HOPE SANDOVAL, DE BLAUWE BLOEM

‘She Hangs Brightly’ van Mazzy Star was de allerlaatste vinylplaat die ik kocht. Het zou meteen een van mijn allermooiste muzikale ontdekkingen zijn, het begin van een donker-romantisch avontuur. Met dat kleinood in een plastic zakje van Music Mania stapte ik de platenwinkel uit, deed de deur achter me dicht en stond in de vuile straat. Brussel was in 1990 smerig en gevaarlijk, niet cool en funky en artistiek zoals nu. Ik mengde mij onder de grijze mensen die daar liepen en begaf me naar het Centraal Station, hongerig en koortsig van verlangen naar het onbekende dat op me wachtte. Ik had er geen idee van hoe Mazzy Star zou klinken, wist niets over Hope Sandoval, had haar stem nog niet gehoord, wist niet hoe ze eruitzag.

Ik heb altijd al van sterren gehouden. Niet van alle sterren, wees gerust, van sommige. Greta Garbo, Lucia Bosé, Monica Vitti, Nico, Françoise Hardy. Ze allemaal nog een keer opsommen lijkt me overbodig: hun namen vind je op veel plaatsen in deze geschriften terug. Vaak zie ik als in een roes hun gezichten voor me. Ze duiken op uit de mist in mijn hoofd, hun trekken winnen aan duidelijkheid. In wat zo van hen aan me verschijnt zie ik wat Roland Barthes de lyriek van de vrouw noemt. Straks, als ik weer thuis zou zijn in het appartement in de Lamorinièrestraat in Antwerpen, waar zonder dat ik hen zou zien de Sefardische joden voorbij zouden lopen, zou Hope Sandoval plaats nemen in dat pantheon van menselijke sterren, onbereikbaar en onontkoombaar.

Op het einde van de jaren tachtig deden platenwinkels overal in het land hun vinyl massaal van de hand. De muziekindustrie dwong muziekliefhebbers ertoe om op het cd-formaat over te schakelen. Op wie van vinyl hield werd voortaan neergekeken, vooral door jonge hipsters, die toen yuppies heetten. Je herkende ze aan hun dure sokken en stropdassen. Ik betreurde het verdwijnen van die mooie vorm. Ik had al zoveel jaren van vinyl, van singles, ep’s en elpees, genoten, van elk aspect ervan, tot de geur toe. Maar gaandeweg ging ik ook van de cd als muziekdrager houden. In het begin persten de platenmaatschappijen ons af door exorbitant hoge prijzen te vragen voor lelijke en slecht klinkende schijfjes. Maar al na enkele jaren klonken cd’s stukken beter dan dat vermaledijde vinyl, waar zo vaak iets mis mee was en dat vanaf de jaren tachtig van slechte kwaliteit was geweest. Er kwamen schitterende boxen uit, oude platen werden geremasterd en met bonustracks aangevuld. Bij de cd’s zaten boekjes met essays van muziekliefhebbers die ook nog eens konden schrijven. Er verschenen duizenden cd-versies van platen die al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar waren geweest. Onvoorstelbaar dat je nu al die albums van obscure psychedelische bands, van weinig bekende soulmuzikanten, zelfs van countryhelden als George Jones en Loretta Lynn kon vinden… Gouden dagen om muziek te (her)ontdekken.

Maar natuurlijk wist ik dat allemaal nog niet toen ik die allerlaatste vinylplaat aanschafte. En dat is goed zo, je moet niet altijd alles willen weten; zolang je maar niet ophoudt jezelf te leren kennen en te luisteren naar wat de andere mensen je te vertellen hebben. Ik was gewoonweg blij dat ik een mooie plaat gevonden had. Ja, ik was er zeker van dat het een mooie plaat was. Want ik kende de achtergrond wel. In de vroege jaren tachtig, toen popmuziek schel en synthetisch klonk (wat ik soms zelfs kon smaken, ‘Poison Arrow’ van ABC bijvoorbeeld), was in Los Angeles een nieuwe psychedelische beweging ontstaan. Van de narcotische folkrock van the Rain Parade was ik meteen weg. Hun muziek sloot aan bij Buffalo Springfield, the Byrds en Pink Floyd van ‘A Saucerful of Secrets’. Hun elpee ‘Emergency Third Rail Power Trip’ (1983) was een psychedelische tour de force, die me ook nu nog geregeld in vervoering brengt. The Rain Parade bestond uit Steven en David Roback, Matt Piucci, Will Glenn en Eddie Kalwa. David Roback verliet the Rain Parade al gauw en richtte met Kendra Smith (ex-Dream Syndicate) eerst Clay Allison op, een bandje dat kort daarna Opal zou heten. Opal bracht één uitstekend album uit, ‘Happy Nightmare Baby’ (1987), waarna Kendra Smith spoorloos verdween en Hope Sandoval haar plaats innam.
‘She Hangs Brightly’ is het debuut van Mazzy Star. De muziek die de band maakt wordt droompop genoemd, wat voor een keer een juiste omschrijving is. Het lijkt wel of de muzikanten al dromend – of toch wel zeker in een roes – hun instrumenten bespelen en terwijl je naar hun liedjes luistert begin je zelf ook te dromen. Drugs zijn daar niet eens voor nodig, het gaat vanzelf. De klanken die David Roback aan zijn gitaar ontlokt, lijken uit een andere, ijlere en tragere wereld in die van ons binnen te sijpelen. Hope Sandovals stem is het geluid van een fluwelen blauwe bloem. Of van de blauwe bloem van de Duitse romantische dichter Novalis. Eenzaamheid en droefheid hebben nooit zo mooi en verleidelijk geklonken als in ‘Halah’, de openingstrack van ‘She Hangs Brightly’.

