VALE PAARDEN, MOOIE BOEKEN

zweig3.jpg

Pas nu, achttien dagen later, stel ik vast dat van de drie boeken die ik voor mijn verjaardag heb aangeschaft er twee bij zijn van auteurs die zich het leven hebben benomen: Stefan Zweig en Walter Benjamin. Het derde, waarover ik het al eerder had, ‘Naaktheden’, is van Giogio Agamben, een leerling, of op zijn minst een bewonderaar, van het werk van Benjamin. Ik maak me sterk dat Agamben nooit zelfmoord zal plegen en dat ik het zelf, hoe wanhopig ik ook mag worden, evenmin ooit zal doen.

Nu ik Stefan Zweig toch heb genoemd wil ik hem graag even citeren. Ik geloof dat hij in deze geschriften nooit eerder is opgedoken. In zijn autobiografie, ‘De wereld van gisteren’ schrijft hij de volgende bijzonder actuele en pertinente woorden:

“Al de vale paarden van de apocalyps zijn door mijn leven gestormd, revolutie en hongersnood, geldontwaarding en terreur, epidemieën en emigratie; ik heb de grote massa-ideologieën onder mijn ogen zien groeien en zich verspreiden, het fascisme in Italië, het bolsjevisme in Rusland en bovenal die oerpest, het nationalisme, dat de bloei van onze Europese cultuur heeft vergiftigd.”

Deze ‘herinneringen van een Europeaan’ verschenen in 1944, maar werden nog voor de tweede wereldoorlog geschreven. De oerpest, het nationalisme, vernietigt nog steeds onze Europese cultuur.

Eergisteren kocht ik, omdat ze er zo mooi uitzagen, boeken van William Faulkner, Henry James, Patrick Conrad, Robert Louis Stevenson en Richard Neville. Wat zou het verband zijn tussen deze werken, naast hun aantrekkelijke uiterlijk, hun verleidelijke façade (waar ik zo moeilijk aan kan weerstaan)?

JAMES GANDOLFINI, TRAUMA’S, THERAPIEËN

tony-soprano-james-gandolfini.jpg

James Gandolfini

Van begin augustus 1997 tot najaar 2003 was ik in psychoanalyse bij een bekwame, empathische en aantrekkelijke (vrouwelijke) neuro-psychiater. De aanleiding voor de therapie was een posttraumatische shock waar ik onder gebukt ging nadat ik op een mooie, zonnige zomeravond vlakbij de Grote Markt in Brussel bijna dood was geklopt door bijzonder gewelddadige criminelen. Neus op twee plaatsen gebroken, zware hersenschudding, tanden stukgeslagen, hematoom in het bindweefsel rondom de ogen, et cetera. Voor de Brussels politie een fait-divers. Een onderzoek is er nooit geweest.

gewond1997a.jpg

Martin Pulaski, 26 juni 1997. Foto: Agnes A. of Wilfried D.

In de periode dat die psychoanalyse plaatsvond ben ik fan geworden van ‘The Sopranos’ en in het bijzonder van James Gandolfini en Lorraine Bracco, die de rol speelt van Tony Soprano’s psychiater, Jennifer Melfi. Hoewel ik zelf geen gangster ben en evenmin banden heb met de maffia, maar wel een bewonderaar van Tennessee Williams en Arthur Miller, die veel invloed hebben gehad op scenarioschrijver David Chase, en tevens een aanhanger ben van ‘niet-orthodoxe’ psychoanalyse, zag ik bijzonder veel overeenkomsten tussen mijn eigen therapie en die van Tony Soprano. Bovendien herkende ik veel eigenschappen van ‘mijn’ psychiater in Jennifer Melfi – en vice versa. Soms zat ik te huilen bij een therapeutische sessie in ‘The Sopranos’, en vroeg ik me af hoe het toch mogelijk was dat ik zo kon meeleven met een gangster. Andere keren zat ik dan weer te huilen bij mijn therapeute als ik haar als in trance een aflevering navertelde. Realiteit en fictie raakten elkaar, ruilden van plaats.

lorraine bracco.jpg

Lorraine Bracco

Ik wil niet beweren dat James Gandolfini en Lorraine Bracco de beste acteurs van de wereld waren, maar ze hebben me alvast diep geraakt en een belangrijke betekenis gehad in mijn leven. Toen mijn vrouw me vanmorgen vertelde dat James Gandolfini in Rome is overleden heb ik niet gehuild. Huilen doe ik niet meer. Waarom zou een man nog huilen? Maar ik was geschokt en diep bedroefd. Er was iemand gestorven die ik van nabij had gekend. Geen familielid, geen vriend, maar een lotgenoot, een mens met trauma’s en grote levensproblemen.

