OP DE PRAIRIE ZO WEIDS

 

Op de prairie zo weids zag je buffels grazen
Met het koude staal in je handen en de patronen.
De grond onder je voeten van hetzelfde staal
En als je uit je ogen keek: vuil, stinkend water.

Daarom misschien die ruimte bedacht –
onbestemde woede maakte geweren schietensklaar,
Gouden kogels, zilveren kogels, de naam des heren.
Voor wat hoort wat, hoorde je de ouders zeggen.

Oog om oog, tand om tand (in de bijbel).
Altijd een oog voor een oog
en een tand voor een tand, vroeg je je af.
Op weg naar het schip of de vervloekte mis.

Wanneer ga je weer naar huis, naar de beloftes?
Naar huis ga je nooit meer. Er is geen huis,
Er is niets. Er zijn rekeningen te betalen
En banken zo koud als het staal van in die tijd.

’s Avonds in de pan gebakken paling.
Je had je vader ze boven een emmer zien stropen
Als de zon nog niet donker gekleurd, nog niet purper
als boven de prairie, de magnolias, was.

Jagen op buffels. Wat ging in je om?
Een gebrek aan beginselen, geen idee
Van goed en kwaad, kwam iemand verklaren
Om je uit je paradijs te verjagen: tegen
honderd per uur in een doodlopende straat.

Auteur: Martin Pulaski

Schrijver, blogger, DJ, moderne romanticus. Verslaafd aan muziek, film, boeken, kunst, steden. Radioprogramma ‘Zéro de conduite’ op Radio Centraal 106.7 fm in Antwerpen.

3 gedachten over “OP DE PRAIRIE ZO WEIDS”

  1. Bij de slang zit het gif in de tong, bij palingen in de staart en bij dit gedicht bevat de staart de ontknoping in tegengestelde zin. Holla, al dat gespurt in de tijd, waar heeft het naartoe geleid?

    Like

Reacties zijn gesloten.