KONINGSCOBRA

El Greco, De hemelvaart van Maria, detail

Eerst is er de geschiedenis van de mestkever en de slang, zei ik. Je moet met iets beginnen. De slang is een lager dier dan de mestkever, niet? Of kun je de onschuldige dieren niet indelen in hogere en lagere soorten? Van zulke vragen lig je uren wakker. Of ook nog: hoe is een gesprek met een vriend of vriendin mogelijk als je je als een zombie voelt en niet eens weet wat een zombie is? Je zag er ooit eens een in een film, maar dat volstaat niet.

Monica vroeg me wat er met mijn literaire nalatenschap zou gebeuren, zei ik. Heb je daarover al nagedacht, vroeg ze. Nee, zei ik. Al was dat niet helemaal waar. Ik had er wel al over nagedacht, maar niet diep en zonder vervolgens enige beslissing te nemen. Monica en ik zaten in een Japans theehuis aan de Vlaamsesteenweg, zei ik. Of was de Dansaertstraat? Zou het nog bestaan? Welke thee dronken we ook alweer? Monica’s vraag had me in verlegenheid gebracht. Ik vroeg me af of zij zelf al over mijn literaire nalatenschap had nagedacht. Maar ik zei niets. Ik moet er dringend werk van maken, dacht ik. Er moet toch iets mee gebeuren. Stel dat om een of andere reden mijn bezittingen in beslag worden genomen en vernietigd. Vanwege een revolutie, ik zeg maar wat. Want ik ben geen revolutionair. Ik herinnerde me dat Rainer Maria Rilke’s bezittingen in Parijs aan het begin van de eerste wereldoorlog werden geconfisqueerd. Hij was niet eens een Duitser, was in Praag geboren. Een Bohemer. Mijn ouders, die zelf binnenschippers waren, liepen niet hoog op met Bohemers. Rilke’s vader was een ambtenaar bij de spoorwegen. Mij wilden de spoorwegen niet, of ik moest mijn haren laten knippen. Had ik je al over Monica verteld?

Op weg naar hier, zoals altijd met de bus, liet mijn ratio het even afweten, zei ik. Ik ergerde me aan de vele gesluierde vrouwen. Hoe kunnen zij zo vijandig zijn aan het zonlicht? Net op deze eerste mooie dag van het jaar? Welke god kan dat eisen? En dan bekeek ik een van die vrouwen wat aandachtiger en zag opvallende gelijkenissen met een vrouwengezicht van El Greco.

Ik zag mevrouw weer voor me zitten. Haar aantrekkelijke witte benen zwart geschoeid op een voetbankje. Ze was een hele tijd weggeweest uit mijn gedachten en bijgevolg ook uit de zetel tegenover me. Dat ik niet kan schrijven over wat er werkelijk in me omgaat, zei ik. Over mijn demonen. Af en toe in een brief, dat wel. Dat doe je om je verdriet en je pijn te delen, om ze aan de andere door te geven. Het is enigszins egoïstisch, narcistisch. Maar wat kun je anders doen? Weet je dat?

Ik wees haar erop dat ik toch ook in het zwart gekleed ging. Ondanks de zon. Ik had de stellige indruk dat ze dat nu pas zag. Ze bekeek me taxerend, zonder enige schaamte daarover. In geen enkele taxonomie kunnen koningscobra’s op een lager niveau staan dan welke kevers dan ook, zei ik. Het is weer eens tijd, zei ze. Volgende week kunnen we voort praten over je zwarte kleren. Volgende week ben ik in het wit, zei ik.

DE ACROBATEN VAN PICASSO EN RILKE’S ELEGIEËN

Rainer Maria Rilke

[Antwerpse Nachten 67]

De zomer liep ten einde. Ik wilde mijn leven veranderen maar kon het niet. Overdag ging ik door met wat me het meest eigen was: lezen, studeren en schrijven. Dat laatste voornamelijk in mijn dagboek. ’s Nachts probeerde ik te slapen, zoals de meeste mensen deden. In Antwerpen en in de rest van de wereld. De nachtelijke bekoringen waren er voor de happy few, waar ik in mijn dromen deel van uitmaakte.

Op 19 oktober 1907 schrijft Rainer Maria Rilke aan zijn vrouw Clara dat hij opeens begreep wat de lotsbestemming van zijn Malte Laurids Brigge was. [1] Rilke doelt op een beproeving die de krachten van Malte te boven gaan. Innerlijk is hij, Brigge, echter overtuigd van de noodzaak ervan. Hij blijft zich eraan vastklampen en zal niet meer loslaten. Malte zal volharden. En Rilke zal zijn Prosabuch voltooien.

Dit soort beproeving noemde Leopold Flam een opdracht of een zending. Bij Rilke betreft het de opdracht van de kunstenaar: hij moet leren zien. In de hierboven genoemde brief plaatst de dichter zijn personage, Malte Laurids Brigge, in de ruimere context van Baudelaire’s gedicht La charogne, van Flauberts La légende de Saint-Julien l’hospitalier en van de denkwereld van Paul Cézanne, die La Charogne uit het hoofd kende. Volgens Rilke is de opdracht van de dichter – en van de kunstenaar in het algemeen – het aardse, de vergankelijke wereld te redden. In het gedicht moeten leven en dood met elkaar worden verzoend.

Het dagboek van Malte Laurids Brigge is een elegisch gedicht in proza geschreven. Ik geef een voorbeeld van die elegische stijl. “En je hebt niemand en niets en reist de wereld rond met een koffer en een kist met boeken en eigenlijk zonder nieuwsgierigheid. Wat voor leven is dat eigenlijk: zonder huis, zonder geërfde dingen, zonder honden. Wanneer je tenminste je herinneringen maar had. Maar wie heeft die? Was de jeugd er nog maar, zij is al begraven. Misschien moet men oud zijn om tot al deze dingen te kunnen reiken. Ik stel mij voor dat het goed is om oud te zijn”[2]. Het elegische als spanningsveld, grens tussen verleden en toekomst. De opdracht is deze: “Deze jonge, onbelangrijke vreemdeling, Brigge, zal vijf trappen hoog, moeten gaan zitten schrijven, dag en nacht: ja, daar zal het mee eindigen”. [3].

Enkele maanden geleden schreef ik in mijn dagboek over het treuren om onze vergankelijkheid. Ik was toen zelf in een elegische stemming. Gisteravond, tijdens de lectuur van de tweede elegie van Duineser Elegien, dacht ik terug aan die bewuste dagboeknotitie. Meer bepaald bij de vierde strofe:

Liebenden könnten, verstünden sie ‘s, in der Nachtluft
wunderlich reden. Denn es scheint, dass uns alles
verheimlicht. Siehe, die Bäume sind; die Häuser,
die wir bewohnen, bestehn noch. Wir nur
ziehen allem vorbei wie ein luftiger Austausch.
Und alles ist einig, uns zu verschweigen, halb als
Schande vielleicht und halb als unsägliche Hoffnung .[4]

Een tijd al voelde ik verwantschap met het poëtisch denken van Rilke. De elegische levenshouding was waarschijnlijk de sleutel tot het begrijpen van deze verwantschap. Dit schreef ik in alle bescheidenheid. Zeker moest ik het werk van Rilke nog grondiger bestuderen. Op dat ogenblik was ik te rusteloos om die verwantschap te verduidelijken. Ik achtte het zelfs mogelijk dat ik me vergiste. Dat ik Rilke verkeerd begreep. Dat ik in zekere zin blind bleef voor wat hij zag en in zijn gedichten zo nauwkeurig en genuanceerd verwoordde. Dat ik niet op de juiste manier, met onbevangen en open blik, naar de dingen keek en bijgevolg ook met onscherpe blik las.

In de vijfde Elegie trof ik talrijke verwijzingen aan naar Picasso’s Famille des saltimbanques uit 1905. Dit opmerkelijke werk uit Picasso’s eerste jaren in Parijs, zijn zogeheten roze periode, was de inspiratiebron voor het tweede deel van mijn Taferelen van onverschilligheid. Ik wist toen niets van Rilke’s fascinatie voor dat werk. Ik had bij het schrijven geen reproductie van deze merkwaardige acrobatenfamilie bij de hand en moest mij tevreden stellen met wat ik mij herinnerde van deze die aan de wand hing van mijn kleine slaapvertrek op het schip. Eigenlijk was dat niet meer dan een alkoof, een substituut-baarmoeder in glanzend gevernist teakhout uit Java. Zonder veel inspanning zag ik de afbeelding weer hangen tussen foto’s van mijn toenmalige pophelden, Rolling Stones, Small Faces, Kinks, Who, en van half blote meisjes, netjes uitgeknipt uit een exemplaar van het Franse Magazine de l’homme moderne, Lui. Een geschenk van mijn vriend Henry, niet de meisjes maar dat stapeltje Lui. Hoewel Picasso’s acrobaten zich in een desolaat landschap bevinden, nogal woestijnachtig, ziet Rilke ze op een versleten tapijt staan. Wie zijn deze mensen? Wat beweegt hen? Volgens Rilke drijft een nooit tevreden wil hen voort. Ze zijn nog vluchtiger dan wij. Maar wat is toch dat tapijt, dat op het einde van deze vijfde elegie raadselachtig stil is geworden?

Onrustig was ik omdat ik voor de eerste keer in mijn leven bij een cardioloog zou gaan. Toch had  ik niet één symptoom dat op een hartkwaal had kunnen wijzen. Ik was gaan vermoeden dat ik veeleer aan een hartneurose leed. Ik stelde me voor dat ik een hartziekte had, piekerde erover en vreesde dat de dood op de hoek van de straat, net buiten mijn gezichtsveld, al op me stond te wachten. Hoe kwam ik aan dat idee van een hartneurose? Had Duchateau het er niet een keer over gehad? Ik geloofde echter niet in neuroses. Bij mij ging het om een soort van bezetenheid. Een demonische kwelgeest had bezit van me genomen, nam ik aan. Mogelijk was hij er altijd al geweest. Had het zin te proberen hem weg te jagen? Ik dacht van niet. De demon zou blijven. Als je je tegen hem verzette maakte hij zich daarover alleen maar vrolijk. Goed dan, dat hij maar bleef. Dat hij zich bij me thuis voelde. Mogelijk kon ik nog heel wat van hem leren.

Pablo Picasso, La famille des saltimbanques

[1] “Und mit einemmal (und zum ersten) begreife ich das Schicksal des Malte Laurids. Ist es nicht das, daß diese Prüfung ihn überstieg, daß er sie am Wirklichen nicht bestand, obwohl er in der Idee von ihrer Notwendigkeit überzeugt war, so sehr, daß er sie so lange instinktiv aufsuchte, bis sie sich an ihn hängte und ihn nicht mehr verließ?”
Rainer Maria Rilke: Werke. Hrsg. von Manfred Engel u.a. Bd. 4: Schriften. Hrsg. von Horst Nalewski. Frankfurt a.M. 1996.

[2] Het dagboek van Malte Laurids Brigge, p. 14. Vertaling D.A.M. Binnendijk en N. Brunt. Later werd het boek vertaald door Pim Lukkenaer met als titel De aantekeningen van Malte Laurids Brigge.

[3] Het dagboek van Malte Laurids Brigge, p. 20.

[4] W.J.M. Bronzwaer vertaalt de laatste regels als volgt:  Wij alleen / trekken aan alles voorbij als een wisseling van adem. / En alles spant samen ons te verzwijgen, als waren wij schande, / misschien, of dragers, wie weet, van onuitsprekelijke hoop.

