JE HUID IS MIJN HEROÏNE, JE BLOED MIJN WATER

Je huid is mijn heroïne, je bloed mijn water
Tot ik uit je armen losbreek, week als een welp.
Nee, geen sprake van: er is geen uitweg
Uit je ogenblik, me zien is me verlammen.
Je blik is een vorm van verfijnde anesthesie,
een grote ontsnapping staat alleen de tijd toe,
onafwendbare dief, voor wie iedereen huivert.

In jouw omgeving druppelen de dagen
in diepe kommen van wit porselein.

Ik zat naast je. Iedereen hield je borsten
in het oog. Alleen ik niet, ik was van jou.
Jij was de appel die ik at, en het brood
En je was de zachte, bloedrode wijn.
Er trad voorlopig geen ontwenning op.
Ik dacht aan je, aan wie je morgen
Zijn zou, zonder mij, en ik zonder jij.

In jouw omgeving druppelen de dagen
in diepe kommen van wit porselein.

Ik was gelukkig in je schaduw en treurde
En zag niets, hoorde niets, verbrijzelde
Elke seconde. We konden lachen als dwazen,
Niemand die zag wat ons zo bezielde:
Dat ik naast je zat in je zegewagen
Naar Amerika op weg, Alaska, het Zuiden.
Naar andere oorden, waar citroenen bloeien.

In jouw omgeving druppelen de dagen
in diepe kommen van wit porselein.

Degenen die ons toch even bekeken
Dachten vast: onmogelijke geliefden,
Heloïse en Abélard, Tristan en Isolde,
Bonnie en Clyde. Wij echter wisten beter.
Geen pijl kon ons treffen, of toch wel:
Die van amor, met zijn zoet en droef gif.
Amors pijl, met zijn zoet en droef gif.

In jouw omgeving vang ik de dagen op
in diepe kommen van wit porselein.

NOSTALGIE EN ANDERE KAMERTJESZONDEN

brooklyn bridge.jpg
Inge, Matti, Sonja – Brooklyn Bridge, New York, 1995.

“Tout le malheur des hommes vient d’une seule chose, qui est de ne pouvoir demeurer en repos dans une chambre”, schreef Blaise Pascal ergens in de zeventiende eeuw. Velen hebben deze uitspraak herhaald, met name nachtwachters (ken je het boek Die Nachtwachen des Bonaventura, een romantisch meetsterwerk?), zatlappen en niet bepaald nuchter en democratisch verkozen donkere burgemeesters. Meestal in periodes van bezinning, als ze aanvoelden dat het zo niet verder kon, dat ze zichzelf vernietigden en de donkere, eenzame weg naar de dood hadden ingeslagen.

 Als je de uitspraak van Pascal in verband brengt met oorlog en mindere brutaliteiten is ze volstrekt juist. Maar hoe zit het met vriendschap, liefde, kennismaking, gesprekken, flaneren, music to watch girls go by (ik denk aan de versie van the Bob Crewe Organisation) en honderden andere fenomenen?

Ik zit nu al een hele tijd meestal alleen in mijn kamer mijn kamer te vervloeken. Niet zozeer omdat ik verlang naar wilde nachten of uitzicht op de Grand Canyon of een rit op de rug van een dromedaris, ergens in een of andere woestijn. Niet dat ik over San Marco wil lopen of mij naar het Koning Boudewijnstadion wil begeven. Niet dat ik me voortdurend eenzaam of ongelukkig voel in mijn mooie, rustige kamer. Niet dat ik nergens zin in heb in mijn kamer.  Zo heb ik vorige zondag opnieuw Bob Dylans ‘The Lonesome Death Of Hattie Carroll’ ontdekt, en opnieuw ontdekt… om maar iets te noemen. Of ik stop een excentrieke western van Monte Hellman in de dvd-speler.