hope 2Het is echter geen perfecte droom. Koude, weerbarstige elektriciteit ontregelt soms het sprookje. Het Velvet Underground-syndroom, met opalen toetsen. I never really wanted your heart, zingt Hope dan. Haast alle songs op de plaat zitten boordevol sinistere charme (woorden van Gina Arnold). Soms hoor ik kil en boos verlangen, soms alleen nog maar lethargie. Een bitter mysterie heeft akkoorden, een melodie, een bedwelmende stem gevonden. In de titelsong hoor ik het kermisachtige orgeltje van Ray Manzarek en David Roback verandert in Robbie Krieger, maar Hope Sandoval blijft de eeuwige vrouw, verleidelijk, pijnstillend, troostend. Gevaarlijk ook, als een borderliner: “I stay near the edge and waste my time.”
[Later ontdek ik dat ‘Blue Flower’ oorspronkelijk al in 1972 door de uitstekende Britse progressieve band Slapp Happy werd opgenomen. ‘Five String Serenade’, op ‘Among My Swan’ (1996) is dan weer een liedje van Arthur Lee, de poète maudit van de onvolprezen popgroep Love. Live verraste Hope Sandoval ons in 2002 op ‘Play With Fire’ van the Rolling Stones. Mazzy Star heeft ook goede smaak in het coveren van andermans materiaal.]
De voorkant van de hoes toont ons een ook al enigszins mysterieuze foto van een trappenhal in Art Deco-stijl. Dat interieur kwam mij bekend voor. Ik had het gevoel dat ik al eens in dat rijk geornamenteerde huis geweest was, op zoek naar een visum voor een of ander Oostblokland. Of was het slechts in een droom geweest? In de notities op de achterkant van de hoes vond ik geen informatie. Ik geloof dat het jaren geduurd heeft voor ik te weten kwam dat het de trappenhal is van Hotel Tassel, een prachtig gebouw van Victor Horta in de Paul-Emile Jansonlaan in Brussel.

hope sandoval by luz gallardo

In levenden lijve zou ik Hope Sandoval en Mazzy Star pas op 9 november 1996 ‘zien’ en horen, en nog wel in de Vaartkapoen te Molenbeek. Een nieuw mysterie diende zich aan: waarom trad de band in het donker op? Waarom mochten wij, volgelingen van Hope, die zo naar de zangeres hunkerden, haar schoonheid niet eens zien? Of toch maar een heel klein beetje, als wat donkerblauw licht een stukje van haar gezicht, van haar hand kronkelend aan de microfoon, onthulde. Was het sadisme? Was het om onze romantische droom niet aan te tasten? Op 7 september 2002 zag ik haar opnieuw, dit keer in de AB Club, in een wat minder donker donker, in net niet helemaal nachtelijk nachtblauw. Mazzy Star bestond toen niet langer. Een jaar eerder had de zangeres onder de naam Hope Sandoval & the Warm Inventions haar betoverende langspeelplaat ‘Bavarian Fruit Bread’ uitgebracht. Op die late nazomeravond was ze nog altijd even mysterieus, even langoureus; haar nachtelijke stem – die van de blauwe bloem – nog altijd even benevelend.

Twaalf jaar eerder in mijn Antwerpse avondland waar niets mij nog beviel, kon ik die eerste nacht met haar naam en haar ingebeeld beeld in mijn hoofd de slaap maar niet vatten. Tussen waken en dromen in lag ik daar in dat vreemde bed te verlangen naar de muziek geworden engel, Hope Sandoval. Het mooiste meisje van de wereld met de mooiste naam ooit door ouders aan een kind gegeven.

Tassel_House_stairway

Foto’s: Platenhoes, Martin Pulaski, 2018; Hope Sandoval live, Luz Gallardo, andere foto’s: fotograaf onbekend.

DE JONGEN MET HET MES

mes3

Op deze foto poseer ik als street fighting boy – of als punk avant la lettre – in de zomer van 1968. In Sint-Idesbald, aan de Belgische kust. Te laat voor de revolutie… Een onzekere toekomst lacht of huilt me toe. Ik heb er duidelijk niet veel zin in om die te zien. Ik sta met mijn rug tegen een muur… van tentzeil. Veel bescherming zal die me niet geboden hebben. Mijn rechterbeen lijkt in de tent te willen blijven. Wat kan ik daar buiten gaan doen? Ik ben nog niet helemaal in de wereld.

Waarom keer ik om de zoveel jaar terug naar deze foto, die een postmodernist met weinig gevoel voor stijl ‘iconisch’ zou kunnen noemen? Vanwege de dubbelzinnige pose: een flowerpower-jongen met een stiletto? Vanwege het ongedefinieerde? Want ondanks de schijn is niets beslist, ligt niets vast. Er is nog veel mogelijk.

