HET MARTIN PULASKI-PLEIN

 

good bar,job,piggy,dodenklas,ahab
Wordt dit het Martin Pulaski Plein? 

Niet de strategie van de spin maar die van de verschroeide aarde, waar geen hibiscus, geen paardenbloem meer bloeit. Iemand beschildert de straten met afbeeldingen van verkeerde Amerikaanse presidenten. Er is geen weg terug, ook al zing je burgerlijke ongehoorzaamheid.

Het witte schip vaart voorbij Kaap de Goede Hoop, en dan op de klippen. Zelfs geen kapitein Ahab om de breuk te herstellen, geen Ismaël, geen Vrijdag om je te verwelkomen op zijn enig eiland.

Wie denk je dat je bent om zomaar met de vijand mee te zingen? Met leider van het zwarte koor. Alsof je niet in de Poolse dodenklas zat, bij de andere verdronken kinderen? Je nacht is tot lust in staat, maar veel meer nog tot moord en doodslag en overgave. Waar er vijandschap is, is er liefde zeg je. Hier heb je al mijn ogen. Hier heb je mijn vergeelde brieven, uit de tijd toen je nog over mijn vurige paarden heerste, en met een glitterzwaard je demonen verjoeg, alsof je een soort mister Goodbar was. Maar een mister Goodbar ben je nooit geweest. Eerder opgejaagd wild, een Piggy met een stukgeslagen bril. Hoestend en piepend. Eerder een Job, die liever nooit geboren was.

 (En als ze nu eens een plein naar u noemen? Of een vallende ster? Zoudt ge dan tevreden zijn. Zoudt ge dan beter slapen en minder pillekes slikken?)

EXIT HOOP

achter glas

Vaak vraag je je af, wat zou Hölderlin nu hebben gedaan? Maar er is geen vergelijking mogelijk. Hölderlin had nooit een film gezien, hij kende de Grieken, maar niet Jesse James, Billy The Kid, Citizen Kane… Hoe groot moet zijn eenzaamheid niet geweest zijn. Er was geen internet, geen mobiele telefoon, geen televisie, geen antidepressiva. Met een ontstemde piano moest hij het doen, en uitzicht op de Neckar.

Wat doe je als je geen woorden meer vindt? Als het te lang duurt word je wanhopig en grijp je naar die van anderen (die ook de jouwe zijn – want wie is eigenaar van woorden, van taal?).

“Maar is onze pijnfactor al niet schokkend genoeg zonder denkbeeldige vergroting, zonder aan de dingen een intensiteit te geven die in het leven maar van heel korte duur is en soms niet eens zichtbaar? Voor sommige mensen niet. Voor weinigen, heel weinigen, is die vergroting, die onzeker uit het niets ontstaat, hun enige zekerheid, en is het niet-geleefde, het veronderstelde, volledig uitgewerkt in drukletters op papier, het leven waarvan de betekenis er het meest toe doet.”

Philip Roth, Exit Geest.

Ω

Foto: Achter glas, Martin Pulaski.

LEVEN EN DOOD VAN BRUNO ANQUINET

bruno en agnes

Hoe stuur je een hond door dit weer? Je hebt niet eens een hond. Of ben je zelf die hond misschien? Nee, natuurlijk niet. Maar waarom zit je dan zo te treuren als een hond? Te denken aan verwelking, aftakeling en dood. Waarom heb je de indruk dat dingen om je heen ondraaglijk zwaar zijn geworden? Kun je nog wel iets heffen? Je zou het eens moeten proberen, maar je zit op je stoel en wacht op woorden die niet lijken op gebrul of geblaf. Woorden die niet lijken op tranen, op afscheid, op dood. Maar dood is altijd dood, hoe je het ook draait of keert.

Je moet je vermannen. Je kunt zo mooi over de dood van zangeressen, zangers en muzikanten schrijven, wordt soms gezegd. Waarom dan niet over de broer van je vrouw? De avonturier, als Odysseus ooit, met een beschadigd hoofd teruggekeerd uit Griekenland, waar hij jaren lang woonde, op het eiland Mykonos, waar hij Griekse mythen schilderde op de wanden van restaurants waar de toeristen vrolijk zouden komen wezen. Je schone broer die de laatste jaren van zijn leven leefde als een plant. Maar dat is niet nauwkeurig geformuleerd. Een plant leeft als een plant, Bruno leefde als een zwaar beschadigde mens. Beschadigd, zoals zovelen onder ons door een andere mens of mensen. We zullen het nooit weten wat daar in dat Grieks dorp is gebeurd. De plaatselijke politie weet het niet of zegt het niet te weten. Inmiddels is de politie in dat dorp al lang vergeten dat er een Belgische schilder, genaamd Bruno, in zonnige armoede leefde. En de overige dorpelingen dan? De avonturier uit Brussel, met zijn fonkelende donkere ogen. De ogen van Bruno. Als ik gedronken had en we beluisterden bijvoorbeeld Mahlers vijfde symfonie – al zo lang geleden, tempus fugit – vond ik dat hij op een Griek leek. Meer dan tien keer op een avond riep hij met zachte stem yamas of yasou! En vulde de glazen nog eens bij.