Maar sinds ik niet meer ga werken mis ik de ontmoetingen. Mijn werk mis ik niet, niet omdat het zo’n ellende was, maar het was tenslotte werk. Als je werkt heb je er niets aan dat je leeft, schreef André Breton, terwijl hij voortdurend werkte. Maar je weet het: je hebt werken en werken. Mijn honderden collega’s mis ik evenmin. Degenen die nog leven en met wie ik goed kon opschieten kan ik ontmoeten waar en wanneer zij maar willen (en wanneer ik kan en wil).  Tot 2003 ongeveer was een voor wat mij betreft belangrijk onderdeel van mijn job delegaties van jongeren voor studiebezoeken aan het buitenland begeleiden. In de periode van 1993 – het jaar waarop mijn vader overleed-  tot 2003 heb ik op die manier tientallen jonge en minder jonge maar meestal boeiende mensen leren kennen, uit België in de eerste plaats (want we waren als ‘Vlaamse’ delegatie altijd ongeveer een week samen) en uit andere Europese landen in de tweede plaats, met name Spanje, Duitsland, Finland, Luxemburg en Italië. Die periode in mijn leven is nu helemaal voorbij.

 geert en ilse.jpg
Geert, Ilse, Cadiz.

Over veel ontmoetingen kan ik verhalen schrijven, geen fictie, maar autobiografie (en in sommige gevallen biografie). Wat mis ik sommige van die mensen! Zal ik ze noemen en iets over hen vertellen? De twee Elvissen, Marlene Dietrich, Monica Vitti, Monica Bellucci, Del Shannon, Boy George, Karen Dalton, Chiara Mastroianni, Renée Zellweger, Sweet Marie en Sad Eyed Lady Of The Lowlands?

Nee, natuurlijk niet. Morgen verzin ik een verhaal of rakel ik herinneringen op. Of overmorgen – alleszins als de rook om mijn hoofd is verdwenen. Ik herinner me zoveel mooie mensen, Belgen en buitenlanders, allemaal hetzelfde, allemaal anders, zoals de slogan luidde die op onze pins stond vermeld. In het Fins, Spaans, Italiaans, maar nooit in het Belgisch. Sommigen van hen zijn vrienden gebleven, of kennissen. Vreemd genoeg zijn degenen die vrienden bleven overwegend vrouwen, en degenen die naar achtergrond werden verbannen mannen. Verbannen? Ik weet niet hoe het mannelijk brein werkt, en bijgevolg ook niet het vrouwelijk equivalent. Ik heb in een boekwinkel al eens een keer een boek zien liggen met de titel ‘Mannen komen van Venus, vrouwen uit de winkel’ of iets dergelijks. Onzin natuurlijk. Je moet al een behoorlijke portie jenever naar binnen hebben om zoiets te kunnen verzinnen. Ik geloof nu, als mijn geheugen mij niet te zeer in de steek laat, dat onze delegaties meestal grotendeels uit meisjes / vrouwen bestonden. Vlaamse jongens waren niet zo geïnteresseerd in buitenlanden en andere culturen, denk ik. Is het niet nog altijd zo? Maar je mag nooit veralgemenen, of veralgemeniseren zoals ze in Holland zo vreemd zeggen, en je moet altijd nuanceren. Jongens zijn heel vaak meisjes en vice versa. Dat wist Ray Davies al toen hij ‘Lola’ componeerde, en voor hem talloze Griekse en Romeinse dichters.

Morgen dus. Verwacht je niet aan verrassingen. De doorsnee lezer van deze teksten bestaat niet en voor degenen die mij oppervlakkig kennen verander ik alle namen, zoals schrijvers dat moeten doen, willen ze geen problemen krijgen. Ik las vandaag nog een artikel over een jongen die omdat hij zo in de put zat over het feit dat zijn liefje hem had gedumpt naaktfoto’s van haar had gepubliceerd op facebook. Nu zit hij voor zes maanden in de gevangenis, geloof ik. Niet doen jongens, meisjes. Laten we lief blijven voor elkaar. En liefde, vriendschap, kennismaking is nog iets heel anders dan zeggen, nice to meet you, facebook. Maar daar zal ik het morgen over hebben. Als ik vanavond niet te zat word. Het is tenslotte bijna Sinterklaas. 

 vitti_red_desert.jpg
Monica Vitti, Deserto Rosso, Michelangelo Antonioni

ingrid in finland 2.jpg
Ingrid, ergens in Finland, s.d.