Sinds oktober 2012 ben ik opnieuw in therapie bij dezelfde mooie vrouw. Waarom? Dat wil ik voorlopig  geheim houden. Maar ik denk dat de tijd gekomen is om ‘The Sopranos’ te herbekijken. Vraag me echter niet om nog een keer naar Rome te reizen, ook al schijnen alle wegen daarheen te leiden.

Vaarwel James Gandolfini, vaarwel Tony Soprano.

SUICIDE, 23 MINUTES OVER BRUSSELS

Suicide-Band.jpg

Suicide (Alan Vega & Martin Rev).

Vorige zaterdag hield Luc Janssen in de AB een lezing met als thema ‘Suicide, 23 minutes over Brussels’, over het zogeheten legendarische concert van het New Yorkse duo Suicide in de Ancienne Belgique op 16 juni 1978 (als support van Elvis Costello). Wegens een aangename verplichting in Antwerpen kon ik er niet bij zijn. Heb ik veel gemist? Dat betwijfel ik. Op die bewuste Bloomsday in 1978, nu vijfendertig jaar geleden, was ik er wel bij. The real thing. Naar aanleiding daarvan publiceer ik vandaag een herwerkte versie van mijn ‘fictieve’ terugblik op het concert en op de periode waarin het plaatsvond – een tekst die ik voor het eerst in februari 2007 pulbiek maakte.

Ω

Those disco synthesizers,
those daily tranquilizers,
those body building prizes,
those bedroom alibis,
all this, but no surprises for this year’s girl.

Elvis Costello, This Year’s Girl

Ω

Zwart dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar zag was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, waarvan hij de naam altijd vergat, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Phyllis zag er niet slecht uit maar ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen, hoewel hij grootste plannen had: hij zou detctives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler, Dashiel Hammett en Ross McDonald. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de toog bourbon zaten te drinken, maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Zo kon ze de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.

Dat was de laatste keer. Later had Zwart van Job gehoord dat het niet goed met haar ging. Ze had last van de lever en andere kwaaltjes en ze at nauwelijks. Ze dronk te veel, wat in die toestand om problemen vragen was, ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux, Actifed, iets met codeïne erin. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla Beaulieu niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

Zwart is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni – Bloomsday – 1978 in Brussel, met de New Yorkse band Suicide als opener. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in ‘Johnny Teardrop’. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Elvis Costello aan de beurt. Een boze jonge man, boordevol alcohol en amfetamine. ‘No Action’  zong hij. En ‘All this and no surpises for this year’s girl…’ Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was buitegenwoon krachtig. Maar wat een arrogante kerel (vond Zwart toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de microfoon uit Alan Vega’s handen had gerukt, vanwege het minimalistische en agressieve concert van Costello, vanwege de drank en de drugs. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen doodkalm met zware microfoonstatieven op de voorste rijen van het razende publiek. Zwart had heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft zijn geliefde hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in een ziekenhuisbed beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Laura en Zwart hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag in Antwerpen verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de buurt van de Dageraadplaats een Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond in optima forma: hij draaide een uur lang heerlijke en luide rock & roll en rockabilly, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag, of misschien net wel, want er was zeker verwantschap. The Trashmen klonken heel nieuw en terzake, want de meeste vrienden en kennissen die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweedehandskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en Zwart was eerder zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

this years model.jpg

Elvis Costello – This Year’s Model. Hoesontwerp: Charlie Bubbles

Ω
Noten

Het ‘legendarische concert’ van Suicide werd in 1998 op cd uitgebracht door het Blast First-label, als bonus-cd bij de cd-versie van de eerste lp (verschenen op het Red Star-label in 1978).

Van zowat alle platen van Elvis Costello komen ongeveer elk jaar nieuwe, lichtjes gewijzigde edities in alle mogelijke formaten uit.

