APFELBÄUME

 Voor Gerhard Richter.

Ik wandelde naar negentienzeventachtig
Voorzichtig als naar een kwetsbaar jaar
Doorzichtig en zelf onmachtig in de Republiek.
Wat te doen, Lenin, wat te beginnen?
Mystiek, revolutie, ongedwongen elkaar beminnen?
Maar daar zag ik je appelbomen, twee, drie
En de appelbomen van mijn kinderjaren, duizend
En meer en muziek die bij appelbomen hoort.
Ik zag je weg slingeren naar een kleinere boom
Die er niet echt bijhoort, maar toch, de kleuren.
Ik kon je verf ruiken, al was er geen verf
Al was er niets en niemendal: er waren geen jaren.
Wie maakt het wat uit wat in die tijd gebeurde.
Iedereen en alles was zo goed als dood
Van onbekende bommen of zat in kelders
Te blowen, te drinken, te dansen op Clint Eastwood
& General Saint. Zat te vergeten hoe het was op 2 juni
En al die andere dagen dat we opstandig waren
En alles zouden veranderen. Er was niets in dat jaar.
Er viel niets te verwachten. De mensen sliepen onbehaaglijk.
Maar dan je bomen, je eeuwenoud landschap.
Hoe de wereld bestaan en verstaan moest.
Een horizon van kleuren en vriendschap.
Een horizon van verbeelding en appels, appels
Die in mijn mond vielen en me verzoenden met de dagen.

IN EUROPA

nineteenth-century-map-of-europe

Je dacht weer aan de heuvels waar je naar de zee keek
En de golven hoorde breken op betonnen blokken
En als je je omkeerde de vallei met haar zachte tinten
En  het aan het oog onttrokken geweld tussen mannen en vrouwen,
Gehuwd, gescheiden, verliefd, verloren (soms herboren).

Je zag illegale rook ten hemel stijgen, als offer
Aan een planetaire god, aan een alien, een engel.
Rook voor donkere wolken, nog onzichtbaar,
Om ze aan te zetten tot regen, tot vruchten in je schoot,
Aardse moeder, die ons willens nillens brood schenkt.

Je liep over wegen in Frankrijk, op weg naar andere geuren
Dan die van de lage landen, van aardse en hemelse,
Deuren naar een intenser, een sterker bestaan.
Op weg naar woorden die je uit boeken kende
Maar in je oren wilde horen klinken als in een kathedraal.

Je wandelde door Europa op zoek naar een dichter,
Langs overwoekerde paden in Italië en Duitsland,
Dante, Shelley, Hölderlin en Paul Celan achterna.
Maar wat zocht je? Het leven, de dood, nieuwe woorden?
Sporen, denk je, zocht je, levenstekens, genoegdoening.

Wat je zocht was je stem. Een rechtvaardiging voor je zijn
In de wereld. Je zijn dat er niet om gaf en waar niet
Werd om gegeven. Hoeveel je ook wilde geven.
Wat je zocht was een houding, vaste grond onder je zinnen
En  meer nog dan dat een gemeenschap van geesten.

Nu ben je ouder en jonger en wijzer en dommer.
Je zit in een tuin waar nog niets bloeit, geen tomaten,
Geen appels, geen donkere en lichte gedachten.
Je voelt je uit een tijdloze winterslaap ontwaken
En ziet de herinnering aan bergen en paden vervagen.

Je bent thuisgekomen. Je bent jezelf. Niet iemand
Die om niemand geeft. Vanavond is iedereen je beminde.

 

LENTE

Le Sacre du Printemps by Preljocaj
Le Sacre du Printemps by Stravinsky choreographed by Angelin Preljocaj. Performed in La Maison de la Danse de Lyon, 2004.

