EEN AREND IN DE ARENA

 

Vandaag is de dag dat ik naar de arena trek
om er in de rode leegte te verdwalen
om er aan de kersentuin van mijn jeugd te denken
en de namen van dorpen aan de rivier
waarin hun ziel zich spiegelt.

Ik zie mezelf in het centrum zitten, en
geen stier te bespeuren. Fossielen in jouw mond
tot dieren van de lust gemaakt. Een lieve lust
voert me naar de kermis met jou. In de rups
een ogenblik je kersenlippen gekust.

Vandaag is de dag dat ik naar de arena trek
om er mijn en jouw verwarring te ontwarren
want wat te denken van de arend die op vrijdag
een paar meter boven onze hoofden vliegt
en van de veroveraar die gaat liggen aan zijn grens
als hij zich het geklop van je hart herinnert?

In zijn rode leegte loop ik leeg in licht
om je later als ik je weerzie mijn donker te besparen
zodat jij je glans behoudt en schittert in de nacht.
De goden die ik uitvind spreken je naam uit
als ik hen naar de naam vraag van hun tempel
waar in hun okeren nissen hun beelden
mij met jouw stem geluk en onheil voorspellen.

Daar buiten ontspoor ik. Verlies ik het Noorden.
Raak ik ontketend, ontstoken, getekend.
Op drift zoek ik een teken van jou, van herkenning,
een duidelijk punt. In het oog van de storm.
Het scherpe zand van de woestijn. Verbluft sta ik stil
of zwaai met mijn armen, loop alle richtingen uit
tot ik aan de laatste rivier mijn laatste donker verdrink
als het lover zich een weg fluistert uit het geraas
en gebral van de blinde dwazen die wij zijn.

Daar buiten kleed ik het toeval uit
tussen vriendelijke mensen die ik mijn denken onthoud
En mijn mond is vol treurig genot
op de dag dat de dode zielen worden bespot.
Jij staat daar op uit de grond en valt op me neer
met de sterren van vandaag. Je komt me toe
omdat ik de wereld wonden van licht
heb toegeworpen. En als ik je zie kom ik op adem
en tref ik mijn stieren stervensbereid aan voor jou,
je geheimen, je in de zon uiteenspattende namen.

De rups en vervolgens de vlinder nemen het woord.
Geven het mij, stoten het in mij omhoog,
ik schud het voor jou uit mijn veren.
Een woord, en dan nog een, en nog een,
het volgende haalt het volgende uit een opening
in je lichaam. Het was er prettig vertoeven
maar nu moeten ze er allemaal uit:
tijd om te openbaren.

 

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD II

dood,leven,literatuur,popcultuur,ontspanning,seks,lust,film,muziek,pop,westerns,opsomming,lijst

  1. Ik heb vandaag ‘Easy Tiger’ van Ryan Adams en ‘Dear Companion’ van Meg Baird, de zangeres van Espers, gekocht. Geen van beide plaatjes verrast me nog. Ik zal niet zeggen: verveling, gegeeuw, maar wel een grote onverschilligheid. Wat was the Cake levensbevestigend in vergelijking met dit zoeken-en-niet-vinden-van-melodieën.
  2. Ik heb mijn knie tegen de trapleuning gestoten.
  3. De zon schijnt, maar hoelang nog?
  4. Ik heb vandaag afscheid genomen van een goede collega, die vandaag verjaart en op pensioen gaat.
  5. Toen ik vandaag thuis kwam lag een boekje van Paul Nougé binnen handbereik. Ik sloeg het open en las dit: “Seule une longue patience nous garde de mourir.” (uit: Quelques Bribes).
  6. Ga terug naar af, u mag de kassa niet passeren, betaal en ga terug naar de gevangenis.
  7. Louis-Ferdinand Céline.
  8. Michel Houellebeck.
  9. Auto’s, motoren, fabrieken, tabakrokende soortgenoten, madame Pijp, Petoetje en Petatje.
  10. Het idee van Irak en Afghanistan in het hoofd van Bush (en zijn trawanten).
  11. Het Belgische zakenleven in China.
  12. Het zakenleven in China.
  13. Avonturiers die orkanen trotseren, of Polen bedwingen.
  14. In de modder liggen luisteren naar het ‘wereldverbeterend’ gezeur van Peter Gabriel en het navelgezanik van Tori Amos.
  15. Elke zin van Gustave Flaubert.
  16. De films van Abel Ferrara.
  17. De prijzen van hotels in Venetië.
  18. De buurt rondom de Beurs van Brussel na middernacht (en vroeger).
  19. Mannen met haar op hun bovenlijf die bovendien graag boksijzers en andere geniepige wapens hanteren.
  20. Mannen en vrouwen die graag wapens hanteren.
  21. Huurlingen.
  22. Wapenfabrikanten.
  23. Cafébazen die niet om hun klanten geven.
  24. De foto’s van Nan Goldin.
  25. Billy the Kid en de overige helden in het Wilde Westen.
  26. Het Wilde Westen.
  27. Scholen en kazernes.
  28. Het stille leven.
  29. Het dagelijks bestaan in kleine dorpen ver weg van alles en iedereen.
  30. Om de zoveel minuten wordt een vrouw verkracht.
  31. Syd Barrett: “When I live I die.”
  32. De film ‘Thief ‘ van Michael Mann.
  33. Het evangelie van Mattheus

