HITLERS BUNKER, KLEISTS GRAF

 

potsdamer platz 2007

Van de Potzdamerplatz liep je via de Leipziger Platz naar de Leipziger Strasse en sloeg vervolgens de Gertrude-Kolmar-strasse in. Hoewel er niet veel meer te zien was dan wat sociale woningblokken bleef je staan.
We zijn er, zei je.
Was het hier op deze plek, vroeg ze.
Nee, het was daar, waar die sociale woningenblok nu staat, denk ik, zei je.
Daar? Dat zou je niet zeggen, ze ze. Allemaal kleine flats, met geraniums op de balkons.
Maar ik zou er alvast niet willen wonen, boven zo’n akelige bunker.
Er is geen bunker meer, zei ik. De bunker werd opgeblazen. Het Rode Leger. Daarna, toen de blokken werden gebouwd, werden de overgebleven gaten met steenafval opgevuld.
De bunker bestaat nog wel in de herinnering van veel mensen, zei ze.
Ja, het idee van de bunker, zei je.
Je zweeg en probeerde je de bunker voor te stellen. Maar je zag alleen maar beelden die je op televisie en in films had gezien. Fictie heeft de werkelijkheid gevuld, zoals het steenafval de gaten van de opgeblazen bunker. Maar hier heeft Hitler (Bruno Ganz) een punt gezet achter het duizendjarige rijk. Hitler, Eva Braun, Goebbels en de ‘onschuldige’ kinderen. Wie was er nog aanwezig in de bunker? In de verre toekomst zal dat misschien even raadselachtig zijn als de kruisiging van Jezus Christus nu. Het is immers al vaak betwist wie er bij het kruis stond, toen Jezus Christus stierf. Jezus Christus…
Het is in iedere geval een duidelijke map, zei ze. De contouren van waar de Rijkskanselarij en de bunker zich bevonden zijn goed aangegeven.
Maar je ziet er niets meer van, zei je. Alsof je teleurgesteld was.
Je wilde overspoeld worden door de recente geschiedenis van Berlijn. Misschien omdat je je schuldig voelde over je liefde voor het huidige Berlijn. De volgende dag ging je naar de Wannsee. Het is een romantische buurt, ideaal om te wandelen, te fietsen, te lopen. Maar in een van de prachtige villa’s aan de Wannsee werd tijdens een conferentie op 20 januari 1942 over  de ‘Endlösung’ van het ‘Joodse probleem’ beslist. Je las het lange, taaie, saaie, zeer technische verslag van de vergadering. Het was moeilijk om je emoties onder controle te houden. Het was moeilijk om  niet in huilen uit te barsten. Het was moeilijk om niet luidkeels te gaan schreeuwen.
Je ging weer buiten en kwam al wandelend over een zandpad onder de dennenbomen weer wat tot rust. Op de terugweg naar het station maakte je een omweg voor het graf van Heinrich von Kleist. Deze geniale Duitse schrijver en toneelauteur ligt er begraven in een klein bosje, tussen dicht struikgewas. Alsof men zich schaamt voor zijn zelfmoord. Terwijl het verhaal van de uitroeiing van miljoenen mensen een bijna aangenaam tijdverdrijf is geworden. Je schaamde je ervoor dat je de villa van de Wannseeconferentie had bezocht en je besloot nooit een stap te zetten in een van die oorden van de verschrikking.
Je keerde terug naar de Auguststrasse, naar je hotel. Overal op de terrasjes zaten jonge mensen van het leven te houden. Je kon je niet voorstellen dat zij ooit een uniform zouden aantrekken. Je kon je niet voorstellen.

out in the street, the shiny happy people

Foto’s: Martin Pulaski

EEN BLEKE ZOMER IN BERLIJN

DSC_0520

 

De zomer nog niet begonnen of hij hoort
Die zelfgenoegzame zanger al met zijn lied
Dat hij meezong in negentienzevenzestig
Als hij nabij de rivier wandelde, droomde –
Een laat-romanticus op zoek naar een kus.

