REFLECTIES iii

Wie van jullie een vrouw in een blauwe jurk voorbijloopt
Die nooit lang blijft en daarin op wolken en rendieren gelijkt
Die snel weer vertrekt, niet omkijkt, zoals in de mythe,
Het oude lied, waarin niemand terugkeert naar zijn bron
Die gelukkig is in vergeten en zich herinnert wat de regen
Fluisterde; de wind in de haartjes op haar geschaafde knie.

Zeg me wat jullie in haar ogen zagen en wat ze jullie zei.
Had ze pleisters op haar tenen, op andere tere plekken
Van haar lichaam en haar geest, met elkaar verstrengeld
als leven en dood, afgrond en grond, rode wijn en brood?
Was ze gewond als de sperwer die ik verzorgen moest –
Toen ik een jongen was – opdat hij weer vliegen kon?

Zag je hem aarzelen voor hij terugvloog naar zijn bron?

(Züla Kök & Bar, Stockholm)

BLUES (ZONSONDERGANG)

Voor Brecht De Meulenaere

De zon kwam op en nu gaat ze weer onder, zei ze.
Zo ver en zo nabij, zei hij.
En wat heb jij ondertussen gedaan, zei ze.
Ik heb een paar huizen gebouwd, zei hij.
Huizen, zei ze, en je handen dan?
Huizen van woorden, zei hij.
Je hebt niet stilgezeten, dat zie ik, zei ze.
Toch wel, zei hij, ik heb ook wijn gedronken.
Je ziet er nochtans niet dronken uit, zei ze.
Het was met een vriend, zei hij.
Daar aan de vijvers van Elsene zeker, zei ze.
Ja, zei hij, daar.
Je weet wel, zei hij, waar meisjes voorbijlopen met zilver en goud.
En je vriend dan, zei ze.
Met hem heb ik gepraat en geweend, zei hij.
Wilde hij weer naar Noorwegen terug, zei ze.
Ja, zei hij, naar de meren en de bergen daar en de stilte.
Dat dacht ik al, zei ze.
Je zou het eens moeten weten, zei hij.
Hoezo, zei ze.
Er kwamen zangers voorbij, gitaristen, zo droef, zei hij.
En toen kon je niet meer spreken, zei ze.
We werden overstemd door hun blijdschap, zei hij.

ROUW EN HUWELIJK

Voor Richard Hawley

duanemichals01Thisphotograph ismyproof1974.jpg

Duane Michals – This Photograph Is My Proof, 1974

Wat zeg je over de geur van onze lelies, zei ze.
Een code van berouw, zei hij
Jij warhoofd vol kronkels, zei ze.
Het is maar een lied, zei hij.
Dat hoor ik, zei ze, maar een droef lied.
De stem van de wereld, zei hij.
Ondergangsstemming, dat is wat het is, zei ze.
Als nu de zon nog zou schijnen, zei hij.
Ja, zei ze, lang genoeg rouwkleren gedragen.
Rouw is altijd wel stijlvol, zei hij.
Rouw en huwelijk, zei ze.

PARKIETEN

Op het terras at ik een lekker haantje
zoals ik toen ik jong was zo vaak
met mijn ouders deed – onbewust
van wat ik in hun ogen zou vergeten.
Ik dacht aan mijn vader en moeder,
lang dood nu, keek naar de hemel op zoek
naar een engel of iets engelachtigs.

Wat een lawaai toch maken die parkieten, zei je.
Waar, vroeg ik, waar zijn die parkieten?
Daar, zei ze, in de bomen, zie je ze dan niet?
Ik zie geen groen in al dat groen, zei ik,
Ik geloof dat ik weer blind word.
Daarop zag ik een parkiet wegvliegen
van de ene boom naar de andere

en daarna een tweede parkiet –
en dacht aan de dood. Hoorde een lied,
‘how was I to know you cared’?
vol oude gloed en diep verdriet.

PRIMROSE HILL

williamblake.jpg
William Blake

Op Primrose Hill zag William Blake een spirituele zon*. Wat is een spirituele zon? Alleen dichters zoals William Blake zelf, zoals Gérard de Nerval, Gerard Manley Hopkins en Lautréamont kunnen daar op antwoorden. Wat zeker is: een spirituele zon kan je verblinden maar kan je ook vanwege haar zwarte stralen in een diepe afgrond storten. Van William Blake is geweten dat hij zowel met engelen als met duivels converseerde. Dat deed hij thuis als hij even niet zat te schrijven, of als hij in zijn blootje in zijn tuin wat zat te dromen. Maar hij deed het op nog andere plaatsen in Londen – zoals op Primrose Hill.