Foto: Nan Goldin

 

THE CAKE

Ik kreeg net een mailtje van Chelsea Lee, een van de drie zangeressen van The Cake. Ze was te zien op de clip van I Got You Babe met Tiny Tim. Chelsea Lee en de andere Cake-meisjes zongen backing vocals op tal van elpees in jaren zeventig, onder andere bij Kevin Ayers en Ginger Baker’s Airforce. Nu is er goed nieuws voor Cake fans: hun twee elpees worden binnenkort op cd uitgebracht.
Wat Chelsea Lee over legendarische arrangeur / producer Harold Battiste vertelt is minder goed nieuws.

“good morning, martin
i have signed the contracts for both the cake lp’s to be re-released by revola/poppydisc records. the masters have been redone, so they should sound better than the originals.i spoke to harold battiste last week and he is not in the best of conditions. i believe what has happened in new Orleans – being nearly wiped off the map – has killed his spirit! he works intently to try and rebuild there and the US government does not assist. we never knew the giant of a man we were working with because we were so young!
i did that film with tiny tim before i met and formed the cake. it was just a song i sang once in a while at a club in NYC called THE SCENE. tiny sang there every night for $45.00 a week! he did not wear make-up or the loud clothes he did after the film! thank you, again, for putting our song on your page.
humbly,
chelsea (aka eleanor)”

Foto: the Cake.

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD

Vandaag laat ik met plezier eens iemand anders aan het woord. Dames en Heren, uit Oostenrijk, de onovertroffen mensenkenner Thomas Bernhard:

“Is het u nooit opgevallen dat de mensen kerkhoven bewonen? Dat grote steden grote kerkhoven zijn? Kleine steden kleine kerkhoven? Dorpen nog kleinere? Dat het bed een lijkkist is? Kleren doodskleden zijn? Allemaal voorbereidende oefeningen voor de dood? Het hele bestaan is een eeuwig beproeven van het opgebaard-liggen en begraven-worden.”

Uit: Vorst, vertaling van Thomas Graftdijk.

Tot daar mijn gastspreker van vandaag. Ik heb hier volstrekt niets aan toe te voegen.

