STRIJD IN HET RIJK DER ZINNEN

[Nachten aan de Kant 35. November 2020]

Natuurlijk waren het leven en de tijd in Antwerpen waarover ik het voorbije jaar [1] al zoveel heb geschreven geen ononderbroken la dolce vita. Er deden zich net als overal en in alle tijden talloze problemen voor en allerlei conflicten, ruzies en zelfs gevechten maakten het bestaan soms uiterst onaangenaam. Zoals ik in het echte leven conflicten meestal uit de weg ga doe ik dat ook in mijn neergeschreven herinneringen. Het lijdt geen twijfel dat niemand geheel en al goed, deugdzaam en voortreffelijk is. Elke mens heeft zijn schaduwzijde, iedereen bezit karaktertrekken die minder fraai zijn, soms zelfs verontrustend en angstaanjagend. Dat geldt in mindere of meerdere mate ook voor de besten onder ons. Het is mij echter nooit gelukt om daarover met enige nauwkeurigheid te schrijven, niet omdat ik het negatieve bewust aan het licht wil onttrekken maar omdat ik er de woorden niet voor vind. In algemene termen kan ik wel negatieve aspecten van de samenleving en van de mens als sociaal wezen aan de kaak stellen, vooral als het om politiek en religie gaat, als het vormen van boosaardigheid betreft, bijvoorbeeld racisme, onderdrukking of uitbuiting.

In de woelige dagen van punk en new wave en, niet te vergeten, van werkloosheid, had ik meermaals ruzie met vrienden, meestal op café, onder invloed van alcohol en amfetamine. Sommige vrienden, onder wie L. S., hadden wat we een kwade dronk noemen. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken: het gaat om een genetisch verschil in de hersenen. Ik beschouwde hem als een van mijn beste vrienden maar soms veranderde hij in een onuitstaanbare en agressieve man. Dan herkende ik nauwelijks de vriend en lieve buur met wie ik tot een stuk in de nacht over filosofische onderwerpen zat te praten of met wie ik, na het roken van een paar joints, in vrije vorm gitaar zat te spelen. Met weer een andere vriend, M. B., had ik een conflict over zijn mensbeeld. Het stoorde me dat hij de mensen in twee klassen indeelde. Aan de ene zijde liet hij de ‘slechten’ hun opwachting maken. Dat waren de bourgeois, onder wie ook de intellectuelen, de schrijvers en de kunstenaars. Aan de overzijde bevonden zich de ‘anderen’. Wie  waren dat, die anderen? Zij die niet in de eerste klasse thuishoorden? Het proletariaat of zelfs het lompenproletariaat? Ik vroeg me af wat daar dan zo voortreffelijk aan was, al zou ik ze nooit zoals Hillary Clinton vele jaren later deed a basket of deplorables [2] hebben genoemd.  Op een avond in het Pannenhuis noemde M.B. mij een intellectueel, iemand van de slechte klasse dus. L.S. deed dat ook wel eens, als ik het bijvoorbeeld over literaire theorieën van de Tel Quel-groep had, en achteraf gezien had hij daarin niet helemaal ongelijk. M.B. vond ik in zijn oordeel veel te radicaal. In mijn ogen nam hij standpunten in die ik al lang achter me gelaten had. Ik vond zijn veroordeling van de massamedia achterhaald. Zo wilde hij met nog enkele compagnons de route als performance een televisietoestel stukslaan. Dat had ik in 1968 de popgroep the Move op het podium van Jazz Bilzen al zien doen. [3] Toen had ik dat opwindend gevonden, maar nu, in 1979? Ik had het gevoel dat hij en zijn kompanen een beeld van mij imiteerden dat ik zelf al lang verworpen had. Ik vond het naïef: een TV is een ding, een middel. Hoe kan dat nu slecht zijn? Daar maakten we dan ruzie over. Maar een paar dagen later was dat allemaal weer vergeten en vergeven.

Ook mijn leven met Senga was in die dagen niet alleen maar een rijk der zinnen. Meer dan ons lief was maakten we ruzie. Vaak ging het om een kleinigheid maar als er jaloezie in het spel was kon het uit de hand lopen. Ons drankgebruik en de pillen die wij slikten verhevigden dat allemaal nog. Omdat ik me moeilijk kon concentreren had jaren tevoren toen ik filosofie studeerde een arts verbonden aan de VUB mij met enige regelmaat het middel Captagon voorgeschreven. Dat was regelrechte amfetamine, heel erg stimulerend en opwindend. Ik kon er inderdaad beter van studeren en na mijn studies bleef ik het nemen om mijn aandacht bij het schrijven te houden en aan onderzoek te doen. Geleidelijk aan moest ik er meer van nemen om hetzelfde effect te krijgen: ik wilde honderd procent concentratie. Mijn principe was dat ik de pillen alleen maar slikte om te werken, nooit voor het plezier. Maar dat was een theoretische indeling van dag en nacht en van werk en plezier. Als ik op vrijdag of zaterdag uitging waren die pillen natuurlijk niet uit mijn systeem verdwenen. Zonder dat spul had ik het waarschijnlijk nooit een hele nacht op de dansvloer van Cinderella’s Ballroom volgehouden. Overigens denk ik dat zowat iedereen daar aan de speed zat. Herman Brood voelde er zich in zijn nopjes. Captagon was op velerlei wijze een gevaarlijk goedje. Je kreeg er meer zelfvertrouwen van dan goed voor je was. De gekste dingen die ik schreef, en vanwege de paranoia – een andere nevenwerking van dat middel – werden mijn teksten hoe langer hoe gekker, begon ik nu haast geniaal te vinden. Al bleef mijn aangeboren twijfel gelukkig wel altijd op de achtergrond zeuren. Zolang ik aan mijn tafel bleef doorwerken, elke dag van negen uur ’s morgens tot ongeveer zes uur ’s avonds, was dat allemaal niet zo erg. Maar daarna kon dat in combinatie met tequila of bourbon wel eens uit de hand lopen. Van Captagon kun je immers agressief gedrag gaan vertonen. Senga en ik waren geen Sid Vicious en Nancy Spungen, verre van, maar soms begaven we ons op gevaarlijk terrein. Overigens heb ik Sid Vicious altijd een idioot gevonden, ik begreep helemaal niet waarom jongeren hem toen zo bewonderden. Had hij ooit iets goeds gedaan? Zich volgespoten met heroïne en zijn vriendin Nancy Spungen doodgeschoten in het Chelsea Hotel in New York City? In het najaar van 1979 begon ik te beseffen dat ik met die pillen moest ophouden en zoals ik enkele jaren tevoren van de ene dag op de andere was opgehouden met roken zo hield ik nu op met Captagon. Het was genoeg geweest. Het gevolg daarvan was echter dat ik het vanaf 1980 erg moeilijk kreeg met schrijven en geleidelijk aan in een zware depressie belandde. Gelukkig was er muziek, en waren er boeken. Zonder vrienden en zonder Senga, hoewel zij nog lange tijd daarna pillen is blijven slikken, had ik die immens donkere periode, die zo’n zes jaar aansleepte, mogelijk niet overleefd.

[1] De eerste notitie, met als titel Nachten in het Pannenhuis 1, dateert van 5 november 2019.

[2] “Basket of deplorables” is a phrase from a 2016 presidential election campaign speech delivered by Democratic nominee Hillary Clinton on September 9, 2016, at a campaign fundraising event, which she used to describe half of the supporters of her opponent, Republican nominee Donald Trump saying “They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic”. The next day, she expressed regret for “saying half”, while insisting that Trump had deplorably amplified “hateful views and voices”.

[3] Het kan ook op televisie geweest zijn, mogelijk was het een optreden in Tienerklanken, Moef-Ga-Ga of Beat Club.


TWEEDE BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

[Nachten aan de Kant 34. Juni 1979]

Lieve vriendin,

Nu ik toch de moed en energie heb gehad om je te schrijven ga ik er nog even mee door. Nu hoop ik maar dat je mij niet te opdringerig vindt, met die overvloed aan woorden zo opeens. Ik had het erover dat mijn brieven van weleer niet altijd even verheven waren, dat ik net zo goed over alledaagse dingen schreef. “Almaar iets verstandigs geeft hoofdpijn”, schreef Mozart al in een brief aan zijn nichtje Maria Anna Thekla [1]. Nu zijn zowel de gebeurtenissen in de grote wereld als de banale voorvallen van alledag uit mijn mededelingen verdwenen. Niet alleen uit de paragrafen in die vorige brief aan jou, maar uit ongeveer alles wat ik schrijf. Ik vraag me af hoe dat komt. Want nu ik er even bij stilsta besef ik dat de realiteit toch nog in velerlei vormen bij me naar binnen blijft stromen: ik lees kranten en tijdschriften, ik zie films, af en toe is er bij vrienden een televisieavond, ik ga naar de bibliotheek, en ik praat veel met vrienden. Mogelijk gaan die gesprekken, meestal op café, te weinig over wat de wereld vandaag beweegt, over feiten en feitjes, mogelijk houd ik me te weinig bezig met wat small talk wordt genoemd. Overigens heb ik daar nooit aanleg voor gehad. Ongetwijfeld heeft de tijd – twaalf jaar – dat ik in een internaat zat opgesloten daarin een rol gespeeld. Je kent zeker het verhaal van mijn vier jaar ‘gevangenschap in het Rekemse bos’, die uiterst traumatische ervaring die me nog steeds de adem kan benemen.

Je weet dat ik meer een luisteraar ben dan een prater. Dat is zeker zo in een grotere groep maar ook in de vriendenkring. De gesproken taal stelt mij altijd weer op de proef. Vaak liggen de woorden op mijn tong, ik kan hun vertrouwde smaak haast proeven, maar mijn stembanden weigeren te gaan trillen. Pas veel later, als ik weer thuis ben en er niets meer aan heb, vind ik de juiste uitdrukkingen. Dronkenschap kan soms een bevrijding zijn; bepaalde remmingen vallen dan weg, het spreken gaat opeens vlotter. Ik vertel je niets nieuws. Hoewel er tijdens de dronkenschap een zekere luciditeit blijft bestaan wordt de horizon er toch door vernauwd, en vaak herinner je je achteraf nog maar zo weinig van het gesprek, hoe waardevol het ook mag geweest zijn. Het is een spreken zonder schaduw, zonder scherptediepte, zonder perspectief.


Onze goede vriend Paul Rigaumont, met wie ik nu elke dag samenwerk bij Aurora, liet me werk zien van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Velikovic, geboren in 1936 in Joegoslavië. Ik las dat hij net als de schilder die ik het meest bewonder, Francis Bacon, gebruik maakt van fotografie, film en televisie. In foto’s is de bewegende realiteit tot stilstand gekomen. In film komen mensen en voorwerpen – en de natuur – in beweging. Het fotografisch onderzoek naar beweging van Eadweard Muybridge heeft een beslissende invloed gehad op zowel Velikovic als Francis Bacon. Je bent vertrouwd met zijn immens werk Animal Locomotion: an Electro-Photographic Investigation of Connective Phases of Animal Movements. Thema’s die bij Velikovic vaak voorkomen: de vogelverschrikker, de hond, de vogels, de ratten (meervoud), de doos. Volgens Velikovic is het hem niet om freudiaanse symboliek te doen. De ratten bijvoorbeeld overleven alles, zij zijn de laatste acteurs in het ultieme spel. Het fin de partie van Hamm, Clov, Nagg en Nell. Velikovic: “Wanneer ik honden schilder, maak ik zelfportretten. Maar de rat is voor mij de andere.” Je zou bijgevolg kunnen zeggen: de hel dat zijn de ratten. Hoe existentialistisch allemaal! Zou ik niet eens een essay over die Velikovic schrijven? Achteraf beschouwd vind ik mijn stuk Het wereldbeeld van Francis Bacon niet zo geslaagd: het is te subjectief, het gaat meer over mezelf dan over de twee Francis Bacons. Voor Velikovic zou ik me concentreren op het werk, zonder al te veel uit het eigen leven gegrepen associaties. Ik wil de beelden aan het woord laten.