DAVID CROSBY IS DOOD

It’s been a long time comin’
It’s goin’ to be a long time gone
But you know
The darkest hour
Is always, always just before the dawn
David Crosby

David Crosby is dood. Mythische helden sterven niet. Maar David Crosby was behalve een mythe ook een mens (zoals blijkt uit zijn autobiografie Long Time Gone). Zijn stem en zijn melodieën schonken mij – een halve eeuw geleden – van de allermooiste en warmste uren. Nu hij er niet meer is komen met zijn eigen songs, en met die waarop hij quasi perfect harmonie zong, intense herinneringen naar boven.

Ik hoorde hem voor het eerst op de transistorradio toen ik vijftien was. All I Really Wanna Do, een single van the Byrds. Mijn eerste grote liefde noemde ik in een romantische bui Guinnevere. Kort voor de geboorte van mijn zoontje kwam If I Could Only Remember My Name uit, een lievelingsplaat. Telkens als ik Laughing hoor, denk ik aan hoe Jesse in de Boomkwekerijstraat, toen nog een levendige zijstraat van de Naamsestraat, daar in het midden van de kamer in zijn wieg lag. Zijn met niets vergelijkbare, zachtzoete babygeur. Mijn toenmalige vriend Luc Deleu zie ik weer voor me als ik Traction in the Rain hoor, of Have You Seen the Stars Tonite van Paul Kantner / Jefferson Starship. Déjà Vu, in een stevige Amerikaanse klaphoes verpakt, is een koud, idyllisch voorjaar in Amsterdam.

De vroege platen van the Byrds, voorbeeldig en onovertroffen, roepen niet alleen Crosby’s moeilijke karakter op, maar ook zijn onmiskenbare inbreng in de sound van die baanbrekende band. Over de mythe doe ik er het zwijgen toe. David Crosby is dood.

VERDREVEN UIT HET ARTIFICIËLE PARADIJS

Marianne, de linkshandige vrouw van Peter Handke, slikt geen tabletten voor de kick.

[Antwerpse Nachten 66]

Dat je beslist om je leven te veranderen is allemaal goed en wel, maar het dan ook nog doen is a different beast. Vijf dagen hield ik het zonder Captagon vol [1]. De volmaakte leegte die met abstinentie gepaard ging verdroeg ik niet. De verveling, niet kunnen werken, helemaal niets kunnen doen. Het leek alsof ik eens te meer verdreven was uit mijn paradijs; de eerste keer uit dat van de kindertijd, nu uit dat van de artificiële energie. Zoals ik al eerder zei was schrijven voor mij een spel. Als je niet meer kunt spelen daal je af naar de hel. Dolce far niente is voor mij helemaal niet zoet: het lijkt veeleer op een verblijf in een strafkolonie.

Bij een dokter kon ik voor deze zaak, ondertussen wist ik wel zeker dat het om gewenning en mogelijk verslaving ging, niet te rade gaan. Niemand leek iets over verslaving te weten. Freudianen zouden addictie toeschrijven aan een traumatische ervaring in de kinderjaren, behavioristen gewag maken van gedrag, conditionering, stimuli en bekrachtiging. Allemaal theorieën en literatuur zonder veel praktisch nut. Vaak raadpleegde ik het kleine zwarte boekje, Compendium van drugsverslaving en alcoholisme [2], dat ik van Willie Boy toen ik nog in Brussel woonde cadeau had gekregen. Daarin lezen was niet goed voor me. Ik begon me al gauw in te beelden dat ik als gevolg van overmatig gebruik – of wat ik als overmatig beschouwde – van drank en medicatie allerlei ernstige aandoeningen had gekregen.

Waarschijnlijk leed ik al sinds mijn kinderjaren aan wat nu ADHD wordt genoemd. Ik heb het altijd moeilijk gehad om me te concentreren. Peppillen, en zeker Captagon, hielpen me om de aandacht bij mijn onderwerp te houden, om door te blijven studeren en te schrijven. Om wakker en waakzaam te blijven. To be awake is to be alive, schreef Henry David Thoreau in Walden. Nu moest ik het zonder dat chemisch hulpmiddel doen, wat verdomd moeilijk bleek te zijn. Ondanks de alarmerende paniekaanval van een week tevoren, een onmiskenbaar gevolg van langdurig amfetaminegebruik, herviel ik in mijn oude gewoonte. Wat kon ik anders doen? Het enige alternatief voor de peppillen – en voor de leegte van mijn bestaan zonder – leek mij zelfmoord. En dat wilde ik niet, want ik erkende zoals Hendrik Marsman maar een wet en dat was leven. Eens te meer gaf ik de strijd op, ik was te zwak.

Een bijkomend probleem was dat ook mijn geliefde Senga steeds meer peppillen was gaan slikken. Stimulantia gaven haar regelrechte kicks. Ze leek zich nu beter en zelfverzekerder te voelen dan ooit tevoren in haar leven. Ze vond veel van wat ze ervoer en deed nu enorm opwindend. Ik had hààr altijd al, zoals ze was, opwindend gevonden. Nu des te meer. Het is bekend dat amfetamine de lustgevoelens verhevigt. Of in mensentaal: je wordt er geil van. Waar ze aan haar voorraad kwam was aanvankelijk niet duidelijk voor me. Ik kende slechts een apotheker, in de Ekkergemstraat in Gent, die haar zonder voorschrift Captagon wilde verkopen. Ik was daar ook een keer geweest, onverrichter zake. Ik zal niet sexy genoeg geweest zijn. Senga leek echter meer te gebruiken dan wat ze, ongeveer een keer per maand, uit Gent meebracht. Ons budget stond ons niet toe vaker bij de apotheek in de Ekkergemstraat langs te gaan. Hoewel het een mysterie was waar ze aan haar pillen kwam was ik haar in stilte toch dankbaar voor haar generositeit. Mijn gebruik was overigens niet buitensporig, een tot twee Captagons per dag.

Er volgden moeilijke en soms toch ook vruchtbare weken. Slow Train Coming van Bob Dylan was uitgekomen. Dylan leek nu te zijn geworden wat van hem van in het begin al enigszins werd verwacht: een nieuwe Messias. Dat zal hem niet in dank worden afgenomen, schreef ik in mijn dagboek. De kritiek zal genadeloos zijn. Waarom dan? Omdat de kunstenaar zo goed beantwoordt aan het beeld van een Messias, van een verkondiger van de heilsboodschap van God. Zelfs aan dat van Jezus in hoogsteigen persoon (al leek Bob absoluut niet op de talloze afbeeldingen van Jezus die ik in Italiaanse musea had kunnen bewonderen). En omdat veel critici en recensenten gelijkenis vertonen met de vijanden van om het even welke Messias, verlosser of bevrijder. Als ze denken de stem van een verlosser te horen, zouden ze hem nog het liefst van al stenigen.
Ik wist niet goed wat ik moest denken van deze bekering. Ik twijfelde er nauwelijks aan dat de song and dance man werkelijk in Hem geloofde. Kon het echter ook niet om een maskerade gaan? Was dit zijn nieuwe en tot nu toe beste rol: die van de bekeerling, van de volgeling van Christus. In dat geval was het inderdaad een meesterzet. Maar het gaat dan wel om bedrog, en kan met bedrog een meesterwerk worden gecreëerd, vroeg ik mij af. Ik wist het niet. Ik probeerde de boodschap niet te horen en uitsluitend te luisteren naar de schitterende muziek, opgenomen in de vermaarde studio in Muscle Shoals in de staat Alabama. Bovendien was Dylan erg goed bij stem. Ik zou wel zien welke kant dit zou uitgaan. We hadden nu andere bands, songschrijvers en stemmen om ons door in bekoring te laten leiden, om ons kicks te geven, zoals Elvis Costello, Graham Parker, Talking Heads en Patti Smith.

[1] Captagon was een mix van amfetamine en efedrine. Efedrine had ik in mijn kinderjaren moeten nemen als medicament tegen astma. De wetenschappelijke naam van het middel is fenethylline en ook nog amphetaminoethyltheophylline. Sinds 1986 is Captagon in de meeste westerse landen verboden. Het middel wordt nu voornamelijk in het Midden-Oosten verhandeld en gebruikt. “According to UNODC, Saudi Arabia received seven tonnes of Captagon in 2010, a third of world supply. In 2017, Captagon was the most popular recreational drug in the Arabian peninsula. On 26 October 2015, a member of the Saudi royal family, Prince Abdel Mohsen Bin Walid Bin Abdulaziz, and four others were detained in Beirut on charges of drug trafficking after airport security discovered two tons of Captagon (fenethylline) pills and some cocaine on a private jet scheduled to depart for the Saudi capital of Riyadh.The following month, Agence France Press reported that the Turkish authorities had seized 2 tonnes of Captagon during raids in the Hatay region on the Syrian border. The pills, almost 11 million of them, had been produced in Syria and were being shipped to countries in the Arab states of the Persian Gulf. On 31 December 2015, the Lebanese Army announced that it had discovered two large scale drug production workshops in the north of the country. Large quantities of Captagon pills were seized. Two days earlier three tons of Captagon and hashish were seized at Beirut Airport. The drugs were concealed in school desks being exported to Egypt.” Wikipedia

[2] Compendium van drugverslaving en alcoholisme. Diagnostiek en behandeling, J. H. Van Epen, 1974.

ZERO DE CONDUITE: TROOST

Zéro de conduite is een muziekprogramma waarin songs uit de popcultuur met zachte hand in het keurslijf van thema’s worden ingerijgd. Woekerende chaos wordt met liefde en toewijding overzichtelijk gemaakt. Alle zogeheten populaire genres komen aan bod, al ligt de nadruk op Angelsaksische folk, blues, country, soul en rock-‘n-roll. Onbevooroordeelde muziekliefhebbers noemen het allemaal pop. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds kan je ernaar luisteren op Radio Centraal 106.7 fm en streaming. Meer informatie over de zender en zijn medewerkers en programma’s vind je hier. Het motto van deze aflevering is: They had a little girl worked in there, must have been about seventeen / She was the cutest thing I had ever seen / It’s the same old story and I’m afraid it wasn’t too very long / Before we had fallen deeply in love and I knew it was wrong / I said baby, we got to stop this thing right here / Or my woman is gonna cut my throat from ear to ear, that’s right.

In deze aflevering gaat het zoals wel vaker meer om sfeer dan om een afgelijnd thema. Ik heb vrij willekeurig enkele songs gekozen die me in moeilijke dagen troost kunnen bieden. (Of is dat een tegenspraak? Kun je willekeurig kiezen?) Mogelijk doen ze dat ook bij jou; troost heeft iedereen van ons wel eens nodig. Ook al ben ik niet gelovig en zal ik dat nooit worden ben ik er toch van overtuigd dat muziek een religieuze dimensie heeft. In soulmuziek, de aardse vorm van gospel, komt de uitdrukking ‘lift my soul’ voor. Die uitdrukking komt uit Psalm 25: “Tot u, Heere, hef ik mijn ziel op, mijn God, op U vertrouw ik”. Ik wil dat graag vertalen als: ik richt mijn ziel, het diepste van mezelf, op jou, op jullie. Samen met jullie neem ik een plaats in op deze aarde. De ziel oprichten is dansen, is seks, is zingen en musiceren. In muziek word ik deel van een groter geheel. De heilige geest van de christenen, ook trooster genoemd, krijgt een menselijke, wereldse betekenis.

