ZERO DE CONDUITE: BURNING HELL

Little Walter

Zéro de conduite is een muziekprogramma waarin songs uit de popcultuur in het keurslijf van thema’s worden ingerijgd. Woekerende chaos wordt met liefde en toewijding overzichtelijk gemaakt. Alle zogeheten populaire genres komen aan bod, al ligt de nadruk op Angelsaksische folk, blues, country, soul en rock-‘n-roll. Sommige muziekliefhebbers noemen het allemaal pop. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds kan je ernaar luisteren op Radio Centraal 106.7 fm en streaming. Meer informatie over de zender en zijn medewerkers en programma’s vind je hier. Het motto van deze aflevering is: Well, my temperature rises and my feet don’t walk so fast / Yes, my temperature rises and my feet don’t walk so fast / Well, this Arabian doctor came in, gave me a shot / But wouldn’t tell me if what I had would last.

De hel is geplaveid met goede voornemens en je hoort er naar het schijnt alleen maar blues uit het midden van de twintigste eeuw (en ouder). Bovendien loop je daar louter anderen tegen het vege lijf. Mijn goed voornemen was om vandaag de trein naar Antwerpen te nemen en eindelijk weer live aan de slag te gaan. Aan de slag? Ik ben echter thuis gebleven. Waarom? Vanwege nothing but the blues, maar je mag het ook uitputting noemen. Einde van het Latijn. Ik neem aan dat ik op een dag het licht weer zie, maar die dag is zeker nog niet vandaag. Van de nood heb ik een deugd gemaakt, van de blues een programma, al zit in mijn selectie ook heel wat zogeheten bluesrock. De echte blues, of wat je zo zou kunnen noemen, heb ik pas laat leren kennen. In mijn jeugd had ik maar één zwarte bluesplaat, een live album van B.B. King. De rest van mijn blues was allemaal wit. Ik geloof niet dat het een geval van jeugdig racisme was. De eerste single die ik ooit aanschafte – in 1962 – was er een van Ray Charles. Het probleem was vooral, meen ik mij te herinneren, dat je geen oorspronkelijke blues op de radio hoorde, je vond weinig of geen zwarte blues in de platenwinkels, er werd ook slechts incidenteel over geschreven, tenzij in gespecialiseerde blaadjes (die ik niet kende). Zoals zoveel van mijn generatiegenoten heb ik de blues leren kennen van de langspeelplaten en singles van the Rolling Stones, the Pretty Things en Them. En ik moet hier zeker ook Cuby & the Blizzards vermelden. Harry Muskee had een authentieke bluesstem, Eelco Gelling was een voortreffelijke gitarist. Je had natuurlijk ook John Mayall & the Bluesbreakers, the Yardbirds, Fleetwood Mac, Chicken Shack en wat later Led Zeppelin, en nog een hele resem andere rockbands van wie het repertoire gebaseerd was op de blues. Al deze witte bands, zangers, muzikanten, maakten mij warm voor de oorspronkelijke muziek uit Chicago, Memphis, de Mississippi Delta, New Orleans en talloze andere steden en dorpen in de VS. En zo kwam het dat ik uiteindelijk toch op zoek ging naar platen van Muddy Waters, Little Walter, Howlin’ Wolf, John Lee Hooker en andere giganten. Inmiddels waren de jaren zeventig begonnen en had ik een soort van baard. (Best mogelijk dat ik dit verhaal al eerder heb verteld.)

If I’m feelin’ tomorrow
Like I feel today
I’m gonna pack my suitcase
‘Cause I’m troubled
I’m all worried in mind
And I never been satisfied
And I just can’t keep from cryin’


Bij de keuze van de onderstaande songs ben ik snel en intuïtief te werk gegaan. Op een andere dag had mijn lijst er waarschijnlijk helemaal anders uitgezien. Op nog een andere dag had ik helemaal geen blues gekozen, maar liedjes over filmsterren, aardbeien, wolkenkrabbers, zeilboten of Rock Werchter. Stemming bepaalt ons leven.

Veel luisterplezier.

Cuby (Harry Muskee), Eddie Boyd, John Mayall

This Land Is Your Land – Woody Guthrie – Smithsonian Folkways: American Roots Collection – Woody Guthrie

Long Road To Travel – Lonnie Johnson – Smithsonian Folkways: American Roots Collection – Lonnie Johnson

Mean Old World – T-Bone Walker – T-Bone Blues – Michael Goldsen/T-Bone Walker

I Can’t Be Satisfied – Muddy Waters – Hard Again – M. Morganfield

Come Back Baby – Little Walter – Blues With A Feeling  – Walter Jacobs

Done Somebody Wrong – Elmore James – The Sky Is Crying – Elmore James

The Sky Is Crying – Cuby + Blizzards – Trippin’ Thru’ A Midnight Blues – Robinson/Lewis/James

Stop – Mike Bloomfield, Al Kooper, Steve Stills – Super Session – J.Ragovoy/M.Shuman

Mellow Down Easy – Butterfield Blues Band – The Paul Butterfield Blues Band – Willie Dixon

Sitting On a Barbed Wire Fence (Take 2) – Bob Dylan – The Best of The Cutting Edge 1965-1966: The Bootleg Series, Vol. 12 – Bob Dylan

Rollin’ And Tumblin’ – Canned Heat – Cook Book – McKinley Morganfield

I Need A Man To Love – Big Brother & The Holding Company – Cheap Thrills – J.Joplin/S.Andrew

Bring It On Home – Led Zeppelin – Led Zeppelin II – Willie Dixon

Dimples – Johnny Jenkins – Ton-Ton Macoute! – James Bracken/John Lee Hooker

Statesboro Blues – Taj Mahal – Taj Mahal – W. McTell

Two Headed Woman – Junior Wells – Walkin’ The Blues – C. Weaver/W. Dixon

Sit And Cry The Blues – Buddy Guy – Walkin’ The Blues – Willie Dixon/Buddy Guy

Sittin’ Drinkin’ And Thinkin’ – Little Junior’s Blue Flames – Sun Records: The Blues Years 1950-1958 [Disc 7] – Herman Parker

Move On Down The Line – Earl Hooker – Sun Records: The Blues Years 1950-1958 [Disc 5] – Earl Hooker

Penitentiary Blues – Lightnin’ Hopkins – Lightnin’ Hopkins (Folkways, 1959) – Lightnin’ Hopkins

Burning Hell – John Lee Hooker – Burning Hell – John Lee Hooker


Don’t Start Cryin’ Now – Slim Harpo – The Best Of Slim Harpo – Moore/West

Left Handed Woman – Jimmy Reed – At Soul City – Jimmy Reed

Who’s Been Talking? – Howlin’ Wolf – The London Howlin’ Wolf Sessions – Chester Burnett

Who Do You Love – Ronnie Hawkins & The Hawks – The Best Of Ronnie Hawkins & The Hawks – Bo Diddley

Stingy Little Thing – Hank Ballard – Singin’ and Swingin’ – Henry Ballard

Finger Poppin’ Time – Lou Ann Barton – Old Enough – Henry Ballard

Light My Fire – Etta James – Call My Name – The Doors

You Shook Me – Jeff Beck – Truth – Jeff Beck

Hound Dog – Paul Burlison – Train Kept A-Rollin’ – Leiber/Stoller

Broke Down Engine – Johnny Winter – The Progressive Blues Experiment – Johnny Winter/A. Fernback

Shake ‘Em on Down – Tarbox Ramblers – Tarbox Ramblers – Traditional

Cold Day In Hell – Lucinda Williams – Down Where The Spirit Meets The Bone – Lucinda Williams

I’m Gonna Kill That Woman – Nick Cave & The Bad Seeds – Kicking Against The Pricks – John Lee Hooker

Long Snake Moan – PJ Harvey – To Bring You My Love – Polly Jean Harvey

Could We – Cat Power – The Greatest – Chan Marshall

Lou Ann Barton

Samenstelling en research: Martin Pulaski

KRETEN EN GEFLUISTER

©Martin Pulaski

We zitten de hele middag al te drinken, mijn vriend Alfred en ik. Zoals wel meer van mijn vrienden en kennissen is Alfred het leven beu. Optimisten, zelfverklaarde levensgenieters en carrièreplanners hebben mij om een of andere reden al meerdere jaren geleden de rug toegekeerd. Bestel nog een glas wijn, is Alfreds leuze, want het leven is niets en de wereld heeft niets aan mijn bestaan.

Die avond in café De Kat laat ik Alfred even aan zijn lot over om Ronald dag te gaan zeggen. Ronald is een architect die in de jaren zestig zijn laatste huizen heeft ontworpen. Zijn radicale visie op architectuur, geïnspireerd door de bevindingen van Internationale Situationniste, sloeg echter niet aan in dit platte land van ons. Ik wijs – niet al te opvallend – naar Alfred en leg uit dat hij diep in de put zit. Ronald haalt de schouders op.
“Niemand mag sterven, Ronald”, zeg ik.
“Laat ze er toch allemaal een eind aan maken”, zegt Ronald. “En trek het je niet aan, als ze het willen doen ze het toch. Niemand houdt hen tegen”.

Terwijl Ronald en ik zitten te praten loopt Alfred De Kat uit en roept, met een stemgeluid dat je nauwelijks horen kan, “ik wil dood, ik wil dood”. Ik ga hem achterna, grijp hem bij de mouw en trek hem weer de kroeg in. Ondanks zijn duidelijke afkeer van alles wat hij nu een tweede keer ontwaart gaat hij gewillig op een enigszins wankele stoel zitten.
“Ik laat Lydia heel gauw een taxi bellen”, zeg ik. “Eerst bestel ik nog een rondje voor Ronald en zijn vrienden”.

“Ben jij wel van Antwerpen?” vraagt de pooier van een blondje (ongeveer negentien, groene ogen). Waarschijnlijk is hij geen pooier, maar ik vind het prettig hem zo te noemen. Had hij maar niet dat glimmend blauwzijden hemd moeten aantrekken. En dat hij het meisje behandelt alsof ze zijn poedel is kan ik helemaal niet hebben. Na een halve minuut ongeveer haat ik deze man al en heb ik zin om hem een vuistslag te geven. Jammer dat ik niet sterker ben. Ik doe niets om fit te blijven, draag een bril en ben aan de magere kant, allemaal zaken die niet in mijn voordeel zijn als het op vechten aankomt. Een goedgeplaatste vuistslag zou nochtans veel oplossen. Maar nee. Ook al omdat ze mij in de Kat voor een intellectueel houden. Van het soort dat niet vecht.
“Ik ben van Brussel én van Antwerpen”, antwoord ik zo vriendelijk als ik kan.
“Daar heb ik ook gewoond, in Brussel”, zegt het blonde meisje.
“In Brussel was alles beter dan hier”, voegt ze eraan toe.
“Overal was altijd alles beter”, zeg ik.
Ze kijkt me boos aan. Heb ik iets verkeerds gezegd?
“Ik wil zelfmoord plegen”, kreunt Alfred.
“Laat hem toch zeuren”, zegt Ronald, “het is nog te vroeg voor je taxi”.
“Overal was altijd alles beter”, zeg ik, “overal ter wereld.”.

Een Indiër met bloemen komt het café binnen. Niemand is geïnteresseerd in zijn koopwaar. Ik wel: het tafereel roept een vaag gevoel van herkenning in me op, het is alsof ik gedwongen word de man aan te spreken, om op die manier te weten te komen welke woorden en mogelijk zelfs zinnen ik zal gebruiken.
“Hoeveel voor zo’n roos?”, vraag ik.
“Een euro”, zegt hij.
“Vijftig cent”, zeg ik. Ondertussen vraag ik me af: voor wie?
“Negentig”, zegt de Indiër.
“Vijftig”, houd ik vol.
“Tachtig”, zegt de Indiër.
“Vijftig”.
“Zeventig”.
“Vijftig”.
“Zestig”.
“Vijftig”.
“O.K.”, zegt de Indiër, “vijftig cent voor deze mooie roos”.
Gesterkt door deze overwinning vraag ik me af of ik de pooier toch maar niet in zijn gezicht zal slaan. De rode roos geef ik aan Lydia. Aan wie anders? Lydia is verbaasd, of wat had je gedacht? Al die jaren dat ik in haar café kom heb ik nauwelijks het woord tot haar gericht, laat staan haar iets gegeven, en nu dit.
“Waarom geef je mij een roos?” vraagt ze.
“Omdat ze in mijn weinig gastvrije hand verwelkt”, zeg ik. “Lydia, weet je, ik woonde graag in Antwerpen. Dit is altijd mijn heilige stad geweest. Je had al veel meer bloemen van mij moeten krijgen, al was het maar om de tijd te verzachten”.

Pieter De Zwaan komt naar me toe. We begroeten elkaar.
“Je bent dik geworden”, zeg ik.
“Vind je?”, vraagt hij.
“Wel zeker”, zeg ik, “erg dik. Als ik ooit een acteur zoek voor mijn versie van Pere Ubu, weet ik bij wie ik terecht kan. À propos, ken jij die pretentieuze vent die daar zit, met dat brilletje op zijn neus? Ik heb zin om die man een pak slaag te verkopen. Vooral vanwege dat zijden hemd dan”.
“Je moet dat doen”, zegt Pieter. “Het is een klootzak. Een regelrechte chauvinist. En hij is niet eens van Antwerpen!”
“Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan”, zeg ik. “Maar kan ik die man in mekaar rammen, terwijl mijn vriend Alfred zelfmoord wil plegen? Zie de man daar zitten, Pieter.”
“Wil Alfred zelfmoord plegen?” vraagt Pieter.
“Ja”, zeg ik. “Ik breng hem meteen naar huis, met de taxi. En daarna neem ik in Berchem de junkietrein die van Amsterdam komt. ”
“Je moet nooit bang zijn”, komt Ronald ertussen “Dat is nergens goed voor. In Brussel moet je ook niet bang zijn. Je moet brutaal zijn. En brullen. Als je brult, weten ze dat je niet bang bent. Je moet brullen zoals je hier in Antwerpen hebt gedaan toen die biker je vriend omver wilde rijden”.
“Ja, dat is waar”, zeg ik, “die sonofabitch is wel even geschrokken”.
“Nooit bang zijn,” zegt Ronald nog een keer.

(Toen we van café de Volle Maan naar De Kat liepen had een macho op een Yamaha geprobeerd Alfred omver te rijden, zij het op trage wijze. Mogelijk hield hij zich wat in vanwege de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Ik ben luidkeels beginnen te brullen, verdomde klootzak en van die uitdrukkingen, je kent ze wel. Meer was niet nodig om de samoerai op de vlucht te doen slaan. Alfred had me enigszins verrast aangekeken.)

Alfred staat op, neemt een aantal briefjes van twintig uit zijn jas en werpt die op de vloer. Ik raap ze op en geef ze hem terug. Nu is het de hoogste tijd voor de taxi.

Als we aan het station van Berchem aankomen heb ik nog twee minuten voor de trein naar Brussel vertrekt. Mogelijk is Alfred vergeten dat hij dat geld in zijn jaszak heeft zitten, dus geef ik hem nog eens twintig euro, zodat hij zich tot voor zijn deur kan laten voeren. Hij geeft het geld meteen aan de taxichauffeur en stapt ook uit.
“Zal het gaan?”, vraag ik.
“Tuurlijk”, zegt hij”, het is maar een steenworp ver”.
“Een worp met de dobbelsteen”, zeg ik.
“Precies”, zegt Alfred.

Op de junkietrein zitten geen junkies, zo te zien. Er wordt zelfs geen joint gerookt. Jammer, want ik houd van die geur. Ik zet mijn koptelefoon op en luister naar Townes Van Zandt:
“To live is to fly high and low…”.

Een uurtje later hang ik op een barkruk in een proletariërskroeg nabij het Zuidstation. Het bier smaakt er bitter maar de mensen die er rondhangen zien er tevreden uit, eerder zoet dan bitter. Een paar oudere echtelieden, of stiekeme geliefden, dat kan ook, dansen op de muziek van de jukebox. “Pepito Mi Corazon”, zingt de zangeres van Los Machucambos. Ik ken dat lied. Het herinnert me meteen aan een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van de dood van mijn vader. Daarin zie ik hem met een schipperspet op het hoofd een danspasje doen op “Pepito Mi Corazon”. En zo herinner ik me ook weer mijn vader zelf, zijn laatste jaren, toen ik tederheid voor hem ging voelen. Toen ik een zoon werd. Het wordt tijd om op te krassen. Dit is mijn verleden. Mijn ware leven is elders. Ik moet bellen naar mijn vriend. Hij mag niet sterven.

In de taxi naar huis heb ik een discussie met de chauffeur, een uitgesproken racist met een Limburgse tongval.
“Die Marokkanen moeten terug naar hun land”, zegt hij. “Ze maken hier alles kapot”.
Ik word niet boos, probeer hem zelfs enigszins te begrijpen. De man evenwel tot een inzicht brengen dat mij moreel juister lijkt, dat lukt mij niet. Om nog wat door te kunnen gaan met onze discussie zet de taxibestuurder voor mijn woning aangekomen de teller af. We praten nog een goed half uur. Mijn argumentatie is gebaseerd op één idee: als de Marokkanen weg zijn, dan zullen het de Limburgers zijn die alles verpesten. Want dat zijn ook geen echte Vlamingen, echte Vlamingen zingen namelijk niet.
“Alleen Limburgers zingen, dat weet je toch,” zeg ik. Mensen kiezen altijd een vijand uit. Dat is altijd al zo geweest. Het probleem van de vijandigheid in ons hart los je niet op met de Marokkanen of wie dan ook naar huis te sturen. Hun huis is nu hier.
“De mensen moeten met elkaar leren leven”, zeg ik, “dat geldt net zo goed voor jou als voor mij.” Maar luistert de Limburger nog? Hoort hij wat ik zeg? Hij zal denken dat het dronkenmanspraat is.
“Geloof me”, zeg ik, “net als jij heb ik van die negatieve gevoelens. Haat, intolerantie, vijandigheid. Ik ken het allemaal. Maar ik probeer er op een evenwichtige manier mee om te gaan.”
Zal hij hierover nadenken? Ik betwijfel het. Mijn ervaring is dat je een racist uiterst moeilijk op andere gedachten kunt brengen. Toch geven we elkaar de hand en wensen elkaar zonder hardheid in onze stem een mooie zondag.

Het is vier uur in de ochtend. Ik bel terstond Alfred op. Gerinkel. Zou hij slapen? Of is hij dood? Wat maakt het voor hem uit? Het leven is niets. Alleen wij die blijven zullen treuren en elkaar met schroom of tegenzin in de ogen kijken. Op reis gaan naar plaatsen waar iedereen al geweest is, en geeuwen bij al die schoonheid. Alleen wij zullen elkaar en onszelf leugens vertellen. Anders is het leven niets. Alfred kan tegen een stootje. Mijn vriend zal nog lange tijd met zijn dobbelstenen blijven werpen.

