DAT VREEMDE GEVOEL VAN VOLDOENING

thetexas chainsaw massacre1.jpg

De voorbije jaren, na zoveel bezinning en ervaring, wist ik bijna altijd wel zeker dat ik nooit een ramptoerist zou worden: het was er te laat voor, en ik wist met zekerheid dat genieten van het lijden van andere mensen en zelfs van dieren niet in mijn aard lag. Weet ik het met zekerheid? Neen, dat weet ik niet.

Ik ben al lang tijd gefascineerd door de aantrekkingskracht bij kunstenaars, muzikanten en vooral schrijvers voor het verschrikkelijke, het ziekelijke, de pijn en de dood. En door wat de dichter Novalis bestempelde als “het verband tussen genot, religie en wreedheid”. We weten uit het baanbrekende werk van Mario Praz, ‘Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’ in welke mate het verschrikkelijke, het afschuwelijke en het morbide de thema’s bij uitstek waren van de romantische auteurs. Ik wil ze hier niet allemaal opsommen, ze zijn met velen. Ook later, als de romantiek al lang ten grave is gedragen, blijft die aantrekkingskracht voor wat nu over de hele wereld ‘horror’ heet doorwerken. Je hoeft daar niet lang over na te denken: zet de tv aan, ga een bibliotheek, boekwinkel of mediatheek binnen, ga naar een bioscoop, speel een game – je ontsnapt niet aan de horror, “the tempestuous loveliness of terror”, in de woorden van Shelley.

Het genieten van het lijden van andere mensen en zelfs van dieren lag niet in mijn aard, schreef ik. De fascinatie ging uit van een artificiële vorm van die aantrekkingskracht bij anderen, altijd bij anderen. Hoe zij die tegenstrijdige gevoelens verwoordden, in beeld brachten, er razend populaire films van maakten, en zo meer. Het ging mij om schrijvers als Edgar Allan Poe, Charles Baudelaire, (en in zekere zin dichter bij huis Geerten Meijsing alias Joyce & Co), kunstenaars als Cindy Sherman, Francis Bacon en Juan de Valdés Leal, singer-songwriters als Townes Van Zandt en filmregisseurs als Henri-Georges Clouzot, Tobe Hooper en David Cronenberg.

thetexas chainsaw massacre2.jpg

Maar als ik wat dieper nadenk over mezelf, en vooral wat eerlijker (hoewel eerlijkheid ook alweer een dubbelzinnig begrip is), moet ik toegeven dat ik net zo goed geniet van het lijden van andere mensen. Nu ja, genieten is misschien wat overdreven. Maar de fascinatie is er zeker, ook al geef ik dat niet graag toe; een bepaalde vorm van ‘lichtheid’ als andere mensen iets ergs overkomt. Ook al doe ik er niet aan mee en heb ik er nooit aan meegedaan: ik ben kennelijk net zo goed een ramptoerist als iedereen.

Dat morele superioriteitsgevoel van me is maar een dun laagje over de wreedheid en het sadisme dat in ons allen aanwezig is. Niet dat ik me voor mijn morele ingesteldheid schaam. Ik ben blij dat ik dat laagje heb. Maar heb ik, als ik dit weet, het recht om over anderen te oordelen, die die glimmende beschermlaag niet hebben? Misschien wel, omdat ik ervan uitga dat elke mens vrij kan kiezen om dit te doen of dat te doen. Maar ik ben er niet zeker van. Misschien heb ik alleen maar geluk gehad?

De voorbije dagen heb ik, geplaagd door koorts, zitten en liggen lezen in Dostojewski’s “Misdaad en straf”. Ik was er al vaak in begonnen, maar had het telkens weer terzijde gelegd, vooral vanwege de ingewikkelde Russische namen (maar ook omdat de editie die ik vroeger bezat nog in de spelling van voor de tweede wereldoorlog was, met als titel ‘Schuld en boete’). Nu niet. Ik ging helemaal op in die geniale roman. Op den duur werd ik zelf een beetje Raskolnikov, een jongeman die met een bijl twee vrouwen koelbloedig om het leven brengt.
Op pagina 210 in Atheneum-uitgave uit 2009 las ik het volgende:
“…de huurders weken één voor één terug naar de deur met inwendig dat vreemde gevoel van voldoening dat men altijd, zelfs bij diegenen die hem het naast staan, kan constateren wanneer hun naaste door een onverwacht ongeluk getroffen wordt, een gevoel waar geen mens, niet één uitgezonderd, zelfs ondanks de waarachtigste gevoelens van medelijden en deelneming vrij van is.”

Ik geloof dat het waar is, dat elkeen van ons zulke gevoelens heeft. Maar ik vind het vreemd dat Dostojewski dit met absolute zekerheid wist, terwijl hij toch een eenzame enkeling was: hoe kon hij weten wat er in de ziel en het hart van, laten we zeggen, een aboriginal in Australië omging?

En toch geloof ik dat het waar is: omdat gelijkaardige gevoelens ook nu, 166 jaar na het verschijnen van ‘Misdaad en straf’,  nog omgaan in mijn eigen hart en ziel. In mijn eigen geest zal ik maar zeggen. Want ‘hart en ziel’, dat klinkt zo romantisch.

