IN AIX-EN-PROVENCE

Atélier de Cezannne. Foto: MP

Aix-en-Provence, zondag 22 juli 1979

Gisterenmiddag, na een schietgebed voor de heilige Sara en de drie Maria’s, dan toch uit Saintes-Maries-de-la-Mer kunnen vertrekken. Met de bus tot Arles, daarna de trein naar Marseille. De treinreis was een genot en daardoor zelfs wat te kort. Meestal verdiep ik mij tijdens zo’n reis in een boek, nu keek ik door het raam, gefascineerd door het snel veranderende landschap. De vlakte maakt plaats voor heuvels, bossen, rotspartijen.
Kunnen bomen ontroeren? De hoge, kaarsrechte cipressen alom deden dat bij mij zeker wel. Ik noteerde vlug enkele woorden, het begin van een gedicht, maar hield er meteen mee op want ik wilde niets missen van wat daar zo zonverlicht zichtbaar was. Overigens zou ik Goethes woorden over de cipressen in de Giardino Giusti in Verona nooit kunnen overtreffen. [1]

In Marseille een oponthoud van ongeveer een uur. Dan een lokale trein naar onze bestemming, Aix-en-Provence, waar we omstreeks zes uur zijn gearriveerd. Op camping Chanteclerc, dichtbij Cours Gambetta, een eind buiten de stad, kregen we gelukkig nog een plaatsje. Vanuit onze tent kijken we uit op een klein zwembad en op de Montagne Sainte-Victoire, de berg van Paul Cézanne, in het Oosten. Toen we in Chanteclerc aankwamen was het al volop feest. Belgen, Nederlanders en enkele Fransen vierden broederlijk en zusterlijk de Belgische nationale feestdag. Na de ervaring met de cipressen was dit een bevreemdend schouwspel. In België heb ik me al altijd een outsider gevoeld, nu werd ik dat, heel even toch, in het kwadraat. Sommigen hadden zich verkleed, er werd uitbundig gedanst en gezongen. Kort voor middernacht was het gedaan met de geforceerde nationale trots. Enkele Nederlandse punks die zin hadden om nog te gaan dansen in een discotheek in de stad, vroegen ons om met ze mee te gaan. Senga had er wel oren naar, maar we beseften allebei dat we te moe waren. Bovendien voelden we nog altijd de nasleep van die lange, uitputtende wandeling in de hemelse hel van de Camargue.

Na het ontbijt vanmorgen hebben we het idyllisch gelegen Atelier Cézanne bezocht. Werken van de meester zijn er niet te zien, maar de plek is zeker een uitstap waard. Te bezichtigen zijn er een aantal voorwerpen die de schilder gebruikte voor zijn stillevens: flessen, melkkannen, glazen, fruitschalen, doodskoppen, tapijten, boeken. Ook kleren, wandelstokken, schildermateriaal, een schildersezel. Er is een weelderige tuin achter en naast het huis, waar je vrij in mag rondwandelen. Hier kuierde ooit Paul Cézanne, de voorloper van de modernen, de schilder die kunstenaars en schrijvers – waaronder Rainer Maria Rilke en Peter Handke – leerde zien.

Na de lunch bezochten we Ecole des Beaux Arts, voor de tentoonstelling Présence Contemporaine. Een boeiende keuze van werk van hedendaagse, vooral Franse kunstenaars. Bij sommige werken heb ik notities gemaakt. Na zoveel jaar en zonder reproducties van de werken erbij weet ik niet of ze nog veel leeswaarde hebben. Je kan ze lezen in een lang uitgevallen voetnoot hieronder. [2] De werken van Bram van Velde, Hans Hartung en Jean-Paul Riopelle waren zo opmerkelijk dat ik er geen woorden bij kon bedenken.

Nog onder de indruk van zoveel dwarse schoonheid liepen we in stilte over Cours Mirabeau, een straat die meer op een plein lijkt. Aan weerszijden platanen die er mogelijk al stonden ten tijde van de Franse revolutie. Nu was het tijd voor een glas Provençaalse wijn.

[Nachten aan de Kant 52]

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

[1] Goethe, Reis naar Italië, vertaald door Roel Houwink p. 58.

„Diese Zweige bracht’ ich aus dem Garten Giusti, der eine treffliche Lage und ungeheure Zypressen hat, die alle pfriemenartig in die Luft stehen. Wahrscheinlich sind die spitz zugeschnittenen Taxus der nordischen Gartenkunst Nachahmungen dieses herrlichen Naturprodukts. Ein Baum, dessen Zweige von unten bis oben, die ältesten wie die Jüngsten, gen Himmel streben, der seine dreihundert Jahre dauert, ist wohl der Verehrung wert. Der Zeit nach, da der Garten angelegt worden, haben diese schon ein so hohes Alter erreicht.”
Goethe, Italienische Reise, Projekt Gutenberg.

[2] Notities gemaakt in Ecole des Beaux Arts

HENRI LE CHENIER
zwartwit, breuk, twee vlakken
zwart gebroken door witte bliksem
zwart land van scheiding door witte rivier
topografische kaart, luchtgezicht –
toeschouwer boven wolken en nevel

PAUL REBEYROLLE
nieuw gevecht van kleuren: groen, marineblauw,bruin,
zwartwit, nauwelijks begonnen geel
grenzen opgelost
de hemel mislukt

PIERRE TAL-COAT
zwart (landschap) passief verzet
zwart (landschap), niet veel meer dan niets
en toch beweging, enkele witte nevels,
witte schaduw die van links komt aanzweven,
of die terugwijkt.

GERARD TITUS-CARMEL
déambulatoire, carré n° 3
potloodtekening, fantasie –
de vier hoeken van het getekende kader
met getekende doeken omwikkeld
wat heel gewoon is, dat is geheimzinnig
het kader in het centrum
geen verwijzing geen betekenis.

PABLO PALAZUELO
labyrint
ook weer zwart met witte lijnen (korte rechte lijnen)
je herkent een bepaalde structuur: intuïtie?

GUILLAUME CORNEILLE
vrouw in het centrum
totem, tekens en kleuren van de azteken
pre-columbiaans
kleuren vooral rood, geel en groen (ik denk aan Van Gogh)
fantastische faunen
warme waanzin

ANTONIO TAPIES
kruisen in het witte vlak gekerfd

PIERRE ALECHINSKY
verrassende speelsheid, zogenaamd primitivisme
opvallend de zoete warmte van vruchten,
van nieuw leven, geboorte
het warme zoete rood.

LA BANDIDO

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP


Kathy: What are you rebelling against, Johnny?
Johnny: What do you got?
The Wild One, László Benedek

Saintes-Maries-de-la-Mer, vrijdag 20 juli 1979

De hitte blijft en met de hitte de lethargie. Niet lang meer en we leven als kikkers. ’s Nachts zal je van mij dan alleen nog wat gekwaak horen. Al is in deze schrale moerassen wat lekkere vochtige en koele modder ver te zoeken. Mijn gekwaak zal alvast minder luid zijn dan dat van de Helse Engelen, de Teutoonse Rebels Motorcycle Club. Hun nachtlawaai stoort me niet langer, ik geniet al ietwat van hun gebrom, het enige vermaak tijdens een grotendeels slapeloze nacht. Mogelijk is hun stoere look alleen maar een code. Is hun voorkomen niet veeleer een uiting van bijna frivole speelsheid dan van adolescente ernst? Maar opgepast toch, want hun cool is dat van een dorre heide tijdens een hittegolf. In hun nabijheid speel je best niet met lucifers. Jack Kerouacs Desolation Angels zijn die jongens en meisjes alvast niet.

Het zou hier heerlijk kunnen zijn mocht er maar wat schaduw vallen en een koele zeebries opsteken. Maar er valt geen schaduw, er is alleen maar zand en steen. Na zonsondergang is het beter. Gisteravond was het zelfs goed, zo goed als het maar zijn kan. Ik zal me die kosmische ervaring van desolaatheid en eenwording, van diep vergeten, zeker nog lang herinneren. Vanwege de tropische hitte kun je overdag niets anders doen dan wat rondhangen en wachten. Ik schreef gisteren al over het koude water van de Middellandse Zee en daarbovenop de praktische problemen die samen zwemmen onmogelijk maken.

Daarom hebben we beslist om morgen te vertrekken. Als het weer ons toelaat om onze tent op te breken en met onze rugzakken tot aan de bushalte te lopen. We weten ook nog altijd niet waar naartoe. Waarschijnlijk wordt Aix-en-Provence onze bestemming. De vraag is of we die reis zullen kunnen betalen. Liften is uitgesloten. Hier in Frankrijk is een ware hetze tegen lifters aan de gang. Een lifter zou een Belgisch stel uit Gent hebben vermoord. Weinig automobilisten zullen geneigd zijn te stoppen voor twee – niet eens surfende – rare vogels. Mogelijk hebben we nog net voldoende geld voor de trein naar Aix-en-Provence en voor de treinreis naar Antwerpen. Maar dan hebben we thuis niets meer tot het einde van de maand.

Hadden we – zo arm als we waren – wel mogen vertrekken? Was dat geen vergissing? We hebben zo weinig armslag. Maar goed, we zijn hier nu en we moeten er maar het beste van zien te maken. Op dit ogenblik snak ik naar muziek, maar die hoor je hier nauwelijks, tenzij die hardrock van de gang van onze Johnny Strabler. Deze middag wel een flard Idiot Wind gehoord. Enkele vlijmscherpe woorden kwamen me uit een voorbijrijdende auto toegewaaid. Opeens voelde ik heimwee. Kon ik nu maar een elpee van Bob Dylan of Elvis Costello opleggen, dacht ik. Blood on the Tracks, This Year’s Model. Was ik maar in de Cinderella, op de dansvloer, mijn hoofd in de giftige rook. Ik heb genoeg van gezondheid en zon. Tegelijk mis ik de stilte en de roerloosheid van mijn kamer.

Waarom heb ik zo de pest in? Omdat we niet eens kunnen wandelen. Er is geen schaduw en geen eenzaamheid. Vandaag haat ik deze omgeving van verschroeid gras, uitgedroogde moerassen, flamingo’s, stieren en paarden. Alle schoonheid is verschrikkelijk. Ook die van de vrouwen op het strand, wellustig copulerend met hemel en aarde. Het lijkt wel of ze zich met elke porie overgeven aan een obscene zonnegod. Als ik hen voorbijloop voel ik geen opwinding als mijn blik op hun borsten of hun billen valt. Heel even schiet me de venijnige song Peaches van the Stranglers te binnen. Maar die is me te agressief en te misogyn. Onbewogen vervolg ik mijn moeizame passage. Dan kijk ik om en zie Senga achter me drentelen. De beweging van haar borsten in harmonie met haar voorzichtige tred. Opeens verlang ik heel intens naar haar, wil ik haar dicht tegen me aan, wil ik op haar, onder haar, in haar zijn. Spelen de vrouwen die zich hier op het strand met hun verhitte lichamen overgeven aan de elementen dan toch een rol in die plotse opflakkering van mijn lustgevoelens? Het is nog een heel eind lopen naar ons tentje.

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP

Als ik op reis ga zoek ik vooraf hoogstzelden iets op over de streek waar ik naartoe ga. Ik wil niets weten, ik wil overal onbevangen aankomen. Geen reisgidsen voor mij. [1] Zo had ik thuis al kunnen lezen over de vogels die hier leven, hoe ze eruitzien, welke namen ze van God hebben gekregen en zo meer. Maar dan zou ik niet verrast geweest zijn door hun kleuren en hun vlucht. Mogelijk zou mij dan ook de schoonheid van de naamloos gebleven bomen zijn ontgaan, die hier in weerwil van de hitte nog weelderig bloeien. Mijn wandelingen zouden vooral oefeningen geweest zijn om mijn nog abstracte woorden in overeenstemming te brengen met de concrete dingen.

Wel wist ik dat Saintes-Maries-de-la-Mer het belangrijkste Europese bedevaartsoord is van de Roma. Ik las er wat over in een toeristische folder en daarna in een reisgids in een boekenwinkel in Arles. Elk jaar in mei komen Zigeuners uit heel Europa naar Saintes-Maries. Op 24 mei wordt het feest van hun patroonheilige, Sara, gevierd. Ze wordt Kali Sara genoemd, wat Zwarte Sara betekent. Sara, aldus de legende, was een zwarte Opper-Egyptische dienstbode van Lazarus en van zijn zussen, de drie Maria’s (Maria Magdalena, Maria van Klopas en Maria Salomé). Op de vlucht voor de Romeinen, die alle christelijke sekteleden genadeloos vervolgden, kwam Zwarte Sara hier samen met de drie Maria’s in het jaar 42 in een kleine vissersboot aan. Als aandenken aan die gebeurtenis wordt op 24 mei het beeld van de Zwarte Sara uit de crypte van de Notre-Dame-de-la-Mer gehaald en naar de Middellandse Zee gedragen. [2]

Bob Dylan, geboren op 24 mei 1941, bracht vijf jaar geleden in het gezelschap van zijn toenmalige vriend, de schilder David Oppenheim, enkele dagen in Saintes-Maries door. Er werd veel gedronken en gezongen en muziek gespeeld. Op het strand zou hij met Manitas De Plata – “l’homme aux petites mains d’argent” – hebben gejamd. Mogelijk vond Dylan hier inspiratie voor zijn song One More Cup Of Coffee (Valley Below). Maar met deze anonieme, gemaskerde en geniale kunstenaar kun je nooit zeker zijn. Dylans echtgenote, Sara Lownds, was thuisgebleven. Het huwelijk van Bob en Sara viel niet meer te redden. [3]

Ik zit te schrijven op het terras van café La Bandido. Het wordt stilaan donker. Bandieten zie ik hier niet, Zigeuners evenmin. Wel hoor ik, gelukkig niet al te luid, Radio Monte Carlo verkondigen dat je helemaal niets te verliezen hebt. Je kunt alleen maar winnen. En als je niet wint word je onzichtbaar. Kijk, dan kies ik voor onzichtbaarheid. Overigens is de zee van hieruit niet zichtbaar, wel de Arena, waar ’s avonds stierengevechten plaatsvinden. Corrida sans mise à mort, het wordt hier vijf keer per dag wordt omgeroepen vanuit een reclame-auto. De Arena, nog een plaats die we niet hebben bezocht. Ooit komen we terug, in de lente, in mei, als er schaduw valt en af en toe een koele zeebries opsteekt. [4]

[Nachten aan de Kant 51. Zomer 1979]

Arles. Foto: MP

[1] Daarin ben ik wel erg veranderd. Weken op voorhand al begin ik nu – en al vele jaren doe ik dat – aan mijn reisvoorbereidingen.