Ik verzin je in de lente in een jonge tuin betoverend. Geef je vleugels en zeldzame woorden, die mijn zinnen verbijsteren en verrijken. Ik hul je wit tulpenlichaam in zijde en hang een slinger van seringen om je slanke hals. Je danst op de muziek van de sterren, die de aarde raken met hun ritme en licht. De donkere zon houdt de trompet aan de mond, Venus zit aan de drums, een engelenkoor als op een schilderij van Van Eyck duikt op uit de laurierbossen, met harpen en triangels. Er valt geen god te bespeuren. Ik plaats een diadeem op je hoofd en begeleid je naar je troon. Zweetdruppeltjes op je huid: schitterende diamanten. Nu ben je mijn koningin. Mijn heldin voor het leven. Ik schenk je een vonk van mijn ziel. Maar wie wakkerde het vuur aan?
Na een diepe slaap en koortsige dromen geef ik je zintuigen zin in alle zinnelijkheid van de wereld. En avant! De trein rijdt het station binnen. Het wordt een lange reis als we zo bezeten willen beminnen.

 

LES MOTS ET LES CHOSES

waterkracht2 (2)

Alpendroom is een woord dat in je taal niet bestaat. Maar lees maar: hier staat het. Staat het je tegen? Een apenbroodboom, daarentegen? Nee, ook niet echt. Een apenbroodboom is een baobab. Hij wordt zo genoemd omdat apen er in zekere zin gek op zijn. Zoals sommige mensen op kreeft, kaviaar, champagne.

Je oefent voor Mister Universe? Dan moet je wel wat weten en veel kunnen dragen. En verdragen. Het concilie van Trente, het verdrag van Verdun. Een accordeon, een ukulele, een ocarina. Je moet niet alleen de woorden kennen maar ook de dingen waar ze naar verwijzen.

En instrumenten moet je kunnen bespelen of hanteren. Je hanteert geen woorden. Je hanteert voorwerpen, dingen. Je gaat er mee om alsof ze kostbaar zijn. Dat moet: iemand heeft ze uitgevonden. Mensenlevens hebben de dingen gekost. Niet de steen of het vuur. Maar het wiel en de mandoline. De piramide en het brandblusapparaat. Het mes en de granaat.

Hoe lang heeft whisky geduurd? Het slachten van een kip; prei, knolselder, erwten, tomaten; de kleine dingen die een cockpit van een vliegtuig er zo gevaarlijk en onbeheersbaar laten uitzien en tegelijk je geloof in het kunnen van mensen versterken? Het heeft allemaal lang geduurd. Denk maar aan de atoombom op Nagasaki. Dat was nog wat anders dan een stoomboot die arbeiders naar hun werk voerde. En ’s avonds laat weer terug naar hun donkere dorpen.

En als ik zeg dat ik je liefheb? Als ik zeg, geweldig? Daar zit veel geweld in en het woord liefde wordt nu opgeroepen. Hoor je mijn roep? Mijn woorden die bestaan en niet bestaan.

Jij, het mooiste woord – is het daarom dat we het niet uitspreken kunnen?

Ik proef je tong in je woorden ook al zwijg je hardnekkig. Mijn tong in je zwijgende hals. Ontsporende taal. Maar kijk wat er staat. Er staan sporen naar jou. Naar jouw woorden. Kijk hier heb ik mijn mond op jouw mond. Met enkele woorden. Zo doe je het toch maar. Misschien niet alles maar heel veel bestaat in je taal. Een struisvogelveer, een elastiekje, een haar, een wolkenkrabber, een granaatappel.

 Ω

Foto: Martin Pulaski, 1975

 

 

EEN FIJNE KOFFIETAFEL (EN DAN DOORGAAN): VIJF JAAR

vijfjaarplan

Wat nu volgt komt enigszins ongelegen na het bericht over Mark Linkous’ overlijden. Bovendien is het koud buiten en gebeuren er overal om ons heen vreselijke dingen. Geen tijd om bij je eigen verwezenlijkingen stil te staan. Mag ik daarom vragen het volgende als een typisch Vlaamse ‘koffietafel’ te beschouwen? Dan wordt er ook gelachen, gedronken, worden herinneringen opgerakeld.

