BOVEN DE WOLKEN MET BRUCE KAPHAN

bruce kaphan

Ik onderschat Ry Cooder, Daniel Lanois en BJ Cole niet. Evenzeer houd ik van de traditionele pedalsteelgitaristen uit Nashville. En Sneaky Pete Kleinow van the Flying Burrito Brothers heeft mijn oren geopend voor dit unieke instrument. Maar nooit was me echt opgevallen hoe mooi en uniek Bruce Kaphan de steelgitaar bespeelt. Ik heb hem nochtans vaak zien optreden als lid van the American Music Club. De hierboven afgebeelde cd is ongetwijfeld de juwelenkist van een zachte magiër.

UNTERTÄNIGST SCARDANELLI

Aan de dichters.

Met een zware last op de schouders loopt Scardanelli
Klerken en kannibalen tegemoet. Levenslang
Tegen het lijf, niet tegen het lijf, tegen de hersens.
(Je zag ze in een glazen pot in Berlijn. Dezelfde hersens.
Maar niet dezelfde.) Scardanelli was namelijk zichzelf niet.

Hij nam niet deel aan de bleke herfst van Deutschland.
Hij nam niet deel. Hij bukte, boog trots het hoofd omhoog.
Onderdanig was de dichter op het onbeschofte af.
Altijd dank u mijnheer zo en zo, dank u mijnheer de bibliothecaris.
Ook als er een loodgieter langskwam, een bakker, een hulpje.
Moeder ik heb u zo gemist. Untertänigst Scardanelli.

Zuster, broeder schrijf me gauw want ik wil sterven.
Ik wil niet dood. De adem van koude lijken brengt mij aan het beven.
En ik heb niets, lege handen, niemand kan van mij iets erven.
Vergeef me! Untertänigst Scardanelli.
Gebukt loop hij door de zomer en nog vlugger staat hij voor de deur

Van de herfst. Een deur die hij al lange tijd geopend had.
De poorten van een asgrijze winter en nog akeliger het ontkiemen
In de lente als de vogels zingen, en groene asperges staan op het veld.
Daarna weer moe en moedeloos de zomer in waar de boer sterft

Aan een verdriet maar eerst nog op de dag des heren
Het land verkent, zijn akkers, zijn gewassen waarop het onweer
Genadevol te keer ging. Alles groen, zoals ik dacht, zo kan ik sterven.
Scardanelli zweet en zwijgt en kijkt de hemel in. De zon toch weer

En mijn wandelstok en mijn hoed. De Grieken waren heilig in hun heuvels
Waar in elke struik een raadsel sluimerde. Voor elke ziekte
Een gewas, een kruid. Maar de woeste hitte van Bordeaux stuurt hem
Al naar het vaderland terug, aan de Neckar, waar de wijn zachter is,
En de meisjes klaterend lachen. Een bootje vaart wat wankel
Naar de horizon. Het wordt donker in mijn hoofd. In mijn hoofd
Wordt het helemaal donker. Pallaksch, pallaksch.

Untertänigst Scardanelli.

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon

 

De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? – was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Ω

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook ‘Sint-Joris bevrijdt de prinses’ genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

DE NACHTEN ZONDER INNIGHEID

willy

Ik droomde van mijn oude, lang geleden gestorven vriend Willy B. Vermoedelijk doordat hij net als ik veel van Tim Hardin hield. In mijn droom was hij even levend als jij en ik. Ik kon hem aanraken, diep in de ogen kijken.We praatten met elkaar over de verleden tijd. Ooit reed ik met hem aan het stuur in de auto door het centrum van Brussel; we hadden een ongeval, een frontale botsing, maar het was niet erg, we hadden geen schrammetje. Een paar weken later leende ik hem mijn exemplaar van ‘Under the Vulcano’. Ja, we hielden ook beiden van de geniale dronkaard Malcolm Lowry. Niet veel later had hij een zwaar ongeval, de auto was een total loss of hoe verzekeringsmaatschappijen iets dergelijks ook mogen noemen, maar Willy was niet gewond. Mijn boek was ik kwijt.

Willy was een toxicomaan. Hij had altijd een koffertje vol medicijnen bij zich, vooral pepmiddelen en benzo’s, maar ook wel zware pijnstillers op basis van morfine. Eveneens bezat hij een dik apothekersboek waar al die medicijnen in stonden opgesomd en beschreven. Willy was al een aantal keren opgenomen om af te kicken, maar hij begon telkens opnieuw. Na een mislukte relatie met een vrouw waar hij van hield nam hij een te grote hoeveelheid pijnstillers. Het was in de koude maand januari van 1989. Twee weken voor die fatale dag was ik nog met Willy doorgezakt in de stad. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik onderweg naar huis in slaap ben gevallen. We zijn in stilte door de nachtelijke straten van Antwerpen gereden.