I GOT YOU BABE: REIZEN IN DE MUZIKALE RUIMTE

Bijzonder opgetogen dat ik dit stukje uit de film ‘You Are What You Eat’ uit 1968 heb gevonden, zij het via heel wat omwegen (een e-mail van spectropop, myspace van Moby Grape, myspace van miss Chelsea Lee, myspace van the Cake). Dit fragment uit You Are What You Eat is een cover van I Got You Babe door Tiny Tim alias Herbert Khaury en Chelsea Lee alias Eleanor Barooshian. Tiny Tim, bekend geworden met de hit Tip-Toe Through the Tulips, speelt de rol van Cher, Chelsea Lee, zangeres van de wonderlijke meisjesgroep the Cake, neemt Sonny voor haar rekening. Eigenlijk is het al een deconstructie, avant la lettre. De muziek op de achtergrond is van the Band. Je herkent meteen de typische gitaarklanken van Robbie Robertson. Ja, ja, ik ben bijzonder opgetogen. Niet alleen vanwege dit fragment, maar nog meer omdat ik op myspace van the Cake opnieuw die heerlijke, aanstekelijke, onovertroffen popdeuntjes à la Phil Spector heb kunnen beluisteren. Mijn uitverkoren song van the Cake is Baby That’s Me. Maar de Cake-liedjes lonen allemaal de moeite. Chelsea Lee vertelt dat binnenkort cd-versies zullen verschijnen van de twee elpees die the Cake heeft uitgebracht.

En ik ben nog verder gereisd tot bij het lieftallige zangeresje Antonia Bee, die Rainbow Wood van the Cake covert. Soms moet je je kamer niet uit om een heerlijke reis door de ruimte te maken, een muzikale ruimte dan nog wel. Het is ook geen weer om buiten te komen. Het is weer om groene thee te drinken, cake te eten, en een oude krakende plaat van Tiny Tim, the Cake, of, waarom niet, Kevin Ayers op te leggen. Om de dag te besluiten kun je nog wat voorlezen uit Alice in Wonderland. Feed your head!

 

SKALDEN, HASSELT: HOE BEDRIEGLIJK IS HET GEHEUGEN?

SKALDEN

‘Het opzettelijk geheugen’ schrijft Samuel Beckett in zijn studie over Marcel Proust, ‘heeft geen waarde als middel tot evocatie, en geeft ons een beeld dat even ver staat van het werkelijke beeld als de mythe van onze fantasie, of als de karikatuur van de werkelijkheid die door onze directe waarneming wordt verkregen. Over geen van beide bezitten we ook maar de geringste controle.’

Hoe bedrieglijk is het geheugen? Hoe weten wij of wat we ons herinneren strookt met hoe de werkelijkheid zich op het moment van het ‘herinnerde’ aan ons (en aan de andere aanwezigen) voordeed? Ik heb een slecht geheugen, aangetast als mijn hersencellen zijn door veroudering, alcohol, tabak (tot 1977) en geneesmiddelen. Ik heb een slecht geheugen maar ik ben geen leugenaar.

Nu is er die geschiedenis van Skalden, een uniek beatnikcafé in Hasselt – vergelijkbaar met de vroege Muze in Antwerpen – dat ik met enige regelmaat frequenteerde. In feite was het in de periode 1968-1969 de plek waar ik bij voorkeur mijn tijd doorbracht. Ik hield van de sfeer die er hing, van de andere bezoekers, beatniks, hippies, artiesten, muzikanten, anarchisten en filosofen. Het grote verschil met de cafés waar ik nu kom is dat er nauwelijks werd gedronken. Een bezoeker van de Skalden werd nooit gedwongen om te consumeren. Het ging niet om de winst maar om de ruimte. Het principe van gelijkgestemden die elkaar ontmoeten was ‘heilig’ (om een woord van Allen Ginsberg aan te halen). Verwante zielen die elkaar eindelijk zonder argwaan in de ogen kunnen kijken in een – voor de rest – grotendeels vijandige wereld. Van de oudere generatie begreep namelijk hoegenaamd niemand dat dit ‘werkschuw tuig’ (toen) niet geïnteresseerd was in geld noch bezit. De oudere generatie begreep niet dat er andere, nieuwere, betere tijden waren aangebroken.

Omdat ik in een internaat zat opgesloten kon ik niet zo vaak in de Skalden vertoeven als ik wel wilde. Dat zorgde ervoor dat ik een buitenstaander bleef in de ‘bruine kroeg’. Ik behoorde bijgevolg niet tot de ‘inner circle’. Ja, inderdaad, een ‘inner circle’ had je ook in zulke kroegen – en dat was al meteen het begin van het einde, de rotte plek in de appel van de provo’s, want waar een elite bestaat worden anderen uitgesloten. Ik sloot er waarschijnlijk om die reden, maar ook omdat ik een schuchtere aard heb, geen vriendschappen; ik kwam er met de vrienden die ik al had, Luc Verjans, Henry Janssen, Jan Depooter, Guy Bleus en ik leerde er mijn lief Monique, een mooi meisje uit Alken, kennen.