Ik zag mezelf als dichter, had een toneelstuk geschreven dat ‘De droom’ heette, een utopisch verhaal, helemaal in de geest van die verwarde tijd. Boos, naïef, onvolmaakt, onzeker. Ik was een jongen die in het duister tastte maar tegelijk dacht dat hij begaafd was, een gave had. Ik had het gevoel dat woorden mij de weg zouden wijzen.

In mij was alles even woelig als de Noordzee in Sint-Idesbald. Ik had provo en psychedelica en pop en de boeken van Remco Campert (‘De jongen met het mes’), Simon Vinkenoog en Hugo Claus ontdekt. Ik had gelezen dat Hugo Claus een fan was van the Doors. Vooral ‘The End’ wist hij te waarderen. “Father?” “Yes, son.” “I want to kill you.” “Mother, I want to…” Ik had Salvador Dali op televisie uit een groot ei zien geboren worden.

Maar dat dreigende? Die stiletto? Een pose, jazeker. Maar de mogelijkheid van een Patrick Haemers zit erin. Een heel ander leven dan ik dacht te zullen gaan leiden, dan ik werkelijk zou leiden. Bankovervallen, bendes, gangstermeisjes, cocaïne, geweld, gevangenis, zelfmoord.

Wat heb je zelf in handen? Hoe word je wie je wordt? Maak je wel keuzes, en als je al keuzes maakt, hoe komt het dan dat je niet de juiste keuzes maakt? Do the right thing, allemaal goed en wel. Maar de juiste keuze maken, het juiste leven kiezen, het juiste masker, het juiste personage: komt het daar uiteindelijk niet op neer? Op die foto, weiger ik een keuze te maken, zo lijkt het wel.

Mijn vriend Henry J. vertelde me dat de jas en de zonnebril van hem waren, de tent was, geloof ik, van Luc V., de lichtblauwe broek in tergal en het hemdje waren van mij, het mes ook. Het sjaaltje was van mijn tante Georgette, die een paar jaar eerder zelfmoord had gepleegd. De foto is genomen, schreef Henry gisteren, op de morgen van de dag dat we van Sint-Idesbald weer naar huis zouden liften.

de jongen met het mes 001

HERINNERINGEN AAN SIR DOUGLAS QUINTET EN ‘MENDOCINO’

Hoe begin ik dit verhaal over Doug Sahm, een man die ik al meer dan een halve eeuw bewonder en vereer, als muzikant, als songschrijver, als zanger, als levende jukebox en muziekarcheoloog, als mens?
Zijn warme stem hoorde ik voor het eerst omstreeks mijn vijftiende op de kermissen in de Maasvallei, in Rekem, Neerharen en Lanaken. Foorkramers in de jaren zestig draaiden altijd geweldige pop, sexy, opwindend, roekeloos en luider dan het geronk van zeven Harley Davidsons. Het zal in de zomer van 1965 geweest zijn dat ik bij de botsauto’s voor het eerst ‘She’s About A Mover’ van Sir Douglas Quintet hoorde. Opwindender had ik pop, of noem het maar rock-‘n-roll, slechts zelden meegemaakt. Voorgangers waren ‘Hound Dog’ van Elvis, ‘Twist and Shout’ in de versie van the Beatles en ‘It’s All Over Now’ in de versie van the Rolling Stones. Die schallende stem, dat opzwepende orgeltje, die afgemeten slaggitaar. “Well she was walking down the street, looking fine as she could be…” Je zag het meisje van je dromen zo voor je uit lopen, haar fijne, lange haren wapperend in de zomerbries. Beter nog: je zag haar in een van die veelkleurige botsauto’s zachtaardig agressief maneuvreren en je ging meteen achter haar aan. Heel even werd je een kleine veroveraar. Hoewel dat heel even best lang duurde, herinner ik me nu. Het waren van de mooiste twee minuten en drieëntwintig seconden die een jongen in die tijd en in dat milieu kon meemaken. Wow yeah, what I say…

Natuurlijk wist ik helemaal niet wie die Sir Douglas Quintet was. Het bleek een groepje uit Texas te zijn dat zich, op bevel van Amerikaanse dollarmensen, voordeed als een stelletje Britse popmuzikanten, een radertje in de geldmachine die British Invasion werd genoemd. Wat niet zo’n perfect plan was en bijgevolg gedoemd te mislukken: de groep zag er vooral Mexicaans uit en de muziek klonk al evenmin Brits. Het was eerder een mix van rhythm-and-blues en Tex-mex. Maar gelukkig voor de magnaten, voor de jongens van het Quintet en voor de fans was ‘She’s About A Mover’ een hit: nummer 13 op de Amerikaanse hitparade.