Dit is een grondig herwerkte versie van het verhaal Geeuwen bij al die schoonheid, dat ik in 2005 op dit blog publiceerde. Aan de personages heb ik nauwelijks iets veranderd, wel aan de stijl en de woordkeuze. En ik heb de verteller wat meer mededogen gegund.

De foto is van mezelf. Dit is niet in De Kat en niet in een café aan het Zuidstation in Brussel.

DE ORTO BOTANICO IN PALERMO

Palermo is een stad als geen ander. Vervallen, vuil, en van een ongeëvenaarde, zenuwslopende schoonheid. Ik verbleef er in 1998 een week en keerde er onlangs terug vanwege een onweerstaanbare lokroep. Er is weinig veranderd in Palermo, al is een deel van de oude stad nu autovrij en zijn de inwoners stukken vriendelijker en gastvrijer dan toen. Het leven lijkt er intens en een beetje wild. De geuren en kleuren van de stad zijn overweldigend. Soms moet je je terugtrekken uit al die drukte, een beetje op adem komen. De Orto Botanico, dichtbij de zee en de haven waar de boten naar onder meer Napels en Tunesië vertrekken, is daar een bijna perfecte plek voor. Ik houd al een groot deel van mijn leven van botanische tuinen en zoek ze tijdens mijn reizen zoveel mogelijk op. Die van Palermo is een van de mooiste.

TAMELIJK BETAMELIJK GEDRAG

Senga, Dolfijnstraat, omstreeks 1977.

[Nachten aan de Kant 62]

Die dag in augustus werd ik pas omstreeks het middaguur wakker. Beneden in het Groot Vertrek zat Senga aan de keukentafel te lezen in Film en Televisie. Wat lees je, vroeg ik. Een boeiende recensie van Ronnie Pede over Renaldo & Clara, zei Senga. Je hebt in de oude tijdschriften zitten neuzen, zei ik. Zo oud is dit nu ook weer niet, zei ze. Toch wel een jaar, zei ik. De tijd gaat snel, zei Senga. Je hebt ze toch weer niet allemaal door elkaar gehaald, zei ik. Ik heb die oude Photo van jou weer bovenop de stapel gelegd, zei ze. Senga zag er verrukkelijk uit, in haar lila T-shirt met de expressieve kop van Jim Morrison erop afgebeeld. In de zomer liep Senga graag in haar blote kont rond, maar nu Gabriëlla bij ons woonde was ze wat betamelijker geworden. Ik kwam wat dichterbij om te zien welke zedige oplossing ze voor vandaag gevonden had. Het was een kort dun rokje in wit katoen, dat wat meer aan de verbeelding overliet dan een blote kont, maar niet zo heel veel meer. Senga leek ervan uit te gaan dat mijn voorstellingsvermogen eerder klein was. Daarin vergiste ze zich.
Gabriëlla was het andere uiterste. Ook in de zomer liep ze gekleed alsof het elk moment zou kunnen gaan vriezen. Steevast droeg ze een jeans, een T-shirt en daarover meestal nog eens een slobbertrui. Nooit zag het zonlicht haar blote benen. En toch had ze iets, maar om dat te zien moest je over een bijzondere gave beschikken. Verbeelding volstond niet.

Ik had Lost in the Ozone van Commander Cody & His Lost Planet Airmen op de platenspeler gelegd. Het concert van die countryrock band, de onwaarschijnlijke opener voor Elliott Murphy op de Brusselse Grote Markt, was bij mij in de smaak gevallen, maar in vergelijking met de blonde rockdichter zag het er allemaal wat vulgair uit en klonk het ook zo. Toch kon ik nog altijd genieten van songs als Seeds and Stems (Again) en Lost In the Ozone. Ondertussen had mijn verrukkelijke Syngala de tafel gedekt. Je moet weten dat ik haar af en toe met veel plezier een andere naam gaf. Syngala paste klankmatig goed bij Bengaals vuur, vond ik Net als mijn geliefde kon dat lang, rustig en toch fel branden.

Ik dronk drie koppen van Senga’s sterke koffie, want ik voelde me erg moe. Van wat kon dat zijn? In de Mort Subite hadden we niet meer dan twee of drie glazen bier gedronken… Van schrijven zou er niets meer in huis komen vandaag. Ik vroeg Senga of ik haar wat uit De triomf van het leven mocht voorlezen. Dat vond ze een prima voorstel.

We gingen in de bruine zetels zitten, Senga en Jim Morrison tegenover me, en ik begon te lezen.

Triomf van het leven

Het leven is het leven. Rampzalige tautologie, die alles omvat en toch niets betekent. Bestond zij maar niet, of had ik ze maar meteen geschrapt. Wekenlang houdt die uitspraak me nu al in haar ban. ’s Nachts kan ik er niet van slapen, overdag belet ze mij te werken. Aan niets anders kan ik nog denken dan aan het leven dat het leven is.

Sinds het ogenblik dat deze tautologie mij een van die prachtige vondsten leek heb ik al twee cahiers volgeschreven. Geen woord van mezelf. Uitsluitend fragmenten van bekende en minder bekende denkers en dichters. Gedachten, beschouwingen, uitspraken over de zin, de oorsprong, het doel en zelfs de absurditeit van het leven. Tijdens dit voorbereidend werk, van krampachtig associatieve aard, was me opgevallen dat zowat alle auteurs het vooral en steeds weer over de dood hadden, of op zijn minst over de vervlechting van leven en dood.

Ik wierp een steelse blik op Senga, haar bevallige blote benen gekruist. Ze zat met de ogen toe en leek aandachtig te luisteren. Mijn tekst verveelde me. Veel liever had ik lekker met haar gevrijd. Haar lijf nog getaand door de zon van de Camargue. Maar zelfs de gedachte aan al die opwinding putte me uit.

De volksmond leert ons dat het leven een strijd is. Charles Darwin heeft die wijsheid wetenschappelijk onderbouwd. Ook bij Hegel, Marx en zelfs Nietzsche vinden we ettelijke passages over strijd, oorlog, destructie, volstrekte negativiteit terug. Arthur Schopenhauer, voorloper van de Weense School en inspiratiebron voor Samuel Beckett, ziet het leven als één lange ontgoocheling.
“Wat ligt er toch een afstand tussen het begin en het einde van ons leven: het begin met de waan van de begeerte en de verrukking van de wellust, het einde met de vernietiging van alle organen en de stank van rottende lijken…” De wereld is een boeteoord, een strafkolonie, vindt hij. Schopenhauers epigoon Sigmund Freud is niet minder fatalistisch. Het levenloze (steen) was eerder aanwezig dan wat leeft (adem) en alles wat leeft neigt naar deze oorspronkelijke toestand. Het doel van het leven is de dood.
Ik weet dat ik de psychoanalyse hiermee geweld aandoe.

Freuds belangstelling voor de klassieke tragedie bracht me op het spoor van Sophocles:
Niet geboren zijn is ’t allerbeste,
dan, als tweede, dat wie in het licht verscheen
snel daarheen weer keer’, vanwaar hij kwam,
want wanneer de jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd?

Het klinkt allemaal nogal somber, zei Senga. Ja, zei ik, ik weet het. Maar het blijft niet alleen maar kommer en kwel. De weg naar het licht begint in duisternis. Wil je dat ik voor vandaag ermee ophoud? Nee, hoor, zei Senga, lees maar door. Ik wil liever met je vrijen, zei ik, zoals je daar nu zit, zo’n lekkere vrucht. Dat is pas leven. Senga stond op, stapte blootsvoets naar me toe, bukte zich en kuste me lang op de mond.

Een paar uur later zaten we in alle rust Winstons te roken en een glas Gewürztraminer te drinken. De smaak van die wijn deed mij altijd aan onze eerste kus denken. Tijd voor Tim Buckleys Happy Sad, met daarop het magnifieke Buzzin’ Fly. Weet je wat, Senga, morgen lees ik alleen mijn bevindingen voor, of een aantal ervan, boeiende tekstfragmenten die ik over het thema heb gevonden. Want mijn essay is beslist nog niet af; het is nu nog erg onevenwichtig. Lang niet zo geslaagd als Taferelen van onverschilligheid. Wat erg dat Guy zich bij het lezen van dat verhaal herkend heeft in Ergo Verdussen, of was het in Jacky Avontuur, zei Senga. Heel erg en heel onterecht, zei ik. In wie van die twee idioten, die de verteller met een roestig zwaard dreigt te zullen onthoofden, weet ik eigenlijk niet. Ik heb Guy een brief geschreven om hem op het hart te drukken dat ik hem hoegenaamd niet als model heb genomen. Mogelijk zit hij hem nu al te lezen en komt alles nog goed tussen ons.

Photo, juli 1979
Guy Bleus, You Can Never Go Home Anymore!

EINDE VAN HET SEIZOEN

Een manifestatie van de filosofische kring Aurora, circa 1980.

[Nachten aan de Kant 61]

De zomer van 1979 liep langzaamaan ten einde. Het was het jaargetijde waarin de weemoedige song Summer’s Almost Gone van the Doors mij onvermijdelijk te binnen schoot, ook nu weer, nu de band van Jim Morrison tot een relict uit een begraven tijdperk was herleid. Spoedig zou ik een flinke klap krijgen, een waarschuwing dat ik mijn leven grondig zou moeten veranderen. Vandaag was het nog niet zo ver. Het waren drukke zomerdagen geweest.  De haast routineuze nachtelijke escapades naar de Dageraadsplaats en naar de Stadswaag begonnen een zware tol te eisen. Al wilde ik dat maar al te graag ontkennen. Ook in 1979 al was zelfbedrog mij niet vreemd.
Overdag was er werk aan de winkel: filosofie en literatuur. Bij Aurora vertaalde ik samen met Paul Rigaumont De dans van de filosofie, een essay van de Parijse filosoof Claude Roels. Wat met die tekst uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet. In 1982 heb ik de filosofische kring Aurora de rug toegekeerd, en ik heb er lange tijd niet meer naar omgekeken. Al ben ik met Paul tot aan zijn dood goed bevriend gebleven. Claude Roels ontmoette ik vele jaren later een paar keer. Paul en zijn vrouw Olga waren de filosoof als een intieme vriend gaan beschouwen. Maar op een dag verdween hij zomaar zonder een spoor achter te laten uit hun leven. De hele geschiedenis leek een beetje op een van die raadselachtige verhalen van Patrick Modiano.

In de Dolfijnstraat werkte ik aan mijn tekst De triomf van het leven, geïnspireerd door een gedicht van Percy Shelley. Ik dweepte nog altijd met de romantiek, vooral de Britse versie ervan. Al hield ik ook van Novalis en Kleist. Kleist zou ik nu hoegenaamd geen romantische auteur meer noemen. Hij behoort tot de klassieken. Waarschijnlijk heb ik De triomf nooit afgewerkt en heel zeker niet naar een uitgever verzonden. Ik was ervan overtuigd dat niemand mijn werk zou willen publiceren. Ik wantrouwde uitgevers, ik wantrouwde de literaire wereld, ik wantrouwde de meeste schrijvers. Je hoort nergens bij, jongen, zei ik, je staat er alleen voor. Alleen in outsiders herkende ik iets van mezelf. Ik was een twijfelaar, altijd onzeker, was mijn werk wel goed genoeg, hoe zat het met mijn grammatica, met mijn woordenschat? Had ik originele ideeën?

Louis Edouard Fournier, De begrafenis van Shelley

De triomf van het leven is dat je volhardt, dat je in jezelf blijft geloven, in je mogelijkheden, dat je weet dat je kunt veranderen. De triomf van het leven is dat je kunt liefhebben en liefde terugkrijgt. Waarbij je nooit uit het oog mag verliezen dat liefde op maar weinig vragen een antwoord geeft. Daarin had John Lennon, en met hem heel wat van zijn generatiegenoten en kompanen, het verkeerd voor. Liefde is niet het antwoord, het leven is veeleer strijd. Love is a battlefield, zong Pat Benatar een paar jaar later. Dat lijkt me realistischer.

Senga en ik waren arm, zonder dat we onszelf zo zagen. Of, het maakte niet veel uit. De weinige waardevolle dingen die we bezaten moesten we verkopen. Voor een nikkelen servies uit de 18de eeuw kregen we tweeduizend frank. Een mooi bedrag voor wat oude prullaria. Met de opbrengst konden we wat van onze schulden in winkels en bars en aan onze vrienden aflossen.

Op de Grote Markt in Brussel zagen we Elliott Murphy optreden. Hij was in die tijd een van mijn muzikale helden. Hij had een romantisch aura, droeg een wit pak, schreef literaire liedjesteksten, verwees in zijn interviews naar F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway. Hij leidde een leven dat de muziekpers decadent noemde. Ik zag hem als een Amerikaanse versie van Kevin Ayers. De verbluffend mooie Grote Markt was een ideaal decor voor de songs van Elliott Murphy. Was hij een van the last of the Rock Stars? Na het optreden zagen we in Au mort Subite Freddie Bleus terug. Al pratend reisden we terug naar de Waterkrachtstraat in Sint-Joost-ten-Node, waar alles begonnen was. Het prille begin van onze liefdevolle veldslagen. Toen Senga voor mij Daphne was, mijn romantische muze. Al zag ik mezelf niet als Apollo en wilde ik haar zeker niet in een laurierstruik veranderen. Daarvoor verlangde ik te zeer naar haar vlees en bloed, of liever, naar haar huid en haar. Met Freddies broer Guy was er iets vreemds aan de hand. Ik had in Aurora mijn verhaal Taferelen van onverschilligheid gepubliceerd. Daar kwamen twee onsympathieke personages in voor. In een van de twee had Guy zich herkend. Dat was pure paranoia van hem geweest. Guy was mijn vriend, ik zou hem nooit belachelijk maken, in een tekst noch in het echte leven. Mijn verhalen waren verzinsels, geen autobiografische notities zoals deze hier. Ik schreef hem hierover om hem duidelijk te maken dat hij zich hierin vergiste. Zou hij me geloven?

Gian Lorenzo Bernini, Apollo en Daphne, 1622-1625

Met Senga en Gabriella ging ik die zomer meermaals naar de bioscoop. Veel indruk maakte op mij opnieuw Last Tango in Paris met Marlon Brando en Maria Schneider. Ik had de film al drie of vier keer gezien. Die nacht schreef ik er een lang, psychoanalytisch geïnspireerd stuk over. Af en toe hield ik op met schrijven om te horen of er niets onheilspellends in de kamer van Gabriëlla gebeurde. Mogelijk zat ze weer aan de morfine, ze was al enkele dagen bleek en verzonken in gedachten of dagdromen. Terwijl ze toch met zoveel goede voornemens bij ons was ingetrokken. Ik probeerde me er niet te veel kopzorgen over te maken en beëindigde de tekst. Ook daarmee deed ik niets. Het was een onderdeel van één groot werk voor niemand.

LIEFDE EN GELUK IN DE DOLFIJNSTRAAT

[Nachten aan de Kant 60]

Bij het lezen van mijn dagboeknotities van 1979 valt mij op hoe vaak daar klaagzangen te horen vallen. Opnieuw en opnieuw voel ik me eenzaam, ellendig en in de nabijheid van de dood. Herhaaldelijk maak ik melding van allerhande kwalen en vage vormen van depressie en andere psychische stoornissen. Senga en ik konden nauwelijks rondkomen, waardoor we weinig bewegingsvrijheid hadden. Weliswaar reisden we die zomer naar de Provence en de Camargue, maar dan wel op de meest primitieve manier denkbaar. In het dagboek worden de lamento’s over diverse aandoeningen, eenzaamheid en armoede afgewisseld met ellenlange verslagen van allerlei bizarre dromen en nachtmerries, meer dan eens van apocalyptische aard.

Was ik in werkelijkheid inderdaad zo ongelukkig en eenzaam? Helemaal niet, denk ik nu, meer dan veertig jaar later. Nagenoeg iedere dag waren er ontmoetingen met vrienden, met verwante zielen. Dan hadden we diepgaande en vaak ook grappige, soms ronduit krankzinnige gesprekken. Af en toe deden zich boeiende conflicten voor. Meer dan eens wonden we ons op over filosofen, linguïsten, structuralisten en dergelijke meer. We bejubelden De vrolijke wetenschap van Nietzsche, stelden ons vragen bij de ideeënleer van Plato en vroegen ons af hoe dat nu eigenlijk zat met de wil en de voorstelling bij Schopenhauer. We gaven ons over aan allerlei theoretische bespiegelingen over poëzie, nouvelle vague, free jazz. Onze discussies leken op middernachtelijke jamsessies, meanderend als ze waren. Ons enthousiasme over wat er in de kunstwereld gebeurde was groot. Performance, conceptuele kunst, nieuwe wilden, maar net zo goed Tintoretto, Caravaggio en Max Beckmann. Mijn vrienden en ik leken in een eeuwig nu te leven, ook al beseften we telkens weer dat het om een nu van korte duur ging. Bruisend leven noemden we het niet: de tijdsgeest was immers nihilistisch. We hadden drank, peppillen, af en toe een joint. Het leven was goedkoop. In de kroegen en de buurtwinkels kregen we krediet. Popmuziek was weer even opwindend als in de sixties. Daar schreef ik in mijn dagboeken maar weinig over. Over de kicks die we voelden als we This Year’s Model van Elvis Costello, Forces of Victory van Linton Kwesi Johnson, Muse van Grace Jones en Broken English van Marianne Faithfull beluisterden. In het Filmhuis, de Monty en Cartoon’s waren altijd wel geestverruimende films te zien, al beseften we dat toen waarschijnlijk onvoldoende. [1]

Senga en ik woonden in een bescheiden maar stijlvol huis, waar veel zonlicht binnenviel, gelegen in de Dolfijnstraat in Zurenborg, een van de prettigste buurten van Antwerpen. De huur was er betaalbaar, zelfs voor ons. Vrienden van ons woonden op enkele minuten loopafstand. Elke avond viel er wel iets te beleven, in de wijk, bij vrienden of bij ons thuis. Overdag werkte ik in een behaaglijke kamer met mijn lievelingsboeken binnen handbereik. Dat vertrek, voor mij een soort van baarmoeder, lag aan de achterkant, waar het altijd rustig was, met uitzicht op de tuintjes en verderop de spoorweg. Ik schreef alsof mijn leven ervan afhing, van negen tot vijf, soms langer.