Waar komt die troost vandaan? Uit melodieën, ritmes, gezang, uit frasen, uit alles wat deze zeer diverse songs maken wat ze zijn. Veel luisterplezier.

Daddy Rollin’ Stone – Phil Alvin – Un “Sung Stories” – Otis Blackwell

I Got Loaded – Los Lobos – How Will The Wolf Survive? – Camille Bob

Shake For Me – John Hammond, Jr. – Southern Fried – Willie Dixon

Parachute Woman – The Rolling Stones – Beggars Banquet – Keith Richards/Mick Jagger

Mellow Down Easy – Butterfield Blues Band – The Paul Butterfield Blues Band – Willie Dixon

I’m Shakin’ – Little Willie John – The King Sessions 1958-1960 – Rudy Toombs

You Got Me Dizzy – Jimmy Reed – I´m Jimmy Reed – Jimmy Reed

I Love the Life I’m Living – Slim Harpo – The Excello Singles Anthology – J. Moore

Make My Dreams Come True – Elmore James & His Broom Dusters – Blues After Hours – Elmore James

Blues With A Feeling – Little Walter – Blues With A Feeling  – Jacobs

She’s Fine, She’s Mine – Bo Diddley – Bo’s Blues – McDaniel

High School Confidential – Jerry Lee Lewis – Jerry Lee Lewis – Jerry Lee Lewis/Ron Hargrave

Rip It Up – Wanda Jackson – Queen Of Rockabilly – Marascalco/Penniman/Blackwell

Blue Days, Black Nights – Buddy Holly – The “Chirping” Crickets + Buddy Holly –  Ben Hall

Come Go With Me – Dion – Lovers Who Wander – C.E. Quick

Smokey Places – The Corsairs – Chess Chartbusters Vol. 5 – Abner Spector

So Young – The Ronettes – The Best Of The Ronettes – William “Prez” Tyrus

Rag Doll – Frankie Valli & The Four Seasons – The Very Best of Frankie Valli & The 4 Seasons – Crew/Gaudio

Little Girl Blue – Nina Simone – Love Will Tear Us Apart – Rodgers/Hart

Crazy – Patsy Cline – Sweet Dreams: Her Complete Decca Masters (1960-1963) – Willie Nelson

There Ain’t No Country Music On This Jukebox – Earl Scruggs & Tom T. Hall – The Storyteller & The Banjo Man – T.T. Hall

I’m Thinking Tonight Of My Blue Eyes – The Carter Family – Can the Circle Be Unbroken – A. P. Carter

It Makes No Difference Now – Cliff Bruner’s Texas Wanderers – Hillbilly Fever: Vol. 2 – Legends Of Honky Tonk – Floyd Tillman

A Girl I Used To Know – George Jones, The Jones Boys – Hillbilly Fever: Vol. 2 – Legends Of Honky Tonk – Jack Clement

Maybe Tomorrow – The Everly Brothers – The Everly Brothers (1958) – Don Everly

Brown’s Ferry Blues – The Louvin Brothers – A Tribute To The Delmore Brothers – Alton Delmore

La Valse De Grand Bois – The Balfa Brothers – The Balfa Brothers Play Cajun Music Vol. 1 & 2 – D. Balfa

La Valse Du Reveur – Nathan Abshire – Great Cajun Accordionist – Eddie Shuler

La Valse De Samedi Au Soir – Eddie LeJeune – Cajun Soul – Trad.

The Girls From Texas – Jimmy Lewis – Back To The River – More Southern Soul Stories – J. Holiday/J.Lewis/C. Chambers

Mighty Good Lovin’ – Smokey Robinson & The Miracles – Antholoby – Smokey Robinson

I’ve Been Searching – O.V. Wright – The Soul Of O.V. Wright – Earl Randle

You Got Me Hummin’ – Sam & Dave – The Definitive Soul Collection – Isaac Hayes/David Porter

Tired Of Being Alone – Al Green – Al Green Gets Next To You – Al Green

Love Me A Little Bit Longer – Delaney & Bonnie – Accept No Substitute – Bramlett/Bramlett

Greyhound Bus Depot – Ann-Margret/Lee Hazlewood – The Cowboy & the Lady – B. George

Untangle Your Mind – John Hartford – Looks At Life / Earthwords And Music – John Hartford

Everything Happens – Fred Neil – The Many Sides Of Fred Neil – Fred Neil

Badi-Da – Mark Lanegan – I’ll Take Care Of You – Fred Neil

Stuck Inside Of Mobile With The Memphis Blues Again – Cat Power – I’m Not There – Bob Dylan

Turn The Whole World On Just For A Moment… – Edie Sedgwick – Ciao! Manhattan –  Edie Sedgwick

Samenstelling en research: Martin Pulaski

LIEFLIJKE STERREN VAN DE BEER

[Bekoringen na het zien van Luchino Visconti’s Vaghe stelle dell’Orsa uit 1965, met Claudia Cardinale en Jean Sorel.]

Het is 1965. Je komt aan in Volterra. Flarden van Italiaanse beatmuziek. De originele versie van You don’t have to say you love me, je kent het nummer van Dusty Springfield, een en al sensuele pathos, Io che non vivo (senza te) van Pino Donaggio en Vito Pallavicini, een nummer-1 hit in Italië. Een veelzeggend detail in deze naargeestige geschiedenis.

Claudia Cardinale is zinnelijkheid par excellence. Haar aanwezigheid, vurig, beheerst, opwindend, doet Visconti’s film vol fotografische poëzie nagenoeg in zichzelf verdwijnen. Zij is de poëzie van het vrouwelijk lichaam, meer nog dan Lucia Bosé dat is in Cronaca di un amore van Michelangelo Antonioni, Rita Hayworth in Gilda van Charles Vidor en Gloria Grahame in The Big Heat van Fritz Lang.

Je hebt het niet alleen over de aantrekkingskracht van Sandra/Claudia’s borsten, in donker en in licht. Je zinspeelt op haar hele verschijning. Haar Italiaanse ogen. Hoe ze beweegt, sierlijk in harmonie met haar opulente omgeving, waar ze evenwel niet in opgaat. Zie hoe ze schittert tussen op zich schitterende voorwerpen.

Maar elk object waar haar en jouw blik op valt is een herinnering aan verraad en incest, een verstomde oproep tot wraak. Vermoord moeder! Dat zijn elementen van de naargeestige geschiedenis, die je door je al te zeer te concentreren op de sensuele bewegingen van Claudia bijna zou vergeten.

Waar komt de titel, Vaghe stelle dell’orsa, vandaan? Uit het gelijknamige gedicht van de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi.

Lieflijke sterren van de Beer, nooit had ik
gedacht dat ik jullie weer net als vroeger
boven de tuin mijns vaders zou zien vonken
en met je praten zou vanuit de ramen
van ’t ouderhuis, waar ik als jongen woonde
en ’t einde van mijn kindervreugde aanschouwde.

Giacomo Leopardi, Zangen, XXII, De herinneringen, vertaald door Frans Van Dooren.

EEN LIJK IN DE KELDER

Finis Gloriae Mundi – Juan de Valdés Leal

[Nachten aan de kant 65]

[Wat voorafging. Nazomer. Ik had me enkele dagen erg moe en lusteloos gevoeld. Op een nacht werd ik in paniek wakker. Hevige pijn in de borst, moeilijke ademhaling. Was dit het einde? Dankzij een snelle actie van Gabriella en een nachtelijke visite van dokter Debaene werd ik weer rustig. De volgende dagen mocht ik geen inspanningen doen. Best niet schrijven en niet lezen. Aan één boek had ik niet kunnen weerstaan, met een vreselijke nachtmerrie als gevolg.]

Thus conscience does make cowards of us all;
And thus the native hue of resolution
Is sicklied o’er with the pale cast of thought;
And enterprises of great pith and moment,
With this regard, their currents turn awry,
And lose the name of action. [1]
Shakespeare, Hamlet

De dagen die volgden op die apocalyptische droom las ik niets meer. Ik had mijn les geleerd. De boeken van H.C. Ten Berge en Ernst Jünger bleven toe. Zelfs in de Dikke Van Dale, De Goddelijke Komedie en de Staten Bijbel bladerde ik niet. Evenmin werkte ik door aan de Triomf van het Leven. Nietsdoen is een verschrikking, stelde ik eens te meer vast. Hoewel Arthur Rimbaud, André Breton, Isidore Isou en Guy Debord [2] beweerden dat je best van al nooit werkt ben ik van oordeel dat werken je gelukkig kan maken. Als het werk is waar je jezelf in herkent. Ongelukkig maakt werken je als je het doet omdat het moet en meer nog als het voor geld of roem is.

Die akelige bijna-dood ervaring had mij doen beseffen dat ik mijn leven, of toch zeker mijn levenswijze moest veranderen. Ik moest minder gaan drinken, zelfs dagen inlassen zonder alcohol, en helemaal stoppen met amfetamine.

Tijdens mijn korte rustperiode werd in de kelder bij de Filosofische Kring Aurora een gruwelijke ontdekking gedaan. De man die we de Spanjaard noemden, waarom weet ik niet meer, vond het lichaam van een vrouw in staat van ontbinding. Senga vertelde me dat de dode daar al drie weken had gelegen. Het bleek de stiefdochter van de oude mijnheer Aerts te zijn, die in het pand aan de Lange Leemstraat op de bovenste verdieping woonde. De vrouw had zelfmoord gepleegd. Naast het lijk vond de politie drie lege whiskyflessen en een aantal al even lege pillendoosjes, waarschijnlijk barbituraten. Drie weken hadden wij boven die doodskelder zitten werken aan het volgende nummer van Aurora (toevallig had ik toen net mijn ‘Brief over de dood’ geschreven). Jesse, mijn zoontje van zeven, was bij ons op vakantie geweest en had samen met zijn vriendinnetje Vera bij Aurora allerlei ludieke spelletjes gespeeld. Of zijn spelletjes altijd ludiek? Wat een geluk dat ze toen niet in de kelder zijn afgedaald.

Nog voor de ontdekking van het lijk in de kelder was Jesse al terug bij zijn moeder in Brussel. Na al die jaren kan ik mij niet meer herinneren of we erover gepraat hebben. Best mogelijk dat we het wel hebben gedaan, want de dood was een geliefkoosd gespreksonderwerp. Toch hoop ik nu van niet, al weet ik niet goed waarom. In mijn dagboek vind ik er niets over. Veel geklaag over kwalen en dokters en allerlei angsten, dat wel.

Nu zou er veel gaan veranderen, nam ik mij voor. Ik besefte dat ik mijn leven niet moest opofferen voor een of andere al dan niet obscure tekst. Als het schrijven niet zonder artificiële energie kon, dan maar helemaal geen schrijven. Maar kon ik wel léven zonder die middelen, alledaagse handelingen verrichten, was ik niet verslaafd geraakt?