Lieve vriendin, vorige nacht brak hier een hevig onweer los. Ik zal nog niet helemaal wakker geweest zijn toen ik dacht dat het echte eindspel was begonnen, de ultieme alles vernietigende oorlog. Eens helemaal wakker voelde ik een verlammende angst, die ik maar moeilijk van me af kon schudden. Was het een voorgevoel? Want met zoveel nucleaire wapens in de wereld zal het er ooit toch wel eens van komen. De kans is groot dat wij dat nog zullen meemaken. Gelukkig vatte ik al gauw weer de slaap en begon te dromen. Ik moest een voordracht geven over mijn tekst Stasis. Wat betekende die tekst, wat bedoelde ik ermee, wie zag ik als mijn lezers? Ik zat daar erg verveeld mee, daar ik er geen flauw benul van had wat ik zou moeten vertellen. Bovendien had ik nog maar weinig tijd om me erop voor te bereiden. Een secretaresse met een vlinderbrilletje op zei me dat de bijeenkomst in Londen zou plaatsvinden. Senga en ik zouden er 16 dagen moeten blijven, wat ons 140.000 frank zou kosten. Dat konden wij natuurlijk niet betalen. Daar vinden jullie wel iets op, zei de secretaresse, Londen biedt veel mogelijkheden. Je zou er kunnen optreden, je hoeft maar drie akkoorden te kennen en zangtalent is ook al niet vereist. Mevrouw zou topless kunnen performen, succes verzekerd. Ik kreeg dorst van het idee. De secretaresse, nu zonder bril en voor de rest alleen nog maar schoenen aan, reikte me een fles Spa Reine aan. Rechtstreeks van de Koninginnebron, zei ze. Of heb je liever Barisart? Het is al goed, zei ik. Op het etiket las ik: David Bowie is dood. De laatste jaren leidde de Londense zanger een teruggetrokken bestaan. Een slepende ziekte is de starman fataal geworden. Omringd door een kleine schare vrienden is hij vredig ingeslapen. Ik was ontzet. Een van mijn laatste helden, dood! Ik bevond me nu alleen in een slecht verlichte kamer. (Ik gebruik het woord ‘nu’ maar eigenlijk is er geen tijdsverloop in een droom. Of toch wel?) Er was niemand om me te troosten, om me te zeggen dat het niets was, een boze droom, niet meer dan dat. Ik besefte dat David Bowie overleed op de dag dat mijn voordracht in Londen was gepland.
Je begrijpt hoe blij ik was toen ik ontwaakte en besefte dat David Bowie daar in Berlijn bij de muur volop van het leven aan het genieten was en samen met Brian Eno onvergetelijke songs aan het opnemen was.

Het zij zo en het ga je goed!

[1] W.A. Mozart, Brieven; gekozen, ingeleid en becommentarieerd door Wolfgang Hildesheimer. Vertaling: R.R. Somann en H.W. Schwab

BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

Met Amsterdamse vrienden, Vossenplein, Brussel, 1971


[Nachten aan de Kant 33. Mei-juni 1979]

Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein

Hoe lang is het geleden dat ik je nog schreef? Meerdere maanden? Daar is maar één verklaring voor: ik kan het niet meer. Mogelijk wil ik het zelfs niet meer. Waarover zou ik wel schrijven? Er is een soort onverschilligheid en zelfs apathie – als het al geen lethargie is – in mijn ziel naar binnengeslopen. Weinig in de wereld boeit me nog werkelijk, weinig van wat om me heen gebeurt weet mijn enthousiasme te wekken. Nog niet zo lang geleden schreef ik brieven in buien van euforie en wat ik vervoering zou durven te noemen. Muziek was dan een belangrijk element om dat enthousiasme aan te zwengelen. Het ritme van wat eerder bedoeld was als achtergrondmuziek bepaalde het ritme van mijn woorden, melodieën kregen contouren en stemmen kleur, en vonden zo de weg naar de zinnen die op het papier verschenen en gingen er deel van uitmaken.

Toch waren mijn epistels niet bepaald verheven. Ik schreef over alledaagse dingen, over wat er in ons huis en in de wereld gebeurde. Mijn leven had zin omdat ik wist dat ik deel was van een groter geheel. Lange tijd voelde ik mij sterk betrokken bij wat tegencultuur werd genoemd. Je herinnert je zeker nog hoe ik dat boek The Making of a Counter Culture van Theodore Roszak heb verslonden? Nu vind ik het moeilijk om de emoties die met dergelijke verwantschap en betrokkenheid gepaard gaan te beschrijven. Een voorbeeld: kwamen studenten in de Verenigde Staten op straat tegen onrecht, zoals naar aanleiding van de brutale moord door de National Guard op een aantal studenten aan de universiteit van Ohio, dan voelde ik mij met hen verbonden. Hun strijd was mijn strijd. De emoties die zich bij hen roerden, roerden zich bij mij ook, of dat vermoedde ik toch.

Nu is dat gevoel van verbondenheid er niet langer: een tegencultuur lijkt niet meer te bestaan, bij een politieke partij, hoe links ook, kan en wil ik me niet aansluiten, terrorisme keur ik af, punk en new wave vind ik oppervlakkig en modieus. Wat er nog aan opstandigheid overblijft lijkt me onecht, niet veel meer dan gestes en poses. Kijk maar eens naar de aansteller Johnny Rotten. Het vuur van de bezetenheid ontbreekt. Waar zijn de enragés? De punks zijn sympathiek maar omdat zij de cultuur in haar geheel lijken te verwerpen kan er van een ware verstandhouding tussen ons geen sprake zijn. Ik heb de indruk dat punks liever spuwen op boeken dan ze te lezen, al zullen er uitzonderingen zijn. Zij begrijpen mij niet en waarschijnlijk begrijp ik hen niet. Als punk al een beweging is dan is ze er een van onbezonnen anarchisten en nihilisten. Van punks hoef ik geen antwoord te verwachten op mijn vraag naar een nieuwe gemeenschap waar ik, zonder mijn eigenheid op te geven, deel van zou kunnen worden. Ik vermoed dat ik zal moeten leren leven met de geestelijke eenzaamheid die nu mijn lot is. Begrijp me niet verkeerd: ik heb heel wat vrienden die me veel geven en die veel voor me betekenen. Een groepje vrienden en genossen – om het woord van Hölderlin te gebruiken – vormt echter geen gemeenschap. [1]

Lieve vriendin, het spijt me dat dit allemaal weinig opbeurend klinkt. Ook al kan ik geen brieven meer schrijven zoek ik toch nog naar andere vormen van communicatie. Voorlopig zonder resultaat. Mijn literaire teksten zijn te ingewikkeld en te idiosyncratisch om ermee tot de andere – ook tot jou – door te dringen, om hem of haar deelachtig te maken aan mijn innerlijke wereld. Mijn vriend Giuseppe zegt al langer dat ik me wat dat betreft in een doodlopend straatje bevind, dat ik eenvoudiger moet gaan schrijven en bij misdaadauteurs zoals Raymond Chandler, Dashiell Hammett en Patricia Highsmith in de leer gaan. Ik weet het niet. Zeker wil ik uit deze toestand van apathie geraken. Ik wil koste wat het kost vermijden dat ik vast kom te zitten. Werken, schrijven dus, betekent samen met liefde en seks voor mij alles. Nee, dat is niet helemaal waar want ik verlang natuurlijk ook naar die andere, voorlopig onbereikbare gemeenschap. Ik wil me blijven verzetten tegen elke vorm van conformisme. Het grootste gevaar dat me bedreigt is berusting in een onleefbare toestand, die waarin het vonkje van de geest voor goed is uitgedoofd. Dat mag niet gebeuren. Het werk bij de filosofische kring Aurora kan me op weg helpen, maar ook daar zijn we geïsoleerd. Filosofen, schrijvers en kunstenaars in een stad van leeghoofden, dichters in een contrei van dronkaards.

Nietzsche in De vrolijke wetenschap: “Ik doe telkens weer dezelfde ervaring op, en ik verzet er me telkens opnieuw tegen, ik wil het niet geloven hoewel de bewijzen voor het grijpen liggen: het overgrote merendeel der mensen heeft geen intellectueel geweten; ik heb zelfs vaak de indruk gehad dat wie iets dergelijks zou willen eisen in de dichtsbevolkte stad zo eenzaam zou zijn als in de woestijn.”

Het ga je goed!

PS: Herinner je je Luc V. en Hilde nog? Vandaag trouwen ze. We gaan naar het feest en het zal nog maar eens een lange nacht worden. Vreugde in het hart en veel dode hersencellen.

[1]
Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
Friedrich Höldelin, Brot und Wein

EEN ANDER DAGLICHT

Grand Canyon, Arizona, september 1993

Uit nieuwsgierigheid en verlangen naar verte vertrek je naar een ander land. Weken later, bij de terugkeer in je vertrouwde woning, besef je dat je nieuwe ruimte, nieuwe landschappen hebt meegebracht. Je gaat wat het eigene wordt genoemd in een ander daglicht zien. De eerste dagen lijkt dat vertrouwde mogelijk kleiner, bijna nietig, maar al gauw zie je dat wat je doet en wat je omringt rijker is geworden, meer van een nieuwe geest doordrongen. Je moet er zorg voor dragen dat die geest niet vervliegt. Hij is veel meer waard dan een parfum.
Dat is geen geheel nieuwe gedachte. Ze komt in een andere vorm al in gedichten van Hölderlin voor.

DE VOORTREFFELIJKE VRIEND

Jeanne Hébuterne


[Nachten aan de Kant 32]

Ik moest weer een keer naar de flat in de Vinkenstraat. Voor de gelegenheid had ik mijn nieuwe regenjas van de Wolmolen aangetrokken, een vrouwenmodel en wat te klein maar wel mooi en – in onze situatie van groter belang – goedkoop. Giuseppe had mij gezegd dat hij een tijdje alleen wilde zijn, om te studeren; hij had rust nodig. Toch moest ik hem zien. Ik moest met hem praten. Ik had best wat vrienden maar alleen met Giuseppe was het soort diepgravend gesprek nodig waar ik nu naar verlangde. Gelukkig was Giuseppe opgetogen met mijn onverwacht bezoek. Toch bleef ik gespannen: zou ik niet weer een allergieaanval krijgen van het opgehoopte huisstof en de huidschilfers van de poezen van Giuseppe? Als ik onrustig ben en mijn zenuwstelsel verstoord is ben ik er meer vatbaar voor dan anders. De voorbije weken had ik mijn zenuwen zowel ’s nachts aan de kant als overdag in mijn werkkamer erg op de proef gesteld.

Giuseppe had bier voor ons ingeschonken en zat nu tegenover me. In zijn ogen zag ik die blije tristesse die zo typerend voor hem was. In zijn blik lag een onbereikbare verte en tegelijk kwam hij als hij je aankeek heel dicht bij je. Altijd weer vroeg ik me af of iemand met dergelijke eerlijke ogen wel geschikt was om op ons ondermaanse slagveld te overleven. Leven zonder meer, dat wel, maar vechten om wat je nodig hebt om het te behouden en te verrijken, dat mogelijk niet. Een moment viel ik ten prooi aan herinneringen aan de Schippersschool in Eisden. Ik dacht terug aan de twee zorgeloze jaren die ik daar in het mijnwerkersdorp dichtbij de Maas had doorgebracht. Giuseppe’s vader was er directeur geweest. Giuseppe – die drie jaar jonger was dan ik – leerde ik pas later kennen. De directeur was een zachtaardige en bescheiden man die zich liet manipuleren door een brutale vent, de internaatbeheerder, mijnheer Peyskens. De enige man die mij ooit een slag in het gezicht heeft gegeven. Giuseppe’s vader had dezelfde ogen als zijn zoon.

Ik vertelde mijn vriend over het memorabele concert van Patti Smith en haar band dat ik op televisie had gezien en over the J. Geils Band. Giuseppe had net Wave, de nieuwe elpee van Patti Smith, aangeschaft en daar luisterden we naar. Ik herkende enkele nummers die ze in Rockpalast had gebracht: Frederick, Dancing Barefoot en So You Want To Be A Rock And Roll Star. Het klonk allemaal wat braver en meer gepolijst dan de live-uitvoeringen die ik kort tevoren had gehoord. In de hoestekst schreef Patti Smith over het nummer van The Byrds dat ze er in de sixties niet gek op was geweest. “It seemed to say that in this field of honor, sooner or later, everybody gets hurt and I just didn’t believe it.” Op de hoes trof ik merkwaardige foto’s aan van de in 1978 vermoorde paus Albino Luciani en van Jeanne Hébuterne, de geliefde van Modigliani. I Did You No Wrong van the J. Geils Band onderbrak mijn kortstondige dromerij. Giuseppe had Ladies Invited van de beste band uit Boston op de platenspeler gelegd. Hij gaf me de hoes door. Volgens mijn vriend waren de ogen en de lippen die daarop te zien waren die van Faye Dunaway. Met haar had zanger Peter Wolf destijds een relatie gehad. Uitstekende plaat, afgrijselijke hoes, vond ik. En wat was er met Faye Dunaway gebeurd? Had zij na Chinatown nog iets noemenswaardg gedaan? The Eyes of Laura Mars was niet meer geweest dan veredelde kitsch. Ik vroeg me af of we ons misschien vergist hadden in haar acteertalent. Had haar schoonheid ons niet verblind?

Giuseppe was een nog grotere boekenliefhebber dan ik. Ook nu weer glunderde hij toen hij me zijn nieuwe aanwinsten liet zien: Robert Musils Der Mann ohne Eigenschafte, Virginia Woolfs Schrijversdagboek, enkele romans van Dostojewski, James Joyce, Thomas Hardy en Katherine Mansfield, de verzamelde gedichten van D.H. Lawrence.

