GOED, BETER, BEST

Velvet-Underground-770.jpg

Waarom houd ik me nog bezig met wat het beste is, met beter, goed, minder goed, slecht? Het is onzinnig en volstrekt overbodig. Kunst is kunst, en wat uniek is uniek. Iedereen moet voor zichzelf maar uitmaken wat hij of zij graag hoort, ziet, voelt.

Maar wacht even… Dat hele fenomeen van lijstjes maken, van kunstuitingen (vooral muziek en literatuur in mijn geval) ‘bewieroken’, van sommige werken een ereplaats geven is iets emotioneels, het getuigt van enthousiasme en liefde. En enthousiasme wil je delen, wat je goed vindt wil je propageren; van wat miskend wordt hoop je dat het meer erkenning krijgt, of eindelijk wat aandacht. Dat is evenwel in tegenspraak met mijn – nogal snobistisch en kinderachtig – bij een groepje van aficionado’s willen horen die op de hoogte zijn, en alleen wij zijn op de hoogte, alleen wij zijn ingewijd. Op degenen die dat niet zijn, daar wordt op neergekeken. Ja, tegenspraken!

Daar komt nog bij dat ik al het grootste deel van mijn leven lijstjes maak.Ik geloof dat het begonnen is met Toppers voor Tobbers van het tijdschrift Humo, midden de jaren zestig in het Atheneum van Tongeren. In de begindagen werd je naam als samensteller van de wekelijkse hitlijst en de naam van je school nog in het tijdschrift vermeld. Trots dat ik daar op was!
Lijstjes maken is zinloos en overbodig, maar ik volhard in wat nutteloos is. Dat heb ik altijd gedaan. Het nuttige daarentegen laat ik links liggen. Ik voel er alleen maar onverschilligheid voor, en dat is niet eens een gevoel. Het is niets. Mocht ik het nuttige niet links hebben laten liggen bezat ik nu een villa, een Mercedes Benz en een buitenverblijf in Cabo de São Vicente.

wlwh vu.jpg

Mijn lijst van meest gekoesterde platen in 2013 is nog niet afgerond (wel al een voorlopige versie op facebook, en een tijdje geleden hier). Toch weet ik nu al dat dit mijn favoriete muzikale momenten waren:

Platen

The Velvet Underground – White Light / White Heat (hoe dan ook beste rockplaat ooit gemaakt)

Van Morrison – Moondance

Phosphorescent – Muchacho

Tift Merritt – Traveling Alone

Bob Dylan – Another Self Portrait

Film als muziekvorm

Coen Brothers – Inside Llewyn Davis

Live

Neko Case in AB Club, Brussel

Tindersticks in Rivierenhof, Antwerpen

Phosphorescent in Botanique, Brussel

Rosanne Cash in Roma, Antwerpen

Low in Koninklijk Circus, Brussel

Sam Amidon in Feeërien, Brussel

Tift Merritt in Botanique, Brussel

Amanda Shires & Jason Isbell in Botanique, Brussel

tift_merritt.jpg

Rouwproces

Kevin Ayers
Lou Reed

kevin ayers0.jpg

Over ‘White Light / White Heat’ maakte ik op 2 maart 2012 een terloopse opmerking
“Ben ik nu een snob? Wacht dan. Ik ben waarschijnlijk ook de enige Belg die ‘White Light / White Heat’ heeft aangeschaft toen die LP in 1968 uitkwam. Mijn vroegere vriend Guy Bleus mag hier ook wat komen bluffen als hij zin heeft: hij was de eerste jongen die ‘The Velvet Underground & Nico’ bezat, de originele versie met de schilbare banaan.”Ik haal dit aan omdat de 45th Anniversary Deluxe Edition van de plaat deze uitspraak van Lou Reed meekreeg:
“No one listened to it. But there it is, forever – the quintessence of articulated punk. And no one goes near it.”
Dat verklaarde hij in august, kort voor zijn overlijden. De eerste zin is een overdrijving. De rest is helemaal waar. En sinds Lou’s dood leven we in een andere wereld. Er zit een diep gat in. We moeten verder de duisternis in zonder een van onze meest achtenswaardige gidsen.

***

Afbeeldingen: Velvet Underground; White Light / White Heat; Tift Merritt; Kevin Ayers.