Filosofische Kring Aurora, Lange Leemstraat, Antwerpen


[1] Zoo maakt het peinzen lafaards van ons allen,
En wordt de frissche blos van ’t kloek besluit
Verzieklijkt door ’t onechte bleek van ’t mijm’ren;
En ’t streven van den hooggezwollen moed,
Door deze omzichtigheid van stroom verandrend,
Verbeurt den naam van hand’ling
Shakespeare, Hamlet, vertaling van Burgersdijk

[2] In een vriendelijke reactie op Kleine bevrijdingen en schaduwen van de dood vroeg Luc Aerts zich af of de uitspraak Ne travaillez jamais niet van Guy Debord was. Ik had ze toegeschreven aan Isidore Isou, Debords aanvankelijk medestrijder en latere rivaal. Ik ben het nog eens gaan opzoeken en Luc Aerts heeft gelijk. Al heeft Debord de mosterd waarschijnlijk bij Rimbaud gehaald  («Jamais je ne travaillerai» , en is het mogelijk dat Ne travaillez jamais een uitspraak was die alle leden van Situationniste Internationale onderschreven.

FIVE EASY PIECES

Enkele notities over Five Easy Pieces (1970), een film van Bob Rafelson. Bob Dupea (Jack Nicholson) breekt los uit een burgerlijk-muzikaal milieu en zoekt zijn heil in de alledaagsheid van het arbeidersbestaan. Hij is gehuwd met het ‘vulgaire’ dienstmeisje, Rayette Dipesto (Karen Black), dat met countrymuziek dweept.
Het contrast klassiek-populair is voortreffelijk uitgewerkt. Bob Rafelson weet de artificiële tegenstelling Frédéric Chopin-Tammy Wynette in zekere zin op te heffen of toch te overstijgen; hij weet op zijn minst beide componenten aan elkaar gelijkwaardig te maken. Beide muziekvormen zijn intense uitdrukkingen van gedachten, gevoelens en verlangens die slechts oppervlakkig en vormelijk verschillend zijn. Los van muziek en kunst tref je bij wat in 1970 nog de bourgeoisie werd genoemd min of meer dezelfde gevoelens en verlangens aan als bij de arbeidersklasse, maar bij de eerste groep zijn zij meer verdrongen, of verborgen achter een masker van conventies en morele normen. De taal van Rayette wordt vulgair genoemd omdat ze direct is en onverbloemd, omdat ze de ‘dingen bij hun naam noemt’. Ook de teksten van countryliedjes winden er geen doekjes om, zelfs al wordt ‘DIVORCE’ als ‘D-I-V-O-R-C-E’ [1] gespeld.
Bij de gesofisticeerde bourgeoisfamilie waartoe Robert, Bob voor de vrienden, ooit heeft behoord wordt er een andere taal gesproken, die indirect is, verwijderd van het alledaagse en van de subjectieve gevoelswereld. Robert is echter het vocabulaire van de arbeidsklasse gaan gebruiken. Het is een andere vorm van vluchten, op zoek naar een soort van onschuld in de taal. Een onschuld die niet bestaat. Zoals het liftende hippiemeisje Palm Apodaca naar Alaska wil omdat het daar zuiverder, witter is. Terwijl de hele wereld bezwijkt onder het gewicht van de overbodige comsumptierommel en zelfs Alaska daar niet aan zal ontsnappen.

Rayette : I’m gonna play it again.
Bobby : You play that thing one more time, I’m gonna melt it down into hairspray.
Rayette : Let me play the other side then.
Bobby : No, Rayette, it’s not a question of sides. It’s a question of musical integrity.

[1] Een compositie van  Bobby Braddock and Curly Putman en een nummer één hit voor Tammy Wynette in mei 1968. “Country music historian Bill Malone wrote that Wynette’s own tumultuous life (five marriages) “encompassed the jagged reality so many women have faced.” Therefore, he asserts that Wynette identified so well with “D-I-V-O-R-C-E”; her rendition, Malone wrote, is “painfully sincere—there is no irony here—and if there is a soap opera quality to the dialogue, the content well mirrors both her own life and contemporary experience.””

BESCHOUWINGEN OVER DE SCHADUW

Sevilla, 2016

Je schaduw is je meer nabij dan de woorden van je beste vriend, dan de lippen van je geliefde. Toch vergeet je zijn aanwezigheid negen keren op tien. Hoe vaak kijk je niet naar hem zonder hem werkelijk te zien? Ik weet alles van je, zegt hij als de avond valt. Maar luister je naar hem? Mogelijk wel, maar dan gebaar je van krommenaas. Wat ik betwijfel. Overigens maakt het niet uit hoe je je in zijn bijzijn gedraagt en hoe je met hem omgaat: hoe ouder je wordt, hoe groter en donkerder de schaduw.

Zie je de onheilspellende wolken daarboven voorbijtrekken? Zie je, ze werpen reeds hun schaduw op een idyllisch tafereel dat je je nog maar net begon voor te stellen. Goed, het betekende nog niet veel. Het was slechts een schets, een aanzet met een 9H-potlood. Het moest, geloof ik, een soort van déjeuner sur l’herbe worden. Of had je nog iets anders in gedachten? Je bent ook zo wispelturig.
Heel even baadt alles in het licht. Je gedachten zijn een ogenblik lang helder, haast krijgen ze contouren en staan op het punt vorm te geven aan iets nieuws. Maar daar heb je die vervloekte schaduw al, donkere hond in het liefdesspel van inhoud en vorm. Hoor je zijn gegrom, zijn gehuil als van een wolf uit de Karpaten? Luister. Neen, het is geen wolf, het is een blueszanger uit White Station. Al van gehoord? Het is een buurtschap in de staat Mississippi. De wolf huilt mee met het gehuil van Hubert Sumlin’s gitaar. Het lijken wel twee wolven. Daar gaat je idylle, al bijna lag je met de Sibille in het blauwe gras te stoeien. Daar gaat de toekomst die zij je zou toedichten. Je hoort geen wolven, zeg je? Bij jou is het vroeg in de ochtend, een kleine rode haan is al wat je horen kunt. Meteen al te lui om te kraaien, dat ook nog. In een lange hete zomer zonder een spoor van wat voor schaduw dan ook.

In tegenstelling tot de goden, die niet bestaan, zijn schaduwen alomtegenwoordig. In de donkere straten van een grootstad, waar het gevaar heerst, kun je nog altijd gered worden. En als je dan de hoek omgaat is het gedaan, amen en uit. Waar echter de schaduw blijft hangen blijft ook het onheil rondspoken. Op een mistige kade in Le Havre, bij de grote vrachtschepen uit Liberia in de naar petroleum riekende dokken. Je zag toch ooit de film A Kind of Loving? Daar in de straten van Manchester, waar de industrie haar doodsklokken liet luiden, hing de mist dik als stierenbloed, maar dan grijs, en had de schaduw vrij spel. Er werd een gevaarlijk spel met de liefde gespeeld. Er kwam maar geen eind aan. Niemand in van die grauwe, nevelige straten leeft lang en gelukkig. Misschien wel lang, maar zeker niet gelukkig. Herkent u uw oude schaduw niet, sprak de liefde daar in Manchester, ik ben het, uw schaduw.


Je zit een glas donkerrode Egri Bikaver te drinken en kijkt en zwijgt. Vanwege de wijn denk je terug aan Eger, die barokke stad in Hongarije, en aan Szépasszonyvölgy, de vallei van de mooie vrouwen. Aan de Dorpsfilosoof, met wie je al converserend lange wandelingen maakte in een nabijgelegen bos. Je herinnert je duizenden kleine kikkers die zonder links of rechts te kijken de straat overstaken. Veel van de diertjes overleefden de overtocht niet. Uit de jukebox opeens de stem van David Bowie. Run for the shadow. Maak je uit de voeten, liefste, de gouden jaren komen niet terug. Run for the shadow, run for the shadow [1]. Nooit eerder zag je een wijnglas zo’n grote schaduw werpen.

Als er geen liefde meer over is en je bent alleen, en niemand reikt je de hand dan is hij daar, de zwartste schaduw. Wees op je hoede als je smacht naar affectie, erkenning, en meer nog als het naar roem is. Denk aan De schaduw, dat onovertroffen verhaal van Hans Christian Andersen. Je schaduw kan zich los van je maken en met de dag donkerder en sterker worden, zodat jij op den duur de schaduw van je schaduw wordt en hij, je schaduw, niet alleen met je Sibylle, maar zeker ook met de beloning en de eer voor al je zwoegen gaat lopen. “En toen gingen ze op reis; de schaduw was dan heer en de heer was dan schaduw.”[2]

De schaduw weet het allemaal. Ook al denk je dat het maar een schaduw is, niet meer dan dat. Ook al denk je dat je hem van je af kunt schudden en als een dief door een badkamerraam ontsnappen. Vergeet het maar. Je raakt niet van hem af. Zelfs niet als hij zich van je heeft ontdaan en als een superster samen met een koningsdochter op de podia van de wereld succes na succes oogst met wat jij bedacht en componeerde. Je schaduw wacht op je.

Erewhon, 1999


[1] Come get up, my baby
Run for the shadows, run for the shadows
Run for the shadows in these golden years
Golden Years, David Bowie

[2] Hans Christian Andersen, De schaduw, in: Sprookjes en vertellingen, vertaald door P.M. Boer-Den Hoed, M. Nijland-Van Der Meer De Walcheren, Annie Romein-Verschoor en Marie W. Vos, 1941.

Foto’s: Martin Pulaski
Tekening van de schaduw: uit Sprookjes en Vertellingen, Hans Christian Andersen

FICTIES

Vanmorgen las ik deze woorden van Stefan Hertmans: “Op die manier ontstaat iets wat later weleens ‘autofictie’ werd genoemd. In de plaats van over fictie te spreken, zou men het beter kunnen hebben over ficties. Het meervoud zou dan betrekking hebben op de manier waarop autobiografische elementen door het schrijven zelf veranderen en fictie worden; niet het verwijzen naar het ‘leven daarbuiten’ is de drager van het verhaal, maar de manier waarop het leven zelf uit ficties lijkt te bestaan, die door het lezen en schrijven van literatuur worden aangedikt. Juist door het schrijven wordt de auteur op de fictieve kant van al zijn ervaringen gewezen – hoe hij ze zelf regisseert, opzet en interpreteert maar buiten de door hem verlangde ‘objectieve’ werkelijkheid moet blijven staan.”
Inleiding bij de tweede herziene druk van Paul De Wispelaeres ‘Mijn levende schaduw’, uitgeverij Atlas, 1998. Het boek verscheen oorspronkelijk in 1965.

ZERO DE CONDUITE: SCHADUWEN

Zéro de conduite is een muziekprogramma waarin songs uit de popcultuur met zachte hand in het keurslijf van thema’s worden ingerijgd. Woekerende chaos wordt met liefde en toewijding overzichtelijk gemaakt. Alle zogeheten populaire genres komen aan bod, al ligt de nadruk op Angelsaksische folk, blues, country, soul en rock-‘n-roll. Onbevooroordeelde muziekliefhebbers noemen het allemaal pop. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds kan je ernaar luisteren op Radio Centraal 106.7 fm en streaming. Meer informatie over de zender en zijn medewerkers en programma’s vind je hier. Het motto van deze aflevering is: I’m all alone, won’t you give all your sympathy to mine? / Tell me a story about how you adore me / Live in the shadow, see through the shadow / Live through the shadow, tear at the shadow / Hate in the shadow and love in your shadowy life.

De schaduw is je meer nabij dan je beste vriend, dan je geliefde. Toch vergeet je hem negen keren op tien. Je ziet hem vaak zonder hem te zien. Ik weet alles van je, zegt hij. Maar je luistert niet. Of toch wel? Hoe ouder je wordt, hoe groter en donkerder de schaduw.

