OH LAZARUS, OH MY LOVER

fantasie,romantiek,hugo claus,dood,familie,schrijven,alfred kubin,dubbelganger,david cronenberg,verbeelding,mythe,paul auster

Soms lijkt het wel alsof je in een parallelle tijd en ruimte leeft. Als je door de straten van je stad loopt heeft het er alle schijn van dat het gedroomde straten zijn in een gedroomde stad. Je bent je eigen schaduw, die zich zo vaak in die andere wereld bevindt. Als je in de spiegel kijkt, vind je dat je veel weg hebt van Claus Patera. Ga je aan je werktafel zitten vloeien er regels uit je pen die je niet als de jouwe herkent. Je gebruikt het woord pen maar weet dat men weet dat je op een toetsenbord schrijft. Je gebruikt het woord pen uit romantische overwegingen. Daar ben je je bewust van, maar niet van wat er ontstaat. De zinnen slapen in jou, dromen in jou en komen vanzelf tevoorschijn, of nee, niet helemaal vanzelf, eerder is het alsof iemand ze toeroept: “laat me je zien, ik wil je bewonderen, ik wil je verafschuwen.” Er groeit inderdaad een andere wereld uit je lichaam dat in een andere wereld leeft. Zo kost het geen moeite om te verdwalen. In een oogwenk loop je door de gangen van een glazen zeereus. De geur van grote, veelkleurige vissen dringt door de kieren naar binnen. Tramhaltes vind je niet. En je vraagt  je af hoe je weer thuis zal geraken. Je moest toch nog bij je broer op bezoek? Dan herinner je je, een wonde die opengaat, dat je broer al dood is. Je vader, je moeder. Blijf je door de glazen gangen zwerven? Of waag je een sprong in de diepte?

Soms komt door de kieren van de tijd de wereld waarvan wordt gezegd dat het de echte is de jouwe binnen. Iemand is gestorven. Een groot schrijver die door velen wordt geminacht. Een jonge reus wordt in je wakker. Een die in woede, in razernij losbarst. Woede in de werkelijke wereld, tegen kleine schepsels die wat boven hen uittorent verachten. Tegen afgunstige insecten, opgeblazen van het gif, zoals in een film van David Cronenberg. Wat ook kan is dat je een stem hoort zingen. “Lazarus”, hoor je, “graaf jezelf een graf”. En je hoort, “oh my lover!” Tijdens die momenten valt je wereld samen met de wereld, je schaduw met je lijf en leden, je vrolijkheid met je verdriet, je zinnen met je zin.

O KAPITEIN

Hoe minder woorden hoe beter, soms.
Hoe naakter de taal hoe kaler de haat,
Uitgekleed als een bruid op een avond.
Er was eens, zei hij, er was eens…

Ja, er was ja, zei hij, en toen kwam jij
Waarna het aanmonsteren begon.
Want er was eens een schip, zei hij nog,
Een schip met veel zeilen, wit tegen wit,

En op dat schip was een arend,
Een arend van een kapitein, zijn ogen,
Er waren zijn ogen, maar ook zijn mond
In de zon hun glinstering, hun stilte.

De benen stevig op het dek geplant
Waren er, en tevens zag hij de monsters
Als het donker werd ’s nachts in de mast.
Of waren het apen, dat wist hij niet meer.

Want hij lag daar te zoeken naar woorden
En zonder gedachten, zonder verweer.

FILM ALS VLUCHT IN DE WERKELIJKHEID

black sunday

De voorbije dagen heb ik veel films gezien. Wellicht  wilde ik mijn eigen dagelijks leven en mijn existentiële problemen niet onder ogen zien en vluchtte ik daarom weg in fictieve werelden. Maar als dat zo is, waarom koos ik dan voor grotendeels wrede, gewelddadige werelden?