cof

Pas vier jaar later, in de zomer van 1969, toen uit alle radio’s en jukeboxen in dit land het heerlijke, opgewekte ‘Mendocino’ kwam geschald, zou ik meer te weten komen over Sir Douglas Quintet en wie die Sir Douglas nou precies was. Doug Sahm, zo bleek de zanger en bandleader te heten, was afkomstig uit San Antonio, in Texas, een van de fijnste Amerikaanse steden. De schrijver Milan Ryzl, van wie ik werk vertaald en bewerkt heb, drukte me ooit op het hart die stad zeker met een bezoek te vereren. Ze lijkt wat op Brugge, voegde hij eraan toe. Maar daar leek San Antonio net zo min op als de leden van the Sir Douglas Quintet op Angelsaksische jongens. Ik heb er wel de allerbeste margarita ’s ooit gedronken. En er zijn grachten. Doug Sahm zong al voor de radio op zijn vijfde. Op zijn twaalfde stond hij samen met de grote Hank Williams op een podium in Austin, Texas. Al gauw raakte Doug vertrouwd met country, blues, polka en nog veel meer genres (die nu grotendeels onder de noemer ‘Americana’ worden ondergebracht). San Antonio en omgeving was een smeltkroes van Mexicaanse, Boheemse, Poolse, Tsjecho-Slovaakse, Duitse en Afro-Amerikaanse culturen. Als je goed luistert, kun je al die invloeden horen in de muziek van Sir Douglas Quintet. De band werd in 1964 opgericht en bestond uit Doug Sahm (zang, gitaar, viool), Augie Meyers (orgel), Jack Barber (basgitaar), Frank Morin (saxofoon, trompet en keyboards) en Johnny Perez (drums). In 1969 nam Harvey Kagan de plaats van Jack Barber in op bas. Na de eerste successen in Texas verhuisde de band naar San Francisco, op dat ogenblik het centrum van de hippiebeweging en de undergroundmuziek. Hoewel de hartelijke, heel open rock-‘n-roll sound van Doug Sahm en zijn amigos de musica helemaal niet zo paste in die psychedelische scene, met de typische zweverige jams van the Grateful Dead, Jefferson Airplane en Quicksilver Messenger Service.
De elpee ‘Mendocino’ [1] verscheen in april 1969 op het Smash label. Wat een heerlijke verzameling songs is dat toch nog altijd, met zoveel muzikale rijkdom: warme pop (‘Mendocino’), trage folkrock (‘I Don’t Want’), Texaanse, hartverscheurende soul (‘At the Crossroads’), Tex-mex met een Beatles-touch (‘If You Really Want Me To I’ll Go…’), pure country (‘Texas Me’) en hardere blues rock (‘It Just Don’t Matter’).

Het is zeker niet de enige langspeelplaat van Sir Douglas Quintet / Doug Sahm die grotendeels buiten de tijd staat en nog steeds een plezier is om te beluisteren en om op te dansen. ‘1+1+1=4’ (1970), ‘Together After Five’ (1970) en ‘The Return of Doug Saldaña’ (1971) zijn minstens even goed. En dan zijn er ook nog de legendarische opnames voor het Atlantic label en andere voortreffelijke soloalbums, waaronder het meesterwerk ‘Doug Sahm & Band’ (1972) met gastmuzikanten als Bob Dylan, Dr. John, David “Fathead” Newman, Flaco Jimenez, David Bromberg en Kenny Kosek. Maar dat is een ander verhaal.

Weer een ander en buitengewoon mooi maar ook bizar verhaal is dat van een concert van Sir Douglas Quintet, met zowat alle originele leden opnieuw samen, dat ik bijwoonde op 29 mei 1983 in Hof Ter Lo in Antwerpen [2]. Ik was er met mijn beste vrienden en ik was uitzinnig van geluk, hoewel ik mij de dagen voordien en zelfs enkele uren voor ik me naar de concertzaal begaf nog diep bedroefd en zelfs wanhopig voelde. Het zou me te ver voeren om die herinneringen nu op te rakelen. Alleen dit: Doug Sahm bewees een hele avond lang, heel lang, dat hij een levende jukebox was, een jukebox met een ziel en een warme menselijke stem. En een groot hart. Datzelfde hart begaf het in de nacht van 18 november 1999 in een motel in Taos, New Mexico.

burst

[1] Dit is het vijfde deel in een reeks gewijd aan elpees die een blijvende invloed op mijn leven hebben gehad. Het gaat hier helemaal niet om wat ik de beste of meest baanbrekende albums vind, of iets dergelijks. (Maar ik sluit niets uit, zelfs geen ‘meesterwerken’.)

[2] Ik heb de setlist van dat concert op 29 mei 1983 in Hof Ter Lo teruggevonden.

It Was Fun While It Lasted
I Keep Wishing for You
Sheila Tequila
Born on the Bayou
Suzie Q
Folsom Prison Blues
Down in the Heart of Mexico
Who Were You Thinking Of
Nuevo Laredo
I Love You a Thousand Ways
Papa Ain’t Salty
Kansas City
(Is Anybody Going To) San Antone
Wasted Days and Wasted Nights
She’s A Dynamite Woman
At the Crossroads
She’s About a Mover
Texas Tornado
Little Georgie Baker
I Know You Know
Deep in the Heart of Texas
96 Tears
You’re Gonna Miss Me
Mendocino
Adios Mexico

Encore:

Stagger Lee
Wooly Bully
Green River
The Last Time

ZERO DE CONDUITE: INTERIEUR

 

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement heel specifiek voor tweeëntwintig liefst niet bekakte bakvissen, drieënzeventig zwaardviskoppen en twaalfduizend uitgeprocedeerde aartsbisschoppen – en voorts voor iedereen die het maar horen wil. Stem af op 106.7 FM: Uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via
 streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Rear-Window 2