Omstreeks middernacht was Giuseppe’s voorraad bier op. We besloten naar de Pallieter aan het Mechelseplein te lopen, het stamcafé van de studenten van Studio Herman Teirlinck. Als je mooie narcistische meisjes en jongens wilde observeren was dit de juiste plek. Ze kwamen er hun pas aangeleerde kunstjes tonen en wilden dolgraag een gesprek met je aanknopen over Konstantin Stanislavski, Peter Brook of Lee Strasberg. Niet vanavond echter. Giuseppe herinnerde me aan een brief van me waarin ik het over de vriendschap bij Aristoteles had gehad. Het was de mooiste brief die hij ooit van iemand had ontvangen, zei hij. Ik had daarin verwezen naar de uitspraak van Aristoteles dat een vriend een tweede ik is. Aristoteles maakt een onderscheid tussen drie soorten vriendschap: vriendschap gebaseerd op nut, op genot en wat hij de volmaakte vriendschap noemt, die tussen goede mensen, mensen die elkaars gelijken zijn op het stuk van voortreffelijkheid (wat ook als deugd wordt vertaald). “Hun vriendschap,” schrijft Aristoteles in de Ethica, “duurt dan ook voort zolang zij goed zijn; en voortreffelijkheid is duurzaam.” “Zo’n vriendschap is vanzelfsprekend duurzaam, want daarin zijn alle kenmerken verenigd die vrienden moeten hebben.” [1]
Giuseppe zei me dat ik zijn enige vriend ben. Het zou verschrikkelijk zijn mocht aan onze vriendschap een einde komen, voegde hij er nogal onheilspellend aan toe. Ik verwees opnieuw naar Aristoteles. Waren wij niet allebei voortreffelijke mensen? Waar moesten we dan bang voor zijn?

Giuseppe had onlangs in Playboy een interview met Sartre gelezen. Dat ging onder meer over diens amfetaminegebruik, wat Giuseppe fascinerend vond. Zelf keek ik ook wel op naar schrijvers die peppillen slikten, al was daar op zich geen enkele verdienste aan. Jack Kerouac, Tennessee Williams, Truman Capote… En waren Bob Dylans beste songs niet tot stand gekomen onder invloed van benzedrine? Giuseppe drong erop aan dat ik eindelijk Les Chemins de la liberté eens zou lezen. Ik was er al meermaals in begonnen maar had het boek nogal dor en langdradig gevonden. Veertig jaar later heb ik die trilogie nog steeds niet uitgelezen.
Mijn vriend vond dat het nu maar eens tijd werd dat ik ook een roman ging schrijven, die experimentele teksten in Aurora waren een doodlopend straatje. Ik betwijfelde of ik dat wel kon. Je moet dan een plan, een ontwerp maken en je daar vervolgens al schrijvend nauwgezet aan houden. Je moet personages bedenken, ze een innerlijk leven geven, een bepaalde manier van spreken, van zijn, je moet hun karakters uitdiepen en laten zien hoe ze zich in hun relaties met anderen en met de wereld ontwikkelen. Hoe ze betere mensen worden, of ten onder gaan. Je moet allerlei soorten mensen observeren, met ze praten, naar ze luisteren. Ik geloof niet dat ik dat allemaal kan. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, vanuit spontane opwellingen en onbewuste verlangens. Mijn geschrijf heeft een neurotische inslag, ik moet het doen om niet gek te worden. Of om me niet te vervelen. Al is het geen tijdverdrijf maar een innerlijke noodzaak. Omdat ik me in mijn schrijven soms laat gaan, waar die peppillen zeker een rol in spelen, heb ik achteraf een hoop werk om ballast te verwijderen, ik moet zoveel schrappen en herschrijven, structuur aanbrengen. Om een roman te maken moet je met die structuur beginnen.

Zo werd het zonder dat we het door hadden weer erg laat. Giuseppe wilde per sé de rekening betalen en gaf me meer dan voldoende geld voor een taxi. Ik zou toch dat hele stuk naar huis niet te voet afleggen?


[1] Aristoteles, Ethica, VIII-IX. Vertaald door Christine Pannier en Jean Verhaeghe.

Faye Dunavay in The Eyes Of Laura Mars

ZERO DE CONDUITE: SECRET STAGE

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in een universum met een schrikbarende toename van het aantal zwarte gaten. Het motto van deze show is  I may be old and I may be bent / But I had the money till it all got spent.
Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Deze aflevering van Zéro de conduite is een soort van vervolg op de uitzending van 6 juli 2019 met als thema imaginair festival (6 juli 2019). De inleiding die ik toen schreef is nog steeds van toepassing en hoeft hier niet herhaald te worden.

Voor vanavond heb ik me een klein en geheim podium voorgesteld waar een dertigtal geliefde zangeressen, zangers en bands mogen optreden. Omdat het een klein podium is zijn het niet de grootste namen die we te horen krijgen en omdat het geheim is wil ik er ook niet al te veel over kwijt. Hoe ziet het eruit? Wie is het publiek? Hoeveel kost een kaartje? Worden de artiesten wel behoorlijk betaald? En zij die al dood zijn, hoe zit het daarmee? De jong gestorvenen? Neal Casal, Elliott Smith, Warren Zevon… Hoe zit het met drank, drugs en seks? Laat je verbeelding het werk doen. Het gaat om niet veel meer dan een fantasie. Maar wel een geheel ander soort fantasie dan dat van de vertrekkende ‘president’ en zijn volgelingen.
Voor de keuze van de dertig songs heb ik me laten leiden door het element troost, wat ik wel vaker doe. Maar troost hebben we nu meer nodig dan ooit. Die vind ik echter niet in suikerzoete liedjes maar in wat mij vanwege echtheid en oog voor detail en ook wel door muzikale motieven weet te raken en te ontroeren. Behoefte aan schoonheid en troost betekent niet dat we voor altijd willen wegvluchten voor de realiteit. Dat zullen we nooit doen.
Geniet van de vibraties, blijf voorzichtig, zorg goed voor jezelf en voor vrienden en vreemden.

Opgedragen aan Jerry Jeff Walker en Billy Joe Shaver.


Mr. Bojangles – The Nitty Gritty Dirt Band – Stars and Stripes Forever  – Jerry Jeff Walker

Free To Walk – Isobel Campbell & Mark Lanegan – We Are Only Riders – Jeffrey Lee Pierce

Dead On The River (Rolling Down) – Ian Noe – Between The Country – Ian Noe

Pinnacle Mountain Silver Mine – Jake Xerxes Fussell – What In The Natural World – Helen Cockram

Killing The Blues – Robert Plant & Alison Krauss – Raising Sand – Rowland Salley

Maybe California – Neal Casal – Fade Away Diamond Time – Neal Casal

Powderfinger – Cowboy Junkies – The Caution Horses – Neil Young

Fear Is Like A Forest – Courtney Barnett & Kurt Vile – Lotta Sea Lice – Jen Cloher

Jesus, Etc – Puss N Boots – Wilco Covered – Jeff Tweedy

Pick Up The Change – Wilco – A.M. (2017 Remaster) – Jeff Tweedy

Underground Dream – Son Volt – The Search – Jay Farrar

Star – Allah-Las – LAHS – Correia

Come To Mary – Jesse Sykes & The Sweet Hereafter – Marble Son – Jesse Sykes

Claudia Cardinale – The Third Mind – The Third Mind (First Edition) – Dave Alvin, David Immerglück, Victor Krummenacher, Michael Jerome

(Straight Down To The) Bitter End – Yo La Tengo – Electr-O-Pura – James McNew

Arkansas – Damien Jurado – Saint Bartlett – Damien Jurado

Thoughts And Prayers – Drive-By Truckers – The Unraveling – Patterson Hood

Alameda – Elliott Smith – Either/Or – Elliott Smith

Gulfport You’ve Been On My Mind – Hiss Golden Messenger – Hallelujah Anyhow – M.C. Taylor

Blind Love – Tom Waits – Rain Dogs – Tom Waits

A Mess Of Blues – John Hiatt – Till The Night Is Gone: A Tribute To Doc Pomus – Doc Pomus

I Was In The House When The House Burned Down – Warren Zevon – Life’ll Kill Ya – Warren Zevon

Gunpowder – Patty Griffin – Servant Of Love – Patty Griffin

Do Right By Me – Margo Price  – All American Made – Jeremy Ivey, Margo Price

New York City Lullaby – Danny & Dusty – Cast Iron Soul – Dan Stuart, Steve Wynn

When She Comes Around – Steve Wynn – Dazzling Display – Steve Wynn

Highway 61 Revisited – Dave Alvin – Ashgrove – Bob Dylan

Goodbye Jimmy Reed – Bob Dylan – Rough And Rowdy Ways  – Bob Dylan

Hate To See You Go – The Rolling Stones – Blue & Lonesome – Walter Jacobs

Rocks On Rainbow – Ryley Walker – Deafman Glance – Ryley Walker

Research & samenstelling: Martin Pulaski

DE WENK VAN ASSEPOESTER

[Nachten aan de Kant 31]

Niets schijnt mijn nachtelijk verlangen naar roes en extase, naar de nabijheid van vreemde dansende lichamen te kunnen temperen. Vreemd zijn de mensen op de dansvloer omdat ze niet spreken, alleen maar bewegen, dichtbij omdat ze net als ik lustgevoelens uitwasemen en in hun gebaren de nood aan aanraking verraden. Wijst dit verlangen van mij op een sterke verwevenheid van eros en thanatos, of is dat een al te freudiaanse interpretatie?

De voorbije twee weken beleefde ik opnieuw van die intense nachten die vooral mijn zintuigen ontregelden. De eerste nacht hoorde ik voor de zoveelste keer de lokroep van de vochtige kelder die Cinderella’s Ballroom heet. Bizar toch, die naam: de balzaal van Assepoester. Maar ook wel gepast want gedanst wordt er de hele nacht en bijna alle jongens en meisjes – ik kan ze moeilijk mannen en vrouwen noemen – hebben extravagante schoenen aan hun voeten, al zijn ze niet van glas. Over de rode schoentjes van Senga had ik het al eerder. Mogelijk liggen de punkmeisjes die er ’s nachts komen dansen overdag in lompen gehuld dicht bij hun kolenkachels in de assen te slapen.
Alles in de balzaal van Assepoester is opwinding en genot en tegelijk zelfvernietiging en pijn. Voor mijn gezondheid en mijn zenuwen zijn dergelijke nachten nefast. Mijn longen verstikken in de rook, in de stank van de riolering; mijn poriën raken verstopt van het zweet en andere exhalaties. Je bent er niet veel meer dan je lijf, met lijfelijke driften en behoeften. Of bevat de muziek die DJ Maryse draait – songs zoals Ain’t That Nothing van Television, Police and Thieves van the Clash, Step By Step van Mikey Dread, Cheree van Suicide – een minder aards element, draagt zij impulsen over die je onbewust weer meeslepen naar het engelachtige niveau van de gedichten van Shelley en TS Eliot waarin je je overdag hebt verdiept?

Eerder die avond was ik in het Pannenhuis. Er was een tentoonstelling met gigantische, tijdloze werken van Frans Gentils, adembenemend mooi. Dergelijke doeken zie je doorgaans alleen maar in luisterrijke zalen van musea hangen maar nu kon je ze hier, in deze zogeheten nihilistische new wave artiestenkroeg bewonderen. Na de vernissage was er een rhythm and blues en reggae party, maar daar zijn we niet al te lang gebleven. Assepoester en haar dubbelgangsters Lucette, Alicia en Hadaly lieten opnieuw hun lokroep horen.

Zondagochtend om acht uur strompelden we de trap op, lijkbleek, mager, mooi als bijna verwelkte orchideeën. We haastten ons niet meteen naar huis: ik had er alles voor over om eerst nog de Schelde te zien. In haar nabijheid zou ik verlost worden van de donkere gevoelens die mij kort voor de dageraad hadden overmeesterd. De warmte van de zon, de verkoelende frisse wind die ons van de rivier tegemoet waaide. De meeuwen fladderend boven het met lichtvlekken doorspekte donkere water. Aan de overkant van de brede rivier de flatgebouwen van goud, waarin mensen zoals wij liggen te slapen. Opeens heb ik het gevoel dat alle dingen om mij heen transparant worden. Ik kijk naar Senga en zie een doorzichtige engel, haar handen, haar ogen. Ik voel de vernietigende elektriciteit en het gif in mijn lichaam als vampiers wegvluchten voor dit verblindende licht.