‘Paradise Now’ uit 2005 van de Palestijnse regisseur Abu-Assad vertelt over de laatste dagen van twee jonge zelfmoordterroristen uit Nabloes. De twee jongens worden niet als fanatici getoond, maar als wanhopige mensen, met veel twijfels en zeer weinig zekerheden.  Terwijl een van beiden afziet van de daad, gaat zijn vriend tot het extreme uiterste en blaast zichzelf op in een bus met Israëlische militairen.  Een van de uitspraken van de regisseur: “Cars kill more people in a day than terror has in years, but people are so afraid of terror. We accept the danger from cars, not terror, and yet something always causes terror. We ignore why and focus only on the consequences. To prevent it, we must think about what creates the evil.” ‘Paradise Now’ is geen film om lekker bij weg te dromen, om je te helpen ontsnappen, maar hij helpt je wel je veelal kleine problemen te relativeren en laat je – eens te meer – beseffen in welke vreselijke omstandigheden velen onder ons moeten leven.

Onmiddellijk na ‘Paradise Now’ zag ik ‘Mar Adentro’, ook uit 2005, van de Spaans-Chileense regisseur Alejandro Amenábar, bekend van ‘Abre los ojos’ en ‘The Others’.  Javier Bardem is een schitterend acteur, ook hier in de rol van een man die al 28 jaar verlamd in bed ligt en strijd voert tegen de Spaanse overheid: hij eist het recht op om waardig te sterven.  Het is een verhaal over familie, lijden, liefde literatuur, verbeelding en dood en toch geen sentimentele lulkoek. Integendeel, ‘Mar Adentro’ is een klein meesterwerk, schitterend gefotografeerd, vol passie, schoonheid en verdriet, een meesterwerk dat naar de keel grijpt en je ogen opent voor het lot van andere mensen. Ook deze film gaf me geen mogelijkheid om uit de woestijn van de werkelijkheid weg te vluchten. Wat ik vooral besefte was dat ik inzake mededogen zelfs op mijn zevenenvijftigste nog veel heb te leren.

‘Black Sunday’ uit 1977 van John Frankenheimer is een lange, meeslepende thriller met Marthe Keller, Bruce Dern en Robert Shaw. Dern en Keller zijn Palestijnse terroristen die een aanslag voorbereiden op de Amerikaanse Superbowl in Florida, Shaw is de onverschrokken Mossad-agent die hen op de hielen zit. Het plan van de terroristen is om vanuit een luchtschip een reusachtige splinterbom in het midden van de Superbowl te droppen, met duizenden doden als gevolg. De film is bijzonder spannend, en in zekere zin ook profetisch, alleen kunnen – in tegenstelling tot 9/11 – in de film de terroristen op tijd worden ‘uitgeschakeld’. Er is wat mij betreft iets vreemds aan de hand met deze film. Ik zat namelijk tot aan het einde, waar het luchtschip een dreigende schaduw werpt op de Superbowl, mee te leven met de terroristen, voornamelijk door de passie – of is het verbetenheid – die uitgaat van het personage gespeeld door Marthe Keller. Veel minder begrip had ik voor de haat- en wraakgevoelens van de Vietnam-veteraan. Bruce Dern speelt die rol dan ook over-the-top. Als de film gedaan is besef je dat je onbewust hebt zitten verlangen naar de dood van duizenden sportliefhebbers.  Op die manier kom je evenmin in een paradijselijke omgeving terecht. Integendeel: je voelt je schuldig voor je vreemd plezier en moet een ernstig gewetensonderzoek doen.

Van lieverlede heb ik dan maar teruggegrepen naar een oude, stomme film, ‘The General’, van Buster Keaton. Het vreemde is dat ik Buster Keaton de allerbeste komiek ooit vind, maar dat ik nooit met  zijn wederwaardigheden kan lachen. Maar uiteraard is ‘The General’ een mijlpaal in de filmgeschiedenis, en biedt het vrij sentimentele liefdesverhaal (een subplot) enige troost.

Ik zag ook nog de documentaire ‘Patti Smith: Dream Of Life’ van Steven Sebring. Over dat indringend portret van een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw (en van een stuk van de eenentwintigste) moet ik het echter uitgebreid hebben in een volgend artikel.  De film heeft me alvast gesterkt in mijn voornemen om de literaire marathon in Oostende over de beat generation bij te wonen. Ja, beat, in Oostende, in La Bagatelle, op 29 maart. Come rain or come shine.