Op deze zonnige dag in mei zitten maar weinig mensen binnen, neem ik aan. Maar zelfs bij wie op straat loopt, over veldwegen wandelt, in bossen de zo nodige zuivere lucht inademt of lui op een terrasje zit, blijven interieurs in het bewustzijn aanwezig. In onze herinneringen aan koude winterdagen, in onze gesprekken met familie of vrienden, in onze verbeelding, in de verhalen die we verzinnen en vertellen. Heel vaak dringen als we buiten zijn interieurs de ruimte van onze woorden en onze gedachten binnen. Maar als we ons binnenskamers bevinden zijn we ons vaak net niet bewust van het interieur, van de tafel, de stoelen, het bed, de kasten, de spiegels, de ramen, de deuren, de ingelijste reproducties of kunstwerken aan de wand, de boekenrekken, het bureau, de telefoon, de televisie, de radiatoren, de lampen, de radio, het bijzettafeltje, de bank, de sofa, het vloerkleed, de gordijnen, de koelkast, de honderden gebruiksvoorwerpen… Al die grote en kleine dingen die zo belangrijk zijn in onze levens en die vaak met liefde en deskundigheid voor ons allen ontworpen zijn. Allemaal zo vanzelfsprekend en tegelijk zo vreemd soms. Je zou je zelfs kunnen afvragen of wij onze interieurs wel kennen, of we ze wel zien zoals ze zijn?
Maar goed. De songs die ik de voorbije dagen heb geselecteerd roepen als zo vaak het geval is met dergelijke thema’s een bepaalde sfeer op. Ze roepen gevoelens op. Gevoelens van tevredenheid, onrust, eenzaamheid, wellust, verstikking, wanhoop, warmte, troost, ontspanning, tederheid, vriendschap, afkeer, onverschilligheid en waarschijnlijk nog tal van andere gevoelens en emoties.

Ik draag dit programma op aan mijn zoon Jesse en aan mijn vriend Max Borka, die over dit onderwerp ongeveer alles weten.

Veel luisterplezier!

eyes wide shut

I’m Gonna Knock On Your Door – Eddie Hodges – The Cadence Story – Aaron Schroeder, Sid Wayne
Step Inside – The Hollies – Butterfly – Allan Clarke, Tony Hicks, Graham Nash
Come On In – The Association – Birthday – Jo Mapes
Stop By My Window – Rick Nelson – Perspective – John Boylan
Interiors (Demo) – Randy Newman – Guilty: 30 Years Of Randy Newman – Randy Newman
Hello In There – John Prine – John Prine / First Album – John Prine
I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) – Bob Dylan – Another Side Of Bob Dylan – Bob Dylan
At My Window – Townes Van Zandt – Townes Van Zandt – Townes Van Zandt
Window – Damien Jurado – Where Shall You Take Me? – Damien Jurado
Dust On The Window – Low – Drums And Guns – Low, Mimi Parker, Alan Sparhawk, Matt Livingston
Dusty In Here – The Go-Betweens – Before Hollywood – Forster, McLennan
Room 321 – Tindersticks – Trouble Every Day (Soundtrack of the Claire Denis film) – David Boulter
No One Is There – Nico – The Marble Index – Nico
With My Face on the Floor – Emitt Rhodes – Emitt Rhodes / First Album – Emitt Rhodes
Paint It Black – Chris Farlowe – The Art of Chris Farlowe – Jagger, Richards
Who’s Been Sleeping Here? – The Rolling Stones – Between the Buttons – Jagger, Richards
Come On In My Kitchen – Steve Miller Band – The Joker – Robert Johnson
Lazy Women – Bo Diddley – Bo Diddley & Company – Bo Diddley
On The Couch – Ry Cooder – Paris, Texas – Ry Cooder
Moving Furniture Around – The Handsome Family – Odessa – Brett Sparks
Blue Chair – Elvis Costello & The Attractions – Blood & Chocolate – Elvis Costello
The Chair – Angelo Badalamenti – Twin Peaks: Limited Event Series Soundtrack – Angelo Badalamenti
Red Chair, Fade Away – Bee Gees – Bee Gees’ 1st – Barry Gibb, Robin Gibb
I’m Only Sleeping – The Beatles – Revolver – Lennon, McCartney
Twilight Furniture – This Heat – This Heat / First Album– Charles Bullen, Gareth Williams, Charles Hayward
Fireside Favourite – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Fad Gadget
Room Without A View – Judy Nylon & Crucial – Pal Judy – Judy Nylon
Get to the Table On Time – M. Ward – Transfiguration of Vincent – M. Ward
The Book Is on the Table – Pere Ubu – Datapanik in the Year Zero (1975-1977) – Pere Ubu
Fight At The Table – Chris Bell – I Am The Cosmos – Chris Bell
Sittin’ On My Sofa – The Kinks – The Kink Kontroversy – Ray Davies
Good Old Desk – Harry Nilsson – Aerial Pandemonium Ballet – Harry Nilsson
I Went To The Mirror – Todd Rundgren – Something, Anything? – Todd Rundgren

repulsion 2

Bonus tracks

Upstairs By A Chinese Lamp – Laura Nyro – Stoned Soul Picnic: The Best Of Laura Nyro – Laura Nyro
Love Songs On The Radio – Mojave 3 – Ask Me Tomorrow – Neil Halstead
Passing On The Stairs – Elysian Fields – Dreams That Breathe Your Name – Oren Bloedow, Jennifer Charles
The Bed – Lou Reed – Berlin – Lou Reed
Cigarette In Your Bed – My Bloody Valentine – EP’s 1988-1991- Kevin Shields
Bedroom Eyes – Dum Dum Girls – Only In Dreams – Dee Dee
Close the Door Lightly When You Go – Eric Andersen – ‘Bout Changes & Things, Take 2 – Eric Andersen

trouble everyday

Research, techniek en presentatie: Martin Pulaski

Foto’s: Paris, Texas, Wim Wenders; Rear Window, Alfred Hitchcock; Eyes Wide Shut, Stanley Kubrick; Repulsion, Roman Polanski; Trouble Every Day, Claire Denis.

