NIETSDOEN VERGT EEN SPONSOR

de goede rechters ensor.gif
De goede rechters, James Ensor, 1891

Ik ben vooringenomen. Mijn bestaan is gebaseerd op versies van de waarheid, op verhalen, mythen, leugens, verzinsels, vooroordelen. Denk nu niet dat ik niet goed wil leven. Ik wil goed en matig leven. Ik wil mijn soortgenoten niet lichtvaardig beoordelen. Maar er zijn grenzen. Een van die grenzen heet Serge Simonart. Eigenlijk zou ik deze elektronische pagina’s niet mogen bevuilen met zijn naam. Dat wordt elders al voldoende gedaan. Ik zou de man moeten verdedigen, want ik vermoed dat hij veel vijanden heeft. Maar dat is in dit geval te veel gevraagd. Een vijand van me is hij zeker niet, hij heeft mij niets in de weg gelegd. Maar ik lust de kerel niet. Alles aan hem irriteert me.

Via Facebook en mijn kameraad Jan Van den Eynden werd ik nog maar eens een keer met de Vlaamse popkenner par excellence geconfronteerd. De man die ontwaakt en slapen gaat met de groten der aarde: David Bowie, Lou Reed en David Sylvian.

Ik las over dit heerschap – pervers en masochistisch als ik ben – een artikel dat gisteren in De Morgen online verscheen.  “De uitzending van Radio 1-programma ‘Hautekiet’ over luiheid is uitgemond op een vilein moddergevecht tussen rockjournalist Serge Simonart en komiek en acteur Iwein Segers”, stond daar vetgedrukt.
En wat minder vet: “ “Nu ga ik zoals gewoonlijk heel wat mensen tegen mij in het harnas jagen. Maar het is nu eenmaal zo: nietsdoen vergt een sponsor”, stelde Simonart. “Dat is bij heel veel mannen zo, zeker in de pseudo-artistieke wereld. Daarstraks sprak u met Iwein Segers. Wel, ik gok erop dat Iwein Segers ofwel jarenlang aan den dop heeft gestaan, ofwel vriendinnen had die zorgden dat het huishouden functioneerde of hem sponsorden. Er zijn in Vlaanderen heel veel schrijvers en dichters wiens zogenaamde kunstenaarschap de facto financieel en praktisch gesponsord wordt door hun werkende vrouw.””

Een man moet durven. Een popkenner die met de groten der aarde slaapt en droomt is het aan zichzelf verplicht sterke uitspraken te doen. Niet dat hij, zoals Louis Paul Boon, de mensen een geweten moet schoppen. Neen, hij moet hun geweten – eenmaal ze dat hebben – harde schoppen geven. De mensen moeten weer gewetenloos worden, rancuneus, afgunstig, zuur en nijdig.

In zijn boek ‘Nadja’ schreef André Breton dat je niets aan je leven hebt als je werkt. Hoe vaak heb ik dat al niet geciteerd… Het zal een vorm van luiheid van me zijn. De surrealist wilde hoegenaamd niet beweren dat mensen niet moeten werken, maar wel beschouwde hij arbeid als een noodzakelijk kwaad. De bewering dat ‘zogenaamde kunstenaars’ profiteurs en parasieten zijn is achterlijke onzin. De facto, zegt hij. In Vlaanderen, zegt hij. Zulke uitspraken dus. Dat is gedurfd. Daar is moed voor nodig. Daarvoor moet je op hetzelfde niveau staan als de groten der aarde.

Niet alle kunstenaars werken even hard, maar ik ken er nogal wat die zich doodgewerkt hebben. Met of zonder mecenas. Ik geef maar een voorbeeld: Rainer Werner Fassbinder. O, maar dat was geen Vlaming. Daniel Robberechts dan? Roger van de Velde?