De tweede nacht begon op een vernissage van Guillaume Bijls tentoonstelling in Ruimte Z: transformatie van de galerij in een Autorijschool Z. Sinds 1977 had ik het werk van mijn vriend van nabij zien evolueren. Hij zag in alle geledingen van de maatschappij het economisch denken de overhand nemen. De hele samenleving en al het mooiste en voortreffelijkste in de mens zou al gauw worden opgeofferd aan efficiëntie en nut. De taal die van bovenaf naar beneden druppelde was die van managementsidioten en omhooggevallen parasieten. Guillaume ging nu met veel gevoel voor humor en ironie, maar ook bijzonder kritisch, de kunst vanuit die optiek benaderen: zo ontstonden zijn kunstliquidatieprojecten. Dit was zijn eerste: zoals Assepoesters goede fee een pompoen en een stel muizen omtovert tot een koets met paarden, veranderde Guillaume Ruimte Z in een autorijschool. Al was zijn kunstgreep het tegenovergestelde van feeëriek. Er zouden in de volgende jaren nog heel wat van die projecten volgen.
We waren er samen met Gabrielle D., die waarschijnlijk bij ons in de Dolfijnstraat zou intrekken, en met Giuseppe. Ik voelde me opnieuw gezond, uitgerust en in een prima stemming. Dat bleef de hele avond en nacht zo. Geen uitbundig de nacht wegdansen dit keer, maar lachen, praten en samen drinken. Onderweg naar een café aan de Kant heb ik in Sint-Katelijne Vest aan het witgeverfde beeld van de lijdende Jezus geknield zitten bidden. Tranen van geluk rolden over mijn wangen. Wat vonden mijn maatjes van mijn performance? Van de rest van de nacht herinner ik mij weinig. Het gebeurt almaar meer dat er na zo’n nacht gaten in mijn geheugen zitten. Ik geloof dat ik Gabrielle over mijn mislukte voordracht over Dante’s Paradiso vertelde. Die was door een verkeerde aanpak misbegrepen. Ik had mijn redevoering sarcastisch bedoeld, om met het sérieux van sommige academici en intellectuelen de spot te drijven, maar omdat ik een onervaren en schuchtere spreker ben en bovendien een middelmatige acteur, werd die als een ernstig vertoog geïnterpreteerd. Het publiek was ervan overtuigd dat ik mij had overgegeven aan etherische visioenen van het paradijs en dat ik Dante’s geometrische schoonheid bejubelde. Ze hadden mijn lectuur van Dante al te romantisch en wereldvreemd gevonden. Terwijl ik met Gabrielle over die mislukking zat te praten kon ik er eindelijk mee lachen. Dat herinner ik me nog.

De volgende dag bij het ontwaken de eeuwige kater. Niemand heeft dat soort lusteloosheid beter uitgedrukt dan Kris Kristofferson in Sunday Morning Coming Down. ’s Avonds bij Guillaume en Renée ging het al beter. Op televisie zagen we the Patti Smith Group live in het schitterend programma Rockpalast. Patti Smith liet nog een keer zien dat ze de hogepriesteres van de hedendaagse rock-n’-roll is. Een spirituele en tegelijk laag-bij-de-grondse sjamaan, een punkmeisje, een afstammelinge van Elvis Presley en een jongere zus van Jim Morrison. Haar intentieverklaring was So You Want To Be A Rock And Roll Star, oorspronkelijk van the Byrds. You’re a little insane, krijste ze; het klonk als een bezwering, een mantra. Samen met gitarist Lenny Kaye en de andere muzikanten van haar band riep zij de geest op van acidrock, de sound van Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service en the Doors, lange gitaarsolo’s, ijle en dromerige muziek. Ik hoorde nostalgie naar de gouden tijd van vrede en liefde maar net zo goed ontwaarde ik in haar gestes en gymnopédie de convulsieve schoonheid van André Breton. Met haar toeschouwers leek Patti Smith brutale seks te willen hebben. Ze besefte dat ze nooit eerder voor zo’n groot publiek had gespeeld, heel West-Europa was haar potentieel publiek. Dat maakte haar zichtbaar gelukkig maar ook enigszins bezeten en overmoedig. Ik voelde diep van binnen dat er iets neerdaalde, een vonk van herinnering aan een hoopvolle tijd en de belofte van verandering, ginds in dat concertgebouw in Essen.

Foto’s: Martin Pulaski

ENKELE WOORDEN OVER ANGST, VRIJHEID, GEHOORZAAMHEID EN VOORZICHTIGHEID

Een paar dagen geleden [1] schreef ik – bijna meer voor mezelf dan voor iemand anders – enkele bedenkingen over Covid-19 neer. Ik vroeg me onmiddellijk daarna af of het zinvol was om mijn steentje bij te dragen aan de discussie daarover. Ik ben namelijk geen specialist en heb geen enkele eigen mening. Erger nog: ik wantrouw mensen met een eigen mening. Tot inzichten en eventueel standpunten kom je door onderzoek, studie, gesprek, hard werken. Weinig komt uit jezelf.
Uiteindelijk vond ik het beter om deze overwegingen toch maar bekend te maken. Altijd maar zwijgen is niet bevorderlijk voor de (geestelijke) gezondheid.

Er wordt vaak beweerd dat onze federale regering ons bang maakt, dat de covid-19-maatregelen ons bang maken, dat de toon waarop de overheid en de media ons toespreken ons bang maakt. Mij maken de regering, de maatregelen en de toon waarop ik word toegesproken niet bepaald bang. Waarom niet? Omdat ik voorzichtig ben. Voorzichtigheid is een kunst die je onder de knie kunt krijgen. Omdat ik mij aan de regels houd. Ik houd mij aan de regels in de hoop dat we op die manier deze pandemie zo snel mogelijk onder controle krijgen en op die manier van de regels – die onze vrijheid inperken, dat geef ik toe – zo snel mogelijk af zullen zijn. Ik heb bijgevolg niet het gevoel dat ik streng en angstaanjagend word toegesproken. Het virus is iets om bang voor te zijn, niet de woorden van virologen, dokters en democratisch verkozen politici.

Ik las bij nogal wat mensen dat ze zich in hun vrijheid voelen aangetast. Ze vrezen zelfs dat we vanaf nu voor eens en voor altijd onvrij zullen zijn. Maar is volledige individuele vrijheid wel mogelijk? Is er niet altijd de samenhang van vrijheid en gemeenschap (of vrijheid en wet, vrijheid en staat)? Kun je vrij zijn als je je soortgenoten met je eigen vrijheid benadeelt? Is dat dan niet eerder egoïsme? Als ik mij nu aan de regels houd en voorzichtig ben is dat een keuze, een andere vorm van vrijheid. Ik doe het voor mezelf en voor jou, voor de gemeenschap.

Ik las dat dat Belgen de meest gehoorzame burgers van de wereld zijn. Dat durf ik te betwijfelen. Zijn wij zo gehoorzaam in het verkeer? Ik dacht van niet. Zijn wij met z’n allen zo gehoorzaam als we belasting moeten betalen? Hoe staan wij in de rij voor tram, trein, bus, bioscoop, theater? Op niet één plaats in het buitenland zag ik wat dat betreft zo’n chaos, zo’n ieder-voor-zich. Mogelijk zijn de Belgen – en vooral de Vlamingen – wel gehoorzaam en onderdanig als ze worden toegesproken door een Grote Leider, zeker als die het over ‘kaakslagen’ en ‘messteken in de rug’ heeft. Al mag ik niet veralgemenen. Ik ga ervan uit dat de meerderheid van mijn landgenoten niet handelt uit gehoorzaamheid en onderdanigheid maar uit voorzichtigheid en op basis van gezond verstand.

*

[1] Op 21 oktober, als reactie op een commentaar bij een zeer lezenswaardig artikel van immunologe Isabelle Meyts.

Afbeelding: Ezels, MP, augustus 2020

DE POSTMODERNE POSTBODE EN DE EINDELOZE NACHT

[Nachten aan de Kant 30 – April 1979]

De voorbije weken hielp ik Guy Bleus met voorbereidingen voor zijn nieuwe tentoonstelling/performance in het Pannenhuis: Smell Art/Mail Art. Je zou kunnen beweren dat Smell Art – ook olifactory art genoemd – geen nieuwe vondst is, onder meer Marcel Duchamp en Benjamin Péret gingen hem daarin voor. Maar voor mijn vriend is het in elk geval een nieuw avontuur en voor de toeschouwers en ook voor mezelf een soort van openbaring. Opeens besef je dat de reukzin in vergelijking met de andere zintuigen altijd al als minderwaardig werd beschouwd, zeker in de klassieke kunst. Is dat vanwege het verband van de reukzin met basale gevoelens als angst, seksuele drift en honger? [1] Ik heb de indruk dat nogal wat kunstliefhebbers dit nieuwe aspect in de ontwikkeling van Guy Bleus als kunstenaar niet erg au sérieux nemen. Dat is op zich niet zo erg, want smell art is inderdaad speels. Tegelijk is het esthetische kritiek op de esthetica, in de lijn van het dadaïsme en het surrealisme.

Op avond van de performance/voorstelling was het aantal aanwezigen eerder schaars. Waar waren de vaste klanten van het Pannenhuis? Guy heeft maar vijf van zijn diploma’s kunnen uitreiken. Ja, zijn roemruchte diploma’s waren er ook. Overigens is uitreiken niet helemaal correct, je moet er immers voor betalen. Zelf heb ik een diploma van doctor in de neuropsychiatrie, zo echt dat ik er meteen mee aan de slag zou kunnen gaan. Ik heb al wat ideeën voor de inrichting van mijn praktijk, nu nog een geldschieter vinden. Of ik maak er een filosofisch kabinet van, in Nederland bestaan die al, dat las ik onlangs in een of andere krant. Het viel me opnieuw op hoe sierlijk de fake handtekeningen van Guy Bleus zijn. Autogrammen als die van Rimbaud geven zijn diploma’s zoveel meer cachet dan de echte exemplaren. Wat is mijn handtekening in vergelijking daarmee onvolwassen, lelijk zelfs.
Guy zei me dat ik ook maar eens moet tentoonstellen; waarom doe ik niet eens iets met mijn gedichten? Ik twijfel nog. Gedichten dienen niet om naar te kijken, of ze zouden er als de Calligrammes van Apollinaire moeten uitzien. Maar hij heeft gelijk dat ik mijn werk op de een of andere manier moet tonen. Dat ik er aandacht moet voor vragen. Want mijn werk, dat ben ik.

Bij Guillaume en Renée zagen we La Notte van Michelangelo Antonioni. Ook dat was een openbaring. Waarom heb ik die modernistische film nooit eerder gezien en wel Blow-Up en Zabriskie Point? In La Notte heeft de regisseur uit Ferrara meerdere thema’s verwerkt. Een strak verhaal is er niet. Helemaal in het begin daalt de camera af van ergens boven in de Pirelli Toren in Milaan en laat je zo een blik werpen op de stad in wederopbouw. Je wordt een stille getuige van een huwelijk, dat van de romanschrijver Giovanni Pontano en zijn vrouw Lidia, dat niet meer te redden valt. Je kijkt mee door de ogen van Lidia en ontdekt Milaan als een poëtisch-architecturaal universum. Terwijl de nieuwe, moderne stad ontstaat voorvoel je al haar verval. Het volume van de wolkenkrabbers, het alomtegenwoordige beton en staal, het op hol geslagen, letterlijk verstikkende verkeer, werken de vervreemding in de hand. Je voelt aan dat niemand het hier honderd jaar zal volhouden, tenzij als ongelukkige slaapwandelaars. In de buitenwijken word je samen met Lidia lyrisch, maar niet lang. Want ook daar rukken de betonboeren op en waar tot voor kort weideland was is er nu wasteland. Dat woord van TS Eliot staat hier niet zomaar. Daar ontwaren we een groepje mannen die vuurpijlen de lucht in schieten, ze lijken op kleine raketten, met als grootste verschil dat ze geen doel hebben. Ze gaan in rook op. Deze randmensen verdrijven de schrikbarende tijd met zinloze handelingen en gestes. Je voelt Lidia’s ontreddering. Niet alleen haar huwelijk is gedoemd, de hele mensheid lijkt van zin verstoken. Toch lijkt haar verwarring niet te beletten dat ze ook nog prettige herinneringen heeft. Soms verschijnt er zelfs een glimlach op haar gelaat. Maar hoe hevig haar emoties ook zijn, ze blijven ingehouden. Het moet gezegd: Jeanne Moreau is voor deze rol de perfecte actrice.

De teleurgestelde romanschrijver Giovanni Pontano personifieert het probleem van de moderne literatuur, de betekenis van de schrijver en van de kunstenaar in het algemeen. Is het beroep van schrijver, een soort van subliem ambacht (Pontano als “il miglior fabbro”) niet achterhaald in het tijdperk van de technologie en een mogelijke nucleaire Dag des oordeels? Hoort iemand als Pontano ondanks zijn succes niet in een museum thuis? Waartoe nog gekunstelde zinnen bouwen die over de werkelijkheid gaan? Een ondernemer laat echte huizen en echte bruggen bouwen, laat echte schepen varen, echte vliegtuigen vliegen, echte arbeiders arbeiden.
De taperecorder van Valentina, de dochter van de rijke industrieel Gherardini, maakt de schrijfmachine als attribuut van de creatieve schrijver al bijna overbodig. De macht van een industrieel overschaduwt elke macht die een schrijver eventueel zou kunnen uitoefenen.

