MET BO DIDDLEY GAAT HET BETER

Het is gelukkig niet allemaal kommer en kwel. Ik las dat Bo Diddley, die een beroerte heeft gehad, aan de beterhand is. Daarnaast hoorde ik dat Ryan Adams (Easy Tiger) een nieuwe cd heeft. Gisteren zag ik trouwens het nieuwe schijfje van Chris en Carla (Fly High Brave Dreamers) liggen, maar ik heb het nog niet aangeschaft. Ik weet niet wat me scheelt, maar ik heb de voorbije dagen geen zin gehad om iets te kopen. Misschien zijn mijn driften voldoende bevredigd, maar dat betwijfel ik. Het zal eerder zijn dat ik zelfs te moe ben om een cd te kopen. Maar het blijft een goede zaak dat het beter gaat met Bo Diddley. Ik houd van de man. Van hem heb ik een paar weken geleden nog een schitterende dubbele verzamelaar gekocht, met eindelijk een degelijke, lekkere vettige sound, waarbij dat vuile ritme van Bo, Jerome, the Duchess et al heerlijk gaat klinken. Bo Diddley moet inderdaad goed klinken, cd’s uit de jaren ’80 van de man gooi je best in de vuilbak, die klinken als alle andere rotzooi uit die vreselijke periode. Niet dat het nu veel beter is, met Bush en Wolfowitz en Yves Leterme en Bart De Wever en de hele vermaledijde parade van levenshaters en afgeborstelde marionetten. Die Bart De Wever ligt nota bene wakker van een gedenkteken voor Peter Benoit, terwijl de wereld naar de verdoemenis gaat. Ik weet overigens helemaal niet meer voor wie ik nog kan stemmen. Die kerels zijn allemaal waardeloos, en de politica’s gaan dezelfde richting uit. Jongens toch! Vroeger was er nog klein links en eventueel de groenen, maar waar zijn klein links en de groenen naartoe? Ik kan nergens meer heen. Dakloos ben ik. Geen grond meer onder de voeten. Het Vlaams Blok ligt al op de loer… Maar liever op mijn blote voeten naar Fatima dan een stem voor dat geteisem. Ik zal zoals Diogenes de volgende dagen op zoek moeten gaan naar een mens. Een ‘mensch’ in het Jiddisch. In Wikipedia lees ik daarover het volgende:
In Yiddish (from which the word has migrated into American English), mensch roughly means “a good person.” A role model. A “mensch” is a particularly good person, like “a stand-up guy,” a person with the qualities one would hope for in a dear friend or trusted colleague. According to author and Yiddish popularist Leo Rosten, [A] mensch is a someone to admire and emulate, someone of noble character. The key to being “a real mensch” is nothing less than character, rectitude, dignity, a sense of what is right, responsible, decorous. (Rosten, Leo. 1968. The Joys of Yiddish. New York: Pocket Books. 237).

“Bo diddley done had a farm,
On that farm he had some women,
Women here, women there,
Women, women, women everywhere.”
Bo Diddley, door Bo Diddley alias Ellas McDaniel.

Nu begint het weer te bliksemen en donderen. En thuis in de slaapkamer staat het raam open. Een mens is nooit gerust.

IN MEMORIAM JEAN-CLAUDE BRIALY

 

jean-claude-brialy-claires-knee

Jean-Claude Brialy is gisteren overleden. De Franse acteur was – toch zeker in België – een beetje vergeten. Nochtans was hij een uitstekend acteur die in tientallen klassiekers meespeelde. Zijn beste rol vind ik die in Le genou de Claire als de vijfendertigjarige diplomaat Jerome, een man die een niet te stillen verlangen koestert om de knie van het tienermeisje Claire toch eens een keer aan te raken. Een briljante film van Eric Rohmer. Jean-Claude Brialy had tevens briljante rollen in het geestige historische epos La nuit de Varennes van Ettore Scola, en in een van de betere films van Luis Buñuel, Le fantôme de la liberté, waarin hij het gedenkwaardige personage Foucauld neerzet, een man die “misselijk wordt van symmetrie”. Brialy geeft op overtuigende wijze gestalte aan de dichter Paul Verlaine, naast de Londense swinger Terence Stamp, die de getormenteerde Arthur Rimbaud voor zijn rekening neemt (in de interessante mislukking Una stagione al’inferno van Nelo Risi). Verder is hij nog te zien in de Hitchcock-hommage, La mariée était en noir van François Truffaut, met een ijzingwekkende Jeanne Moreau in de hoofdrol en in de ‘musical’ van Jean-Luc Godard, Une femme est une femme, naast Anna Karina, die een stripteaseuse vertolkt.