BESCHOUWINGEN OVER ‘CLOSER’ VAN JOY DIVISION

Eind 1980 wilde ik als kerstcadeau voor Agnes de elpee ‘Closer’ [1] van de Britse postpunkgroep Joy Division kopen. We vonden het beiden de mooiste en meest aangrijpende plaat van het jaar. We waren romantici en voelden ons aangetrokken tot melancholische kunstenaars en outsiders. Ian Curtis, de zanger van Joy Division, had zich op 18 mei verhangen. Kort voor zijn zelfmoord had hij de film ‘Stroszek’ van de Duitse regisseur Werner Herzog gezien. Op een koude nacht in januari waren wij toevallig ook naar die film gaan kijken. Het soms grappige maar vooral wanhopige verhaal had ons danig aangegrepen. Ik had er zelfs bij zitten huilen. ‘Stroszek’ vertelt de geschiedenis van de straatmuzikant Bruno S. en zijn vriendin, de prostituee Eva. Als Bruno S. over zichzelf praat, hanteert hij aldoor de derde persoon. Nooit ‘ik’, altijd ‘der Bruno’. Stroszek spreekt alle woorden uit met een grote inzet van zijn hele lichaam. Daaraan kun je zien dat elk woord door de onfortuinlijke straatmuzikant uitgesproken de waarheid is.

stroszek

Voor ik naar huis ging met de elpee van Joy Division stapte ik nog even binnen bij Aurora, ons filosofisch atelier in de Lange Leemstraat. Daar stelde ik vast dat in de kerstdrukte een verkoper bij platenzaak Brabo mij per vergissing de maxisingle ‘Love Will Tear Us Apart’ verkocht had. Mijn vriend (en bij Aurora collega) Paul Rigaumont zag meteen hoe teleurgesteld ik was en stelde voor dat hij de single zou overkopen. Maar dan heb ik geen cadeau, zei ik. En die andere elpees dan, vroeg Paul. Hij had gelijk, ik had samen met wat ik dacht dat ‘Closer’ was ook nog langspeelplaten van Public Image Limited, Suicide en the Jam aangeschaft. Dat waren ook mooie cadeaus. Wat ik niet besefte was dat Paul nieuwsgierig was naar Joy Division. Ik dacht dat zijn voorstel alleen maar een gebaar van vriendschap was (wat het natuurlijk ook was). Later begreep ik dat Paul helemaal weg was van Joy Division en Ian Curtis. In 1995 verscheen in de reeks Aurorasporen een vertaling van de teksten van de band uit Manchester, een uitgave waar Paul aan had meegewerkt. In het voorwoord schreef hij: “Muziek en woorden die op de moeilijke keerzijde van ontspanning willen wijzen. Om geijkte gelederen te breken. Om hiërarchieën aan te wijzen. Muziek in de gecontroleerde gebieden van de muziekindustrie. Enkelvoudige stemmen en woorden met verbindingen naar ‘ontheiligd leven’, naar ‘gehoorzame gelederen’, naar wanhoop en fear. Muziek in bezette gebieden. Joy Division is bezeten muziek in bezette gebieden. Dit is onze reden om naar deze muziek te blijven luisteren en te blijven luisteren, om de teksten van Ian Curtis te lezen, te lezen met menselijke ogen die ook nog worden bedreigd, die ook nog met verblindend licht worden verleid. [2] ”

polaroid 1983

Heel wat van de beste vertegenwoordigers van onze generatie liepen tegen een harde muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Iets vergelijkbaars had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”). Bruno S. (fictief) en Ian Curtis (reëel) waren tragische voorbeelden van dat eindspel. Maar ook in mijn omgeving, bij mijn vrienden en kennissen, werd er gezocht naar a means to an end. De permanente tentoonstelling van wanstaltigheden in de supermarkt van het neokapitalisme werd sommigen te veel. Harde drugs of de dood waren dan de ultieme uitweg.

Voor mezelf was de rock ‘n roll van die periode (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ en ‘Atrocity Exhibition’ van Joy Division, ‘Typical Girls’ van The Slits, ‘Street Hassle’ van Lou Reed, ‘Shout It Out’ van Burning Spear) een levensnoodzakelijk en bitterzoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes [3] , een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.

dak (2)

Sommige van de mensen die er toen bij waren, kunstenaars, dichters, dokwerkers (denk aan Ludo Mariman van the Kids), intellectuelen, punks, waren trashmen. Ik noemde ze zo uit ontzag en liefde. Het was meer een verwijzing naar de Amerikaanse surfband the Trashmen, die een hit hadden gehad met het volstrekt absurde lied ‘Surfin’ Bird’, later gecoverd door the Ramones en the Cramps, dan naar echte vuilnismannen. Maar uiteraard zat die tweede betekenis er ook in. Hoe meer betekenis hoe liever. Had ik mijn vriend Guy Bleus, op dat ogenblik instant popart-frescoschilder, dat woord ook al niet horen gebruiken? Sommigen van hen, van ons, zijn trashmen gebleven. Misschien hoorde het zo. Hadden we niet uit trouw aan onszelf en aan onze idealen met zijn allen trashmen moeten blijven? Of was die opstandige attitude niet veel meer dan een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie? Of kunnen we ze als een schakel in een minderheidswording [4] beschouwen?