La Notte is doordrongen van de filosofie van het absurde. Het existentialisme van Albert Camus bepaalt in 1961 de tijdsgeest, ook bij de Italiaanse kunstenaars en intellectuelen. Het leven heeft geen zin en het spel heeft geen regels. “Je moet toch iets doen,” zegt Lidia als motivatie om naar een feestje van Gherardini te gaan.
Er wordt veel gezwegen in de films van Antonioni, en in La Notte mogelijk het meest van al. Iedereen in en rond de villa van Gherardini is eenzaam, niemand slaagt erin om tot de andere door te dringen. Niemand zegt wat hij of zij voelt, de taal is ontoereikend. Niemand kent de regels van het spel. Het luxueuze zwembad lijkt een uitvinding van aliens.

Je krijgt als toeschouwer niet één keer de kans om de tijd te vergeten. De nacht duurt lang, het is loden tijd. Hij wil maar niet wijken voor de dag. Je gaat zo hopen dat de film niet te lang meer zal duren. Je wilt uit die eindeloze nacht weg. Je bent er te zeer aan je lot overgelaten, ‘moederziel alleen’. Ik heb geen inspiratie, zegt Pontano tegen zijn vrouw Lidia, alleen maar herinneringen.

Ook in de salon van onze vrienden werd er na afloop van La Notte nog lang gezwegen. Met behulp van een glas bier en wat flauwe grappen brak uiteindelijk het ijs. Het was maar een film. Niets had ons beschadigd.

*

April 1979 – oktober 2020 [1] “Tips voor je eerste date: zorg dat er geen vieze luchtjes om je heen hangen, was je kleren goed, ga eens naar de mondhygiëniste, ”  aldus Iris Sommer, auteur van De zeven zintuigen, Over waarnemen en onwaarnemen.

VADER, ZOON, VRIEND

[NACHTEN AAN DE KANT 29. MAART 1979]

Venez, venez vite
Je veux tout, mais tout de suite
Entrez dans ma danse
Moi je me balance, Georges Moustaki
[1]

Paul Rigaumont kwam ons een schilderwerkje brengen. Het heet De angst voor de verkorzeling en het is mooi en expressief, hoewel nog altijd een beetje in de stijl van Paul Klee. De schilder zegt dat het koude romantiek is. Ik weet niet goed wat hij daarmee bedoelt, maar als ik nog een keer, nu wat aandachtiger, kijk weet ik het wel. Paul gebruikt graag woorden als verkorzeling. Heeft het belang of dat woord niet bestaat in de Nederlandse taal? Nee, dat heeft geen belang. Het is een handschoenwoord. En wat dat dan is, een handschoenwoord? Dat moet je maar aan Paul vragen.

We verbleven drie dagen bij mijn ouders in Lanaken. Carnaval is het minst geschikte moment om daar naartoe te gaan. Al het lelijkste in de mens komt dan naar boven. Ik heb slechts één aangename herinnering aan dat verblijf. Ik herinner mij namelijk met genoegen de film La fiancée du pirate, een bescheiden maar giftig juweeltje (“poésie amère”) van Nelly Kaplan met in de hoofdrol één van mijn meest geliefde actrices, de sprankelende Bernadette Lafont. Marie, de dochter van een ‘dorpsheks’, besluit prostituée te worden. Ze verandert de hut waarin ze met haar moeder woont in een magisch bordeel en wreekt zich met de middelen die de natuur haar geschonken heeft, en de natuur is zeer mild geweest, op de dorpelingen, met hun hypocriete moraal.

Met mijn vader voel ik minder verwantschap dan met mijn schilderende koud-romantische vriend. Ik wil niet op hem lijken. Ik wil elke band met hem verbreken, zelfs de genetische. Mooie fantasie! Onmogelijk dat je niet op je vader lijkt, hoezeer je je ook inspant om volstrekt van hem te verschillen. Maar mogelijk kun je met een krachtige, volgehouden inspanning van de wil er geleidelijk aan toch minder gaan uitzien als hij en uiteindelijk een andere mens worden. Over tien, twintig jaar nog eens in de spiegel kijken. [2]

Vandaag ging ik even bij de dokter langs om iets over de toestand van mijn longen te vernemen. Die is erbarmelijk, maar het gaat al beter, meneer Pulaski, zei de welwillende dokter Clerckx. Beter, het zal wel zijn als ik nacht op nacht in rokerige kroegen en vochtige punkkelders zit, waar het stinkt naar pis en zweet – en soms bloed.
Thuis zat Paul Luyten op me te wachten. We hadden elkaar sinds december niet meer gezien. Paul heeft nu een dikke snor, waardoor hij enigszins op Nietzsche lijkt. In Pauls leven is er op die drie of vier maanden veel veranderd. Hij woont nu in Gent, waar hij een boekwinkel heeft overgenomen. Zijn plannen voor een loopbaan als acteur of als regisseur heeft hij opgegeven. Hij beweert dat hij onvoldoende talent heeft, waar ik het niet mee eens ben. Hoewel ik hem nooit heb zien acteren of regisseren. Het is intuïtie. Ik herken me in dat soort van zelfonderschatting en wegvluchten in bescheidenheid. Die is helemaal niet gespeeld of vals. Paul is uitermate intelligent en een van de meest integere mensen die ik ken. Ik weet niet wat ik van deze beslissing moet denken. Welke toekomst staat hem te wachten? Wordt hij een kleine zelfstandige, een zakenman? Hij klinkt niet erg enthousiast. Maar beter boekhandelaar dan slager of klaploper – of eeuwige amateur en grote belofte zoals ik. Veel geluk Paul, het komt allemaal goed.


[1] Een liedje uit de soundtrack van de film La fiancée du pirate, gezongen door Barbara.
[2] Deze aanmerkingen over mijn vader dateren van 1979. Later is mijn verhouding met hem beter geworden. Sindsdien heb ik al lang aanvaard dat ik op hem lijk en dat daar niets mis mee is.

STAMGASTEN

[NACHTEN AAN DE KANT 28. MAART 1979]

Een paar dagen na de openbaring van Charles Bukowski zat ik met enkele vrienden in het Pannenhuis. Dat was nu een vertrouwd toevluchtsoord geworden. Senga en ik waren eerst in de Cartoons, een kleine bioscoop voor cinefielen in de Kaasstraat, naar The General, het meesterwerk van onze uitverkoren komiek Buster Keaton gaan kijken. Het is tot op vandaag een van mijn meest geliefde films. Na de voorstelling liepen we in stilte over de Grote Markt, die ik altijd al zoveel mogelijk probeerde te vermijden omdat de onregelmatige vorm ervan me neurotisch maakt. De Brabofontein van Jef Lambeaux leidt me evenwel soms in bekoring, en dan kan ik maar moeilijk aan de neiging weerstaan om erop te klimmen. Dat deed ik niet: we sloegen de Kaasrui in en liepen via de Wijngaardstraat naar het Conscienceplein, het hart van de Kant.

In het café van Greta en Toulouse troffen we Guillaume en Renée aan, haar zus Chantal en haar vriend Gazoe. We waren met z’n allen in een ernstigere stemming dan meestal het geval is. Senga vertelde wat over The General, hoe teleurgesteld Buster Keaton was geweest over de negatieve reacties. De film had destijds helemaal geen succes gehad, recensenten vonden er niets grappigs aan. Mijn vriend Guy Bleus had bij hem thuis in Wellen een grote poster van Buster Keaton hangen. Buster was voor hem een lichtend voorbeeld. Na een paar glazen bier en wijn werd de sfeer wat losser, zoals dat wel vaker gebeurt. Gazoe was onder de indruk van Voyager 1, die net Jupiter had bereikt. Renée merkte op dat die raket sneller op Mars geraakt dan Gazoe met zijn bestelwagentje van in de Wolstraat tot aan de Dageraadsplaats. Gazoe had gelezen dat de Voyager muziek aan boord had, maar wist niet meer wat precies. Ik had er een lijstje van gezien en had een nummer van Chuck Berry, Dark Was the Night van Blind Willie Johnson en een van de Brandenburgse concerten van Bach onthouden. Renée vroeg zich af of er geen Jupitersymfonie was meegestuurd. Gazoe stelde zich de Jupitermannetjes en -vrouwtjes voor, luisterend naar No Particular Place to Go. Senga zat nog met Buster Keaton in het hoofd. Die zag ze nog niet meteen dansen op de rock and roll van Chuck Berry. Zelf dacht ik opeens aan Worstenman VDB: die vetzak heel zeker niet. Chantal wees erop dat er nog een stel varkens losliepen aan de Franse grens. Of die varkens al dan niet konden dansen, dat wist Guillaume, die al een hele tijd had gezwegen, nog zo maar niet. Hij vond dat Bruce Springsteen erbij moest zijn in die raket, een hedendaagse versie van Chuck Berry. Onlangs, tijdens een televisieavond bij Guillaume en Renée, hadden Senga en ik de zanger uit Asbury Park voor het eerst live gezien. Ik had hem geweldig gevonden. Springsteen was inderdaad, zoals Jon Landau beweerde, de herboren ziel en de toekomst van rock & roll. Hij laat het poppeloton ver achter zich, hij is een Fausto Coppi, een Eddy Merckx, niemand haalt hem nog in. Guillaume herhaalde nu hoe fantastisch hij hem vond, een blanke James Brown, en dan nog eens die briljante E-Street Band met hun aanstekelijke jive. Dat ritme, tsjak tsjak tsjak! Ik kwam helemaal op dreef. Ik zag in hem een positieve held, iemand die ons zowel opwinding als moraal brengt. Hij houdt zijn publiek voor wat een goed leven is. Je kunt niet zomaar als een blinde leven, je moet een droom hebben, een ideaal dat je moet proberen te verwezenlijken. Guillaume vreesde dat ik te ernstig werd. Voor hem was de zanger net zo goed een hansworst, een poesjenel, een clown, een rondreizende predikant en een verleider. Ja, een gunslinger bovendien, voegde ik eraan toe. Guillaume was in zijn nopjes nu Bo Diddley ter sprake kwam. Bo Diddley was een van zijn oude helden. Die rechthoekige rode gitaar van hem, dat was voor Guillaume pure popart. Niet toevallig dat Peter Blake hem heeft geschilderd, vond hij. Fantastisch werk, beaamde Renée. Bij de uitvoering van Rosalita deed hij me aan Dean Martin in Rio Bravo denken. Waarom weet ik eigenlijk niet en hij heeft al helemaal niets van een borrachón. Gazoe riep uit dat hij, Gazoe, hier de borrachón was. Renée was dan weer van mening dat Springsteen niet alleen maar een held en een moralist was maar in de eerste plaats een vuile rock & roller. Daar waren we het allemaal mee eens.
Senga vertelde dat François en Astrid hun schip hadden verkocht en nu aan de wal woonden. Ze hebben in Hoeselt een café overgenomen. Chantal vroeg zich af waar dat ergens was, Hoeselt. Ik wees naar een onzichtbare kaart van België en zei dat Hoeselt een stadje in Limburg is, niet ver van Bilzen. Die Derby, dat komt door mijn schoonzus, een meisje van de wal. Ze was het leven aan boord zo beu als koude pap. En nu zitten ze daar in dat dorpscafé. Als dat maar goed afloopt. Het lijkt me zo’n typisch stamcafé voor leeglopers en zatlappen. Borrachóns, riep Gazoe uit. Senga merkte op dat er toch maar een jukebox stond, een Seeburg nog wel, en dat wij er onlangs een keer geweest waren en hadden gedanst op Da Ya Think I’m Sexy. Rod Stewart!, lachte Renée. Guillaume, de ware familieman, dacht dat het allemaal wel goed zou komen met Astrid en François en zei dat hij ons bij een volgende gelegenheid wat reproducties van Peter Blake zou laten zien. Vervolgens liep hij, statig en als altijd geheel in het zwart, naar de toog en bestelde bij Greta, die in een pocket zat te lezen, waarschijnlijk misdaad, nog een rondje.