[2] “Een andere overlevering beschrijft Sara als stamhoofd van een Roma-gemeenschap die aan de monding van de Rhône leefde. Eens per jaar haalde de gemeenschap tijdens een religieuze ceremonie het beeld van Ishtari (Astarte) uit de tempel waarna het in processie naar de zee werd gedragen en gebaad werd. Op een dag had Sara een visioen, waarin ze de boodschap kreeg dat de heiligen die aanwezig waren bij Jezus’ dood zouden komen en dat zij hen moest helpen. Sara zag hen daarop aankomen in een boot over een onstuimige zee, waardoor de boot niet kon aanmeren. Maria Salomé wierp haar omslagdoek op de golven en Sara kwam erover naar hen toe. Ze hielp de opvarenden vervolgens door middel van gebed aan land te komen.”
Wikipedia
Veel dank aan Ben Joosten voor bijkomende informatie in dit verband.

[3] Meer over de context van One More Cup of Coffee (Valley Below): “Dylan reveals the inspiration for the rest of the lyrics during the concerts between 14 November and 16 December 1978 and also in interviews (with Paul Zollo, SongTalk, 1991, with Shelton in ’78, Jonathan Cott in ’77 and in Australia with Karen Hughes in ’78).
The heart is a visit to a gypsy king in southern France. (…) Every year in Saintes-Maries-de-la-Mer a religious pilgrimage for gypsies takes place, which Dylan visited on his thirty-fourth birthday, together with his host David Oppenheim, the painter. Dylan wraps his memories of that visit in picturesque, sheer cinematic terms:
“A few years ago I went over the South of France when the gypsies have their festival. It happens to be their high holy holiday, like Christmas time. Anyway, that particular day happens to be the day I was born on. It’s my birthday also. I’d heard about that for years and I went over to check it out. Just like that, I did.
“So I arrived, over a town on the ocean, in the south of France. And all the gypsies were there. They were there from Hungary, Romania, France, England, Germany, all them countries. Just all along the beach. What they do for their holiday is just party for a week. So, I managed to meet the king of the gypsies over there. I don’t know how old he was, he was wearing a derby hat when I met him. He had 16 wives and 125 children.  And I was very impressed of that.
“Anyway, I stayed around and partied for a week, I didn’t sleep, did everything there was to do at least twice. And when it was time to leave he said, “What you want, Bob, now when our ways are gonna part?” All I needed was just to stay up one more day, just to get back to the North of France, so I asked for just please give me one more cup of coffee for the road. So they give it to me in a bag, I took it and headed off down.””
https://bob-dylan.org.uk/archives/9249

[4] Op 24 mei 2018 was ik even terug in Saintes-Maries-de-la-Mer. Van de woeste schoonheid van destijds was weinig overgebleven. Het bedevaartsoord was een consumptiehel geworden, zoals zoveel andere mooie plekken in de wereld. Van mensen in Arles hoorde ik echter dat het er in de winter nog aangenaam kan zijn. Na een uurtje walgen in de overvolle straatjes liepen we terug naar de bushalte aan de rand van het stadje. Terug naar het nog altijd lieflijke Arles.

IN DE VERTE STAAT EEN PAARD

Saintes-Maries-de-la-Mer. Foto: MP

Saintes-Maries-de-la-Mer, woensdag 18 juli 1979

Gisteren om drie uur in Saintes-Maries-de-la-Mer aangekomen. Nog steeds dezelfde afmattende hitte. Het kampeerterrein van Touring Club de France, een zandvlakte, een kleine woestijn, heeft iets van een gevangenenkamp. Ik hoor hier voornamelijk de Duitse taal, ook het personeel spreekt je in het Duits aan. Schoon en hygiënisch is het allemaal wel.

Tijdens de eerste nacht werd de aanvankelijke stilte al gauw verstoord door dronkaards en andere idioten. In de vele merendeels erg grote tenten gekreun, talloze orgasmen. Het viel me op hoe kort de stoeipartijen duurden. Liever had ik dat allemaal niet gehoord en mijn geliefde in de stille nacht lang en teder gestreeld, daar waar ze het graag heeft, en haar sweet nothings in het oor gefluisterd. Helaas onmogelijk in een strafkolonie. We lagen wakker en al gauw hoorden we motorrijders het kamp komen oprijden. Daarna hardrock, Deep Purple, Uriah Heep – of the Scorpions misschien? Het waren Duitsers, zagen we vanmorgen, in zwart leer gehuld, breed geschouderd, met op hun pezige armen tattoos van blote vrouwen. Born to be wild, maar twintig jaar te laat. Marlon Brando zou hun vandaag alleen maar uitlachen. Het is alvast duidelijk dat ons verblijf hier ons geen rust zal brengen.

Het strand van Saintes-Maries is van glooiend, golvend zand, zacht aan de voeten.

Deze middag hebben we op het strand gelegen. Je zou het zonnebaden kunnen noemen. Het zeewater was te koud om in te zwemmen. Samen het water ingaan is niet mogelijk. We zijn op onze hoede voor tasjesdieven. In een plastieken zak van platenzaak Brabo zit heel ons vermogen en mijn bril en enkele boeken. Een groot kapitaal is dat niet, maar we moeten nog wat kunnen eten en naar Antwerpen terug reizen. Libération heb ik ook mee, nog altijd een uitstekende krant, zeer geschikt om de verveling mee te verdrijven en me nog enigszins aan het bestaan van de werkelijkheid te helpen herinneren. De krant doet tevens dienst als parasol.

De muggen van de Camargue zijn gemeen. Zoemen doen ze niet, ze vallen meteen aan en voor je het weet hebben ze je gebeten. Ze zijn stukken agressiever en giftiger dan hun soortgenoten in Antwerpen. De autochtonen lachen erom. Zij kennen hun muggen en maken zich vrolijk om de arme vakantiegangers die door hun kleine beestjes worden getreiterd.

Al vroeg in een goedkoop restaurant vis gegeten en vooral koele wijn gedronken.

Boven een moeras zag ik daarna een verrukkelijke zonsondergang. Voorbij het moeras de Middellandse Zee. In de verte, zei Senga, in de verte ginds staat een paard, een wit paard. Zie je dat? De zon was bijna ondergegaan. Ja, het witte paard is nu nog rood en dra is het zwart. Onwillekeurig moest ik aan T.S. Eliot denken. En nu, nu ik zoveel jaren later deze notities herlees, weet ik nog altijd niet waarom ik dat deed. Mogelijk dacht ik aan regels uit The Four Quartets, of uit The Wasteland.

Na zonsondergang is deze landstreek op haar bekoorlijkst. De lucht wordt zachter, doordrongen van een moeilijk te definiëren parfum, maritiem en landelijk tegelijk. De hemel krijgt een donkere en tegelijk heldere blauwe kleur. Miljoenen fonkelende sterren, heel dichtbij, je lijkt er op korte tijd naartoe te kunnen vliegen. Hun schittering verlicht de hemel als een kristallen bal een balzaal. Ver weg witte sluiers, Melkwegen. Mijn boek met afbeeldingen van de sterrenbeelden heb ik thuisgelaten. Ik aanschouw een onleesbare hemel.

Terwijl het donker werd stonden we daar wat te rillen, verloren in dit gigantisch universum en toch gelukkig. Het vuur van de hemel, het water van de Middellandse Zee en de moerassen, de mariene lucht overal om ons heen en de warme aarde onder onze voeten stelden onze zintuigen danig op de proef. Het ene moment voelde alles zacht en teder aan, dan weer hard en brutaal. Ik besefte hoe de aarde onze lichamen begeerde, hoe zij naar alles wat leeft en ademhaalt verlangt. Maar dat aardse verlangen deerde mij toen niet. Ik vergat mijn vrienden, mijn zoontje, mijn vader en moeder en broer, ik vergat de mensen die het slecht met me voor hebben, ik vergat mijn honger, ik vergat de bootvluchtelingen in Azië en de hongersnood in Afrika. Ik vergat dat het leven niets waard is. Ik vergat de steen in mijn hart. Ik vergat al het afval dat de wereld overspoelt. Ik vergat mezelf en ik vergat Senga. Ik was deel van de lucht en de aarde en het water en het vuur. Ik was gelukkig.
Het wordt koud, zei Senga, laten we naar onze woning gaan. Woning, vroeg ik. Je weet wel, lachte Senga, het kamp.


[Nachten aan de Kant 50. Zomer 1979]

OPBREKEN

Arles, Alyscamps. Foto: MP

Arles, dinsdag 17 juli 1979

Vanmorgen zag ik pas goed hoe erg Senga verbrand is; vooral haar nek is vuurrood maar ze heeft ook zonnebrandwonden op armen en benen. Mogelijk heeft ze koorts. Aan een thermometer hebben we niet gedacht toen we bij het vertrek onze rugzakken vulden. Aan boeken daarentegen… Ons kleine tentje biedt maar weinig comfort. We kunnen er nauwelijks in bewegen. In plaats van hoofdkussens gebruiken we onze rugzakken. Zelfs matjes hebben we niet, we liggen zo op de grond, met alleen een dun laagje bruin plastic – de onderzijde van de tent – tussen onze lichamen en de harde aarde.
We hebben het nu wel begrepen: vijftien kilometer blootshoofds in de genadeloze zon van de Camargue lopen, dat doe je niet ongestraft. Om de pijn wat te verdoven en toch wat te kunnen slapen hebben we, voor ons tentje gezeten, op korte tijd twee flessen rode wijn leeggedronken. In onze roes kwamen onze tongen los en praatten we niet alleen over deze betoverende streek maar rakelden we ook herinneringen op aan ingrijpende gebeurtenissen in ons leven. Zo bleek ook dat we onze vrienden in Antwerpen toch nog niet helemaal vergeten waren. Leken we niet op personages uit de beatromans van Jack Kerouac, maar dan wel met een voorliefde voor Dante, Thomas De Quincey, Rilke en Peter Handke in plaats van boeddhisme en jazz? Ja, in die tijd waren we nog echte Europeanen.

Nu zit ik opnieuw heerlijke koffie te drinken en te schrijven op het terras van het hotel in Pont de Crau, vooral omdat het hier zo koel en rustig is en op een steenworp van de camping gelegen. Over een half uur breken we onze tent op. We gaan voor een paar dagen naar Saintes-Maries-de-la-Mer. We willen een tijdje aan zee doorbrengen. Voor de rest hebben we geen welomlijnde plannen. Mogelijk gaan we daarna nog naar Aix-en-Provence, vooral omdat we het werk van Cézanne bewonderen en zijn inspiratiebron Montagne Sainte-Victoire daar in de buurt is. Op Arles zijn we alvast wat uitgekeken, hoe pittoresk het stadje ook mag wezen. We denken dat we hier alles gezien hebben wat we wilden zien. Het antieke theater, de arena, kerken en kloosters hebben we alleen maar aan de buitenkant bezichtigd. Antieke stenen boeien mij slechts matig. Indrukwekkend is echter de begraafplaats van de gelukzaligen, Alyscamps geheten.  Een heerlijke necropolis waar een mooie met bomen omzoomde laan, met aan weerszijden sarcofagen, doorloopt. Alyscamps (van  Elisii Campi, Elysese velden) kreeg een plaats in Dante’s Inferno. [1]

Ik vraag me af hoe Dante’s stem zou geklonken hebben? Zacht, beheerst, streng, zalvend, teder, helder, zangerig? Een beetje zoals die van Marlon Brando in Last Tango in Paris misschien? Van stemmen gesproken. Aan het onophoudelijk gepraat van de Fransen, toch van die van deze regio, ben ik me gaan ergeren. Deze mensensoort lijkt geen ogenblik te kunnen zwijgen. Onophoudelijk dat getater zonder ook maar iets wezenlijks mee te delen. Op Radio Monte Carlo valt het nog meer op dan in het echte leven. Gisteren in de bus van Port-Saint-Louis terug naar Arles had ik vooral behoefte aan rust en stilte maar de buschauffeur gunde mij die niet. Ging hij ervan uit dat alle passagiers van dat geleuter hielden, van die dwaze spelletjes en quizzen, van het winnen en nog eens winnen? Inderdaad lijkt niemand te verliezen op Radio Monte Carlo. Het holle gepraat wordt af en toe onderbroken met Franse bombastische melodramapop, genre Michel Delpech (“Pour un flirt”, “Fais un bébé”) en Eric Charden (“L’été s’ra chaud”). De échte warme muziek van Bizet, L’Arlésienne om maar een compositie te noemen, zou me mogelijk niet hebben gestoord, maar dit pandemonium veranderde mij bijkans in een moordlustige gek. Toch kan ik niet geloven dat alle Fransen zo zijn, al kunnen Parijse intellectuelen ook flink uit hun nek lullen. Ach, mijn gezeur zal ook wel wat met vakantieverveling te maken hebben. Ik mag de mensheid zeker niet in groepen gaan indelen, in volkeren of naties bijvoorbeeld. Nationalisme is een vorm van collectieve waanzin. Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. Met al te onverdraagzaam te gaan denken en me te gaan ergeren aan de ‘eigenaardigheden’ van de autochtonen zou ik de schoonheid van deze streek nog vergeten. En niet alleen de schoonheid van de Camargue  maar ook van de mensen van hier. Van Gogh heeft die letterlijk in de verf gezet.

[Nachten aan de Kant 49. Zomer 1979]

Kwitantie Camping City, Arles, 17 juli 1979

[1] Dante, De Goddelijke Komedie, Inferno Canto IX:106-133.

Dante beschrijft hier de plek waar de ketters van alle sekten en hun volgelingen begraven liggen. De leden van Schild en vriend, anti-vaxxers en aanhangers van samenzweringstheorieën van hun tijd, zeg maar.

“Zodra ik binnen was, liet ik, verlangend om de toestand in die vesting te zien, mijn ogen rondgaan. En aan beide kanten zag ik toen een uitgestrekte vlakte vol droefenis en zware folteringen. Zoals in Arles, waar de Rhône tot stilstand komt, en in Pola, waar de Golf van Quarnero Italië’s grenzen bespoelt, allerlei graven het terrein oneffen maken, zo was dat ook daar aan alle kanten het geval, maar de manier waarop was veel gruwelijker. Want overal verspreid flikkerden vlammen, die de graftomben zo met hun gloed zengden dat geen smid ooit het ijzer gloeiender wil hebben.”
Vertaald door Frans van Dooren.