Nu reageert de vroegere uitbaatster van de Skalden, El (Elisabeth), met een vriendelijk commentaar op de foto hierboven, waarvan ik altijd heb gedacht, waarvan ik met zekerheid wist dat hij tijdens het Hasselts Carnaval van 1968 in haar café door een straatfotograaf werd gemaakt. Zij zegt in haar commentaar dat wij, mijn toenmalige vrienden, vriendinnen en ik, ons zeker niet in de Skalden bevonden. Die foto werd ergens anders gemaakt, zegt ze. Kan ik Els woorden in twijfel trekken? Zij is zo zeker van haar stuk. En het was haar café! Maar anderzijds was het daar waar we met ons groepje samen waren gekomen, verkleed en tegelijk niet verkleed. Nee, we waren helemaal niet verkleed, we waren gewoon onszelf, hadden onze buitenissigheid alleen wat geaccentueerd. Maar nu werden we voor een keer niet uitgejouwd, omdat het Carnaval was en de brave mensen die overal in gekke pakjes door de straten liepen dachten dat wij ook in gekke pakjes waren gehuld en net hetzelfde waren als zij. Ha, ha, lekker mis. Wij waren de anderen. Wij waren geen hypocrieten die ons gedurende 364 dagen in een burgerpak door het leven worstelden en ons één dag lang verkleedden als uitzinnige, stomdronken hansworsten.

Ik weet het niet, El. Ik heb je verhaal over de Skalden gelezen op je blog. Sommige gezichten heb ik herkend, vooral dat van Lode, die me af en toe meenam in zijn auto, gewoon voor een ritje, of me naar huis bracht. Je verhaal heeft me droef gemaakt. Zoveel van de mensen die je café bezochten zijn al gestorven! En waar zijn de anderen? Waar is iedereen? Wat gebeurt er met ons? Zijn wij allen  gedoemd om in het leven te mislukken? Is het een grote grap? Een Carnaval? Lijden we met z’n allen aan geheugenverlies en bevinden we ons helemaal ergens anders dan we denken?

KRANTENKNIPSELS: EEN PERSOONLIJKE GESCHIEDENIS

The Days Of Wine And Roses 3
Jack Lemmon en Lee Remick in The Days Of Wine And Roses.

Gisteren heb ik niets gedaan. ’s Avonds ben ik in slaap gevallen bij de film The Days Of Wine And Roses van Blake Edwards. Ik denk dat het een film is over een echtpaar dat aan alcohol ten gronde gaat. Ik werd wakker toen Jack Lemmon alweer was afgekickt, maar Lee Remick nog niet; de drank en de lokroep van de bars bevallen haar te zeer. Voor haar is de wereld een lelijke plek; hij krijgt pas wat glans, een lichte betovering, als ze een fles gin naar binnen heeft.

Vandaag heb ik een zolderkamer opgeruimd. Ik heb veel tijd ‘verloren’ met het doorbladeren van oude krantenknipsels. Veel boekbesprekingen van romans van Paul Auster vond ik terug. (Het wijst op mijn grote bewondering voor de auteur.) De New Yorkse schrijver Paul Auster is furieuzer dan ooit: “Een Bush is een giftige woestijnplant.” Recensies van concerten van Bob Dylan in Vorst. Analyses van stukken van het Zuidelijk Toneel, onder meer India Song van Marguérite Duras, een prachtige voorstelling met de verrukkelijke Chris Nietvelt. De film 21 grams (waar ik een t-shirt van heb) van Alejandro Gonzalez Inarritu. Een bijlage over chronische vermoeidheid. Toen die werd gedrukt had ik daar nog geen last van. Honderd jaar Georges Simenon: hij sliep met 10.000 vrouwen, 7.000 meer dan Henry Miller. Een interview met mijn oude vriend Marc Didden (“Dan is mijn respect voor Neil Young oneindig veel groter, ik ontdekte hem in 1965 en vandaag boeit hij me nog altijd” staat in dat interview zwart op wit.) Mijn oude vriend Guillaume Bijl loodst ons door Art Brussels. De mooie Carla Bruni heeft het over haar eenzaamheid: “Oh, maar begrijp me niet verkeerd. Ik vind het net heel aantrekkelijk om eenzaam te zijn. Ik zoek dat soort omstandigheden ook zelf op. En daarin ligt het verschil: het is geen opgelegd alleen-zijn.”