HET WERELDBEELD VAN FRANCIS BACON (in 2013)

14_francis-bacon_three-studies-for-a-crucifixion_1962.jpg

Het heeft even geduurd maar nu neem ik de draad weer op van mijn ‘toevallige’ genealogie. Hoewel invloeden en bewondering toch bijna altijd op zijn minst zijdelings, terloops, naar boven komen.

Toevallig, want ik begin inderdaad te vermoeden dat wat mij op ‘geestelijk’ gebied altijd al heeft aangesproken het gevolg is van toevallige omstandigheden en situaties. Net zoals je toevallig mensen ontmoet met wie je het goed kunt vinden, kom je soms oog in oog te staan met kunstwerken die je ontroeren, of boeken die je naar binnen zuigen in hun wereld, of muziek die je voorbij de regenboog brengt.
Zo bezocht ik op een zonnige dag in 1973 het nog jonge Europalia, toen aan Groot-Brittannië gewijd. Daar trof ik niet alleen werk aan van de reus William Blake, met wiens mystieke gedichten ik al enigszins vertrouwd was en van David Hockney, die ik kende dankzij de documentaire ‘A Bigger Splash’, maar ook van Francis Bacon van wie ik nooit eerder had gehoord. Ik weet niet meer welk werk van Bacon het was dat mij zo van mijn stuk bracht, maar ik herinner me wel nog heel goed dat ik flink door elkaar geschud werd. Sinds die dag kijk ik op een andere manier naar kunst, heb ik er een andere band mee, en ben ik zelf ook anders. Sinds die dag ben ik verslaafd aan Bacon.

francis_bacon__studies_for_a_portrait_of_peter_beard_i-139-1.jpg

In 1977 verscheen in het filosofisch tijdschrift Aurora mijn semi-autobiografische tekst ‘Het wereldbeeld van Francis Bacon’. Die was het product van drie jaar opzoekingen, onder meer in de Albertina, maar ook op andere plaatsen. Op den duur was ik zo ondergedompeld in de geest van Bacons werk dat ik er bijna overal sporen van aantrof. In mijn archiefkast staan nog meerdere cahiers vol aantekeningen ter voorbereiding van het experimentele ‘verhaal’*. Ik durf er nauwelijks in lezen: bijna uit alles, behalve de citaten, wordt duidelijk dat ik op de rand van de waanzin balanceerde.
Ik denk dat het om die reden is – angst voor waanzin en afgrond – dat ik deze nieuwe tekst, hoe realistisch ik ook probeer te zijn, niet naar behoren geschreven krijg. Het moet, maar ik kan niet, het is een onmogelijke opdracht.
Het vreemde is dat ik zulke angsten helemaal niet heb als ik reproducties bekijk – ik heb enkele mooie monografieën en een voortreffelijke catalogus uitgegeven in 1996 door Centre Georges Pompidou – of als ik zijn werken in musea/tentoonstellingen aantref. Integendeel: de figuren op zijn doeken zijn me al zo vertrouwd dat ik ze haast als familieleden ben gaan beschouwen. Bijna, maar nog niet helemaal, ken ik er elk trekje van.

Ik hoop dat deze schaarse woorden voorlopig volstaan als uitdrukking van mijn onvoorwaardelijke bewondering voor deze ongeëvenaarde kunstenaar. Voor mijn liefde voor zijn kunst en zijn techniek, zijn vaardigheid, zijn kijk op de mens, op de erotiek en op het geweld dat wij dagelijks plegen. Ja zelfs dat bewonder ik in Francis Bacon: de gruwel, de horror, het afschuwelijke. Francis Bacon heeft niemand mij cadeau gedaan: ik stond oog in oog met zijn werk en daar was hij, meteen diep in mij, in een ogenblik was het gebeurd, zoals liefde op het eerste gezicht. Na al die jaren is de aanvankelijke waanzin weggeëbd, maar zijn beelden zijn gebleven, ik zie ze op straat, in winkelcentra, in hotelkamers, op recepties, in vliegtuigen, hier thuis als ik in de spiegel kijk of als ik vrienden ontvang, ik zag ze in het gezicht van mijn stervende vader, mijn stervende moeder, ik zag ze op polaroids van mezelf, waarop ik zwaar toegetakeld door crimineel tuig stond afgebeeld. Het zijn meestal geen prettige beelden, maar er zit zoveel diepe, diepe lust en schoonheid in. Het is de lust die eeuwigheid wil maar tegelijk tragisch en kwetsbaar is en ten onder moet gaan.

francis bacon 01.jpg

*Dat verhaal, ‘Het wereldbeeld van Francis Bacon’, is te lang voor een blog. Misschien dien ik u later wel enige fragmenten toe.