ZERO DE CONDUITE: GOLD RUSH

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal (106.7 FM) in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Het motto van deze show is Keep all your crows away / Hold skinny wolves at bay / In silver piles of smiles / May all your days be gold my child.
Je kan dit programma via 
streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Voor vanavond koos ik 38 songs over goud, de schat van de Sierra Madre. Waarom goud? Dat weet ik niet zo meteen. Mogelijk omdat goud de kleur van de herfst is. Mogelijk omdat goud ongeveer al het waardevolle symboliseert dat we vandaag moeten missen. Zelden gaan deze songs over het echte goud, de stof waar sommige mensen moorden voor plegen, oorlogen voor voeren, hele continenten voor veroveren. Goud is een metafoor voor alles wat mooi en aantrekkelijk is, voor liefde, harmonie, welvaart, voor alles wat voor altijd onbereikbaar moet blijven. Denk aan de talloze pogingen van even talloze alchemisten om goud te maken.
Als ik aan goud denk, denk ik ook aan boeken over de goldrush (Californië, Klondike), die ik als kind met zoveel gretigheid las. Met mijn oudere broer wilde ik in een klein bootje de Amazone opvaren om in Mato Grosso goud en diamant te gaan zoeken. Goud is de bouwstof van talloze dromen. Goud is een gevaarlijk goedje.

Deze aflevering van Zéro de conduite draag ik op aan Martin Overheul, een goede vriend in muziek en literatuur. Op 26 oktober heeft hij ons voorgoed verlaten. In getuigenissen en in memoriams lees ik alleen maar bevestigingen van wat ik al sterk vermoedde: Martin had een hart van goud.

Toch veel luisterplezier.

Pearls Before Swine

  1. Down The River Of Golden Dreams – Okkervil River – Down The River Of Golden Dreams –  Will Sheff – 1:16
  2. Gold Day – Sparklehorse – It’s A Wonderful Life – Mark Linkous – 4:15
  3. The Golden Age – Beck – Sea Change – Beck  – 4:37
  4. Blue Bucket Of Gold – Sufjan Stevens – Carrie & Lowell –  Sufjan Stevens – 4:44
  5. Golden Cattle – The Low Anthem – Smart Flesh – The Low Anthem – 3:10
  6. Montezuma – Fleet Foxes – Helplessness Blues – Robin Pecknold – 3:37
  7. St. Ann’s Gold – Daniel Lanois – Acadie – Daniel Lanois/Malcolm Burn – 3:31
  8. Fool’s Gold – Israel Nash Gripka – Barn Doors And Concrete Floors – Israel Nash Gripka – 4:04
  9. Golden Rope – 16 Horsepower – Low Estate – David Eugene Edwards/Jean-Yves Tola/Keven Soll – 4:17
  10. Gold Watch and Chain – Emmylou Harris – Roses In The Snow – A.P. Carter – 3:16
  11. Golden Ring – Tammy Wynette & George Jones – Tears Of Fire: The 25th Anniversary Collection – Rafe VanHoy/Bobby Braddock – 3:06
  12. The Golden Rocket – Hank Snow – The Essential Hank Snow – Clarence E. Snow – 2:47
  13. City of Gold – Pearls Before Swine – City of Gold – Thomas Rapp – 2:57
  14. Golden – My Morning Jacket – It Still Moves – Jim James – 4:39
  15. Gold Rush Brides – 10,000 Maniacs – Our Time In Eden – Dennis Drew/Natalie Merchant – 3:26
  16. Gold – Sol Seppy – The Bells Of 1 2 – Sophie Michalitsianos – 2:22
  17. The All Golden – Van Dyke Parks – Song Cycle –  Van Dyke Parks – 3:46
  18. Golden Birdies – Captain Beefheart & The Magic Band – Clear Spot – Don Van Vliet – 1:39
  19. Idol With The Golden Head – The Coasters – The Coasters’ Greatest Hits – Jerry Lieber/Mike Stoller – 2:23
  20. The Legend Of The Golden Arches – Frank Zappa & The Mothers of Invention – Uncle Meat – Frank Zappa – 3:28
  21. Diamonds & Gold – Tom Waits – Rain Dogs – Tom Waits – 2:33
  22. Man With Golden Helmet – Radio Birdman – Radios Appear – S. Kambly – 5:40
  23. Silver And Gold – Country Joe & the Fish – C.J. Fish –  Joe McDonald – 2:47
  24. Gold And Silver – Quicksilver Messenger Service – Live At The Summer Of Love –  Duncan/Schuster- 2:18
  25. Scarlet And Gold – 13th Floor Elevators – Bull of the Woods – Sutherland – 5:02
  26. Voyage Into The Golden Screen – Donovan – A Gift From A Flower To A Garden – Donovan Leitch – 3:16
  27. Golden Hair – Syd Barrett – The Madcap Laughs – Syd Barrett/James Joyce – 2:00
  28. Golden Earrings – Gandalf – Gandalf –  J. Livingston/R. Evans/V. Young – 2:48
  29. Solid Gold – Ry Cooder – Trespass [OST] – Ry Cooder – 0:58
  30. Golden Loom – Bob Dylan – The Bootleg Series, Vol. 1-3: – Bob Dylan/Jeff Rosen – 4:27
  31. After The Gold Rush – Neil Young – The Archives Vol. 1: 1963-1972 [Disc 6] – Neil Young – 3:49
  32. You Got the Silver – The Rolling Stones – Let It Bleed – Keith Richards/Mick Jagger – 2:51
  33. Golden Years – David Bowie – Station To Station – David Bowie – 4:01
  34. No Golden Throat – Lizzy Mercier Descloux – Press Color – Mercier Descloux – 2:38
  35. Glitter (And not Gold) – Big Joe – Creation Rockers Vols 1 & 2 – A. Rollins – 2:26
  36. Heart Of Gold – Bettye LaVette – Souvenirs – Neil Young – 2:22
  37. Prophecy For the Golden Age – Cotton Mather – Kontiki – Robert Harrison/Whit Williams, Dana Myzer/Josh Gravelin – 0:56
  38. Five Golden Sections – David Byrne – The Complete Score From “The Catherine Wheel” – Byrne – 2:53
Lizzie Mercier Descloux

Samenstelling en research: Martin Pulaski

DANTE, LOUTERINGSBERG, CANTO XXVI

Dante met de Divina Commedia in de hand, (1465), Domenico di Michelino, Santa Maria del Fiore, Florence

In Dante’s Goddelijke Komedie vond ik het fragment terug waarin hij verwijst naar Daniel Arnaut en hij de troubadour zelfs aan het woord laat:

Ik kwam de schim, die mij was aangewezen
iets naderbij en zeide, dat mijn liefde
ook reeds zijn naam ’n schone plaats bereidde.”
En openhartig ving hij aan te spreken:
,,Dyn vraghe hovesc clinckt so soet my, here,
dattic myn naeme swygen can noch berghen.
Ic ben Arnaud, bevaen met pyn of blidscap;
peyns ende treure om dwaes-verspeelde daghen,
ende nu schouwe naer de blyde morghen.
Doch dy beswere ic, byder maght des hemels,
waarmee ghy opvaert naer de hoogste trede,
wil myn torment ter goeder uur ghedencken.”
Toen dook hij in de vuurzee, die hem loutert.

Dit fragment uit Canto XXVI van Louteringsberg (soms als Vagevuur aangeduid) van Dante werd vertaald door Christinus Kops. De acht verzen die de Florentijnse dichter in het Provençaals schreef als hulde aan de door hem bewonderde troubadours – en aan de dichter Arnaut Daniel – werden door Kops in het Oud-Vlaams vertaald. Antoon van de Velde maakte er de volgende Nederlandse vertaling van:

En openhartig ving hij aan te spreken:
,,Uw hoofse vraag klinkt mij zo zoet in de oren,
dat ik mijn naam noch kan noch wil verbergen.
Ik ben Arnaud, die aldoor ween en jubel;
Ik mijmer droef om dwaas-verspilde dagen.
Ik zie vol vreugd naar ’t lang-verbeide morgen.
Doch dit bezweer ik bij die kracht-van-boven,
waardoor ge eens opstijgt naar de hoogste trede,
gedenk ter goeder uur mijn bitter lijden.”

MOERASKOORTS

Foto: Martin Pulaski

Port-Saint-Louis-du-Rhône, maandag 16 juli 1979

Terug in Port-Saint-Louis-du-Rhône. Over een uurtje komt de bus naar Arles aan. Tijd voor wat notities in dit cahier de brouillon. Er staat ons een pijnlijke nacht te wachten in ons kleine tentje. We voelen ons koortsig en slap. Senga’s nek is vuurrood, helemaal verbrand.

Toch merkwaardig hoe vlug je je vertrouwde omgeving en je vrienden vergeet. Zeker in een bevreemdend oord als dit, dat associaties oproept met zowel westerns als sommige surrealistische taferelen van Max Ernst. Mijn leven in Antwerpen lijkt zich in een parallel universum te hebben afgespeeld. Overigens lijkt het niet alleen maar zo: ik beleefde die opwindende Antwerpse nachten werkelijk in een vacuüm. Daarbuiten leefden geen mensen, bestond geen wereld. Uit die extatische ledigheid ben ik nu ontsnapt. Waarom zou ik ze missen?

Vandaag, op de route de Napoléon te midden van uitgedroogde moerassen, leek de zon ons te zullen verzengen. Senga en ik ondergingen urenlang haar vernietigende kracht. Er waaide een hete, zanderige wind; nergens een boom of struik voor wat schaduw, wat luwte. Ooit zou in de onpeilbare verte de Middellandse zee ons verkoeling bieden, dat wisten we. Want de zilte geur waaide ons reeds tegemoet; vanwege de droogte echter zonder enige koelte. Ooit, maar wanneer en hoe ver nog?

Senga en ik zijn stadsmensen, we weten niet hoe ons te kleden in een omgeving als deze. In onze rugzakken zitten alleen maar wat lichte zomerkleren. We liepen daar beiden blootshoofds; ik droeg een korte witte short en daarop een dun katoenen hemdje met korte mouwen, gelukkig wel met een kraagje waarmee ik mijn nek kon bedekken. Senga had alleen maar een kort batisten jurkje aan, meer niet. Bijzonder sexy, maar de zon maalt niet om seks. Tussen mijn kleren en mij zit alleen maar lucht, had een uitspraak van Senga kunnen zijn, maar zo zelfbewust is ze niet. Soms lacht ze met me vanwege mijn onderbroeken. Allemaal overbodige was, zegt ze dan. Maar ach, wat zijn wij amateuristische reizigers!

Na een uur flink doorstappen, zweten en hijgen, dachten we eraan om naar Port-Saint-Louis-du-Rhône terug te keren. Maar ik wil nooit zomaar opgeven, op dat gebied kan ik koppig en volhardend zijn. En dwaas. Bovendien leek het ons onmogelijk om dat hele stuk zonder rustpauze en afkoeling terug te lopen. Zodoende vervolgden we onze moeizame weg, ook al waren we doodsbenauwd en hadden we net zo goed langs de kant van de weg kunnen gaan liggen, Nietzsches amor fati indachtig.

Zover het oog reikt niets dan dor waterland. In de lucht immense meeuwen en vogelsoorten waarvan ik de namen niet ken. Sommige vogels hebben lange, sierlijke staarten. Jazeker, ik ben een stadsmens. Ook van vogels ken ik niets. Van de vier jaren doorgebracht in de bossen van Rekem is me weinig kennis van fauna en flora bijgebleven. Een bosuil zou ik nog wel herkennen. Hoog in de buitengewoon heldere lucht meen ik dezelfde witte vogels als deze die Edgar Allan Poe beschrijft in The Narrative of Arthur Gordon Pym te ontwaren. [1] Sloeg mijn verbeelding op hol?

Links van ons aan de horizon onbeweeglijk de haven met op de voorgrond drie gigantische tankschepen in een rij achter elkaar. Het is de haven van Port-Saint-Louis-du-Rhône. Hoeveel kilometer van de plaats waar wij ons nu bevinden?

We geven niet op, vervolgen onze weg, we moeten het strand bereiken. Plage Napoléon 3 km lezen we op een roestig bord. Naast de weg, links van ons, ligt bij een plas zout water een dode hond. Hij kan nog niet lang geleden gestorven zijn. Weinig vliegen op zijn kadaver. Waarschijnlijk werd hij aangereden door een of andere sadist. Of erger nog, door een onverschillige snelheidsduivel. Of heeft een inboorling hem neergeknald, dat kan ook.

Wat verderop ontwaren we in een grotendeels uitgedroogd meer eindelijk datgene waar we al zo lang naar uitzien. Het is een groep roze flamingo’s, de ware prinsen van dit betoverde rijk. In weerwil van de hitte blijven we deze wonderlijke dieren lange tijd aanschouwen.

Na ongeveer twee uur stappen onder een genadeloos brandende zon dan toch: de zee. Wat een teleurstelling. Een rommelig stukje strand en verder niets te zien, zelfs geen kiosk om wat te drinken. Het water te koud om in te baden. We moeten terug naar het stadje en dan de bus op naar Arles. Maar hoe?

Van Plage Napoléon terug naar hier hebben we een lift gekregen. Het was een rare vent, macho, Lino Ventura-type maar minder glamourous. Om maar te zeggen dat we hem niet helemaal vertrouwden. Maar tegelijk waren we toch ook blij dat we eindelijk weg waren uit dat inferno. Hij reed ontiegelijk snel. Was hij de snelheidsduivel die de hond had doodgereden? Keiharde muziek in de auto, een genre dat ik niet ken. Plaatselijke heavy metal? Een foltering voor het oor, maar alles is beter dan de zon.

De bewoners van deze moerasstreek zien er al even ongewoon uit als deze zone zelf. Ze hebben iets onbetrouwbaars, iets gevaarlijks. Ze bewegen zich enigszins log voort, als vermoeide reptielen. Hun woorden klinken drassig. Ze komen uit de zee en moeten nog wennen aan het land en aan de taal van de wat meer ontwikkelde mensen

Ik houd ermee op voor vandaag. Over enkele minuten is de bus daar. Opeens verlang ik ernaar om Altri Canti d’Amor van Monteverdi te horen. Ik denk terug aan De Goddelijke Komedie, het boek dat ik thuis heb laten liggen omdat het te zwaar was voor in mijn rugzak. Net voor we vertrokken was ik opnieuw begonnen in het derde deel, Het Paradijs.
Waar denk je aan, vraagt Senga. Ach, zomaar wat, aan Dante, aan dat rode boek dat thuis op mijn werktafel ligt, zeg ik. Aan Monteverdi. Aan onze heerlijke dagen in Florence. Maar liefje, we zijn nu in de Provence, zegt Senga. Het land van de troubadours. De dichters en zangers die Dante zo bewonderde. Ik vertel Senga wat ik me nog herinner van wat ik las over Arnaut Daniel, de Occitaanse troubadour die Dante in zijn Goddelijke Komedie bezong en die hij “il miglior fabbro” (“de beste smid”) noemde [2].

