ODE TO BILLIE JOE – BOBBIE GENTRY

Volgens mij is dit een van de beste verhalende songs uit de tweede helft van de jaren zestig. Bobbie Gentry had onmiskenbaar talent als schrijfster van story songs. ‘Ode To Billie Joe’ bijvoorbeeld ging een geheel eigen leven leiden, in de jaren zeventig werd er zelfs een film over gemaakt. Ergens zijn de mensen die in dat lied rond de tafel zitten familieleden van me geworden.  Bobbie Gentry had Portugese voorouders, misschien komt daar die melancholische achtergrond vandaan, als de fado bij haar in het bloed zat. Hoewel dat een ideologie is die ik verafschuw (de bloed- en bodemideologie bedoel ik). Aan de andere kant is ‘Ode To Billie Joe’ ook helemaal een Amerikaans, een southern-gothic verhaal; het past in het boeiende en broeierige geheel van de Amerikaanse mythe en van de American Dream. Het is namelijk zo dat je om die Amerikaanse droom te verwezenlijken een heleboel misfits nodig hebt. De protagonisten uit ‘Ode To Billie Joe’ horen ongetwijfeld in die categorie thuis. Pass the biscuits please! (Of zoals Bob Dylan ooit zong: “There’s no success like failure, and failure’s no success at all.”) Ooit heb ik ergens gelezen dat Bobbie Gentry, een filosofie-studente uit het diepe Zuiden, haar droom wel heeft bereikt. Ze is rijk geworden, niet door haar zeer ongewone songs, maar door haar huwelijk met een rijke man uit Las Vegas. Ik vermoed dat ze niet meer zulke mooie groene jurkjes draagt. Maar dan komen we bij Jeannie C. Riley en Harper Valley PTA terecht, en dat is weer een heel ander verhaal. Dit was bedoeld als illustratie bij de autobiografische schets, een ontwerp voor een episch gedicht, So Much Water Under The Bridge.

SO MUCH WATER UNDER THE BRIDGE

Wat je niet mag vergeten.
De tafels van vermenigvuldiging.
Het kapitaal.
Het concilie van Trente.
Karl Marx’ Stellingen over Feuerbach.
Piratenverhalen.
Les misérables.
River Deep, Mountain High.
Bootjevaren met je broer in de dokken van de Antwerpse haven.
Het bloedgleufmes.
Een bange nacht op grens tussen Duitsland en Limburg.
Juni 1997, Kiekenmarkt Brussel.
Vrienden bij wie je terecht kan omstreeks middernacht.
Maanden verlaten in de Limburgse bossen en dan expo 1958.
Vechten op speelpleinen.
De geboorte van je zoon.
De naam van je zoon.
De namen van iedereen die je ooit liefhad.
Nadja.
Erwin.
Raoul Vaneigem.
Landverraders, schurken en augurken.
“Il faut être absolument moderne.” (Arthur Rimbaud)
Like A Rolling Stone op de transistor-radio in 1965.
“I would leave you if I could because I know that you’re no good, but I love you.” (Jimmy Holiday, 1967, uitgevoerd door Clydie King).
Neil Young.
Karen Black in “Five Easy Pieces”.
Death Letter Blues.  (Son House versie)
Hoochie Coochie Man. (Willie Dixon).
Het eiland Kreta.
Het slangenmuseum in Albuquerque.
Jimpy, mijn hond.
De straten van Brussel, Antwerpen en New York.
De koolmijnen.
De geur van de varkens op een kleine boerderij in Neerharen.
De Schelde, de Douro en de Mississippi.
Vrouwen in mijn dromen.
De smalle, gevaarlijke steenwegen in de jaren zestig.
De songs van Gerry Goffin en Carole King.
De films van Rainer Werner Fassbinder en Nicholas Ray.
Gary Cooper, Wim Wenders en Peter Handke.
De vrolijke wetenschap.
4 letzte Lieder. (Richard Strauss/ Elizabeth Schwarzkopf).
William Blake, Friedrich Hölderlin, Walt Whitman en Lucebert.
De Maas tussen Luik en Dinant.
“Well, Billy Joe never had a lick of sense, pass the biscuits, please.(Bobbie Gentry).
En deze regels.
“The next day everybody got up
Seein’ if the clothes were dry.
The dogs were barking, a neighbor passed,
Mama, of course, she said, “Hi!”
“Have you heard the news?” he said, with a grin,
“The Vice-President’s gone mad!”
“Where?” “Downtown.” “When?” “Last night.”
“Hmm, say, that’s too bad!”
“Well, there’s nothin’ we can do about it,” said the neighbor,
“It’s just somethin’ we’re gonna have to forget.”
“Yes, I guess so,” said Ma,
Then she asked me if the clothes was still wet.”
(Bob Dylan, 1967)
De geur van nieuwe boeken.
Fietswielen draaiend in de zon.
Schaduw in de zomer op het gazon.
Soulmuziek en mondharmonica’s.
De smaak van water.