Foto: Jean-Claude Brialy in Le genou de Claire

LIKE A ROLLING STONE: PLAY FUCKING LOUD

bob dylan,live,like a rolling stone,the hawks,pop,rock,1966,greil marcus,clip

Het hoogtepunt van de populaire muziek. Bob Dylan & the Hawks spelen Like A Rolling Stone. ‘Play fucking loud’ beval Dylan zijn muzikanten. Er vond een chemische reactie plaats, rockmuziek werd uitgevonden. Greil Marcus schreef een heel boek over deze ene song. Dat mag ook wel. Hoeveel jonge levens werden er niet definitief door veranderd?

LIED VAN ONSCHULD – WILLIAM BLAKE

fugs first album

HOW SWEET I ROAM’D FROM FIELD TO FIELD
William Blake   

HOW sweet I roam’d from field to field,
And tasted all the summer’s pride,
‘Till I the prince of love beheld,
Who in the sunny beams did glide! –

He shew’d me lilies for my hair,
And blushing roses for my brow;
He led me through his gardens fair
Where all his golden pleasures grow. –

With sweet May dews my wings were wet,
And Phoebus fir’d my vocal rage;
He caught me in his silken net,
And shut me in his golden cage. –

He loves to sit and hear me sing,
Then, laughing, sports and plays with me;
Then stretches out my golden wing, A
nd mocks my loss of liberty.

Dit is een ‘song of innocence’ van William Blake, waar ik het een paar dagen geleden over had. Af en toe gebeurt het nog wel eens dat ik mijn gitaar neem en dit lied speel en probeer te zingen, meestal als er niemand in de buurt is. Een versie van de song is terug te vinden op The Fugs First Album, waar ook pareltjes op staan als I Couldn’t Get High. Het onschuldige lied van William Blake is een van mijn uitverkoren gedichten. Lange tijd heb ik het uit het hoofd gekend. Patti Smith is een grote bewonderaar van deze dichter-schilder. Op haar cd Trampin’ vind je een nummer getiteld My Blakean Year. Ik heb het genoegen gehad haar dat te horen zingen in het Paleis voor Schone Kunsten naar aanleiding van het Rimbaud-jaar in Brussel (nog zo’n held van Patti Smith). Wie meer wil weten over het leven en werk van Blake raad ik de biografie van Peter Ackroyd aan, een meesterwerk op zichzelf.

 

 

LOST WEEKEND IN GENT EN BRUSSEL

feest,nachtleven,ontmoetingen,brussel,gent,blackout,euforie,drinken,roken,edgar allen poe,usher,gitaar,bob dylan,ierland,monk,le coq,alcohol
Familiefeest, Gent. Martin Pulaski.

Je kijkt met grote verwachtingen uit naar een lang weekend. Er zullen vele dingen gebeuren. Boeken zullen worden gelezen, films bekeken, mensen ontmoet, wijn en bier gedronken. Er zal feest worden gevierd. Dat is wat voorafgaat. Zaterdag doe je boodschappen en knap je wat klussen op. Je leest iets over de sixties, en in Murakami’s A Wild Sheep Chase. Je boekt een vlucht naar Italië. Je stippelt een traject uit: Treviso – Trieste – Padoua – Ferrara – Venetië.

’s Avonds kijk je nog een keer naar Performance. Mick Jagger in al zijn androgyne schoonheid. Anita Pallenberg in al haar androgyne schoonheid. Het mooiste stel uit het einde van de jaren zestig? Alvast op pellicule. Maar een zeer kortstondig stel. Keith Richards zat buiten in de auto op Anita Pallenberg ongeduldig en jaloers te wachten. Anita was een echt Rolling Stones-meisje.

Dan komt de euforie van zondag. In Gent zie je je familieleden terug, je praat, wordt vrolijk van de drank, wil het feest zolang mogelijk rekken. Later in de trein naar Brussel praat je met een onbekende, een interessante man. Het was een vluchtig gesprek, de drank speelde in je hoofd. Je weet niet meer waar jullie het over hadden.  Terug in Brussel ga je naar de cafés, eerst De Dolle Mol, maar die legendarische kroeg gaat pas weer op 1 juni open, daags voor je verjaardag.