Maar veel later de zomer opgezocht in gidsen
Waarin gevlogen, gevaren, per trein gereisd
Via tunnels en vulkanische resten.
Via boeken, zinnen, woorden, histories.
In de hoofdstad wordt weer geleefd als vroeger,

Perfecte verbindingen van A naar B
En lekker eten en drinken onder het maanlicht
Bij een Italiaan in de Auguststrasse.
Oude kunst gerestaureerd dwarrelt je voor de ogen

En boeken op de markt, van Fontane verzameld,
En de goede Herman Hesse in kleine letters.
Voor de verzamelaar insignes, verwijzingen.
Ook zegt de gids waar de wolf woonde

En waar hij onderdook. Daar stond zijn bunker.
Daar werd zijn gebeente gevonden,
Van zijn Eva, zijn getrouwen, hun kinderen.
Alles brutaal verzameld in een verhaal

Over een totaalkamp, al nagenoeg een mythe.
Het vuurwerk gedoofd, het brandhout op,
Het probleem van de doden niet uitgewist.
Hun namen in bomen, in gele en blauwe stenen.
Op het Museumeiland ga je voorbij aan

Babylons rivieren, hun blanke maagden –
Maar herinner je! de psalm die pop werd
voor mensen die elkaar zoeken gingen
met dolken, met poppers en pamfletten.
Je keert terug naar Anselm Kiefers Duitsland,

Zijn vocabulaire, zijn boeken, zijn sterren
En sperma. – Onverzadigd uit de jaren tachtig gekomen
Met Dada!, en Neu! En Kraftwerk! en Bauhaus!
Ga je op zoek in Berlijn naar wat vrome leugens.
Of hoe wil je de woorden noemen

Die je kinderen vertellen wat Anselm vertelt?
Hoe kun je zeggen wat waar is voor jou
En wat waar is voor de wereld?
Als je jezelf alleen maar omver ziet vallen.
Telkens weer omver ziet vallen.

 

Foto: Martin Pulaski, Anselm Kiefer in Hamburger Bahnhof

 

DE SEHNSUCHT VAN HERBERT PFOSTL

 

Wankelend maar zelfverzekerd
In een van die kleine kano’s van je ziel
Oker en grijs bewaard in terpentijn
Raak je me in mijn zijn met je sehnsucht.

Je aarde waar snelle tijd niet gedijt
Heb je gemaakt van wat je kunt voelen
En zien. De pony’s van de dood
Roepen kristallen levens op en morsen troost.

Je wereld is een offerblok, een scheepskist
Waarin je alles bewaren kan wat je nodig hebt
Voor de eindeloze reis
Over de zeven zeeën van de tijd.

Alles past in wat je maakt,
Ook de wet van soldaat en schizofreen
En weinig is verschrikkelijk,
Veel aan mij en jou inschikkelijk

Alsof we beiden kronen dragen:
Ik die gretig naar je kijk,
Je blinde pony’s, je graven van papier,
En jij die je laat zien, je sehnsucht.

 

 

Enige uitleg bij dit gedicht lijkt me nodig. Deze woorden schreef ik als commentaar bij werk van Herbert Pfostl, werk dat ik nog maar enkele dagen ken, maar dat me zeer diep heeft geraakt. Hij maakt een wereld die ik zelf grotendeels heb opgegeven, zij het dat hij als ik slaap toch weer tevoorschijn komt. Herbert Pfostl gaat heel ver terug in de tijd, en brengt die naar hier, als een mythische taal, als mythische beelden. Behouden is niet altijd verkeerd. Zijn beelden zijn nodig voor een gefundeerde toekomst.

Ik maakte gisteren een ruwe Engelse vertaling van mijn gedicht. Herbert antwoordde met deze mooie woorden:

“dear martin – the poem is very beautiful.
thank you.

we are like sinking ships sending signals.
and the sinking and the signals are what is beautiful and important – not the ship.”

Je kunt Herbert Pfostls werk hier en hier lezen en bekijken. Ik hoop dat mijn woorden geen afbreuk doen aan het unieke van zijn wereld.