Op de achtergrond: Blonde On Blonde van Bob Dylan, een absoluut meesterwerk uit de 20ste eeuw, nergens mee vergelijkbaar. Als je de LP niet kent, begin dan met ‘Sad Eyed Lady Of The Lowlands’.

 

GERUCHTEN: NEIL YOUNG, HOESTEN, VERLANGENS, HISTOIRES

le noise

Achter me liggen enkele van mijn uitverkoren boeken: het verzameld werk van Paul Celan, de romans van Cesare Pavese (“Jouw land”), “Al keert het grote zingen niet terug” van Yeats, vertaald door J. Eijkelboom, een mooie naam voor een vertaler, “De dood zal komen en jouw ogen hebben” (gedichten van Cesare Pavese, waarin opgenomen ‘Lavorare Stanca’ wat zoveel betekent als ‘Werken is vermoeiend’), Abelélard’s “Briefwisseling met Héloise”, Dante’s “Het nieuwe leven”, de bekendste stukken van Euripides (in het Nederlands vertaald, ik ben niet echt een geletterd man) en een heel oude uitgave van Herman Gorters “Mei”. De rest staat min of meer alfabetisch boven in mijn grote kamer, waar ik nog zelden kom.  Alleen nog maar om er een boek op de grond te leggen als ik denk dat ik het heb uitgelezen. Of als ik er genoeg van heb.

Terwijl ik dit schrijf hoor ik de schroeiende gitaar van Neil Young in ‘Sign Of Love’ uit ”Le Noise”. Wat voel ik, want een mens voelt, heeft emoties, wat denk ik, wie ben ik, hoe ben ik? Die schroeiende gitaar is net als bij Neil Young zelf voor mij een uitdrukking van mijn liefde voor jou. Feedback versterkt en verlengt die liefde. Eens de stilte intreedt is er geen liefde meer, is er niets meer. Maar ik ben er gerust in, Neil Young houdt niet op. En hij vergeet niet. In “Le Noise” komt alles wat hij ooit heeft gezongen, verwrongen, vernietigd, gecreëerd, liefgehad, terug. En ook iedereen die hij op zijn weg ontmoette, al was het maar een moment, kom je als luisteraar weer tegen. In elke song zit wel ergens een ‘Cinnamon Girl’ verborgen, niet eens verborgen, gewoonweg aanwezig. Neil Young heeft er zijn tijd voor genomen, zijn avonturen begonnen tenslotte al omstreeks 1965 in de donkere steegjes van Toronto, doodlopende straten waar Rick Danko en Richard Manuel in dezelfde periode liepen te kotsen van de bootleg whisky en al kotsend verlangden naar fatale vrouwen. ‘Love and war’, zingt Neil Young, nu rustig geworden, maar met alle onrust nog aanwezig. Je ziet het in zijn blik in de begeleidende films.

Maar ik dwaal af. Ik dacht na over mijn kamer. Ik dacht na over de onrust in mij. Waarom ben ik hier niet tevreden? Waarom wil ik altijd ergens anders zijn dan in deze symbolische baarmoeder? Voor mij staan duizenden vinylplaten, vraag me niet wat er allemaal in die collectie zit. Tien elpees van Al Green, vijftig of zo van Bob Dylan, the Rolling Stones tot ‘Tattoo You’, Joe Simon, ‘Two Steps From the Blues’ van Bobby Blue Bland, en tientallen klassieke langspeelplaten die ik ooit voor enkele forinten in Boedapest kocht. Mijn beste countryplaten komen van bij Louiske in de Hoogstraat in Antwerpen, 80 frank het stuk. Zo heb ik geheel toevallig Townes Van Zandt ontdekt, nog nagenietend van amfetamine en tequila, en van het dansen op punk rock en reggae in de Cinderella. Opeens was er ‘Loretta’,  en ‘No Place To Fall’.