Daarna naar de Monk. In de Monk ga je, volledig tegen je gewoonte in, bij onbekenden aan een tafeltje zitten. Het zijn jonge mensen, ze hebben geen bezwaar tegen je aanwezigheid. Het is een delegatie uit verschillende nationaliteiten samengesteld. Dat is heerlijk aan Brussel, dat je hier aan één tafel zes verschillende nationaliteiten kunt aantreffen. Het spijtige is dat de alcohol je geheugen wist, dat je je van alle mooie dingen die werden gezegd, misschien wel van plannen die werden gesmeed, afspraken die werden gemaakt, niets meer herinnert. Je herinnert je alleen een meisje uit Ierland, Jean. Dat weet je nog omdat ze jou haar kaartje heeft gegeven. Met haar had je het over Galway, Doolin, Roundstone en de Aran-eilanden, hoe je van die streek houdt. Het lieflijkste landschap dat je ooit zag. En van de muziek, van de vriendelijke Ierse mensen, van de pubs en de Guinness.

Je nam afscheid van de delegatie, er kwamen andere mensen aan ‘jouw’ tafel zitten, echte jongeren, met lange haren, zoals de zoon van je schoonbroer,  de ‘kroonprins’ noemt zijn vader hem. Wat zullen ze gedacht hebben? Wat zit die oude kerel hier te doen? Waarschijnlijk niet. Ze zagen er zachtaardig uit.

Vervolgens begaf je je naar Le Coq, waar veel dronkaards zitten. Je nam plaats naast een oude man met een baard. Je weet nog dat je hem vroeg wat hij daar deed. Drinken, antwoordde hij. Hij was niet bepaald communicatief. Een superopgewekte jongen met een rastakapsel kwam samen met een andere man aan jouw tafeltje zitten. Er was ook een meisje tegen wie je zei dat je haar al eerder had gezien. Of dat je dat dacht. Ze was er met haar vriend: een verliefd stelletje. Af en toe raakte je haar voet aan, per ongeluk, denk je, je hebt nogal rusteloze voeten. Een andere man, met lange zwarte haren, een Indiaans type, waarschuwde je en zei je dat je je voeten thuis moest houden. Je verontschuldigde je, want je wilde geen pak slaag. Dat is al te vaak gebeurd. Het meisje zelf had echter niets gezegd. Ze wond zich niet op over je rusteloze voeten.  De man die bij de jongen met het rastakapsel was had een gitaar. Je vroeg of je een stukje mocht spelen. Ga je gang, zei hij. De muziek in het café werd stiller gezet. Je speelde een eigenzinnige versie van It Takes A Lot To Laugh It Takes A Train To Cry van Bob Dylan en nog wat impromptus, zoals Usher die moet hebben gespeeld in het verhaal The Fall Of the House Of Usher. Je ging flink tekeer op de gitaar; een e-snaar brak. (Ik gebruik het woord ‘eigenzinnig’, wat in dit geval ook vals of wat dan ook kan betekenen. Ik kan gewoonweg niet zo goed gitaar spelen.)

De eigenaar van de gitaar zette zijn zonnebril op en zag er opeens heel cool uit. Hij vroeg of je wat wilde roken. Je zei hem dat je astma hebt, maar een trekje wilde je wel eens proberen, voegde je eraan toe. De uitbater zei dat jullie buiten moesten gaan. Hier binnen wordt geen cannabis gerookt. Jullie gingen buiten zitten, je nam een trekje en inhaleerde en de realiteit veranderde bijna volledig. Het was ongeveer twintig jaar geleden dat je nog gerookt had, cannabis, tabak of wat dan ook. Twee vreemde mannen zaten op het trottoir te lachen als oude gekken, de ene met een zonnebril op, de andere met een ‘gewone’ bril. Nu kreeg je nog meer zin om gitaar te spelen, maar dat ging niet meer vanwege die gebroken snaar.

