NEW YORK CITY HERE I COME

public library new york

“You should live in New York City. America’s largest city will ensure that you will blend into the crowd. You are the brooding type–introspective, creative, and eccentric–and NYC’s cutting-edge, individualistic culture and ambience will appeal to you.”

Ik haat kwissen, eraan deelnemen is zowat het domste wat je kunt doen, vind ik. Nu zondig ik al twee dagen tegen mijn eigen stelregel… Waar gaat het met me naartoe? In deze belachelijke kwis ging het erom welke stad het beste bij je past. Uit mijn antwoorden blijkt dat ik een New Yorker zou moeten zijn. Misschien klopt dat nog wel ook.

Vorige zondag was ik plotseling razend populair. Duizenden en duizenden bezoekers kwamen hier over de vloer. Daarna gingen ze weer weg, zonder een boodschap achter te laten, alsof deze plek een donker en grauw station is, waar je je zo snel mogelijk uit de voeten moet maken. Je zou er wel eens voor onaangename verrassingen kunnen komen te staan. Als dat zo is, dan ben ik degenen die hier zo vaak komen lezen en zelfs af en toe – of heel vaak – een commentaar schrijven bijzonder dankbaar.

Foto: MP in de Public Library in New York City

VOETZOEKERS OF VOETNOTEN?

Hoe ontstaat zo’n tekst als ‘Heaven’s Gate’? Je zit naar nog maar eens een miskend meesterwerk te kijken, in dit geval ‘Heaven’s Gate’, de 220 minuten durende film van Michael Cimino, gebaseerd op de Johnson County Wars in Wyoming, die plaatsvonden op het einde van de 19de eeuw. In 1980, toen de film werd uitgebracht, werd hij door vooral Amerikaanse recensenten grondig afgekraakt. Het publiek bleef massaal weg. De zeer dure film werd bijna overal een regelrechte flop, met uitzondering van een aantal Europese cultuursteden.

In ‘Heaven’s Gate’ wordt veel gedanst, gemusiceerd, en er wordt een bloederige, wrede oorlog uitgevochten tussen rijke veebaronnen en hun huurlingen enerzijds en boeren-immigranten (vooral uit Oost-Europa) anderzijds. Er is een subverhaal over de liefde van zowel Kris Kristofferson als Christopher Walken voor Isabelle Huppert, in deze film mooier dan ooit, en nog zo jong. Zij is de tragische heldin van het verhaal. Tragische heldinnen moeten sterven.

De mooiste scène is wellicht die in de danshal ‘Heaven’s Gate’, waar de boeren dansen op rolschaatsen – met op de voorgrond adembenemende muziek van de toen jonge componist en muzikant David Mansfield. Hij is trouwens meermaals te zien in de film. Dylan-bewonderaars zullen de engelachtige David Mansfield ongetwijfeld kennen; in de jaren ’70 speelde hij in Dylans begeleidingsband, onder meer op ‘Street Legal’, ‘Bob Dylan at Budokan’ en ‘Hard Rain’. Te zien is hij in Dylans ook al zeer lange film ‘Renaldo and Clara’. Zelf heb ik hem in 1993 live zien optreden in The Bottom Line in New York waar hij toen Lucinda Williams begeleidde op viool.

Terwijl ik naar de film zat te kijken, een Duvel dronk en mijn emoties de vrije loop liet, werd ik opnieuw opgezweept door de soundtrack en verbluft door de Ciminos beeldenrijkdom en geweldige montage. Cimino stelt dat de Verenigde Staten gebaseerd zijn op uitbuiting, geweld, hypocrisie en verraad.

Ik nam vlug een langwerpig velletje papier om er wat woorden op te noteren. Door die langwerpige vorm moest ik de woorden onder elkaar zetten, zodat er qua vorm een gedicht ontstond.

De volgende dag heb ik eens gekeken naar wat ik neergeschreven had. Ik zag het bruin en het groen van de aarde in Wyoming en het bruin van de kleding en hoeden van de boeren.  Het asgrijs van de dood die hen boven het hoofd hing. De immigranten zagen er vermoeid uit, de aarde leek hen niet toe te lachen. Je zag beelden van een grauw en donker bestaan. Daartegenover enkele ogenblikken lichtheid, van het walsen op rolschaatsen in een grote houten danshal waar een orkestje opgewekte en tegelijk melancholische muziek speelde. De boeren waren moe, maar in zekere zin onbezorgd. Ze wisten nog niet dat de asgrauwe dood op hen wachtte.