HET WEERZINWEKKENDE SPEKTAKEL VAN KERK EN NIEUWE ORDE

hugo claus,guillotine,kerk,katholiek,nieuwe orde,vlaams belang,euthanasie,lezen,boeken,revolutie,sixties,zedenschennis,media,censuur,geschiedenis,tedere anarchisten

Hugo Claus was nog maar net dood of de kardinaals en paters kwamen weer vanonder hun stenen gekropen of trokken zich aan de haren omhoog uit hun met mest gevulde vergeetputten. Ik dacht inderdaad dat het katholieke Vlaanderen al sinds omstreeks 1970 dood en begraven was. Hugo Claus had, dacht ik, in die omwenteling, samen met duizenden andere mensen van goede wil, een belangrijke rol gespeeld. Niet de schreeuw om Leuven Vlaams had veel indruk op me gemaakt, maar wel de veroordeling van Claus wegens zedenschennis omdat – als ik me nog goed herinner – in een van zijn toneelstukken drie naakte mannen de rol van god hadden gespeeld. Ik vond het niet meer dan normaal dat drie naakte mannen de christelijk god vertolkten. Een groot deel van de bevolking had met die veroordeling gelachen, Claus wellicht nog het meest. Ik dacht dat daar de belangrijkste kentering lag. Dat de bevolking vanaf de jaren zeventig niet langer godvruchtig was en niet meer gedwee luisterde naar de paus en de kardinaal. Dat de kerken leegliepen, dat zo goed als niemand nog priester of pastoor wilde worden. Ik dacht dat een nieuwe, geseculariseerde maatschappij was ontstaan.

Inmiddels heb ik begrepen dat de zo verafschuwde kerk waarschijnlijk minder schadelijk was voor het domgehouden, verblinde volk dan de terugkeer van de nationaal-socialistische ideologie. Mannen met megafoons, die haat en intolerantie predikten, die naar uitsluiting verlangden, mannen met lelijke gedachten en hoofden als van gruwelijke, denkbeeldige wezens, mannen uit nachtmerries ontsproten, die onmin zaaiden en wat uit de tijd van de bloemen was ontstaan met veel gretigheid vertrapten. Wat de kerk niet had kunnen doen, deed de nieuwe orde. En de media groeiden en verkondigden de boodschap. De media verkondigen elke boodschap waarvan ze vermoeden dat het de bevolking doet watertanden. Hoger-Lager, het Rad van Fortuin, pedofilie, de tsunami, het Vlaams Belang. Het maakt niet uit: voor de media is het een pot-pourri. De mannen die daar aan de touwtjes trekken zijn cynici. Ze weten dat het afschuwelijke een grote aantrekkingskracht heeft op bijna alle mensen. Ook wij weten dat, omdat we Edgar Allan Poe (‘The Imp Of the Perverse’) hebben gelezen en Baudelaire (‘Une Charogne’) en Rilke (‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge’), maar meestal doen we er wat dat betreft het zwijgen toe. We proberen niet over het Vlaams Belang, niet over de haat en het afgrijzen te spreken, omdat we vrezen dat we daar wel eens succes mee zouden kunnen hebben en dat willen we kost wat kost vermijden. Ik dwaal echter af.

Ik had het over de dood gewaande kardinaals en paters en hoe ze vanonder hun stenen komen gekropen. Was die tijd dan niet voorbij? De tijd bijvoorbeeld dat je van je ouders geen ‘slechte’ boeken mocht lezen. Ik dacht dat iedereen nu leest waar hij zin in heeft. Dit is toch de tijd van het absolute laissez-faire? Ik heb alvast het geluk gehad dat ik mocht lezen wat ik wilde. Nooit hebben mijn ouders er een opmerking over gemaakt als ik tot diep in de nacht een roman van Hugo Claus, een verhalenbundel van Remco Campert of essays van Simon Vinkenoog lag te lezen. Zelfs Thoreaus ‘Walden’ werd getolereerd. Ik had een klein kamertje, waar ik tegen de wand een collage had gemaakt van foto’s van the Rolling Stones, the Who, en the Small Faces, en van bloemen en blote meisjes. Dat was in 1967 of 1968. Het zal wel een mooie collage geweest zijn, maar helaas bestaat ze niet meer. Ach, bestaan of niet bestaan is relatief. Want hoeveel waardevolle voorwerpen zijn er al niet vernietigd in laten we zeggen Irak. Om het nog niet over de kinderen te hebben, de zwangere vrouwen, de jonge mannen, de meisjes in bloei…