BOB DYLAN’S RENALDO & CLARA

masterpiece snip.PNG

De meeste stervelingen die ik ontmoet, in de wereld of op papier, en zeker popmuziekrecensenten, houden niet van ‘Renaldo & Clara’. Of ze hebben er ronduit een afkeer van. Ze hebben er nooit van gehouden en ze zullen er nooit van houden. Ze geven er niet om. Ze vinden het een onding. Ze zeggen dat het een volstrekte mislukking is, een egotrip, alles behalve een behoorlijke film (een film zoals het hoort). Dat getuigt van verregaande luiheid, gebrek aan interesse en openheid; het getuigt vooral van domheid.

Iemand die bevooroordeeld is kan deze ongewone film niet begrijpen. Zo iemand zal zo vlug mogelijk een oordeel vellen, zal de film ‘slecht’ vinden, of ‘goed’, zelfs (wat op hetzelfde neerkomt). Zo iemand zal hem niet kunnen categoriseren, hij heeft er geen genre voor binnen handbereik, geen herkenbare stijl, er zijn geen referenties naar grote voorbeelden uit de filmgeschiedenis of populaire kunsten mogelijk (toch wel hoor, die voorbeelden zijn er wel).

Maar iemand die aandachtig is en nieuwsgierig, die ogen en oren open houdt, die nadenkt, zal iets dergelijks zeker niet doen: ‘Renaldo & Clara’ is geen willekeurige, overbodige of pretentieuze aaneenschakeling van beelden. Het is een kunstwerk dat tegen de tijd inging en er nog altijd tegen ingaat en tegelijkertijd een getuigenis is van de tijd waarin het is gemaakt. Onderdompeling en transcendentie.

Bob Dylan is – zoals Buñuel – gefascineerd door het mysterie, het geheim, dat centraal staat in de poëtische ervaring en in de religieuze belevenis. In alles wat helder lijkt is er iets duisters aanwezig. Iets duisters dat zich aan het oog onttrekt door de diepte en de uitgestrektheid van alles wat licht is (door de zon belicht, enz.). Wat heeft deze duisternis te betekenen? ‘Cet obscur objet du désir’, zoals Buñuel het noemt, is een object/subject dat, als Proteus, om te ontsnappen aan de jager (een metafoor voor het bewustzijn), voortdurend van gedaante verandert. Een object dat nabij is èn onbereikbaar, zoals de sterren en de bliksem. De personages van Dylan zijn niet alleen loyaal aan hun geliefden maar zeker ook aan de sterren daar hoog boven hen. De sterren die van hen houden, hoe kan het anders, zoals in de film ‘Somebody Up There Likes Me’ van Robert Wise en het gelijknamige lied van David Bowie. De sterren die zich sneller dan het licht van hen verwijderen. En de geliefden die niet omkijken omdat ze artiesten zijn en hun liefde in waanzin is verdronken.

Dylan stelt het probleem van de roem (Robert betekent ‘schitterend door roem’), de beroemde kunstenaar, het idool. Hoe kan iemand die door massamedia en publiek tot idool of ster is uitverkoren integer blijven? Het publiek eist hem op, zijn leven wordt in beslag genomen door de openbaarbeid, door het publiek, door het spektakel. Het ‘ware ik’ verdwijnt, wordt een troebel symbool, onzichtbaar of opaak, verstart in een ‘public image’, of – wat het allerergste is in deze tijd, nu – in een ‘icoon’:

“You’re invisible now,
You’ve got no secrets to conceal.”

De transparantie van het masker, in het begin van de film. Onder het masker een ander masker, dat van de performer Bob Dylan, de clown met wit gelaat, die de dromen, fantasieën en verlangens van Renaldo ‘exposeert’ op het podium.  Exposeert, ontwikkelt : zoals je een film ontwikkelt, een rode loper uitrolt, een landkaart openvouwt, zoals een bloem ontluikt dankzij het licht van de zon. Exposeert eveneens in de betekenis van ‘verwoorden’ (denk aan exposé, maar ook aan het klassieke ‘expositio’).

Wie is Renaldo? Renaldo is de goede heerser zegt ons het woordenboek van voornamen. En wie is Bob Dylan? Een mythe? Een zoon van de golven, duistere zoon van de zee? Ongetwijfeld.