Reproducties: Three Studies For A Crucifixion, 1962; Study For A Portrait Of Peter Beard, 1976; Second Version Of Triptych, 1944

6

EEN SPIEGEL IS GEEN FOTO

important-c-est-d-aimer-0.jpg

Tijdens een veeleer droefgeestige wandeling in het dorp Anderlecht, nee, helaas niet in het 14de arrondissement in Parijs, besefte ik dat ik ondanks alles en met enige spoed iets moest schrijven over de psychologische en psychoanalytische aspecten van foto’s in speelfilms, al was het maar om een voorbeeld te geven van de diepgang van het oppervlakkige.

Ik heb even de gordijnen toegedaan: de bijna volle maan scheen me te fel in de ogen.

Een spiegel is geen foto. In een spiegel ziet een personage zichzelf weerspiegeld, zoals Narcissus in het water. De protagonist kan tevreden zijn met dat beeld, er van schrikken, zich er boos op maken, of er een mix van tegenstijdige emoties bij voelen zoals Robert De Niro in ‘Taxi Driver’.

Een foto van de protagonist is niet zijn weerspiegeling. Het is een ander beeld, meer verwijderd van hem, behandeld, bewerkt, vervormd. In Fritz Langs ‘You Only Live Once’ toont de Wanted-foto van Henry Fonda een ander aspect van zijn persoonlijkheid, van zijn karakter. Je zou kunnen zeggen dat de samenleving (of de ‘gemiddelde’ burger) het Freudiaanse Über-ich is; de handelende Henry Fonda is dan het Ego en de foto staat ons toe een blik te werpen op zijn Onbewuste. Want het is natuurlijk niet waar dat het personage door en door goed is: de foto corrigeert die perceptie, ook al is hij door de politie bewerkt, heeft men van de goede man een boef gemaakt.

Het tragische is dat de ‘gemiddelde’ burger de brave man niet ziet, maar alleen Über-Ich ‘is’, dat hij slechts oog heeft voor wet en orde, en profijt. Hij ziet alleen de boef, degene die de wet overtreedt, de man die hem misschien zal bestelen, zijn vrouw verkrachten of hem zelfs vermoorden. Weg ermee! Weg met de boef!

Foto: L’important c’est d’aimer (1975), Andrzej Zulawski

DROMEN VAN FILMS EN FOTO’S

memento.jpg

Ik geloof niet dat ik ooit heb stilgestaan of –gezeten bij de rol van foto’s in de speelfilm. Misschien wel, omdat het onderwerp zo voor de hand ligt, maar dan ben ik het vergeten. Afgelopen nacht werd ik wakker nadat een oude vriend me uitgescholden had om iets wat ik gezegd had aan tafel, terwijl ik nochtans al de hele tijd had zitten zwijgen. Vervolgens viel zijn vriendin me aan, dat ik moest zwijgen over al dat onheil, en vooral over mijn kwalen, want dat ik van dat gekanker van mij vast kanker zou krijgen, en dat ik er anderen, mijn goede vrienden allemaal gezellig rond de tafel, ook kanker mee bezorgde. Helemaal wakker dacht ik opeens aan die foto’s in films. Ik probeerde me te herinneren welke films essentieel zijn in die context. Gelukkig duurde dat denken niet al te lang en viel ik weer in slaap. Een blauwe schuit voerde me over stille wateren en door kleine sluizen naar mijn bestemming, het Entella Hotel, dat zich in het 14de arrondissement in Parijs bleek te bevinden. Wat me nauwelijks verbaasde. Al gauw zat ik met een zekere Wanda Kosakiewicz de ene koffie na de andere te drinken, zodat ik opnieuw wakker werd en aan deze tekst dacht te kunnen beginnen.