In de krant van vorige zaterdag las ik in een eerbetoon van Christophe Vekeman aan Hugo Claus dat de schrijver, die toch veel jonger is dan ik, door een familielid bijna werd berispt omdat hij als jongen in Claus’ ‘Het verlangen’ zat te lezen. Je houdt het toch niet voor mogelijk dat iets dergelijks zich nog heeft afgespeeld in onze contreien omstreeks 1984. Zo’n stichtend dorpstafereeltje dat eerder thuis hoort in de tijd van de nu zo bejubelde expo ’58… Nee, het gebeurde in een periode waarvan ik dacht dat iedereen aan de coke, speed, of ten minste cannabis zat, 1984! Toen iedereen tegen de kernraketten betoogde. Toen iedereen politiek bewust was en over ecologie en mensenrechten praatte.

de koele minnaar

Nu begrijp ik al wat beter hoe het komt dat de nieuwe orde in de jaren ’90 zo populair geworden is. De massa verbiedt graag, sluit graag ‘het andere’ uit. De kerk deed het nog wel bij Christophe Vekeman, maar haar invloed was toch niet meer zo groot. Een andere, ten minste even gevaarlijk kerk, nam haar plaats in. Maar zoals we zagen niet helemaal. Want in diezelfde krant van zaterdag las ik op de voorpagina de titel in vette letters: ‘Katholiek protest tegen euthanasie Hugo Claus.’ Godverdomme! Meestal gebruik ik geen krachttermen, maar nu moet het. Het moet, godverdomme. Schrijvers, kunstenaars, mensen van goede wil, schop die klootzakken toch eens een geweten! Zorg er met wat jullie maken voor dat zij ‘menschen’ worden, broeders en zusters, wereldbewoners.  Laat het niet zover komen dat wij weer guillotines moeten gaan oprichten. Laat het een zachte revolutie worden. Een zachte revolutie hebben we nodig, en tedere anarchisten.

SCHRIJVEN IN EEN BEHOEFTIGE TIJD

daringman

“…Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiss ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.”
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein.

Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?
Je ‘voelt’ je al miskend sinds omstreeks 1975, dat is al meer dan dertig jaar. Nog erger is de zekerheid dat je uitgesloten en verzwegen wordt.

Je hebt destijds, vanaf je vijftiende, toen de leraren je hadden gezegd dat je een goede pen had, aan heel wat wedstrijden meegedaan, onder eigen naam, en nooit wat gewonnen. Toen je dan op latere leeftijd een verhaal opstuurde onder een gekozen naam, Martin Pulaski, voor een verhalenwedstrijd van De Morgen was je meteen bij de winnaars. Het verhaal werd gepubliceerd in een bundel bij Meulenhoff. Je had inderdaad hard aan dat verhaal gewerkt, maar niet harder dan aan heel wat andere van je vroegere verhalen en gedichten (die alleen in onbekende, onbeminde tijdschriften werden gepubliceerd; met uitzondering van het NVT, daar was je trots op, omdat je in een zelfde nummer stond als Hugo Claus, de eerste Belgische schrijver die je meteen goed vond.)