Interviews afnemen zoals Simonart doet is niet werken. Interviews zijn veeleer – voor hem dan toch – gezellige onderonsjes. Het probleem is dat hij ze niet eens in behoorlijk Nederlands kan vertalen. In het artikel in DM las ik dat hij nooit van iemand een cent heeft gekregen, ook niet van zijn ouders. Daar is hij trots op, zegt hij. Maar misschien zouden zijn ouders hem kunnen helpen om zijn ‘interviews’ wat bij te schaven. Misschien kunnen ze hem meteen ook duidelijk maken dat Ornette Coleman een man is en bijgevolg geen vrouw (tenzij hij dat inmiddels al op Wikipedia heeft gevonden). Ik heb in mijn leven maar enkele interviews afgenomen (onder meer van Kevin Ayers, Buddy Guy, Junior Wells, John Hammond Jr.): het waren van de plezierigste en meest ontspannende momenten in mijn leven. Over je werk geïnterviewd worden (is me ook al eens overkomen): dat is pas werken.

Overigens vind ik dat elke mens recht op luiheid heeft.  Ook Serge Simonart. Dat hij een lui schepsel is, te lui om even over enkele essentiële zaken na te denken, is hem dus vergeven.

SUZY

suzie2.jpg

Met Suzy op de Garelli, in Neerharen. Mijn broer François maakte de foto.
Suzy was mijn tweede hond. Mijn eerste hond had mijn vader toen ik ongeveer elf was doodgeschoten. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniel, was altijd een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een vijftal minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open, een vieze smurrie maakte vlekken op het tapijt. Aangezien ik op internaat zat heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar. Mijn vader was bang voor artsen. Als ik ziek was, wat nogal vaak het geval was, moest er soms een dokter komen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Zelf bezocht hij nooit een arts. Als hij hevige tandpijn had, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij zelf een tand uit. Zo ging het ook met Jimpy. Geen dierenarts, maar het karabijn.

Veel later, ik weet niet meer goed hou oud ik was, kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals destijds Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste honden werd ons gezegd. De beste en de trouwste. Na enkele weken reeds waren ze braaf en gewillig. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel heftiger. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Meermaals viel ik in slaap op de grond, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. En wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik er mee wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld. Maar dat is nu lang geleden. De laatste keer was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer, maar hij woonde bij mijn ouders. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd.

Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broers verbeelding is ondoorgrondelijk. Als hij al verbeelding heeft, met al dat drinken. Maar van Suzy weet ik het nog goed. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op, ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we de hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, zei mijn moeder. Nee, dat kan niet, zei ik. Er is maar een Jimpy, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Susie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd bijzonder mooi. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Ik kon haar ongeveer alles vertellen. Maar we maakten ook veel ruzie. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen. Maar dat deed ik toch. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een goede naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

STADSLEVEN, 1970

001_edited

In een appartement aan de Naamsepoort in Brussel. Alleen de namen zijn nog hetzelfde, al de rest is anders. Ik maakte deze foto* eind 1970. Met een fototoestel dat ik geleend had van een vriend. We waren te arm voor een eigen camera.

Ik vond een paar dagen geleden de negatieven terug. Veel schade, vlekken en strepen, die aan krassen op vinyl doen denken. Maar de sfeer is mooi. Een mens moet heel diep graven in de groeven van zijn geheugen om terug te kunnen keren naar een tijd waarin bijna alles goed en mooi was – en vol verwachting.

Deze foto hoort bij de reeks ‘Don’t Look Back’.

*Op de foto zie je rechts op de grond ‘Let It Be’ van the Beatles liggen. Dat was een fijn cadeau van mijn toenmalige levensgezellin. De elpee was verpakt in een fraaie doos, en er zat een mooi, geïllustreerd boek bij, dat ik vaak gefascineerd doorbladerd heb.