Het was al laat toen ik aan diezelfde toog in gesprek raakte met Maria Mentens. Eigenlijk was het voornamelijk luisteren wat ik deed. Maria vertelde over haar vader, Michel Mentens. Hij was ambtenaar van beroep maar had eigenlijk acteur willen worden. Hij had een zwak voor kunstenaars, meer nog als ze jong en idealistisch waren. Geborneerde types vervullen hem met weerzin. Dat eerste had ik een paar jaar eerder zelf ervaren in Doorndal, een jeugdhuis in Sint-Pieters Woluwe, waar we mijn toneelstuk Dr. Jekyll & Friedrich Nietzsche hadden opgevoerd, met Senga in de rol van de Egyptische buikdanseres en prinses Mumie Ma. Ik had haar willen inwikkelen in witte linnen zwachtels. Daar zouden we haar tijdens het hoogtepunt uit bevrijd hebben, om het publiek met haar naakte Egyptische schoonheid uit het veld te slaan. Daar was niets van terecht gekomen: Senga was te schuchter geweest en bovendien heb je voor zo’n inwikkelproces 375 vierkante meter stof nodig en duurt het ongeveer veertien dagen. We moesten realistisch blijven: het stuk ging niet eens over een Egyptische prinses. Michel Mentens was erg enthousiast geweest en had me aangemoedigd. Mijn vader heeft veel respect voor acteurs en alles wat met theater te maken heeft, zei Maria. Voor hem maakt het niet uit of je beroemd bent of niet. Hij ziet meteen of wat je doet uit het hart komt. Heb je hem nooit bezocht in het huis aan Mooi Bos, vroeg ze. Helaas niet, zei ik. Senga en ik zijn kort na die voorstelling naar hier verhuisd. Misschien waren we toch beter in Brussel gebleven. Nee hoor, zei Maria, hier is het veel beter. Alleen al voor deze kroeg zou ik naar Antwerpen verhuizen. In Brussel staan ze nu uren voor jou in de kou, zei ik. Zot, zei Maria. Opeens kreeg ik zin om haar te kussen. Maar we hingen aan de toog en Toulouse en Greta hadden er duidelijk genoeg van. Tijd om te vertrekken uit de Kant.

ZERO DE CONDUITE: EMMYLOU HARRIS’ JUKEBOX

Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in een universum met een schrikbarende toename van het aantal zwarte gaten. Het motto van deze show is I hear the sound of sorrow in the wind / Blowing down from every mile I’ve ever been.

Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Emmylou Harris is op enkele uitzonderingen na pas laat in haar carrière zelf songs gaan schrijven. Van in het prille begin, nog voor Chris Hillman – van the Byrds en the Flying Burrito Brothers – de jonge folkie ontdekte en Gram Parsons haar vroeg voor de vrouwelijke samenzang op zijn solodebuut GP (1973), was zij al geïnteresseerd in songs die sterke emoties uitdrukten. Vanaf haar debuut, het album Gliding Bird uit 1970, heeft de zangeres op de composities van een groot aantal bekende en vooral minder bekende artiesten de onmiskenbare Emmylou-stempel gedrukt. Feit is dat de zangeres met de engelenstem, vaak overvol tristesse maar soms ook bijna ruig rockend, een voortreffelijke smaak heeft. Dat blijkt alleen al uit de grote hoeveelheid liedjes die ze doorheen de jaren op haar albums en live heeft gecoverd en uit haar talloze onovertroffen duetten. Al moet worden toegegeven dat ze in de keuze van haar repertoire vaak werd bijgestaan door partners als Brian Ahern en Rodney Crowell.
Vanavond luisteren we naar de achtendertig beste songs van de tweehonderd op de Wurlitzer 2000 jukebox van Emmylou Harris, al mag er over mijn keuze, liefst achteraf, worden getwist. In sommige gevallen laat ik de originele versie horen, soms zijn het ook weer covers. Tussendoor mag de songbird zelf wat zingen, evenals haar eerste muzikale liefde, Gram Parsons.

Veel luisterplezier!

The Sweetheart Of The Rodeo – Emmylou Harris – The Ballad Of Sally Rose – Emmylou Harris/Paul Kennerley

Hickory Wind – The Byrds – Sweetheart Of The Rodeo – Gram Parsons/Bob Buchanan

Wheels – The Flying Burrito Brothers – The Gilded Palace Of Sin – Parsons/Hillman

Luxury Liner – Emmylou Harris – Luxury Liner – Gram Parsons

Mystery Train – Elvis Presley – Sunrise: The Complete Sun Masters – Parker/Phillips

I’m Moving On – Taste – Taste – Hank Snow

Restless – Carl Perkins – Restless: The Columbia Recordings – Carl Perkins

Together Again – Richard & Linda Thompson – In Concert, November 1975 – Buck Owens

Cry One More Time – J. Geils Band – The Morning After – Peter Wolf

We’ll Sweep Out The Ashes In The Morning – Gram Parsons – GP – Joyce Allsup

Rough and Rocky – Gene Clark – Roadmaster – Flatt/Scruggs

Here, There And Everywhere – The Beatles – Revolver – McCartney

Love Hurts – The Everly Brothers – A Date With The Everly Brothers – Boudleaux Bryant

Tennessee Waltz – Otis Redding – Sweet Dreams: Where Country Meets Soul Vol. 2 – Redd Stewart/Pee Wee King

Save The Last Dance For Me – The Drifters – Save The Last Dance For Me – Pomus/Shuman

You Never Can Tell (1964 Single Version, Mono) – Chuck Berry – Gold: Chuck Berry – Chuck Berry

Lodi – Creedence Clearwater Revival – Green River 40th Anniversary Edition – John Fogerty

Evangeline – Emmylou Harris & The Band – Duets – Robbie Robertson

Ooh Las Vegas – Cowboy Junkies – Return Of The Grievous Angel: A Tribute to Gram Parsons – Gram Parsons/Rik Grech

Christine’s Tune – The Flying Burrito Brothers – The Gilded Palace Of Sin – Parsons/Hillman

The Price I Pay – Emmylou Harris & Desert Rose Band – Duets – Bill Wilds/Chris Hillman

Didn’t Leave Nobody But The Baby – Emmylou Harris, Alison Krauss & Gillian Welch – O Brother, Where Art Thou? – Traditional

Miss The Mississippi And You – Jimmie Rodgers – Jimmie Rodgers 1932: No Hard Times – Halley

Blue Kentucky Girl – Loretta Lynn – Blue Kentucky Girl – Johnny Mullins

Coat of Many Colors – Dolly Parton – Coat Of Many Colors – Dolly Parton

You’re Learning – The Louvin Brothers – Encore – Ira & Charlie Louvin

The Bottle Let Me Down – Merle Haggard & the Strangers – Swinging Doors (And The Bottle Let Me Down) – Merle Haggard

Beneath Still Waters – George Jones – My Country – Dallas Frazier

Darkest Hour Is Just Before Dawn – Emmylou Harris – Roses In The Snow – Ralph Stanley

Wayfaring Stranger – 16 Horsepower – Secret South – 16 Horsepower/Edwards

Mansion On The Hill – Bruce Springsteen – Nebraska – Bruce Springsteen

I Don’t Love You Much Do I – Guy Clark – Boats To Build – Guy Clark/Richard Leigh

Pancho & Lefty – Townes Van Zandt – The Late Great Townes Van Zandt – Van Zandt

Orphan Girl – Gillian Welch – Revival – Gillian Welch

Sweet Old World – Lucinda Williams – Sweet Old World – Williams, Lucinda

Goodbye – Steve Earle – Train A Comin’ – Steve Earle

May This Be Love – Jimi Hendrix Experience – Are You Experienced? – Jimi Hendrix

It’s Only Rock ‘n’ Roll – Emmylou Harris – White Shoes – Billy Swan



Research & samenstelling: Martin Pulaski

Boeiende lectuur: Geert Henderickx, De derde stem


BEDACHTZAME VERSPREKINGEN

De dagen hangen aan elkaar met de lijm van de eentonigheid. De wereld is uit zijn voegen; rampspoed, ongenoegen, woede alom. Toch zit ik maar wat voor mij uit te staren, ternauwernood bij iets betrokken, uitgeteld, van het warme leven uitgesloten. Weinig langspeelplaten worden uit hun hoezen gehaald, weinig boeken uitgelezen, geplande teksten blijven ongeschreven. Alleen in een al aan de randen afgesleten scherf van het verleden leef ik in woorden soms wat op, in het gezelschap van een goede vriend, hij die in de herfst van 1991 uit het leven stapte. Van hemzelf, de man, blijft weinig meer over dan de overwoekerde herinneringen die ik aan hem heb en enkele boeken – verzamelingen van ooit onsterfelijke dichters, een encyclopedie van onzichtbare films – die hij me schonk. De gulle, onvervangbare vriend. Vaak denk ik nu aan Coming Down Again van the Rolling Stones, opnieuw zo toepasselijk geworden:

Coming down again, coming down again
Where are all my friends?

Soms ben ik nog boos. Zoals maandag en dinsdag over het misdadige taalgebruik van Vlaamse politici, niet die ene, meerdere. Ik uitte mijn ongenoegen op facebook en wens die weloverwogen boze woorden hier niet te herhalen. Mijn protest kreeg bijval, maar wat had ik anders verwacht? De meeste van mijn facebookcontacten (en al mijn vrienden, hoe ver weg ook) zijn beschaafde mensen. Hopelijk zijn die onzichtbare, met rede begiftigde zielen, dat zelfs allemaal. Toch zie ik ook bij sommigen in dat algoritmische universum redenen tot ongerustheid. Ik zie onder hen de wanhoop en uitzichtloosheid toenemen. Verontrustend is dat sommigen in fanatici veranderen. Zo is er een kunstenares die elke dag opnieuw beweert dat het levens verwoestende virus – 200.000 doden in de VS, 10.000 in ons land – niets bedreigends heeft, waarvoor ze uit een groot aantal onbetrouwbare bronnen ‘bewijsmateriaal’ aanvoert. Zo zijn er meer en hun aantal lijkt toe te nemen. Zelfs Van Morrison, van wie ooit werd gedacht dat hij een visionair was, is toegetreden tot de Confederacy of Dunces, om het zo oneerbiedig met die woorden van John Kennedy Toole uit te drukken. Zal ik haar, de kunstenares, ontvrienden? Ik bewonder haar werk al zo lang. De boeken met reproducties van haar schilderijen liggen en staan hier binnen handbereik. Je ontvriendt niet iemand die anders denkt, dat weet ik. Maar is het wel denken wat mensen als zij doen, of is het fanatisme, mogelijk ingegeven door angst of existentiële onzekerheid?

Soms ben ik nog bedroefd. Als ik van oude vrienden maandenlang niets hoor. Maar dan vraag ik me meteen af of ik zelf wel een levensteken geef. De sociale media hebben wat mij betreft het briefschrijven onmogelijk gemaakt. Dat was al begonnen met e-mail, maar lange tijd ben ik toch in die vorm brieven blijven schrijven, ben ik blijven doen alsof het brieven waren. Ik dacht modern en zelfs postmodern te zijn en tegelijk de stijlen en gebruiken van de negentiende eeuw – en antieker – te continueren. Soms ben ik ook bedroefd omdat ik degenen die ik niet hoor zelfs niet zie. Dat geeft mij het gevoel dat ik al niet meer besta. Op zes maanden tijd heb ik één keer mijn zoon gezien. Buitenshuis, omdat mijn huisarts dat adviseerde. Af en toe praat ik even met de buren van hiernaast, als ze hier voor de deur staan met wat boodschappen voor ons, water en bier. Een keer zaten we een middag bij hen in de tuin, te converseren en wijn te drinken, op voldoende afstand, op onze hoede. Met mijn vrouw voer ik natuurlijk ook nog gesprekken. Maar die gaan bijvoorbeeld over dat ik niemand meer zie en met niemand meer praat, dat de wereld uit zijn voegen is. Vervolgens laat ik haar Coming Down Again horen.

Soms ben ik nog ontzet. De toestand in de Verenigde Staten is explosief. In mijn jeugd en ook later was the Big Country het land van mijn dromen. Toen ik in de eerste helft van de jaren negentig eindelijk met de Greyhound door Amerika kon gaan reizen ging een lang gekoesterde wens in vervulling. Elke straat, elk dorp, elke grootstad, elke staat en alle woorden die mij tegemoet kwamen en alle muziek in alle bars en clubs en platenwinkels – alles daar wond mij op en veroverde mijn hart. Nu blijft van die gigantische betovering weinig over. Sinds de tiran Trump met zijn hart van geld is opgedoken, maar eigenlijk al langer, is het een land waar ik bang voor ben. Het lijkt op een instortend rijk, ten prooi gevallen aan waanzin en zelfvernietiging, maar nog steeds gevaarlijk vanwege zijn leger, zijn nucleaire wapens.

Soms ben ik nog bezorgd. In Europa staat de enige politieke leider waar ik vertrouwen in had op het punt te vertrekken. Angela Merkel heeft er alles voor gedaan om ons met elkaar en met de rest van de wereld te verzoenen; vooral met degenen die in angst voor geweld en oorlog en in armoede naar hier komen, omdat ze denken dat het hier beter is. Ze is daar zo te zien niet in geslaagd. Zal iemand als Ursula von der Leyen zich even sterk tonen, zal zij ons weer verenigen? Zal zij een politicus met een menselijk gelaat zijn? Ze lijkt me een moedige en doortastende vrouw, maar de vijanden van de rede staan al klaar om uit hun duister moeras tevoorschijn te treden, met hun irrationele slogans en hun haatvolle monden, met hun voor het hanteren van wapens afgerichte handen.