 

WE SHALL NOT BE MOVED: MAVIS STAPLES

ab,concert,muziek,soul,gospel,mavis staples,staples singers,live

Gisteren hoorde ook ik Amerika zingen. Ik hoorde het verleden en de toekomst van Amerika zingen met een grootse, trotse, eeuwenoude stem. Het verleden van Amerika was wat het waard was. Maar de echte waarde, de verwezenlijkte droom, die zou nog komen, gisteravond. Bij elk lied van Mavis Staples verloor ik mezelf, mijn zuchten en mijn pijn, en ging ik terwijl haar stem mijn ziel binnendrong binnen in de droom van Martin Luther King.  “Just like the tree standing by the water, we shall not be moved” zong Mavis Staples, en zongen wij allen mee. En nu ik deze woorden hier neerschrijf zie ik dat mijn woorden van gisteren al een echo waren van dat lied. Dit was geen concert, dit was een viering, een mis, een feest van de heidense ziel. Ik hoor in de gospel van Mavis Staples geen verlangen naar de eeuwigheid, naar het hiernamaals, maar wel een strijd tegen onrechtvaardigheid en verdrukking. De god van Mavis Staples is een vonk die ons de kracht geeft om elkaar de hand te reiken, om onze stem te verheffen, en te zeggen, de betere wereld is er nog niet, er is nog veel werk te doen, geef de moed niet op, elke stap is een stap vooruit, wat de doemdenkers ook mogen beweren. “We shall not be moved, like a tree standing by the water.”

Mavis is niet alleen een buitengewone zangeres, ze heeft ook magische gaven. Zo mocht ik voor de eerste en laatste keer Rick Danko en Richard Manuel op het podium zien verschijnen. Samen met Levon Helm en Mavis en Pops zongen ze deze sinds 1968 in het geheugen gegrifte woorden:

Go down, Miss Moses, there’s nothin’ you can say
It’s just ol’ Luke, and Luke’s waitin’ on the Judgement Day.
“Well, Luke, my friend, what about young Anna Lee?”
He said, “Do me a favor, son, woncha stay an’ keep Anna Lee company?”

Mavis was begonnen met de hele Buffalo Springfield op te roepen, Aretha Franklin kwam even ‘Respect’ zingen, Pops Staples had de gedaante van een blanke gitarist aangenomen,Martin Luther King verkondigde nog een keer zijn noodzakelijke droom, heel even zag ik Steve Miller op het podium klimmen, don’t let nobody turn you around, zei hij, zelfs Sam Cooke liet zich even zien, en natuurlijk was Barack Obama aanwezig. Ook hoorde ik Eddie Hinton en een zestal andere Muscle Shoals sessiemuzikanten hun instrumenten stemmen. Vervolgens werd het aanstekelijke ‘I’ll take you there’ ingezet. Nog veel meer volk passeerde de revue, geen eigen volk, maar het andere, dat ons de weg kan wijzen naar een betere wereld. Ik weet het dat dit belachelijk klinkt in deze cynische tijd. Maar desondanks is het zo. En de uitspraak “waardig ouder worden” klinkt voor mij niet langer belachelijk.

Het concert van Mavis Staples staat voortaan in de lange top-10 van het beste wat ik ooit heb gezien, gehoord en gevoeld. Ja, gisteren hoorde ook ik, zo lang na Walt Whitman, Amerika zingen.