Onheilspellende wolken werpen een schaduw op een idyllisch tafereel dat je je nog maar net begon voor te stellen. Een soort van déjeuner sur l’herbe, moest het worden. Daar had je die verdomde schaduw al, donkere hond in het liefdesspel. Hoor je zijn gegrom, zijn gehuil als van een Limburgse wolf? Nee, van een blueszanger uit Mississippi. Van een gitaarsolo van Neil Young, van Hubert Sumlin’. Die niet, zeg je, dat was meer een kleine rode haan. In een lange hete zomer zonder een spoor van wat voor schaduw dan ook. Te lui om te kraaien, ook nog.

Weet je wat, niet alleen in donkere straten is het gevaarlijk. Ook daar waar de schaduw blijft hangen. Op de Quai des brumes in Le Havre en On the Waterfront. In het Manchester van A Kind of Loving. Als er geen liefde meer over is en je bent alleen, en niemand reikt je de hand. Dan is hij daar, de donkere schaduw. Wees op je hoede als je smacht naar erkenning, en meer nog naar roem. Denk aan De schaduw, dat onovertroffen verhaal van Hans Christian Andersen. Je schaduw kan zich los van je maken en met de dag donkerder en sterker worden, zodat jij op den duur de schaduw van je schaduw wordt en hij, je schaduw, met de beloning en de eer voor al je zwoegen gaat lopen.

De schaduw weet het allemaal. Ook al denk je dat het maar een schaduw is, niet meer dan dat.

Maar goed. Laten we deze sombere schaduwachtige gedachten wegjagen met het licht van de muziek en het sprankelen van de verbeelding. Met muziekteksten die aan de altijd aanwezige schaduw ontrukt zijn. Veel luisterplezier.

The Shadow Knows – The Coasters – The Coasters’ Greatest Hits – Leiber/Stoller

The Shadow Of Your Smile – Astrud Gilberto – The Shadow Of Your Smile – Mandel/Webster

Purple Shades – Cannonball Adderley – Julian “Cannonball” Adderley – Frank Lavere/Lew Douglas/Phil Dooley

Shadows – Roy Ayers – Daddy Bug – Roy Ayers

Blue Shadows – Lowell Fulson – The Blues Come Rollin’ In: 1952 – 1962 Recordings – Lloyd Glenn

Shady Lane – Champion Jack Dupree – New Orleans Barrelhouse Boogie – Jack Dupree

The Dark End Of The Street – James Carr – The Complete Goldwax Singles, Volume 2 1966-1967 – Moman/Penn

Shiftless, Shady, Jealous Kind Of People – The O’Jays – Back Stabbers – K. Gamble/L. Huff/J. Whitehead/G. McFadden

Standing In The Shadows Of Love – Four Tops – Four Tops Reach Out – Lamont Dozier/Brian Holland/Edward Holland Jr.

Have You Seen Your Mother, Baby, Standing In The Shadow? – The Rolling Stones – Big Hits (High Tide And Green Grass) – Mick Jagger/Keith Richards

Tombstone Shadow – Creedence Clearwater Revival – Green River – John Fogerty

Shadows – The Electric Prunes – Too Much To Dream Original Group Recordings: Reprise 1966-1967 – Gordon/Phillips

A Thousand Shadows – The Seeds – A Faded Picture – Hooper/Savage/Saxon

Shades Of Orange – The End – The Psychedelic Scene – Peter Gosling/Bill Wyman

Shadows Breaking Over My Head – The Left Banke – There’s Gonna Be A Storm: The Complete Recordings 1966-1969 – Mike Brown/Steve Martin

A Whiter Shade Of Pale – Procol Harum – A Whiter Shade Of Pale – Keith Reid/Gary Brooker

Shadow – R. Dean Taylor – Indiana Wants Me – Taylor

Fate Full of Shadow – Peter Lewis – Peter Lewis – Peter Lewis

Shadow On A Harvest Moon – Everything But The Girl – Idlewild – Tracey Thorn

Dry Grass & Shadows – Alela Diane – To Be Still – Alela Diane

Blue Shadows – Jimmie Dale Gilmore – One Endless Night – Jimmie Dale Gilmore/Hal Ketchum

An Awful Shade Of Blue – Tarnation – Mirador – Paula Frazer

I Got My Shadows – The Delines – Colfax – Willy Vlautin

Soulful Shade Of Blue – Neko Case – The Tigers Have Spoken. – Buffy Sainte-Marie

Cast A Shadow – Yo La Tengo – Genius + Love = Yo La Tengo – Beat Happening

Shadow In The Way – Tift Merritt – Tambourine – Tift Merritt

Shadowland – Steve Earle – Jerusalem – Steve Earle

Complicated Shadows – Elvis Costello & The Attractions – All This Useless Beauty – Elvis Costello

Shadowplay – Joy Division – Unknown Pleasures – Joy Division

Shadow Of A Doubt – Sonic Youth – EVOL – Sonic Youth

Shades Of Blue – Steve Wynn – Here Come The Miracles – Linda Pitmon/Steve Wynn

Night Shade – The Rain Parade – Beyond The Sunset – M.Piucci/S. Roback

No Shade In The Shadow Of The Cross – Sufjan Stevens – Carrie & Lowell – Sufjan Stevens

Strange Religion – Mark Lanegan – Bubblegum – Mark Lanegan

Shade And Honey – Sparklehorse – Dreamt For Light Years In The Belly Of A Mountain – Mark Linkous

Shadow Underneath – The Handsome Family – Singing Bones – Rennie Sparks/Brett Sparks

The Shade – After the Heat – Eno, Moebius, Roedelius –  Eno, Moebius, Roedelius

Turn The Whole World On Just For A Moment… – Edie Sedgwick – Ciao! Manhattan –  Edie Sedgwick

Samenstelling, research en schaduwfoto’s: Martin Pulaski

HOTEL MONTE VISTA

Enkele dagen geleden zag ik in het gezelschap van mijn vrienden Eddie en Jan in Cinema Palace op de Anspachlaan Dreaming Walls van Maya Duverdier en Amélie van Elmbt. Het is een oprechte en ongewone documentaire over het legendarische Chelsea Hotel in New York, al meer dan een eeuw een toevluchtsoord voor bohemiens, muzikanten, prostituees, kunstenaars en junkies. Van een aantal beroemdheden die er resideerden ken je de namen: Dylan Thomas, Thomas Wolfe, Leonard Cohen, Janis Joplin, Patti Smith, Robert Mapplethorpe, Tennessee Williams, Arthur C. Clarke, Nico, Andy Warhol, Viva Auder (actrice en schrijfster van het fantastische boek Superstar), Gaby Hoffman (dochter van Viva [1]), Charles R. Jackson (schrijver van The Lost Weekend), Sam Shepard, Bob Dylan (die er naar eigen zeggen Sad Eyed Lady Of The Lowlands schreef) en Harry Everett Smith, samensteller van de invloedrijke Anthology of American Folk Music, uitgebracht in 1952.

Wat in Dreaming Walls vooral wordt belicht zijn de schaarse, voornamelijk bejaarde bewoners van het gebouw die er kost wat kost willen blijven tijdens – en ondanks – de ingrijpende verbouwingen. In de nabije toekomst wordt het Chelsea Hotel een plek voor de rijken, zij die veel dollars willen neertellen om enkele dagen de rol van kunstenaar of hoer te mogen spelen. Voor de laatste Mohikanen die er nog wonen is blijven de enige optie. Zij hebben geen geld om waar dan ook nog naartoe te kunnen gaan. Zowat heel Manhattan is een stad voor de superrijke elite geworden. Af en toe zat ik met een krop in de keel naar de verhalen van deze extravagante enkelingen te luisteren. Al is de documentaire visueel evenzeer een parel. Ik vind het een van de betere Belgische films. Hij haalt net niet het niveau van het werk van Chantal Akerman en André Delvaux, maar dat is dan ook geen sinecure. Mogelijk was ik zo verrukt omdat ik al drie jaar in geen bioscoop meer was binnengestapt.

Toen ik wat over Dreaming Walls zat te praten dacht ik opeens aan een ander hotel, waar Agnes en ik in september 1993 een drietal dagen logeerden: het Monte Vista Hotel in Flagstaff, Arizona. Dat was tijdens een reis door het westen van de Verenigde Staten. Op slag wilde ik meer weten, niet alleen over die fantastic voyage, een hoogtepunt in mijn leven, maar vooral over dat éne hotel. Na wat speurwerk in mijn archief stelde ik vast dat ik tijdens die trip van vijfentwintig dagen niet één woord heb genoteerd. In het archief heb ik in mijn handschrift alleen een telefoonnummer van een taxi gevonden. Meer niet. Gelukkig heb ik wel heel wat andere documenten, vliegtuigtickets, kaartjes van de Greyhound bussen, rekeningen van hotels en zo meer (her)ontdekt.

Wij kwamen in Flagstaff aan op 14 september 1993. We hadden die morgen de Greyhound bus genomen in Albuquerque, New Mexico. In Albuquerque, nu een metropool en bekend door de series Breaking Bad en Better Call Saul, hadden we alleen maar het miezerige Rattlesnake Museum bezocht en lekker gegeten in wat toen nog Conrad Hilton Hotel was [2]. Terwijl de helft van de huidige inwoners van Albuquerque dealers lijken te zijn en de andere helft aan de crystal meth zit, viel daar toen geen barst te beleven. Waarom was het een stopplaats op onze reis geweest? Omdat Neil Young er een song [3] over heeft geschreven? Heel goed mogelijk.

De rit van Albuquerque naar Flagstaff, grotendeels over de legendarische Route 66, duurde lang, ongeveer zeven uur, herinner ik mij, maar de panorama’s onderweg waren adembenemend. Je rijdt door mythische landschappen als het Petrified Forest, de Navajo territoria – en uit liedjes en films bekende stadjes als Gallup, Winona en Winslow.