Senga en ik hadden iets bijzonders. Iets wat liefde wordt genoemd. Al kan ik moeilijk beweren dat we gelukkig waren. Wat is dat, geluk? Is het iets wat je overkomt, of hangt het samen met een actief leven? Als geluk alleen maar neerkomt op het verwerven van bezit of de bevrediging van lustgevoelens, houdt het niet lang stand. Dan wil je al gauw iets anders, iets nieuws.
Meestal voelden Senga en ik elkaars verlangens en wensen goed aan. Als we vrijden bereikten we een aards equivalent van de zevende hemel. Mocht ik hierover gedetailleerd schrijven, zou dat al gauw op pornografie gaan lijken. Daarom liever niet. Onze seks was een beetje zoals die van Sada en Kichizo in Het rijk der zinnen, de erotische film van Nagisa Oshima, maar zonder het sadomasochisme en het bloed. Er was echter niet alleen maar seks. Zo lazen we elkaar voor uit romans van Thomas Mann, Miguel de Cervantes, Knut Hamsun. Soms maakten we ruzie. Onder invloed van sterkedrank en amfetamine had ik wel eens aanvallen van jaloezie. Conflicten werden echter altijd meteen weer bijgelegd. Ik vermoed overigens dat Senga net zo jaloers was als ik. Ik was tenslotte altijd verliefd. Maar zij was sexy en kreeg veel aandacht. Soms wat te veel naar mijn zin.

Wie ik in dat bijna idyllisch verhaal miste was mijn zoontje. Hij was nu acht en woonde ver weg in Brussel, een stad waar ik haast nooit meer kwam. Alsof ik het bitterzoete leven dat ik daar geleefd had wilde vergeten. Met de mantel der liefde bedekken. Ik hield zielsveel van hem maar zag hem veel te weinig. Altijd wel in de vakantieperiodes, maar dan nooit langer dan een of twee weken. Gelukkig kon ik in die tijd goed opschieten met zijn moeder, en met haar nieuwe vriend, een kunstenaar die niets dan rust en goedheid uitstraalde. Later, in een veel kleiner appartement in de Lamorinièrestraat, zou ik mijn jongen vaker zien. Maar tot eind jaren tachtig zou ik nog in armoede moeten leven en kon ik hem veel minder materiële steun geven dan ik wilde. In mijn dagboek schrijf ik met tederheid over de dagen dat we samen waren. Af en toe gingen we tezamen bij mijn ouders logeren, die toen nog aan de boskant in Neerharen woonden. In de Dolfijnstraat had mijn zoontje een vriendinnetje. Hij kende Vera al van toen hij nog een kleuter was en mijn ex en ik filosofie studeerden. Terwijl zijn hippieouders joints rookten of shitcake aten en papa in de huizen aan de overkant Mexicanen zag en ze vrolijk hoorde musiceren, speelden de kinderen poppenkast. Nu waren ze groter geworden en hielden een winkel met voedingswaren open.

Waarom dan al die jeremiades in mijn dagboeken? Veel overbodige zinnen en paragrafen, de uitdrukking van toestanden die ik me verbeeldde maar die voor mij écht zullen geweest zijn. Zijn hersenspinsels niet even echt als het reële? Vandaag zie ik dergelijke fragmenten als onderdelen van een ritueel om tot het echte werk te komen. Eerst moest ik van die fysieke ballast af. Waarna een taal moest ontstaan die veel verder reikte dan het lichaam met niets dan pijnlijke organen gevuld. Een taal in dienst van de schoonheid, ver weg van maagzuur en hartritmestoornissen.

[1] Ik denk nu aan films van Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Peter Handke (De linkshandige vrouw), Chantal Akerman, Werner Herzog, Margareta von Trotta, Andrzej Żuławski, Peter Lilienthal, Bertrand Blier, Luis Buñuel, André Téchiné, François Truffaut, Roman Polanski, Jerzy Skolimowski (en ik beperk me hier dan nog tot Europese regisseurs).

EEN ONVERWACHT BEZOEK

Senga, Brussel, 1976. Op de achtergrond Het land van de grote belofte van Andrzej Wajda. Een film die we pas veel later zouden zien. Foto: M.P.

[Eerste helft augustus 1979]

Enkele dagen na het etentje bij Giuseppe. De kater was weggeëbd, ik had de doodsbrief van Barbara Welkenhuyzen gelezen en vervolgens in een la gelegd. Later zou hij in een schoendoos worden opgeborgen. In 1979 was het oude Neerharen en de hele Maasvallei voor mij een verzonken wereld. De vrienden van toen waren schimmen geworden die alleen in mijn dromen soms nog een wat grotere rol kwamen opeisen. Dat laatste wees erop dat weinig van wat ik daar had beleefd uit mijn geheugen was gewist.

Omstreeks vijf uur ging de deurbel: het was Ria. We waren aangenaam verrast; het was de eerste keer dat ze bij ons op visite kwam. Ze stak meteen een sigaret op, waarbij haar handen een beetje beefden. Zij maakte een wat bedremmelde indruk. Ria kwam drie dingen vragen: 1° een tang (er scheelde iets aan haar fiets); 2° of ze één van haar werken nog eens mocht bekijken (“de hand met de genagellakte vingers”); 3° of we geen Captagon, één pilletje maar, konden missen. Jammer genoeg zaten we zelf zonder. Ik hoopte dat Ria me geloofde. Gebruikers van medicinale speed of amfetamine zijn vaak zuinig op hun voorraad. Dokters schrijven het middel met grote tegenzin voor. Apothekers die de pillen illegaal verkopen zijn op een hand te tellen. Senga kende er een in een buitenwijk van Gent, maar je mocht je daar maar één keer per maand komen bevoorraden. Mij gunde de man helemaal niets. Mogelijk omdat ik er minder sexy uitzag dan Senga. Nochtans gebruikte ik die pillen niet als drug maar als hulpmiddel, omdat ik me al sinds mijn kinderjaren moeilijk kon concentreren. Boeken lezen ging wel altijd vlot. Mogelijk omdat daar plezier en genot mee gepaard gingen. Studeren was moeilijker. Schrijven kon ik uitsluitend als ik in een soort van trance kon geraken. Met het ouder worden is het concentratieprobleem alleen maar verergerd. Lezen gaat nu moeizaam en uiterst traag. Artsen hebben daar geen enkel begrip voor. Antidepressiva, zware pijnstillers en zelfs verslavende kalmeermiddelen als bromazepam schrijven ze met gulle hand voor. Op medicatie om de concentratie te verscherpen schijnt een taboe te rusten, tenzij het om tieners gaat die aan ADHD lijden. Ik vermoed dat er daardoor nogal wat mensen in de handen van onbetrouwbare dealers zijn gevallen. En welke dealer is betrouwbaar? Gelukkig ben ik altijd voorzichtig geweest en is me dat nooit overkomen.

Ria was inmiddels een goede vriendin geworden. Als kunstenaar en performer was ze nog haar weg aan het zoeken, maar wat ze nu al deed sprak me erg aan. Vooral de ernstige humor van haar werk beviel me. Nu ze bij ons in de grote keuken zat gingen we echter helemaal anders met elkaar om dan op café, op een party of bij de opening van een tentoonstelling. We moesten door een muur heen om elkaar te bereiken. Ze kwam van de Wolmolen in de Lange Leemstraat, zei ze. Ze had er voor een habbekrats twee sjaals en een jasje gekocht. Senga bekeek de kledingstukken met veel aandacht. Fantastisch koopje, Ria, zei ze. Die Captagon had Ria graag geslikt omdat ze erg moe was en toch heel graag naar het optreden van de Kommeniste in de King Kong wilde gaan.

Om de stilte te verdrijven vertelde ik wat over Andrzej Wajda’s Het land van de grote belofte, die we nog maar pas in het Filmhuis hadden gezien. Het is een epische film over een keerpunt in de geschiedenis van het kapitalisme. De opkomst van de met machines uitgeruste fabrieken. Het verhaal van drie Poolse industriëlen speelt in de Poolse stad Lodz. Voor mij was de film een soort van commentaar bij Het Kapitaal van Marx, hoewel ik dat boek nooit helemaal heb kunnen uitlezen. Voor mij was het te saai; bovendien heb ik geen affiniteit met economie. Het land van de grote belofte is echter verre van saai en veel meer dan wat voetnoten bij een buitengewoon invloedrijk economisch-filosofisch werk. Wajda en zijn team hanteren een eigen, authentieke filmtaal. Er zijn overeenkomsten met het mythische boerenepos Novecento van Bernardo Bertolucci, maar terwijl die laatste film zich vooral tot het gevoel richt, spreekt Wajda de rede aan. Het directe en soms zelfs ruwe van de beelden en de montage hangt samen met deze intentie. Hoewel ik mijn kijk op de film slechts met horten en stoten kon verwoorden zag ik Ria toch aandachtig luisteren.  Zelf zei ze weinig.

Senga had ondertussen bier op tafel gezet. Daar dronken we van terwijl we met één oor naar Bob Dylan at Budokan luisterden. Ria rookte nog een sigaret en vertrok. Het was tijd voor de Kommeniste. Aan de hand met de genagellakte vingers hadden we niet meer gedacht. Nu ik dit neerschrijf zou ik er graag nog een keer naar kijken.

Werk van Ria Pacquée, gescand.

[Nachten aan de kant 59]

ANTIGONE/SUNSHINE SUPERMAN, ZOMER 1968

Ik was de andere, hij die achttien zou worden.
De jongens in het grijs noemden mij Kleurentelevisie.
Voor een handvol kenners was ik Mister Pitiful.
Ik was een naïeve, bange, moedige jongen.
Ik was een zoon, geen dochter.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Ik wist niet wie of wat ik was.
Was ik dan geen man, geen Bo Diddley?

Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou in een studio Antigone spelen.
Een stukje Antigone, niet het hele stuk.
Ik moest een meisje worden.
Een meisje in de gebrandmerkte huid van een vrouw.
Eerste huid, tweede huid, derde huid.
Wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van, dacht ik.

De wereldlingen sliepen in bronzen dromen.
Hoorden zij hun onheilspellende klokken luiden?
Onderdanen op zoek naar hun begeerte.
In hun spiegels was er weinig aan de hand.
Er was gretigheid, er werd goed geld verdiend.
In dorpen en steden sliepen zij voldaan en voldoende.
De tijdgenoten, de ouders, de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de oude wetten spelden.

Ik was achttien, bitter, en wist weinig, niets.
Ik wist niet dat ik een antieke Griekse worden zou
Die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
Haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen, laurier was louter woord.
Ik was niet meer dan een naam, een voornaam.
Een titel op een briefomslag.
Niet meer dan een geur in moeders keuken.
Waar ik mijn Grieks meisje lange brieven schreef
Over hoe we in grotten zouden dansen bij een zachter vuur.
Ik was Sunshine Superman, wisten jullie dat niet?
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik haar in het blauw.
Naar de overzijde, waar wonderlijke asters bloeien.

Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Zo viel ik in een even donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de vruchtdragende bomen.
In de boomgaard onder de appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het zoetere water.
Daar aan dat zachte water ging ik zitten wachten.
Ging ik de as van mannen en vrouwen,
Ging ik de as van tijd en ruimte uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen zijn zou van zijn absurde wonden.

Tongeren, mei 1968


De eerste versie van dit autobiografische en mythologische gedicht lijkt te zijn ontstaan op 24 april 2008, al vermoed ik dat er eerdere versies waren, maar zeker ben ik daar niet van. Sommige gedichten zijn nooit af. Of is niets ooit helemaal voltooid? De titel was toen ‘Ongetwijfeld Antigone (in 1968)’. Op 10 september 2017 publiceerde ik hier een nieuwe versie met als titel ‘Een jongen in de huid van Antigone’. Ik had het gedicht toen meer helderheid gegeven, eenvoudiger gemaakt. Mogelijk wilde ik de autobiografische aspecten ervan meer benadrukken.
De versie van vandaag heeft als basis het gedicht van 2008. Ik kreeg het gisteren toevallig onder ogen en was er weer een keer niet helemaal tevreden mee. Er ontbrak kleur, levendigheid, beweging aan. Het was te abstract. Ik heb er enkele autobiografische toetsen aan toegevoegd en het meer historische en politieke achtergrond gegeven. Ik heb het zowel aan de tijd (1968) onttrokken als er, door enkele culturele referenties, meer in ondergedompeld. Van de donkere slaap van Antigone heb ik tegelijk die van de dichter gemaakt. Het Griekse meisje naar wie ik in 1968 brieven op luchtpostpapier schreef, heette Helena en woonde in Istanbul. Ze was een Turkse onderdaan. Ik heb nooit geweten wat er met haar is gebeurd en zal dat ook nooit weten. Als zij sterft zal ik haar niet begraven en als ik sterf zal zij mij niet begraven. Alleen met de dood komt de voltooiing.

DE KANT VAN BARBARA SCHEPERS

Communiefeest in kleur, Tournebride, 1962

[Nachten aan de Kant. Intermezzo.]

Ik zat al een tijdje verstrikt in het delicate weefsel van mijn Antwerpse Nachten. Alles was er met alles en iedereen was er met iedereen verbonden. Of zo lijkt het alvast vanop een afstand van meer dan veertig jaar. Hoe kon ik mij uit al die touwtjes weer losmaken? Ik wist het niet meer. Ik kon geen stap vooruit zetten en terug gaan ging evenmin. Terwijl het einde van mijn levensweg zich met duidelijke tekenen aankondigde, waren mijn dagen op één lange nacht in een donker woud gaan lijken. Zeker, het is niet alleen dat weefsel, de stilstand houdt ook verband met de lange, haast uitzichtloze afzondering die met de pandemie samenhangt. Als je niemand meer ontmoet lijden al je vermogens daar onder. Je vergeet. Het wordt moeilijker je te concentreren, je taal gaat erop achteruit, eigennamen ontglippen je als stukken zeep uit natte handen.
In ‘Een avond bij Trimalchio’, het voorlopig laatste hoofdstuk van Antwerpse Nachten, waren Senga en ik pas in de vroege uren thuisgekomen. Ik had zowat comateus tot negen uur op de grond gelegen. Niet gevallen maar toch gevloerd. Senga had me niet de trap op gekregen, een man van lood.

Zou die enigszins tragikomische scène het einde worden van mijn Antwerpse kroniek? Daar begon het op te lijken. Ik had me echter van in het begin voorgenomen om er pas een punt achter te zetten na de definitieve sluiting van Het Pannenhuis, de roemruchte kroeg op het Hendrik Conscienceplein. Zover was ik nog lang niet. Maar ik kon toch ook niet eindeloos blijven doorgaan? Zelfs het eenvoudigste leven is onuitputtelijk. In elke biografie zijn er zoveel personages en achtergrondfiguren, zoveel gebeurtenissen, zoveel invalshoeken, zoveel stijlen, zoveel taalregisters, zoveel manieren om ze te vertellen. Geen enkel kunstwerk, muziekstuk, gedicht, boek, geen enkel verhaal is ooit helemaal af. Je moet alleen maar kunnen zeggen dat het genoeg is geweest. Maar wat onvoltooid blijft is daarom nog niet mislukt.

Toen ik enkele dagen geleden op het punt stond om in slaap te vallen heb ik vlug enkele namen genoteerd. Ik dacht terug aan verwanten, vrienden en kennissen die ik heb gekend in Neerharen. Dat kwam omdat in de zomer van 1979 Berb is gestorven, ik denk op 3 augustus, hoewel stamboomonderzoek mij leert dat het 3 september was. Kan er in die stamboom een fout zijn geslopen? De doodsbrief, die in de Dolfijnstraat in de bus zat toen we van bij Giuseppe waren thuisgekomen, kan ik maar niet terugvinden. Koortsachtig heb ik de voorbije weken ernaar gezocht. Ik heb tientallen oude en minder oude doodsbrieven teruggevonden, ook van mensen van wie ik me helemaal niets kan herinneren, maar niet die van Berb.

Berbs officiële naam was Barbara Maria Josephina Schepers. Zij is geboren op 25 oktober 1909 in Lanaken en was gehuwd met Jeang, wiens officiële naam Johannes Hendricus Welkenhuyzen was. Berb werd de nicht van mijn vader genoemd. Of dat waar is weet ik niet. De familieverwantschappen van de kant van mijn vader zijn voor mij altijd een mysterie geweest. Niemand sprak erover. Mijn vader was, zoals ik hier al vaker uit de doeken heb gedaan, een zogeheten natuurlijk kind. Berbs moeder werd Moe genoemd. Ik heb haar alleen maar gekend als een oud vrouwtje in het zwart dat altijd in een zetel zat. In haar handen een kleine zakdoek, een nog kleinere portemonnee en een paternoster. Ze sprak nooit een woord. Soms vroeg ik me af wat haar troebele ogen zagen. Met haar voorkomen, haar stilte en haar uitgebluste blik joeg ze me, vast ongewild, evenveel schrik aan als ’s nachts het getik van de wekker daar in dat huis, een geluid dat me bewust maakte van mijn hartslag en mijn moeizame ademhaling.

Jean Welkenhuyzen, coureur Henri, Barbara en de kleine Mathieu.


Barbara en Jean, zo wil ik deze gastvrije dorpelingen nu liever noemen, woonden in de Ladderstraat 249 te Neerharen. Voor mij een mythisch adres. Uit noodzaak heb ik er vaak gelogeerd, altijd met tegenzin. Alles was er volstrekt anders dan op het schip, dan het leven op de kanalen, in de havens en de dokken, waar ik zo vertrouwd mee was. Zelfs als het flink waaide was ik niet zo bevreesd voor het water, dat dan hevig tekeer kon gaan, als voor dat getik van de wekker in de Ladderstraat. Mogelijk was Moe de zuster van mijn grootmoeder, mijn vaders moeder, Anna Maria Brouns, geboren op 4 mei 1882 en overleden 16 juli 1947, drie jaar voor mijn geboorte in het statige Sint-Lucasziekenhuis te Ekeren, voorheen het Hof van Delft, dat inmiddels werd gesloopt. Ook als ik op Google Maps naar beelden van de Ladderstraat in Neerharen kijk, zie ik niet één herkenningspunt. Alsof een andere Groote Oorlog alle huizen heeft verwoest en een Bouwheer uit de Hel er nieuwe woningen heeft neergepoot. Vaak droom ik ervan om nog een keer door de straten van Neerharen te lopen, van aan het kanaal tot aan de Steenweg naar Maaseik en dan verder tot diep in het bos van Rekem en helemaal tot in Zutendaal. Maar ik besef dat dat een immense teleurstelling zou zijn. Van Anna Maria Brouns noch van Moe bezit ik ook maar één foto.