LICHT EN PAPIER VAN WOLFGANG TILLMANS

wolfgang tillmans in hamburger bahnhof / subway seat

Dit is een beeld van Wolfgang Tillmans. In Berlijn in het onvolprezen Hamburger Bahnhof zag ik dit werk in zijn tentoonstelling ‘Lighter’. Wolfgang Tillmans is een kunstenaar die bij de popcultuur wordt ingedeeld. Maar wat zegt zo’n categorie? Heel weinig. Tillmans maakt niet alleen maar foto’s van jonge mensen uit de marge, maar werkt en denkt net zo goed abstract. Dat abstracte toont hij onder meer aan de hand van het materiaal dat hij gebruikt, bijvoorbeeld het fotopapier. Foto’s zijn niet meer maar ook niet minder dan belicht papier.

Op het het eerste zicht zou je kunnen zeggen dat het beeld hierboven een afbeelding is van typische zitbanken in de Berlijnse U-bahn. Maar in werkelijkheid zijn het kleuren (licht) op papier. Het is materie. En als je het toch over afbeeldingen wilt hebben, kun je ook beweren dat dit een beeld van de oneindige ruimte is, met meer sterren dan de aarde zandkorrels telt. Overigens is de foto niet ingelijst maar doodgewoon met tape tegen de museummuur gekleefd. In een zaal van het museum staan een tiental glazen bakken waarin (soms uitvergrote) krantenartikels heel precies zijn uitgekozen. Daarin laat de kunstenaar als criticus de context zien waarin zijn werk ontstaat en gedijt.

Mijn gedicht ‘Veelvuldig zijn de gedachten en de dingen’ is een commentaar bij het werk van de zeer belangrijke kunstenaar Wolfgang Tillmans.

wolfgang tillmans in hamburger bahnhof : documents against creationism and other stupid lies

Foto’s: Martin Pulaski.

VEELVULDIG ZIJN DE GEDACHTEN EN DE DINGEN

 

Dat hij als jongen naar de sterren keek.
Heel vaak als het donker was naar de donkere hemel
Waarin de sterren niet te tellen waren.
Later las hij in een bericht dat er meer sterren waren
Dan zandkorrels op onze ondermaanse stranden.
Hij lachte, hij huilde, hij brulde, toen hij over een brug liep

En dacht dat hij anders was.
Alles was anders en hij was ook weer anders.
Dat ze mij niet in een woord opsluiten, zei hij.
Dat ze mij niet verdingelijken.
Dat ze mij niet verdrinken.
Een uitweg zocht hij niet.

Hij koos wat hij zag en paste in elkaar wat hij had gezien.
Veel dingen vonden een plaats in zijn kosmos.
Dat ze het geen kleine wereld noemen, zei hij.
Dat ze het geen liefdeloze wereld noemen, zei hij.
Dat ze mij niet klein krijgen.
Dat ze mij niet verminken.
In de winter grepen donkere dingen hem naar de keel.

Er was geen maan, geen sterren.
In de zomer het licht, het overbelichte licht op zijn foto’s.
Dat ze niet zeggen dat wij geen gras zijn, zei hij.
Dat ze niet verklaren: wij zijn geen apen.
Dat ze niet zeggen, het is niet goed dat wij weer naar de grond gaan.
Want het is goed dat wij weer naar de grond gaan.
Dat wij weer in de grond gaan.
Het is goed te leven en goed is het te sterven.

De zon komt op in het Oosten, gaat onder in het Westen.
Alles wat wij weten is woord en wederwoord.
Alles wat wij zeggen is gezegde.
Alles wat wij zeggen is begrip.
Alles wat wij zijn is adem.
Nog kijkt hij naar de sterren.

Nog kijkt hij naar de atomen.
Nog maakt hij foto’s van blauwe zetels.
Nog is hij een mens onder de mensen.
Naar het ongebondene keert hij telkens terug
Waar hij zichzelf is, zijn geheimen vindt.