ian curtis

[1]  Closer, de tweede elpee van de Britse rock band Joy Division kwam uit op 18 juli 1980 op Factory Records.
De groep bestond uit:
Ian Curtis – zang
Bernard Sumner – gitaar, synthesizers
Peter Hook – basgitaar en zessnarige basgitaar
Stephen Morris – drums, elektronische drums, percussie
Producer: Martin Hannett.
De prachtige hoes was ontworpen door Martyn Atkins en Peter Saville.
De titel van de song ‘Atrocity Exhibition’ verwijst naar een boek van J.G. Ballard.
[2] Joy Division, Aurorasporen, Antwerpen, 1995
[3] Enkele van de filosofen die we in die tijd bij Aurora bestudeerden.
[4] Minderheidswording. In zijn ‘Anekdota VIII’ beschrijft Paul Rigaumont Aurora als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p. 81).  Toen ik dat las dacht ik meteen aan Roger Daltreys gestotter in ‘My Generation’ van the Who, dat in zekere zin het lijflied van onze generatie was.

Foto’s: Closer, Martin Pulaski, 2018; Stroszek, Werner Herzog; Polaroid, Lamorinièrestraat, vroege jaren 80, fotograaf onbekend; Pulaski op het dak door Agnes A., 1981; Ian Curtis, fotograaf onbekend.

HET GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG VAN THE SLITS

‘Cut’ [1], het wonderlijke debuut van The Slits, verschijnt op 7 september 1979. Op 4 mei is Margaret Thatcher premier van Groot-Brittannië geworden, een gebeurtenis waarvan we ook in ons land nog steeds de gevolgen ondervinden. Privatiseringen, afbraak van de sociale zekerheid, verarming van de armen en de lagere middenklasse, verrijking van de rijke parasieten. Iran wordt een islamitische republiek, geleid door ayatollah Khomeini. Ook die religieuze revolutie heeft tot nu toe in ons land en op wereldvlak verstrekkende gevolgen. Ondanks massale demonstraties [2] gaat de Belgische regering akkoord met de plaatsing van 48 kruisvluchtwapens op de Belgische vliegbasis Florennes. De eerste Walkman komt op de markt.

Ik woon op dat ogenblik al twee jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Over mijn toenmalige habitat en levensstijl heb ik al eerder geschreven. Details laat ik voor dit verhaal even weg. Je kunt er meer over vinden in mijn tekst ‘Antwerpen in de jaren zeventig’ en zeker ook in de geweldige lezerscommentaren daarbij.
Net als de samenleving en de stad waar ik in leef is mijn leven dramatisch veranderd, ook op muzikaal gebied. Economie, leefomgeving en cultuur gaan hand in hand. Punk, new wave en reggae maken in die die barre dagen en nachten de soundtrack van mijn leven uit. Hoewel ik de grensoverschrijdende popmuziek uit de late jaren zeventig niet graag in de hokjes van de muziekindustrie onderbreng. Een van de reclameslogans van toen was “geef voor new wave”, belachelijk toch? Overigens denk ik dat the Slits er geen bezwaar tegen hebben dat wij hun elpee gaan stelen. Maar dat willen we de sympathieke platenzaak Brabo, waar we veel van ons vinyl aanschaffen, niet aandoen.