Willy is blijven overnachten, maar toen ik ’s morgens wakker werd was hij weg. Ik heb hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht. We hadden het, zoals ik al zei over het verleden. Over liefde en seks. In mijn droomde beweerde Willy dat je seks kunt hebben zonder liefde te voelen. Ik was het daar niet mee eens. Mijn prille ervaringen met seks gingen altijd gepaard met echte liefde, zei ik. Het ene kon nooit zonder het andere. Willy vond dat je lekker seks kon hebben, zonder meer. Hij praatte er nogal beeldend over, waardoor mij allerlei erotische taferelen voor de geest kwamen. De geest in mijn droom, bedoel ik.

Elke nacht lig ik wakker of slaap ik, maar er is altijd, ben ik nu ziek of gezond, altijd is er een brandend verlangen in mij. Overdag ben ik zoals iedereen, maar ’s nachts word ik bijna puur verlangen naar een aantrekkelijke vrouw. Wat ik vooral wil is innigheid, maar ook seks. Ik weet niet of innigheid hetzelfde is als liefde. Ik ken geen innigheid meer. Je moet dan echt in de andere zijn. Maar met Willy sprak ik over de liefde, en zo bereikten we de ochtend en ontsnapten aan de dood. Ik ontwaakte in een tropisch land, waar een orkaan het hotel waar wij logeerden had verwoest. Alles wat we bij ons hadden was verdwenen. Daarna werd ik echt wakker en herkende aanvankelijk mijn kamer niet. Tot ik in de vertrouwde omgeving kwam, met rechts van mij het raam en links de deur naar de badkamer.

Ik vroeg mijn vrouw of ze wakker was. Ja, zei ze. Ik zou graag een rock & roll band oprichten, zei ik. Ik zou het Martin Pulaski & the Small Society noemen. Soms zouden we een big band worden, en dan zou het the Big Society zijn. Mijn vrouw ging op haar andere zij liggen en sliep verder. Ik vroeg me af wat ik met mijn leven moest doen. Wat ik vooral niet meer wilde was pillen slikken.

Ω

Foto: Willy B., fotograaf onbekend.

BURN THE LOUVRE?

fight-club

“Burn the Louvre,” the mechanic says, “and wipe your ass with the Mona Lisa. This way at least, God would know our names.”

Deze uitspraak komt uit ‘Fight Club’ (1996), de eerste roman van de Amerikaanse auteur Chuck Palahniuk. Als ik me nog goed herinner is de  ‘mechanic’ hetzelfde personage als Tyler Durden, die op zijn beurt een afsplitsing is van de verteller, die soms Joe wordt genoemd. In de gelijknamige film (1999) van David Fincher speelt Brad Pitt de rol van Tyler Durden. Hij doet min of meer dezelfde uitspraak als in het boek.

‘Fight Club’ is een bijzonder fascinerend verhaal; de film echter sleept je nog meer mee in een donkere, absurde wereld, waar niets is wat het lijkt. Fincher is daar een meester in, denk maar zijn andere succesfilm, ‘Seven’.

Het is niet mijn bedoeling het oorspronkelijke verhaal hier uit de doeken te doen. Je kunt het boek lezen, de film bekijken, en materiaal opzoeken op andere websites. Gisteren werd ik toevallig opnieuw met deze uitspraak geconfronteerd toen ik nog eens ging kijken op de flickr-pagina van Kathy Slamen, alias Hellophotokitty, een fotografe die ik fascinerend vind en al lang volg. Maar dat volstond voor mij nog niet om dieper op de uitspraak in te gaan.

