematie van het ‘Arische ras’ – heb ik in zijn romans weinig of geen sporen aangetroffen. Een monster als de Noorse terrorist Anders Breivik zal in Hamsuns werk zeer waarschijnlijk geen inspiratie hebben gevonden voor zijn wandaden, eerder integendeel. De Nobelprijswinnaar bereikte de gezegende leeftijd van 92 jaar. Mogelijk was hij al seniel toen hij een bloed en bodem-aanhanger en bewonderaar van Goebbels en Hitler werd. Mogelijk verkeerde hij in de waan dat zij Nietzscheaanse übermenschen waren. Zelf heeft hij echter in zijn autobiografie, Langs overwoekerde paden (1949), ontkend dat hij aan waanzin ten prooi was gevallen. Zijn bewondering voor de kopstukken van het Derde Rijk heeft hoe dan ook een gitzwarte schaduw over zijn literair werk geworpen, wat naoorlogse potentiële lezers zeker zal afgeschrikt hebben.

Hamsuns personages zijn bijna altijd outsiders, tragikomische en vaak ook hypersensitieve figuren die niet thuishoren in de moderne wereld van consumptie en arrivisme – in de burgerlijke maatschappij. In Hitler-Duitsland zouden dergelijke antihelden meteen zijn opgepakt en opgesloten.
Knut Hamsun kreeg als kind van arme boeren weinig scholing: hij was een autodidact. Net als Haruki Murakami [2] was hij als knaap een verstokte lezer. Dat lezen en zijn avontuurlijk bestaan hebben hem ertoe aangezet zelf te gaan schrijven. Zijn eerste roman, Honger (1890), was meteen een baanbrekend werk en vind je nog steeds terug in veel lijsten van de honderd beste romans. Alleen al door de verhaaltechniek die stream of consciousness wordt genoemd was het boek radicaal anders dan wat er tot dan toe aan fictie was gepubliceerd en is het een voorloper van het twintigste-eeuwse modernisme.
Boeken van Hamsun die ik, als me voldoende tijd rest, zal herlezen zijn Honger, Pan, Mysteriën en Victoria. Zwervers wellicht niet, dat meesterwerk heb ik nog niet lang geleden opnieuw verslonden.
Ik blijf Charles Paron en Henry Miller dankbaar om mij de weg naar dit unieke oeuvre te wijzen.

[1] Henry Miller, The Books In My Life, New Directions, 1969, p. 40.
[2] Haruki Murakami, Romanschrijver van beroep, 2015/2019.

no-nb_bldsa_HA 057

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

EEN MAGERE DROMER (INTERLUDIUM)

SPEELPLEINC

De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Voor ik aan het vierde deel begin, over dichters en in het bijzonder over de dichter Lucebert, wil ik eerst enkele mogelijke misverstanden over het schoolse leren uit de weg ruimen, in het bijzonder over hoe ik dat ervaren heb. Of beter: hoe ik mij herinner dat ik het ervaren heb, want de werkelijkheid zelf is voor goed weg, tenzij in documenten en die zijn in mijn geval eerder schaars.

Het is niet helemaal waar dat ik op de middelbare school niets leerde. Ik ervoer het leven in een internaat als een vorm van gevangenschap. Naarmate het besef daarvan toenam ging ik me er meer en meer tegen verzetten. Het was echter een rebellie die zich, zeker aanvankelijk, vooral tot mijn hoofd beperkte. Ik werd een mijmeraar, een dagdromer, een wat vreemde jongen. Maar ook weer niet zo vreemd dat ik geen vrienden had. In deze context wil ik het evenwel niet over die vriendschappen hebben, behalve dit, dat je ook van vrienden veel kan leren. Zij maken deel uit van wat ik de geestelijke genealogie van een mens noem.
Omdat ik mager was had ik ook wel wat vijanden. Kennelijk hielden in die tijd de meeste jongens, misschien omdat ze te dik waren, niet van mager vlees. Dat ik ‘knookske’ werd genoemd volstond om me nog meer op mezelf terug te plooien. Zo kwam het dat ik in de klas vaak niet aanwezig was: ik zat er wel, maar mijn gedachten waren ergens anders. Van de leraar wiskunde moest ik het in bijna elke les horen: Martin is weer aan het dromen. Wat maakte dat ik me nog meer in mezelf terugtrok en er voor wiskunde, waar ik aanvankelijk zeer ingenomen mee was, geen interesse meer overbleef. Hetzelfde gebeurde met de vakken fysica, scheikunde en biologie. Ik onderging ze als vormen van dwang, als een reeks abstracte formules die me niets bijbrachten over hoe ik moest leven. Alleen in de lessen Nederlands en Engels was ik helemaal mee, ja, was ik zelfs de beste van de klas. In wat mindere mate was ik ook aandachtig bij Frans en Duits (jammer dat dat een keuzevak was) en bij wat toen zedenleer werd genoemd. Het is duidelijk dat ik een andere richting had moeten kiezen dan de Moderne en de Wetenschappelijke A, maar toen die beslissing werd genomen had ik geen flauw benul van wat de verschillen tussen de Moderne en Latijns-Griekse afdelingen waren. Wat er de voor- en nadelen van waren, wat er het nut en de zin van was. Over mijn studierichting werd zonder mijn inspraak beslist. Ik prees me al gelukkig dat ik mocht doorleren.

Mijn gevoelige snaren werden bijgevolg alleen maar op een positieve manier geraakt in de lessen Nederlands en Engels. Nederlands betekende voor mij in de eerste plaats zinsontleding. In de tweede plaats wekte het vak mijn belangstelling op voor poëzie, vooral die van Guido Gezelle en Hendrik Marsman.
Onze leraar Engels was geen inspirerende man maar mijn kennismaking met die taal betekende liefde op het eerste zicht. Wat was het een mooie, rijke, veelzijdige taal – en niet moeilijk om te leren (dacht ik toen). Engels werd mijn tweede taal, mogelijk wel mijn eerste. In notities uit die tijd vind ik talloze Engelse uitdrukkingen terug. Ik weet niet wat het was met Frans, maar ik was er bang voor. Ik durfde de welluidende woorden niet uit te spreken. Ik vond dat ik belachelijk klonk als ik Frans sprak. Nochtans kregen we veel poëzie te lezen, zelfs van Baudelaire. Terwijl de Nederlandse en Engelse poëzie echter een passie werd, bleef de Franse niet veel meer dan leerstof.

atheneum4 (2)

Afbeeldingen: op de speelplaats in het Koninklijk Atheneum Tongeren met een studiemeester; klasfoto van enkele klassen samen, omstreeks 1966 (ik herinner me alleen nog de namen van mijn toenmalige beste vrienden).