Die nacht schreef ik nog andere namen neer. Maria Welkenhuyzen. Henri Welkenhuyzen. Denise Gerets. Maria en Henri waren kinderen van Barbara (Berb) en Jean (Jeang). Ik zocht hun stamboom op. Maria trouwde met Johannes Julianus Gerets. Uiteraard gebruikte niemand zulke mooie namen. Iedereen noemde hem Jean. De meeste inheemse Limburgers hadden Franse namen, wat niet zo vreemd is als het lijkt maar daar nu op ingaan zou me te ver leiden. Maria zo stelde ik vast is al op haar 62ste overleden, in 1993. Haar broer Henri, die ik me nog als kapper herinner, hij had hetzelfde beroep gekozen als zijn moeder, was een goede vriend van mijn broer François. Soms gingen ze samen fietsen. Ze waren allebei wat toen nieuwelingen werd genoemd. Henri koerste stukken beter en stijlvoller dan mijn broer. François beweerde dat Henri pilletjes slikte. Bovendien had hij meer tijd om te trainen. Henri, zo ontdekte ik nu, overleed op 62-jarige leeftijd, op 20 april 2007 te Torrevieja in Spanje. Hij was getrouwd met Magdalena Baeten.

Tweede links is Henriette, derde links is Mitzi. Rechts op de foto Jean, de man van Maria (de vrouw met de witte blouse) en Denise zit naast het kleine meisje. Vooraan links is Valère.

Neerharen was een land van onschuld, een paradijs. Het was een plek van mysterie, van donkere wateren, de eeuwig stromende Maas, overstromingen, drijfzand, een dennenbos waar de zon nooit scheen en, dat wist ik met zekerheid, de vreselijkste dingen gebeurden. Ik ruik weer de boerderijen, hang rond op de begraafplaats achter de Sint-Lambertuskerk waar ik op zoveel grafstenen de namen Welkenhuyzen en Brouns ontcijfer. Ik fiets voorbij de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van Lourdes, lig op de Kup met een droommeisje dat ik nooit zal kussen. Ik huiver bij de diepe sluis en sta even te dagdromen bij het huis van de Sluismeester, waar Henriette woonde samen met haar zus Brigitte en haar vader Frans Pirlet en haar moeder Mitzi. Mitzi’s familienaam heb ik nooit gekend. Hongarije was toen een land aan het einde van de wereld. In Neerharen was ik een magere, heilige jongen. Ik had er erotische fantasieën van Henriette, Denise en Marie-Louise en wilde mij er, wat later, op het pad van de misdaad begeven. Indien mogelijk spion worden, in de voetsporen treden van James Bond. Of als Maigret de misdaad bestrijden. Jazeker, ik las veel Zwarte Beertjes. Mocht ik in Maastricht niet de provo’s hebben ontdekt en tegelijk de popmuziek van 1965 en, ingrijpender nog, in Bilzen de zomer van 1967 hebben meegemaakt, was ik misschien wel een soort van Patrick Haemers geworden. Geld, whisky en snelle wagens lieten mij in die dagen niet onverschillig.

Omdat ik moeilijk de slaap kon vatten schreef ik nog heel wat meer namen op. Die laat ik nu een tijdje in vrede rusten. Voorlopig wil ik niet weten wat er met al die mensen is gebeurd, met Valère bijvoorbeeld, helemaal vooraan op de foto, een beetje onscherp. Ik denk dat ik nu begrijp waarom ik vastgelopen was na dat feest bij Trimalchio. Ik moest eerst rouwen om zoveel mensen die ik meer dan een halve eeuw geleden heb liefgehad. Ik moest eerst de waanvoorstelling overwinnen dat ik al deze mensen van Neerharen met een of ander woord, met een of ander gebaar voor de dood had kunnen behoeden. Ik besefte dat zelfs de zanger Orpheus zijn Eurydice in de onderwereld moest achterlaten.

Familiefoto, 1962. Op de eerste rij: Denise Gerets, Henriette Pirlet (met klein meisje) en de plechtige communicant.

[1] Na het beëindigen van bovenstaande tekst ontdekte ik dat ook Henriette, mijn heldere ster, mijn eerste en enige nimf, niet meer in leven is. Prinses Henriette werd geboren op 24 januari 1951 te Maastricht en overleed op 24 juni 2019 te Hasselt. Henriette was omstreeks 1963 met haar ouders naar Hasselt, of mogelijk Diepenbeek, verhuisd. Sindsdien heb ik haar nooit meer teruggezien.

DE STEM VAN RITA

Rita Plettinx. Foto: M.P.

Dit is geen grafsteen. Dit zijn wat vluchtige woorden. Ik schreef ze voor jou, Rita. En voor jou, Jules.
Ik herinner mij nu de blik van Rita, haar ogen zoals ik ze voor het eerst zag, in de zomer van 1975. Ogen met een glimlach in het midden, open voor wat haar vertrouwd en wat haar vreemd was. Haar blik was onbevangen en sprak niet gauw een oordeel uit. Ik leerde Rita kennen in boekhandel Corman in Brussel, waarvan zij de ziel en het hart was. Wij vertrouwden elkaar meteen. Haar ogen stonden geen wantrouwen toe. En dan was er haar stem, even ontvankelijk als haar blik. In elke zin die ze uitsprak hoorde je dat ze plaats liet om er jouw gedachten aan toe te voegen. Rita gaf je altijd denktijd, ademruimte. Bij nogal wat mensen voelde ik mij niet zo goed in mijn vel, geremd, aan mezelf overgelaten. Nooit bij Rita.

Rita en Jules werden al gauw onze vrienden. Met de jaren zijn ze onze beste vrienden geworden. Het gaat om jaren die je niet kunt tellen. Elke mooie vriendschap heeft iets magisch, iets betoverends. De tijd lijkt er niet te bestaan. Dat vriendschap de tijd opheft wordt wel vaker gezegd. En het is waar. Ik heb het met Rita en Jules meegemaakt. Wij hoefden elkaar niet met regelmaat te zien om te weten dat we er voor elkaar waren. Natuurlijk was er veel water naar de zee gestroomd als we elkaar na drie maanden, een half jaar weer eens terugzagen. Er waren allerlei dingen gebeurd. Waarover hadden we anders kunnen praten? We waren veranderd maar tegelijk waren we dezelfde Rita, Jules, Agnes en Matti gebleven. Voor mij had de periode tussen twee ontmoetingen maar een oogwenk geduurd. Voor Rita zal dat niet anders geweest zijn. We waren elkaar altijd nabij.

Hoe kun je zulke goede vrienden worden en blijven? Je kunt gemeenschappelijke interesses hebben, in ons geval onder meer literatuur, boeken en reizen. Maar dat volstaat niet. Er moet iets meer zijn. Er moet zielsverwantschap zijn. Die was er, is er, tussen Rita en mij, tussen Jules en mij. Tussen Rita en Jules en Agnes en mij. Wij, vier vrienden in en buiten de tijd. De ruimte tussen ons in is er een van genegenheid, warmte en begrip.

Als ik nu aan Rita denk, denk ik aan empathie, aan mededogen, aan gemeenschapszin. Zo asociaal als ik ben, zo sociaal was Rita. Zo sociaal zal ze ook altijd blijven in de gedachten en herinneringen van iedereen die haar heeft gekend. Zij was al zo sociaal in 1975 in die legendarische boekenwinkel en dat is ze altijd gebleven. Hoewel Rita zo van boeken hield was zij toch geen vrouw om na haar pensioen thuis te blijven, bijvoorbeeld om zoveel mogelijk te kunnen lezen, wat je logischerwijs had kunnen verwachten. Rita wilde actief blijven, zich tussen de mensen ophouden. Zij werd vrijwilliger. Ze ging werken in musea in Brussel, onder meer in het Muziek Instrumenten Museum, en in de fijne concertzaal De Roma in Borgerhout. Op die manier bracht zij altijd weer leven mee naar huis en naar onze gesprekken. Altijd had zij iets wonderlijks in een of ander klein voorval of ding opgemerkt. Er viel haar altijd iets boeiends op, iets om een typisch Rita-verhaal over te vertellen. Haar stem liet telkens weer horen dat zij begaan was met het lot van al die ‘kleine’ (en soms ‘grote’) mensen. Haar stem verraadde haar ziel. Het is die stem van Rita die ik nu nog hoor. De echo ervan. Ik denk dat veel mensen die haar hebben ontmoet, die met haar hebben gesproken, zich die warme stem van haar nog lang zullen herinneren.
Ik herinner mij nu weer hoe intens we met zijn vieren genoten van kleine uitstapjes naar Sint-Amands aan de Schelde, om er te wandelen, om er paling te eten, om er te praten. Het was altijd mooi weer als we in Sint-Amands waren. We wandelden langs het water, keken naar de fraaie bocht in de rivier, bleven even staan, in stilte, droomden van de vele dagen in het verschiet. Stiltes tussen ons waren altijd licht. Het waren rustpauzes. Punten op het einde van een lange zin. Waarna weer een volgende begon. Of een nieuw hoofdstuk.

Ik herinner mij nu weer hoe we elkaar in Praag tegen het lijf liepen. We hadden daar pas een dag later afgesproken, maar het toeval maakte dat onze wegen zich al vroeger kruisten. Een moment van grote euforie daar op het Oude Stadsplein in die heerlijke stad. Hé Agnes, hé Matti, riep Rita in blijdschap uit. De warme, begripvolle glimlach van Jules in harmonie met Rita’s woorden. Dat was nog voor de fluwelen revolutie. We vierden ons weerzien met veel frisse wijn van de streek op een terras op het Wenceslausplein. Het leek erop of dergelijke momenten zich nog vaak zouden voordoen. Het leek erop alsof de tijd niet bestond en dat het leven geen einde kent. Het leek erop dat Rita er voor altijd zou zijn. Dat is niet het geval. Dromen zijn bedrog. En toch. En toch hoor ik haar stem, zal ik haar stem blijven horen. En zullen Jules en Agnes haar stem altijd blijven horen. De gloedvolle stem van Rita.

Brussel, 19 januari 2022

Naschrift

Rita Plettinx werd geboren te Wilrijk op 8 mei 1949 en overleed te Antwerpen op 17 januari 2022. Ze was de echtgenote van Jules Van Camp. Rita werkte vele jaren bij de meertalige boekhandel Corman in de Ravensteinstraat in Brussel. Na de sluiting van Corman Brussel ging ze aan de slag bij boekwinkel Het Landschap in Antwerpen.
Tijdens haar pensioen deed Rita vrijwilligerswerk in het Brussels Muziek Instrumenten Museum en het Museum voor Kunst en Geschiedenis, daarna in het Museum voor Oude Kunst. Bovendien was ze bedrijvig in de legendarische concertzaal De Roma in Borgerhout.

WOLF TUSSEN MENSEN (EEN VERZAMELING)

Berlijn, 14 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski.

Bij de werken van Anselm Kiefer in Hamburger Bahnhof

Ook deze zomer ontsnapt weer aan het reservoir
De zelfgenoegzame zanger. Zijn verdronken lied
Uit negentienzevenenzestig dat je meezong
Als je wandelde bij de rivier en droomde –
Van Istanbul, een huis daar, waar jij in rijkdom sliep.

Jaren later zoek je de zomer op in gidsen
Waarin gevaren wordt, gevlogen, per trein gereisd
Via tunnels, vulkanische resten, bergwanden.
Zinnen, woorden, mythologieën vervoeren je
Van Astridpark naar warme Gendarmenmarkt.

In de Hoofdstad wordt weer geleefd als vroeger.
Perfect zijn de verbindingen van A naar B naar C.
Exquis dineren met greco di tufo en grappa
Onder Italiaans maanlicht in de Auguststrasse.
Aan de overkant lonkt restauratie, toekomstkunst.

Zondagmorgen aan Bodemuseum wat boeken:
Fontane ingebonden, in kleine letters de goede Hesse.
Voor de ware verzamelaar insignes, spelden, petten.
Van betekenis bevrijd, in bittere rook voltooid.
Freedom’s just another word, roept een button.

Verderop na de lunch volg je de geletterde gids.
Kijk, hier woonde de Wolf, staat er geschreven.
En daar dook hij onder. Ginds stond zijn bunker.
Daar, ja daar, werd zijn gebeente gevonden,
Dat van zijn Eva, zijn getrouwen, hun kinderen.

Alles brutaal opeengehoopt in een onmogelijke sage
Van een totaalkamp, een ondoorgrondelijke mythe.
Haar donkere hiërogliefen ouder dan het Wonder.
Het vuurwerk doofde, het brandhout raakte op.
Doden blauw van kleur losten op in nacht en nevel.

Op het Museumeiland loop je voorbij aan
Babylons rivieren, waar achter gouden poorten
Lelieblanke maagden wachtten. Maar herinner je
De psalm die pop werd voor extasejongeren
In tribale tenten bijeengekomen – voor wie?

Je keerde terug naar Anselm Kiefers Duitsland,
Zijn vocabulaire, zijn loden boeken, zijn sterren
En sperma. – Onverzadigd uit de jaren tachtig gekomen
Met Dada!, en Neu! En Kraftwerk! en Bauhaus!
Ging je op zoek naar – een handvol vrome leugens.

Of hoe wil je de uitgewoonde woorden noemen
Op bijschriften die je verklaren wat Anselm Kiefer ziet?
Hoe kun je zeggen wat daarna waar is in jou
En wat waar is in de van geruchten gonzende wereld
Lang nadat het gebrul en gebral als op bevel verstilde?

Als je zelf alleen maar een boom bent die omvalt.
Als je zelf alleen maar een tak bent die breekt.
Als je zelf alleen maar een blad bent dat wegwaait
Naar Berlijn, naar Istanbul, naar een Civitas Solis,
Naar waar het echte leven is en geen mens ooit omvalt.

7 februari 2022

[Bewerking van Een bleke zomer in Berlijn, 27 augustus 2008.]

Op de foto zie je een foto die Herbert Tobias maakte van fotomodel en latere actrice en chanteuse Nico.

EEN AVOND BIJ TRIMALCHIO

Senga en Giuseppe’s scienfiction-tv. © Martin Pulaski.

Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping.
Willem Elsschot, Kaas

Antwerpen, 7 augustus 1979

Vandaag is er weer dat oude verlangen naar orde, zowel in mijn onmiddellijke omgeving als in mijn denken en werkmethode. Mijn dagindeling moet afgebakend zijn. Om negen uur moet ik aan deze werktafel zitten, voor vijven mag ik alleen naar de keuken om ’s middags wat te eten en koffie te drinken. De rest van de tijd moet ik lezen en vooral schrijven. Dagboeknotities, indien mogelijk gedichten, proza: liefst in die volgorde. De orde die ik bedoel heeft geen politieke of maatschappelijke betekenis. Een chaotische samenleving lijkt me ondoenbaar maar liever dat nog dan de orde van de tirannie, de orde van het duizendjarige rijk, zoals we die kennen uit de propagandafilms van Leni Riefenstahl. Ik heb orde nodig als antidotum tegen de chaos in mezelf. Het is de orde, de helderheid van de dag tegenover het troebele, onoverzichtelijke van de nacht. Alleen als er orde is en alles op zijn plaats staat kan ik schrijven. Toch mag ik geen tijd verliezen met boeken klasseren. De zucht naar orde en classificatie kan immers pathologische vormen aannemen.

Als ik het goed begrepen heb houdt deze drang van me verband met wat Claude Lévi-Strauss in zijn werk La pensée sauvage [1] voor ogen heeft.  “Deze behoefte aan orde vormt de grondslag van wat wij het wilde denken noemen, maar alleen in zoverre dat het de basis is van alle denken”.

Vanwege de connotaties gebruik ik het woord orde niet graag. Ik noem het liever indelen, klasseren, onderbrengen, rubriceren, enzovoort.


Opeens was het avond. Giuseppe had ons geïnviteerd. Er zat een briefje van hem in de bus. Het leek bijna een formele uitnodiging. Het is al zeker een maand geleden dat we elkaar nog gezien hebben, las ik. Ik heb een verrassing voor jullie. En zijn jullie niet nieuwsgierig naar de lotgevallen van het poesje? Jullie moeten vanavond naar de Vinkenstraat komen. Waarom had hij niet aangebeld; of hadden we de deurbel weer niet gehoord?

Wat zag het er ordelijk uit bij mijn vriend. Hij weet dat ik zelden lang bij hem blijf hangen. Bijna altijd krijg ik er vanwege het stof dat zich gedurende maanden, misschien wel jaren heeft opgestapeld een hevige niesbui, soms zelfs een astma-aanval. Nu echter was alles comme il faut. Nergens bespeurde ik een stofje. Giuseppe had zelfs de keuken geschilderd. Zijn potjes met kruiden stonden daar mooi naast elkaar op alfabet gerangschikt. Ik heb me altijd afgevraagd hoe mensen in vuile, slecht verluchte en verlichte kamers kunnen nadenken en werken. Voor Giuseppe was dat kennelijk geen probleem. Het was voor ons, voor mij en Senga, dat hij zich zo had afgesloofd. Toch leek het mij ook voor Giuseppe een verbetering. De huidige staat van zijn woning  zou zijn vrijetijd heel wat aangenamer maken, dacht ik.

Giuseppe had allerlei lekkers in huis gehaald. Jullie lusten toch Franse kazen? Hij duidde ze  voor ons aan: Ami du Chambertin, Beaufort de Savoie, Boule des Moins, Brébis d’Oleron, Brie de Melun, Camembert de Normandie, Cantal, Caprice des Dieux, Chaumes, Emmentaler, Explorateur, Fromage de Coucouron, Gruyère de Savoie, Mâconnais, Munster, Pavé du Berry, Persillé de Sainte-Foy, Petit Montagnard, Rambol, Rigotte de Sainte-Colombe, Roquefort, Saint-Aubin, Saint-Paulin, Suprême des ducs, Tomme de Montagne, Vieux de Lille. Italiaanse kazen liggen mij niet zo, maar ik heb er toch maar wat van in huis gehaald, vervolgde hij: Bastardo del Grappa, Caciocavallo, Caprino della Val Brevenna, Crema del Friuli, Dolcezza d’Asiago, Furmaggitt di Montevecchia, Gorgonzola, Maiorchino di Novara di Sicilia, Montasio, Murazzano, Ostrica di montagna, Pecorino, Provola delle Madonie, Santo Stefano d’Aveto, Taleggio, Tumazzu di vacca en Zufi.

Hij had nog meer lekkers voor ons: dadels, garnalen, olijven, salami en vijgen. Duvels voor hem, rode wijn voor ons. Twee flessen Old Grand-Dad bourbon, mijn favoriet merk. Mogelijk was dat ook al voor John Steinbeck het geval. De whisky uit Kentucky is een trouwe metgezel op diens Travels With Charley. Raymond Chandler moet er ook van gehouden hebben, waarom anders zou hij in zijn meesterwerk The Long Goodbye zijn personage, de detective Philip Marlowe, die bourbon hebben laten aanbieden aan diens vriend?