Non sai om tan si’en Dieu frems,
ermita ni monge ni clerc,
com ieu sui seleis de cui chan…

Daar is de bus, mijn dichter. Fluister me straks wat van die troubadours in mijn oor.

[Nachten aan de Kant 48. Zomer 1979]

Arnaut Daniel

[1] “Many gigantic and pallidly white birds flew continuously now from beyond the veil, and their scream was the eternal Tekeli-li! as they retreated from our vision.”

[2] Zie Dante, Goddelijke Komedie, Louteringsberg, Canto XXVI, 136-148

MISTRAL

Vincent van Gogh, Korenveld met maaier en zon, 1889

Arles, zondag 15 juli 1979

De wind is gaan liggen, waardoor het vandaag nog warmer is geworden. Droge lucht gevuld met de geur van rozemarijn, tijm en lavendel. De voorbije dagen hebben Senga en ik kennis gemaakt met de mistral. Een krachtige, felle wind uit het noorden, die alles, mens, dier en plant, naar de aarde doet overhellen. Je hebt geen verweer tegen zijn korte, nijdige stoten. Het is een natuurfenomeen dat de mensen hier in de Rhône-vallei boos maar ook nederig maakt. Niet altijd is hij een wolf die ons maar al te graag bijt; soms heeft hij een zachter karakter en lijkt hij ons zelfs te willen strelen. Een zachtaardige vrouw is de mistral dan, een tedere Maria Magdalena (die, naar wordt beweerd, in Saint-Maximin-la-Sainte-Baume, niet ver van Aix-en-Provence, zou begraven zijn). De mistral is vooral een heldere wind. Mogelijk is wat ik beschrijf mijn hoogsteigen mistrau en dwaal ik met deze woorden af van het rechte pad van de waarheid. Overigens was het de eerste keer in mijn leven dat ik een wind aangenaam vond.

Gisterochtend zag ik de mistral tijdens een wandeling buiten de stadsmuren. We liepen langs het Canal de la Vallée des Baux. Een opmerkelijk landschap, mij reeds vertrouwd door schilderijen van Van Gogh. Hier realiseer je je pas dat hij een realistisch schilder was, veel meer dan een impressionist. Zijn landschappen zijn geen subjectieve indrukken van landschappen; ze ontvouwen telkens weer de realiteit van het landschap, tegelijk het oppervlak en de ziel ervan, ze zijn het landschap en transcenderen het. Van Gogh laat de essentie van deze streek zien, al is hij zeker geen regionalist. De grillige olijfbomen onder een gele lucht, de ruisende cipressen, het verdorde gras, de korenvelden, de verwelkte zonnebloemen, de lucht erboven, het zonlicht, de beweging, de lijntjes of streepjes. Je ziet hier in deze vlakte en op de licht glooiende hellingen inderdaad overal die korte lijntjes of streepjes. Het zijn Van Goghs gejaagde penseelstreken. Opvallend zijn de vogels boven de velden: leeuweriken, zwaluwen en soorten die ik niet ken. Hun vlucht drukt de taal van de mistral uit. Konden wij toch hun tekens ontcijferen!

Na de middag zijn we met de bus op verkenning geweest naar Saintes-Maries-de-la-Mer, een pittoresk stadje aan zee, zoals de plaatsnaam al aangeeft. Ik moest aan een Spaans dorp denken, hoewel ik om politieke redenen nooit in dat land ben geweest. Ik ken het voornamelijk uit films van Luis Buñuel. Vooral is Saintes-Maries-de-la-Mer een bedevaartplaats van de zigeuners.

De rit met de bus was duur en de hitte in het voertuig was haast ondraaglijk, vooral tijdens de terugkeer naar Arles. Het uitzicht maakte echter veel goed. Het platte land van de Camargue, uitgedroogde moerassen, stieren, gracieuze wilde paarden. De zee in Saintes-Maries is mooi. Trekt ze daarom mooie mensen aan, zoals lelijke flatgebouwen en afzichtelijke shopping centra mensen met slechte smaak aanlokken? Soort zoekt soort, wordt gezegd, al wil ik me geen volkswijsheden toe-eigenen en evenmin veralgemenen. Ik zag mooie, jonge meisjes op het strand en de allerliefste kinderen. Je zou haast gaan denken: misschien komt het toch nog goed met de wereld; deze kinderen zijn zoveel vrijer dan wij ooit geweest zijn.

Ook veel hippies zag ik. Eigenaardig toch dat zij nog bestaan, helemaal het type van wat nog niet zo lang geleden de Damslaper werd genoemd. Ze liggen op het strand of in de nauwe straatjes. Ze zien er niet rijk uit, maar ze moeten toch voldoende geld hebben om hier te kunnen overleven.

De zon brandde fel in Saintes-Maries-de-la-mer. Ik ben er niet bang voor. Ik denk zelfs dat ik ervan houd.

Ik noteer deze zinnen op het gezellige, rustige terras van een hotelletje in Pont de Crau, aan de route de Crau, de baan naar Salon-de-Provence. Ik moet nu ophouden met schrijven, anders hoef ik niet meer aan wandelen te denken. We willen vandaag nog een keer de velden van Van Gogh zien; onze eigen ogen de kost geven. Dat kan ook moeilijk anders. Je kan nooit zien wat de andere ziet. Zelfs Senga en ik kijken met andere ogen.

[Nachten aan de Kant 47. Zomer 1979]

AANKOMST IN ARLES

Arles in 2018. Foto: MP

[Nachten aan de Kant 46. Zomer 1979]

In de vroege ochtend kort voor zonsopgang kwamen Martin en Senga met de trein uit Parijs in Arles aan. De lucht was bewolkt, het zag ernaar uit dat het zou gaan regenen. Wat volgt zijn uittreksels uit het reisdagboek van Martins verblijf in Arles en Saintes-Maries-de-la-mer.

Arles, vrijdag 13 juli 1979.

Het station van Arles ligt aan de Rhône. Zo vroeg in de ochtend is de stroom mooi en statig, zeker, maar er gaat ook iets sombers en triests van uit, zoals van alle grote rivieren. In The River’s Invitation, een aangrijpende blues van Percy Mayfield, komt die tristesse perfect tot uiting.

In de trein de hele nacht wakker gelegen en gezweet. Bij het vertrek uit Parijs een angstaanval en hyperventilatie. Na enkele kalmeerpillen ging het wat beter. Couchettes, dat nooit meer. Je hebt er nauwelijks plaats om je armen en benen te strekken. Zes slaapplaatsen in één benepen hok. Toch waren de medereizigers geen lastige mensen. Ze waren rustig, waarschijnlijk sliepen ze zelfs. Waarom lukte mij dat dan niet? Onder meer omdat ik er niet op vertrouwde dat we op tijd zouden worden gewekt. Hoe dom wantrouwen kan zijn. Vanwaar komt die onzekerheid? Wakker gelegen, maar wel met mijn ogen toe, dus ook niets van het landschap gezien.

Pas na zonsopgang stel je vast dat Arles een prachtig oud stadje is. Je ziet hier personages die je kent uit het werk van Van Gogh zomaar voorbij kuieren. Een bedelaar bij het Théâtre Antique komt zo uit een schilderij van de Nederlandse meester gestapt.

Toen we een tweede keer aan de Rhône kwamen, brak de zon opeens door de wolken en voelden we de Zuiderse warmte opnieuw. Dat was van mei 1976 geleden, het moment van mijn eerste onderdompeling in het licht en de geuren van de Provence. Nu hadden we net koffie gedronken in zo’n typische mok in een café op Place Lamartine. Ook de kelners daar hadden iets Van Gogh-achtigs, vooral hun ogen, die me meteen deden denken aan de melancholische blik van Docteur Gachet, die overigens niet van hier was maar in Auvers-sur-Oise, ten noorden van Parijs, woonde. Zou die kunstenaarsvriend werkelijk zo’n zwaarmoedige man zijn geweest? Ik las dat zijn doctoraatsthesis een ‘étude sur la mélancolie’ was.

Ja, toen we een tweede keer aan de Rhône kwamen toonde de rivier haar spiegelende glans, alsof zij met haar glinsterende rimpelingen onze vermoeidheid wilde verdrijven. Een vrolijke uitbundigheid overmande ons toen we bij toeval op de markt belandden. De Marché d’Arles, dichtbij het Théâtre Antique, is een kunstwerk, maar dan wel één dat leeft en zindert. De kleur van de groenten, de omvang van de bollen knoflook, de geur van de olijven, de asymmetrische vorm van de tomaten, het sensuele van de warme gele lupinebonen.

Het is gaan waaien. Is het een aankondiging van de mistral? Ik zit nu op de grond voor ons tentje. Dit kampeerterrein ligt een heel eind van het station vandaan. We zijn er op korte tijd in geslaagd om onze kleine tent op te zetten, maar nu ben ik er toch niet helemaal gerust in. Ons tentje zou best wel eens omver kunnen waaien, met deze harde wind. Senga is zich gaan wassen, daarna ben ik aan de beurt. Ik adem de rijke geuren van de Provençaalse avond in.

Arles in 2018. Foto: MP.

OP DRIFT IN PARIJS

Graf van Frédéric Chopin. Foto: MP

[Nachten aan de Kant 45]

“Mon front est rouge encore du baiser de la Reine…”
Gérard de Nerval, El Desdichado

Veel heb ik niet geslapen. Daar was ik te rusteloos voor. Pas toen ik in bed lag, begon het tot mij door te dringen dat ik in Parijs was, de stad die me samen met Londen het meest dierbaar is. Maar hoe kan ik dat weten, ik heb nog maar zo weinig van de wereld gezien. Flarden van onze conversatie in het restaurant bleven in mijn hoofd rondspoken. Flarden van de naargeestige stilte van Gabriella. Haar fascinatie voor Moby Dick, voor de witheid van de walvis. Biarritz. Tweehonderd kilometer stappen. Ik zag het kleine blinde poesje weer voor me, nu veilig bij Giuseppe. Of was dat zelfbedrog van me? Hoe meer moe ik werd hoe meer en hoe sneller allerlei beelden zich aan me opdrongen. Scènes van Delft en Transsylvanië uit Werner Herzogs versie van Nosferatu. Minder indrukwekkend dan die van Murnau, bedacht ik, maar de witte huid van Isabelle Adjani maakte veel goed. Sublieme beelden van koortsachtige, bekorende landschappen waarin Kit en Holly hun noodlot tegemoet rijden. Terrence Malicks Badlands, een hoogtepunt in de recente filmgeschiedenis. Woorden uit Un coup de dés dwarrelden in het donker van de kamer neer, als fonkelende sneeuwvlokken op een donkergrijze, onverschillige aarde. Ik dacht aan de afgrond, altijd gapend en altijd nabij. Ook hier, in het Hôtel de Lisbonne. Wij zijn schipbreukelingen van de witte zeilboot die onder de naam van Mallarmé vaart. Inmiddels was het gaan regenen. Ik hoorde de druppels op de zinken Parijse daken vallen. Zo zakte in mijn gedachten de hoge koorts en viel ik dan toch in slaap.

Na een schaars ontbijt met sterke koffie spoeden we ons naar het Gare de Lyon waar we nog twee slaapplaatsen kunnen reserveren op de trein naar Marseille. Het staat nu vast: we gaan naar Arles. Vanavond om kwart voor tien vertrekken we. Voldoende tijd om een dag in Parijs rond te slenteren.

Gérard de Nerval.

In Saint-Germain-des-Prés wordt een tragikomisch stuk opgevoerd. Zowat iedereen is hier een acteur die zichzelf speelt. De hele cast doet aan overacting. De acteurs zijn zich er te zeer van bewust dat ze in theater Sorbonne spelen. In het Quartier Latin, tussen levensechte filosofen en historici. Hoewel ik mijn tekst niet ken en zelfs niet weet wie de regisseur is, heb ik het gevoel dat ik meespeel. Een kleine, korte rol – maar meer dan een figurant. Die van een naamloze wereldburger die nergens thuis is, tenzij in straten als deze, met huizen waar achter de gevels boeken worden gelezen en gedichten geschreven. Je kunt je in deze zone zonder moeite een moderne Stéphane Mallarmé, een hedendaagse Guillaume Apollinaire voorstellen. Achter de “affiches qui chantent tout haut”.

Later bezoeken we het kerkhof Père Lachaise. Een oude, mogelijke wat morbide wens gaat daarmee in vervulling. Ik vind het goed en mooi om een reis te beginnen met een nederig bezoek aan het rijk der doden.

