ZOMER ZONDER INGMAR BERGMAN

zomer met monika 3

Ik zeg in stilte een ongelovig gebed op voor Ingmar Bergman, een van de weinige leermeesters die ik echt heb gehad en erkend, ook al ben ik geen regisseur geworden, wat nochtans mijn roeping was. Allerlei hindernissen hebben mij belet te worden wat ik moest worden. Maar dat is bijkomstig. Stilte is nu de hoofdzaak. De man van de Laterna Magica is overleden. De regisseur van Mijn zomer met Monika, van Persona, van De stilte. Al zijn werken zijn zwijgzame en levendige monumenten die zich hoog verheffen boven het kabaal van het gespuis, boven het helse lawaai van Hollywood en would-be Hollywood (alle pretparken ter wereld). In zijn beelden is geen beeld teveel, in zijn dialogen, geen woord teveel. Bergmans blik door de camera is de blik van de mens bij uitstek. Het is de blik van de denkende mens, met morele en existentiële problemen. Alle films van Ingmar Bergman tonen de schraalheid van de wereld zonder een god. Zoals in de gedichten van Hölderlin hebben in de wereld van Bergman de goden definitief afscheid van ons, mensen, genomen.
En hoe moet het nu verder? Met veel vallen en weinig opstaan, met veel kreten en gefluister, met wreedheid en onderwerping, met onschuld die wordt geofferd aan niemand in het bijzonder, met oorlog, met stilte en schaamte, met schuld zonder zin, met een weddenschap met de dood. Met teloorgang en verlies. Met compassie en liefde.

“Iedereen neukte, ik was de enige die masturbeerde, bleek was, zweette, zwarte wallen onder mijn ogen en concentratieproblemen had. Bovendien was ik mager, liet ik mijn hoofd hangen, was prikkelbaar, voortdurend woedend, maakte overal ruzie, schold en schreeuwde, kreeg slechte cijfers en oorvijgen. De bioscoop en het derde zijbalkon van Dramaten waren mijn enige toevlucht.”
Ingmar Bergman, Laterna Magica

Ingmar Bergman werd 89, trouwde vijf keer en had negen kinderen.

 

DE STAND DER DINGEN / IN MIJN HOOFD

roth

Michel Serrault is overleden. Hij behoorde niet tot de acteurs ‘van’ wie ik alle films wilde zien. Hier wil ik meteen aan toevoegen dat ik niet houd van de uitdrukking ‘een film van’ gevolgd door de naam van een acteur of actrice. Voor mij is een film, zeker op creatief gebied, het werk van de scenarioschrijver, de regisseur en de directeur van de fotografie. Acteurs zijn veeleer uitvoerders. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik acteurs minderwaardig vind. De geregelde lezer van hoochiekoochie weet dat het tegendeel waar is. Michel Serrault hoorde niet tot mijn ‘helden’, maar vaak vond ik hem echt goed, ook in kleinere rollen. Meteen schieten deze films me te binnen:   Préparez vos mouchoirs, Buffet froid, de onvergetelijke misdaadfilm Mortelle randonnée van Claude Miller. Heel goed was ook Les fantômes du chapelier, naar een roman van Georges Simenon.

Leterme wordt terecht niet aanvaard door de Franstalige media. Ik hoop dat hij evenmin aanvaard wordt door de Waalse en Brusselse bevolking. Ik begrijp niet dat Nederlandstaligen een dorpspoliticus van derde categorie wel als federaal premier kunnen accepteren. Als ik de man hoor praten krijgt mijn huid meteen een gelige kleur – en de zonnebank is zo ongezond. Alleen al zijn ‘biechtstoel’ vult me met hevige angst en walging. Ik heb tijdens mijn kinderjaren voldoende biechtstoelen gezien voor zeven levens die geheel in het teken staan van psychotherapie. Een goede leerschool voor Leterme zou zijn, lees In Europa van Geert Mak, en maak zelf ook eens diezelfde reis. Zie wat het nationalisme heeft aangericht. Zie de tragedies. Zie de massagraven. De hele NVA mag voor mijn part met hem meereizen.

Ik heb pijn aan de ogen, kan moeilijk lezen en schrijven. Mijn hoofd zit propvol Berlijnse beelden. Zou dat de oorzaak zijn? Maar ik denk toch ook aan Neil Young die al een paar dagen slecht zag, naar de dokter ging en een gezwel in de hersenen bleek te hebben. Gelukkig is het allemaal nog goed gekomen en brengt hij nu eindelijk stukjes uit zijn archief uit.