Zoals zo vaak met Giuseppe hebben we die avond veel gepalaverd. Er zijn me alleen maar vage echo’s van die conversatie bijgebleven. Dat Giuseppe het poesje niet lang bij hem thuis had gehouden maar al gauw aan zijn Brusselse vriend Bert V. had meegegeven, had Gabriëlla ons al verteld. Giuseppe deed daar wat geheimzinnig over. Mogelijk had hij het naar een verlaten terrein in Mortsel Oude-God gebracht en daar aan zijn – of was het haar? – lot overgelaten. Senga noch ik konden ons er boos over maken. Het poesje was onze verantwoordelijkheid geweest. Als iemand zich schuldig moest voelen was ik het. Terwijl ik al jaren aan het verkondigen was dat het maar eens gedaan moest zijn met al die schuldgevoelens.

Zeker zullen Lowell George en Herbert Marcuse ter sprake zijn gekomen. De zanger van Little Feat, die nog maar pas zijn eerste en enige solo-elpee Thanks I’ll Eat It Here had uitgebracht, was een paar dagen tevoren aan een overdosis cocaïne overleden. Giuseppe was van in het begin een fan geweest van Little Feat. Hij had er bij mij vaak op aangedrongen om hun platen te beluisteren. Inmiddels was ik erg gaan houden van nummers als Brides of Jesus, I’ve Been the One, Truck Sop Girl en vooral Willin’. En wat te denken van Fat Man in the Bathtub? Waarschijnlijk was het niet de cocaïne die Lowell George de das omdeed, zei Giuseppe. Het was vraatzucht en obesitas. Op het einde woog hij bijna 150 kilo. De titel van zijn elpee laat aan duidelijkheid weinig te wensen over, zei ik. Dixie Chicken ook niet, meende Senga. Er viel even een stilte. Dan kwam Marcuse aan de beurt. Ik vertelde nog een keer dat ik op het Ritcs voor professor Kruithof aan een werk over De eendimensionale mens was begonnen. Maar dat ik er al gauw de brui aan had gegeven. Die mislukking, je mag het ook weigering noemen, had ertoe bijgedragen dat ik maar ineens met mijn hele filmstudie was gestopt. Te veel eendimensionale mensen op die school, zei ik. Marcuse is op dezelfde dag gestorven als Lowell George, zei Giuseppe. We waren toen net terug uit de Provence, zei Senga. Ons gesprek ging daarna over onze verregaande vervreemding. Jazeker, ook die van ons, ons gebrek aan kritisch bewustzijn, hoe wij onze eigen repressie bijna omhelzen. Kijk maar, ik ben al er best tevreden mee dat ik als een slaaf met de tram mag rijden. En wij met het bestaan van dat autoritaire Bijzonder Tijd Kader. Inmiddels waren we al aan onze tweede fles Old Grand-Dad begonnen.

Giuseppe bezat een klein wit tv-toestel. THX 1138, de eerste film van George Lucas, wordt uitgezonden, zei hij. Zullen we eens kijken? Ik houd niet van sciencefiction, zei Senga. Ik ook niet, zei ik. Ach, zei, Giuseppe, wat zijn jullie vervreemd van de werkelijkheid. Laten we toch even kijken. Dat deden we, en we waren danig onder de indruk. Met mijn dronken kop moest ik aan La passion de Jeanne D’Arc denken. Dat kwam waarschijnlijk door die kale koppen. Iedereen is kaalgeschoren in die film. Seks is verboden, drugs zijn verplicht. Wat betekent toch THX 1138, vroeg Senga. Dat moet toch iets betekenen? Het zal het kenteken van Lucas’ nummerplaat geweest zijn, zei Giuseppe. Zet je nog een plaatje van Little Feat op, vroeg ik, het geluid van je sciencefiction tv stelt niets voor. Terwijl Giuseppe een langspeelplaat oplegde slikte THX zijn drugs en keek naar holobroadcasts. Dat is toch Robert Duvall, riep Senga uit. Jazeker, en SEN 5241 is Donald Pleasence, zei Giuseppe. Of vice versa, zei ik.

Opeens zakte je ineen. Je leek wel comateus, zei Senga de dag nadien, nadat ik mijn roes had uitgeslapen. Giuseppe heeft een taxi gebeld. De chauffeur wilde je eerst niet in zijn auto. Hij was bang dat je zijn mooie wagen zou onderkotsen. Zijn woorden. De zak. Ik heb hemel en aarde moeten bewegen om hem ervan te verzekeren dat je niet zou overgeven, ha ha. Dat je dat nooit doet, ha ha. Alsof het ‘s nachts niet vaak zatte mensen zijn die een taxi laten opbellen, zei ik. Het is de enige legale mogelijkheid om je op zo’n uur dronken te verplaatsen. Je hebt hier dan nog tot negen uur op de grond gelegen. Ik kreeg je niet de trap op, je leek wel van lood. Heb je bij me zitten waken, vroeg ik. Wat dacht je, zei Senga. Wat ben je toch een engeltje, zei ik, kom eens wat dichter bij me. Heb je zin, vroeg ik. Wat dacht je, zei Senga.

Graf Herbert Marcuse. © Martin Pulaski, 2005.

[Nachten aan de kant 58]

[1]  Claude Lévi-Strauss, Het wilde denken, Meulenhoff, Amsterdam, 1968, p. 21.

OVER FILMS KIJKEN IN TIJDEN VAN COVID-19 (2021)

Sátántangó, Bela Tarr


In geen ander jaar zag ik meer films dan in 2021. Dat is een zekerheid. Er waren maar weinig avonden dat ik geen film zag, een verblijf van twee weken in Berlijn in september, toen het met die ellendige pandemie de goede kant leek op te gaan, uitgezonderd. Zoals veel van mijn generatiegenoten houd ik al sinds mijn kinderjaren van speelfilms. Tot 1984, het dystopische jaar van Big Brother, toevallig ook het jaar dat wij een televisietoestel konden aanschaffen, dankzij een kleine erfenis van A., zagen wij die nagenoeg altijd in de bioscoop. Eerst was dat met mijn ouders in een van de talloze Antwerpse bioscopen en daarna als adolescent, alleen of met vrienden, in dorpscinema’s. Van Zorro, Shane, High Noon en Man of the West via James Bond, Modesty Blaise en Barbarella naar – heel wat later – de kunstfilms van Antonioni, Bertolucci, Fassbinder, Wim Wenders, Kurosawa, Tarkovski en vele andere Grote Regisseurs. Ook na het jaar van ‘war is peace’, ‘freedom is slavery’ en ‘ignorance is strength’, bleef ik het grote boven het kleine scherm verkiezen. (Ik houd dit stukje al dan niet persoonlijke historie zo kort mogelijk.)

Geleidelijk aan kregen, zoals ook weer bij veel van mijn tijdgenoten, videotapes, dvd’s en Blu-ray-schijfjes de bovenhand. Zo blijkt nogmaals hoezeer de meesten van ons onderworpen zijn aan wat de markt ons dicteert. Noodgedwongen gebeurt sinds februari 2020 filmkijken alleen nog maar op het kleine scherm. Mubi had ik al vrij vroeg ontdekt. Nu kwamen er Netflix en Cinemember bij. Af en toe was er toevallig ook nog eens een keer een niet al te middelmatige film op Canvas of op een van de Nederlandse zenders. (Door gehoorproblemen kon ik niet langer films kijken zonder ondertitels, wat Arte, BBC en alle Franstalige zenders uitsloot. Waar het filmaanbod overigens elk jaar wat schaarser werd.)

Vanwege de pandemie was niet alleen het bioscoopbezoek weggevallen. Hetzelfde gebeurde met theater- en dansvoorstellingen en met concerten. Uit musea en kunstgalerijen bleven we weg. Kunstwerken zag ik nog uitsluitend op mijn laptop, rampzalig voor mezelf en meer nog voor de kunstenaars. Zelfs al voer je geen gesprek met ze, is er toch altijd dialoog. We zagen haast geen vrienden en familie meer, we reisden niet langer. We bleven thuis. Ik weet dat dit allemaal niet zo uitzonderlijk is, maar wil het hier desondanks noteren. Meer dan een kleine getuigenis over deze tijd is het niet.

Overdag was er naast de dagelijkse beslommeringen, waaronder de ziektegeschiedenissen, literatuur en muziek; ’s avonds vond ik – niet altijd – schoonheid en vertroosting in films. Mogelijk ging het om een vlucht. Mogelijk vervingen de filmbeelden de gemiste werkelijkheid, filmdialogen de gesprekken met vrienden, geacteerde emoties de echte emoties die vrijkomen bij echte ontmoetingen, de filmische landschappen en stadsgezichten de echte landschappen die je ziet – of veronachtzaamt, lezend in een reisgids, in een meeslepende roman – vanuit de trein en de echte steden die je doorkruist tijdens een van je onvergetelijke reizen. Waarmee ik maar wil zeggen dat films kijken in 2021 met nog meer emoties gepaard ging dan het voordien al deed.

Met het maken van onderstaande lijst ben ik een tijdje zoet geweest. Een aangenaam tijdverdrijf was het niet. Waarom deed ik het dan? Goeie vraag. De volgorde van de titels is min of meer chronologisch. Ik houd helemaal niet van puntensystemen om mijn waardering over wat dan ook uit te drukken, maar zag in dit geval geen andere oplossing. Ik kon onmogelijk over al deze films – en series – een recensie schrijven, zelfs als ik die kort had gehouden. Want in dat geval was dit een lijvig boek geworden, en het is zeker niet mijn intentie om een of andere betweterige en overbodige dikke paperback met schreeuwerige cover over film te schrijven. Mijn classificatie is nogal primitief. Waar geen sterretje staat, gaat het om een vaak maar niet altijd behoorlijke film. Een film met een ster is zeer degelijk, voortreffelijk zelfs; een film met twee sterren is uitstekend, stijlvol, klassiek. De betekenis van drie sterren is: onovertroffen, een meesterwerk. Een nul is van nul en generlei waarde. (Uitzonderlijk gebeurt het dat ik waardeloze films uitkijk.)

Wanda, Barbara Loden


Deze meesterwerken zag ik in 2021: Two-Lane Blacktop – Monte Hellman (1971); Carnival of Souls – Herk Harvey (1962); Waar is het huis van mijn vriend? – Abbos Kiarostami (1987); De wind zal ons meenemen – Abbas Kiarostami (1999); First Cow – Kelly Reichardt (2019); At Eternity’s Gate – Julian Schnabel (2018); Der Himmel über Berlin – Wim Wenders (1987); Muriel ou le temps d’un retour – Alain Resnais (1963); Cure – Kiyoshi Kurosawa (1997); 2 ou 3 choses que je sais d’elle – Jean-Luc Godard (1967); Wanda – Barbara Loden (1970); Sátántangó – Bela Tarr (1994); In a Lonely Place – Nicholas Ray (1950); Ai no korîda (Het rijk der zinnen) – Nagisa Ôshima (1976).

Der Himmel über Berlin, Wim Wenders

Dit is de volledige lijst van 208 films (waaronder enkele series):

Elvis and Nixon – Liza Johnson (2016)

Song to Song – Terrence Malick (2017)

The Whistleblower – Larysa Kondracki (2010)

With Love to Rome – Woody Allen (2012)

L’amica geniale (Mijn geniale vriendin) (serie) – Saverio Costanzo / Alice Rohrwacher (2018-201-)

Wind River – Taylor Sheridan (2017)

Pieces of a Woman –  Kornél Mundruczó (2020)

Berlin – Die Sinfonie der Großstadt – Walter Ruttman (1927)

Out of the Past – Jacques Tourneur (1947) **

Pretend It’s a City (serie) – Martin Scorsese / Fran Leibovitz (2021)

Charles mort ou vif – Alain Tanner (1969) *

Terra em transe – Glauber Rocha (1967) *

Godless (serie) – Scott Frank (2017)

Una – Benedict Andrews (2016)

The Dig – Simon Stone (2021)

Die dritte Generation – Rainer Werner Fassbinder (1979) *

Le charme discret de la bourgeoisie – Luis Buñuel (1972) **

Nina – Olga Chajdas (2018)

You Were Never Really Here – Lynne Ramsay (2017) *

I Called Him Morgan – Kasper Collin (2016)

Nord – Xavier Beauvois (1991)

News of the World – Paul Greengrass (2020)

Vice – Adam McKay (2018)

Daens – Stijn Coninx (1992)

Le navire night – Marguerite Duras (1979) **

Unsane – Steven Soderbergh (2018)

Robinson Crusoe – Luis Buñuel (1954)

Duelle – Jacques Rivette (1976) *

Winter’s Bone – Debra Granik (2010) *

La vérité – Hirokazu Kore-eda (2019) *

Le petit amour (Kung Fu Master) – Agnes Varda (1988)

Daguerreotypes – Agnes Varda (1975) **

Another Year – Oksana Bychkova (2014)

Molly’s Game – Aaron Sorkin (2017)

Un jeu brutal – Jean-Claude Brisseau (1983)

Dogtooth – Yorgos Lanthimos (2008) **

Wachttoren – Pelin Esmer (2012)

Something Useful – Pelin Esmer (2017)

Suspiria- Luca Guadagnino (2018)

J’accuse – Roman Polanski (2019)

Crossing the Line – Nia DaCosta (2019)

Genius – Michael Grandage (2016)

Aus dem Nichts – Fatih Akin (2017) *

Le jeune Ahmed – Gebroeders Dardenne (2019) *

Het meisje (Eltávozott nap) – Márta Mészáros (1968) *

Holdudvar – Márta Mészáros (1969) **

Szép lányok, ne sírjatok! (Huil niet, mooie meisjes) – Márta Mészáros (1970) *

Kilenc Honap (Negen maanden) – Márta Mészáros (1976) *

Ök Ketten (The Two of Them) – Márta Mészáros (1977) *

Dark River – Clio Barnard (2020)

Bacalaureat – Cristian Mungiu (2016)

The Rider – Chloe Zhao (2017) **

Songs My Mother Told Me – Chloe Zhao (2015) **

Orphée – Jean Cocteau (1950) **

Mat i syn  (Moeder en zoon) – Alexander Sokurov (1997) *

Born in Chicago (documentaire over Chicago blues) – John Anderson / Bob Sarles  (2020)

The Road to Memphis (documentaire over Memphis blues) – Richard Pearce (2003)

Berlin Alexanderplatz – Burhan Qurbani (2020)

Night Train to Lisbon – Bille August (2013) 0

Carrie – William Wyler (1952)

A coeur ouvert – Marion Laine (2012)

An Appropriated Self-Portrait – María José Alós (2014)  0

Eshtebak (Clash) – Mohamed Diab (2016)

Dronningen (Queen of Hearts) – May el-Toukhy (2019)

This Boy’s Life – Michael Caton-Jones (1993)

Ascenseur pour l’échafaud – Louis Malle (1958) **

Collateral – Michael Mann (2004)

Blue Valentine – Derek Cianfrance (2010) *

Warnung vor der heiligen Nutte – Rainer Werner Fassbinder (1971)

Lazzaro Felice – Alice Rohrwacher (2018)

Bovary – Jaco Van Dormael (2021)

The Trial of Christine Keeler (serie) – Andrea Harkin / Leanne Welham (2019-2020)

The Rainmaker – Francis Ford Coppola (1997)

Werk ohne Autor – Florian Henckel von Donnersmarck (2018) *

Once Were Brothers (documentaire over the Band en Robbie Roberston) – Daniel Roher (2019)

Duelles – Olivier Masset-Depasse (2018)

Poulet au vinaige – Claude Chabrol (1985)

Elser – Oliver Hirschbiegel (2015)

Shirley – Josephine Decker (2020)

Hedda Gabler – Jan Decorte (1978) **

Woman on the Run – Norman Foster (1950) *

S’en fout la mort – Claire Denis (1990) *

Untouchable –    Ursula Macfarlane (2019)

The Woman in the Window – Joe Wright (2021)

Jerichow – Christian Petzold (2008) **

Two-Lane Blacktop – Monte Hellman (1971) ***

Requiem – Hans-Christian Schmidt (2006) *

Call Me By Your Name – Luca Guadagnino (2017) *

Sandome no satsujin (The Third Murder)  – Hirokazu Kore-eda (2017) *

Inspecteur Lavardin – Claude Chabrol (1986)

Wildlife – Paul Dano (2018)

So Long, My Son – Wang Xioshuai (2019) **

Die innere Sicherheit – Christian Petzold (2000) **

Napló apámnak, anyámnak (Dagboek voor mijn vader en moeder) – Márta Mészáros (1990) *

Kill Your Darlings – John Krokidas (2013)

Echo in the Canyon – Andrew Slater (2018) *

Yella – Christian Petzold (2007) **

Carnival of Souls – Herk Harvey (1962) ***

Ich war Zuhause, aber… – Angela Schanelek (2019)

The Southerner – Jean Renoir (1945) **

Xiao Wu (Pickpocket) – Jia Zhangke (1997) *

Ung flukt (Wayward Girl) – Edith Carlmar – (1959)

Shiva Baby – Emma Seligman (2020)

Once Upon a Time in … Hollywood – Quentin Tarantino (2019)

Waar is het huis van mijn vriend? – Abbos Kiarostami (1987) ***

La roue – Abel Gance (1923) *

Barbara – Christian Petzold (2012) **

Still Walking – Hirokazu Kore-eda (2008) *

Das Vorspiel – Ina Weisse (2019) *

Happy End – Michael Haneke (2017)

Doorheen de olijfbomen – Abbas Kiarostami (1994) **

Sois belle et tais-toi – Delphine Seyrig (1976)

Chocolat – Claire Denis (1988) **

Joker – Todd Phillips (2019)

De smaak van kersen – Abbas Kiarostami (1997) **

La belle personne – Christophe Honoré (2008)

De geverfde vogel – Václav Marhoul (2019) *

Dylda (Bonenstaak) – Kantemir Balagov (2019)

Don’t Expect Too Much (over Nicholas Ray) – Susan Ray (2011)

Wendy and Lucy – Kelly Reichardt (2008) **

First Cow – Kelly Reichardt (2019) ***

La graine et le mulet – Abdellatif Kechiche (2007) *

Delphine et Carole, insoumise – Callisto McNully (2019)

La Jetée – Chris Marker (1962) **

Sans soleil – Chris Marker (1983) *

Todos lo saben – Asghar Farhadi (2018)

De wind zal ons meenemen – Abbas Kiarostami (1999) ***

Girl With a Pearl Earring – Peter Webber (2003)