Het gevoel miskend, uitgesloten, verzwegen te worden vreet een mens geleidelijk aan kapot. Je voelt je almaar waardelozer worden, omdat je je eigen waarde uit het oog verliest en jezelf door de ogen van de anderen bekijkt. Je wordt niet geapprecieerd en trekt daaruit de conclusie dat je niets kunt. Je denkt dat je een dorpsidioot bent, ook al ben je een stedeling. Je gelooft niet dat je iets blijvends kunt maken, iets sterks, iets dat tot de verbeelding van de mensen spreekt. Je bron droogt op. De mensen zeggen: “hij gaat door een diep dal”. En zo is het ook, een diep, donker dal. Hetzelfde dal waar de zelfmoordenaars door moeten, voor ze tot de daad overgaan. Impotentie gaat je leven beheersen. Je hebt geen mogelijkheden meer, wil dat zeggen. Er valt niet meer te kiezen. Je hebt geen ‘macht’ meer, en ook geen ‘wil tot macht’. Wil je nog iets? In het begin wilde je succes, wilde je geliefd worden, door zoveel mogelijk mensen. Daardoor werd je afhankelijk van de anderen. En velen waren als roofdieren, maar erger, en profiteerden van je afhankelijkheid en je zwakheid. Zwakken worden altijd het eerst verscheurd. Je ging jezelf als een slachtoffer zien, een lachwekkend iemand. Een mislukkeling. Iemand die uit de annalen van de geschiedenis wordt gewist. (Je verloor uit het oog dat dat met bijna elke mens gebeurt.) Een slachtoffer is gekwetst, diep gewond zelfs. Meermaals lag je bloedend in de goot. Want in je waardeloosheid zocht je het gevaar op. Zoals Montgomery Clift met zijn geschonden aangezicht koppelde je je lot aan alcohol en medicijnen. Je strompelde door de straten van het donkere dal, op zoek naar een goed verlichte plaats waar vreemden je zouden troosten, vrouwen of mannen, dat maakte niet uit. Ja, zij luisterden naar je donker, dronken gebral, en naar je euforische uitvallen, in het Engels, het Frans, je moedertaal. Je moedertaal die je liefhad en haatte. In je moedertaal werd je verzwegen en miskend. In de bars sprak je een nieuw Esperanto, het was het zuchten van je nachtziel, die eigenlijk hoorde te rusten. Want je was lichamelijk zwak, dat had je moeder je al ingeprent toen je nog heel jong was. Je was een zwakke jongen. De vele dokters in je leven hadden dat bevestigd. Je was zwak, je moest rusten. Maar hoe zwakker je werd, hoe sterker je wilde zijn. Je daagde het noodlot uit. Je zei dat je alleen maar wilde genieten. Je dacht dat je een hedonist was, met genot als hoogste goed, als god.

Maar je wist heel goed dat je vluchtte, dat je een ontsnappingsroute zocht, een uitweg uit het dal.
En nu probeer je je diepte te peilen, en kijk je naar boven, naar het licht. Je schrijft nieuwe zinnen en luistert naar nieuwe muziek. Je zwartste zinnen moeten je in staat stellen om het lichtste licht te bereiken. Neen, je wil geen Jan Arends worden, geen Woyzeck, die niet in staat is voor zichzelf op te komen, zelfs geen Biberkopf, die van het ene uiterste naar het andere wordt geslingerd. Maar wat wil je dan eigenlijk, jongen? Ja, wat wil je eigenlijk?
Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?

“POËZIE, LIEFDE, REVOLUTIE”

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Gisteravond lag ik uitgezakt op de canapé voor de televisie en overtrad op die manier nog maar eens een van mijn levensregels. Want de tv stond aan. Eerst zag ik de onvermijdelijke Bart De Wever misnoegd in de camera kijken, terwijl hij nog wat krampachtige Vlaams-nationalistische onzin stond te debiteren en met veel arrogantie de hypocrisie en dubbelzinnigheid van zijn partij verkondigde. Ik begrijp nog altijd niet waarom een ‘politicus’ die nauwelijks enige aanhang heeft bij de bevolking zo vaak wordt opgevoerd in de media. Daarna werd aan de hand van straatinterwiews duidelijk gemaakt dat de Franstaligen geen vertrouwen hebben in Yves Leterme. Mijn Frans is tot mijn grote schaamte beneden een aanvaardbaar peil, maar ik heb evenmin vertrouwen in Leterme. Nog een geluk dat de door de Vlaamse media zo gehate Joëlle Milquet toch nog tot de regering toetreedt, om het sociale aspect ervan enigszins te bewaken.