De sereniteit en de stilte die er heersen zal ik wel nooit vergeten. De regen die zacht neervalt als een zegen van ons goedgezinde goden. De portier is een authentiek type, stokoud, gebogen, zijn stem trillend met een eerbiedig, typisch Frans pathos. Je hoort de aangeboren eerbied voor l’Histoire, les Hommes Célèbres, les Artistes, vermengd met de deemoed die zo vaak opduikt in de nabijheid van de Dood. Trots wijst hij ons op een plannetje de plaatsen aan waar zijn beroemdheden hun eindeloze slaap slapen: Edith Piaf, Frédéric Chopin, Marcel Proust, Amedeo Modigliani, de wanhopige Gérard de Nerval, Guillaume Apollinaire. Ik ben ervan overtuigd dat hij hun graven ook in de donkerste nacht nog zou terugvinden. Er ligt hier ook een zekere Jim Morrison begraven, voegt hij er nog aan toe, “un chanteur américain”, veel jongeren vragen naar hem. [1]

Bij het graf van Chopin krijgt Senga opnieuw een verschrikkelijke hoestbui. Kan dat toeval zijn? Chopin leed toch aan tuberculose? Lang sta ik te mijmeren bij het graf van Gérard de Nerval. Maar weinig van mijn tijdgenoten schijnen de schrijver van Les Chimères en van het onovertroffen verhaal Sylvie een bezoek te brengen. Worden zijn boeken nog gelezen? Wat een pijnlijk contrast met de laatste rustplaats van Jim Morrison. Wel zingt Steve Winwood een aangrijpend lied over de Parijse dichter. [2]

Graf van Jim Morrison in 2014. Foto: MP

Père Lachaise is een labyrint. Je verliest er gemakkelijk je weg en dat is niet wat je echt wilt. Er even rondslenteren, dat wel, maar toch ook weer niet té lang. Daar is later nog voldoende tijd voor. Tussen de graven zwerven opvallend veel grote, enigszins zwaarlijvige en daardoor wat traag bewegende katten rond. Ze kijken met een doordringende blik naar je, als vanuit een andere wereld. Opvallend veel van de poezen hebben een rode pels. Ik schrik als een enorme zwarte kat uit een grote houten kist opspringt. Lijken deze dieren niet op mensen? Misschien zijn zij wel reïncarnaties van sommige doden die hier begraven liggen? Ik krijg een inval voor een verhaal – een soort van fabel – dat zich afspeelt in het land genaamd La Chaise. De inwoners zijn levende doden die luisteren naar namen als Jean de La Fontaine, Gérard de Nerval, Sarah Bernhardt, Oscar Wilde en dergelijke meer. Hun graven zijn hun huizen. De levende doden kunnen vrij rondwandelen, met elkaar praten, zingen, aan politiek doen, korte films maken; ze kunnen toneelspelen, bij voorkeur stukken van Molière en Racine. Ze kunnen van gedaante veranderen. Liefst van al nemen deze illustere doden de gedaanten van katten aan. Soms, vooral op feestdagen, brengen ze de levenden aan het schrikken. Hun volgevreten buikjes schudden dan van het lachen. Zelf beleef ik al wat plezier aan het bedenken van dit eenvoudige verhaal. Maar schrijven zal ik het nooit. Ik ben geen fabelschrijver. Ik ben een surrealist. [3]

De laatste tombe waar we veel aandacht aan geven is die van Oscar Wilde. Het is de allermooiste:

                And alien tears will fill for him
Pity’s long broken urn,
For his mourners will be outcast men,
And outcasts always mourn.

Deze dode kan in vrede rusten; sommige bezoekers hebben hem nog werkelijk lief. Er brandt zelfs een kaars bij zijn tombe.

Graf van Oscar Wilde in 2014. Foto: MP

Van Père Lachaise nemen we de metro naar Ile Saint-Louis. Daar, in Square Barye, rakelen we herinneringen aan onze prille liefde op. Onze allereerste uitstap, in juli 1975, toen we nog maar twee maanden samenwoonden, was naar Parijs. Net als toen drinken we nu aan de oever van de Seine rode wijn en eten een stuk brood. Is er sinds 1975 iets veranderd? Ik ben harder geworden, minder gauw ontroerd. De Seine kan me niet meer zo bekoren, tot tranen toe bewegen, als in die tijd. Ook in onze verhouding gaat het er minder zachtmoedig aan toe. Het romantische van de verliefdheid is er nagenoeg uit verdwenen. De tijd heeft voor verwijdering gezorgd, er is meer afstand tussen ons gekomen. Maar anderzijds weet ik dat onze volwassen liefde is gegroeid, dat we ons inspannen om elkaar te begrijpen zoals we werkelijk zijn. Dat we elkaar niet langer op een romantische wijze aanbidden maar elkaar graag zien. En we passen nog altijd even goed in elkaar, vooral op dagen dat we van vuur zijn, zoals Les filles du feu van Nerval.

Bij het graf van Jim Morrison in 2014. Foto: MP

[1] In die tijd had Jim Morrison nog geen grafsteen. “Jim’s grave did not resemble that of a hero, I had been the only person to visit & it struck me very hard.” Dat schreef Nico enkele dagen na Jim Morrisons dood vanuit Parijs aan haar New Yorkse vriend Danny Fields. In de Nico-biografie van de hand van Jennifer Otter Bickerdike, You are beautiful and you are alone, waarin dit fragment uit Nico’s brief wordt geciteerd, lees ik nog het volgende: “Indeed, for his first several years in the legendary Pêre Lachaise Cemetery, the final resting place of other legendary figures such as Oscar Wilde and Edith Piaf, Morrison’s body lay in an unmarked grave.” “It wasn’t until 1981, on the tenth anniversary of his death, that he got a proper headstone and bust, created by Croatian artist Mladen Mikulin. Less than seven years later, by March 1988, the bust had been stolen.”

[2] Op de elpee When the Eagle Flies (Island, 1974) van Traffic. De tekst is van Viv Stanshall, de aan alcohol verslaafde maar erudiete zanger van the Bonzo Dog Band. Er waren maar weinig popliefhebbers die er enig idee van hadden waar die song, Dream Gerrard (sic), precies over ging. “Hippos don’t wear hats, / lobsters shriek if provoked / On long blue ribbons.”

[3] Zo zag ik mezelf in 1979. Nu al lange tijd niet meer. De realiteit is vaak zo surrealistisch dat realisme volstaat.

ZERO DE CONDUITE: SLOW BONES

Anne Briggs

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal (106.7 FM) in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Het motto van deze show is Your dreams among my dreams / Our blue seas amongst sunbeams / Shades of yellow, shades of green / These are your dreams among my dreams / Fine, fine sparrow and a fine horseman.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).


Met deze aflevering keer ik terug naar sferen, een tijdelijk concept van enkele jaren geleden. Ik laat de thema’s los – wellicht niet voor altijd – en kies voor toeval en associatie. Ik selecteerde songs die uitdrukking geven aan recente, uitzonderlijke ervaringen, aan momenten van geluk, verdriet en pijn. Aan kunstwerken en gelezen boeken. Songs die verhalen vertellen, dromen, mythen en sprookjes. Muziek die ademt als het leven en even grillig is en zich niet in afgebakende stijlen laat onderbrengen. Als er al een thema zou zijn is dat muzikaal, een ritme. Het ritme van de ziel misschien, al zijn weinigen het eens over de betekenis van dat woord.

Deze aflevering van Zéro de conduite draag ik op aan Lee ‘Scratch’ Perry, Melvin Van Peebles, Michael Chapman, Commander Cody (George Frayne) en Jean-Paul Belmondo.

Veel luisterplezier.

Ain’t Gonna Let Them Turn Us Round – Marc Ribot, Steve Earle & Tift Merritt – Songs Of Resistance: 1942 – 2018 – Marc Ribot

Abraham, Martin And John (Rehearsal) – Bob Dylan – Springtime In New York: The Bootleg Series, Vol. 16 (1980-1985) [Deluxe Edition] – Dick Holler

Cheer Up Charley – The Delines – The Imperial – Willy Vlautin

Yeah Man – Eddie Hinton – Very Extremely Dangerous – Eddie Hinton

Security – Otis Redding – Pain In My Heart (US Release) – Berry

I Got You Babe – Etta James – Call My Name – Bono

Emotional Rescue – The Rolling Stones – Emotional Rescue – Jagger, Richards

Soul Fire – Lee “Scratch” Perry – Soul Fire – An Introduction To Lee “Scratch” Perry – Lee “Scratch” Perry

Zion’s Blood – The Upsetters – Soul Fire – An Introduction To Lee “Scratch” Perry – Lee “Scratch” Perry

Mojo Woman – Melvin Van Peebles – Sweet Sweetback’s Baadasssss Song (An Opera) – Melvin Van Peebles

Slow Bones – Tony Allen & Hugh Masekela – Rejoice – Hugh Masekela/Allen

Get Happy – Sonny Rollins – A Night At The Village Vanguard – Arlen/Koehler

The Joker – Lee Morgan – Search For The New Land – Lee Morgan

Opposites – The Last Poets – This is Madness – Pudim

Passions Of A Man – Charles Mingus – Oh Yeah – Charles Mingus

Berg: Lyric Suite – 3. Allegro Misterioso – Kronos Quartet & Dawn Upshaw – Berg: Lyric Suite – Alban Berg

Take Care In Your Dreams – Tindersticks – No Treasure But Hope – Neil Fraser/Robert McKinna/David Boulter/Stuart Staples

Zopf: Giles Farnaby’s Dream – Penguin Cafe Orchestra – Music From The Penguin Cafe – Farnaby

The Singing Bridge Of Memphis, Tennessee – John Fahey – Best Of The Vanguard Years – Unknown

Axis Bent – Ryley Walker – Course In Fable – Ryley Walker

Circuit Rider – Steve Gunn – Other You – Steve Gunn

Mother I’ve Taken LSD – The Flaming Lips – American Head – The Flaming Lips

The Happy End (The Drunk Room) – Mercury Rev – Deserter’s Songs – Grasshopper/Jonathan Donahue

Sexy Sadie – The Beatles – The Beatles (White Album)- Lennon-McCartney

Hold On [Ultimate Mix] – John Lennon – Plastic Ono Band – John Lennon/Yoko Ono

Forever – The Beach Boys – Feel Flows: The Sunflower & Surf’s Up Sessions 1969-1971 – Dennis Wilson/Greg Jacobson

The Gypsy Faerie Queen – Marianne Faithfull – Negative Capability – Marianne Faithfull/Nick Cave

Nibelungen – Nico – The Marble Index [Bonus Tracks] – Nico

Memories of Paris: President Y is still stable – John Cale – Le Vent de la Nuit (Bande Originale du Film) – John Cale

A Child Should Be A Fish – Leo Kottke – Ice Water – Leo Kottke

Stranger Passing By – Michael Chapman – Deal Gone Down – Michael Chapman

Fine Horseman – Anne Briggs – The Time Has Come – L. Knight

Many Happy Returns – Bridget St John – Ask Me No Questions – Bridget St John

Jump Baby Jump – Pentangle – Solomon’s Seal [2017 Remaster] – Jansch/Renbourn/Thompson/Cox/McShee

Ryley Walker – Course In Fable

Samenstelling en research: Martin Pulaski

ZERO DE CONDUITE: VAN GEBOORTE TOT DOOD

Nanci Griffith, 2004. Foto: Julie Jacobson.

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Verruim je geest en stem af op Radio Centraal 106.7 fm. Waarom zou je hem blijven vernauwen? Het motto van deze show is Blood spilled out from the hole in your heart / Over the strings of your guitar / The worn down places in the wood / That once made you feel so good.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Voor vanavond selecteerde ik een reeks songs die uitzonderlijke momenten in het leven als onderwerp hebben. Dat gaat van geboorte tot dood, met daartussenin de kinder- en adolescentietijd, school, verliefdheid, rebellie, geweld en oorlog, huwelijk, conflict en echtscheiding, alcoholisme, gevangenis, herinneringen en epifanieën, ouderdom en – onrechtstreeks – de troost van kunst (waaronder deze songs zelf), religie en filosofie. Vreemd genoeg zag ik achteraf, toen het al te laat was, dat ik werken en reizen niet had opgenomen in mijn overzicht van belangrijke levensmomenten. Mogelijk omdat ik nooit echt graag heb gewerkt om in mijn levensonderhoud te voorzien? André Breton wist al dat het echte leven elders was (dan op de werkplek).
Met veel tegenzin heb ik een groot aantal mooie en relevante songs moeten weglaten. Ik noem er enkele: My Old School, Steely Dan; From Hank to Hendrix, Neil Young; Starting a New Life, Van Morrison; Young and Innocent Days, the Kinks; L’enfance (The Double Life Of Veronique), Zbigniew Preisner; Death of a Salesman, Low; Teenage Lobotomy, the Ramones; A Life (1895 – 1915), Mark Hollis; Life and Times on the Beach, David Kauffman & Eric Caboor; Rehab, Amy Winehouse; Country Death Song, Violent Femmes; Just Like Tom Thumb’s Blues en Boots of Spanish Leather, Bob Dylan; Life Will Pass You By, Kaleidoscope en The Last Rose of Summer van Tom Waits.
Maar ook ver weg van de graanetende mensen moet je keuzes maken. En gedane zaken nemen geen keer.

Deze aflevering van Zéro de conduite draag ik op aan Nanci Griffith, Don Everly, Charlie Watts en de vrouwen en kinderen van Afghanistan.

Veel luisterplezier.

Born Under A Bad Sign  – Albert King – The Very Best Of Albert King – William Bell/Booker T. Jones

Child Of Mine – Carole King – Writer – Carole King

My Only Child – Nico – Desertshore – Nico

Whenever A Teenager Cries – The Jeans – Laurie Records Story Vol 3  – Ernie Maresca

I’m Not Angry – The Everly Brothers – The Golden Hits Of The Everly Brothers – Jimmy Howard

School Day (Ring Ring Goes The Bell)  – Chuck Berry – Gold: Chuck Berry – Chuck Berry

The Biggest Night Of Her Life – Harpers Bizarre – Anything Goes – Randy Newman

Sugar Mountain – Neil Young – Decade  – Neil Young

Love At The Five & Dime – Nanci Griffith – The Last Of The True Believers – Nanci Griffith

Pictures Of Lily – The Who – Thirty Years Of Maximum R&B – Pete Townshend

Me And Julio Down By The Schoolyard – Paul Simon – Paul Simon – Paul Simon

Teenage Kicks – The Undertones – An Anthology – John O’Neill

Spanish Bombs – The Clash – London Calling – Joe Strummer/Mick Jones

Children Of The Revolution – Kirsty MacColl – Electric Landlady – Kirsty MacColl

In Germany Before The War – Randy Newman – Little Criminals – Randy Newman

There Is A War – Leonard Cohen – New Skin For The Old Ceremony – Leonard Cohen

Seasons Come, Seasons Go – Bobbie Gentry – The Girl From Chickasaw County: The Complete Capitol Masters  – Bobbie Gentry

Charlie Watts

Single Girl, Married Girl – The Carter Family – Can the Circle Be Unbroken – A. P. Carter

Old Wedding Song – Muzsikás – Blues For Transylvania – Arranged by Sándor Csoóri

Wedding Dress – Pentangle – Reflection [2017 Remaster] – Traditional arranged by Jakcie McShee/Bert Jansch/John Renbourn/Danny Thompson/Terry Cox

Suspicious Minds – Elvis Presley – From Elvis In Memphis – Mark James

D-I-V-O-R-C-E – Tammy Wynette – D-I-V-O-R-C-E – Bobby Braddock/Curly Putman

Prison Grove – Warren Zevon – The Wind – Zevon/Calderon

Cattle And Cane – The Go-Betweens – 1978 – 1990 – Robert Forster/Grant McLennan

Goin’ Back – The Byrds – The Notorious Byrd Brothers – Carole King/Gerry Goffin

I’ll Remember – The Kinks – Face To Face – Ray Davies

Summer’s Almost Gone – The Doors – Waiting For The Sun – The Doors

Thirty Summers – Cowboy Junkies – The Caution Horses – Michael Timmins

Drunken Angel – Lucinda Williams – Car Wheels On A Gravel Road – Lucinda Williams

Where Will I Be – Emmylou Harris – Wrecking Ball – Daniel Lanois

Will The Wolf Survive? – Los Lobos – How Will The Wolf Survive? – David Hidalgo/Louie Perez

100 Years Ago – The Rolling Stones – Goats Head Soup – Mick Jagger/Keith Richards

‘Til I Die – The Beach Boys – Surf’s Up – Brian Wilson

Death Is Not the End – Bob Dylan – Down In The Groove (Remastered) – Bob Dylan

Death Of Queen Jane – Bascom Lamar Lunsford – Ballads, Banjo Tunes, And Sacred Songs Of Western North Carolina – Arranged By Bascom Lamar Lunsford


Don Everly


Samenstelling en research: Martin Pulaski

CONVERSATIE OVER DRANK, DRUGS EN STILETTO’S

Martin Pulaski, Parijs 2015

[Nachten aan de Kant 44]

Alles is wat het lijkt; zo lijkt het althans. Of toch niet?