Flagstaff was in 1993 nog een stad die het bezoeken waard was. Van daaruit kon je met een bus van de Navajo-Hopi Indianen naar de Grand Canyon. Ik heb een lijst van alle hotels waar we tijdens die reis verbleven. Onze reisagent, Ictam in Brussel, had die voor ons uitgeprint en ik heb hem hier voor me liggen. Merkwaardig dat alleen het Monte Vista Hotel in Flagstaff erop ontbreekt. Toch ben ik er zeker van dat wij er geweest zijn. Ik kan het zelfs bewijzen: ik heb er foto’s van en ik heb een factuur teruggevonden. Al even merkwaardig is dat we de Alan Ladd Room toegewezen kregen, kamer 308. Want Alan Ladd was mijn favoriete acteur toen ik vijf of zes jaar was. Mogelijk was hij mij opgevallen in de film Shane, hoewel die al in 1953 uitkwam; toen was ik drie en nog niet vertrouwd met revolverhelden, ook niet met die met een goed hart als Shane. Alan Ladd verbleef echt in kamer 308 in het Monte Vista. Ladd was niet de enige filmster die zich daar ophield. Dat wist ik toen niet maar nu wel. Ook John Wayne, Barbara Stanwick, Humprey Bogart, Spencer Tracy, Clark Gable en Esther Williams waren er te gast. O ja, er waren nog meer beroemde logés: Michael Stipe, Zane Grey (auteur van onder meer de roman “Riders of the Purple Sage”[4]), Siouxsie Sioux, Debbie Reynolds, Jane Russell, Gene Tierney en mijn favoriete acteur Lee Marvin. Jammer dat ik geen deel kan uitmaken van het geheime genootschap The Sons Of Lee Marvin: je moet namelijk op hem lijken om erbij te mogen horen. Neil Young is echter wel lid en ik zie geen enkele gelijkenis met de enige en echte Lee Marvin. [5]

Tijdens mijn opzoekingen ontdekte ik nog meer. Naast Hollywoodsterren, schrijvers en muzikanten verbleven er een aantal rare snuiters in het Monte Vista. Bovendien blijkt het er te spoken. In kamer 220 woonde lange tijd de Meat Man. Het was diens gewoonte rauw vlees aan de kroonluchter te drogen te hangen. In kamer 305 wordt af en toe de geest van een vrouw gezien, zittend in een schommelstoel bij het raam. In kamer 306 werden lang geleden, toen in de buurt van het hotel de prostitutie nog welig tierde, twee hoeren vermoord en door het raam naar beneden geworpen. Onder meer John Wayne heeft voor de deur van kamer 210 ooit een spookachtige piccolo gezien. De westernheld kreeg er allesbehalve de daver van op het lijf. Wat ook niet te verwachten was. That‘ll be the day! Andere gasten bevestigen dit verhaal over die Phantom Bellboy. In de Cocktail Lounge wordt soms een dansend stel gezien. Altijd dansen zij naakt op Bertha, Dark Star en andere songs van the Grateful Dead en ze schamen zich voor niemand. Drie mannen die een bank in de buurt van het hotel hadden beroofd kwamen in diezelfde lounge hun dollars opdrinken. Een van de drie dronk zoveel Heaven’s Door Whisky dat hij van zijn barkruk viel, morsdood. Niemand weet wat met de andere twee dronken rovers gebeurde. Ik las ooit dat The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest over de twee mogelijk nog steeds voortvluchtige bandieten gaat, maar dat is ongetwijfeld fake news en post truth. Ook de bewering dat sommige scenes van Casablanca in een van de kamers van het roemruchte hotel werden gefilmd lijkt me vergezocht.

Toen wij er logeerden werden we op een ochtend wakker met bloedvlekken op onze kleren. Hoe was dat mogelijk? We waren de avond tevoren alleen maar naar een concert van Dwight Yoakam – met een wel heel sexy Carlene Carter als opener – geweest. Zijn A Thousand Miles from Nowhere was in die tijd een grote hit in de Verenigde Staten. Daarna nog een drankje in de bar en dan naar bed. Omdat we maar weinig kledij hadden meegebracht – veel ging er in onze rugzakken niet in – moesten we die dag naar de Sno-Flake Dry Cleaner and Shirt Laundry in North Elden Street, gelukkig niet ver van het hotel. Wat verder, in South San Francisco Street had je de winkel Cheap Clothes. Zoals te verwachten en te voorzien was, was nagenoeg alles er spotgoedkoop en lelijk. Gelukkig had ik nog een T-shirt van het Rattle Snake Museum in Albuquerque, en Agnes had er een met een afbeelding van Billie Holiday op, die ze ook als jurk kon dragen. Over het concert van Dwight Yoakam en ons bezoek aan de Grand Canyon schreef ik eerder al een stukje. Tijdens de terugrit met de Indianen zagen we niet al te hoog in de lucht boven Arizona een UFO vliegen. Zelden heb ik zoveel sterren gezien als die avond op weg naar Flagstaff. De volgende ochtend namen we de Greyhound naar Phoenix. Bijna vergaten we onze kleren te gaan afhalen bij Sno-Flake Dry Cleaner and Shirt Laundry. De bloedvlekken waren netjes verwijderd.

[1] “Gaby Hoffmann recalled, “I grew up in downtown New York in the ’80s. I have a friend who grew up with me, and she puts it well. She says, ‘If you grew up where we grew up, if you weren’t an artist, a drag queen, queer, or a drug addict, then you were the freak.’ I grew up in a world where I guess what is considered unusual or abnormal for the rest of America was very much considered the norm.” She also reported in an interview that there had been gunfire and a rape at the hotel shortly before they moved out.”

[2] Het eerste Hilton hotel buiten Texas, gebouwd in 1939, nu Hotel Andaluz.

[3] Op Tonight’s The Night, verschenen in juni 1975 op het Reprise label.
“So I’ll stop when I can
Find some fried eggs and country ham
I’ll find somewhere
Where they don’t care who I am
Oh, Albuquerque
Albuquerque.”

[4] Waar de Californische countryrock band The New Riders Of The Purple Sage zijn groepsnaam vond. Hun eerste, voortreffelijke elpee verscheen in 1971. De toenmalige leden waren John Dawson, David Nelson, Dave Torbert, Jerry Garcia en Spencer Dryden.

[5] Founding member and film director Jim Jarmusch explained, “If you look like you could be a son of Lee Marvin, then you are instantly thought of by the Sons of Lee Marvin to be a Son of Lee Marvin”. 

Foto’s: Martin Pulaski, september 1993. Documenten uit het archief van Matti Brouns.

DE KUNST VAN DICHTERS EN SOLDATEN


Weggedoken ligt hij voor het raam op wacht,
Zijn gedachtestroom een licht fontein.
Ontwaakt daarna met wat vroege vogels
En soldaten donkerblauw van jullie dood.
Zij die blauwe bessen eten. Hun gezang
Looft voldoening en grootse vernielkunst.

Altijd tot de vale tanden gewapend.
Hun kleine handen grijpen glazen vol gin
Rum wodka jenever, plaatselijke varianten.
Altijd blinkt het koper van knopen en bugels.

Eensgezind lijken zij soms, soldaten en dichters,
Als uit naburige gehuchten vertrokken.
Hun halzen lelieblank scharlaken aardedonker,
De weerloos kloppende aders van hun geslacht.
Hun ogen chagrijnig, venijnig, van heimwee
En zilveren liefdesverdriet hun donkere tranen.

In het vaderland van waar hij aanging
Graasden in de regengroene prairie buffels
Berustend onder de aanvang van de zon.
Alom warme boeren en buitenlui onderdanig
Aan de wetten van nieuwe blanke wapens.
In de illusie van God en Maria vol Genade.

Van in het begin al kende hij het pad
Over het vlakke land eerst en de Delta
En dan weer de weg omhoog van de denker
Die ook altijd omlaaggaat als hij klimt.

De dichter die fietsend om zich heen kijkt
Naar de gewassen en zo de pedalen verliest
En toch overeind blijft, niet eens wankelt,
Door de ziel van de buffels beschermd.

Bij valavond treedt de rust in. Hij bedaart.
Klaar voor geluid en gerucht in cafés bars.
Voor de vredige lobby’s van chique hotels
Waar hij in zetels thee drinkt en Martini Dry
En toekijkt hoe Magdalena met rode lippen
Zich van haar warmste kleren ontdoet.

De laatste uren licht draaien moedwillig traag
Omdat hij dan toe is aan slakkengang.
Vergeten zijn nu prairiehond en antilope.
De schemeruren blijven nog wat zijn element
Voor de nacht begint van vrees en beven,
Of wat geprevel van warrige schietgebeden.

De nacht valt dan voor dichters en soldaten
Die de kunst verstaan bloedsporen te wissen
Met woorden in brieven aan ware geliefden
En slijm van de dood zonder snik door te slikken.

Maar neen, niet hun wrangste tranen:
Dat zijn hun broodkruimels, hun sporen.
Om diep in het holst van de donkerste nacht
De landweg naar huis terug te vinden.
Waar hij al opgetogen voor het raam zit of ligt
Wachtend op echo’s van hanen, aandenkens,
En enkele beelden verzint voor deze ballade.

POORTEN VAN DE HEL

Candy Clark en David Bowie

Thomas Jerome Newton : If I stay, I’ll die.
Mary-Lou : What’re you talking about? Take me with you, I’ll see you don’t die.
Thomas Jerome Newton : I can’t stay.
[walks away from her] 
The Man Who Fell To Earth

Kalm blijven en voldoende rusten, had dokter Debaene mij aanbevolen. Maak je geen zorgen maar span je ook niet te zeer in. Dat advies nam ik ter harte. De volgende dagen zou ik zo veel mogelijk in bed blijven en slapen, en misschien wat dromen. In goede intenties ben ik geweldig, ze uitvoeren is onbegonnen werk. Onwillekeurig dacht ik aan de Deense prins, maar ik joeg dat spookbeeld meteen weer weg.

Je moet je bij ons bed geen ledikant of bedstee of iets dergelijks voorstellen. Senga en ik sliepen op twee dunne matrassen die naast elkaar op de gebeitste houten vloer lagen. We vonden dat het geheel er nogal Japans uitzag. Als kleine jongen identificeerde ik me met revolverhelden in westerns, nu voelde ik mij meer thuis in de setting van L’empire des sens en The Man Who Fell To Earth. Senga was Sada Abe en Mary-Lou, ik was Kichizo Ishida en Thomas Jerome Newton. Alvast was ik even mager als David Bowie.

Langs drie trapjes naar beneden kwam ik in mijn werkruimte. Ik had er een mooi uitzicht op de tuinen. Als ik me onrustig voelde of moeite had met een woord of een zin keek ik even naar buiten, naar de bomen en de gewassen, en dan kwam het meestal weer goed en schoot ik weer in gang. Maar ik mocht het lot niet tarten. Ik moest geduld oefenen.

Don Sebastian de Morra, de dwerg van Diego Velázquez.

Die nacht had ik veel gedroomd. Ik vertelde Senga wat ik mij er nog van herinnerde. Het was je reinste horror, Senga, begon ik. Ik was van het rechte pad afgeweken en bevond me in een donker woud. Hoe donker en woest het was kan ik niet beschrijven. Ik hoorde een stem die zei: In het midden van mijn dagen zal ik naar de poorten van de hel gaan. Opeens was er licht en in dat licht kwamen ruiters op me af, hun paarden in galop. In één van de mannen herkende ik Keith Richards. Ik zag dat hij probeerde te ontsnappen, dat hij door de anderen werd achtervolgd. Ze zagen er woest, bloeddorstig uit. Hadden die kerels het niet alleen op Keith maar ook op mij gemunt? Wie was ik dan? Een Azteekse koning? Motecuhzoma? Keith Richards ter dood, werd er gescandeerd, Keith Richards ter dood. Ik sloeg op de vlucht, tot ik een open veld bereikte. Daar begon het moorden. Mensen werden onthoofd, met scherpe messen in stukken gesneden, verbrand. De dwerg don Sebastian de Morra probeerde zich uit de voeten te maken. Je kon zijn korte beentjes amper zien, zo snel liep hij. Tevergeefs.

Als buitengewoon snel groeiende gewassen schoten daar nu lange scherppuntige staven uit de grond omhoog. Ze vormden een omheining rond het veld. De vlijmscherpe spijlen doorboorden een aanzienlijk aantal van de vluchtende mensen en paarden. Aan mijn rechterzijde ontwaarde ik een afgrond. In de diepte een borrelende, zwavelgeurige vloeistof. Velen werden door het achtervolgende legioen daarheen gejaagd. Ik zag de verdoemden eerst aan de rand van de afgrond staan en dan in de poel neerstorten.