De rebelse en zelfs revolutionaire platen van die dagen zijn zoals altijd slechts onderdeel van een groter geheel. Ondanks de zware economische en existentiële crisis waar wij tot over onze oren in zitten, ondanks de overtuiging dat er geen toekomst voor ons is, gebeuren er op heel wat ‘vrijplaatsen’ verrassende en hartverwarmende dingen. Buiten is de sfeer dan wel terneerdrukkend en uitzichtloos, binnen wordt er met hart en ziel geleefd en feest gevierd. In het witte café het Pannenhuis aan het Conscienceplein komen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. De kunstenaars die ik daar en op andere subculturele plekken ontmoet, proberen koortsachtig hun nieuwe ideeën te verwezenlijken. Er zijn veel performances, onder meer in de immense Montevideo, gerund door Annie Gentils en haar kleine team. In het Aurora Atelier, een vrijplaats voor filosofie, literatuur en plastische kunst, waar ik zelf aan de slag ben gegaan, maak ik kennis met het werk van Ria Pacquée, waarin ze voornamelijk het gezag ondermijnt, met de ironische inbeslagnemingen van Guillaume Bijl, met de mailart-fantasieën van Guy Bleus en met Guy Rombouts’ bizarre alfabet. Elders ontdek ik de Belgische schande gezien door de ogen van Wout Vercammen, de perverse filosofische ‘tractaten’ en oefeningen van AMVK en DDV en de vuilniskunst van Frank Castelyns. De enige kunstenaar die niet schijnt te veranderen is Ludo Mich. Al verrijst hij binnenkort wel als de goeroe van de hologramkunst (ook in Montevideo). Geheel in de sfeer van het Slits-debuut is er Musical Snack Attack, een cafetaria waar je elders onvindbare reggaeplaten kan beluisteren en kopen. Geregeld zijn er in de buurt van de Wolstraat en de Stadswaag alternatieve modeshows te zien, met al die mooie boze mensen altijd een lust voor het oog. De Antwerpse Zes zijn niet uit het niets voortgekomen.
Eveneens op de Stadswaag, in Cinderella’s Ballroom, draait deejay Maryse de meest relevante én dansbare muziek van het moment. Op Assepoesters vochtige dansvloer leer ik eindelijk ongedwongen dansen, zij het op mijn idiosyncratische manier. Jongens mogen er aan het eind van de jaren zeventig ‘anders’ uitzien. Denk aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne. De freaks uit de gelijknamige horrorfilm van Todd Browning uit 1932 zien er nu voor ons bijna gewoontjes uit. Die voorbeelden spelen ongetwijfeld een rol in onze zelfaanvaarding. Niemand bekijkt je boos of fronsend als je tegen het ritme in danst of een beetje spastisch beweegt. Ik vermoed dat hetzelfde opgaat voor de meisjes. Een groep als the Slits zal voor hen ook wel een rolmodel zijn, net als the Raincoats, Lydia Lunch, Poly Styrene en Lora Logic.
Viv Albertine, gitarist en songschrijfster van the Slits, vertelt naar aanleiding van de cd-uitgave van ‘Cut’ dat haar band niet langer typisch mannelijke ritmes en structuren wilde nabootsen. De groepsleden gingen op zoek naar typische meisjesritmes, “skippy and light”. Een belangrijke bouwsteen voor hun sound is dub. Dat geluid hoorden de meisjes bij de DJ en cultfiguur Don Letts, die dansavonden organiseerde in de Roxy, de Londense punktempel. Don Letts is van mening dat the Slits met hun heel eigen geluid ver vooruit waren op hun tijd. Van de reggae namen zij het primaat van de baslijn over, waar zij gitaarspel en melodie ondergeschikt aan maakten. Ook het mengpaneel gebruikten zij als een instrument. Voor deejay Maryse vormen enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer inlast in haar lange set. (Overigens deinst Maryse er niet voor terug om ook oud werk uit het rek te halen, onder meer van the Kinks, Rolling Stones, the Doors, Neil Young en Jimi Hendrix.)

slits 3

De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom lijken op personages die je aantreft op foto’s van Nan Goldin, pas later berucht en beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Niemand van ons lijkt geschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij. We zijn tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers. In de Gnoe, een kroeg in de Wolstraat die tot het krieken van de dag openblijft, dansen we op de tafels. “Boys keep swinging”, zeg ik tegen A., in de vroege ochtend op weg naar huis en nog meer extase. En zij: ‘typical girls are emotional’. Ja, zeg ik, en van shoplifting zijn ze ook niet vies.

Wellicht omdat ik een jongen ben, heb ik in die transittijd een voorkeur voor the Clash, the Ramones, Modern Lovers, Television en Elvis Costello. Maar zeker ook voor the Slits en hun elpee ‘Cut’ heb ik een zwakke plek. Wegens geldgebrek ga ik weinig naar concerten maar voor the Slits maak ik een uitzondering. The Slits treden op in de legendarische club Plan K. in de Manchesterstraat in Molenbeek. Jos D. leent me geld voor de reis naar Brussel en voor twee kaartjes.  A. en ik moeten eerst uren wachten op de binnenkoer van het gebouw, waar het vreselijk koud is. Een longontsteking zit er dik in. Opener The Pop Group kan me maar matig bekoren, misschien ben ik nog te verkleumd. Maar van the Slits word ik helemaal warm en helemaal gek. Ari Up, Viv Albertine en Tessa Pollitt kun je moeilijk klassieke schoonheden noemen. Ze zijn zeker geen modellen van het jaar, waar Elvis Costello een jaar geleden over zong. Maar deze meisjes zijn echte meisjes, sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Opgewonden keren we naar Antwerpen terug, met de zekerheid dat we deze show wel nooit zullen vergeten.

‘Cut’, is meesterwerk van blanke reggae en vrouwelijke ‘punk’. The Slits is de girl group van de late seventies, maar controversiëler en rebelser dan hun voorbeelden uit de sixties. Vrouwelijker. Los van rebellie en seksueel-politieke boodschappen is het een groot genot om te dansen op de sound van the Slits. Ook vandaag nog klinkt ‘Cut’ cool en opwindend.

2018-05-01-slits 003

[1] Vier jaar later, op zondag 23 oktober 1983, betoogden 400.000 mensen tegen de plaatsing van Amerikaanse en Russische kernraketten in West- en Centraal-Europa. Het was de grootste manifestatie die ons land ooit gekend heeft.

[2] ‘Cut’ van The Slits. Verschenen op Island op 7 september 1979.
Een creatie van the Slits en Palmolive.
The Slits zijn:
Ari Up – vocals
Viv Albertine – guitar
Tessa Pollitt – bass guitar
en
Budgie – drums
Dennis Bovell – sound effects
Producer: Dennis Bovell.
Alle songs werden geschreven door Viv Albertine, Tessa Pollitt, Ariane Forster (aka Ari Up) en Paloma Romero (aka Palmolive).