In een restaurant op wandelafstand van Hôtel de Lisbonne eten we couscous royal, enigszins exotisch en betaalbaar. Het is echter vooral dorst wat we hebben. De eerste karaf koele rosé is sneller leeg dan het heeft geduurd om ze te vullen. Na een dag van grotendeels kijken naar steden en landschappen en veel zwijgen raken we nu aan de praat. We zijn dan wel weg uit Antwerpen, Antwerpen is nog niet weg uit ons.

Dat ik de voorbije weken overdreven heb met drinken en feesten, zeg ik. Al waren de nachten bij Ercola, in de Mok en Cinderella’s Ballroom opwindend, ze waren ook nefast voor zowel mijn lichamelijke als geestelijke gezondheid. Het zijn feesten van vreugde en pijn, zegt Senga. Bij Ercola heb ik me zo kunnen uitleven, ik kon maar niet stoppen met dansen. Ik moet mijn leven veranderen, zeg ik. Als dat nog mogelijk is, zegt Senga. We kunnen toch niet de weg opgaan van Gabriella en zeker niet van Jacques, zeg ik. Ja, het gaat duidelijk weer de verkeerde kant op met ze, zegt Senga. De dagen dat Jacques er was hebben we bijna niet meer met elkaar gesproken. Ze hebben waarschijnlijk al die tijd aan de morfine gezeten. Mogelijk is het maar een korte terugval. Wat was het akelig stil in hun kamer, zeg ik. Maar nu zijn ze misschien al in Arcachon. Ze zouden van daaruit een voetreis naar Biarritz maken. Hopelijk zal die onderdompeling in de natuur, of wat er nog van rest, hun goed doen. Wat ze vooral nodig hebben is rust. Tweehonderd kilometer stappen, dat zou ik ook wel willen, zeg ik. Helemaal tot aan de Spaanse grens en met rechts van ons de Golf van Biskaje om ons te verfrissen. Echt, met die zware rugzakken van ons, vraagt Senga.

Zouden we nog een halve liter rosé bestellen, stelt Senga voor. Waarom ook niet, zeg ik. Hij is lekker en ons budget kan het wel aan. Maar toch, al dat drinken, opper ik. De voorbije dagen hebben we het ook weer zo bont gemaakt, met al die vrienden van ons. Die avond voor we naar de Kant zijn gegaan hebben we met Gabriella wel een hele fles Jack Daniels leeggedronken. Jacques was er nog niet, dan is Gabriella heel wat avontuurlijker en spraakzamer, zegt Senga. Al blijft ze altijd een sfinx. En dan nog met de taxi naar de stad en daar de hele nacht margarita’s gedronken, zeg ik. Mogelijk heeft Gabriella minder last van katers dan wij, met die morfine, zeg Senga. Een dag eerder had ik dan ook nog eens met Ria in de Mok bier zitten drinken en joints roken. Ik geloof dat Ria alleen maar pils drinkt. Zoals Guillaume. Zeker geen sterkedrank. Ik weet zelfs niet meer waarover ik met Ria allemaal heb gepraat. Van alles over mij zeker, nu ik er een keer niet bij was, zegt Senga. Dan alvast niets slechts, Senga. Ik was die dag zo gelukkig met die twee elpees die je voor me had gekocht. Rust Never Sleeps is voor mij nu al een van de allermooiste platen van Neil Young. Je weet toch dat ik heb zitten wenen bij Pocahontas. Zo aangrijpend is dat nummer. En dat ik The Basement Tapes nu weer kan beluisteren, Going to Acapulco, Tiny Montgomery en de rest. Wat was er toch ook alweer met dat eerste exemplaar gebeurd, vraagt Senga. Dat ligt nog bij Peter Dekkers, samen met die mooie grote editie van Un coup de dés jamais n’abolira le hasard. Hij heeft me toen zijn Born To Run uitgeleend. Ik kende Bruce Springsteen helemaal niet, alleen de naam. Je hield niet van zijn naam, dat weet ik nog, zegt Senga. Springsteen, dat is toch geen naam voor een artiest, zei je. Ach, die vooroordelen altijd, zeg ik. Zo heb ik er in overvloed. Senga, ik ben zo blij met die platen. Ik kon gewoonweg niet leven zonder die Basement Tapes. En met Rust Never Sleeps zal hetzelfde gebeuren. Pocahontas en Powderfinger zijn nu al hoogtepunten in het werk van Neil Young. Jammer dat we Peter nooit meer hebben teruggezien sinds we uit Brussel vertrokken zijn, zegt Senga. Zoveel vrienden hebben we daar achtergelaten. Ja, maar we hebben er nu andere bijgekregen. En veel van de oude vrienden zien we wel nog. Gisteren nog Willy Boy en Giuseppe en Paul Walman. Hebben we echt een halve bak tripel leeggedronken, vraagt Senga. En een hele bak Stella, zeg ik. Het was een uitbundige avond, zegt Senga. Altijd met vrienden, zeg ik. En het mooist van al is dat Giuseppe het poesje heeft meegenomen. Je was echt wanhopig, niet? Ik had mij er zo aan gehecht, dat weet je, Martin. Ik heb er nachten niet van kunnen slapen. Wat moest er met dat hulpeloze wezentje gebeuren? We konden het toch niet naar de dierenbescherming brengen om het te laten afmaken? Niemand wilde dat poesje, als dat niet erg is. Het was ziek en misschien wel blind, zeg ik. Wie wil er nu zo’n gebrekkig diertje? Ik geloof dat het mijn moederlijke instincten waren, zegt Senga. Maar het poesje wilde zelfs niet drinken. Waarom hebben we het eigenlijk geen naam gegeven?

Ik begin behoorlijk dronken te worden van al die rosé, zeg ik. Zouden we niet beter gaan slapen? Dan kunnen we morgen nog wat van Parijs zien. Laten we het Pocahontas noemen, zegt Senga. Ik hoop dat Giuseppe Pocahontas goed verzorgt, zeg ik. Ik vertrouw hem niet helemaal, zegt Senga. Hij heeft soms iets wreeds in zijn blik. Die nochtans overwegend teder en zachtaardig is. Ik heb ook iets wreeds, zeg ik. Met mij moet niet gesold worden. Ik kan gevaarlijk zijn. Ik had een Charlie Starkweather kunnen worden.
Ik dacht eraan hoe waanzinnig het was geweest om voor we op reis vertrokken nog gauw naar de wapenwinkel op het Astridplein te lopen en daar twee stiletto’s te kopen, een zwart exemplaar voor Senga, een groen wat groter exemplaar voor mezelf. Waanzinnig ja, maar ik vond het wel heerlijk om mijn stiletto open te klikken, opnieuw en opnieuw. Een oefening voor je weet maar nooit. Toen ik nog een puber was had ik ook zo’n knipmes gehad. Ik dacht toen dat ik in de wieg was gelegd om misdadiger te worden. Maar opeens hoorde ik al die liedjes op de radio, Eve of Destruction, The Times They Are a-Changin’, I Got You Babe, je weet wel. Een bewijs voor de transformatieve kracht van muziek. Pop heeft van een rebel zonder reden een opstandeling met een reden gemaakt. Wederopstanding, het leidmotief van mijn leven. Anastasis. Maar nu opnieuw met een knipmes op zak.

Martin Pulaski, Parijs 2015

IN MEMORIAM DON EVERLY

Don Everly

Op 21 augustus, de verjaardag van Agnes, overleed Don Everly.

Wat ik op 7 januari 2014 na de dood van Phil Everly schreef, geldt net zo goed voor zijn broer Don. In mijn verbeelding waren de broers één onafscheidelijk geheel. Ik denk dat ik hun platen meer heb beluisterd dan die van om het welke andere popartiest of band (met waarschijnlijk een drietal uitzonderingen, Bob Dylan, the Rolling Stones en Neil Young).

Don en Phil Everly zijn voor mij altijd de voortreffelijkste broers geweest, hun samenzang was de mooiste samenzang en benaderde perfectie. Hun stemmen waren harmonieuzer nog dan die van de andere zingende broers, de Louvins, de Stanleys, en intenser dan die van the Hollies, the Searchers en the Beatles (zij het dat hun songs wat minder ingenieus zijn dan die van Lennon en McCartney, hoewel hun reguliere songschrijversduo Felice en Boudleaux Bryant ook niet mag onderschat worden). Daar kwam nog bij dat the Everly Brothers op al hun platen werden begeleid door werkelijk eersterangs sessiemuzikanten. Zij gaven hun songs een rock-‘n’-roll sound.  

Hun invloed op zowat iedereen die van enige muzikale (en vocale) betekenis is in de geschiedenis van de popmuziek kan niet genoeg worden benadrukt.

HET VERTREK (NAAR DE CAMARGUE)

Les valseuses, Bertrand Blier

[Nachten aan de Kant 43]

Na veel feestgedruis bij Ercola, een vrolijk kunstenaarscollectief in de Wolstraat, en – haast traditiegetrouw – bij Robert en Maryse in Cinderella’s Ballroom en na menig vriendenbezoek zijn we dan toch naar Frankrijk kunnen vertrekken. Naar de Camargue zijn we op weg gegaan. Dat is voor ons dat jaar een soort van bestemming, hoewel onze kennis van de regio schaars is. Alleen maar dat het een uitgestrekt moerasgebied is, weten we met zekerheid, de delta van de Rhône, en dat er wilde paarden en roze flamingo’s in het wild leven. In reisgidsen hadden we meer informatie kunnen vinden maar daar waren we tegen. We wilden ons geen toeristische bezienswaardigheden laten opdringen. Welbeschouwd weten we niet wat de hoedanigheid van ons reisdoel is. Veel meer dan een plaatsnaam, Camargue, is het niet. Hoe we ernaartoe moeten reizen is evenzeer een groot vraagteken. Het is een tijd dat we nog van verrassingen houden. Still love remains in some strong heart, keep your mind open, die woorden uit een song van Kaleidoscope, waren al lang een soort van credo voor mij.

Rond het middaguur vertrekken we uit ons hoofdkwartier in de Dolfijnstraat. Om te liften valt het weer goed mee; warm met een koele bries. Eerst tot Sint-Niklaas met een handelsreiziger, dan naar Gent met een zo te zien wat gestresseerde liefhebber van Ierland en Ierse folkmuziek. Spraakzaam is de man niet, tenzij wat die Ierse folk betreft. De Baai van Galway en Ierse folk, dat is mijn lust en mijn leven, zegt hij. De hele rit lang moeten we dat gefiedel aanhoren en een paar klaagliederen van Johnny Cash er nog bovenop. Ook een Ier? Of toch eerder van Engelse komaf? Zijn betovergrootmoeder een hoer uit Covent Garden? Zijn overgrootvader een unfortunate lad? Ik word er al gauw chagrijnig van.
De volgende halte is Kortrijk, bekend van de Guldensporenslag, al was ik daar op dat moment niet eens zo zeker van. Mogelijk was het hele verhaal over Jacob van Châtillon, Gwijde van Dampierre en Willem van Gulik, heer van de elf heerlijkheden van Sint-Servaas, wel helemaal verzonnen. Sinds ik De leeuw van Vlaanderen had gelezen had ik heel wat echte slagvelden gezien, vooral die van liefde en vriendschap. Hendrik Conscience was alleen nog maar de naam van een Antwerps plein in de nabijheid waarvan onze nachtelijke avonturen zich voltrokken. Toevallig komt daar in Kortrijk Willy Boy in zijn vrachtauto voorbijrijden. We hadden de avond tevoren in onze keuken nog Tripels met hem zitten te drinken. Tijd om wat te praten hebben we niet, hij moet dringend naar Brussel terug; leverde pas nog materiaal bij een bedrijfje ergens aan de Franse grens en liep daar vertraging op.

In Menen, net voor die grens, duurt het wachten lang. Maar altijd stopt er dan toch wel een barmhartige ziel in een deux chevaux of een Renault 4. Dit keer is de verlosser een vriendelijke maar zwijgzame jongeman. In zijn kleine rammelkar van een bestelwagen voert hij ons tot in het centrum van Parijs. De jongen is al even schuchter als wij. Hij lijkt wat op Claude Faraldo in zijn film Les fleurs du miel. Voor wie de film heeft gezien: Paul, de drankleverancier. Omdat het wagentje zo rammelt, staat de muziek erg luid. Bij songs die onze chauffeur leuk vindt draait hij de volumeknop naar rechts. Dat is onder meer het geval bij Satisfaction in de versie van Otis Redding en Venus van Shocking Blue. Well, I’m your Venus, I’m your fire, what’s your desire? Dat is ook een vorm van communicatie, en wel een die me nauw aan het hart ligt. Mijn hart overvol te wantrouwen verlangen.
We passeren Villeneuve, en dat is het ook echt, een volledig nieuwe stad, met een indrukwekkende architectuur, maar wat betekent toch cité scientifique? Hoe kon ik daarover nooit iets hebben gelezen? Als we door Arras rijden heb ik opeens een soort van visioen. Als ik op een keer Arras zal bezoeken en er door de straten slenteren, zal ik daar alles herkennen, niet alleen elk huis en elk gebouw en elke straat maar ook alle inwoners en zelfs hun huisdieren. In Arras zal ik een vrouw ontmoeten die Sarra heet. Ze drijft een theehuis en draait platen van John Coltrane, Miles Davis en Don Cherry en is helemaal weg van Waltz for Debby van Bill Evans. Ze heeft lange rode haren en lijkt sprekend op de vrouw op het schilderij I lock my door upon myself van Fernand Khnopff. Als ik weer bij mijn positieven kom voel ik me wat schuldig. Heb ik Senga in mijn visioen al niet voorgoed verlaten?