Overal om mij heen warm, stroperig, kleverig bloed. Een man lag in doodsstrijd aan mijn voeten. Ik diende hem een injectie toe. Met een verdovend middel, veronderstelde ik, maar ik wist niet dat ik hem daarmee het leven zou redden of doden. Langs alle kanten laaide opeens vuur op. Van de hitte droogde de met bloed doordrenkte aarde meteen op. Vlakbij ons bleven de ruiters er met hun lange zwaarden op los hakken. Een van hen sprong van zijn paard en kwam met zijn kling houwend op me toe. Ik wierp me vliegensvlug op de warme aarde en kon zo een houw recht in mijn borstkas vermijden. Mijn hart bleef ongeschonden. De ruiter liep door, mogelijk verblind door het vuur en het rode stof dat voor kort nog bloed was geweest.

Aan de andere kant van de poel zag ik een rij bomen en daarachter nog meer vluchtende mensen. Ver geraakten zij niet. Een eind voorbij de bomen zag ik een hoge prikkeldraadomheining. Achter de omheining zag ik garages, ambulances, stapels afgehakte handen, hoofden. Verpleegsters sneden met scherpe messen de weinige overlevenden de strot over. Ik keerde op mijn stappen terug naar het donkere woud en vroeg me af of Keith Richards, om wie deze slachtpartij begonnen leek te zijn, veilig was. Ik ging op de grond liggen. Op het zachte, warme bed van dennennaalden voelde ik me veilig als een kind in een sprookje.

Senga was bleek geworden. Met verschrikte ogen keek ze mij aan. Was de duivel in mij gevaren, vroeg ze. Ik dacht van niet. Er was een verklaring. Is dat niet altijd het geval?

Omdat ik maar drie treden af moest om mijn uitverkoren boeken te zien staan, de andere bleven in mijn vroegere werkkamer aan de voorkant van het huis achter, waar het te vochtig was om te werken, was het moeilijk om me aan het voornemen om niet te lezen te houden. Onbegonnen werk. Op mijn werktafel, waar ik enkele dagen tevoren nog aan de Triomf van het leven had zitten schrijven, lag een dichtbundel van H.C. Ten Berge, Personages. Ik had er niet aan kunnen weerstaan in dat boek nog wat te lezen, met name in het eerste deel, getiteld Ondergang van Tenochtitlon. Uit deze lectuur kwam mijn gruwelijke droom voort. Vooral van het gedicht ‘het feest’ vond ik sporen terug. Uit een kort citaat wordt dat meteen duidelijk: 

‘Ze kwamen te voet, ze droegen hun ijzeren zwaarden in de hand en hun houten schilden en hun ijzeren schilden. Zo stortten zij zich temidden van de dansers en baanden zich een weg naar de plek waar de trommels werden geslagen. Ze vielen de trommelslager aan en hakten zijn armen af. Toen sloegen ze zijn hoofd eraf en het rolde ver weg over de grond. Toen vielen ze de dansenden aan, zij doorboorden ze, spietsten ze, doodden ze met hu zwaarden. Enkelen werden van achteren doorstoken; die vielen met uitpuilende ingewanden op de grond. Anderen onthoofdden ze; eerst kloofden ze de schedel en dan hakten ze die in stukjes. Weer anderen troffen zij in de schouders, in vademdiepe wonden werd hun rug geopend. Ze rukten sommigen de armen uit het lijf. Enkelen staken ze in dijen en kuiten. Van anderen reten ze de buik open en de ingewanden stroomden over de grond. Vergeefs probeerden velen er nog vandoor te gaan, maar hun darmen sleepten voor hen uit en daarin verwarden zij zich met hun voeten. Op welke wijze zij ook probeerden zich te redden, ze konden niet ontkomen. Het bloed der aanvoerders stroomde als water en verzamelde zich in plassen. De plassen stroomden samen en maakten de hele tempelhof tot een grote glibberige vlakte. De stank van bloed en darmen vulde de lucht. En de spanjaarden renden nu naar de verblijven der priesters en doodden allen die zich daar nog verborgen. Ze liepen overal heen en doorzochten alles, ze drongen alle ruimten binnen, jaagden en moordden.’

Wat Ten Berge schreef was de werkelijkheid. De werkelijkheid is gruwelijker dan om het even welke droom of nachtmerrie. Ik had naar mijn goede dokter moeten luisteren. Lezen is gevaarlijk. Voortaan blijven de boeken toe.

Gustave Doré, Verloren Paradijs

[Nachten aan de Kant 64]

DIEF IN DE NACHT

Gabriella, rechts op de foto. Fotograaf onbekend.

[Nachten aan de Kant 63]

[Wat voorafging. Ik had zitten werken aan een tekst die ik De triomf van het leven dacht te zullen noemen. Die had ik van de Engelse revolutionaire dichter Shelley gestolen. Shelley werkte aan The Triumph of Life tot kort voor zijn dood op 8 juli 1822, toen zijn boot de Don Juan kapseisde. Dezelfde boot waarin hij The Triumph had geschreven. Tegelijk moest mijn titel een verwijzing worden naar de Triumphi van de Italiaanse veertiende-eeuwse dichter Francesco Petrarca. Veel gedoe voor alleen maar een titel. Het waren koortsachtige dagen, zenuwen waren verzwakt. Onheil lag op de loer. Den boghe en mach altijt niet gespannen staen. [1] Hoewel ik me erg moe voelde had ik er Senga fragmenten uit voorgelezen. Mijn geliefde had er verrukkelijk uitgezien. Haar sensualiteit had mijn woordenvloed, die nochtans het leven moest verheerlijken, doen verbleken. Hoewel ik de ene koffie na de andere had gedronken had ik het  gevoel van uitputting maar niet van me af kunnen schudden. Zelfs de gedachte aan seks matte me al af. Toch had ik niet aan haar lokroep kunnen weerstaan. Want was eros niet de kern van ons bestaan?
Daar kwam nog bij dat ik me zorgen maakte over mijn vriend Guy in het verre Wellen. Was hij boos op me vanwege een onnozel misverstand? Kon het nog goed komen tussen ons?]


Enkele dagen later. Omdat ik me nog altijd moe voelde had ik me rustig gehouden. Overdag bij de Filosofische Kring Aurora hadden Paul en ik een tekst van Jean-Paul Dollé (1939-2011) vertaald: Le poète contre le dieu un. Ondanks de moeilijkheidsgraad van dat essay hadden we er plezier aan beleefd. Paul en ik vullen elkaar aan: hij kent het Franse filosofische jargon veel beter dan ik, ik ben dan weer beter in het schrijven van een toegankelijke Nederlandse tekst. Toch blijft het essay van Dollé ook in onze vertaling duister, raadselachtig.
Eens te meer was het voor mij een genoegen geweest om met Paul samen te werken. Ik ben altijd al een eenling geweest, iemand die in afzondering en stilte moet werken. Ik kan me maar erg moeilijk concentreren. Met Paul kan ik bij wijze van spreken uit mezelf treden en samen de weg van de taal bewandelen.

In de Dolfijnstraat was er een brief aangekomen van Guy B.. Die had ik aandachtig gelezen. Hoewel er geen moeilijke woorden in stonden vond ik hem nog mysterieuzer dan het complexe werk van de Franse filosoof. Wat was er aan de hand met mijn vriend? Was hij stilaan psychotisch aan het worden? Hij schreef dat iedereen hem haatte, hij schreef dat hij een monster was, ja, een monster omdat iedereen hem als een monster zag. Ik ben een ziekte, riep hij uit. Wat mij enigszins gerust stelde was zijn stelling dat zelfs een ziekte wil leven, dat zij, de ziekte, wellicht belangrijker is dan de zieke en de patiënt. De brief schokte me, maar ik had niet het gevoel dat mijn vriend uit het leven zou stappen. Zijn liefde voor licht en schoonheid (en ‘mooie meisjes’, waarvan hij in zijn brief wel drie of vier namen noemde, een van hen zou ik ongeveer twintig jaar later geheel toevallig ontmoeten[2]) was te groot om te kiezen voor de eeuwige duisternis.

Vanwege mijn aanhoudende vermoeidheid waren we vroeg in bed gegaan. Ik had nog een halfuurtje gelezen in Ernst Jüngers Op de Marmerklippen. Bij die lectuur voelde ik mij wat ongemakkelijk: was Ernst Jünger geen halve nazi geweest? Alleszins was hij niet zoals veel andere Duitse auteurs geëmigreerd. Sommigen, zoals Walter Benjamin en Stefan Zweig, hadden vrijwillig een einde aan hun leven gemaakt. Hoe heeft een bevlogen woordkunstenaar, een verheven en elitaire man als Ernst Jünger zich kunnen verzoenen met het Duitse nationaalsocialisme, dat niet alleen vulgair en brutaal was maar vooral gewetenloos en moorddadig? Op de Marmerklippen is een onmiskenbare kritiek op elke vorm van barbarij en anti-intellectualisme. Een oorlogsverklaring aan lompheid, onderdanigheid, bruut geweld en tirannie. Sommigen beweren dat Op de Marmerklippen een sleutelroman is, dat voor de Opperhoutvester, een personage in de roman, Hermann Göring model heeft gestaan. Ik wilde er niet lang over piekeren, deed het leeslampje uit en viel meteen in slaap.

Lang na middernacht werd ik in panische angst wakker. Ik voelde een hevige pijn in de borst en kon niet meer ademhalen. Ik ging rechtop in bed zitten, slaakte een kreet. Ik was er zeker van dat mijn uur gekomen was. Ik verwachtte de dief al zo lang, nu, kort voor zonsopgang, was hij er dan toch. Senga nam me in haar armen en probeerde me te kalmeren. Gabriëlla stond meteen in onze slaapkamer, haar gelaat witter dan ooit tevoren. Zelfs haar lippen waren wit. Haar blik vulde de hele kamer met een akelig wit licht. Ze had mijn kreet gehoord en gevoeld.

Vliegensvlug trok Gabriëlla haar jeans en een trui aan en snelde naar buiten om onze huisarts, dokter DB, te gaan halen. Die woonde vlakbij. Al het wit werd donker, werd schaduw, werd zwart. De beklemming en de angst duurden ongeveer tien minuten, vertelden Senga en Gabriella me achteraf. Ik had een blauwige gelaatskleur gehad. Toen de dokter mijn pols vastnam was ik al rustiger geworden. Zijn diagnose was: oppervlakkige ademhaling, tachycardie. Paniek was nergens voor nodig, ik moest vooral kalm blijven. Hij beval me een afspraak met een cardioloog aan.

Weer bij zinnen gekomen was ik er zeker van dat ik ternauwernood aan de dood was ontsnapt. Wat was ik Gabriella dankbaar, zonder haar tegenwoordigheid van geest en snelle actie had ik het misschien niet overleefd. Dat een vrouw die ik als wereldvreemd en nogal onverschillig had beschouwd,  zo snel en duidelijk vanuit een diep medeleven, mogelijk zelfs liefde, tot actie was overgegaan heeft me niet alleen verrast maar in zekere zin ook genezen van een kwaal die ik niet had willen kennen. Welke kwaal dat was, zal later duidelijker worden.


[1] Anna Bijns
[2] Om wie het gaat kan ik hier onmogelijk onthullen. De vrouw nam lange tijd veel plaats in in mijn leven.
Eigenlijk waren het twee brieven tegelijk. In mijn dagboek vond ik nog dit daarover:
Is zijn waanzin geveinsd, zoals bij Hamlet, of is hij werkelijk waanzinnig geworden? Ach, laat mijn vrienden toch niet psychotisch worden, zij hebben dat niet verdiend. Het zijn de meisjes die Guy ongelukkig maken en hem zijn verstand doen verliezen. Zo lijkt het althans. Maar heeft hij het beest niet in hemzelf zitten? Is het niet aan hem om die demon uit te drijven? Of ermee te leren leven. Want mogelijk zou hij zonder zijn demon niet langer zichzelf zijn. Hij zou tot geen werk meer in staat zijn. Zonder zijn demon zou de stilte intreden, of de dood. En dat mag niet.