De film weerspiegelt een realiteit; maar de montage en zeker ook de ‘cadrage’, het ritme, de banaliteit van de ‘fait divers’, en uiteraard de muziek, maken het mogelijk door die realiteit heen te kijken, helder te zien, als een clairvoyant, zodat de ware toe-schouwer een diepere werkelijkheid te zien krijgt.  Een diepere werkelijkheid die tegelijkertijd oppervlakte is, want er is geen diepe diepte, zoals er geen oppervlakkige oppervlakte bestaat. Bob Dylan is hier – misschien tegen wil en dank, want hij is een dwarsligger – in geslaagd (net zoals Andy Warhol/Paul Morrisey in ‘Trash’, ‘Flesh’ en ‘Heat’).  De film is integer als getuigenis, als onderzoek, als protest, als visueel gedicht. Een voorbeeld van integriteit: de vrouwen worden niet uitgebuit, verschijnen niet als louter lustobjecten. Zelfs in de bordeelscènes, als hoeren, zijn ze bovenal vrouwen van vlees en bloed en geest. ‘Renaldo & Clara’ is onder meer een loflied aan de vrouwen. Ze zijn allen even mooi, allen heten ze Clara – radiant beauty, schitterende, stralend-witte godinnen zoals in het baanbrekend werk van Robert Graves,’The White Goddess’.

Het wordt de hoogste tijd om ‘Renaldo & Clara’ opnieuw in roulatie te brengen en vervolgens op dvd/BluRay en alle andere mogelijke beeld- en geluidsdragers aan film- en muziekliefhebbers ter beschikking te stellen. Hetzelfde mag overigens ook gebeuren met de films van Jacques Rivette en Jean Eustache. Misschien kunnen we dan vaststellen dat de jongere generaties minder bevooroordeeld en minder dom zijn dan de oudere?

Trash.jpg

 

WIE WENN AM FEIERTAGE… (FLASHBACK)

jos+matti.jpg

Jos D. & Martin Pulaski, Antwerpen, circa 1982.

De vertaling van Wie wenn am Feiertage waaraan ik ben begonnen op 12 februari 1976, gisteren (voorlopig) beëindigd. Een immens gewicht viel me van de schouders. In mijn hoofd hield het bliksemen op. Ik was uitgeput en tevreden. Poëzie van Hölderlin vertalen is gevaarlijk, dat weet ik nu met zekerheid. Overigens twijfel ik nog steeds aan de ‘juistheid’ van mijn vertaling. En toch ben ik blij.

Maar ’t is ook allemaal werk voor niets geweest: want nu ligt het gedicht hier, twee vellen papier met wat letters erop, in een fletsblauwe map gestopt. Geen mens die ’t ooit nog zal lezen, vermoed ik.

Ω

De voorbije nacht lag ik weer aan mijn Boek te denken. Nu overwoog ik de mogelijkheid om bepaalde ideeën (betreffende het Boek) visueel uit te werken  en tentoon te stellen. Maar ik heb er geen idee van op welke manier en waar.

“Fragmenten uit een Boek dat alles bevat”: dat zou een geschikte titel zijn.  De fragmenten zouden kunnen zijn: teksten, foto’s, knipsels, woorden, tekeningen, et cetera.

Zo ben ik dan in slaap gevallen. Vervolgens toonde ik in een droom iemand een drietal bijzonder mooie tekeningen van mijn hand. Jammer genoeg kan ik in werkelijkheid niet tekenen.

Ω

Mijn vriend J. is even op bezoek geweest.  Ik voelde me niet zo lekker. Weer die pijn in de borst en ademnood. Desondanks samen ook gezongen (‘Songs of Innocence’ van William Blake) en  Southern Comfort gedronken.

Ω

Donderdag 28 december 1978

(In die dagen was het alle dagen feest, gewicht of geen gewicht – van de wereld en de woorden. Er was een heilige geest in ons, een geest die alles met alles verbond, een geest die al lang een schim is geworden, een woeste en verwoestende afwezigheid.)

GERAAKT DOOR DE DUISTERNIS

sally-mann-family pictures.jpg

“Contemporain is hij die het duister van zijn tijd waarneemt als iets dat hem aangaat en niet ophoudt hem aan te spreken, iets dat, meer dan welk licht ook, zich direct tot hem richt. Contemporain is hij die vol in het gezicht geraakt wordt door de bundel van duisternis die zijn tijd uitstraalt.”
Giorgio Agamben, Naaktheden.

Het schitterende werk van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben waar dit citaat in voorkomt (in verband met de dichter, het contemporaine, en de ‘Unzeitgemässe Betrachtungen’ van Nietzsche) heeft als titel ‘Nudità’, wat naaktheid betekent. Geen idee waarom de vertaler daar een meervoud van maakt.

Foto: Sally Mann, Family Pictures