ONGETWIJFELD ANTIGONE (IN 1968)

Ik was ongeveer achttien geloof ik.
Ze noemden mij mister pitiful.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Op een mooie dag moest ik mij in een man verkleden.
Ik was een naïeve, bange jongen.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Ik moest mij in een man verkleden.
Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou Antigone spelen.
Een stukje Antigone, niet het hele stuk.
Ik moest een meisje worden.
Een meisje dat zich in de huid van een vrouw moest naaien.
Een tweede huid, een derde huid.
Maar wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van.
De wereld sliep in halfgouden dromen en zonder veel begeerte.
Er was niets aan de hand.
Ze verdienden geld als slijk, slib, smurrie.
Ze sliepen voldaan, zonder te snurken.
De mensen, de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de wetten spelden.
Ik was achttien en wist het niet.
Ik wist niet dat ik een antieke Griekse zou worden
die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen en laurier was niet meer dan een woord.
Niet meer dan een geur in moeders keuken.
Waar ik mijn Grieks meisje lange brieven schreef
over hoe we in grotten zouden dansen en een nieuw vuur vinden.
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik.
Naar de overzijde, waar de bloemen bloeien.
Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Ik viel in een donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de bomen.
In de boomgaard onder de appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het water.
Daar aan het water ging ik zitten wachten
en de as uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen was.

 

ACTEUR EN MASKERADE

 

north by northwest2

De acteur stelt zich niet bloot aan zijn publiek. Zelfs als hij naakt op het podium staat is hij niet bloot. De toeschouwer ziet zijn naaktheid als een omhulsel, een lichaamomvattend masker, want de acteur draagt inderdaad een masker. Het masker is zijn rol, het spel met de anderen is zijn maskerade. Ook de toeschouwers zijn gemaskerd, maar bij hen is het geen spel, maar zeer vaak bittere ernst. Niet dikwijls kan een toeschouwer met zware problemen die tijdens zelfs een bijna perfecte opvoering van King Lear vergeten. Hopelijk voor hem zijn er toch momenten waarop hij zich bijvoorbeeld met Cordelia identificeert, of met Gloucester, het maakt niet echt uit met wie, het is maar een hoop die ik heb. Gaan niet alle mensen gemaskerd door het leven? Soms denk ik, nee, niet alle mensen, er zijn uitzonderingen, laten we zeggen: gekken en moordenaars. Maar speelt de moordenaar niet de rol van moordenaar? En de gek de rol van gek? Een korte episode van ongemaskerd zijn stelt de moordenaar in staat echt mens te zijn. Maar de prijs voor die menselijkheid wil geen mens echt betalen. Hetzelfde geldt voor de waanzin. Wie wil waanzinnig worden om mens te kunnen zijn? En dan nog maar heel kort, want al snel worden moordenaar en waanzinnige in de patronen van de maskerade, van de berusting gedwongen. Geneesmiddelen en straf, artsen en rechters hebben die functie en opdracht. Je weet toch dat alles normaal moet verlopen. Sterke, jonge mannen, vol dromen en verlangens, gaan de oorlog in alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Maar beste polemologen, is oorlog wel een normale zaak? Zeg het me, want ik heb zo mijn twijfels.