Op 25 mei wandelde ik op mijn beurt naar Primrose Hill. Het was precies een jaar geleden dat ik in de spoedafdeling van het UZ Brussel was opgenomen en in allerijl werd geopereerd, waarna ik in een coma was terechtgekomen die veertien dagen heeft geduurd. Drie keer heeft de dood mij in die dagen in de ogen gekeken.

Op Bob Dylans eenenzeventigste verjaardag slenterde ik over Highgate Cemtery, vooral om er het graf van Karl Marx te bezoeken. Het leek of de man in het hokje waar de kaartjes (drie pond kosten die) werden verkocht op me had zitten wachten. Hoewel hij van Londen afkomstig was sprak hij perfect Nederlands. De meeste Vlamingen zouden het hem niet nadoen (ik heb sommige van hen in Paddington en elders bezig gehoord, ze lijken hun woorden uit te spuwen, zo’n minachting hebben ze voor onze mooie taal). “Geniet nog van de zonnige dag hier op ons mooie kerkhof”, zei de kaartjesverkoper.

’s Nachts had ik gedroomd dat er schorpioenen uit de parketvloer van ons appartement kwamen gekropen. Kleine, grote, reusachtige schorpioenen. Een beet van zo’n beest en je was dood. Degenen die ik het verhaal vertelde geloofden me niet. Of minimaliseerden het. Je hebt toch al heel lang schorpioenen bij ons, zeiden ze, zelfs in Limburg komen ze voor.

In de metro op weg naar Highgate Cemetery zag ik een gifgroen insect over de grijze vloer op me afkomen. Toen ik in Willesden Junction uitstapte zat het akelige beestje al ter hoogte van mijn knie op mijn jeans.

In de Whitechapel Art Gallery kocht ik een Engelse vertaling van ‘Panégyrique’, de merkwaardige autobiografie van Guy Debord.  De radicale denker weet dat zijn Frans zo klassiek, dus helder en duidelijk, is dat het perfect in andere talen vertaald kan worden. Al helemaal in het begin verwijst hij naar Li Po, de Chinese dichter die leefde en werkte tijdens de Tang-dynastie: “’Deceitful time hides its traces from us, but it goes swiftly by,’ writes the poet Li Po, who adds: ‘Perhaps you still retain youth’s light heart / but your hair is already white; and what use is complaining?’” En Debord voegt eraan toe: “I don’t intend to complain about anything, and certainly not about the way I have been able to live.”

Alles is vergankelijk. Die vergankelijkheid zit vol contradicties. Op Primrose Hill zat ik op een bank even uit te rusten (ik had de avond tevoren nogal veel bier gedronken in pubs). Een meisje kwam op me af en vroeg me uiterst beleefd of ze naast me mocht komen zitten op de brede bank. Iets dergelijks heb ik nooit meegemaakt. Als ik hier in Brussel op een bank zit, moet ik bijna naar de wapens grijpen om niet van mijn plaats te worden weggejaagd. Niet dat ik wapens bezit, maar ik denk er wel aan om me toch een keer naar de zwarte markt te begeven, waar ik me dan zo’n mooie Smith & Wesson zal aanschaffen. Want genoeg is genoeg, denk ik soms. Wat denk jij?
Wat later bovenop de heuvel, vanwaar je heel Londen kunt zien, joeg een arbeider met norse stem mij weg van de plek waar ik stond, net voor de inscriptie ‘William Blake’. Van die inscriptie wilde ik gewoonweg een foto maken. De arbeider was woest: ik had zo’n plastic rood en wit lint niet gezien en stond nu op verboden terrein, er lagen wat kiezelsteentjes die nog moesten bijeengeveegd worden. Ik verontschuldigde me, hij bleef me aankijken met bijna moordlustige blik.

Weer naar beneden wandelend, richting Chalk Fam, begreep ik wat William Blake bedoelde toen hij schreef dat hij zowel met engelen als duivels converseerde. Daar had ik Primrose Hill voor nodig, en de felle spirituele zon van 25 mei 2012.

*”Here Blake had the vision which he recounted to Crabb Robinson: “‘You never saw the spiritual Sun. I have. I saw him on Primrose Hill.’ He said, ‘Do you take me for the Greek Apollo?’ ‘No!’ I said. ‘That (pointing to the sky), that is the Greek Apollo. He is Satan.”” S. Foster Damon, A Blake Dictionary, Thames and Hudson, London, 1965.