Op mijn papiertje trof ik sporen aan van de lichte huiduitslag waar ik last van had, ten gevolge van antibioticagebruik. In de proloog van ‘Heaven’s Gate’ neemt Cimino je mee naar de universiteit van Harvard (in werkelijkheid is het Oxford, maar in film mag dat, het Vietnam van Kubrick is een oud fabrieksterrein ergens in Engeland). Er worden diploma’s uitgereikt, er wordt feest gevierd, gewalst. Harvard, een rijke, lichte wereld. De jonge mannen die hier afstuderen zullen van het nog jonge, ruwe land een beschaafde natie moeten maken. Maar zullen ze daar in slagen? Zijn de natuur en de aard van de mens niet weerbarstig en opstandig als het om cultuur en fijne manieren gaat? Worden verfijnde mensen in ruwe streken niet belachelijk gemaakt of afgeslacht? Denk maar aan Peckinpahs ‘Straw Dogs’. Denk maar aan William Wylers ‘The Big Country’.

In mijn hoofd waren de walsers aan het jiven geslagen, wat natuurlijk een anachronisme is, maar in een gedicht mag dat. De natie waar ik het over het is de VS maar het gaat uiteraard ook over België. De vader is de rector van de universiteit, en is mijn eigen vader, die toen ik klein was graag Willem II sigaren rookte. Hij is een gewone man, een boerenzoon – het praktische nut van een diploma lijkt hem gering. Je kunt er geen grond mee bewerken noch de mijnschacht in.

David Mansfield speelt de hele tijd door op de blauwe gitaar van dichter Wallace Stevens. Diens lange gedicht ‘The Man with the Blue Guitar’ is in het Nederlands vertaald door Rein Bloem. Peter Case verwees er enigszins ironisch naar in de titel van een van zijn elpees: ‘The Man with the Blue Post Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar’ (op die plaat staat de schitterende song ‘Entella Hotel’ geduldig op luisteraars te wachten). De oesters verwijzen naar de als oesters levende burgers uit Hölderlins ‘Hyperion’. En het gedicht eindigt met een deuntje van Howlin’ Wolf alias Chester Burnett.

Ω

(1. / Van mijn lippen valt schimmel / en woorden in het gruwelgrijs van de dood / van mijn lippen op de oude aarde / groen en bruin de mensen moe. // Onder de maan alleen een blauwe melodie / aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt / een wegebbende echo nog maar / na een eeuw walsen en jiven en zweten. // 2. / De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar / Willem II, onverrichter zake. / Boven zijn hoed wappert de vlag / van een natie de mensen moe. // Wenst me geluk met mijn diploma, / veel succes etcetera etcetera – maar, / filosofen komen niet verder dan oesters, / vertrouwt hij me toe. // Kijk naar de historie, / Wyoming, de trek naar de Far West / tot aan de Pacific, / kijk hoe dat verhaal afliep: / follow me baby, have a real good time.)

HEAVEN’S GATE

Opgedragen aan Michael Cimino en David Mansfield.

1.
Van mijn lippen valt schimmel
en woorden in het gruwelgrijs van de dood
van mijn lippen op de oude aarde
groen en bruin de mensen moe.

Onder de maan alleen een blauwe melodie
aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt
een wegebbende echo nog maar
na een eeuw walsen en jiven en zweten.

2.
De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar
Willem II, onverrichter zake.
Boven zijn hoed wappert de vlag
van een natie de mensen moe.

Wenst me geluk met mijn diploma,
veel succes etcetera etcetera – maar,
filosofen komen niet verder dan oesters,
vertrouwt hij me toe.

Kijk naar de historie,
Wyoming, de trek naar de Far West
tot aan de Pacific,
kijk hoe dat verhaal afliep:
follow me baby, have a real good time.

DE TECHNIEK VAN GUY CLARK

guy clark,townes van zandt,steve earle,techne,emmylou harris,muziek,country,instrumenten,tehcniek,pop,folk,texas,verhalen,kunst

Gisteravond zat ik nog een keer te luisteren naar ‘Better Days’ van Guy Clark, de singer-songwriter uit Texas die over enkele dagen 66 wordt en in ons land nog steeds even weinig bekend is als bij het verschijnen van ‘Old No. 1’, zijn verrassend debuut uit 1975.  Maar liefhebbers van americana noemen hem meestal in één adem met Townes Van Zandt en Steve Earle. Townes is inmiddels dood en een legende en Steve Earle berucht en (bijna) beroemd. Waarom vallen de liedjes van Guy Clark dan zo weinig in de smaak? In België houden maar weinig melomanen van countrymuziek; soms wordt over het genre zelfs met afgrijzen gesproken en geschreven. Waarschijnlijk te wijten aan de nasale stemmen, de realistische teksten – en in sommige gevallen aan de sentimentaliteit en de kitscherige kostuums.

