WILDE DAGEN

4-29-2013_066.JPG

Alles stroomt in mij en alles bruist. Elke nacht neem ik een duik in mijn eigen rivier, de rivier die ik ben, de rivier die mijn leven is, mijn verleden. Beelden dringen mijn slaperig maar wakker hoofd binnen, beelden en woorden. Woorden die uiteenvallen in letters, in klanken. Geschreeuw, gefluister, gemurmel, sensuele stemmen, het bars getier van wat veel mensen Barbaren noemen maar geen Barbaren zijn. Mijn verleden dringt zich als een immense chaos aan me op. Heb ik er binnenkort weer vat op? Kan ik het geweld van de taal in mij, en van het onzegbare in mij nog aan banden leggen, er vorm aan geven, er een mooi en integer geschenk voor jou van maken? Vooralsnog niet. Vooralsnog moet ik de chaos die ik ben aanvaarden, in de chaos vertoeven. Maar op een dag, niet te ver weg, moet ik zeggen dat het genoeg is geweest. Tijd om weer aan de slag te gaan. Het verlangen naar een zin ombuigen in werk. Want al deze dingen gebeuren in mij op weg naar een werk dat noodzakelijk is.

Foto: Martin Pulaski, Antwerpen, 1980.

TWINTIG JAAR LATER

Nee, ik heb het niet over de drie musketiers. Twintig jaar na het uitstapje met Mitzi, Henriette, Brigitta, vader en moeder, maakte de lachende jongen deze foto’s in een lachwekkend klein ‘penthouse’ in de Lamorinièrestraat in Antwerpen. De lachende jongen leefde er in een permanente staat van euforie en was geobsedeerd door de erotiek van de kleur rood.

HK3.jpg

HK4.jpg

Foto’s: Martin Pulaski, Antwerpen, 1980.

DE LACHENDE JONGEN

mitzietc.jpg

“‘Zie je nu wel, dat ik niet weet waar ik thuis hoor. Daarom ben ik maar weggegaan.”
‘Blijf bij ons, meneer d’Arrast, ik van jou houden.’
‘Ik zou wel willen, Socrates, maar ik kan niet dansen.'”
Albert Camus, De steen, in: Koninkrijk en ballingschap, 1957.

Ergens in Limburg tijdens een lange hete zomer op het einde van de jaren vijftig. Wie heeft de foto gemaakt? Mijn vader wellicht. Het zal in de periode geweest zijn toen hij pas zijn eerste auto had gekocht, een Ford Consul. We zullen een van die schaarse uitstapjes hebben gemaakt. Schaars, want mijn vader verafschuwde uitstapjes. Maar dit was er een. Hoewel ik het mij niet meer kan herinneren weet ik dat ik op die dag bijzonder gelukkig was. Ik geloof dat er niet een foto van mij bestaat, als kind, jongere, of volwassene, waar ik zo stralend lach. Een geluk heeft zich helemaal meester van me gemaakt.

Op de foto ben ik in het gezelschap van wat ik in die periode als mijn tweede moeder beschouwde: Mitzi, die uit Hongarije kwam en mij door haar verhalen en haar kookkunst veel liefde voor dat zo mysterieuze land heeft bijgebracht. Naast Mitzi knielt haar dochter Brigitta neer, misschien om bloemen te plukken voor mijn broer, hoewel bloemen plukken niet echt iets was voor iemand die zo door en door rock & roll was. En dan, de reden van mijn geluk, de appel van mijn toenmalige ogen, Henriette, de jongste, beeldschone dochter van Mitzi. Voor ‘echte’ liefde waren we nog te jong, en toch was ik smoorverliefd op haar. Zij heeft me niet alleen leren beminnen (op een deugdzame manier, hoewel mijn fantasieën wellicht al niet meer zo deugdzaam waren) maar door haar heb ik ook geleerd wat liefdesverdriet is. Dat was op de dag dat zij samen met haar ouders verhuisde naar een dorp ver weg, ergens aan het einde van de wereld; alleszins buiten de provincie Limburg.

Hoe mooi een dag ook is: er zit altijd melancholie in opgeborgen.

Ruim vijftig jaar later nu, en de wereld op die foto is al onherkenbaar, zelfs voor degenen zoals ik die daar geleefd, liefgehad en getreurd hebben. Maar zijn we niet blij en tevreden dan dat we nog hebben mogen vertoeven in dat koninkrijk, ook al wonen we nu al zo lang in ballingschap?

NINOTCHKA

ninotchka_3.jpg

Greta Garbo en Melvyn Douglas in ‘Ninotchka’ (1939) van Ernst Lubitsch.