Voor de rest zie ik een monotoon landschap: het Noorden van Frankrijk. Op de radio klinkt de nieuwslezer overdreven opgelucht: “Skylab, c’est fini!”. Het ruimtestation was een onbestuurbaar projectiel geworden en verbrandt nu in de atmosfeer. Brokstukken ervan komen in de Indische Oceaan en op Australië terecht. Niemand hoeft zich nu nog zorgen te maken. Het bidden om bescherming kan ophouden, bange mensen in Afghanistan en India mogen hun grotten weer verlaten. De verkoop van de Skylabrestanten kan dra beginnen [1].

Het is nu 18.30 uur en snikheet. We naderen Parijs. De jongen vraagt waar we precies moeten zijn. Ergens in het centrum, zeg ik. En daar brengt hij ons heen, naar het hart van deze wonderlijke stad, naar de Opéra. Van de verkeersdrukte tijdens het spitsuur krijg ik meteen een astma-aanval. Maar die krijg ik klein met enkele inhalaties Berotec.

Hier staan we dan, verloren in de zonovergoten lichtstad. Besluiteloos, zoals zo vaak. Quo vadis, Senga? Naar het Quartier Latin, de enige wijk waarmee we wat vertrouwd zijn? We lopen over de Boulevard Saint-Germain en zoeken in de zijstraten naar een betaalbaar hotel. Alles lijkt te zijn volgeboekt. Het is al na achten. Een zenuwinzinking nabij nemen we een kamer in een luizig en nogal duur tweesterrenhotel: Hôtel de Lisbonne. Hoe komt het dat slechte hotels vaak naar andere steden zijn genoemd? In de kamer krijgt Senga een hevige hoestbui waarbij ze zelfs bloed opgeeft. Zou het tuberculose zijn? Na ons wat opgefrist te hebben gaan we op zoek naar een restaurant. In de Rue Jacob kondigt de schemering de nacht aan, ons vertrouwde element. Ik zou nog door een ellenlange nacht van depressie en jaren aanslepende psychoanalyse moeten gaan om in te zien dat alleen de dag verlossing brengt.

Parijs

 [1] Op 13 juli vond de Australiër Stan Thornton een paar kleine stukjes van het Skylab in Esperance.

ZERO DE CONDUITE: INSECTEN

Them!

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 fm en verruim je geest. Waarom zou je hem blijven vernauwen? Het motto van deze show isThe caterpillar hood / Won’t cover the head of you / Know you should / Be home in bed.
Je kan dit programma via streaming beluisteren. (En hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere excentrieke en wispelturige collega’s radiomakers).

Mocht ik mij alle insecten uit mijn jeugd herinneren, en alle voorvallen die ermee verband houden, en die op papier zetten, met vanzelfsprekend heel wat zijsprongen en meanderende associaties, dan zou ik al gauw voldoende materiaal hebben voor een boek, bestaande uit meerdere delen; een boek dat vast een ware bestseller zou worden. Maar ik begin er niet aan. Ik ben liever een krekel en zing – niet bepaald toonvast – mee met de songs die ik hier heb verzameld. Overigens heb ik nu ik oud en nog steeds niet wijs ben niet veel meer over insecten te vertellen. Het zijn kleine diertjes die wel eens hinderlijk kunnen zijn, die me soms flink doen schrikken – en hun aantal is groot. Veel meer valt er wat mij betreft over insecten niet te melden. Ik ben Jean-Henri Fabre niet. Ik laat dan liever de insectenkenners Tom Waits en Kathleen Brennan aan het woord: hun song Army Ants is werkelijk subliem:

“The Whirligig Beetles are wary and fast with an organ to detect the ripples
The Arachnid Moths lay their eggs inside other insects along the borders of fields
Or roads in clusters of white cocoons
The Ribbed Pine Borer is a longhorn beetle
Their antennas are half the length of their body and they feed on dead red pine
Robber Flies, with their immobile heads, inject a paralyzing fluid into their prey
That they snatch from life in mid-air
The Snow Flea’s mode of locomotion, strange and odd
With a spiny tail mechanism with hooks and a protracted tube from the abdomen
To enable moisture absorption
The female Praying Mantis devours the male while they are mating.
The male sometimes continues copulating even after the female has bitten off his head
And part of his upper torso
Every night wasps bite into the stem of a plant, lock their mandibles into position
Stretch out at right angles to the stem and, with legs dangling, they fall asleep
If one places a minute amount of liquor on a scorpion
It will instantly go mad and sting itself to death
The Bombardier Beetle, when disturbed
Defends itself by emitting a series of explosions
Sometimes setting off four or five reports in succession
The noises sound like miniature popgun blasts
And are accompanied by a cloud of reddish-coloured, vile-smelling fluid
It is commonly known that ants keep slaves
Certain species, the so-called Sanguinary Ants in particular
Will raid the nests of other ant tribes and kill the queen and then kidnap many of the workers
The workers are brought back to the captor’s hive where they are coerced into performing menial tasks
And as we discussed last semester, the Army Ants will leave nothing but your bones
Perhaps you’ve encountered some of these insects in your communities
Displaying both their predatory and defense characteristics
While imbedded within the walls of flesh and passing for
What is most commonly recognized
As human.”

Daaraan kan ik geen gebenedijd woord meer toevoegen. Veel luisterplezier!

Bobbie Gentry

Bugs – Bobbie Gentry – Ode To Billie Joe – Bobbie Gentry

Junebug Waltz – Hurray For The Riff Raff – Hurray for the Riff Raff – Alynda Lee Segarra

The Bed Bug Song – Brownie – Soul Jazz Records Presents: Calypso: Musical Poetry In The Caribbean 1955-69 – Richards

Os Grilos (Crickets Sing For Anamaria) – Marcos Valle – The Bossa Nova Exciting Jazz Samba Rhythms, Vol. 2 – Marcos Valle/Paulo Sérgio Valle

My Cricket – Leon Russell – Carney – Leon Russell

Day Of The Locusts – Bob Dylan – New Morning – B. Dylan

A Worm Is At Work – Slapp Happy & Henry Cow – Desperate Straights – Blegvad/Moore

Diet Of Worms – This Heat – This Heat – This Heat

Hey Worm! – “Little” Jimmy Dickens – Early Rock ‘n’ Roll And Rockabilly – Allison

Fly Trouble – Hank Williams – I’m Satisfied With You – Biggs/ Rose/Wilds

Human Fly – Cramps – Off The Bone – The Cramps

The Spider And The Fly – The Rolling Stones – Out Of Our Heads [USA] – Mick Jagger/Keith Richards

Flyswatter – Eels – Daisies Of The Galaxy – E

Fly On The Wall – XTC – English Settlement – Colin Moulding

I Am the Fly – Wire – Chairs Missing – Lewis/Newman

Ant Man Bee – Captain Beefheart & The Magic Band – Trout Mask Replica – Don Van Vliet

Army Ants – Tom Waits – Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards – Tom Waits – Kathleen Brennan

I Got Ants In My Pants – James Brown – Star Time – James Brown

The Caterpillar Crawl – The Strangers – Golden Age of American Rock & Roll – Vol 7 – Joel Hill/Ron Lynch

Caterpillars – The Handsome Family – Wilderness – Brett & Rennie Sparks

Mosquito Dance – Béla Bartók – 44 Duets For Violins On The Nyckelharpa – Béla Bartók

I’m Nature’s Mosquito – Jonathan Richman & The Modern Lovers – Home Of The Hits: The Best Of Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman

Here Come The Fleas – White Noise – An Electric Storm – Vorhaus/McDonald

Maggots – Kendra Smith – Five Ways of Disappearing – Kendra Smith

Kendra Smith

Insecticide – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Fad Gadget

Boris The Spider – The Who – A Quick One, While He’s Away – John Entwhistle

Black Widow Spider – Dr. John – Babylon – Dr. John Creaux

My Tiny Butterfly – Moondog – Moondog 2 – L. Hardin

Butterfly Dance – Kevin Ayers – Shooting At The Moon – Kevin Ayers

The Butterfly Collector – The Jam – The Jam Collection – Paul Weller

Butterfly Mornings – Hope Sandoval & The Warm Inventions – Bavarian Fruit Bread – Richard Gillis

Southern Butterfly – Tim Hardin – Bird On The Wire – Tim Hardin

Butterfly – Scott Walker – Scott 3 – S. Engel

Lady Bird – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood  – Nancy Sinatra & Lee Hazlewood – Lee Hazlewood

Firefly – American Music Club – California – Mark Eitzel

Dragonfly – Shack – Waterpistol – Michael Head

Muzzle Of Bees – Wilco – A Ghost is Born – Wilco

Outro With Bees (Reprise) – Neko Case – Blacklisted – Neko Case

The Predatory Wasp Of The Palisades Is Out To Get Us! – Sufjan Stevens – Come On Feel The Illinoise! – Sufjan Stevens

Research & samenstelling: Martin Pulaski

HOOFDKWARTIER ZURENBORG

[Nachten aan de Kant 42]

Van 1977 tot 1980 woonden we in een pand in de Dolfijnstraat in de wijk Zurenborg in Antwerpen. Een fijne buurt met een mooi plein, de Dageraadplaats, een naam die me nauw aan het hart lag omdat ik het ochtendrood (Aurora) nooit méér gekoesterd heb dan in die dagen. Dat hield zeker verband met filosofie en poëzie, maar niet minder met de nachten, die mij toen zo dierbaar waren. Je weet hoe indrukwekkend een zonsopgang is als je de hele nacht bent opgebleven. Op de Dageraadplaats was toen nog een uitstekende boekwinkel en de plaatselijke slijterij viel evenmin te versmaden. Ons stamcafé was de Cereus; later tot Het Zeezicht omgedoopt. Ook Dolfijnen liggen mij nauw aan het hart, ook al omdat ze in twee van mijn favoriete songs voorkomen, The Dolphins van Fred Neil en Dolphin’s Smile van the Byrds.
Daar, in Zurenborg, ontstond het plan om ooit mijn Antwerpse nachten een tweede leven te geven. Maar dat kon ik slechts verwezenlijken door ook de dagen van werk en studie in beeld te brengen. Nu, zovele jaren later, blijkt dat er veel meer komt bij kijken dan alleen maar het reconstrueren van een specifieke tijd en plaats. Honderden dromen (en nachtmerries) en talloze herinneringen hebben sindsdien het verhaal aangevuld. In literatuur, films, muziek, kunst, op websites ontdek ik nuanceringen en nieuwe revelaties.

De foto’s hierboven maakte ik in 1977 aan de Draakplaats. De heel bijzondere torentjes op de achtergrond hebben mij altijd gefascineerd. Ze staan naast de spoorwegberm en maken deel uit van een watervoorzieningssysteem van de spoorwegmaatschappij. Mijn model is zoals zo vaak Senga, minder bekend dan de heilige Agnes, beschermheilige van verloofde stellen, van de kuisheid, van jonge meisjes en maagden en van slachtoffers van verkrachting.

EEN NIEUWE ORDE, EEN NIEUW MIERENNEST

Mijnheer De Wever heeft een nieuwe droom, zegt hij. Maar het is een oude droom, besmet met collaboratie en nazisme; eerder een nachtmerrie. In zijn verbeelding is de confederale staat Vlaanderen een voldongen feit. Dweepten in hun kinderjaren werkelijk zoveel Vlamingen met de ‘Zuidelijken’, het leger van de Confederacy (een bond van zuidelijke Amerikaanse staten), dat vocht voor de heren die een economie gebaseerd op slavernij voorstonden? Hielden zij niet meer van de in het blauw gehulde Yankee-soldaten uit het noorden, niet meer van president Lincoln dan van John Wilkes Booth? Ik herinner mij die kinderjaren en de cinema’s waarin de westerns en de oorlogsfilms werden vertoond nog goed. De nazi’s hadden maar kort tevoren het onderspit gedolven, heel wat Belgische landverraders zaten nog in de cel. Het is waar dat in de meeste westerns uit die tijd, waarin op de voorgrond maar meestal op de achtergrond de Amerikaanse burgeroorlog woedt, weinig van die slavernij is te zien. Zwarte soortgenoten leken in het Hollywood van toen sowieso nauwelijks te bestaan. Je had als kind kunnen denken dat de officieren en soldaten van het confederale leger, de grijze uniformen, echte helden waren. Zoals je aan ‘onze’ collaborateurs dapperheid had kunnen toeschrijven omdat ze aan het oostfront ‘heldhaftig’ strijd leverden tegen de bolsjewieken, ‘die ons alles zouden komen afnemen’. In mijn omgeving echter kende ik niemand die zich met foute helden identificeerde.

Van slavernij gesproken. Wie zijn voor mijnheer De Wever in zijn reëel bestaande confederatie de slaven? Dat moeten ongetwijfeld de hardwerkende Vlamingen zijn? Want buitenlanders, ‘volksvreemden’ zijn niet langer welkom in zijn nieuwe staat. En hoe zit het in zijn rijk dan met degenen die hij als vertegenwoordigers van de slogan ‘vrijheid, blijheid’ schijnt te beschouwen? De linksen, communisten, socialisten, ecologisten, babyboomers, achtenzestigers, oude hippies, anarchisten, kunstenaars, dichters, et cetera? Waar is hun plaats in zijn staat?

Maar goed, voor de voorzitter van de NVA is de Vlaamse Staat al werkelijkheid. Nu heeft hij die nieuwe (oude) droom. Hij droomt hardop van een confederatie van de Lage Landen, de Zeventien Provinciën, een Groot-Nederland. “Mocht ik kunnen sterven als Zuidelijke Nederlander, ik zou gelukkiger sterven dan als Belg”, oppert de leider. Hij is het trauma van de val van Antwerpen in 1585 te boven aan het komen en heeft nu een grote sprong voorwaarts gemaakt naar 1919 en het verdrag van Loppem. Toen werd daar een soort van staatsgreep gepleegd waarbij vliegensvlug een regering werd gevormd die – uit schrik voor een revolutie naar het model van die in Rusland in 1917 – een aantal hervormingen moest doorvoeren om de bevolking (de arbeidersklasse) te sussen. Er kwam onder meer algemeen stemrecht voor mannen. Vrouwen telden nog altijd niet mee. Mijnheer De Wever verwijst naar Loppem als model om de confederatie buiten de Grondwet af te dwingen. Met een coup. Vandaar dat hij al zeker is van die Vlaamse confederatie.