Crash-Cronenberg.jpg

(Een gelijkaardig fenomeen is de aantrekkingskracht van de afgrond, het ‘ziekelijke’ verlangen om onder een metro of trein te springen, of in het koude, donkere water van een rivier – zoals beschreven in Edgar Allan Poe’s ‘The Imp Of the Perverse’. ”If there be no friendly arm to check us, or if we fail in a sudden effort to prostrate ourselves backward from the abyss, we plunge, and are destroyed”.)

Charlotte_Rampling_-The_Night_Porter-3.JPG

Afbeeldingen:

1. The Texas Chainsaw Massacre (1974), Tobe Hooper.
2. The Texas Chainsaw Massacre (1974), Tobe Hooper.
3. Crash (1996), David Cronenberg.
4. Il portiere di notte (1974), Liliana Cavani.

JASON ISBELL & AMANDA SHIRES

amanda shires jason isbell

Ik had al een tijdje het gevoel dat Americana dood was. Maar ik zal me vergist hebben. Gisteren zag ik de toekomst van Americana, en tegelijk veel meer dan dat – want zelfs al mocht Americana dood zijn, dan zou Jason Isbell nog altijd een van de beste songschrijvers van zijn generatie zijn. Dat bewees hij gisteren met zijn no-nonsense concert in de ongezellige Witloof Bar van de Botanique, waar de helft van het publiek tegen bakstenen zuilen moet opkijken. Isbells Texaanse vriendin (of echtgenote, mocht je dat liever horen) Amanda Shires speelde het mooie openingsconcertje, zichzelf begeleidend op ukulele en viool. In de metro naar huis las ik haar teksten: helemaal anders dan die van haar vriend, minder verhalend, maar erg goed geschreven. Het poëtische en prozaïsche vullen elkaar hier uitstekend aan. Dat hoor je ook in het felle gitaarspel van Jason Isbell en de lyrische viool van Amanda Shires. Ik ben voor altijd gewonnen.

amanda shires 3

NO MAN’S LAND

2013fuckbook 001

Tijdens het klasseren van heel die massa boeken hier in mijn kamer vind ik soms vreemde drukwerken. Vreemd omdat ik ze vergeten was, vreemd omdat ik vergeten was hoeveel uren ik doorbracht met Crumb en Willem en Marcel Van Maele en vele andere dichters, tekenaars, muzikanten, nachtraven, mislukkelingen, werkschuwen, zieke geesten en zo meer. Het moet allemaal gebeurd zijn in een ander leven, het echte leven misschien, het leven dat al geruime tijd voorgoed voorbij is. Maar dan denk ik meteen dat elk leven echt is, ook dit leven vandaag, met Dostojewski en Tift Merritt en groene thee en het scannen van enkele memorabilia.

marcel 001

billythekid 001

HET LEVEN EEN FILM: PAPER FLOWERS

waheeda rehman.jpg

In mijn jeugd was ik vaak vrolijk, of toch opgewekt en avontuurlijk, ondanks een zwakke gezondheid en soms erge pijn. Zoals heden kende ik echter ook dagen van melancholie, maar die waren zeldzaam en duurden niet lang. Bovendien wist ik helemaal niet wat melancholie was. Soms is het beter de dingen niet te kennen, er weinig over te weten. Vooral kan het onrust voorkomen de woorden die bij dingen en verschijnselen horen niet te kennen. Waar komt die zucht naar woorden vandaan en het ongelukzalige verlangen naar kennis en weten?

Vanaf mijn twintigste ongeveer raakte ik gefascineerd door zelfmoordenaars. Is daar een verklaring voor te vinden? Ik ken er maar een: de zelfmoord van mijn tante Georgette, die door iedereen tante Jos werd genoemd. Het is echter een fenomeen dat nogal veel voorkomt. ‘The imp of the perverse’, de fascinatie die uitgaat van het verschrikkelijke, van de horror. Jeroen Brouwers lijkt wat dat betreft op mij. Hij heeft veel en mooi over zelfmoordenaars geschreven, ik denk dan in de eerste plaats aan ‘De laatste deur’. Veel heb ik over het onderwerp geleerd van A. Alvarez, auteur van ‘The Savage God’ en vriend van Sylvia Plath. Overigens is Sylvia Plath wellicht de beroemdste bewoonster van de zevende kring in Dante’s Hel.