Geen sprake van. Het zou een boek moeten worden. Tien delen, op z’n minst. Mijn geheugen is nog niet in gang geschoten of ik vind al enkele schitterende voorbeelden.

a you only live once lang fonda.jpg

Ik heb er geen idee van maar ik vermoed dat er alleen reeds over Antonioni’s ‘Blow-Up’ en de foto als belangrijk narratief element tientallen studies zullen verschenen zijn. Een paar dagen geleden zag ik nog een keer het geweldige ‘You Only Live Once’ van Fritz Lang met Henry Fonda en Sylvia Sydney. Daar komt de foto in voor zoals die in massa’s andere Amerikaanse misdaadfilms wordt gebruikt: een misdadiger wordt gezocht, er staat een prijs op zijn hoofd. “WANTED – $10.000 REWARD”. Alleen zien de foto’s bij Fritz Lang er beter uit dan in de doorsnee ‘crime films’. Henry Fonda, een man met een goede inborst en zachtaardige trekken, krijgt op de foto van de politie of FBI een groezelige kop aangemeten, de kop van iemand wiens slechtheid tot de verbeelding van de gemiddelde Amerikaan spreekt. Hoewel ze hem ongetwijfeld voor het geld aangeven. Je hebt die ‘Wanted’-foto’s natuurlijk ook in westerns, maar in dat genre zien ze er altijd wat kitscheriger uit, net zoals de decors.

bonnie and clyde.jpg

Van ongeveer dezelfde aard zijn de foto’s van misdadigers in kranten. Bijvoorbeeld in ‘Bonnie And Clyde’ van Arthur Penn: vond Clyde Barrow zo’n foto nu weer bijzonder geslaagd of werd hij er integendeel helemaal niet door gecharmeerd, dat kan ik me niet meer herinneren. Het is wel een typische scène. Er is ‘Alice in den Städten’ van Wim Wenders, die in zekere zin fotografie als onderwerp heeft. Ik denk dat Rüdiger Vogler van ongeveer alles foto’s maakt omdat hij de werkelijkheid van wat hij ziet in twijfel trekt. De foto’s moeten dan bewijzen dat wat er is er is, net zoals in het liedje van the Kinks (van in het begin al favorieten van Wenders):

People take pictures of each other
Just to prove that they really existed

aliceimg5za3.jpg

De film is heel wat meer dan dat. Het personage van Rüdiger Vogler leert anders naar de wereld en de mensen kijken dankzij het meisje Alice en uiteindelijk kan hij er zich mee verzoenen. In ‘Der Amerikanische Freund’, ook van Wim Wenders, maakt Ripley (Dennis Hopper) polaroids van zichzelf. Zeer waarschijnlijk omdat hij, als oplichter, twijfelt aan zijn identiteit.

hopper polaroids.jpg

In het sublieme ‘Memento’ van Christopher Nolan lijdt het hoofdpersonage aan geheugenverlies: Polaroids zijn veel meer dan een geheugensteun, ze nemen er de plaats van in.

Geen sprake van dus dat ik hier dieper op inga. Ik ben een man van de oppervlakte, wat niet betekent, mag ik hopen, dat ik oppervlakkig ben. De werkelijke diepte bevindt zich aan de oppervlakte – dat is toch een sterk vermoeden van me. Laat me dan liever aan de oppervlakte blijven en niet verdrinken in een zee van details.

Ω

Afbeeldingen:
Memento, Christopher Nolan; You Only Live Once, Fritz Lang; Bonnie And Clyde, Arthur Penn; Alice in den Städten, Wim Wenders; Der Amerikanische Freund, Wim Wenders.

OVER FOTOGRAFIE

bill brandt2.png

Verschenen in 1977 – niet echt van deze tijd – maar nog altijd interessant en stimulerend is Susan Sontag’s ‘On Photography’. Enkele citaten:

“All photographs are memento mori. To take a photograph is to participate in another person’s (or thing’s) mortality, vulnerability, mutability. Precisely by slicing out this moment and freezing it, all photographs testify to time’s relentless melt.”

“We have a modern notion of embellishment – beauty is not inherent in anything; it is to be found, by another way of seeing – as well as a wider notion of meaning, which photography’s many uses illustrate and powerfully reinforce.”

Susan Sontag, On Photography, 1977.
bill-brandt-untitled-1953.jpg

Foto’s: Bill Brandt,  Hampstead, 1945; Untitled, 1953.

FOTOGRAFIE EN HERINNERING

diane-arbus-self-portrait-in-mirror-1945.jpg

Nu ik het toch over herinneringen en fotografie heb… En wanneer heb ik het eigenlijk niet over herinneringen? Als de herinneringen als vanzelf op het witte blad verschijnen, dan niet, dan zijn het herinneringen. En over fotografie? Dat zou ik eens moeten onderzoeken. Alleszins is de afbeelding van toen ik nog een kleine jongen was tot vandaag er altijd geweest, een evidentie, zoals water of een wiel. Ik schrijf nu ‘afbeelding’, maar ‘beeld’ zou beter zijn.