Nu hoor ik Neil Young over diezelfde amfetamine zingen, waarschijnlijk van een betere kwaliteit. “I still couldn’t close my eyes… Then came paranoia…”

En opeens had ik een bankrekening. Een kaart waarmee ik mijn wijn kon betalen en andere dingen. En ik was dood voor de wereld. Ik werkte voor het geld, voor het brood. Ik heb het altijd opvallend gevonden dat ‘bread’ in het Engels gelijkstaat aan ‘geld’. Omdat het zo is. En opeens was er geheugenverlies. Mijn familieleden gingen dood. Ik vergat dat ik vrienden had. Soms nam ik een trein of zat in een vliegtuig naar hier of daar. De zon op mijn rug. Het zand. Bergen, de Atlantische Oceaan. In Amerika was ik heel even gelukkig. Ik bevond me in de studio waar Elvis ‘Blue Moon Of Kentucky’ had opgenomen, en waar Howlin’ Wolf en Ike Turner hadden gespeeld. Ik bezocht WDIA. En later stond ik bij de bruine, vuile Mississippi en schreef daar een gedicht voor mijn oude vriend Marc. ’s Avonds, in BB King’s Place, zong ik samen met een man die ik helemaal niet kende hele strofen uit ‘Sad Eyed Lady Of The Lowlands’, een van de mooiste songs ooit gemaakt, vergelijkbaar met Bach. Peter, Steve, John – ik heb zijn naam nooit genoteerd.

In Antwerpen werd me een job aangeboden, filiaalhouder van een bankfiliaal. Ik haatte geld, maar uit wanhoop en geldgebrek ging ik er naartoe. De man met wie ik een sollicitatiegesprek had kende me uit de kunstgaleries en het nachtleven. Dit is echt niets voor jou, zei hij. Het zou je dood zijn. Beter arm dan voor een spaarbank te werken. Ik denk dat die man mijn leven heeft gered.

Alles wat ik schrijf is waar. Maar het is een lang verhaal. De rest schrijf ik de volgende dagen, weken, maanden, als het maar lang genoeg regent en als er voldoende jenever in huis is. En als ik geen bloed begin te hoesten, zoals de romantische dichters in de 19de eeuw deden. De voorbije dagen ben ik graag dronken geweest, om veel te vergeten maar ook om me veel te herinneren, want als je gedronken hebt komen herinneringen gemakkelijker naar boven, bijna zoals bij Proust als hij over een drempel stapt en een klok hoort luiden van Saint-Martin, of als hij een koekje in zijn thee dopt. Het is niet de madeleine, het is de geur van de thee die het doet. Het is de geur en de smaak van jenever, niet de feedback van Neil Young.  

Sinds ik jou ken vertel ik je alles wat ik me nog herinner. Dat doe ik al mijn hele leven lang. Maar sinds ik jou ken probeer ik ook te nuanceren, probeer ik mezelf te zien, niet als een held, of als iemand met een bijzondere gave, maar als een gewone, dronken nuchtere mens. Iemand zoals jij. Droef, en blij, en moedig, en en en. Met een hart verscheurd door liefde, ontgoocheling, verlangen, tristessa, bewondering, verwondering, pijn, genot, het onbekende, de onrust die dat alles teweeg brengt, waardoor je uiteindelijk zwijgt en voor je uitkijkt als een van  die Indianen van hout waar Hank Williams over zong en waar Neil Young zijn inspiratie ging halen, als zijn muze hem even in de steek liet. Dat zou ik niet kunnen. Ik kan niet zonder jou, mijn muze. Als jij er niet bent, is er niets meer. Literatuur is er sowieso al nooit geweest, en ik ken maar drie akkoorden. Kan ik zo door het leven, een oude, egoïstische, genotzuchtige man?