Paling in het groen heb ik gegeten in Weert, in de buurt van Buitenland. Dat schijnt een dorp te zijn. Eerst het lelijke Vlaamse landschap doorkruist, tot aan de Schelde. Daar is het wel bijzonder mooi, een zo goed als ongeschonden landschap. Ik schrijf dit neer zoals het komt. Concentratiestoornissen staan mij niet toe om eerst te denken, een vorm te bedenken en dan te schrijven. Die stoornissen zullen wel samenhangen met dat slecht zien. Of met The European Son, waar ik nu naar luister. Shouldn’t there be some kind of structure?  Ik ben niet bij machte om structuur aan te brengen. Denk aan de free jazz-improvisaties van Ornette Coleman. Er ontstaat vanzelf structuur, thema’s dringen onwillekeurig je tekst binnen. Er valt niet te ontsnappen aan de orde van de taal. Of is het de taal van de orde? Samen met mijn levensgezellin zat ik achter in de auto en we reden en reden Scheldewaarts. Onze vriendin Rita achter het stuur, naast haar Jules met de wegenkaart van België bij de hand. In een droom liet ik mijn vrouw in de steek voor een veel jongere vrouw, die ik nooit had gezien. Ik moest pakken, maar ik had zoveel bagage! Mijn koffers waren er te klein voor. Ik stelde mijn reis uit en miste de trein. Wie was dan toch die nieuwe, mooie, jonge geliefde? Een Berlijnse die ik in mijn hotel aan het ontbijt had gezien, misschien?

Gisteravond voor het slapengaan las ik nog wat in Hotel Savoy van Joseph Roth. Er zou wel eens verband kunnen bestaan tussen de droom hierboven en dat wonderlijke boek. Niet met Zomergasten, waar ik zeer gefascineerd drie uur lang naar heb zitten kijken. Een gesprek tussen Joris Luyendijk, een perfecte gastheer, en zijn gast, de Maastrichtse advocaat Bram Moszkowicz. Het is vandaag verre van mijn bedoeling om dat gesprek uit de doeken te doen. Wat mij vooral opviel was het respect van Joris Luyendijk voor Moszkowicz. Nooit werd de advocaat onderbroken, zelfs niet als hij zat te aarzelen of even zweeg. Er werden bijzonder weinig fragmenten getoond, ook dat viel op. Het programma had wel iets van Shoa, zonder – natuurlijk – zo vreselijk aangrijpend te zijn.

In Berlijn had ik drie boeken bij en vier gidsen, maar ik heb niets gelezen, alleen in de gidsen wat. Berlijn, Berlijn, Berlijn. De Auguststrasse, de Oranienburgerstrasse, de Sophieenstrasse. Ja, ja, ik wil echt wel terug. Binnenkort vertel ik er nog wat meer over. Ik zou het over de tentoonstelling kunnen hebben die in het Hamburger Bahnhof liep, met als thema Schmerz / Pain. Na vier uur ben ik er, ten prooi gevallen aan zeker zeven nieuwe ziektes, buitengevlucht. Naar café Oranium en het Krusovice-bier en mijn Duitse vrienden.

Afbeelding: Joseph Roth.

BERLIJN SCHRIJVEN

don't look back

Het valt me moeilijk om nu al over Berlijn te schrijven. Ja, ik schrijf wel degelijk ‘nu al’, omdat waarnemingen, ervaringen en gesprekken eigenlijk een tijd zouden moeten bezinken. Wat belangrijk is blijft wel bovendrijven, zij het met als risico dat alles aan de vergetelheid wordt prijsgegeven. Als ik mij er nu toch aan waag resulteert dat in een wirwar van indrukken, van schamele woorden aan elkaar gerijgd. (En mijn ogen doen pijn omdat ik tot na middernacht obsessief lijstjes heb zitten maken op dit scherm. Bizar of belachelijk?)

Het lot – of is het toeval – dwingt mij ertoe om in de eerste plaats terug te denken aan het Begrgruen Museum, met de mooiste Picasso-verzameling die ik ooit zag, en ik heb er al vrij veel gezien, onder meer in Parijs, Malaga, Barcelona en New York. De Berggruen-verzameling grenst aan de perfectie. Zelden heb ik in een museum kunstwerken zo heerlijk stil bij elkaar zien hangen, alsof de kunstenaar niets anders beoogd heeft dan zijn werken op deze manier te presenteren. Behalve werk van Picasso zijn er schilderijen te zien van Matisse. Eén verdieping van het gebouw is aan Paul Klee gewijd. Heinz Berggruen, die dit jaar is overleden, was persoonlijk bevriend met Pablo Picasso, waardoor hij bijna vanzelf de belangrijkste verzamelaar van diens werk werd. Via Picasso kwam Berggruen in contact met veel andere kunstenaars, zoals Henri Matisse en Alberto Giacometti.