Wees gerust, lezer, dit wordt geen biografie.

Na een faillissement, zijn zwarte Odysseus-baard was inmiddels grijs geworden, liet hij alles achter en vertrok naar Griekenland. Was hij er gelukkig? Misschien wel, misschien niet. Toen een ambulancevliegtuig – of hoe heet zo’n ding waar ze zwaar gewonden in vervoeren? – hem van Athene naar Brussel had teruggevlogen kon hij er niets meer over vertellen. Schilderen kon hij ook niet meer. Kon hij nog herkennen? Leek de wereld nog op de wereld? Meerdere jaren heeft hij zo beschadigd geleefd. Onlangs is hij ziek geworden, en zaterdag is hij gestorven. Bruno is dood. Bij mij – en zeker niet alleen bij mij –  heeft hij door te sterven veel sluimerends wakker geschud. Ik heb de voorbije dagen Rembetika beluisterd, het Griekse equivalent van de blues, liederen over misdaad, prostitutie, havencafés, heroine, tbc, dood en wanhoop. Maar, zoals alle droeve muziek, ontroerend en troostend. Denk maar aan het adagietto uit de vijfde symfonie van Mahler, dat Visconti zo terecht gebruikte in Dood in Venetië en dat eveneens te horen was tijdens de begrafenismis van Robert Kennedy.  Ik heb me echter vooral de momenten herinnerd die we samen hebben doorgebracht, meestal tijdens feesten, meestal in vrolijke stemming.

Ja, Bruno is dood. Hij doet me nu opeens denken aan een trouwe, brave hond. Een mensdier, geen plant. Had je Bruno gekend zou je hem nooit door dit weer hebben gestuurd. Dat was ook niet nodig geweest: een avonturier heeft geen schrik voor de wind en de regen.

Ω

Foto: Agnes en Bruno A.

SATURNALIA

gedicht,jose almeida pereira,sterren,jupiter,saturnus,tekens

Voor José Almeida Pereira.

Geen witte lijnen in je hemel. Helemaal geen lijnen. Alleen sterren en goden (noem ze symbolen, tekens. Speel ze op je cimbalen, orgels, glazen harpen).

Hemelsblauwe hemel met sterren bezaaid. Hoor je hun belofte van leven, liefde, genot? Hun muziek zacht gefluisterd, in cirkels herhaald. En op hun ritme marcheren engelen naar elektrische oorlog; bijna als mensen musiceren en marcheren ze en draaien ze om elkaar heen in liefde en afkeer.

Jupiters moeder mompelde, net niet onverstaanbaar: man, neem dit brood, wit en zacht. Hoe anders dood je een Titaan die zijn eigen kinderen verslindt? Je bent Goya niet. Je zet hem een zachte, ronde steen voor, nog warm. Het dode brood dat je bakte in je donkere winterse wonderland.

(verwonder hem met je blauw en gouden, ronde steen)

Maar is er nu recht geschied? Nee, er is geen rechtvaardigheid. Er is alleen lust en lust die macht wil en er is de pijn van huid en gebeente. Toch bedel je niet, toch leen je niet, val je niet op je knieën en prevelt geen gebed.

Je weet dat de sterren sterker zijn dan de giftige punt van de pijl – en je hart is een zwarte ster, sterker dan liefde en dood en glorie.

Je ogen, je hart: een deur die open gaat en sluit, en weer open gaat, opnieuw. Je hart een orgaan dat in de leegte zweeft, dat in je richting slingert, in elke richting die vriendschap vraagt.

Niet Jupiters kwalen, niet de eeuwige strepen, niet de betekenis noch het betekende. Alleen het blauw, de gouden velden – de waanzin van miljoen sterren en jij die maar blijft draaien en draaien, voor altijd draaien in schitterende leegte.

Ω

Oorspronkelijke Engelstalige versie op facebook.

http://josealmeidapereira.blogspot.com/