ANTWERPEN (ELEGIE)

ruth orkin 1.jpg

Aan mijn tafel in de Breugelstraat zie ik wat ik niet zie.
De glans van dingen die zonder meer bestaan.
Die wij desondanks namen gaven.
Die wij in catalogi aan teloorgang onttrokken.

Ik zie mij onder hongerlijders wild kleuren verdelen.
Onder jongens en meisjes dagdromend in de wiskundeles.
Ik hoor een zwerver kreten uitstoten van liefde lust razernij.
Oerklanken die in de januarilucht vluchtig vorm aannemen.

Ik zie een geelgelakte kast in een doorleefde keuken
waar kort na haar opgang de zon naar binnen schijnt.
Een paperback van Raymond Chandler op de kleine tafel.
Basilicum in een pot voor het kleine raam.

Ik zie een flamingo bij een vijver in de zoo.
Roze schaduw die hij op het nog niet bevroren water werpt.
Cinema Royal op het Astridplein voor zonsdondergang.
Een groepje Indiërs op de hoek van de Carnotstraat.

Ik zie ‘n glinsterend fietswiel draaiend in de felle namiddagzon.
Haar warmte die april aankondigt en Japanse kerselaars in bloei.
Een zwarte poes die zit te spinnen naast een vaas van Morandi.
Ik hoor een trein in de stille nacht van Zurenborg.

Ik zie oude mensen keuvelend in de straten op een zondag
wanneer men naar de stembus trekt.
Hun levendige en tegelijk gelaten blikken.
Op hun tedere handen de bruine vlekken van de tijd.

Ik zie ‘n jong meisje met donkere ogen naar een neger kijken.
Een moreel woord kent zij nog niet noch een oordeel.
Een straatzanger met een trom op zijn rug met een gitaar.
Ik hoor de honderden duizenden liedjes die hij nu niet zingt.

Ω

Foto: Ruth Orkin

VREDE OP AARDE

Met Hölderlins ‘Schuilhoek van Hardt’,
de Nederlandse vertaling door Ad den Besten,
in een hoek van café ‘De twee duiven’,
m’n hoofd overvol lusteloze trots
en weinig zin in ‘er komen andere tijden’ –
maar voor morgen beloof ik je huiver.
Waar het nu windstil is, dor, verbrokkeld,
beloof ik je nieuwe liedjes, hennep, chocolade.
Nu wacht ik hier op genade, een brief,
enkele haastige woorden, een teken,
wat dan ook nu van jou zou al goud zijn,
zou deze Lazarus wekken uit z’n slaperig dal.
Want ik herinner me de lelies en de jurk
die van je afgleed, je huid bleekblauw,
neen, wit als die van Salomons bruid,
je ogen donker en dronken van lust.

Ik lees“Daar naamlijk is Ulrich gegaan”
en werp dan een blik op sombere mensen,
drink met enige tegenzin een slok bier.
Nooit is het goed hier zo alleen te zijn
met geen plan voor de toekomst, geen huis
om daar vrede op aarde te vieren.
Maar morgen neem ik je mee naar het feest,
en zing voor je, jij mijn prinses, ik je prins.

gedicht, vrede, liefde, hölderlin, eenzaamheid

Foto: Martin Pulaski, Antwerpen, 2009.

DE NACHTBRUID

In het boek dat hij haar gaf
dacht hij zichzelf te zullen vinden.
In haar vertrek het begin
van zijn teloorgang,
zijn verblindende schaduw.

In het gras van een weide
aan de overzijde, ontrukt
aan het labyrint van deze tijd
en elkaar verslindende mensen:
als kinderen waren zij daar.

Hij en zijn Nachtbruid.
In het boek dat hij droomde,
fabel die nu in haar hand lag.
De Nachtbruid een silhouet, reeds
in het rood van de ochtend.