Op 2 juni 1987 – mijn verjaardag – zag ik een eerste keer het Indische meesterwerk ‘Kaagaz ke phoo’ (‘Paper Flowers’), een film uit 1959 van de legendarische Guru Dutt. Ik had nooit eerder van de regisseur gehoord, wist hoegenaamd niet dat hij enkele jaren na het beëindigen van dit werk, destijds een flop, zelfmoord zou plegen. Toch had ik het kunnen, had ik het moeten weten: er bestaan maar weinig films die zo naar de strot grijpen als ‘Paper Flowers’. Het is een van de triestigste liefdesverhalen die ik ken. Alles straalt daar diepe melancholie uit. Nee, niet alles, gelukkig maar, anders zou je als kijker bij het verlaten van de cinemazaal meteen onder een tram of bus springen. Als je nog zit te huilen begint er alweer een grappige scène of wordt er een geestig lied gezongen: een lach en een traan, maar de traan is van lood, de lach lichter dan een papieren bloem.

guru dutt,paper flowers,kaagaz ke phoo,waheeda rehman,geeta dutt,india,cinematiek,liefde,melancholie,verdriet,ondergang,vergetelheid,troost,schoonheid

Gisteren had ik het genoegen de film eindelijk op een groot scherm te zien, in het Filmmuseum (Cinematek) in Brussel. Opnieuw een openbaring, opnieuw die melancholie, opnieuw die door merg en been gaande muziek van S.D. Burman, gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi, opnieuw die adembenemende fotografie. Een nogal geschonden kopie die desondanks een even hoge kwaliteit laat zien als die van het werk van regisseurs als Orson Welles. ‘Paper Flowers’ is uitgesproken autobiografisch. Guru Dutt speelt de hoofdrol, de trotse filmregisseur Sinha, die gescheiden leeft van zijn vrouw en dochter en zich aangetrokken voelt tot de verbluffend mooie actrice Shanti (gespeeld door Waheeda Rehman, een jonge actrice die op z’n minst even aantrekkelijk en sensueel is als Hope Sandoval). Guru Dutt had in werkelijkheid ook een liefdesverhouding met Waheeda Rehman. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw Geeta Dutt en zijn drie kinderen. De protagonist wordt verscheurd door de liefde voor Shanti en voor zijn dochter Pammi. Als Shanti de regisseur laat vallen wordt het gezin misschien herenigd: dat is wat Pammi heel sterk verlangt en waar Shanti, uit liefde voor Sinha, aan toegeeft. Overigens speelt het geroddel in de boulevardpers over haar vaders affaire  een belangrijke rol in de beslissing van Pammi om Shanti te verzoeken haar minnaar te verlaten. De moeder zal echter beletten dat Pammi haar vader nog te zien krijgt. Sinha, de regisseur, blijft alleen achter, een nog steeds trotse maar desondanks gebroken man. Hij geraakt aan lager wal, drank wordt zijn enige toevlucht. Zijn roem was van korte duur. Na de val keren al zijn vrienden hem de rug toe. Binnen de kortste keren is iedereen hem vergeten.

guru_dutt_.jpg

Ik vertel de film ogenschijnlijk na, maar eigenlijk doe ik dat helemaal niet. Het kan niet. Je moet hem zien, ondergaan, ervaren, je moet er bij zitten lachen, huilen, alle emoties moeten zich gedurende bijna drie uur van je meester maken, tot je uitgeput en aan zinsverbijstering ten prooi het licht in de zaal ziet aangaan. Het verhaal van de liefde en de val gaat ook niet alleen maar over Sinha, Shanti, Pammi en hun entourage. Het gaat over de wereld en het leven. Niets duurt hier lang, geluk is kortstondig, liefde duurt slechts een ogenblik, aan alles komt een einde, vrienden laten elkaar in de steek, geliefden gaan hun eigen weg. De tuin vol wonderlijke bloemen wordt een woestenij. Het enige wat overblijft is de herinnering aan de glinstering in de ogen van een bekoorlijke en lieve vrouw, en het zachte en troostende treuren in de stem van een zanger en een zangeres. De herinnering.

 

Afbeeldingen: Waheeda Rehman, Geeta Dutt, Guru Dutt.

JE HUID

gedicht,1977,2013,18 november 2013,huid,lichaam,nu

Je huid trilt en schittert als de zilverwilg.
Berglucht omhult je voeten, je kuiten, je heupen,
je borsten, je hals, als je je neervlijt in het gras,
verzadigd, weggerukt uit de tijd van deze vlakte,
onkwetsbaar en hoog in je hunkerend nu.

Ω

Afbeelding: Henri Matisse

AVALANCHE

lillian-gish

Nu het nog kan kun je me beter als levende ziel versieren
Zonder zwarte kater op mijn schouder als ik op een zondag
Met gitaar en krant te goochelen zit. Ver weg van alles
Als een countryzanger in wit licht de dood nabij
Maar toch heel levendig, met veel geel en groen.

Heb je me al in de ogen gekeken als ik onnozel doe
En blij ben omdat je bij me bent als een dagdroom
Die je niet vergeet, ook op de trottoirs tussen mensen
Die overal heen snellen, als blinden stoten ze tegen je aan?
Dat jij me niet vergeten bent hoor ik in elk lied

Als ik nuchter luisterend op signalen van liefde wacht
En opeens zit iemand op een viool te krassen en zingt:
Ma chérie je veux danser avec toi, toute la nuit.
Chagrin, pitié, faut oublier tout ça, mal à la tête,
Oui, je te veux, je te veux, comme une avalanche.

Ω

Een vroegere versie van dit gedicht: 7 mei 2009