En op een mooie dag kwam rock ‘n’ roll. Neil Young, Elvis, Bob Dylan, Bo Diddley, Huilende Wolf, Hank, Jimi, PJ Harvey, Bessie, Wanda Jackson, Sly, Aretha’s jukebox, allemaal op de trein van Curtis Mayfield en dansend op de passen van James Brown. En we dronken bier en aten worstjes en  waren gelukkig, hand in hand. Dicht tegen elkaar op het gras op de grond. De geest was niet dood. De geest leeft. En als we elkaars stem horen of elkaars huid voelen of ruiken daalt de geest in ons neer. De geest die Elvis gek maakte, en Syd Barrett en Big Mama Thornton en Guitar Slim. Een vurige tong is het, zoals die van Patti Smith, die op een zachte manier al onze holtes penetreert om er het lied van de eeuwige vrede te zingen, en onze tegenstellingen met elkaar te verzoenen.

HET GEHEIME LEVEN VAN ENKELE LETTERGREPEN

the_freewheelin_bob_dylan.jpg

Er was eens een keer een dag dat ik je glimlach zag en dacht, dit is de waarheid en het leven, hoewel ik nooit in iets absoluuts had geloofd. Zomer, daarna kwam winter, je warme knieën, de Brusselse straten vol sneeuw, zoals op de hoes van “The Feewheelin’ Bob Dylan” – en zoals de jonge zanger en Suze Rotolo, zo liepen wij ook arm in arm door die straten, of armer nog, hand in hand, op zoek naar nog een andere plaats om het warm te krijgen. En ik dronk me vol schaamte en geluk – tot ik wankelde en jij me moest ondersteunen. Zou ik anders niet in de modder vallen? Vanwege die daad traden we in het huwelijk, werden we nachtbruid en nachtbruidegom en zaten we aan tafel kaas te eten en worstjes en Belgisch bier te drinken. En ons huwelijk was op worstjes en trappist gebaseerd. In ons rood boekje stond: als jullie dat niet meer kunnen doen, samen, wordt het huwelijk ontbonden. Ik kreeg zo’n schrik voor die regel dat ik nog meer bier ging drinken, maar vooral ook worstjes eten. Hoe langer hoe meer. Mijn omvang en gewicht durf ik niet meer te vermelden.

De lente kwam. We zaten in de zon in een grachtenstad en dronken weer bier en aten worstjes en kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Ons leven hing er vanaf. Alles was plezierig; de harde, jonge zon op onze nog blote hoofden, sigarettenrook van vandalen, een knoopje of twee van je jurk open, de straten opengebroken, lawaai van bulldozers en kranen en, later, ganzen en duiven. Daarna de sussende wijn en ogen vol gloed en avontuurzucht.

Op een zomerdag vol regen reden we naar de Nederlandse kust om er de horizon te zien, en het zand onder onze voeten te voelen. Maar we bleven liggen, in de zachte kou, dicht bij elkaar, met onze sokken aan – en luisterden naar de natte druppels en hoorden ons ademhalen, ons gehijg. Nooit was de hemel ons zo goedgezind geweest. Je kussen hadden de smaak van champagne, om even een cliché te gebruiken. Je lippen ook. Ik geloof dat ik nog altijd wat van die geur ruik, die je toen uitwasemde, die geur van verlangen en voldoening. Het samenvallen van die twee. Zo was het bij mij. Ik was een met jou, en met de sterren en de wereld, zoals in een van de beste songs van John Lennon, of in een oude mystieke tekst van Hadwijch, Zuster Bertken of Meister Eckhart.