The Good, the Bad and the Ugly – Sergio Leone  (1966) *

Parasite – Bong Joon Ho (2019) *

Keith Richards: Under the Influence – Morgan Neville (2015)

Cold War – Pawel Pawlikowski (2018) *

What Happened, Miss Simone? – Liz Garbus (2015) *

Une histoire de femmes – Claude Chabrol (1988) *

Masques – Claude Chabrol (1987)

Joan Didion: The Center Will Not Hold – Griffin Dunne (2017) **

Traité de bave et d’éternité – Isidore Isou (1951) *

Oh Lucy! – Atsuko Hirayanagi (2017)

Dogman – Matteo Garone (2018)

Portrait de la jeune fille en feu – Céline Sciamma (2019) **

Ozark (serie) – Bill Dubuque /Mark Williams (2017-2022)

L’amant – Jean-Jacques Annaud (1992) **

Maps To the Stars – David Cronenberg (2014)

Shine a Light – Martin Scorsese (2008)

De wereld van Apu – Satyajit Ray (1959) **

Bang Gang (Une histoire d’amour moderne) – Eva Husson (2015) *

De Portugese non – Eugène Green (2009) *

Lola rennt – Tom Tykwer (1998) 0

Beast – Michael Pearce (2017)

Yellow Cat – Adilkhan Yerzhanov (2020) 0

Fin août, début septembre – Olivier Assayas (1998)

Örökség (de erfgenaam) – Márta Mészáros (1980) *

At Eternity’s Gate – Julian Schnabel (2018) *** (2 keer)

Mandabi – Ousmane Sembene (1968) *

Cargo 200 – Aleksey Balabanov (2007)

Der Himmel über Berlin – Wim Wenders (1987) ***

Pasolini – Abel Ferrara (2014)

Les trois couronnes du matelot – Raúl Ruiz (1983)

Muriel ou le temps d’un retour – Alain Resnais (1963) ***

Like Someone In Love – Abbos Kiarostami (2012) *

La cérémonie – Claude Chabrol (1995) *

Jiang hu er nü (Jianghu’s Sons and Daughters) – Zhangke Jia (2018) **

Er shi si cheng ji (24 City) – Zhangke Jia (2008) **

Shan he gu ren (Mountains May Depart) – Zhangke Jia (2015) **

Akasen chitai (Street of Shame) – Kenji Mizoguchi (1956) *

Gravity – Alfonso Cuaron (2013)

Out Stealing Horses – Hans Petter Moland (2019)

Dolor y Gloria – Pedro Almodovar (2019) *

Pather Panchali – Satyajit Ray (1955) **

1945 (Homecoming) – Ferenc Török (2017) *

Blind – Eskil Vogt (2014)

Souvenir – Bavo Defurne (2016)

Grave (Raw) – Julia Ducourneau (2016) **

Girl – Lukas Dhont – (2018) *

Control – Anton Corbijn (2007)

Workers – Jose Luis Valle (2013)

Inside Llewyn Davis – Ethan Coen / Joel Coen (2013)

Au revoir là-haut – Albert Dupontel (2017)

The Devil Is a Woman – Josef von Sternberg (1935)

Cure – Kiyoshi Kurosawa (1997) *** (2 keer)

Breakfast on Pluto – Neil Jordan (2005)

Passing – Rebecca Hall (2021)

Zycie jako smiertelna choroba przenoszona droga plciowa (Life As a Fatal Sexually Transmitted Disease) – Krzysztof Zanussi (2000) *

Interstellar – Christopher Nolan (2014)

La dolce vita – Federico Fellini (1960) **

When They See Us (serie) – Ava DuVernay (2019)

2 ou 3 choses que je sais d’elle – Jean-Luc Godard (1967) ***

Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese – Martin Scorsese (2019) *

Napszállta (Sunset) – László Nemes (2018) **

Zurich – Sacha Polak (2015) 0

The Power Of the Dog – Jane Campion (2021) **

Wanda – Barbara Loden (1970) ***

Nostalgia de la luz – Patricio Guzmán (2010)

Dark Waters – Todd Haynes (2019) *

Gainsbourg (Vie héroïque) – Joann Sfar (2010) 0

Sátántangó – Bela Tarr (1994) ***

The Whistlers (La Gomera) – Corneliu Porumboiu (2019)

Calle Lopez – Gerardo Barroso / Lisa Tillinger (2013) *

Lady Bird – Greta Gerwig (2017) *

Little Women – Greta Gerwig (2019) *

The Sisters Brothers – Jacques Audiard (2018)

Baden Baden – Rachel Lang (2016) *

Thoroughbreds – Cory Finley (2017) **

Midsommar – Ari Aster (2019)

Don’t Look Up – Adam McKay (2021)

Merci pour le chocolat – Claude Chabrol (2000) *

The Naked Kiss – Samuel Fuller (1964) *

In a Lonely Place – Nicholas Ray (1950) ***

Ai no korîda (Het rijk der zinnen) – Nagisa Ôshima (1976) ***

Ai no korîda (Het rijk der zinnen), Nagisa Ôshima

GESCHIEDENIS VAN HET KONIJN

Antwerpen, 29 juli 1979

Om vijf uur blijft er van ons niet veel meer over dan schaduw. Geraamten met vlees rond, in de woorden van Senga. Dronken en tegelijk nuchter, dat heb je soms met speed, loop ik de trap van Cinderella’s Ballroom op, gevolgd door Gabriëlla en Senga. Naar de Schelde, hoor ik mezelf roepen, ik heb licht en lucht nodig. Ik wil zien hoe de dag daar begint. Geweldig idee, zegt Gabriëlla. We lopen aan de linkerkant over de Raapstraat, de Predikerinnenstraat, Klapdorp, de Lange Koepoortstraat en de Zirkstaat tot aan de Jordaenskaai. Gabriëlla is uitgelaten, Senga volgt zwijgend op korte afstand. Ik kijk even om. Wat ziet ze er bleek uit. Al haar energie is op de dansvloer achtergebleven. Ja, we zijn nu niet veel meer dan drie schaduwen in het nieuw ontstane licht.

Aan de stroom die maar stroomt en stroomt, rusteloos en gevaarlijk en sereen, blijven we staan. Na het urenlange gedreun, de wilde extase en de nauwelijks verdrongen lustgevoelens, heb ik behoefte aan contemplatie. Aan de Schelde lijk ik tot rust te zullen komen. De Schelde, mijn stroom. De sleepboten in de verte herinneren me aan mijn kinderjaren op het schip. Ja, dat kind is altijd in mij aanwezig, zeker hier, aan de weidse rivier. De meeuwen, wit en grijs, laten zich gelaten als wrakhout op het water meedrijven. Het water zelf in vele tinten grijs en bruin, en de wolken daarboven. Dat alles daar buiten, dichtbij en toch ver, en dan ook nog mijn hart dat klopt en het bloed, het bloedrode bloed.

Dan kijk ik weer om en zie Gabriëlla tussen de duiven. Wat doe je, roep ik. Ik voer ze Librium, antwoordt ze, ze maken zo’n kabaal. Opeens bespeur ik beneden op de kade een groot uitgevallen konijn. Dat wil ik van dichterbij zien. Ik loop ernaartoe. Het konijn verroert niet. Is het dan niet bang voor me? Nu weet ik wat me te doen staat. Ik ga dat vet konijn vangen. Ik probeer het knaagdier zo dicht mogelijk te naderen. Dat is natuurlijk het lot tarten: het konijn maakt zich uit de voeten. Toch geef ik het nog niet op, ik loop erachter aan. Tot ik helemaal buiten adem ben. Gabriëlla staat luidkeels te lachen. Wat verderop overziet Senga de hele situatie en zegt nog altijd niets. Later, in bed, nadat we gevrijd en daarna geslapen hebben, vertelt ze me hoe ze zich had voorgesteld dat we circusartiesten waren. Jullie moeten een circus beginnen en daarmee de wereld rondtrekken. Ik zal jullie manager zijn, zegt ze. Het wordt een gigantisch succes. Een Rolling Thunder Revue op zijn Ensors, zegt ze. Met een konijn in de hoofdrol, zeg ik. Staat die pot yoghurt weer aan jouw kant, vraagt Senga.

[Nachten aan de kant 57]

VERLOREN PARADIJZEN

Foto: Martin Pulaski

“… en de herinnering aan lijden in het verleden is noodzakelijk voor ons als de waarborg, het bewijs van onze onafgebroken identiteit.”
Oscar Wilde, De Profundis

Op de trein van Aix-en-Provence naar Marseille woog het afscheid Martin nog niet zo zwaar. Hij dacht terug aan de voorbije twee weken, de rust, de schoonheid van de landschappen, de kleuren en geuren van de gewassen, van het zoete en het zoute water, en bovenal aan het licht. De Camargue had diepe indruk op hem gemaakt. Opeens heeft hij een idee voor een verhaal. De plaats van handeling is Saint-Maries-de-la-Mer, de hoofdpersonages zijn hijzelf, of iemand die sterk op hem lijkt, en Madame Bovary. Hij is een zwerver, M., a lonely drifter, en wordt verliefd op Emma Bovary, die ongelukkig gehuwd is met een arts. Er komen paarden, flamingo’s en zigeunermuziek in voor. Bob Dylan krijgt een bijrol. Misschien wordt het wel wat. Laat ik de wind van Saint-John Perse er over de vlakte waaien, vraag Martin zich af. Beschrijf ik de berg van Paul Cézanne? Moet Vincent Van Gogh erin voorkomen? M. zou zichzelf in wanhoop een oor kunnen afsnijden, denkt hij. Ach, nee, het mag geen Desolation Row worden, met tientallen nevenfiguren. We zien wel, denkt hij. Wat komt, komt.

Al gauw rijdt de trein het station Marseille Saint-Charles binnen. Veel tijd om over te stappen hebben Senga en Martin niet. Om 21.53 uur vertrekt de nachttrein naar Parijs. Vanwege hun ontoereikend budget hebben ze de goedkoopste plaatsen moeten nemen, zonder reservaties voor zitplaatsen. Met hun onhandige rugzakken moeten ze op de gang blijven staan, dan zitten, dan liggen. Even buiten Marseille krijgt Martin het benauwd. Hij voelt woede opkomen, paniek. Zijn ademhaling wordt moeizaam. Het stof van de andere reizigers irriteert zijn luchtwegen. Na zoveel gezonde dagen krijgt hij dan toch nog met een astma-aanval af te rekenen. In een poging weer controle over zichzelf te krijgen haalt hij zijn cahier tevoorschijn en begint te schrijven, woedend, bezeten.

Op de trein word ik vermoord door de eerste klasse. Mijn laatste centen verspil ik aan een plaats in deze beestenwagen. In een spastische houding op de grond gezeten. Ik voel de hitte van de dood. Of is het de kou van de dood? De beklemmende koude hitte? Zo te sterven op het slagveld van de klassenstrijd. Zo jong nog, zoveel toekomst in een oogwenk van de kaart geveegd. Zoveel illusies over het einde van het kapitalisme. Het kapitalisme was zijn laatste adem aan het uitblazen, dacht ik. Wat we de voorbije jaren zagen waren alleen nog maar wat stuiptrekkingen, dacht ik. Wat een groteske vergissing! In Frankrijk wordt het iedereen duidelijk gemaakt tot welke klasse iemand behoort. Op het toilet, op de trein, in het café, op straat. De patrons en hun kontlikkers heersen hier schaamteloos. Wat ooit het proletariaat werd genoemd, de werkers en hun kinderen, berusten. Ze verliezen hun verstand bij het voetbal en de Tour en vallen uitgedoofd in slaap bij spelletjes en quizzen op de televisie. Geen teken van oproer of opstandigheid. Bij niemand. In Frankrijk besef je pas ten volle dat de zon van het kapitalisme nog maar net is beginnen te schijnen. De vrijemarkt is alomtegenwoordig.

Het ergste moment van de aanval kwam er nadat de trein uit Avignon was vertrokken. Hij ratelde door op weg naar Lyon. Martin keek niet door het raam. Hij klampte zich vast aan zijn schrift. Senga lag in een al even geforceerde houding als Martin met haar hoofd tegen haar rugzak en probeerde te slapen.

Wat stinken wij mensen. Wij verstikken in onze eigen walmen. Hoe lang houd ik dit vol? Hier op deze vuile grond, de passagiers uit de eerste klasse die over mij heen stappen, over Senga, die probeert te slapen. Courage, mon vieux. Courage, ma petite. Ja, het is waar, de hel, dat zijn de anderen. Omdat wij elkaars hel zijn zullen wij nooit de strijd tegen het kapitalisme winnen. De heren in hun villa’s, in hun maisons de campagne, op hun jachten, lachen met ons zielig negativisme, met onze wrok, met ons ressentiment. Hoe laat zou het zijn? Om kwart voor zes komen we aan in Parijs. Ze stompen me in de ribben. Ze trappen op mijn tenen, voeten, enkels. Mensenlichamen zijn afschuwelijk.

King Vidor, The Crowd, 1928

Martin heeft van zijn puffer kunnen nemen. Hij kan weer wat rustiger ademhalen. De onrust, die giftige slang, blijft echter in zijn woorden en zinnen binnendringen. Van slapen zal niets meer terechtkomen. Hij schrijft door, zijn jonge hoofd boordevol vruchtbare en verschrikkelijke herinneringen, boordevol woede en razernij.

Ik sterf aan de ziekte die eerste klasse heet. De onverschilligheid van haar onderdanen houdt de eerste klasse overeind. Hun lot, hun gebogen houding, hun zinloze dagen van zinloos werk, hun stem uitgebracht op paljassen, hun avonden opgebrand voor de televisie en af en toe wat lusteloos neuken, al die rotzooi, al die ellende, het lijkt hen vanzelfsprekend. Niemand kijkt nog op van uitbuiting, onrechtvaardigheid en repressie.

Ontsporen zal deze trein niet, deze trein der traagheid. Straks zijn we in Parijs, daarna komt Antwerpen. Maar waarheen spoedt zich mijn geest die zich niet langer met het gif van verraders en corrupte leugenaars en allerhande levenshaters wil inlaten? Waarheen snellen mijn rusteloze gedachten? Wat hebben deze woorden te betekenen? Misschien zijn het mijn laatste? Dan schrijf ik ze voor jou, Senga. Dan schrijf ik ze ook nog voor enkele vrienden, de weinige die ik nog kan en mag liefhebben. Voor degenen die lachen en spelen in betere lucht, die niet bang zijn om anderen lief te hebben, die voor schoonheid en lust leven, die de vruchten van hun dagen aan de wereld geven, ook al hebben zij pijn en worden zij oud, ouder, oudst. Misschien, ja, misschien zijn dit mijn ultieme woorden. Vast en zeker zijn zij een radicale aanklacht tegen de terroristen aan de macht. Nu nog niet maar ooit zal het gedaan zijn met hun gruwelen. Aan alles komt een einde. Vast en zeker zijn zij een aanklacht tegen de overbodige leeglopers van de eerste klasse, en tegen allen die vals glimlachend dienen en in dit schaduwrijk in vrede rusten
.

Op de vloer met onze onhandige rugzakken. Verkrampt. Met pijnlijke ledematen. Om ons uit te strekken is er geen plaats. Net voor de deur naar het toilet. Reizigers lopen af en aan, stappen over ons heen, laten hun sigarettenas op ons vallen, trappen op onze tenen. We proberen ons desondanks goed te houden. Het gaat al beter. Straks zijn we in Parijs, stad van licht. Van de macht, dat wel, maar ook van kunstenaars en dichters. Oscar Wilde ligt er begraven. Van hem leest Senga, die nu helemaal wakker is, De Profundis, een van de eerlijkste en waarachtigste boeken die ik ooit las, al is het met wat te veel retoriek en stijlfiguren geschreven. Maar aan hoeveel retoriek heb ik mij in deze ontboezeming niet schuldig gemaakt? Nooit zal iemand deze notities te zien krijgen. Dat zweer ik.

Langzaam reed de trein het station Paris-Gare de Lyon binnen. Het was donderdagochtend 26 juli, bijna zes uur. Het felle licht deed pijn aan de ogen. Parijs was al wakker. Martin en Senga dronken zwijgend een bittere koffie met een croissant erbij en namen dan de metro naar Gare du Nord. Ze waren bijna thuis.

Foto: Martin Pulaski

[Nachten aan de kant 56]

VANOP EEN AFSTAND

Saint-John Perse

Hoewel objectiviteit niet bestaat moet je desalniettemin af en toe een poging ondernemen om het geheel – of in dit geval een klein onderdeel daarvan – vanop een afstand te bekijken. Wie schrijft, zeker wie fictie schrijft, en dagboeknotities zijn net zo goed fictie als een verhaal of een roman, wordt tijdens die eerder passieve activiteit telkens weer ondergedompeld in zijn lotgevallen, beproevingen en pleziertjes allerhande. In de stadia op zijn levensweg. Het is voor een mens erg moeilijk om in de spiegel te kijken en te zien wie hij is. Zelfs al heeft die mens gedurende twintig jaar en meer zijn lot in de handen gelegd van een psychoanalyticus en daar veel geld in geïnvesteerd. Ook al verandert hij voortdurend blijft hij toch altijd die bepaalde mens.

De laatste dag was aangebroken van Martins en Senga’s verblijf in de Provence. De voorraad zonnige en al bij al gelukkige dagen was bijna opgebruikt. Al was het voor Martin erg moeilijk om afscheid te nemen, sinds zijn achtste levensjaar leed hij aan een nogal ernstige vorm van verlatingsangst, moest dat nu toch gebeuren. Hij moest zich losrukken uit een sfeer van licht en onbezorgdheid (al waren er meer dan eens kopzorgen over geld en gezondheid geweest). Voor Senga zal het niet erg anders geweest zijn, al kon Martin dat niet met zekerheid zeggen, hoeveel hij ook van haar hield en hoezeer hij zich inspande om haar te begrijpen. Martin was bovendien nog young and foolish en vond zichzelf, in weerwil van zijn twijfels en soms zelfhaat, tamelijk belangrijk. In zijn gevoelswereld was er nog niet veel ruimte voor wat omging in zijn geliefde, zijn zoontje, zijn ouders en zijn vrienden. Het is best mogelijk dat Martin meer uitkeek naar de terugkeer naar zijn werkkamer, zijn schriftjes, zijn Smith-Corona en zijn boeken dan naar het weerzien met zijn verwanten. Het nachtleven in Antwerpen had hij geen seconde gemist.