kunst,boeken,knipsels,recente geschiedenis,schrijvers,films,muziek,theater,leven,brokstukken
Met Marc Didden in Oostduinkerke.

Wat nog meer? De zot van Zomergem, Gie Van den Berghe krijgt de Arkprijs van het Vrije Woord (ik was daar toen nog bij). Nick Cave and The Bad Seeds in Vorst op 24 november 2004. Dat optreden woonde ik bij in het gezelschap van mijn vriend Bart. Bart had zijn kaartje in de auto laten liggen, hij moest een heel eind teruglopen. De opening act, Mercury Rev, hebben we daardoor moeten missen, maar ik heb later mijn schade ingehaald. En Nick Cave was groots. The Cowboy Junkies op mijn verjaardag in de AB, een welluidend en ingetogen cadeau. Wong Kar Wai regisseert 2046. Wat betekenen de begrippen ‘liefde’ en ‘geheugen’? Volksbühne Berlijn speelt ‘Pablo in der Plusfiliale’ in het Kaaitheater. ‘Gaten of toen we niet in het gelid stonden’ in Theâtre National. “Ik ga graag naar school en ik denk dat je de school nodig hebt om iemand te worden.” Een gesprek met Arne Sierens en Alize Zandwijk over het stuk ‘Meiskes en Jongens’ in de KVS. Brussel: Mediterrane hoofdstad van Europa. Jonathan Safran Foer: “Schrijvers mogen heikele onderwerpen nooit uit de weg gaan”. Michael Cunningham: Liefde en dood in New York. Een filosoof onderweg: Stefan Hertmans’ ‘Steden’. Ik las dat boek negen of tien jaar geleden op de trein naar Berlijn. Onderweg naar mijn stad. Tien tips om Tuymans te trotseren: meesterlijk maar moeilijk. Overzicht van Antwerpse schilder in Londense Tate Modern. Koen Vidal in gesprek met Geert Mak over ‘In Europa’. Indrukwekkend retrospectief van de Amerikaans-Britse schilder John Singer Sargent in Tate Gallery. Voor het werk van Sargent stond ik haast met tranen in de ogen in Boston in september 1994. Schilderijen van David Hockney hebben veel plaats nodig, een artikel van Eric Min. Eric Min publiceerde in de jaren ’80 gedichten in ons filosofisch tijdschrift Aurora, gesticht door Leopold Flam. Georges Perec komt dan weer naar voren als de schrijver die vrijwel alles kan: de ernstige speelvogel, de nuchtere socioloog van zijn tijd, de epicurist van het dagelijkse, de ingenieur van de taal, de verhalenverzinner. En om het af te leren nog dit. ‘In ‘Utopie en onttovering’, het essay waarin Claudio Magris de werkelijkheid van haar vermommingen probeert te ontdoen, formuleert de schrijver het in de helderheid van de paradox: “De ontnuchtering is een ironische, melancholische en herstelde vorm van de hoop.” Magris’ opstellen zijn vaak vlammende betogen tegen de sluipende pogingen om het onderscheid tussen goed en kwaad op te heffen en om ons geweten, dat door de schrijver een demon wordt genoemd, te corrumperen en in slaap te sussen.’

Voldoende, denk ik. Deze brokstukken van mijn leven liggen zomaar in een rommelkamer te vergelen. Heb ik dat allemaal gelezen, gezien, gehoord? Onvoorstelbaar. En dat is dan nog maar een kleine, zeer willekeurige selectie en allemaal vrij recent. Veel van wat hierboven wordt opgesomd was ik al grotendeels vergeten. Ik zal de knipsels dan toch maar bijhouden. Ze kunnen mijn geheugen vervangen.