Hoe hij zijn nieuwe droom wil verwezenlijken is onduidelijk. Met overtuigingskracht zal het hem niet lukken. Veel Vlamingen, weet ik uit ervaring, lusten de Nederlanders rauw. In een Limburgs dorp, Neerharen, noemden ze mij als jongen de Hollander – dat was niet vleiend bedoeld – omdat ik hun dialect niet sprak maar een taal die enigszins op het Algemeen Nederlands leek. Denkt hij aan nog een coup om dat Groot-Nederland te verwezenlijken?

In zijn praatje over dat Groot-Nederlandse Rijk kan hij het niet laten de bevolking weer angst in te boezemen. De reders waarschuwen hem, zegt hij, dat er inflatie zal komen en de reders, die kunnen het weten. Het spaargeld van de hardwerkende Vlamingen is nu al helemaal niets meer waard en zal smelten als sneeuw voor de zon. “En de inflatie is – ook al is ze beperkt – veel hoger dan de nul-komma-niks die je nog op je spaargeld krijgt. Alles wat daarbij komt, leidt tot een soort sneeuwbal waar de Vlaamse verworvenheden in worden afgebouwd. Alles wat de Vlaamse mier heeft bijeen gespaard. En wat mij in dit land heel bezorgd maakt, is dat we samenleven met een krekel en die er belang bij heeft dat dat gebeurt.” De krekel, dat is uiteraard de Waal, dat is de socialist, de communist, dat zijn de dwaze ecologisten met hun opengrenzenlobby, dat zijn de boomminnaars en de volgelingen van de waanzinnige Greta. De krekel kickt op inflatie, beste vrienden!
Wat een harteloze en zelfs sadistische man toch, die mijnheer De Wever, zo netjes afgeborsteld en mooi in het maatpak afkomstig uit het zonnige Tirol (waar helemaal geen krekels te horen zijn, waar de mieren hele met Vlaamse choco belegde boterhammen met zich meezeulen). Een volgende droom gaat mogelijk over de uniformen van het Groot-Nederlandse leger. Dat kan en zal Tirools zijn, of zal niet zijn. In het midden van de nationale vlag een grote bruine mier.

*

Een eerste versie van deze tekst verscheen op 22 juli op facebook met als titel Een nieuw Groot-Nederland. Als rechtvaardiging voor dat politiek stuk schreef ik: “Eigenlijk probeerde ik de aandacht af te leiden van het feit dat ik alweer geen stukje van mijn reeks De nachten heb geschreven (vanwege een koortsaanval).”

EEN SIAMESE KAT

[NACHTEN AAN DE KANT 41]

Waar waren we ook alweer gebleven? In de beste tijd en in de slechtste tijd, in de mooiste stad en in de lelijkste stad, met de liefste vrouwen en de meeste verachtelijke, met de voortreffelijkste vriend en de minst betrouwbare. Het was aan de vooravond van een reis naar de Camargue, meer bepaald naar een bedevaartsoord van de zigeuners, Saintes-Maries-de-la-Mer. Al zou hun trip geen bedevaart worden.
Keren we na dit lange oponthoud terug naar die stad aan de stroom en naar dat jaar, keren we terug naar de Nachten met een droom? In dromen krijgt de werkelijkheid andere, mogelijk wel duidelijkere contouren. Het kan gebeuren dat de dromer verneemt hoe het nu echt zat met zijn verleden en wat hem verder in dit ondermaanse nog zoal te wachten staat.

Ik zie Martin de trappen aflopen naar de Pussycat, een obscure nachtclub in een vochtige kelder. Er is een party van bijzondere en ook wel onaangename zaken aan de gang. In het clair-obscur herkent Martin enkele vrienden en kennissen. In een hoekje zit een groepje Engelsen met akoestische gitaren uit Nazareth in Pennsylvania; mannen met baarden. Ze spelen hun idee van een cover van Lucifer Sam, een wonderlijke song die Martin en mij al in 1967 wist te betoveren.

Na een lang gesprek kan Rina mijn oude vriend zo ver krijgen dat hij met haar naar bed gaat. Het voorwerp waarnaar die daad is genoemd staat in het midden van een klein vertrek dat deel uitmaakt van de club. Martin voelt zich wat ongemakkelijk omdat hij niet weet wat Rina precies van hem verwacht. Maar de gedachte dat hij met haar gaat vrijen, dat zij hier zo helemaal naakt en wellustig bij hem ligt, zij aan de linkerkant, hij aan de rechterkant, windt hem op. Zeker het gevaarlijke van die situatie geeft hem een kick; dat om het even wie hier zomaar kan binnenstappen, zelfs Sandra. Rina giechelt en schijnt te genieten. In haar blik iets triomfantelijks. Ze heeft een overwinning behaald. Tell mama what you need, gilt ze niet al te luid. Hij komt klaar, maar veel stelt het niet voor. Hij heeft zin in meer. Rina ook, zegt ze. Ze spreken af: om zo laat in café X, op een paar minuten van de Pussycat.

Het verdomde feestje loopt ten einde. Alleen de Engelsen zitten nog in hun hoek Lucifer Sam ten gehore te brengen. Sandra heeft al haar kleren uitgetrokken. Bijna helemaal naakt ligt ze op een laag tafeltje in een andere hoek van de club. Alleen haar slipje heeft ze nog om haar knieën, haar benen zijn een beetje gespreid. Om het even wie mag haar nemen, roept ze met woede in haar stem. Martin kan de pot op. Ik wil je niet meer, brult ze. Hoor je dat, ik wil je niet meer.

Wat een ellende dat mijn vriend zijn schoenen niet terugvindt. Op blote voeten moet hij zich op de vuile, glibberige vloer wagen. Overal liggen glasscherven en ander afval. Erger nog is dat hij blootsvoets onmogelijk naar dat café X kan lopen. Een portier is naar hem toe gekomen; het is genoeg geweest met dat psychodrama van hem en Sandra en Rina. Ze moeten eruit en vlug wat. Martin probeert Sandra haar slipje weer aan te trekken en slaat haar één of ander kledingstuk om en zo vluchten ze naar buiten, de warme zomernacht in.

De volgende dag (of enkele dagen later). Sandra kan hem niets maar dan ook helemaal niets vergeven. Ik voel niets meer voor je, zegt ze. Zij gaat nu schilderen bij mijnheer Z. Natuurlijk is Martin jaloers, of ze nu schildert of komedie speelt of nog iets anders doet. Ze kijkt hem uitdagend aan als ze het over dat schilderen bij die Mijnheer Z heeft. Al gauw moet hij toegeven dat ze echt schildert: hij ziet het met zijn eigen ogen. Ze werkt aan een doek van ongeveer 1,50 op 2 meter, met olieverf, alles nagenoeg zo zwart als een winternacht. Ontwaart hij in dat donker geen twee contouren van lichamen, een links en een rechts?
Als Sandra die avond thuiskomt, vraagt hij hoe dat nu zit met dat doek. Welk doek? vraagt Sandra. Dat zwarte schilderij, zegt hij. Ze weet niet waarover hij het heeft. Of doet alsof? Martin heeft me al zo vaak verteld hoe goed Sandra kan liegen. Komediespelen noemt hij dat liever.

Die vrijdag gaat Martin nog eens een kijkje nemen in de studio van mijnheer Z, gelegen in de Offerandestraat, waar ooit cinema Festa was gevestigd. In de jaren vijftig zag ik er samen met mijn ouders westerns en oorlogsfilms. Later werd de cinema gebruikt als atelier voor het vervaardigen van calicots. [1] Hij ziet de Meester en zijn leerling voor een grote, langwerpige tafel staan, Z links, Sandra rechts. En inderdaad zijn ze ook nu druk in de weer. Maar van het zwarte doek geen spoor. Wel is Sandra aan het werken aan een aquarel, niet groter dan 27 op 36 centimeter. Het is een portret van Gabriella, haar hoofd afgebeeld in een mandorla. In de vier hoeken heeft Martins geliefde waar je meestal de evangelisten aantreft vier kleine zwarte kittens geschilderd.

[1] Calicots “zijn de grote geschilderde borden aan de gevel of inkompartij van de bioscoop, waarmee de lopende films werden aangekondigd. Deze calicots werden vervaardigd op doek of panelen en steeds overschilderd, waardoor er weinig originele bewaard bleven. Voor het vervaardigen van de doeken projecteerde men een beeld op het te schilderen doek of paneel. Een oude bioscoopzaal beschikte over de mogelijkheid tot projecteren van een beeld en kreeg daarom een tweede leven als atelierruimte voor het vervaardigen van calicots.” Ann Malliet

De Festa werd ontworpen door architect Leopold Van Den Broeck.

Foto’s: Martin Pulaski

IK ZAG BARBARA OPNIEUW

Nina Hoss en Ronald Zehrfeld in Barbara

Ik zag Barbara opnieuw. Ik kwam meer over haar te weten, over haar intrinsieke kwaliteiten, haar delicate volwassen schoonheid. Maar ook ontdekte ik – meer – van haar verwevenheid, haar inbedding in de stroom van de Europese cultuur. Ik had, zonder ernaar gezocht te hebben, enkele van haar bronnen ontdekt.
Dat zou het begin van een nieuw verhaal kunnen zijn. Je zou het ‘Barbara’ kunnen noemen, of ‘Ik zag Barbara opnieuw’. Maar je begint er niet aan. Het verhaal is er al; onnodig het nog een keer te herhalen. Er is in het leven al zoveel herhaling. Het komt erop aan die op tijd en stond te doorbreken. Je moet plaats maken voor momenten van verlichting.

Barbara is een film van de Duitse regisseur Christian Petzold, geboren in 1960 in Noordrijn-Westfalen. Het titelpersonage wordt vertolkt door de begaafde Europese actrice Nina Hoss, heel sterk in het uitdrukken van menselijke emoties. Over die Barbara schreef ik in 2014 in mijn stuk getiteld De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, waarin het vooral over het schitterende boek De ringen van Saturnus van W.G. Sebald ging. In de film van Petzold komt een scène voor waarin Barbara van haar overste – en later geliefde – een ‘lesje’ krijgt over het schilderij De anatomieles van Rembrandt. In 2014 wist ik nog niet dat Christian Petzold die les bijna in zijn geheel bij Sebald had gevonden. Ik had dat werk kort na het zien van de film gelezen en had gedacht dat het om een toevallige overeenkomst ging. Ik wist in die tijd niets over de regisseur, had nooit eerder een film van hem gezien. Daar komt nog bij dat ik in die dagen wel erg geobsedeerd was door toevalligheden. Zelfs nu nog blijf ik het toeval dat ik De ringen van Saturnus las net na het zien van Barbara fascinerend vinden.
Wat ik evenmin wist was dat het scenario van de film een bewerking was van een gelijknamig verhaal van de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch, vooral bekend van Die Schlafwandler: Eine Romantrilogie en van Der Tod des Vergil. Hoewel ‘bekend’ een relatief begrip is: leest iemand die boeken nog, ook al zijn ze in het Nederlands vertaald?
Dat verhaal had ik nochtans ergens in de jaren zeventig gelezen in de bundel Vrouwen, een vertaling door M. Coutinho van Barbara und andere Novellen, uitgegeven bij Surhkamp in 1973. Mocht de Nederlandse uitgever de originele titel hebben aangehouden, had ik me die Barbara mogelijk wel herinnerd. Waarom krijgen vertalingen vaak van die wansmakelijke titels (denk maar aan ‘Er is geen vrouw die deugt’ als vertaling van een aantal opstellen uit Schopenhauers ‘Parerga und Paralipomena’)?
Waar ik destijds bij het lezen van de verhalen van Hermann Broch werd betoverd door de stijl, viel Barbara net daardoor me nu tegen. Het is me te poëtisch, te hoogdravend; het heeft te weinig vaart. Ik weet het: dit klinkt als heiligschennis. Maar de inhoud, onder te veel mooie woorden bedolven, is bij Broch even boeiend als bij Petzold. Het is een liefdesgeschiedenis. Een ziekenhuisarts/afdelingshoofd raakt geobsedeerd door een ondergeschikte dokter, de raadselachtige vrouw die Barbara heet. Zij blijkt een communistische terroriste te zijn, lid van een cel die een putsch voorbereidt. Na een mislukte bomaanslag pleegt ze in alle stilte zelfmoord in een hotelkamer. Petzold verplaatst het verhaal naar Oost-Duitsland. Barbara is verbannen van Berlijn – waar ze in het Charité ziekenhuis werkte – naar een saai landelijk stadje aan de Baltische Zee. Meer nog dan in Berlijn lijkt iedereen er voor de Stasi te werken. Ook haar overste, de dokter die al gauw van haar gaat houden, is een verklikker, zij het tegen wil en dank. Maar was dat niet voor vele inwoners van de DDR het geval? Barbara wil aan haar verstikkende omgeving ontsnappen en naar het Westen vluchten en heeft al concrete plannen. Haar moreel besef brengt haar evenwel tot het besluit om te blijven: ze staat haar plaats af aan een meisje dat de vlucht meer nodig heeft dan zij. Deze Barbara stapt niet uit het leven maar blijft. Mogelijk heeft Petzold – of is het toch Barbara? – zich de woorden van Albert Camus herinnerd: il faut penser Sisyphe heureux.

Waarom blijft Barbara me nog altijd achtervolgen? Moet ik toch mijn versie van haar verhaal schrijven? Waar ik vandaan kom was zij een heilige. Zou ik dat gegeven kunnen gebruiken? Elk verhaal, elke tekst is een autobiografie. Elke autobiografie is een verzinsel, zoals Barbara, de aardse en de heilige.

Devriese

Stukjes van nu en columns van vroeger

ViLT

ViLT : Elke Dag Verse Lyriek

hotfox63

IN MEMORY EVERYTHING SEEMS TO HAPPEN TO MUSIC -Tennessee Williams

Marjon werkt.

Pijn en poëzie op de werkvloer.

Pierewit

Verschijnt nu en dan weer niet.

reddend zwemmen

weblog van rob van essen

KOTSEN OP WOENSDAG

ALLE ANDERE DAGEN BEN IK BEST OKÉ

Aanlegplaats

thuishaven voor blogs vol literair talent

Johan De Crom

Politieke meningen, prozaïsche strelingen

ME

Ik vertel je wat ik zie & ik zie wat ik je vertel

(Botho) Straussian

composition/Neue Musik, noise, techno, field recording

Dichtertje

EEN MANIER VAN KIJKEN...

Boekenwulf

Lezen, een open deur naar een betoverde wereld - François Mauriac

HOOCHIEKOOCHIE

kroniek van een kamertjeszondaar

deintro.wordpress.com/

Uw introductie in muziek

bijgekleurd

een wereld in zwart en wit is ook maar grijs