Wou je mij iets zeggen, iets schrijven? Heb je mij iets te vertellen? Is dit leven nog de moeite waard om te leven? Is het verkeerd te denken dat de jongeren ons hebben opgegeven? Dat ze niet langer, zoals wij in het verleden deden, te rade willen gaan bij oudere, door ervaring wijzer geworden vrouwen en mannen? Dat ze ons liever kwijt dan rijk zijn? Vergis ik mij? Waarom hoor ik je stem niet? Ben je met verstomming geslagen of ben je even sprakeloos als ik? Leef je net zoals ik alleen nog maar in het verleden, in een klein deeltje daarvan, in die korte tijdspanne waarvan je denkt dat je toen alles had wat je nodig had en al de rest, auto’s en huizen en reizen naar exotische stranden en steden, overbodig was? Ik weet het niet. Ik weet niet wat we nog zijn en waar we nog zijn en waar we naartoe gaan.

*
Foto: Agnes Anquinet

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

[NACHTEN AAN DE KANT 27]

Waarom die lange nachten zonder slaap? Vrees je dat je anders te weinig uit het leven zal halen? Het moet angst voor de dood zijn, of de vrees voor een te kort leven. Je wilt elk ogenblik bewust ervaren. Zelfs tijdens een roes wil je je hoofd niet verliezen. To be alive is to be awake, stelde Henry David Thoreau lang geleden al vast. Slaap is niet de broer van de dood, het is de dood zelf.
Je was niet de enige die dacht dat je op je 27ste aan je einde zou komen. In 1969 Blankenberge lag je tezamen met vijf of zes hippies op de grond of op een bed in een voor de rest lege kamer boven een café. Een van je Brusselse kameraden lachte toen hij je een joint doorgaf. Jij hebt toch astma, Martin, ha ha, jij eindigt nog zoals Brian Jones. Brian Jones was kort tevoren, en niet lang nadat Mick Jagger en Keith Richards hem zijn ontslag als Rolling Stone hadden gegeven, op zijn 27ste overleden. Brian Jones, die the Rolling Stones had opgericht en de groepsnaam had bedacht. Je lachte zelf ook. Het was de eerste keer dat je hasjiesj rookte. Je verdween in een droom, daartoe ook nog eens aangespoord door A Saucerful of Secrets van Pink Floyd. Behalve een bed, of mogelijk twee bedden, stond er in die Blankenbergse kamer dus ook een platenspeler, en mogelijk zelfs een kastje, waar die platenspeler op rustte.

Hoe moe ik ook ben, toch kom ik uit bed: ik moet werken, schrijven. Gisteren ben ik met Giuseppe naar de bioscoop geweest. We zagen, een beetje tegen mijn zin, Sisters van Brian De Palma. Ik ben niet meteen een liefhebber van het horrorgenre, een van de weinige smaakverschillen met mijn vriend. Voor mij was het een merkwaardige ervaring. De film was meeslepend en mysterieus maar ik vond hem ook wat amateuristisch. Heb je werkelijk zoveel referenties naar andere films – in dit geval naar die van Alfred Hitchcock – nodig als je zelf een authentiek regisseur bent? Ook het thema van de Siamese tweeling / schizofrenie vond ik vergezocht. Na de film liepen we zwijgend naar Giuseppe’s flat in de Vinkenstraat. Hij zal ongetwijfeld geweten hebben dat ik niet zo had genoten van de film en ik had geen zin om mijn bedenkingen uit te spreken. Je moet elkaars voorkeuren en afwijkingen respecteren. Bij hem thuis dronken we een paar glazen bier. Giuseppe is een bewonderaar van Charles Bukowski. Ook daarin verschillen we enigszins van smaak. Bukowski is een uniek dichter en schrijver maar zijn directe stijl ligt me niet zo, al vind ik hem als vieze oude man wel een fascinerend personage. Giuseppe nam het bijzonder mooi uitgegeven boek Love is a dog from hell van de salontafel en las enkele fragmenten voor.

there’s no chance
at all:
we are trapped
by a singular
fate.

nobody ever finds
the one.

Hij las meer dan dat. Hij las het grappige cockroach, het bitterzoete who in the hell is Tom Jones en het trieste 462-0614 en hij las zo lang tot ik er niet meer onderuit kon: Charles Bukowski is niet alleen een dirty old man maar ook een erg begaafde en inventieve dichter. Met de echo van zijn eenvoudige veelzeggende woorden en beelden in mijn hoofd keerde ik naar huis terug waar mijn geliefde zeker al lag te slapen.

DE KUNST VAN HET ETEN

[NACHTEN AAN DE KANT 26]

Nu is het aan mij om tentoon te stellen in het Pannenhuis; een droom die in vervulling gaat. Zie je me? Ik ben druk in de weer. Gelukkig steken Greta en Toulouse, die lieverds, een handje toe. Mijn werk is schatplichtig aan de kaligrammen van Guillaume Apollinaire, bijvoorbeeld ‘La mandoline l’oeillet et le bambou’. Ik schaam me wel wat voor dat plagiaat. Maar is dat nodig? “Le plagiat est nécessaire. Le progrès l’implique,” fluisterde een of andere Assepoester me in het oor.
Wat valt er zoal te zien op die werken van me? Daar vraag je me iets. Omdat ik al de hele dag zo’n honger heb kan ik alleen maar aan eten denken. Veel meer dan aardappelen en uien eet ik niet meer. Kijk, nu pas ontdek ik mijn onderwerp: eten. Zo zie je maar weer. Ik noem mijn tentoonstelling EAT ART. Die kaligrammen zullen niet volstaan. Er moet eten, heel veel eten te zien zijn. Forellen, lamsbouten, gebakken uier met Blackwellsaus, geperste kop, rode kool, sperziebonen, ossentong, pladijs, griet, makreel, snoek, zeeduivel, kersen, krieken, abrikozen, lychees, slagroom. Mogen de bezoekers ervan eten? Dat valt nog te bezien.
Toulouse vraagt zich af of ik de rekening zal kunnen betalen. Geen idee, zeg ik, hoeveel gaat me dat zaakje kosten? Toch zeker twaalfduizend frank, zegt Toulouse. Ja, dan vraag ik mij dat ook af, zeg ik.
Geen nood, zegt Senga, die ons is komen vervoegen, ik beschik over voldoende fondsen. Kijk maar eens hier, twee dikke pakken bankbiljetten!  Allemaal nieuw gedrukt. Dat is heel wat meer dan twaalfduizend frank. Gekregen van mijn lieve vriendin Boxcar Bertha.
De kroon op het werk wordt mijn tekst Stasis. Daar maak ik een spiraalvormige versie van die een hele wand van het Pannenhuis moet bedekken. Net op die plek waar ons in 1968 Pink Floyd met  vloeistofprojecties het adolescente hoofd op hol bracht. Alsof hun psychedelische sound alleen al niet volstond. Julia Dream, Apples and Oranges, Candy And A Currant Bun, je weet wel, het bestaat allemaal nog.  

In de avondschemering hand in hand door een slaperig dorp. Het is de Ladderstraat in Neerharen, daar is het huis van Berb, zie je, dat witte huis daar in de verte. De lucht hier is zo zuiver en fris als melk rechtstreeks van de koe. Met gezwinde tred lopen we door tot aan de kanaalkom. Wie ben je toch, jij die mijn hand zo stevig vasthoudt en me in de stilte van deze nacht, die nu gevallen is, de geheime betekenis van mijn ultieme kalligrafie onthult? Die me het vuur van de liefde aan de schenen legt en me vol van genade over mijn koortsachtige driften ontfermt?


[Dit deed zich voor tijdens de nacht van 19 februari 1979]

DE TIJD IS UIT ZIJN VOEGEN

[NACHTEN AAN DE KANT 25]

Na de voorstelling van de films van James Scott in het Filmhuis trokken we met Luc en zijn vriendin Mathilde naar het Pannenhuis om de woelige beeldenstroom tot stilstand te brengen en ook wel om onze voeten te verwarmen. Vooral hadden we bier of andere drank nodig, om onze geesten te verlevendigen en onze speekselklieren te stimuleren waarna we elkaar al pratend met wetenswaardigheden en onbenulligheden uit het lood konden slaan, maar meer nog, denk ik, om elkaar te troosten want het was een tijd dat we nog om elkaar gaven en geen hardvochtige plannen maakten om Antwerpen of zelfs de wereld te veroveren. 1979 was geen jaar van ieder voor zich en god tegen allen en wat dat betreft vielen de daaropvolgende jaren ook nog mee. Als gevolg van de crisis waren het veeleer sombere dagen maar door de kieren viel veel warm licht naar binnen. Alsof je opeens een vertrouwde melodie hoorde, zoals dat af en toe als je rondslentert in een vreemde stad gebeurt, die je ziel in verrukking bracht. We gingen aan een tafeltje zitten en al spoedig kregen we gezelschap van verwante zielen en werd het een levendige boel.
Luc zei dat het onlangs een half uur had gesneeuwd in de Sahara. De tijd is uit zijn voegen, O, vervloekt spel, dat ik degene moet zijn die het herstelt, zei Mathilde. Van wie is die vertaling, Mathilde, vroeg ik. Dat moet ik morgen in de bibliotheek eens nakijken, zei Mathilde. Hebben jullie onlangs Boxcar Bertha gezien, vroeg Eddie D. Jazeker, zei Senga, met die sexy Barbara Hershey in de titelrol. Ik geloof dat ze de hele film lang geen ondergoed aan heeft, zei ik. Dat meen je niet, zei Mathilde. Toch wel, zei Senga, af en toe zie je zelfs haar blote kont. Wanneer dan, vroeg ik. Als ze achter zo’n goederenwagon aanloopt, zei Senga. En hoe zit het met de blote kont van David Carradine, vroeg Eddie. Die is me niet zo opgevallen, zei ik. Roger Corman is een geweldig producer, zei Luc, hij staat altijd garant voor seks, sentiment en stijlvol bloedvergieten. En Martin Scorsese voor schoonheid, al moest hij in 1972 nog wel wat leren, zei ik. Ik houd van die wereld van hobo’s, zei Senga, ze bezitten niets en toch zijn ze redelijk gelukkig. Toen ik nog heel jong was droomde ik ervan om zo’n hobo te worden, zei ik. Dat kwam door een boek van Jack London dat ik gelezen had, Tussen de wielen, de Engelse titel heb ik nooit geweten. Dan was je nu al dood, zei Eddie. Wie is toch die Ayatollah Khomeini die nu aan de macht is in Iran, vroeg Mathilde. Een godsdienstwaanzinnige, dacht ik, maar ik zei het niet hardop. Ik moest denken aan die song van the Who, Won’t Get Fooled Again. And the parting on the left / Is now parting on the right / And the beards have all grown longer overnight. De tijd is uit zijn voegen, zei ik. Drinken jullie er nog een, vroeg Eddie. Zeker, antwoordden we unisono.
Op die ongeremde wijze mengden onze stemmen zich met het gerinkel van de glazen en het rumoer van de andere drinkers in het café en met de muziek die Toulouse niet al te luid had gezet, maar waar we af en toe toch een glimp van opvingen en die dan mee onderwerp werd van ons gesprek. Tot we ongedurig werden en onze voeten als betoverd in beweging kwamen: Cinderella’s Ballroom wenkte ons, we moesten ons gaan overgeven aan de roes van de dans. Aan meer opzwepende klanken dan die in het Pannenhuis, aan die van dj Maryse. Senga had niet voor niets haar rode schoenen aangetrokken. Soms leek het wel of ze vastgegroeid waren aan haar voeten.



Foto: Martin Pulaski

EEN BEELD VAN RICHARD HAMILTON (IN 1979)






[NACHTEN AAN DE KANT 24]

Richard Hamilton was de interessantste en boeiendste popartkunstenaar. Dat stelde ik vast in februari 1979 op het Antwerpse festival Film International (een samenwerkingsverband met Film International Rotterdam) tijdens het zien van een uitstekende documentaire van James Scott over het werk van de Britse kunstenaar. Die film van ongeveer twintig minuten veranderde mijn kijk op popart en op Richard Hamilton. [1]

Tot dan bewonderde ik van alle popartiesten Andy Warhol het meest, wat vermoedelijk meer te maken had met zijn imago dan met zijn werk. Warhol en zijn entourage blijven fascinerende, kleurrijke figuren, al is van alles wat daaruit is voortgekomen het album The Velvet Underground & Nico (1967) mogelijk het enige artefact van blijvende waarde.