Joseph Severn, 28 January, 1821, 3 o’clock morning, drawn to keep me
awake. A deadly sweat was on him all this night. [Keaths on his death-bed]

KLEINE BEVRIJDINGEN EN SCHADUWEN VAN DE DOOD

Foto: Martin Pulaski, maart 2022

Het voorlopig laatste en 62ste hoofdstuk van Nachten aan de Kant (ook wel eens Antwerpse Nachten genoemd) verscheen hier op mijn blog op 15 april, nu ruim zeven maanden geleden. ‘Tamelijk onbetamelijk gedrag’ kwam maar moeizaam tot stand. Mogelijk was ik moe, of had ik een aanval van zwaarmoedigheid, of waren er te veel zorgen en beslommeringen in verband met ziekte, woononzekerheid en oorlog in Europa. Mogelijk hield de lichte weerzin om door te gaan met het project verband met de inhoud van die episode en vooral van wat nog zou komen en nu moest geschreven worden. Als je partner, zij die in mijn kroniek Senga wordt genoemd, ook al is zij daar “a walking contradiction partly truth and partly fiction”[1], aan een levensbedreigende ziekte lijdt is het moeilijk om over een doodservaring te schrijven die destijds echt wel hevig was, maar bedekt met een laag van veertig jaar euforie, ellende en levenswijsheid niet veel meer dan een intense angstaanval lijkt geweest te zijn. Ik moest erover schrijven, ik kon er niet over schrijven.

In diezelfde periode vierden we een kleine bevrijding. Covid-19 leek op zijn einde te lopen; na meer dan twee jaar konden we weer buitenkomen, vrienden ontmoeten, een reis maken. Wat had schrijven te betekenen als je ook kon leven? Al gauw stelde ik vast dat het leven voor mij niets was als ik niet kon schrijven. En ik kon niet schrijven, of toch niet veel meer dan wat feiten in potlood in mijn dagboek en elke maand een playlist voor mijn radioprogramma Zéro de conduite.

Hoogste tijd om opnieuw de echte vrijheid op te zoeken, die van mijn spreekwoordelijke schrijfcel. In Berlijn vorig jaar las ik een provocerende slogan van de grondlegger van het lettrisme, Isidore Isou: ne travaillez jamais. Als jongeman zou ik die woorden toegejuicht hebben; nu weet ik wel beter. Als je niet kunt werken heb je geen echt leven. Ik bedoel dan wel een soort van werken waarin je jezelf herkent, werken dat mogelijk moeizaam gaat maar toch ook altijd speels is. Je maakt iets in het zweet uws aanschijns maar doet dat spelenderwijs.

Enkele dagen geleden heb ik het werk aan Nachten aan de Kant kunnen hervatten. Vandaag, morgen of overmorgen mag je hier hoofdstuk 63 en 64 verwachten. En daarna de volgende episodes. Ik wil met deze reeks doorgaan tot ik de rand van de afgrond bereik. Dat zal ergens in 1982 of begin 1983 zijn. Van 1982 tot ongeveer 1988 zwierf ik, zonder herder of heer en het ontbrak me aan ongeveer alles behalve vriendschap, liefde en haat, door de Vallei van de Schaduw van de Dood. Daar valt niet veel over te vertellen, denk ik. En in weerwil van die grote woorden was het leven toen toch nog een stuk aangenamer dan nu, nu de aftakeling elke dag voelbaar en zichtbaar is. In je hart, in de spiegel en in de hele wereld. Mogelijk klink ik nu te pessimistisch en vergeet ik de jongeren die alles, maar dan ook alles, beter gaan maken.

[1] Kris Kristofferson, The Pilgrim, Chapter 33

SCHAAP IN WOLVENVACHT

Paard: Martin Pulaski

Lang geleden, in mei 2008, schreef ik een enigszins dadaïstisch gedicht dat ik Pow! Poëtenkadaver noemde en opdroeg aan theatermaker René Pollesch, auteur van inspirerende stukken en intendant van Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz in Berlijn. Dit is een volledig herwerkte versie ervan. Aan niemand in het bijzonder opgedragen, maar wel aan iedereen in het algemeen.

Amechtig meesmuilend zweten zes, zeven poëten hun verzen uit.
Verse spruiten voor de buitenstaander.
Voor de man die op zijn stoel zit, altijd in het wit.
Wat de zes, zeven zwetende poëten niet weten?
Garnaalvissers fietsen door zijn straat.
Hoor dan, het belgerinkel van een schalkse schavuit.
Arme liefjes met versleten rode rokjes aan komen uit de verfwinkel in zijn straat.
Hun neuzen met spikkels rode menie in de strakke wind.
Twee stropers komen uit de sigarenwinkel in zijn straat.
Poolse bouwvakkers staan op de hoek van zijn straat.
Wrijven in hun blauwe handen, rollen een te dun stickje.

Uitgelaten lacht nu de man op de stoel, de man die in het wit zit.
Hij lacht die poëten uit!
Als het donker is ruilt hij zijn koning voor een paard
Dat leeuwachtig brult om haver, en zelf heeft hij dorst.
Maar nergens een café zonder bier.
Aan de zwier dan maar tegen heug en meug?
Voorbij de regenboog, in de bierkaai van de Russen aan het Falconplein.
Waar de zes, zeven dichters nakaarten over hun zielenheil.
Hun significantie en gewicht op de vogelenmarkt van tekens.
Bestaan wij naar de letter of naar de heilige geest?
Is alles zonder meer waarde, zonder betekenis en bijgevolg verloren?
Versta je er nog iets van of valt er niets te begrijpen, dichters?
Zit de Schone voor altijd in de muil van het Beest?
He, zeg, beste vrienden, wat is de rol van Moeder de Vrouw
En van de Heilige van de Eerste Dagen, toen het woorden begon?

De man in het wit hangt zich op aan zijn telefoon.
Zijn laatste woorden zijn voor Moeder de Vrouw.
Geef hem nog zo’n Brusselse wafel, moeder!
Geef de dichter nog zo’n Luikse wafel!
Geef de dichter een walrus, geef de bedelaar een tafel.

KANSAS CITY, KANSAS

Little Willie Littlefield en Peewee Crayton

Bij ons is het alweer een magnifieke herfstdag en toch wil ik zomaar opeens graag ergens in Zweden of Noorwegen zijn. Zelfs in het laat 19de-eeuwse Rusland, voor de revolutie en de oorlogen. Ja, zowaar onderduiken wil ik in een of ander naargeestig stuk van Tsjechov, Strindberg of Ibsen, of in een ziel-zoekende film van Bergman. Donker, dat wel, maar de personages lijken nooit te zullen sterven en als ze al hoesten is het eerder kuchen, heel lichtjes, met een fijn zakdoekje voor de mond. Ook al gaat het over de dood en het eeuwige zwijgen, iets wat Franse filosofen onbekend is, toch blijft het enigszins lichtvoetig en luchtig, als slaapkamers die net zijn schoongemaakt, met de hoofdkussens opgeschud en weer zoals dat hoort in hun witte zijden slopen op hun plaats gelegd.

Ondertussen zitten aan een toog in het eeuwige Kansas City, Kansas uitgelaten venten hun whisky te drinken. Het moet in een bar zijn op de hoek van 12th Street & Vine. In hun glazen whiskey met een e maar ze noemen het goedje gaarne Kansas City Wine. Ze hebben bloeddoorlopen ogen en leven niet veel langer dan een vlinder, een mus die van het stadsbestuur gif wordt toegediend. Op de jukebox niets dan liedjes over lust en ongenoegen. They got a crazy way of loving. In dat Kansas City van Jerry Leiber en Mike Stoller zou ik nu ook wel eens een kamer willen vinden. Zou de Reno Club, waar Charlie Parker werd uitgejouwd nog bestaan? Zou Gene Clarks Kansas City Southern nog rijden, zou je zijn eenzaam en ver weg gefluit nog ergens kunnen horen?

Ach jongen, wat maakt het uit. Het zit allemaal in je hoofd en nergens anders. Maak je maar niet druk. Je zit in je kamer en straks is er vis en witte wijn.

ON THE ROAD AGAIN

Ik lees af en toe een stukje in The Philosophy of Modern Song van Bob Dylan. Het hele boek in een keer uitlezen, waar ik wel zin in heb, zou zonde zijn. Een fles Heaven’s Door drink je toch ook niet in één zitting uit? Al deed ik dat tientallen jaren geleden wel eens – in gezelschap van vrienden – met Old Grand-Dad bourbon, maar dat was dan ook de uitverkoren Kentucky whisky van John Steinbeck en van tal van personages in het werk van Cormac McCarthy. Zelf heb ik al jaren geen druppel Old Grand-Dad meer aangeraakt. Al mijn drinkebroers zijn dood en ik drink alleen nog wijn en Martini Bianco, met mate. Old Grand-Dad is nu in handen van een Japanse multinational, waarvoor de in ongenade gevallen acteur Bill Murray ooit nog reclame maakte (in Sofia Coppola’s romantische komedie Lost In Translation uit 2003).

Ik las net het stuk over On The Road Again van Willie Nelson. Dat lied vind je terug op de elpee Honeysuckle Rose, de soundtrack bij de gelijknamige film van Jerry Schatzberg die uitkwam in 1980. Slim Pickens speelt erin mee. Ik ben alweer diep onder de indruk van Dylans wijze en soms grappige woorden. Van zijn proza vol onverwachte en niet te overtreffen gedachtesprongen en verwijzingen. Onder meer naar On the Road van Jack Kerouac “the iconic beat generation masterpiece” en naar Van Morrisons Hard Nose The Highway. Omdat Van per vliegtuig reist zal hij niet goed weten hoe het leven aan boord van een tourbus werkelijk is, maar hij zal er beslist al over hebben horen vertellen, aldus Dylan.
On The Road Again gaat inderdaad over het leven van reizende muzikanten, over de dagen en nachten doorgebracht in een tourbus. Het soort vehikel dat wij sedentaire mensen alleen van de buitenkant kennen (en uit de onvergetelijke rockfilm Almost Famous). Bob Dylan schrijft er uiteraard met kennis van zaken over. Je zit meteen samen met Bob en met Willie en met de hele band en nog wat groupies erbij – denk aan Kate Hudson – in die bus. Het is duidelijk dat de schrijver van The Philosophy Of Modern Song van dat leven houdt. Niemand maakt zich daar boos op je omdat je de vuilnis vergat buiten te zetten. “When you’re on the road, you’re living the life you love. “ En vooral dit: “You give pleasure to other people and you keep your grief to yourself.”

De stukken die ik al las gaan meer over Onze Held dan over de song die er het onderwerp van is. Dat is ook met On The Road Again het geval. Al krijg je meteen zin om niet alleen dàt nummer van de outlaw te beluisteren, maar zowat alles wat je van hem in huis hebt. Je zou zelfs Honeysuckle Rose nog wel een keer willen zien, met een glas Old Grand-Dad erbij, of liever nog een hele fles Heaven’s Gate.