HOE IK REMCO CAMPERT WERD

remco campert liesje

Meer dan vijftig jaar geleden beeldde ik me een seizoen lang in dat ik Remco Campert was. Wat mooi dat hij nu met de Prijs der Nederlandse Letteren werd vereerd en hoe blij het me maakt dat de schrijver van wie ik in mijn jongensjaren het meeste hield nog in leven is, in tegenstelling helaas tot veel van zijn tijdgenoten. Zo zag ik in De Standaard een foto van Remco Campert drie jaar geleden wandelend in Amsterdam: zo wil ik er over twintig jaar ook uitzien.

Op school moesten we Ernest Claes, Felix Timmermans, Ward Ruyslinck en Jos Vandeloo lezen. Geen buitenlandse auteurs, geen Nobelprijswinnaars, geen vrouwen, en vooral niets hedendaags. Ruyslinck en Vandeloo waren weliswaar uitzonderingen op die laatste regel, hoewel hun stijl toch al enigszins voorbijgestreefd was. Las ik die schrijvers graag? Ik las ongeveer alles graag, mijn smaak was eclectisch, ik maakte geen onderscheid tussen pulp en klasse.
Van Claes en Timmermans had ik enkele romans gelezen (onder meer ‘De witte’ en ‘Pallieter’) toen ik dertien of veertien was. Ze lagen me niet zo, te provincialistisch, te Vlaams, het taalgebruik te oubollig. Een uitzondering was ‘Daar is een mens verdronken’ van Ernest Claes, dat ik tussen de Vlaamse Pocketsreeks van mijn toenmalige vriend Valère aantrof. Ik neem aan dat het nu even onleesbaar is als de rest.
Hendrik Conscience en Alexandre Dumas spraken meer tot mijn verbeelding. Mogelijk had ik ook al verhalen van Edgar Allan Poe gelezen? Ik kan het niet nagaan: zo jong hield ik geen dagboek bij. De dagen duurden lang, de tijd bestond niet, of was alleen maar toekomstig. Zeker op saaie momenten in de klas – bijna altijd dus – en in het internaat droomde ik voornamelijk van wat ik in de toekomst zou doen. Dat alles wat ik in die jaren deed zo kostbaar en vergankelijk was, vermoedde ik zelfs niet. Geen dagboek, en in de pocket ‘Verhalen van mysterie en fantasie’, uitgegeven bij LJ Veen, staat geen datum. Wat maakt het uit: Poe is vanaf mijn vijftiende de schrijver die mijn verbeelding en dromen stimuleert. Andere schrijvers waar ik als puber van hield waren Ian Fleming, Georges Simenon en, wat later, Dylan Thomas. Van hedendaagse Nederlandse literatuur kende ik haast niets. Het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waar ik vijf jaar leerling en ‘geïnterneerde’ was, heeft me ook op dat gebied weinig bijgebracht.

Lange tijd heb ik graag catalogi gelezen. In 1967 ontstond in Vianen ECI, een boekenclub die, zo herinner ik mij, een aantrekkelijke catalogus had, waarin ik Hugo Claus, Simon Vinkenoog, Harry Mulisch, Louis Paul Boon en wonder boven wonder Remco Campert ontdekte. Ook Hugo Raes en Jerzy Kosinski trof ik er in aan. Van al die schrijvers bestelde ik boeken. Ik geloof dat er om de drie maanden een stapeltje bij mijn ouders aankwam. Een nieuwe, opwindende wereld ging open: (taal)spel, liefde en seks, wreedheid, huwelijk, dood: de echte wereld van echte mensen. Remco Campert sprong er voor mij uit. Zijn stijl was voortreffelijk en ik viel voor zijn lichtvoetige, soms grappige, maar zeker ook melancholische wereld. Ik geloof dat ‘Een ellendige nietsnut’ het eerste boek was dat ik van hem las. Het was verschenen in 1960, maar in 1967 was het nog door en door modern. Dat kwam door de speelsheid en de ironie. Wist ik wel wat dat was, ironie? In de lessen Nederlands hadden we alvast al geleerd wat het verschil was tussen ironie, sarcasme en cynisme. Maar dat zal allemaal nogal abstract gebleven zijn. In een zwembad toekijken hoe de andere jongens zwemmen, betekent nog niet dat je het zelf kunt.
Vervolgens las ik de prachtige verhalenbundel ‘De jongen met het mes’, die toen al bijna tien jaar oud was. ‘Liefdes schijnbewegingen’ en ‘Het gangstermeisje’ volgden. In 1968 verscheen ‘Tjeempie! Of ‘Liesje in Luiletterland’, een grappige roman in progressieve spelling en uitgegeven onder de naam Remko Kampurt. Er was verwantschap met ‘Candy’ van Terry Southern en ook wel een beetje met ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, maar die boeken waren toen nog buiten mijn bereik.