THE MAN WHO SHOT LIBERTY VALANCE

the-man-who-shot-liberty-valance-2.png

‘The Man Who Shot Liberty Valance’ is een van de hoogtepunten in het oeuvre van John Ford. De film behandelt de invoering van law and order in het wilde Westen. Je ziet hoe de open range, waar de wet van de sterkste heerst, ingebed wordt in de grote democratische republiek, waar het volk het voor het zeggen heeft en niet uitsluitend machtige, prominente mannen over alles beslissen. Of met andere woorden, hoe dat ruwe land onderdeel wordt van een American Dream die nooit zal worden verwezenlijkt: de Staat waar iedereen gelijk is.

‘The Man Who Shot Liberty Valence’ is evenwel veel meer dan dat. Achter en onder de wetboeken en het prille democratische recht blijft het geweld zijn gang gaan. De rechtsorde is alleen maar mogelijk indien er naamloze revolverhelden bestaan die er niet voor terugschrikken ‘slechte mensen’ zoals Liberty Valence uit te roeien. De ware held van de film is niet Ransom Stoddard (James Stewart) maar Tom Daniphon (John Wayne), de man die Liberty Valance – vanuit een donkere hoek – over Stoddards schouder neerschiet.

‘The Man Who Shot Liberty Valance’ is eveneens een meditatie over legende en waarheid. De meeste mensen geven de voorkeur aan een verhaal, een mythe of een legende, ten koste van wat waar is. Ransom Stoddard wint het respect van het grote publiek door iets wat hij in werkelijkheid niet heeft gedaan. De western legt bloot hoe een legende ontstaat. Ook in onze tijd liggen weinigen wakker van de waarheid, of van versies van de waarheid. Velen verkiezen de verhalen die de media hen elke dag opdringen.

TERUG NAAR DE NATUUR v

roken3.jpg
Martin Pulaski rookt, 1971. Foto: Vivian S.

Het idyllische leven, het ‘terug naar de natuur’, het geloof in de fundamentele goedheid van de mens en de mogelijkheid de wereld beter te maken, wat de basis van de ‘tegencultuur’ was, kent – zoals iedereen die wat geleefd heeft weet – een donkere, en gewelddadige keerzijde. Net zoals Altamont niet de hel op aarde was, was Woodstock niet het paradijs. Het is altijd belangrijk dat je voldoende nuanceert. Toch is de grens tussen liefde en haat, tussen oorlog en vrede, tussen altruïsme en egoïsme, tussen natuur en cultuur, bijna net zo onzichtbaar als ‘echte’ grenzen dat zijn.

De foto’s in ‘Voyeur’ en ‘Terug naar de natuur i, ii, iii en iv’ vond ik een paar dagen geleden terug. We studeerden in die wonderlijke dagen, zo lang geleden, het lijkt wel een andere wereld, fotografie en filosofie en lieten ons sterk beïnvloeden door de utopische films die toen populair waren, het theater van Julian Beck & Judith Malina, de boeken van Norman O. Brown, Theodore Roszak, Alexandra Kollontai, Angela Davis en Henry David Thoreau. We dompelden ons onder in muziek van Incredible String Band, Quicksilver Messenger Service, Moby Grape en the Byrds en Dylans ‘Nashville Skyline’, ‘Selfportrait’ en ‘New Morning’. We sloten onze deuren niet. Ander ‘langharig werkschuw tuig’ was welkom. Maar tegelijk lazen we gefascineerd in Ed Sanders’ boek over Charles Manson, in Truman Capote’s ‘In Cold Blood’, luisterden we naar ‘White Light/White Heat’ en ‘Positively 4th Street’, en kregen we een kick van Clint Eastwood in Don Siegel’s ‘Dirty Harry’ en van Dustin Hoffman en Susan George in Sam Peckinpahs ‘Straw Dogs’.

Deze beelden tonen hoe op een idyllische dag in een pastorale omgeving een gefrustreerde man onze innigheid kwam verstoren. Voor hem zal zijn voyeurisme de normaalste zaak van de wereld geweest zijn, voor ons ging het om brutaal en schokkend gedrag.  Nadat we ontdekt hadden hoe hij ons had staan begluren nam hij rustig zijn fiets bij de hand en verdween in de schaduw van de dennenbomen.