Maar terzake. Jaak Geerts, een facebookvriend, bezorgde me een link naar een artikel over het geheugen en de fotografie. De stelling daarin is dat een gebeurtenis – of object, persoon – fotograferen min of meer gelijkstaat aan ze vergeten. In een museum gaan twee personen van ongeveer dezelfde leeftijd naar een kunstwerk kijken. De ene maakt er een foto van, de andere observeert alleen maar. Een dag later blijkt de ‘fotograaf’ zich heel wat minder details te herinneren dan degene die slechts aandachtig gekeken heeft. Het is een kort en wat oppervlakkig stukje, maar het klopt wel, denk ik. Alleszins was precies dat de reden waarom ik lange tijd geen* fototoestel meenam op reis, of waar dan ook. Ik wilde alles zien zoals het was, het in mij opnemen, er mocht niets tussen mij en de ‘werkelijkheid’ staan. Als je een foto maakt schakel je je zintuigen uit, je wordt een verlengstuk van het toestel (en vice versa, dat dan weer wel). Je ziet op dat ogenblik niets. In mijn jeugdige overmoed was ik er bovendien zeker van dat ik me later alles nauwkeurig zou kunnen herinneren.

Toen ik ouder werd begon ik aan dat laatste te twijfelen. Was het toch niet beter om beelden te hebben als ‘geheugensteun’, als triggers? Erger nog: ik ging het betreuren dat ik van zoveel mooie dingen en gebeurtenissen in mijn leven geen enkel beeld bezat. Op een ongetwijfeld narcistische wijze beklaagde ik mezelf dat ik geen foto’s had van mijn geliefde in bikini (of was het monokini?) op het strand van Cannes in 1976, of van de lege straten van Firenze datzelfde jaar, of van de sfeer die er hing op het feest van de communistische krant ‘L’Unità’ in het centrum van Rome in 1979 (we mochten er zoveel goedkope rode wijn drinken als we maar konden). Foto’s van de mooiste jaren van ons leven, toen we er op z’n best uitzagen, toen we bijzonder ‘cool’ waren. Daar heb ik nu geen bewijzen van, hoe cool ik was in de jaren zeventig, verdomme toch! Tot 1980 maakte ik maar zeer sporadisch foto’s. Bijna altijd binnenskamers, bijna altijd van personen, van een vrouw, liefst erotisch. Steeds met de camera van iemand anders. Ik had er zelf geen. Bijna altijd slecht belicht. Maar mooie foto’s… Daarna was er een overgangsperiode. Ik geloof dat foto’s maken me helemaal niet meer interesseerde. Ik ging ook niet meer op reis. We zaten in de kroegen, gingen dansen, maakten plezier om het plezier. Op een dag, ik geloof in 1989, onderging ik zoals Gregor Samsa een gedaanteverwisseling: ik werd wakker als toerist. Als een bezetene ben ik alles maar dan ook alles gaan fotograferen, meer nog toen ik op digitaal ben overgeschakeld. Maar mooi vond ik mijn foto’s niet meer. Het was allemaal veel te realistisch wat ik zag en stond daarom de realiteit in de weg.

dianearbus.jpg

Ik ben gek op foto’s van anderen. Ik geloof dat ik vooral van afbeeldingen houd van een werkelijkheid die niet de mijne is, waar ik geen toegang toe heb. Zoals die van Diane Arbus, maar zeker niet alleen die van haar. Er moet iets mysterieus op of onder de beelden te zien zijn, iets magisch, iets onverklaarbaars. Ik houd ook zeer van erotische foto’s, maar ze moeten buitengewoon goed zijn en ‘anders’. Die van Bettina Rheims bijvoorbeeld. De meisjes die zij fotografeert zijn onbereikbaar in hun bereikbaarheid. Ook een wereld waar ik geen toegang toe heb, al lijkt hij toch heel dichtbij. Als ik buiten ga en ik loop wat verder, eerste straat links, tweede rechts, voilà, daar heb je zo’n mooie jonge vrouw. Even later zit ik al bij haar op haar kamer en schenkt ze me een glas lekkere rode wijn in. Veel betere dan die op het ‘Festa de l’Unità’.

bettina_rheims_14.jpg

 *Financiële en praktische overwegingen laat ik nu liever buiten beschouwing.

Foto: Boven: Diane Arbus (Self-Portrait). Midden: Diane Arbus. Onder: Bettina Rheims.