NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:
“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen.

STOCKHOLM ii

P1060660.JPG
Stockholm, juni 2012.

Bij mijn tekst over Stockholm (of liever over een vergeten Stockholm) scheef Bernard het volgende:

“Ik las deze tekst enkele weken geleden, en ik wist niet zo goed wat er mee te doen. Denk ik daarover hetzelfde als jij? Moet men alle vorige steden vergeten om in een stad te kunnen leven? Ik denk dat je gelijk hebt. Hoe meer steden men ziet, hoe meer je merkt dat ze op elkaar lijken. Het komt er dus op neer de ‘illusie van het nieuwe’ te koesteren, een soort van zelfbedrog, opdat men van een nieuwe stad kan genieten. Ik ga hier niet het lijstje herhalen dat je zo mooi weergeeft: gebouwen, trams, bedelaars, kerken, cafés, etc. Elke stad gaat meer en meer op alle vorige lijken. Ik denk ook aan een aforisme van Nietzsche, waarin hij zegt dat de last, de ballast van de eeuwen en eeuwen te groot geworden is om nog echt gefascineerd te zijn door het ‘nieuwe’ Vandaar de nood – dat zeg ik – van zelfillusie, het vergeten van het verleden, de eindeloze reeks van steden die men gezien heeft.”

Bernard, ik weet niet of we er hetzelfde over denken. Ik weet ook niet of alle steden op elkaar gaan lijken. Natuurlijk treffen we overal dezelfde merken, trends en popmuziek aan. Maar er zijn ook altijd verschillen, de mensen zien er een beetje anders uit, hun gebaren verschillen van de ‘onze’, ze spreken andere talen. Wat mij betreft heeft het vergeten met heimwee te maken, en tegelijk met zwerven, je nergens kunnen hechten, je nergens thuisvoelen. Om die reden voel je je al gauw op veel plaatsen thuis. Je hecht je aan al die dingen die ik in mijn tekst opsomde en aan nog veel andere. Als je weer thuiskomt moet je die plaatsen vergeten, zoniet ben je de hele tijd ongelukkig, zit je met dat heimwee naar die andere plaatsen. Alleen al de namen van sommige steden kunnen je ernaar doen hunkeren (wat Proust zo mooi en juist heeft beschreven). Je moet vergeten en jezelf ervan overtuigen dat de plaats waar je woont mooi is, je moet er de positieve kanten van bekijken, de mensen zijn er zo slecht nog niet, de sociale voorzieningen, et cetera, vallen er best mee… Bij mij heeft het daarom heel veel met overleven in mijn eigen stad te maken. Als ik voortdurend opgezadeld zit met beelden van, herinneringen aan New Orleans, Arles, Cadiz, Porto, Berlijn, New York, Essaouira, noem maar op, kan ik hier niet meer leven. Vroeger was ik daar erg radicaal in: ik maakte geen foto’s als ik reisde. De illusie waar jij het over hebt heeft dus met de stad waarin ik leef te maken, en niet zozeer met de schrik dat een volgende stad die ik zal bezoeken er als een vorige uit zal zien.

Mijn korte tekst drukt – niet expliciet – nog iets anders uit: de huivering die het besef dat je al zoveel bent vergeten teweeg brengt. De vergetelheid is dus niet alleen maar een illusie om te koesteren, het is het object van wellicht mijn grootste angst, die samenhangt met een diepe angst voor de dood. Maar daar wil ik het nu liever niet over hebben.

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE ii

Living, Thinking, Looking.jpg

Al een aantal dagen kan ik op mijn weblog niet meer antwoorden op commentaren die bij mijn teksten worden gegeven. Een bizarre situatie: je hebt een blog, je denkt dat die jouw intellectuele eigendom is en dat je ermee kan doen wat je wilt, rekening houdend met een aantal legale en ethische voorwaarden. Mocht hoochiekoochie niet zo populair zijn (dat vermoed ik, afgaande op de teller die hier links in de marge staat) zou ik mijn geluk elders zoeken, maar dat lijkt me nu niet zo’n goed idee.