In het café Oranium, waar ik elke avond twee grote glazen bier van het merk Krusovice ging drinken, die heerlijk smaakten, omdat het zeer warm was en omdat het echt lekker bier is, maakte ik kennis met een stel oudere Duitsers. Iedere avond kwamen ze met hun gehandicapte zoon aan de tafel naast de mijne zitten en probeerden we – ondanks de grote verschillen in leeftijd en interesse – met elkaar te converseren. De man, Clemens, was geboren in 1933. Zijn vrouw, Inge, was veel jonger, ik geloof dat zij een oorlogskind was, 1941 of zo. Hun zoon, die in een rolstoel zat en met zijn tenen kon typen, was 41. Het was een guitige jonge man, die heel graag naar de prachtige Berlijnse vrouwen keek. Dat deed ik zelf ook met veel gretigheid, maar Bernd hoefde zich nergens voor te schamen, terwijl ik, om naar een schaars gekleed voorbijfietsend meisje te kijken, heel wat schroom moest overwinnen. Nergens zijn er mooiere vrouwen dan in Berlijn. Daarom wil ik er ook zo snel mogelijk gaan wonen. Voor het te laat is. Ik zat daar dan in de Oranienburgerstrasse, vlakbij de grote synagoge, halfdronken Duits te verzinnen om iets over Claus Schenk von Stauffenberg te vertellen, over wie ik die dag net een tentoonstelling had gezien, of over het Berggruen Museum. Die tentoonstelling – eigenlijk was het een museum – toonde dat er veel verzet bij sommige Duitsers (katholieken, communisten, sociaal-democraten) is geweest tegen het nazi-regime. Von Stauffenberg was een van de voortrekkers van de samenzwering tegen Hitler. Over Cindy Sherman hield ik mijn mond, ik wilde die oude mensen niet beschamen. Ze dronken altijd limonade. Bernd, de zoon, kreeg wodka orange, die hij met een rietje dronk. Ik denk dat hij ongeveer dezelfde roes moet gevoeld hebben als ik. Een combinatie van alcohol, hitte, de drukke rust van Berlijn, de verleidelijke vrouwen, evenals een aantal zeer langbenige prostituees.

Later op de avond spraken de prostituees mij aan. I can give you a great, great time, zeiden ze. I already have a great time, zei ik. And I don’t have the money to pay a pretty woman like you. That doesn’t matter, zeiden ze. For you we do it for free. Misschien hadden ze die dag al genoeg verdiend, wie zal het zeggen. Ik heb me vlug uit de voeten gemaakt. De plaat gepoetst. De aftocht geblazen. Hotelwaarts om er de slaap der onschuldigen te slapen. Met mijn Duitse vrienden zou ik nog vaak van gedachten wisselen. Hier moet ik om dwingende redenen mijn relaas afbreken… Wordt waarschijnlijk vervolgd.

Afbeelding: Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz. Foto: Martin Pulaski.

OP EEN DAG IS ALLES AFGELOPEN

Op deze niet zo fraaie zomerdag wilde ik de toevallige lezer de volgende zinnen vooral niet onthouden.

“Op een dag kom je thuis en weet: van nu af aan moet ik voor alles boeten, en vanaf dat ogenblik ben je oud en dood. Op een dag is alles afgelopen, hoe lang het leven ook nog voortduurt. Eens en voor al ben je dood, en alle schoonheid, dat wat geluk is en geluk kan zijn, de rijkdom en alles heeft zich teruggetrokken, voor altijd.”

Thomas Bernhard, Vorst.

ALCHIMIE VAN DE OORLOG

 

Zwarte hemel glimlacht zijn pulp-
verhaal: een en al, guldentranen.
Muziek voor galspuwers glijdt tussen regels
noot voor noot in het oor.

De danskampioen en zijn schaduw
tellen tot twee, op het groen, op het wit.
Tellen tot twee is van de kunst afzien
op een waterloop te lopen, te lopen.

Drie matrozen, al, glijden zij in rood
gevat onder de driekleur door. Ijzig,
zo zonder gedachten. Zij slachten de camera-
man. Toch niemand die hem ziet.

Vier windstreken raken hun haren niet,
netjes gekamd, zoals zij voorbij glijden, zo,
hun handen gewijd aan het geslacht
of dat van de krijg, zoals ze zich geven, toch.

Bij een vijver liggen vijf, vijftig kinderen
en vliegen, vliegtuigen strijken weer neer.
Lijken pikken ze op, blik, geel en vochtig,
de mannen in staat tot genade, tot zingen.

Leedvermaak en kunstjes leiden tot catastrofes.
Dansers verstarren onder zoveel sterren.
O God, waar zijn de messen van weleer?
De wijsheid en veel vijven en zessen?