STOPPEN MET ROKEN

Humphrey_Bogart_.jpg

In 1976, toen ik in Sint-Joost woonde, de dichtstbevolkte gemeente van België, de beruchte Guy Cudell was er toen burgemeester, ben ik na een weddenschap met mijn toenmalige vrienden Gust Decoster, wijnkenner, en Pierre Dedecker, geestdriftige popmuziekliefhebber, gestopt met roken. Er was geen prijs aan verbonden, het was mij alleen maar om de wilskracht te doen. Stoppen met roken is helemaal niet moeilijk, zo bleek. Op zondag rookte ik nog twee pakjes Winston, op maandag niets meer. De eropovolgende maanden geen ontwenningsverschijnselen, geen zin in zoetigheden, geen gewichtstoename. Ik heb me nooit zo goed gevoeld als in de periode die volgde op het stoppen met roken, een jaar of twee. Het enige waar ik nog zin in had was in boeken van Thomas Mann, Nietzsche, Knut Hamsun, undergroundfilms en westerns, en dag-en-nacht seks.

Een paar dagen geleden heb ik een lijst gemaakt van alle sigarettenmerken die ik ooit heb gerookt (wat ik me daar nog van kon herinneren). Ik ben er vroeg mee begonnen, in 1965 of daaromtrent, omstreeks mijn vijftiende, om mijn zes jaar oudere broer na te bootsen en stoer te doen. Mijn broer rookte Peter Stuyvesant. Dus daar ben ik mee begonnen.

Peter Stuyvesant (imitatie broer).
Zemir (imitatie broer).
Sprint (ik fietste toen veel, en dacht dat ik Bahamontes was).
Players Navy Cut (mijn broer beweerde dat dit de sigaretten voor de zeeman waren, en dat waren ze ook: na een trek werd je er zeeziek van).
Kent (wellicht had ik een vriendinnetje, ook vanwege de witte filter).
Laurens met filter (verpakking, denk ik).
Laurens zonder filter (moest ik eens proberen, zei mijn broer).
Pall Mall (mijn ouders waren schippers, sigaret voor de visser).
Belga (ik begon meer te roken, 25 sigaretten).
Bastos (ik begon nog meer te roken, 25 sigaretten).
Groene Michel (dat zal je nooit lukken, zei een vriendje, 25 sigaretten).
Johnson zonder filter (om die vorige te overbluffen, 25 sigaretten).
Gauloises (vond ik niet lekker, dus maar heel kort).
Caballero (ik kwam veel in Maastricht).
Camel (vanwege de dromedaris, en smaakte goed in een joint).
Marlboro (Grace Slick rookte die ook, en de eerste lettergreep was die van marihuana).
Lucky Strike (ik had wat Pop Art gezien en Lou Reed rookte dat merk).
Gitanes (ik zag veel Franse films, las Sartre en Camus).
Tigra (helemaal op het einde, als ik zonder zat – van mijn vriendin – het model op het pakje heeft zelfmoord gepleegd).
Nazionale (op reis door Italië).
Winston (rookte ik toen ik filosofie studeerde en tot het zoete einde in 1976).

Na 1976 ben ik passief gaan roken, eerst in cafés, bars en clubs, daarna voor mijn werk in kantoren, op ministeries (20 jaar), tijdens urenlange vergaderingen, in wachtkamers van artsen, notarissen en bankiers, in koude stations, in de lobby’s van louche hotels, bij slechte vrienden thuis, of gewoon thuis als slechte, rokende vrienden op bezoek kwamen, bij politici, gangsters en hoeren, in ziekenhuizen, politiecommissariaten, de post, de bank, in winkels en warenhuizen, in bushokjes, in de metro, op de trein. Passief roken werd vanaf midden de jaren zeventig de trend. Mocht ik ooit sterven, dan ongetwijfeld van passief roken.


VADER EN ZOON

vader.jpg
Vader.

In de meeslepende roman ‘Solar’ (2010) van Ian McEwan, een schrijver die ik sinds zijn debuut trouw ben blijven lezen, en die mij nooit teleurgesteld heeft, las ik het volgende:

“He used a poem to get a girl, and she was gone, two years dead from cancer of the liver, in fact. He was thinking how he never took Maisie to meet his father, and never invited the old man to stay at the handsome rectory in Sussex, just left him to his sorrow while the new age dawned and the arrogant, shameless, spoiled generation turned its backs on the fathers who fought the war, dismissing them for their short hair and tidy ways and indifference to rock and roll.”