Het was woensdag 25 juli, het putje van de zomer. Senga voelde zich nog steeds wat slap en had lichte koorts. Toch was ze ’s morgens mee gaan zwemmen in het kleine zwembad van camping Chanteclerc. Het water was even helderblauw als de lucht, en melkachtig zacht. Omdat het helemaal niet druk was had hij weinig zin om er weer uit te komen, terwijl Senga toch al onder de douche had gestaan en zich afgedroogd. Het water hielp tegen de kleine kater die hij overhield van wat teveel rosé de Provence, gisteravond voor het slapengaan. Gelukkig – of ongelukkig – was de wijn hier goedkoop. Degelijke maaltijden waren voor Martin en Senga een groter probleem. Hun budget stond hen alleen nog maar het nuttigen van de inhoud van een blik ratatouille toe. Maar dat smaakte prima in de bedwelmende Zuiderse lucht, met als achtergrondmuziek het gezang van de cicaden. Daarna in de tent had Martin om de melancholie van het afscheid te verdrijven aan Senga Willem Elschots Kaas naverteld.

Na de vroege zwempartij zochten ze voor het laatst de stad op. Opnieuw liepen ze over de elegante Cours Mirabeau en bewonderden er de architectuur. De oude stad had iets Italiaans; in ieder geval waren er gelijkenissen met de weinige Italiaanse steden die zij al hadden bezocht. Zelfs in de smalle straten baadden de huizen in helder licht. Martin vond dat de hele stad een hymne zong. Hij wist natuurlijk wel dat er buiten deze oude kern een lelijk nieuw gedeelte, vooral bestaande uit goedkope woonblokken, bestond, maar daar probeerde hij niet aan te denken. In zijn eigen land was er al voldoende lelijkheid om zich druk over te maken. Wat was het hier ook zoveel aangenamer dan op de camping, zo laag-bij-de-gronds en druk; een foeilelijke vlek in die idyllische omgeving. Als hij hier rondslenterde dacht hij geen ogenblik aan de kampeerders die daar de hele dag lagen te bakken in de zon. Die hele vulgaire wereld van het kamperen bestond niet meer voor Martin. Overigens hadden hij en Senga zich voorgenomen om nooit meer met een tentje op reis te gaan. Nog veel liever in een stoffige kamer tussen de kakkerlakken logeren dan op een kampeerterrein je vrijheid en, nog erger, je eenzaamheid prijsgeven. Kamperen is de manier bij uitstek om een land of stad niet te leren kennen, had Martin gezegd. Toch had hij van in het begin al gevonden dat hij niet zo streng over deze mensen en hoe zij leefden mocht oordelen. Hij en Senga hadden er tenslotte zelf voor gekozen om in de microkosmos van de kampeerders binnen te dringen.

Ze begaven zich naar het stadhuis, waar een tentoonstelling liep over leven en werk van de Franse schrijver Saint-John Perse. Kort voor zijn dood op 20 september 1975 had de dichter en laureaat van de Nobelprijs zijn archief (manuscripten, persoonlijke bibliotheek, memorabilia; meer dan 14.000 documenten) aan de stad Aix-en-Provence geschonken. Korte tijd later was in een gedeelte van het stadhuis de Fondation Saint-John Perse ondergebracht. [1] Martin vond het vreemd dat het archief hier beland was, terwijl de rusteloze auteur op zoveel verschillende plaatsen zowat overal ter wereld had gewoond. Al is wonen wellicht niet het juiste werkwoord. Mogelijk voelde de dichter zich alleen maar thuis in Guadeloupe, een Frans overzees departement in de Caraïbische Zee, waar hij op 31 mei 1887 werd geboren als Alexis Leger – voluit Marie-René Alexis Saint-Léger Leger – en een gelukkige jeugd kende. In 1899 kwam er een einde aan deze idyllische tijd: zijn familie vestigde zich in Frankrijk. De jonge Alexis studeerde er rechten en volgde daarnaast lessen in natuurkunde, botanica, geologie, mineralogie, neurologie. Hij was rusteloos van aard, veelzijdig, gefascineerd door alles wat de aarde te bieden had. Zijn beroepsleven, Alexis Leger was een vooraanstaand diplomaat, scheidde hij strikt van zijn dichterschap. Toch zal zijn verblijf in onder meer Engeland, China, Buiten-Mongolië, de Verenigde Staten, de Maagdeneilanden, de Bahama’s, Tobago, het schiereiland Labrador, Argentinië, Barbados, Bermuda, Italië, Grenada – en de vele vriendschappen die hij op even zoveel plaatsen onderhield – ongetwijfeld een vruchtbare voedingsbodem hebben gelegd voor zijn werk. Al was er altijd ook nog het verloren paradijs Guadeloupe. Zijn oeuvre bestond voornamelijk uit lange, elegische gedichten in vrije vorm. Onder zijn vertalers – en bewonderaars – bevonden zich T.S. Eliot, Rainer Maria Rilke, Walter Benjamin en Giuseppe Ungaretti.
Martin was niet vertrouwd met het leven en werk van deze wat mysterieuze en hermetische Franse auteur. Hij had wel wat poëtisch proza van hem gelezen maar vond de lange gedichten, geschreven in een grootse stijl, vol uitroepen en incantaties, erg moeilijk. Wel zag hij zowel in dit uitzonderlijk leven als in deze poëzie verwantschap met die andere balling, Arthur Rimbaud. De dichter uit Charleville was mogelijk niet zo veelzijdig, maar zeker even rusteloos en avontuurlijk van karakter. De vorm van Les Illuminations en Une saison en enfer toonde verwantschap met die van gedichten van Perse als Images à Crusoë en Anabase. Martin besefte nu pas hoe belangrijk het werk van Saint-John Perse nog steeds was en besloot om zich er binnenkort als hij weer thuis was in te zullen verdiepen.


Op een pleintje begon net een voorstelling van een opmerkelijk dansgezelschap, Théâtre Chorégraphique de Rennes. Ze zagen een mooie, poëtische en humoristische dans van een man, een vrouw en een stoel. Gesproken werd er niet. Bewegingen en gebaren volstonden om een ietwat absurde wereld te creëren. Alles leek vanzelf te gaan, de acteurs dachten zo te zien niet na bij wat ze deden. De man leek sprekend op de jonge Roman Polanski, zoals Martin zich hem herinnerde uit Le gros et le maigre.

Na afloop van de voorstelling dronken ze nog een laatste glas witte wijn in een café in de rue Maréchal Foch en keken voor het laatst naar de gezellige drukte. Het was vier uur. Tijd om hun rugzakken te gaan oppikken en dan de trein te nemen naar Marseille en vandaar door te reizen naar Parijs en dan – naar huis. Ze hadden nog net genoeg geld, 290 FF, voor twee treintickets tot Antwerpen.

[Nachten aan de kant 55]

290 FF


[1] Sinds 1989 werd de Fondation Saint-John Perse op een andere locatie ondergebracht.

DE AMICALE BUSCHAUFFEUR

Een buschauffeur. Foto: MP.

Aix-en-Provence, dinsdag 24 juli 1979

Op de lange uren van vervelende schoonheid en schone verveling in Vauvenargues moet ik nog even terugkomen.

De bus naar Aix-en-Provence was dan toch nog niet aangekomen. Hij had nu al op zijn minst een uur vertraging. Waren de uren ervoor, achteraf gezien, nog verrukkelijk geweest dan sloeg de verveling nadat we uit Le Moulin de Provence waren vertrokken pas echt toe. We waren op het plein op een stenen bank naast de treurige fontein gaan zitten. Al gauw verhuisden we vanwege de schaduw naar de drempel van een klein huis. We zwegen en wachtten in de slechts nu en dan onderbroken haast volmaakte stilte. Ik stelde me voor dat dorpelingen ons reeds als een van hen waren gaan beschouwen. Met het huis achter me, tegen de gevel waarvan ik met mijn rug leunde, was ik onderhand vertrouwd. Hoeveel jaren wonen we hier al niet! Straks komen vrienden op visite. We hebben Old Grand-Dad, Cuervo Gold en allerlei hapjes in huis gehaald. Platen die ik onze gasten zeker wil laten horen zijn Armed Forces en Rust Never Sleeps. Wat hoor ik? Stilte? Nee, toch niet. Het is de fontein. Waar blijft die verdomde bus?

Toeristen komen ons inlichtingen vragen, alsof we van hier zijn. Waar vind je in dit oord een café of een bar? Dat weten we beslist heel goed, we zijn er al twee keer iets gaan drinken, Chez Jo, een eindje verderop, altijd rechtdoor, voorbij het kerkje. Eten kun je er wel alleen maar op zaterdag, voeg ik eraan toe. En dan alleen nog maar pizza.

De inwoners van Vauvenargues kennen geen haast. Het lijkt altijd zondag. Waarom ook niet? Het leven heeft hier alleen maar zin als het in traagheid wordt geleefd. De dorpelingen leven, denk ik, in een oudere tijd. Er bestaan wel al kranten en de radio is reeds uitgevonden. Een enkeling heeft een televisietoestel. De geschiedenis is aan hun tijdperk voorbijgeraasd. Maar ook dat tijdperk is gedoemd te verdwijnen. Nu kunnen zij nog zeggen dat ze alle tijd van de wereld hebben, maar hoe lang nog? Ook op de weinige kinderen die hier leven zal als zij groter worden de tijd zwaar gaan wegen; ook voor hen zullen haast en spoed het alfa en omega worden, de kringloop van de seizoenen een bijkomstigheid. Feesten zullen geen andere functie meer hebben dan die van het consumeren.

Oude vrouwtjes zitten met hun breiwerk, of groenten schoonmakend, of andere huiselijke taken verrichtend, in de schaduw voor hun woningen. Ze babbelen met elkaar, over niets bijzonders zo schijnt het. Maar wat weet ik ervan of een onderwerp bijzonder is of niet.

In Vauvenargues wonen ook enkele jonge, hippe mensen. Zij lijken al in ‘onze tijd’ te leven. Als ze wegrijden in hun beschilderde wagen wuiven ze naar ons, een teken van herkenning, van samenhorigheid. Complicité, noemen de Fransen dat. Gaan ze misschien naar Aix? Hadden we niet beter gevraagd of we konden meerijden?

Daar is dan ten slotte toch de bus. Alles komt nu tot leven in Vauvenargues. Deze plotse beweging, dit ontwaken uit een soort van lethargie, deze mengelmoes van geluiden, dat heeft allemaal iets van een ritueel. Het is een feestelijk moment. Wat doet het goed eindelijk verlost te zijn van dat folterende gekabbel van de fontein. Op den duur werd dat geruis nog kwellender dan het getik van de eikenhouten staande klok in het huis van de drie vrouwen, mijn grootmoeder en twee tantes, in Merksem, als ik daar als kleine jongen soms bleef overnachten.

De buschauffeur is van de amicale soort. Opgewekt en vriendelijk, zelfs tegen ons, vreemdelingen. Waarschijnlijk uit het dorp afkomstig. De bus rijdt niet één maar twee keer door de hoofdstraat van het dorp. De eerste keer heeft de chauffeur al iedereen begroet, de tweede keer doet hij het nog eens over. Voilà, la deuxième fois, voegt hij er nog aan toe. Bij de tweede doortocht stopt hij bij de zaak van Jo, ‘om zijn schulden te gaan betalen’. Erg lang duurt dat niet. We vervelen ons nu niet meer zo. Weg is de fontein.

Tijdens de rit naar Aix voert de chauffeur een nogal melancholisch gesprek met een oudere dame die achter hem heeft plaatsgenomen. Het is zonneklaar dat zij elkaar al lang kennen. Ze hebben het over het Vauvenargues van vroeger, toen ze nog jong waren. Jadis…  Mais il est bien court, le temps des cerises. Hoewel ze beseffen dat ze oud geworden zijn klagen ze niet. Al is het met nogal wat tegenzin aanvaarden ze dat het leven zijn gang gaat, zoals de seizoenen. Beiden vinden ze dat Vauvenargues erg groot is geworden, er zijn zoveel mensen komen wonen die ze niet eens kennen. Hoezeer is toch alles veranderd, madame.

Deze bus stopt niet aan vaste haltes. Je hoeft maar een teken te doen en je mag al afstappen. Alles is goed voor onze vrolijke, nostalgische bestuurder.

Bijna in Aix aangekomen heeft de man een conversatie met een jongere vrouw, een aantrekkelijke Provençaalse, die onderweg is opgestapt. Hij heeft het met af en toe een zucht over zijn boulot, de godganse dag met die bus rijden. Ik ben een automaat geworden, zegt hij, toujours les mêmes gestes. Toch laat zijn glimlach hem nooit in de steek. Zouden zelfs vermoeide automaten in deze in warme zonnegloed badende streek gelukkig zijn?

Baigneuses devant une tente, Paul Cézanne, 1885

[Nachten aan de Kant 54]

IN DE TUIN VAN PABLO PICASSO EN PAUL CEZANNE (VAUVENARGUES)

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

Vauvenargues, maandag, 23 juli 1979

Het is nu vier uur. Het duurt nog even voor de bus naar Aix-en-Provence hier aankomt. Hoewel we op het terras van een restaurant zitten hebben we alleen nog maar een stuk appeltaart gegeten en twee koppen koffie gedronken. Het was ofwel dat ofwel helemaal niets. Overigens is dit het enige eethuisje in Vauvenargues, of ik moet de bar-pizzeria Chez Jo meerekenen, maar daar worden uitsluitend tijdens het weekend pizza’s opgediend.

Le Moulin de Provence is benevens een restaurant ook een hotel. Je kan moeilijk zeggen dat je hier vriendelijk wordt bejegend. De klandizie lijkt merendeels uit België te komen. Op het terras hoor ik voornamelijk Frans, maar met een Vlaams accent. Het is hier zo stil dat je elk woord kan horen. De aanwezigen doen uitstekend hun best om als bourgeois over te komen. In hun maniertjes, hun kleding, hun banaliteit. Hun gespreksonderwerpen lijken zo uit Flauberts ‘Woordenboek van Conventionele Ideeën’ [1] te komen. Voor deze medemensen zijn Senga en ik kennelijk een lagere diersoort. Ze schijnen te denken dat we hen niet zien als ze blikken boordevol misprijzen op ons werpen. Maar ik hoef maar even op te kijken van dit cahier om ze te zien. Af en toe komen uit het hotel nog wel logés van een ander type naar buiten. Ze dragen eenvoudige vrijetijdskledij en gymschoenen, de mannen hun haren zijn halflang, de vrouwen hebben veelkleurige broekrokken aan (het kunnen ook rokbroeken zijn). Die zullen dan wel in de goedkopere kamers logeren.

We zijn naar Vauvenargues gekomen voor de illustere naam van het dorpje maar ook om te wandelen. Eerst naar het dal, in de richting van de Montagne Sainte-Victoire. Heel nabij zo lijkt het, maar bergen bedriegen altijd. Het was moeilijk om ons een weg benedenwaarts door dicht struikgewas te banen. Senga was beducht voor muggen, dazen en ander ongedierte. Zaten hier geen slangen? Een noemenswaardig wandelpad vonden we niet. Wel rook het alom heerlijk naar lavendel. Het stuk grond behoort toe aan de erfgenamen van Pablo Picasso en hoort bij het schitterende Château de Vauvenargues. Ooit waren deze grond en het kasteel eigendom van Luc de Clapiers, hertog van Vauvenargues, vooral bekend van zijn Réflexions et Maximes, verschenen in 1746. Veel beroemder dan de hertog is Pablo Picasso, die het kasteel in 1958 kocht. Lang heeft hij er niet gewoond, van 1959 tot 1962, al keerde hij er wel vaak terug. Picasso, gestorven op 8 april 1973, ligt hier begraven. Jammer dat we zijn graf [2] niet konden bezoeken. In plaats van daarover te treuren zong ik een oud refreintje van Paul McCartney:

Drink to me, drink to my health
You know I can’t drink any more
Drink to me, drink to my health
You know I can’t drink any more
Drink to me, drink to my health. [3]

Pablo Picasso en Jacqueline Roque

Nadat Picasso het kasteel en de grond had aangekocht grapte hij tegen zijn vrienden dat Cézanne de Montagne Sainte-Victoire had geschilderd maar dat hij, Pablo Picasso, hem had aangekocht. Pablo Picasso never got called an asshole, aldus Jonathan Richman. Een beetje asshole was Picasso echter wel. De Montagne Sainte-Victoire is van Paul Cézanne. Hij heeft hem mogelijk zelfs voor het eerst werkelijk gezien. Hij heeft hem uit elkaar gehaald en weer in elkaar gestoken. Hij heeft via zijn werk aan de berg betekenissen gegeven die hij tevoren niet had. Zelfs Picasso kon die niet negeren. Zodra de Montagne Sainte-Victoire van Cézanne bestond kon niemand hem meer ongedaan maken. Andermaal denk ik aan een song, een van de troubadour Donovan Leitch, en wel First There Is a Mountain, waarin hij deze wijze woorden zingt:

First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain.

Omdat we niet verder konden keerden we terug naar het dorp, helemaal die helling weer op. Le Moulin de Provence was op dat ogenblik nog een onbeschreven blad. Na wat zoeken hebben we dan toch een pad gevonden dat naar de bergen voerde. Zo hebben we de top van de berg bereikt die tegenover de Montagne Sainte-Victoire ligt maar minder hoog is.

Eindelijk nog eens een keer ondergedompeld in de natuur. Doordringende geur van Provençaalse kruiden. Tijdens de klim wordt aan alles geroken en worden takjes en blaadjes geplukt om in onze rugzakken naar Antwerpen mee te nemen: wilde tijm, salie, laurier, rozemarijn. Overweldigend is het gezang van de krekels. Wat moeten zij elkaar veel te vertellen hebben. Jammer dat wij hun vrolijke taal niet begrijpen. Hoornaren, een soort van horzels, zie je hier ook wel. Leeggezogen door enorme mieren en uitgedroogd hangen ze aan takjes. Alleen nog maar doorzichtige omhulsels zijn die hoornaren, helemaal intact.

Zodra je de top hebt bereikt voel je je beetgenomen. Een vlakte met veel zon en weinig schaduw. Moesten we daarvoor al die inspanningen doen? Je weet niet goed waar naartoe, dus keer je maar op je passen terug. Op de terugweg worden geen geuren meer opgesnoven en wordt niets meer geplukt. Je loopt door. Je hebt een duidelijk doel voor ogen.

Weer op het dorpsplein. Op de fontein staat in groene, moeilijk leesbare letters gespeld: EAU NON POTABLE. We lopen naar Le Moulin de Provence en gaan op het terras zitten. Het duurt lange tijd eer een meisje ons vragen komt wat we wensen.