Maar Guy Clark een typische countryzanger noemen zou verkeerd zijn. Zijn stijl leunt meer aan bij folk; zijn songs zijn verhalen, soms gedichten. Sentimentaliteit is hem vreemd. Hij heeft het over zeilboten, tomaten, de mandoline van Picasso, spullen die werken (“stuff you don’t hang on the wall”), gitaarsnaren, de Texaanse keuken, whisky, de laatste revolverhelden, instantkoffie, daklozen, hotelkamers, timmerlieden, enz. Je hoort op zijn platen veel plezier en bezieling, zowel in zijn warme stem als in het verfijnde spel van de muzikanten die hem begeleiden. Voor hen is het een eer erbij te mogen zijn. Je voelt aan dat ze houden van zijn levensechte songs, van zijn warme persoonlijkheid. Jammer toch dat niet wat meer muziekliefhebbers Guy Clark’s parels uit het duister tevoorschijn halen. Bij ons wordt het zelfs moeilijk om nog platen van de man te vinden. Maar de liedjesschrijver uit Texas volhardt. Zijn liefde voor het vak is groot. Ja, net als een timmerman of een meubelmaker is hij een vakman, wat hetzelfde is als een kunstenaar, zeker als je kunst als τέχνη (techné) beschouwt, wat de oude Grieken deden. Toch wordt techniek vaak als het tegenovergestelde van kunst beschouwd. Kunstenaars mogen in dat geval geen vuile handen hebben, zangers geen rauwe stem, gitaristen geen bloedende vingers. Op de hoezen van Guy Clark’s platen zie je wel eens mooie afbeeldingen van instrumenten, zelfs van schaafsel. Dat is geen toeval: de liedjesschrijver is ook ‘luthier’, hij herstelt en maakt gitaren. Is dat de reden waarom in de opnamestudio zoveel zorg wordt besteed aan de klank van gitaren, violen, mandolines, en andere snaarinstrumenten? Voor de ‘crafstman’ naar de studio trekt schaaft hij lang aan zijn teksten, dat hoor je al bij een eerste beluistering. Toch is het eindresultaat niet klinisch, niet ‘perfect’. De songs zijn ruwe diamanten, om de titel van een elpee van John Prine aan te halen.

Ja, en gisteravond kreeg ik nog een keer tranen in de ogen bij ‘Randall Knife’, het lied dat Guy Clark schreef naar aanleiding van de dood van zijn vader. Zonder sentimenteel te zijn weet de zanger met die song toch keer op keer het hart te raken. ‘Better Days’ is waarschijnlijk zijn beste langspeelplaat, maar heel zijn oeuvre verdient bestaansrecht. Schitterend is ook ‘I Don’t Love You Much Do I’, terug te vinden op ‘Boats To Build’ en op de pas verschenen ‘Songbird’-box van Emmylou Harris. En er is nog veel meer moois. Zal ik nog eens een lijstje maken?

RANDALL KNIFE – GUY CLARK

My father had a Randall knife
My mother gave it to him
When he went off to WWII
To save us all from ruin
If you’ve ever held a Randall knife
Then you know my father well
If a better blade was ever made
It was probably forged in hell

My father was a good man
A lawyer by his trade
And only once did I ever see
Him misuse the blade
It almost cut his thumb off
When he took it for a tool
The knife was made for darker things
And you could not bend the rules

He let me take it camping once
On a Boy Scout jamboree
And I broke a half an inch off
Trying to stick it in a tree
I hid it from him for a while
But the knife and he were one
He put it in his bottom drawer
Without a hard word one

There it slept and there it stayed
For twenty some odd years
Sort of like Excalibur
Except waiting for a tear

My father died when I was forty
And I couldn’t find a way to cry
Not because I didn’t love him
Not because he didn’t try
I’d cried for every lesser thing
Whiskey, pain and beauty
But he deserved a better tear
And I was not quite ready

So we took his ashed out to sea
And poured `em off the stern
And threw the roses in the wake
Of everything we’d learned
When we got back to the house
They asked me what I wanted
Not the lawbooks not the watch
I need the things he’s haunted

My hand burned for the Randall knife
There in the bottom drawer
And I found a tear for my father’s life
And all that it stood for

 
Guy Clark

OFFERBOOM

Opgedragen aan Tanya Donelly

Vind je nog een nieuwe vriend
om je offerboom te voeden?
In zijn verboden tuin wacht hij
geduldig op je carneolen vruchten,
kruimeldief die wijsheid steelt
uit een paar vluchtige gebaren.

Lichtvoetig, wreed, melancholiek:
je mag vooralsnog zelf kiezen.
Als je maar vers vlees levert
in je kersenrode rok gewikkeld.
Vind je nog een nieuwe vriend
om je offerboom te voeden?