Als je hoochiekoochie al een tijdje leest, besef je meteen dat ik tot die arrogante, schaamteloze, verwende generatie behoor die Ian McEwan zo genadeloos beschrijft. Wellicht begrijp je dan ook hoe schuldig ik me voelde toen ik dit las. Hoewel het uiteraard geen hele generatie was die zich tegen de vaders keerde – McEwan overdrijft voor het effect – hoorde ik zeker wel tot het rebellerende segment van die leeftijdsgroep, waarvan het motto was ‘ I hope I die before I get old’. Ja, ook ik keerde mijn vader de rug toe omdat hij niets begreep van de nieuwe tijd, van de ingrijpende veranderingen die zich aankondigden, omdat hij voortdurend opmerkingen maakte over mijn lange haren, “wat zullen de mensen daar wel niet van denken”, ook ik trad net als het hoofdpersonage van ‘Solar’, als een daad van protest op heel jonge leeftijd in het huwelijk. Ook ik nodigde vader, moeder, broer, schoonzus zo goed als nooit uit in onze alternatief ingerichte woning, waar wij ons ‘ander leven’ leidden, op de grond gezeten luisterend naar Moby Grape, the Byrds, the Velvet Underground, Sly & the Family Stone, joints rokend, ons verdiepend in macrobiotiek en theorieën over anti-autoritaire opvoeding en het einde van het gezin. Ook mijn vader was soldaat geweest in de oorlog, krijgsgevangene, verzetsstrijder.

Veel later, twee jaar voor zijn dood, heb ik me met hem kunnen verzoenen. Tot na de dood van mijn moeder, negen jaar later, heb ik moeten wachten om zijn decoraties en zijn met een klein Belgisch vlagje opgesmukte beret, die hij droeg als hij met zijn vrienden andere oudstrijders ten grave droeg, mee naar huis te kunnen nemen. Late verzoening, late respectbetuiging, en een gevoel van schuld waar ik me nauwelijks bewust van was tot ik het hierboven aangehaalde fragment las. Dat Ian McEwan zelf tot die generatie hoort biedt weinig soelaas.  Maar het fragment – met zijn resonantie – toont wel aan wat een meesterlijke, diepgravende auteur hij is.

ian-mcewan.jpg

Ian McEwan.

 

THE DAYS THAT REMAIN AIN’T WORTH A DIME: VOOR LEVON HELM

the band
Foto: Martin Pulaski, november 2005, in de reeks ‘Illustrated Classics’.

Er zijn weinig muzikanten en zangers die ik meer bewonder dan Levon Helm. Dat is begonnen in 1968 – op mijn achttiende – bij het verschijnen van ‘Music From Big Pink’, de eerste, baanbrekende langspeelplaat van The Band, en dat zal zo blijven tot mijn eigen tijd gekomen is. Alles wijst erop dat Levon aan zijn laatste dagen is begonnen. Hoewel de man een mooi, zinvol en rijkgevuld leven heeft gehad, maakt dit nieuws me droef. Er zijn zo van die mensen van wie je heel moeilijk kunt aanvaarden dat ze sterfelijk zijn. Maar kunnen we anders? Degenen die dit lezen en het werk van Levon Helm of van The Band niet goed kennen raad ik aan alles te beluisteren wat deze unieke groep ooit opnam, te beginnen bij Ronnie Hawkins & The Hawks, via Levon & the Hawks, Bob Dylan & the Band (live en in de studio), tot met The Band zelf – met als hoogtepunt de tweede elpee, op de foto hierboven afgebeeld – evenals het solowerk van Levon Helm. Wil je meer weten over Levon Helm en de andere muzikanten van The Band? Lees dan vooral ‘This Wheel’s On Fire – Levon Helm And The Story Of The Band’ van Levon Helm en Stephen Davis, ‘Across The Great Divide – The Band And America’ van Barney Hoskyns en ‘Mystery Train – Images Of American Rock ‘N’ Roll Music’ van Greil Marcus.

OBSESSIE

Waar de tijd wreed van aard is, ophoudt met vergaan,
daar beginnen wij met een ander, een beter bestaan –
waar de vis vliegt met onze vleugels, onze ogen donker
van blauw en bruin, zonder grenzen, zonder maten.

De lijnrechter slaapt en droomt: is het werkelijk zo daar
waar je gaat zonder sporen, zonder een breuk in je buik
of een rimpel boven je raadsels, je betoverd heel-en-al:
de quizmaster glundert, een orkest speelt het ultieme bal.

Niemand gelooft nog je zalvende woorden en daden,
lelies van ver meegebracht, waardeloos als water
zonder woestijn. Want, zegt men, je hebt gesleuteld
aan je bergkristal, in een diep dal roert zich je obsessie.

Waarom ben je zo lief, lieveling, in deze andere tijd?
Waarom hou je van me? Bevrijd je me van deze pijn?
Wie ben je, wat ben je, ‘n sater, ‘n kater, ik ken je niet.
Heb je nodig, niet nodig. Maak me dor, nee lieveling:

Maak me vrucht, maak me water, drink mijn lichaam

ARCHEOLOGIE VAN DE ONWETENDHEID

Memling mystiek huwlijk (2).jpg

Hans Memling, Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina

O wat duurt dit levenslied lang als ik op je wacht. Lang als het leven van de gevreesde en geliefde vader. Die van mij twintig jaar dood, die van jou levend als de zomerregen. Vertelde ik al hoe hij  in zijn zwarte Consul de smalle wegen bereed nog lang voor de verlichting? Met een dunne sigaret tussen z’n dunne lippen. Een man van die mensheid nog die ondanks loopgraven en vliegende bommen, die ondanks prevelen en knielen voor valse goden niet moe was. Ook niet van blootshoofds op het veld in hete zon te ploegen (sommige mannen en vrouwen met een strooien hoed op, dat wel). Of hoe ze na elke vervelende eredienst biljartten en kaartten, hun bier geel als graan, het schuim zacht als de huid van hun vrouwen?