Er was eens een keer een hete zomeravond dat je me zei, dat is Venus. Boven de Schelde zag ik iets oplichten, een maan, een ster: nee, nee, Venus. Ja, zei ik, je hebt gelijk. Want ik had in een Hopperachtige wereld geleefd, eenzame kamers, drank, verdriet, monotonie. Daar had je mij uit ontvoerd. En nu zag ik dat in en zag Venus en hoorde je vervoerende stem, die de ‘dingen’ namen gaf, eigennamen, of die nieuwe namen ter plaatse uitvond. En ik was gelukkig als nooit tevoren. Maar hoe beschrijf je geluk? Ik zei dat ik lang geleden ooit achter een konijn had gelopen, na een wilde nacht in Cinderella’s Ballroom en we hadden honger, een dik konijn, maar ik had het niet kunnen vangen. In je ogen zag ik bijna medelijden met me vanwege mijn toenmalige honger, geen veroordeling vanwege mijn bloeddorstigheid, jachtinstinct. Ik was dronken van de Amaretto en van je kussen en dacht dat je een jager in me zag, iets wat ik zelf nooit had gezien. Nochtans had mijn vader een jagersinstinct, en wordt gezegd, zoals je vader was, zo ben je zelf.

Een andere keer, ook in de zomer, vertelde je me het verhaal van O. Het verschilde heel sterk van de bekende geschiedenis. Het spijt me en het spijt me ook niet, maar ik kan me dat verhaal niet goed meer herinneren. Dat komt een beetje, denk ik, door de woordspeling in het Frans, van O met eau. In het verhaal van Réage – dat ik niet heb gelezen – is de O het gat, de kut, de anus, de opening in de penis, de mondholte. In jouw verhaal was het de regen, de lavabo, het zweet op onze huid, het geluid van de buren, hoe lang kan dit nog duren, de dorst, de sappen die we bij mekaar opwekten, als nieuw leven, maar ook de olie en benzine in een auto die buiten op ons stond te wachten. Jouw O werd mijn O en is nu de letter die mij het liefst is. Zo lief dat ik graag oto zou schrijven, maar dat ziet er niet uit, dat woord. Auto, dan maar, zegewagen, rijdend hotel, bar, bushokje, schuilplaats, donkere kamer, laatste rustplaats.

Er kwam ook wind en vooral regen. Eerst was er het genot van de kleuren die we proefden op elkaars tong, nadat we ze in concertzalen hadden beluisterd. Heb je ooit een kleur gehoord? Gekleurde muziek is de mooiste muziek, zeker met een geliefde aan je zijde die je tegen onheil beschermt. We waren intens gelukkig, zo dacht ik. Ik zei, Bob Dylan. Jij zei, Bob Dylan. Zoals in een lied van Bob Dylan, ‘Tangled Up In Blue’, een autobiografische song maar tegelijk ook niet. De persoonlijke voornaamwoorden verschuiven voortdurend. En de personen zelf, en het al dan niet biografische, zoals in zijn film ‘Renaldo and Clara’. Dat is het model dat ik gebruik om deze tekst te schrijven. Verschuiving, verglijding. ‘Template’, zeggen ze, maar ik verafschuw dat woord.

De wind en de regen kwamen en we moesten ergens schuilen en onze toevlucht zoeken tot metaforen. Beminnen, liefhebben, genot, seks – konden die woorden herleid worden tot sterke metaforen om een moeilijk leven aan te kunnen? Nee. We moesten opnieuw beginnen.

Opnieuw naar die winter op je warme, rode schoot, je vurige armen, nachtelijke ritten in besneeuwde of natte of verhitte straten. Je lippen van smeltend goud, je ogen die de nacht verwensten en uitschakelden, je blauw en rood, vooral je rode schoenen, die al bij de zomer hoorden. Opnieuw naar al de plaatsen (waarvan ik alle namen ken), opnieuw naar onze lichamen in de kou en in de zon. Opnieuw naar onze tijd, het geluk, onze tranen van verdriet en genot. Opnieuw naar jou, naar mij. Opnieuw naar het begin waar geen eind aan komt.