Van Zizek gesproken. Eergisteren moest ik, in weerwil van alle waanzin die me bijna permanent de adem beneemt, toch even lachen. In zijn recentste werk – ik neem aan dat het zijn recentste werk is – ‘Het jaar van het gevaarlijke dromen’ las ik dit:

“In Ernst Lubitsch’ klassieke komedie Ninotchka komt een mooie dialectische grap voor: de protagonist bezoekt een cafetaria en bestelt een koffie zonder room, waarop de kelner antwoordt: ‘Sorry, we zijn door de room heen, we hebben alleen melk. Kan ik u een koffie zonder melk brengen?’ In beide gevallen krijgt de klant koffie zonder, maar deze koffie gaat vergezeld van telkens een andere negatie, eerst koffie-zonder-room, vervolgens koffie-zonder-melk. Griekenland bevindt zich in hetzelfde parket: de situatie is moeilijk, de Grieken zullen een soort soberheidsregime krijgen. Maar krijgen zij de sobere koffie zonder room of zonder melk? Op dit punt bedriegt het Europese establishment. Het doet alsof de Grieken de sobere koffie zonder room krijgen (dat de vruchten van hun ontberingen niet alleen de Europese banken ten goede komen), maar in werkelijkheid biedt het de Grieken koffie zonder melk (het zijn niet de Grieken die van hun ontberingen profijt zullen hebben).”

ASTRIDPLEIN, ANTWERPEN, 1986

antwerpenfifties.jpg

Met mijn familie in Antwerpen in de jaren ’50.

“Op weg naar de Dierentuin – de Zoologie, noemde mama hem –  weer diezelfde ergernis om de Europabank met haar volksvriendelijke kleuren. Aan de overkant het vettige eten voor de gehaaste passant.  De glorie van Antwerpen, het  Centraal Station, niet veel meer dan een ruïne. Gladde plaveien en kasseien met onkruid ertussen voor de toeristen. Hier en daar roetige gevels, leegstaande, vervallen panden.

De hyena’s laten niet van zich horen. Zelfs aan de hand van mama was ik er bang voor. Hoe klonk hun gehuil? Ik kan het mij niet meer herinneren.

De sexcinema, Royal heette hij geloof ik, is een Calypso geworden. De seks zelf heeft een metamorfose ondergaan en heet nu porno en is meteen ook maar verhuisd naar de Carnotstraat, om de hoek.”

Dit waren enkele indrukken van het Antwerpse Astridplein in 1986. Was het toen crisis of is het nu crisis, of is het altijd crisis, met uitzondering van misschien de swinging sixties? Ik weet het niet goed meer. Vertel het mij. Ik geloof dat ik teveel Zizek heb gelezen.

Ω

Iets over de foto:

De kleine jongen links op de foto ben ik (of was ik), een hele meneer al, naast me mijn mama, naast haar mijn broer François, en helemaal rechts mama’s zus, tante Georgette (die we tante Jos noemden). De man die ons achtervolgt ken ik niet.

SPRAKELOOS

goya1.jpg

Francisco Goya, Saturnus die zijn zoon verslindt.

Niet veel dingen maken je nog sprakeloos. Misschien alleen de dood van een vriendin of vriend, van een familielid, van iemand die je goed kende, van iemand die je zeer bewonderde. De dood, altijd de dood. En dan zijn er die omineuze gebeurtenissen zoals de bomaanslag tijdens de marathon in Boston – ooit liep je door dezelfde elegante straten – en de aardbeving in Iran.

Sprakeloos. Je zou iets willen zeggen, iets willen schrijven. Iets om het monsterachtige mee weg te jagen. Maar je begint er niet aan. Je gedachten gaan naar een lied van Bob Dylan, Changing Of The Guards, en een schilderij van Goya, Saturnus die zijn kinderen verslindt. En dan wacht je op nieuwe dagen, vrolijke uren, momenten van verrukking.

WILDWECHSEL

wildwechsel-eva mattes.jpg

Eva Mattes in ‘Wildwechsel’

“…also dass eigentlich der Mensch etwas Zartes oder Zärtliches ist und dass das, was er sagt oder denkt, das Schreckliche ist – und nicht, dass er das ist.”
Rainer Werner Fassbinder

‘Wildwechsel’ is een film van Rainer Werner Fassbinder uit 1973 met Eva Mattes en Harry Baer. Was de regisseur, in mijn ogen nog steeds een genie, in die periode misschien onder de indruk van bepaalde Japanse films? Net als bij onder meer Yasujiro Ozu wordt het leven van de protagonisten in dit verhaal – gebaseerd op een toneelstuk van Franz Xaver Kroetz – bepaald door het burgerlijke gezin. Er is geen liefde mogelijk: de familiebanden zijn zo sterk dat ze alle andere gevoelens verlammen of doen ontsporen.

In Fassbinders werk zie je vaak een combinatie van liefde, geweld en noodlot. Hier is de vrouw – de veertienjarige Hanni – de belichaming van het noodlot. Haar geliefde, de negentienjarige Franz, is de uitvoerder.  Het fatalisme weerklinkt in het door alle personages gebruikte ‘weil es doch’. Elke verklaring, elke rechtvaardiging begint met zo’n ‘weil es doch’. Door de herhaling verliest de uitdrukking aan betekenis –  die ze in het begin misschien ook al niet bezat. De tekens van het noodlot schijnen geen betekenis te hebben. Er is geen geschiedenis; de tijd schenkt de woorden geen nuances, de kleuren geen tinten. ‘Verschuivingen’ zijn niet mogelijk, alles ligt vast. De kinderen herhalen het  tragische spel  van hun ouders.