Vervolgens kregen we nog een keer Goedele Liekens in China voorgeschoteld. Als ik Goedele zou heten zou ik zeker mijn naam veranderen. Dat is toch geen naam voor een seksgodin? Ik ben niet echt wat je noemt een mensenhater, maar op een gegeven ogenblik vond ik, nu is het genoeg geweest, deze ‘dame’ verdient’ de guillotine. Over die guillotine was ze overigens zelf begonnen. Goedele Liekens lijkt ervan uit te gaan dat we hier in het Westen allemaal – mede dank zij haar goede raad – een perfect seksueel leven hebben. Dat de Chinezen het niet de hele tijd over vagina, penis en clitoris hebben maar met enige schroom over seksualiteit praten wijst er op dat die mensen toch wat achterlijk zijn en dat ze alleen maar een verdrietig, fantasieloos in-en-uit kennen. Wat kunnen die Chinezen nog veel van ons leren! Maar lang zal de onwetendheid niet meer duren, de zaligmakende Westerse cultuur dringt snel door in hun dagelijks leven, en weldra is iedereen er volkomen bevredigd, zelfs de vrouwen zullen eindelijk een orgasme beleven. Ik ben geen mensenhater, maar arrogante ‘specialisten’ als Goedele Liekens vind ik bijzonder lachwekkend, vooral als ze in de illusie leven dat ze iets weten. Nog een geluk dat ze de zaken op het einde van het programma een beetje relativeerde.

Lang geleden maakte ik hier een lijst van verwenste en vervloekte ‘bekende Vlamingen’. Wim Opbrouck stond daar ook in, meen ik mij te herinneren. Sinds gisteren moet ik wat dat betreft mijn mening herzien. Wim Opbrouck is een beminnelijk en gecultiveerd man. Waarschijnlijk ergerde ik mij aan zijn alomtegenwoordigheid in de media, en dat is nog altijd zo. Ik begrijp niet waarom zulke prachtkerels als Opbrouck zich zo laten misbruiken. Gisteravond in Lux XL echter heeft hij het omgekeerde gedaan. Hij heeft de televisie gebruikt om wat schoonheid, vooral muziek en stilte, in de huiskamers naar binnen te flitsen.

Veel van de fragmenten die hij gekozen had, hebben me diep geraakt, het meest van al de pianospelende ‘gekken’ Henryk Gorecki en Reinbert De Leeuw, maar ook de kunstenaars Gregor Scheider en Wolf Vostell (ik kende geen van beiden), Leonard Bernstein, Miles Davis en de filmregisseur Henry Jaglom (waar ik vroeger een aantal films van heb gezien, onder meer ‘Can She Bake A Sherry Pie’ met Karen Black). Wat mij het meest ingenomen heeft voor Wim Opbrouck was zijn pleidooi voor stilte. Ik heb hier al meermaals mijn beklag gedaan over de onbeschoftheid van mediatypes die hun gasten niet laten uitspreken, die geen seconde stilte kunnen verdragen. Kort voor zijn dood heeft Jacques Derrida daar nog op gewezen. Nu deed Wim Opbrouck het ook, en dat siert hem zeer.

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Ik had inmiddels bijna de vorm aangenomen van onze canapé, dus bleef ik maar liggen waar ik lag en keek nog naar Phara, helemaal gewijd aan Hugo Claus. Het was een mooi, respectvol programma met als gasten Cees Nooteboom, Piet Piryns en Suzanne Holtzer, Hugo Claus’ redacteur bij de Bezige Bij. Het leek wel alsof Phara en Lieven van Gils de opmerking van Wim Opbrouck over het laten uitspreken (of zwijgen) van gasten hadden gehoord, want zelden werd een van de drie zeer boeiende genodigden onderbroken. Ik heb zeer gefascineerd naar het gesprek zitten kijken en luisteren. En ik ben ook hevig geschrokken.  Dat kwam door niet meer dan een toeval – maar zoals u weet hecht ik veel belang aan het toeval. Want nu bleek dat de laatste woorden van Hugo Claus waren: “niet buigen!” (in Vlaams dialect: “nie pleuije”). En wat had ik hier op 19 maart meteen na het vernemen van het overlijden van de schrijver genoteerd? “Ga niet met gebogen hoofd in de donkere nacht.” Vreemd, toch. Maar wat ik nogmaals wil benadrukken: dit was een uitstekend gesprek, iets wat je zelden op televisie ziet.