7/10/1995-23/12-2015

 

EEN JEUGD

het is halftwee, interieur
inferieur in de nacht
kort voor de slaap
jouw eeuwige broeder
waarop Anna Bloeme (denkbeeldig)
en ik liggen te wachten

stille fonteinen – in weerwil –
vaak nachten als deze
zo schoon van sterrengewichel
en zoveel schijn en schuim

nachten van schapen
blazoenen zonder smet
blauwe blues en blauwe bessen
nachten van flessen ontkurkt
hun elegante halzen reikend
naar de onbeminde Augusta
die mijn zilver verkoopt,
de man die haar kruis draagt
en haar paljaskleuren
en die haar na zo lang nog
zijn blauwe regenjas aanreikt
die wat grijnst en grinnikt
en te vroeg grijs wordt

schapen worden waterbuffels
in Neerharen in de weide
waar ik poseerde met hoed op
en postordergitaar
een jaar voor je kwam
me beklimmen bedaren
kijk mama zonder handen
zonder pedalen de brug over
naar de andere kant
vrij van symptomen en kwalen
onstuimig en luimig

lekkerbek wordt wakker
na ’n overdosis misthoornmuziek
voor de geur van spek en ei
de wekker (of belletjetrek?)
en ‘it came out of the sky’

ja wakker en helder
weer in het krakende nu
van de slakkengang
en het martelaarschap
van de verdomde dichter
met dichtgenaaide ogen
of uitgestoken door Valsaard
die hem wantrouwt
alleen al vanwege het geheim
van zijn watergroene lippen
hem in de ogen geen blik gunt
in het wakende nu

Ω

Foto: Hasselt, Carnaval 1968.

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort – van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.

BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to ‘em just last night and they said they won’t
set themselves on fire for us anymore

southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.

Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

Foto’s: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

BRUCE SPRINGSTEEN 26 APRIL 1981

BRUCE SPRINGSTEEN-2-23-81.jpg

Ik zag Bruce Springsteen & the E-Street Band maar één keer, op zondag 26 april 1981. Samen met mijn levensgezellin, mijn beste vriend Jos Dorissen, zijn broer Luc en zijn vriend. Onderweg van Antwerpen naar Brussel, op ongeveer twintig kilometer van onze bestemming, kregen we pech met de auto. We moesten hem achterlaten en in de gietende regen liftend Vorst zien te bereiken. We hadden al gauw een lift tot het Meiserplein en van daar namen we de taxi. Zo kwamen we nog net op tijd voor het begin, om stipt half negen. Natuurlijk waren we zeer onder de indruk. Een van de beste optredens die we ooit hadden meegemaakt, vonden we. Hoogtepunten waren ‘This Land Is Your Land’, ‘Badlands’ en ‘Independence Day’. (Dat laatste vind ik in mijn dagboeknotities terug.)

Na het concert was het te laat voor de laatste trein. Jos, Agnes en ik brachten de nacht door in De Dolle Mol in de Spoormakersstraat. Helemaal niet moe, integendeel, boordevol energie van het wellicht meest geestdriftige concert dat ik ooit bijwoonde.

Vandaag vond ik de setlist terug.

Follow That Dream
Prove It All Night
Out in the Street
The Ties That Bind
Darkness on the Edge of Town
Independence Day
Who’ll Stop the Rain
Two Hearts
The Promised Land
This Land Is Your Land
The River
Badlands
Thunder Road
Cadillac Ranch
Sherry Darling
Hungry Heart
Because the Night
You Can Look (But You Better Not Touch)
Fire
Stolen Car
Racing in the Street
Backstreets
Ramrod
Rosalita (Come Out Tonight)

Encore:
Born to Run
Detroit Medley
Rockin’ All Over the World

Nu verbaast mijn toenmalige opwinding me helemaal niet meer. If I could turn back the hands of time

BRUCE SPRINGSTEEN-2.jpg
Foto’s: boven:onbekend; onder: Frank Stefanko (?).