Na de voorstelling heeft de acteur zijn masker afgezet; hij heeft snel wat gemakkelijk zittende kleren aangetrokken, het spel is afgelopen. Als hij het café binnenstapt zie je dat hij nog wat nazindert, nog wat gloeit – de natrillingen van het genezende spel. Heel even zie je vanuit je ooghoek, terwijl je een slokje wijn neemt, de echte mens, zonder masker, op de grens van de gespeelde vervreemding en de echte, die waar wij in leven. Alles wat ik hier vertel is niet nieuw. Het thema van de vervreemding en de maskerade komt in duizenden boeken, films en toneelstukken voor. Een mooi voorbeeld is het personage Roger Thornhill (Cary Grant), in Hitchcocks ‘North By Norhtwest’. Het gaat om een doorsneeburger die verward wordt met een geheim agent, George Kaplan. Al van in het begin van het verhaal maakt alles wat Thornhill doet hem verdacht. Zijn gedrag maakt als het ware duidelijk dat hij George Kaplan is, terwijl dit toch niet het geval is. Deze man komt in een meta-maskerade terecht, waar niets is wat het lijkt, en het tegelijk toch is wat het is. Als je lang nadenkt over deze film stort je hele wereld in. Je weet niet meer wie je bent. Wat is je essentie, datgene wat je ziel wordt genoemd? Wat is je psyche? Ben je degene die je denkt dat je bent of ben je veeleer degene die door de anderen wordt bekeken en beoordeeld? Er zijn nog talloos veel andere voorbeelden van verhalen over maskerade en ontmaskering, over dubbelgangers en mensen zonder gezicht. Mag ik ‘Les yeux sans visage’ van Georges Franju aanbevelen? Of een biografie over Artur Rimbaud? Waarbij ik ervan uitga dat een biografie over Arthur Rimbaud niet echt over de dichter en avonturier gaat. Net zoals ‘Professione: Reporter’ van Antonioni niet echt over een reporter gaat. Veel lees- en kijkplezier!

HONGERIG HART : LAAT BERICHT VOOR DANNY FEDERICI

bruce springsteen,pop,rock,e-street band,danny frederici,dood,in memoriam

Soms ben ik spontaan, soms moet ik dagenlang wachten op een woord.  Natuurlijk ben ik niet de rouwberichtenschrijver van Skynet. Ik ben niet eens een Sky Pilot, en ik heb evenmin contacten met de Spirit in the Sky. Maar het heeft me alleszins diep geraakt toen ik las dat Danny Federici vertrokken is. De man die nu op dit ogenblik zo bezield orgel zit te spelen op dat meeslepende, opwindende ‘Hungry Heart’.

Heb ik een woord nodig? Het enige dat er hier toe doet is ‘dood’. Maar de muziek blijft, en Danny Federici blijft doorleven in zijn muziek, zeggen wij mensen.  Toch durf ik dat betwijfelen. Ik heb the E-Street Band één keer zien optreden, in Vorst, op 26 april 1981 [1], enkele jaren na de dood van Elvis en Johnny Rottens bedenkelijke opstand.

Op weg van Antwerpen naar Brussel begaf de auto van mijn vriend J. het finaal. Buiten regende het oudtestamentisch. Met zijn vieren of vijven, de inzittenden, hebben we de auto achtergelaten en zijn zonder problemen liftend  in Vorst geraakt, op tijd voor een goede staanplaats. Al bij de eerste song die Bruce Springsteens band inzette wisten we dat we die avond nooit meer los zouden laten. Dat we die voor altijd met elkaar zouden delen. Heel af en toe in je leven heb je zo van die momenten.

Maar Danny Federici leek toen al een beetje vergeten of zag er de zin niet van in om herinnerd te worden vanwege zijn fysieke aanwezigheid, alleen maar voor de noten die hij speelde, voor wat hij bijdroeg tot de magische sound van de toenmalige E-Street Band. Bruce Springsteen was de rock and roll-duivel in hoogsteigen persoon; iedereen weet dat rock and roll de muziek van de duivel is, een sympathieke kerel, met een warme ziel. Miami Steve Van Zandt en Clarence Clemons waren de bewaarengelen aan Springsteens linker- en rechterzijde. Achter die drie ‘reuzen’ bevonden zich de fijnere mensen, Roy Bittan en Danny Federici. Drummer Max Weinberg  en basspeler Gary Tallent vormden een derde, Phil Spectorachtige rij, de basis, de lijm, die het allemaal samenbond, zij lieten de songs in onze harten bonzen.  En wij zongen mee op elk lied, terwijl we nauwelijks hoorden wat Danny Frederici deed, hoe hij de geest opriep van een al wat oudere generatie, Del Shannon, Chris Montez, Cubanen, Mexicanen, the Sir Douglas Quintet met Augie Meyers, het geluid van de kermis in onze oude dorpen. Let’s Dance! En nu is Danny Federici dood en kunnen we niet treuren. Ik kan niet treuren zonder dat woord. Dat woord dat uit mijn hongerig hart zou moeten komen en niet komt.

[1] Datum toegevoegd na een opmerking van Luc Dorissen.