Was het een wonder dat vrouwen zo zongen en lachten? Ik vergelijk dat maar niet met iets wat van voorbijgaande aard is. Het zou vals klinken, of buitensporig. Zo’n gezang past in geen register. Zoek er maar naar in het Latijn of het slang van San Diego:  er blijft geen spoor van over, niets daar dan overbelichte ruïnes van badhuizen, Korintische zuilen, mean streets, gehuil, moordlust in de ogen, schel hondengeblaf, uitputting. Niets dan prikkeldraad, do not cross, woede, afgunst, woeker en de illusies die weelde levert.

In Brussel stap ik op de trein naar Brugge, maar kom in Tienen aan. Waar mijn vriend J. verbleef voor hij zich aan eeuwig zwijgen overgaf. Onderweg ontmoet ik de man die zijn haar kort liet knippen. Onvermijdelijk op een trein der traagheid die zich van richting vergist. Suikerstad in plaats van die van de mistige dood, van de zingende Memlinc-meisjes. De man die mijn kaartje knipt heeft een vetvlek op zijn kraag. Als hij zich omdraait zie ik een zeepspoor achter zijn oor. Wordt hij daarom doodgeschoten? Nee, dat nog niet, dat nog niet.

O wat duurt dit levenslied kort als je van me weggaat. En kort wat wij tussen begin en einde doen: trappen op en af gaan, ons vasthouden aan zilveren balustrades en dansen op India Song van Marguérite Duras, in zwijgen  erop los dromen, ons elkaars vaderland en moederland herinneren. (Dezelfde regen die op Strawberry Fields viel valt nu op de mijnen van destijds, in de omgeving de mijnwerkers onrustig in hun exotische graven, onmogelijk dat ze denken aan hun vaderland van stof en as, fijn stof dat ik nu inadem, of zijn het vaderdeeltjes die jij zo diep inademt tot je dauwachtige druppels bloed ophoest?) Een neonlicht bar binnenstappen waar de pianist achterover is gevallen van teveel gin-tonic of een beroerte, weten we veel. Het koper klinkt alsof het achterstevoren wordt afgespeeld, wat niet ongewoon was toen ik mij nog tegen de heerschappij van mijn vader verzette: mijn ziel was van koper. Ik weet niet van wat jouw ziel was, nu is ze een merel. Die van mij is een zalm die de Hudson opzwemt richting Central Park, waar engelen nog steeds Give Peace A Chance zingen en Power To The People. In Penn Station – helemaal uit woorden opgetrokken – nemen onze troebele ogen en tintelende handen afscheid, na die zo korte dag.

Gedaan met de lange en de korte duur, met de uren en de dagen, de jaren. Opnieuw in mezelf op zoek naar de verloren tijd gaan. Was dat toen John Sebastian dat lied zong, Oh Darling Be Home Soon? Het lied dat hij maar zingen blijft, en jij die maar niet naar huis komt. En wat te denken van deze tijd van misnoegdheid, wat van deze dagen van dode zalm en stille merel, aan de bomen de bladeren met tegenzin groen?

 

OORLOG EN VREDE

Voor Habakuk II De Balker, lijdend aan manisch-depressiviteit (wordt beweerd).

O wat duurt dit lied lang zo lang als als als
vroeger langs de smalle wegen nog niet verlicht
en de mensheid ondanks loopgraven vliegende bommen
en valse goden niet moe blootshoofds in de hete zon
was het een wonder wat ze zongen en hoe ze lachten
na elke vervelende dienst en biljarten en bier geel
als het graan en de zon zo is niets waar het op lijkt
ook al vergelijk je nog zoveel en gebruik je oude registers
en nieuwe van latijn naar amerika van argot naar slang
en terug naar brussel en brugge en tienen met de trein
en de man die zijn haar kort liet kappen
om je kaartje te knippen wordt zelfs niet doodgeschoten
vanwege een vlek op zijn kraag of wat zeep achter zijn oren.

O wat duurt dit lied kort dit afscheid dit algebraïsch op
en af gaan van trappen zich vasthouden aan balustrades
er lustig op los dromend alsof ze een mijn zijn de dromen
een mijn zonder mijnwerkers onuitputtelijk als het graf
ga je dan op de loop voor die stilte als het opeens stopt
de pianist ligt al achterover de toetsen gebarsten
en wat betekent dat beetje koper achterstevoren
als een zalm in de hudson of waar zalmen loodzwaar worden
van al dat gevis ja de jongen heeft te veel gezongen hoor mama
ja de jongen heeft weer in zijn bed gepist mama
kom maar kom met propere lakens die zo lekker rieken
want gedaan is het liedje nu geen pijn meer te horen.

(Niet afgewerkt…)