Mij was het ontgaan maar Peerke, een vriend die ik nooit heb gezien, zoals in het lied van Neil Young, is zo vriendelijk geweest me er op te wijzen en mij te feliciteren: Hoochiekoochie bestaat vandaag heel precies vijf jaar. Ik kon het moeilijk geloven, maar mijn eerste notitie hier heeft inderdaad als datum 8 maart 2005.

Een vijfjarenplan, zoals destijds in de Sovjet-Unie, is nooit mijn bedoeling geweest. Eigenlijk had ik helemaal geen plan. Ik beschouwde mezelf als dichter, schreef af en toe een stukje voor een of ander literair tijdschrift, ging wel eens voorlezen, of organiseerde met vrienden een literaire manifestatie, soms met succes, soms voor één paardenkop. We gaven tijdschriften uit. Het laatste, Brutaal, is een stille dood gestorven – wat met de meeste literaire tijdschriften gebeurt. Vaak zijn ze zo literair dat geen hond ze leest, zelfs de redacteuren op den duur niet meer. Veel mensen schrijven zo slecht, en vooral zo literair. En vaak hebben ze nog nooit van rock & roll gehoord. Bijvoorbeeld van The Slits, die zongen dat ‘silence is a rhythm too’. En daar dansten we dan op. En op zondag noteerden we in ons dagboek dat we gedanst hadden op ‘Silence Is A Rhythm Too’.

Op een dag, winter 2005,  hoorde ik van mijn vriendin Sofie dat ze een weblog had. Ik wist niet wat het was, een blog noemde ze het. Sofie echter was zo enthousiast en aanstekelijk dat ik al snel begonnen ben – zonder echt na te gaan wat er zoal op de markt was – met Hoochiekoochie. Ik had er geen idee van waarover ik zou schrijven, behalve, natuurlijk, over al datgene wat me nauw aan het hart lag en ligt. Ik kan me zelfs niet meer herinneren hoe ik aan de naam ben gekomen. Hoochiekoochie met een K? Ik ben een groot bewonderaar van Muddy Waters, maar zijn ‘Hoochie Coochie Man’ is wel duidelijk met een C. Misschien was ik bang voor copyrightproblemen? Alleszins heb ik nooit van de letter K gehouden. Maar ik moet er nu mee leven, al vijf jaar. Volgens David Bowie houdt het dan wel op, we hebben maar vijf jaar zong hij in de song die ‘Ziggy Stardust’ opende. De geruststelling is dat David Bowie er nog altijd is; het negatieve aspect van de hele zaak is dat hij al lange tijd vooral banale platen maakt. Na vijf jaar zou je het voor bekeken moeten houden? Zoals Nick Drake. ‘Five Leaves Left’ heette zijn eerste elpee – en vijf jaar later vond hij dat het genoeg was geweest. Hij had het precies uitgerekend. Kun je na vijf jaar zieluitstorten nog meer geven. Wellicht niet. Maar Hoochiekoochie is iets anders. Mijn ziel is (meestal) elders. Ik schrijf maar wat, over levenden en doden, nooit over de essentie van leven en dood. In zo’n geval huil ik als een roofdier, als een gekwetste mens. Zulk gehuil vindt geen weg naar woorden, zeker niet naar Hoochiekoochie. Ik schrijf maar wat, maar ik probeer het gehuil zo getrouw mogelijk te benaderen.