Nu ik dit hier zit te noteren ervaar ik de verveling van het dorpsleven. Vauvenargues bestaat uit niet meer dan enkele huizen; er zijn weinig mensen op straat. Stilte. De geluiden van de natuur maken deel uit van die stilte. Het is een zware stilte. Het is een stilte waar je moedeloos en lusteloos van wordt. Af en toe het vermoeid geblaf van een oude hond. Dan weer stilte. Hier is niets te doen. Il n’y a rien à faire. Je denkt dan maar terug aan de wandeling, de honderden fladderende vlinders in alle kleuren van de regenboog, aan de sprinkhanen en de krekels. Aan Cézannes berg, die je nu niet kunt zien. Daar is de bus. We hebben de rekening toch al betaald?

[Nachten aan de Kant 53]

Pablo Picasso, Jacqueline assise dans un fauteuil

[1] Gustave Flaubert, Bouvard en Pécuchet, Woordenboek van conventionele ideeën. Vertaald door Edu Borger.
[2] Ook het graf van Jacqueline Roque, de tweede echtgenote van Picasso, bevindt zich in Vauvenargues. Op 15 oktober 1986 maakte zij een einde aan haar leven.
[3] Picasso’s Last Words (Drink to Me), op de elpee Band on the Run (1973) van Wings.

IN AIX-EN-PROVENCE

Atélier de Cezannne. Foto: MP

Aix-en-Provence, zondag 22 juli 1979

Gisterenmiddag, na een schietgebed voor de heilige Sara en de drie Maria’s, dan toch uit Saintes-Maries-de-la-Mer kunnen vertrekken. Met de bus tot Arles, daarna de trein naar Marseille. De treinreis was een genot en daardoor zelfs wat te kort. Meestal verdiep ik mij tijdens zo’n reis in een boek, nu keek ik door het raam, gefascineerd door het snel veranderende landschap. De vlakte maakt plaats voor heuvels, bossen, rotspartijen.
Kunnen bomen ontroeren? De hoge, kaarsrechte cipressen alom deden dat bij mij zeker wel. Ik noteerde vlug enkele woorden, het begin van een gedicht, maar hield er meteen mee op want ik wilde niets missen van wat daar zo zonverlicht zichtbaar was. Overigens zou ik Goethes woorden over de cipressen in de Giardino Giusti in Verona nooit kunnen overtreffen. [1]

In Marseille een oponthoud van ongeveer een uur. Dan een lokale trein naar onze bestemming, Aix-en-Provence, waar we omstreeks zes uur zijn gearriveerd. Op camping Chanteclerc, dichtbij Cours Gambetta, een eind buiten de stad, kregen we gelukkig nog een plaatsje. Vanuit onze tent kijken we uit op een klein zwembad en op de Montagne Sainte-Victoire, de berg van Paul Cézanne, in het Oosten. Toen we in Chanteclerc aankwamen was het al volop feest. Belgen, Nederlanders en enkele Fransen vierden broederlijk en zusterlijk de Belgische nationale feestdag. Na de ervaring met de cipressen was dit een bevreemdend schouwspel. In België heb ik me al altijd een outsider gevoeld, nu werd ik dat, heel even toch, in het kwadraat. Sommigen hadden zich verkleed, er werd uitbundig gedanst en gezongen. Kort voor middernacht was het gedaan met de geforceerde nationale trots. Enkele Nederlandse punks die zin hadden om nog te gaan dansen in een discotheek in de stad, vroegen ons om met ze mee te gaan. Senga had er wel oren naar, maar we beseften allebei dat we te moe waren. Bovendien voelden we nog altijd de nasleep van die lange, uitputtende wandeling in de hemelse hel van de Camargue.

Na het ontbijt vanmorgen hebben we het idyllisch gelegen Atelier Cézanne bezocht. Werken van de meester zijn er niet te zien, maar de plek is zeker een uitstap waard. Te bezichtigen zijn er een aantal voorwerpen die de schilder gebruikte voor zijn stillevens: flessen, melkkannen, glazen, fruitschalen, doodskoppen, tapijten, boeken. Ook kleren, wandelstokken, schildermateriaal, een schildersezel. Er is een weelderige tuin achter en naast het huis, waar je vrij in mag rondwandelen. Hier kuierde ooit Paul Cézanne, de voorloper van de modernen, de schilder die kunstenaars en schrijvers – waaronder Rainer Maria Rilke en Peter Handke – leerde zien.

Na de lunch bezochten we Ecole des Beaux Arts, voor de tentoonstelling Présence Contemporaine. Een boeiende keuze van werk van hedendaagse, vooral Franse kunstenaars. Bij sommige werken heb ik notities gemaakt. Na zoveel jaar en zonder reproducties van de werken erbij weet ik niet of ze nog veel leeswaarde hebben. Je kan ze lezen in een lang uitgevallen voetnoot hieronder. [2] De werken van Bram van Velde, Hans Hartung en Jean-Paul Riopelle waren zo opmerkelijk dat ik er geen woorden bij kon bedenken.

Nog onder de indruk van zoveel dwarse schoonheid liepen we in stilte over Cours Mirabeau, een straat die meer op een plein lijkt. Aan weerszijden platanen die er mogelijk al stonden ten tijde van de Franse revolutie. Nu was het tijd voor een glas Provençaalse wijn.

[Nachten aan de Kant 52]

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

[1] Goethe, Reis naar Italië, vertaald door Roel Houwink p. 58.

„Diese Zweige bracht’ ich aus dem Garten Giusti, der eine treffliche Lage und ungeheure Zypressen hat, die alle pfriemenartig in die Luft stehen. Wahrscheinlich sind die spitz zugeschnittenen Taxus der nordischen Gartenkunst Nachahmungen dieses herrlichen Naturprodukts. Ein Baum, dessen Zweige von unten bis oben, die ältesten wie die Jüngsten, gen Himmel streben, der seine dreihundert Jahre dauert, ist wohl der Verehrung wert. Der Zeit nach, da der Garten angelegt worden, haben diese schon ein so hohes Alter erreicht.”
Goethe, Italienische Reise, Projekt Gutenberg.

[2] Notities gemaakt in Ecole des Beaux Arts

HENRI LE CHENIER
zwartwit, breuk, twee vlakken
zwart gebroken door witte bliksem
zwart land van scheiding door witte rivier
topografische kaart, luchtgezicht –
toeschouwer boven wolken en nevel

PAUL REBEYROLLE
nieuw gevecht van kleuren: groen, marineblauw,bruin,
zwartwit, nauwelijks begonnen geel
grenzen opgelost
de hemel mislukt

PIERRE TAL-COAT
zwart (landschap) passief verzet
zwart (landschap), niet veel meer dan niets
en toch beweging, enkele witte nevels,
witte schaduw die van links komt aanzweven,
of die terugwijkt.

GERARD TITUS-CARMEL
déambulatoire, carré n° 3
potloodtekening, fantasie –
de vier hoeken van het getekende kader
met getekende doeken omwikkeld
wat heel gewoon is, dat is geheimzinnig
het kader in het centrum
geen verwijzing geen betekenis.

PABLO PALAZUELO
labyrint
ook weer zwart met witte lijnen (korte rechte lijnen)
je herkent een bepaalde structuur: intuïtie?

GUILLAUME CORNEILLE
vrouw in het centrum
totem, tekens en kleuren van de azteken
pre-columbiaans
kleuren vooral rood, geel en groen (ik denk aan Van Gogh)
fantastische faunen
warme waanzin

ANTONIO TAPIES
kruisen in het witte vlak gekerfd

PIERRE ALECHINSKY
verrassende speelsheid, zogenaamd primitivisme
opvallend de zoete warmte van vruchten,
van nieuw leven, geboorte
het warme zoete rood.

LA BANDIDO

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP


Kathy: What are you rebelling against, Johnny?
Johnny: What do you got?
The Wild One, László Benedek

Saintes-Maries-de-la-Mer, vrijdag 20 juli 1979

De hitte blijft en met de hitte de lethargie. Niet lang meer en we leven als kikkers. ’s Nachts zal je van mij dan alleen nog wat gekwaak horen. Al is in deze schrale moerassen wat lekkere vochtige en koele modder ver te zoeken. Mijn gekwaak zal alvast minder luid zijn dan dat van de Helse Engelen, de Teutoonse Rebels Motorcycle Club. Hun nachtlawaai stoort me niet langer, ik geniet al ietwat van hun gebrom, het enige vermaak tijdens een grotendeels slapeloze nacht. Mogelijk is hun stoere look alleen maar een code. Is hun voorkomen niet veeleer een uiting van bijna frivole speelsheid dan van adolescente ernst? Maar opgepast toch, want hun cool is dat van een dorre heide tijdens een hittegolf. In hun nabijheid speel je best niet met lucifers. Jack Kerouacs Desolation Angels zijn die jongens en meisjes alvast niet.

Het zou hier heerlijk kunnen zijn mocht er maar wat schaduw vallen en een koele zeebries opsteken. Maar er valt geen schaduw, er is alleen maar zand en steen. Na zonsondergang is het beter. Gisteravond was het zelfs goed, zo goed als het maar zijn kan. Ik zal me die kosmische ervaring van desolaatheid en eenwording, van diep vergeten, zeker nog lang herinneren. Vanwege de tropische hitte kun je overdag niets anders doen dan wat rondhangen en wachten. Ik schreef gisteren al over het koude water van de Middellandse Zee en daarbovenop de praktische problemen die samen zwemmen onmogelijk maken.

Daarom hebben we beslist om morgen te vertrekken. Als het weer ons toelaat om onze tent op te breken en met onze rugzakken tot aan de bushalte te lopen. We weten ook nog altijd niet waar naartoe. Waarschijnlijk wordt Aix-en-Provence onze bestemming. De vraag is of we die reis zullen kunnen betalen. Liften is uitgesloten. Hier in Frankrijk is een ware hetze tegen lifters aan de gang. Een lifter zou een Belgisch stel uit Gent hebben vermoord. Weinig automobilisten zullen geneigd zijn te stoppen voor twee – niet eens surfende – rare vogels. Mogelijk hebben we nog net voldoende geld voor de trein naar Aix-en-Provence en voor de treinreis naar Antwerpen. Maar dan hebben we thuis niets meer tot het einde van de maand.

Hadden we – zo arm als we waren – wel mogen vertrekken? Was dat geen vergissing? We hebben zo weinig armslag. Maar goed, we zijn hier nu en we moeten er maar het beste van zien te maken. Op dit ogenblik snak ik naar muziek, maar die hoor je hier nauwelijks, tenzij die hardrock van de gang van onze Johnny Strabler. Deze middag wel een flard Idiot Wind gehoord. Enkele vlijmscherpe woorden kwamen me uit een voorbijrijdende auto toegewaaid. Opeens voelde ik heimwee. Kon ik nu maar een elpee van Bob Dylan of Elvis Costello opleggen, dacht ik. Blood on the Tracks, This Year’s Model. Was ik maar in de Cinderella, op de dansvloer, mijn hoofd in de giftige rook. Ik heb genoeg van gezondheid en zon. Tegelijk mis ik de stilte en de roerloosheid van mijn kamer.

Waarom heb ik zo de pest in? Omdat we niet eens kunnen wandelen. Er is geen schaduw en geen eenzaamheid. Vandaag haat ik deze omgeving van verschroeid gras, uitgedroogde moerassen, flamingo’s, stieren en paarden. Alle schoonheid is verschrikkelijk. Ook die van de vrouwen op het strand, wellustig copulerend met hemel en aarde. Het lijkt wel of ze zich met elke porie overgeven aan een obscene zonnegod. Als ik hen voorbijloop voel ik geen opwinding als mijn blik op hun borsten of hun billen valt. Heel even schiet me de venijnige song Peaches van the Stranglers te binnen. Maar die is me te agressief en te misogyn. Onbewogen vervolg ik mijn moeizame passage. Dan kijk ik om en zie Senga achter me drentelen. De beweging van haar borsten in harmonie met haar voorzichtige tred. Opeens verlang ik heel intens naar haar, wil ik haar dicht tegen me aan, wil ik op haar, onder haar, in haar zijn. Spelen de vrouwen die zich hier op het strand met hun verhitte lichamen overgeven aan de elementen dan toch een rol in die plotse opflakkering van mijn lustgevoelens? Het is nog een heel eind lopen naar ons tentje.

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP

Als ik op reis ga zoek ik vooraf hoogstzelden iets op over de streek waar ik naartoe ga. Ik wil niets weten, ik wil overal onbevangen aankomen. Geen reisgidsen voor mij. [1] Zo had ik thuis al kunnen lezen over de vogels die hier leven, hoe ze eruitzien, welke namen ze van God hebben gekregen en zo meer. Maar dan zou ik niet verrast geweest zijn door hun kleuren en hun vlucht. Mogelijk zou mij dan ook de schoonheid van de naamloos gebleven bomen zijn ontgaan, die hier in weerwil van de hitte nog weelderig bloeien. Mijn wandelingen zouden vooral oefeningen geweest zijn om mijn nog abstracte woorden in overeenstemming te brengen met de concrete dingen.

Wel wist ik dat Saintes-Maries-de-la-Mer het belangrijkste Europese bedevaartsoord is van de Roma. Ik las er wat over in een toeristische folder en daarna in een reisgids in een boekenwinkel in Arles. Elk jaar in mei komen Zigeuners uit heel Europa naar Saintes-Maries. Op 24 mei wordt het feest van hun patroonheilige, Sara, gevierd. Ze wordt Kali Sara genoemd, wat Zwarte Sara betekent. Sara, aldus de legende, was een zwarte Opper-Egyptische dienstbode van Lazarus en van zijn zussen, de drie Maria’s (Maria Magdalena, Maria van Klopas en Maria Salomé). Op de vlucht voor de Romeinen, die alle christelijke sekteleden genadeloos vervolgden, kwam Zwarte Sara hier samen met de drie Maria’s in het jaar 42 in een kleine vissersboot aan. Als aandenken aan die gebeurtenis wordt op 24 mei het beeld van de Zwarte Sara uit de crypte van de Notre-Dame-de-la-Mer gehaald en naar de Middellandse Zee gedragen. [2]

Bob Dylan, geboren op 24 mei 1941, bracht vijf jaar geleden in het gezelschap van zijn toenmalige vriend, de schilder David Oppenheim, enkele dagen in Saintes-Maries door. Er werd veel gedronken en gezongen en muziek gespeeld. Op het strand zou hij met Manitas De Plata – “l’homme aux petites mains d’argent” – hebben gejamd. Mogelijk vond Dylan hier inspiratie voor zijn song One More Cup Of Coffee (Valley Below). Maar met deze anonieme, gemaskerde en geniale kunstenaar kun je nooit zeker zijn. Dylans echtgenote, Sara Lownds, was thuisgebleven. Het huwelijk van Bob en Sara viel niet meer te redden. [3]

Ik zit te schrijven op het terras van café La Bandido. Het wordt stilaan donker. Bandieten zie ik hier niet, Zigeuners evenmin. Wel hoor ik, gelukkig niet al te luid, Radio Monte Carlo verkondigen dat je helemaal niets te verliezen hebt. Je kunt alleen maar winnen. En als je niet wint word je onzichtbaar. Kijk, dan kies ik voor onzichtbaarheid. Overigens is de zee van hieruit niet zichtbaar, wel de Arena, waar ’s avonds stierengevechten plaatsvinden. Corrida sans mise à mort, het wordt hier vijf keer per dag wordt omgeroepen vanuit een reclame-auto. De Arena, nog een plaats die we niet hebben bezocht. Ooit komen we terug, in de lente, in mei, als er schaduw valt en af en toe een koele zeebries opsteekt. [4]

[Nachten aan de Kant 51. Zomer 1979]

Arles. Foto: MP

[1] Daarin ben ik wel erg veranderd. Weken op voorhand al begin ik nu – en al vele jaren doe ik dat – aan mijn reisvoorbereidingen.

[2] “Een andere overlevering beschrijft Sara als stamhoofd van een Roma-gemeenschap die aan de monding van de Rhône leefde. Eens per jaar haalde de gemeenschap tijdens een religieuze ceremonie het beeld van Ishtari (Astarte) uit de tempel waarna het in processie naar de zee werd gedragen en gebaad werd. Op een dag had Sara een visioen, waarin ze de boodschap kreeg dat de heiligen die aanwezig waren bij Jezus’ dood zouden komen en dat zij hen moest helpen. Sara zag hen daarop aankomen in een boot over een onstuimige zee, waardoor de boot niet kon aanmeren. Maria Salomé wierp haar omslagdoek op de golven en Sara kwam erover naar hen toe. Ze hielp de opvarenden vervolgens door middel van gebed aan land te komen.”
Wikipedia
Veel dank aan Ben Joosten voor bijkomende informatie in dit verband.

[3] Meer over de context van One More Cup of Coffee (Valley Below): “Dylan reveals the inspiration for the rest of the lyrics during the concerts between 14 November and 16 December 1978 and also in interviews (with Paul Zollo, SongTalk, 1991, with Shelton in ’78, Jonathan Cott in ’77 and in Australia with Karen Hughes in ’78).
The heart is a visit to a gypsy king in southern France. (…) Every year in Saintes-Maries-de-la-Mer a religious pilgrimage for gypsies takes place, which Dylan visited on his thirty-fourth birthday, together with his host David Oppenheim, the painter. Dylan wraps his memories of that visit in picturesque, sheer cinematic terms:
“A few years ago I went over the South of France when the gypsies have their festival. It happens to be their high holy holiday, like Christmas time. Anyway, that particular day happens to be the day I was born on. It’s my birthday also. I’d heard about that for years and I went over to check it out. Just like that, I did.
“So I arrived, over a town on the ocean, in the south of France. And all the gypsies were there. They were there from Hungary, Romania, France, England, Germany, all them countries. Just all along the beach. What they do for their holiday is just party for a week. So, I managed to meet the king of the gypsies over there. I don’t know how old he was, he was wearing a derby hat when I met him. He had 16 wives and 125 children.  And I was very impressed of that.
“Anyway, I stayed around and partied for a week, I didn’t sleep, did everything there was to do at least twice. And when it was time to leave he said, “What you want, Bob, now when our ways are gonna part?” All I needed was just to stay up one more day, just to get back to the North of France, so I asked for just please give me one more cup of coffee for the road. So they give it to me in a bag, I took it and headed off down.””
https://bob-dylan.org.uk/archives/9249

[4] Op 24 mei 2018 was ik even terug in Saintes-Maries-de-la-Mer. Van de woeste schoonheid van destijds was weinig overgebleven. Het bedevaartsoord was een consumptiehel geworden, zoals zoveel andere mooie plekken in de wereld. Van mensen in Arles hoorde ik echter dat het er in de winter nog aangenaam kan zijn. Na een uurtje walgen in de overvolle straatjes liepen we terug naar de bushalte aan de rand van het stadje. Terug naar het nog altijd lieflijke Arles.