 

 

WAAR LIGT MADRID?

agnes in madrid

Die vliegtuigcrash in Madrid is natuurlijk erg en wat ik nu ga schrijven betekent bijgevolg weinig… Maar als ik in De Standaard Online lees ‘in de Spaanse stad Madrid’ voel ik mij beledigd. Elke Belg (of Nederlandstalige) die heeft leren lezen en schrijven zou zich beledigd moeten voelen. Denkt De Standaard Online dat wij echt zo dom en onwetend zijn dat we niet weten waar een van de grootste steden van Europa, een hoofdstad dan nog wel, ligt? Ik maak het meer en meer mee, dat belerende toontje, ook op televisie, alsof wij allemaal kleuters zijn die volstrekt niets weten. In dit geval is het na-aperij van de Amerikanen die bij elke stad vermelden in welke staat of welk land ze is gelegen. Dat betekent niet dat de Amerikanen zo dom zijn. Er zullen nogal wat Amerikanen bestaan die Liechtenstein niet op de wereldkaart kunnen terugvinden, maar dat kan ik ook niet. De Amerikanen hebben echter die gewoonte ontwikkeld om bij plaatsnamen ook de staat te vermelden omdat er in de Verenigde Staten heel veel plaatsen Europese (en andere) namen hebben. Ongetwijfeld is er daar meer dan één Madrid, er is zelfs een Toledo, en iedereen heeft al van Paris, Texas gehoord. Bij hen heeft die gewoonte met duidelijkheid te maken, om verwarring te voorkomen. En nu zwijg ik erover, en houd ik me verder bezig met belangrijker problemen.

En met plezierige dingen, zoals de verjaardag van mijn geliefde vrouw. Gelukkige verjaardag Laura, Senga, Daphne, Agnes en ik weet al niet goed meer welke namen ik je nog allemaal al heb gegeven. Astarte, destijds, toen ik nog een jonge, romantische dromer was, die met ‘The White Goddess’ en Mario Praz dweepte. Gelukkige verjaardag, liefste.

Wat is dat plaatje van Justin Townes Earle toch mooi! The Good Life. Ja, soms is dat waar, soms is het leven goed, soms is het leven mooi. Heel soms. Maar je mag niet te lang nadenken, bijvoorbeeld over de eerste zin van dit stukje gemurmel.

Ω

Foto: Agnes in Madrid op een mooie zomerdag. Ze rookte nog. En ze was blond. Tijden veranderen.

IN MEMORIAM JERRY WEXLER EN ISAAC HAYES


wexler

In het voorwoord van Jerry Wexlers autobiografie, ‘Rhythm and the Blues – A Life in American Music’ schrijft David Ritz het volgende:

“At seventy-five, Wexler is still a holy terror. He runs around like an impatient kid, shopping for baby white eggplants at distant farm stands, booking acts for the local jazz association, talking on the Phone to musician pals, celebrating the latest Hank Crawford or T-Bone Walker reissues, making Benny Goodman tapes for his butcher, dominating the dinner conversation with war stories of song pluggers and smash records. His eyes twinkle; his fingers nervously smooth over his white beard. The mind is racing. Compulsive, cunning, extravagantly verbal, he stays two beats ahead. His rapid-fire speech blends a promotor’s hype with a scholar’s precision, his lexicon a mixture of the mean streets and the graduate library.”

Na Jerry Wexler tientallen keren gezien en gehoord te hebben in documentaires over de geschiedenis van rock, blues, rhythm and blues en soul geloof ik dat elk woord hierboven waar is. Jerry Wexler was een universum, ik respecteerde hem, hield van hem als van een ideale vader. Jerry Wexler heeft misschien meer gedaan voor de populaire muziek dan wie ook. Wie Jerry Wexler niet kent beveel ik het hierboven vermelde boek aan. Wie hem wel kent weet wat ik bedoel en hoe ik me voel.

Of misschien toch niet. Jerry Wexler is dood, maar heeft een buitengewoon ‘rijk’ leven geleid. Bovendien is hij 91 geworden; dat moet volstaan. Echt treuren doe ik daarom niet. Ik ben eerder in een feestelijke stemming en denk dankbaar terug aan alle muziek die ik door Jerry Wexler heb leren kennen. Let the good times roll!

wexler2

Tegelijk neem ik ook afscheid van Isaac Hayes. Met uitzondering van ‘Shaft’ deed zijn muziek me niet zoveel. Maar natuurlijk heeft hij onvergetelijke songs geschreven voor Sam & Dave, waarschijnlijk het allerbeste soulduo ooit. Rust in vrede, Isaac Hayes, in je blote torso en met je gouden kettingen om je nek! Als ik nog eens in New York ben ga ik zeker weer langs bij Café Reggio en zal ik daar aan je denken. Je was nog te jong om nu al te sterven.

isaachayes