Voorlopig zal ik mijn replieken en bedenkingen dan maar als ‘nieuwe’ teksten publiek maken, met verwijzing naar de plaatsen waar ze eigenlijk zouden moeten staan. Omslachtig, maar ik vind geen andere oplossing.

Bij “Woorden zijn seks, zei je” schreef ik de volgende bedenking:

“Alles begint met een woord.” Dat niemand daar iets tegenin brengt – op een blog – betekent nog niet dat de bewering waar is. Bij Siri Hustvedt las ik heel specifiek over kleuren het volgende: “We feel colors before we can name them. Colors act upon us pre-reflectively. A part of me feels red before I can name red. My cognitive faculties lag behind the color’s impact. Standing in a room, I look first at the vase of red tulips because they are red and because they are alive.” In: “Living, Thinking, Looking”, 2012.

Overigens verdient de uitgever van Siri Hustvedts essaybundel een prijs voor de look van het boek. Mooie layout, gracieus lettertype, heerlijk papier om aan te raken en aan te ruiken.

WEER IN CADIZ

 

cadiz.jpg
Casa Manteca, Cadiz, februari 2011.

Wat kunnen wij Belgen met zijn allen toch zeuren en klagen. Ja, toegegeven, ik doe dat ook. Maar ik herinner me terwijl ik nog zeur al Cadiz, in de winter en in de zomer, altijd even gracieus, altijd even overweldigend met haar licht en lucht en geuren. In de winter valt er meer regen dan hier, in de zomer is het er warmer.

Vandaag, denk ik, lijken onze wat kleinere steden er een beetje op; zeker de hitte is even zinsverbijsterend als in Cadiz of in Sanlucar de Barrameda. Dank zij deze hittegolf kunnen wij ons van hier naar daar verplaatsen, zonder aan luchtvervuiling te doen. Als je dan ook nog een fles Manzanilla opentrekt, kouder dan de sneeuw in Alaska, en je eet er wat olijven bij en Iberische ham en worst, en verse boquerones, ben je – al is het maar voor een uur of zo – in de buurt van een paradijs: Casa Manteca in de Barrio de la Viña. Daarom: leve deze verzengende hitte!

VOICEMAIL, PHIL SPECTOR SOUND

the_ronettes_.jpg

Door de warmte in deze kamer herinner ik me zo opeens dat P. de voicemail van zijn mobiele telefoon niet kon instellen. Het was laat op een zaterdagavond in de zomer, zeker tien jaar geleden; we waren allemaal dronken en sommigen onder ons ook flink stoned. Geef maar, ik zal het wel doen, zei ik. Een paar dagen later belde ik P. op. Ik hoorde mijn eigen gekke, dronken, euforische stem: dit is het antwoordapparaat van P., hoorde ik, spreek uw boodschap maar in na de bieptoon. Op de achtergrond wat Phil Spector sound, the Ronettes denk ik. Na een tijd stopte ik met bellen.

Jaren later: als ik nu bel hoor ik de stem van een Belgacom-persoon. Wat zou ik graag opnieuw mijn eigen gebral horen! Wat zou ik soms ook graag terugkeren naar die verrukkelijke dagen.

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE

De hemel was niet staalblauw.
De hemel was blauw.
Je lippen waren niet scharlaken
Je lippen waren rood.
Het zilver schitterde niet.
Het zilver was zilver.
De dagen waren niet lang.
De dagen waren niet kort.
De dagen waren dagen.
Niets leek op een bloem.
Alleen bloemen leken op bloemen.
Er was geen naderend onheil.
Er was alleen onheil.

Je had niets om het lijf.
Je riep begeerte op.
Lust rijmde niet op rust.
Lust was in een andere taal.
Versta je?

Niemand verbaasde zich ergens over.
Alles was zoals het was.
Geen gedoe.
Geen drukte.
Omdat er woorden waren.

Je zei, dit is een woord.
Het begint met een woord, zei je.
Begin jij niet met een woord, zei je.
Begin met een woord, zei je.
Woorden zijn seks, zei je.
Ogen is een woord, zei je.
Zilver is goud, zei je.
Nergens is nergens, zei je.
Je bent overal, zei je.