Opeens besefte ik dat Richard Hamiltons werk, te beginnen met ‘Just what makes today’s homes so different, so appealing?’ (1956), minder tijdsgebonden is dan dat van de meeste andere popartkunstenaars. [2] Opvallend is Hamiltons preoccupatie met film, filmbeeld en tijd. Je zou kunnen zeggen dat zijn oeuvre – zoals dat van veel kunstenaars – tijdsgebonden is, maar tegelijk zie je dat de maker ervan de tijd wil doen stilstaan. Hij behandelt heel specifieke momenten uit de populaire cultuur (reclame, nieuwsbeelden, Hollywoodfilms, popmuziek) op zo’n manier dat ze tot stilstand komen en zo in hun eigen vacuüm het voortschrijden van de tijd weerstaan. Het materiaal dat hij in die werken gebruikt, nogal wat plastic, is evenwel erg vergankelijk.

In de film van James Scott zie je een animatie van ‘Just what makes today’s homes so different, so appealing?’. Daarin wordt op de ambiguïteit van de perceptie gewezen, nog een interessant aspect van zijn oeuvre. Een ander fragment in de documentaire gaat dieper in op het mogelijk bekendste werk van Hamilton: zijn behandeling van het nieuws over de arrestatie wegens drugsbezit van Keith Richards, Mick Jagger en kunsthandelaar Robert Fraser. Iedereen kent wel dat beeld waarop Mick Jagger en Robert Fraser gehandboeid in een politiewagen werden afgebeeld. Een mooie illustratie van hoe een schijnbaar fait divers als kunstwerk de tand des tijds heeft doorstaan, terwijl het in een krantenknipsel niet meer lijkt dan een curiosum.
Verder komt Richard Hamiltons fascinatie voor Hollywood aan bod, aan de hand van zijn commentaar bij een scène uit de film Shockproof (1949) van Douglas Sirk. Beelden uit die film gebruikte hij als bronmateriaal voor zijn werken Interiors I + II. De zelfmoord van Marilyn Monroe is een ander voorbeeld. Nieuwsbeelden en krantenartikelen uit die tijd geven de tragische filmster in geen geval een aura van eeuwigheid en doen zelfs de tragiek van haar dood teniet. Ze tonen evenmin de gelaagdheid van het beeld van haar roem en de dood die daarmee samenhangt.

Een volstrekt ambigu werk van Richard Hamilton is zijn ontwerp voor de hoes van The Beatles (the White Album, 1968). Wat betekent toch die witte hoes en wat maakt ze zo anders, zo aantrekkelijk? Wat is het verband met de muziek die daarin verpakt zit en met het fenomeen the Beatles? [3] Is het mogelijk dat dit zijn meest tijdloze kunstwerk zal blijven, zoals dat voor Andy Warhol de hoes met de banaan is? Dat durf ik te betwijfelen.


[1] Een verzoek: lees dit stuk alsof het in 1979 werd geschreven.
[2] Al moet ik toegeven dat ik vrouwelijke kunstenaars als Pauline Boty en Evelyne Axell nog niet kende.
[3] Over die witte hoes: “Ringo Starr‘s personal copy of the Beatles‘ The White Album, numbered No.0000001, sold for a world record $790,000 Saturday at the Julien’s Live auction of instruments and items from Starr and wife Barbara Bach’s estate.” Aldus Rolling Stone van 5 december 2015.
Zie in verband met popmuziek ook Richard Hamiltons invloed op Roxy Music, met name op Bryan Ferry die, evenals diens artistiek medewerker Nicholas de Ville, van Richard Hamilton les kreeg: “Which living person do you most admire, and why? Richard Hamilton – as my teacher at college, he greatly influenced my ways of seeing art and the world.” Aldus Bryan Ferry in The Guardian van 23 oktober 2010.

ZERO DE CONDUITE: DOUG SAHM’S JUKEBOX



Zéro de conduite is een themaprogramma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in een universum met een schrikbarende toename van het aantal zwarte gaten. Het motto van deze show is you just can’t live in Texas if you don’t have a lot of soul.
Je kunt dit programma ook via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Vanavond gaan we luisteren naar de jukebox van Doug Sahm. Het worden twee uur van het voortreffelijkste wat de Amerikaanse populaire muziek vanaf het midden van de vorige eeuw heeft voortgebracht. Doug Sahm is een man die ik al meer dan een halve eeuw bewonder en vereer, als muzikant, als songschrijver, als zanger,  als muziekarcheoloog, als mens. Daarom vond ik het de hoogste tijd om een aflevering van dit programma aan hem te wijden. Aan bod komen een aantal van de mooiste songs van Doug Sahm en van zijn band the Sir Douglas Quintet en daarnaast een selectie van liedjes die de zanger-songschrijver-muzikant nauw aan het hart lagen. De meeste daarvan heeft hij zelf gecoverd, solo of met the Sir Douglas Quintet en the Texas Tornados. De nadruk ligt op muziek uit Texas, de staat waar Doug Sahm vandaan kwam. In 2018 schreef ik een stuk over hem in een reeks over elpees die een blijvende invloed op mijn leven hebben gehad: herinneringen aan Sir Douglas Quintet en Mendocino. Veel luisterplezier!

Mendocino – Sir Douglas Quintet – Mendocino

She’s About A Mover – Sir Douglas Quintet – Nuggets: Original Artyfacts From The First Psychedelic Era, Vol. 3

96 Tears – ? & The Mysterians – 96 Tears

You’re Gonna Miss Me – 13th Floor Elevators – The Psychedelic Sounds of the 13th Floor Elevators

Green River – Creedence Clearwater Revival – Green River 40th Anniversary Edition

Catch The Man On The Rise – Sir Douglas Quintet – 1+1+1=4

(Is Anybody Going To) San Antone – Doug Sahm – Doug Sahm and Band

Wallflower [Alternate Version] – Bob Dylan – Another Self Portrait (1969-1971): The Bootleg Series, Vol. 10

Tomorrow Just Might Change – Louie And The Lovers – The Complete Recordings

Wasted Days, Wasted Nights – Sir Douglas Quintet – The Return Of Doug Saldana

I Won’t Cry – Johnny Adams – I Won’t Cry

Talk To Me, Talk To Me – Little Willie John – The King Sessions 1958-1960

What’s Your Name – Don & Juan – Golden Age Of American Rock & Roll – Vol 5

Bad Boy – The Jive Bombers – Golden Age Of American Rock & Roll – Vol 5

Buzz Buzz Buzz – Hollywood Flames – Golden Age Of American Rock & Roll – Vol 2

Susie-Q – Dale Hawkins – Oh! Suzy-Q

Linda Lu – Ray Sharpe – Gonna Let It Go This Time

The Gypsy – Sir Douglas Quintet – The Return Of Doug Saldana

Papa Ain’t Salty – T-Bone Walker – T-Bone Blues

Something To Remember You By – Guitar Slim – Sufferin’ Mind

Reconsider Baby – Lowell Fulson – The Complete Chess Masters

I’m A Fool To Care – Joe Barry – The Golden Age Of American Rock & Roll – Vol 9

Mathilda – Jerry Lee Lewis – Killer: The Mercury Years, Vol. 1 (1963-1968)

She’s Huggin You, But She’s Looking At Me – Sir Douglas Quintet – The Return Of Doug Saldana

Sugar Bee – Cleveland Crochet – The  Goldband Records Story

Colinda (1963) – Rod Bernard – Swamp Rock`n`Roller

Blues Stay Away From Me (Take 1) – The Delmore Brothers – Fifty Miles To Travel

The Image Of Me – The Country Rockers – It Came From Memphis: The Legendary Sounds Of Memphis

Poison Love – Johnny And Jack – Nashville Classics: The 50’s

They’ll Never Take Her Love From Me – Hank Williams – Long Gone Lonesome Blues: August 1949 – December 1950

Faded Love – Bob Wills & His Texas Playboys – Bob Wills & His Texas Playboys

Me And Paul – Willie Nelson – Legend: The Best Of Willie Nelson

Be Real – Sir Douglas Quintet – 1+1+1=4

Give Back The Key To My Heart – Uncle Tupelo ft. Doug Sahm – Anodyne

Anselma – Los Lobos – …And A Time To Dance

Nitty Gritty – Doug Sahm – Doug Sahm and Friends: Best of Doug Sahm’s Atlantic Sessions

She Never Spoke Spanish To Me – The Texas Tornados – Texas Tornados

Siete Notas De Amor – Freddy Fender – La Musica De Baldemar Huerta

Nuevo Laredo – Sir Douglas Quintet – Together After Five

Dynamite Woman – Sir Douglas Quintet – Together After Five

At The Crossroads – Sir Douglas Quintet – Mendocino

Volver, Volver – Ry Cooder ft. Flaco Jimenez – Show Time

Research & samenstelling: Martin Pulaski

BORDEEL

1980agnestrap2

[NACHTEN AAN DE KANT 23]

Het mag een raadsel zijn waarom ik gisteravond ging luisteren naar een voorlezing over reclame en massacultuur. Valt over dat onderwerp nog iets interessants te zeggen? Ik was echter niet de enige op het appel daar in het gemeentehuis van Borgerhout. Er waren in filosofie geschoolde vrienden van me, enkele kunstenaars die ik ken en twee individuen die zonder twijfel Geheim Agenten waren. Verder dan hun Burberry regenjassen en sjaals moet je niet kijken. Toevallig of niet kwam een van die lieden naast me zitten. Tijdens de lezing zat hij ijverig in een groen Atoma schrift te noteren. Ik las onder meer de woorden onbenullig, ergerniswekkend en hoofdpijn. Er kwam inderdaad maar geen einde aan die vervelende voordracht. Je zou van minder een migraineaanval krijgen. Tot slot volgde een epiloog van de Professor, onze gastheer en binnenkort zelfs mijn baas, of wordt dat Guy Spittaels, de bevoegde minister, of een van zijn BTK-inspecteurs? Ik wierp nog een blik op het groene boekje van de Geheim Agent naast mij. Manische spreekdrift, stond er, en verbaal sadisme. Wat hadden die bijtende woorden – en vooral die drie sissende s’en te betekenen? Wel was het waar dat mijn oren waren gaan fluiten, was dat het begin van een oorontsteking? Of tinnitus misschien? Met die luide muziek in de Cinderella zou dat wel eens kunnen. Bordeel, schreef de Geheim Agent, en stront in de mond. Wat een gezeik, dacht ik. Toen ik eindelijk buitenkwam voelde ik mij een beetje zoals toen ik in de tijd dat ik nog met tegenzin naar de Heilige Mis ging eindelijk de kerk mocht verlaten.

In café de Raadszaal bespeelde zoals daar steeds het geval is de plaatselijke artiest het Hammondorgel. Vandaag meende ik Green Green Grass of Home en A Man Without Love te herkennen. Tom Jones en Englebert Humperdinck waren hier nog niet vergeten. Mijn in filosofie geschoolde vrienden en ik kwamen er wat nakaarten: de altijd terugkerende symbolische moord op de vader. Ik zat er naar oude gewoonte stilzwijgend bij en bedacht dat de Professor wat leek op de makelaar Anton Saitz in Fassbinders film In einem Jahr mit 13 Monden. En ook wel wat op Fischerle, de pooier en schaakkampioen uit Die Blendung van Elias Canetti. Maar dat hield ik voor mezelf. Er werd al voldoende met giftige pijlen geschoten. En dan te denken dat ik op dat zelfde ogenblik in het Filmhuis naar Samuel Fullers Shock Corridor had kunnen zitten kijken. Het heeft dertig jaar geduurd eer ik die film dan toch te zien heb gekregen.

Middernacht. Graag had ik nog wat gelezen in De vrolijke wetenschap, maar je kunt niet alles hebben in het leven. Of zoals de Engelsen zeggen: You can’t have your cake and eat it too. We hadden een mooie avond met behoorlijk wat rode wijn en de heerlijke couscous die Senga met liefde had bereid. Overdag was ze gaan shoppen. Ze heeft twee mooie pullovers gekocht. De ene is doorzichtig en de andere diep uitgesneden. Vanavond had ze de diep uitgesneden versie aan, die ze als minijurk draagt. Na het eten hebben we platen beluisterd van Poet & the Roots en Mink Deville. Wat een schitterend album toch weer, dat Return to Magenta, in het bijzonder Just Your Friends, met die bezeten mondharmonica. Onder invloed van de wijn deed ik pogingen om voor Senga Big Joe Turner’s TV Mama te zingen:

Every time she loves me, man, she makes me scream
She just tastes like candy, boys, I really go for sweets
I love her from her head down to her little bitty feet

Het leven in het Dolfijnhuis is stukken minder vervelend dan in het gemeentehuis van Borgerhout, zei ik zomaar tegen Senga. En Geheim Agenten zie ik hier ook niet, voegde ik eraan toe. Geheim Agenten, vroeg Senga. Laat maar zitten, zei ik, we zijn hier veilig. Met mij aan het roer valt op dit schip niets te vrezen.

Foto: Martin Pulaski