Tijdens die vijf jaar is er veel gebeurd in de grote wereld en in de microcosmos waarin ik zelf probeer te overleven. Er gebeurt altijd veel, de tijd staat niet stil en elke periode heeft haar hoogte- en dieptepunten. Ik ga hier niet dieper op in, omdat ik in mijn teksten ook unzeitgemässig ben. Ik lig vaak wakker van politieke beslissingen, van rampen, van ellende, van reizen die ik heb gemaakt, van tentoonstellingen, films, muziek. Maar ik schrijf er zelden over. Laat me vooral duidelijk maken dat ik niet onverschillig ben. En laat me dan ook maar meteen een moment selecteren dat mij diep heeft geraakt: de verkiezing van Barack Obama als president van de VS. Of nog, in de spirit van Hoochiekoochie: ik ben bijzonder verheugd dat Bob Dylan, David Bowie, Lou Reed, David Johanson, Loretta Lynn, Dolly Parton, George Jones, Jerry Lee Lewis, Little Richard, John Cale en Wanda Jackson nog alive and kicking zijn. En al de andere spiders from mars en alle mogelijke andere patiënten, planeten en sterren.

“I could make it as a rock & roll star.” Maar nooit als een Vlaemsche schrijver. Vlaemsche schrijvers zijn kannibalen. Ze schrijven zo weinig mogelijk, om zo veel mogelijk elkaars vlees te kunnen verorberen. Is het ooit anders geweest? Als je geen vijanden hebt, besta je niet. Je bestaat hoe dan ook niet. Je bent onzichtbaar. Je bent doorzichtig. Is dat niet altijd je wens geweest?

nickdrakefiveleavesleft

 

THE PARASITES WILL LOVE YOU WHEN YOU’RE DEAD: VOOR MARK LINKOUS

mark_linkous_sparklehorse

Toen gisteren voor mij de dag begon, wat later dan anders, was ik nog opgewekt van een fijne zaterdagavond in Antwerpen, met vrienden – en de muziek van zéro de conduite zinderde nog na in mijn hoofd, meest van al nog Elvis Costello’s ‘Man Out Of Time’.  Ik maakte wat grapjes op facebook, en stelde de vraag of een tomaat een groente is of iets anders. En dan las ik het nieuws dat Mark Linkous zich kort tevoren van het leven had beroofd. De tintelende lichtheid, nog aangewakkerd door een stralende zon, was meteen weg. Je kent het gevoel. Iemand die je hebt bewonderd, een authentiek songschrijver, een bezield kunstenaar, een begenadigd dichter met woorden en geluiden, is er opeens niet meer. Een verlamming maakt zich van je meester. Pas een uur later heb ik ‘It’s A Wonderful Life’ durven opleggen, een van de mooiste platen van Sparklehorse, een uur vol stille verwondering en ontzag voor de wereld en liefde voor de kleine dingen. Maar ik heb niet lang geluisterd. Het ging niet. Ik kon niet. De betoverde wereld was opeens een tranendal geworden, en de Mark Linkous bracht er verslag van uit, zoals ooit Dante van de Hel.
Wat ik daarna gedaan heb is de mooiste clips die ik op YouTube kon vinden op Facebook geplaatst. Een rouwbetoon van deze tijd. En ik kon me laten gaan, ik had niet veel woorden nodig. Maar naarmate de dag vorderde vond ik alsmaar meer dat ik iets moest ZEGGEN. Ik had me wel voorgenomen om nooit meer een in memoriam te schrijven. Laat dit dan ook geen in memoriam zijn. Lees dat maar in de walgelijke kranten en tijdschriften, waarin alleen nog sensatie telt.

Dit hier zijn de enige woorden die ik kan vinden, een dag later, op een maandagochtend, terwijl het buiten vriest. Mark Linkous heeft niet voor niets geleefd. Hij heeft een klein oeuvre gecreëerd, dat op veel mensen diepe indruk heeft gemaakt. Sparklehorse was een van de beste, meest originele bands van de voorbije twintig jaar. Mark Linkous heeft niet één overbodige song geschreven. Als hij er niet was geweest zou ik een andere mens zijn. De muziek van Mark Linkous zal over honderd jaar nog worden beluisterd.

Ω

“The parasites will love you when you’re dead’ is een regel uit ‘Weird Sisters’, een song op de eerste plaat van Sparklehorse, ‘Vivadixiesubmarinetransmissionplot’ uit 1995.

sparklehorse2