Gisteravond was ik bijzonder onrustig. Ik overliep mijn honderden dvd’s en kon maar niet beslissen welke film ik zou bekijken. Waarom weet ik niet, maar uiteindelijk koos ik voor ‘Butterfly Kiss’ (1995) van de uitstekende regisseur Michael Winterbottom (zijn ‘I Want You’ vind ik een meesterwerk). ‘Butterfly Kiss’ is een roadmovie over een godsdienstwaanzinnig meisje, Eunice, dat door Noord-Engeland trekt, op zoek naar de mysterieuze Judith en een lied dat niemand schijnt te herkennen. Eunice is bijzonder gewelddadig, moordlustig zelfs. Ze is zelf de bijbelse Judith die Holofernes onthoofd. We zijn vertrouwd met haar beeld door de werken van Boticelli, Veronese en Caravaggio. Het verschil tussen Eu(nice) en Judith is de herhaling: Eu blijft de moord op Holofernes herhalen.
Ze betrekt bij haar wanhoopsdaden, want dat zijn het, het naïeve, lesbische meisje Miriam. Natuurlijk is ook de oorspronkelijke Miriam een bijbels personage. Zij componeert onder meer een lied als het leger van de Farao verdrinkt in de Rode Zee. Miriam is zo ongeveer het enige personage in ‘Butterfly Kiss’ dat niet wordt vermoord. Waarom niet? Eunice / Judith is een godsdienstwaanzinnige. Ik gebruik dit woord niet graag, maar ik vind geen ander. De waanzin van Eunice, hoe vreselijk ook, is namelijk bijzonder oprecht en wreed en zuiver. Goorheid, verschrikking en zuiverheid gaan meestal hand in hand. Eunice gaat gebukt onder een diep schuldgevoel. Ze kastijdt zichzelf. Eunice zoekt god. Maar god laat niet van zich horen. Als ik het ergste doe wat een mens kan doen, dan zal god me horen en zien, denkt ze. Maar god blijft zwijgen. En Eunice zet haar bloedige tocht verder, het ene na het andere slachtoffer kruist haar weg, en Miriam volgt haar en wist de bloedsporen uit. Miriam is niet op zoek naar god, zij wil alleen maar begrijpen, liefde geven. Haar god is de liefde. Als Eunice ervan overtuigd raakt dat, wat ze ook doet, god zich nooit zal laten zien, vraag ze Miriam haar te doden. Miriam verdrinkt Eunice in de zee.

Boticelli-Judith

De film was gedaan. Ik zat in stilte in mijn kamer. Daar was die zin van Chuck Palahniuk weer. Ik dacht niet aan onnozelheden als plagiaat. ‘Le plagiat est nécessaire’, schreef Lautréamont in zijn ‘Poésies II’. Ik dacht aan Goebbels, aan de nazi’s, aan de ‘Entartete Kunst’. Burn the Louvre! “Als ik het woord cultuur hoor grijp ik naar mijn revolver”, is de vaak geciteerde uitspraak van Goebbels. “Wipe your ass with the Mona Lisa…” Jongens toch… Ik kreeg het er moeilijk mee. Uiteraard wist ik dat het zeer waarschijnlijk niet de mening van de auteur was, maar van een van zijn personages. En toch… Ik herinnerde me het bijna ondraaglijk mooie lied van Bob Dylan, ‘Visions Of Johanna’, met daarin die onvergetelijke regels:

‘Mona Lisa must have had the highway blues
You can tell by the way she smiles…”

Wat een verschil. Bob Dylan noch Robert Zimmerman veegt zijn gat af aan de Mona Lisa, ook al gaf Duchamp haar een snor. Maar nog altijd liever een Mona Lisa met een snor, en zeker een die de highway blues heeft, dan een die stront in plaats van make-up op het glimlachende aangezicht heeft. Nee, dacht ik, ‘Fight Club’, is mijn wereld niet. (Gek is dat in Finchers ‘Seven’ ook een hoofd wordt afgehakt, een heel mooi hoofd trouwens.) Overigens denk ik niet dat een god, als hij zou bestaan en schepper zou zijn van de mens, er wakker van zou liggen dat het Louvre zou worden afgebrand, of de Mona Lisa besmeurd. Maar een god die toestaat dat een mens wordt vermoord bestaat niet, kan niet bestaan.

En waar de absolute, van god verlaten eenzaamheid toe leidt zag ik in ‘Butterfly Kiss’. Die wereld ken ik beter. Ik begrijp hem beter. Eunice zal nooit de Mona Lisa met haar excrementen besmeuren. Het is de eenzaamheid die haar tot haar wrede daden leidt. De afzondering. Het geloof in een genadige god, de hoop dat die haar zal troosten, haar zal zien. Terwijl ze alleen van de mensen heil kan verwachten. Alleen de verschrikkelijke mensen kunnen haar redden. Het geloof heeft haar blind gemaakt voor de genade van de mensen, de troost van vreemden.

TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM

tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  ‘Cul-de-sac’ heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

joe strummer

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch – dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat ‘Rosemary’s Baby’ daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog – zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem ‘mijn vriend’ noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je ‘Splish Splash’ en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

tim simple

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:
Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)
Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin’ Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins ‘You’ve Got A Reputation’ een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun ‘Sweetheart Of the Radio’, maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie ‘Hang On To A Dream’, een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

tim hardin dream

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto A. met ‘The Best Of Tim Hardin’, de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De ‘figurante’ komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.