Van de ene dag op de andere werd ik zelf een Remko Kampurt. Niet uiterlijk, want daar had ik Brian Jones en Steve Marriott voor, en ook niet innerlijk, daar speelden mijn dagdromen en verlangensfantasieën zich af. De schrijver uit Amsterdam zag er mij op zijn foto’s wat te braaf, te burgerlijk uit. Waar werd ik dan wel Remko? In mijn taal. Remko maakte zich meester van mijn schrijfstijl en spelling. Voortaan schreef ik in de Tjeempie!-stijl. Of ik dat ook in mijn schoolopstellen deed kan ik niet achterhalen en evenmin hoe lang ik het volhield. Ik vermoed tot mijn 21ste, toen ik filosofie ging studeren en wijs werd.

In de winter van 1969, in mijn kleine kamer in de Karmelietenstraat te Brussel, las ik ‘Tjeempie!’ opnieuw en opnieuw. Al mijn oude en nieuwe vrienden verplichtte ik ertoe het eveneens te lezen, anders ging ik ze als idioten beschouwen. In datzelfde jaar kocht ik de verhalenbundel ‘Hoe ik mijn verjaardag vierde’, met Remco – in rode blazer en bloemenstropdas – omringd door halfblote meiden, ongetwijfeld een wensdroom (ook van mij). Het werd een verrukkelijk jaar lang de gids bij mijn reis door de wonderlijke dagen van films, wierook, hasjiesj en liefde. Was het toen dat ik ongewild en ongeweten een ellendige nietsnut werd?

Op de een of andere manier was ‘Het leven is vurrukkulluk’ aan mij voorbijgegaan. Dat las ik ook in 1970, maar het was al te laat. Het leven was lang niet meer zo vreugdevol en ludiek als het voor Remco Campert en zijn vrienden en vriendinnen in 1961 zal geweest zijn. Mogelijk vond ik de uitgave minder magisch omdat het zo’n goedkope herdruk met geel omslag was. De tekening van Wout Muller was echter wel erg mooi, dat zie ik nu pas.  Bovendien was het niet in progressieve spelling geschreven.
Inmiddels had mijn missionariswerk vruchten afgeworpen. De meeste van mijn toenmalige vrienden hadden op z’n minst één werk van Remco/Remko gelezen. Boeken uitlenen deed ik met tegenzin. Maar voor de werken van mijn ludiek-lichtvoetige held maakte ik een uitzondering. Zo raakte ik onder meer ‘Tjeempie!’ kwijt. Erwin, aan wie ik het uitleende, belandde in de gevangenis en later in een psychiatrische instelling. In een van die twee lugubere oorden zal het leven van Liesje net als dat van Catlyn Fiermoing in 1627 wel op de brandstapel zijn geëindigd. Ik ben niet vergeten hoe Erwin en ik, weer een keer stoned, zaten te schaterlachen als we elkaar stukjes voorlazen uit ‘Het paard van Ome Loeks’.
Vanaf het begin van de jaren zeventig doofde het vuur van de verrukking. Ik keerde Remco Campert de rug toe. Het was tijd voor ernstigere bezigheden, huwelijk, antiautoritaire opvoeding, Hegel en Marx en Country & Western.

RemcoCampert

 

Auteur: Martin Pulaski

Dichter, schrijver, blogger, DJ, sensitivist. Stadsleven, literatuur, muziek, film, kunsten. Radioprogramma ‘Zéro de conduite’ op Radio Centraal Antwerpen 106.7 fm en streaming.