De jongen met het rastakapsel was in slaap gevallen. Je wekte hem en zei hem dat hij voorzichtig moest zijn, niet iedereen in Brussel is even vriendelijk en vredelievend. Je herinnerde je de lelijkheid en het gevaar. Het was tijd voor een taxi. In de wagen telde je je geld en schrok toen je vaststelde dat je niet voldoende had voor het ritje. Je hoopte dat Laura, die al lang thuis was, nog wat geld zou hebben, 5 euro zou volstaan. Het was maandagochtend, de zon kwam op.

IMG_5674
De prins van het feest krijgt een kus. Martin Pulaski

SUMMER OF LOVE IN HET WHITNEY

Jimi Hendrix door Martin Sharp, copyright Martin SharpWie deze zomer naar New York reist kan in het Whitney Museum of American Art terecht voor een tentoonstelling getiteld Summer of Love: Art of the Psychedelic Era.  In de New York Times van gisteren las ik de volgende omschrijving van de tentoonstelling: “Tear gas, pot and patchouli were the scents of the 1960s. You can almost detect the last two, spicy and pungent, wafting through “Summer of Love: Art of the Psychedelic Era” at the Whitney Museum of American Art.” (Holland Cotter).  De tentoonstelling is te zien tot 16 september.

Afbeelding: “Explosion (Jimi Hendrix), 1967.” Copyright: Martin Sharp.

 

BIJ DE DOOD VAN JO RÖPKE, MIJN LERAAR

jo ropke,film,filmschool,ritcs,vrienden,dood,in memoriam,easy rider,premiere,televisie,professoren,marc didden,william blak,humo,boek,leo steculorum,guillaume bijl,antwerpen,brussel

Ik heb de innemende filmliefhebber Jo Röpke nooit echt gekend, ook al heb ik les van hem gehad, lang geleden toen ik nog film studeerde aan het Rits (dat toen Ritcs heette). Aan die studies heb ik weinig goede herinneringen, waarbij ik een uitzondering maak voor de vriendschap. Ik heb op die school Marc Didden ontmoet, die lange tijd mijn beste vriend is geweest. We gingen zeker een keer per maand met z’n beiden in het Zoniënwoud wandelen en zongen dan liedjes van Creedence Clearwater Revival, The Rolling Stones en Pink Floyd. Waarschijnlijk werd er ook veel over film en meisjes gepraat, maar dat kan ik me niet meer zo goed herinneren. Samen met Marc schreef ik tijdens een verloren weekend een boek. Er bestaat maar één exemplaar van en dat is nu in zijn bezit. Al vele jaren. Eén hoofdstuk ging over alle mensen die, geloof ik, Pete heetten. Ik herinner mij dat er een Pete Lennon en een Pete McCartney in de lijst stonden. Want het hoofdstuk was een lijst. Er stonden ook echte Petes in de lijst, de onlangs overleden Sneaky Pete bijvoorbeeld. Marc ging af en toe naar Londen; hij werkte al deeltijds als popjournalist voor Humo. Een keer heeft hij me zeer gelukkig gemaakt: hij had het verzameld werk van William Blake voor me meegebracht, een onovertroffen product van de verbeeldingskracht. Er gaat geen maand voorbij of ik lees er wel een stukje in en af en toe zing ik een van de Songs of Innocence, onder meer How Sweet I Roamed From Field To Field.

Op de filmschool ben ik bevriend geraakt met de kunstenaar Guillaume Bijl en de filosoof Leo Steculorum. Tijdens mijn Antwerpse jaren was Guillaume een van mijn beste vrienden. We hielden beiden hartstochtelijk van film (John Casavetes, Wim Wenders, Werner Herzog) en van het nachtleven (Pannenhuis, Mok, De Kroeg). Nu heb ik geen contact meer met hem. Een spijtige zaak, maar afscheid hoort bij het leven. Met Leo ben ik nog altijd goed bevriend.

Zoals ik al zei heb ik aan het Rits als onderwijsinstelling weinig goede herinneringen, ik heb er nauwelijks iets geleerd: een beetje fotografie, een beetje filmanalyse, een beetje scenarioschrijven. De dingen die ik er niet geleerd heb zal ik niet opsommen. Er hing altijd een vervelende sfeer, niet bepaald artistiek; men was er vrij streng. Veel van mijn medestudenten waren liefhebbers van kleinkunst, een genre dat ik hartsgrondig haatte. Hoe kan kunst klein zijn, vraag ik me nog steeds af. De meeste profs waren zeurkousen. Marc Galle bijvoorbeeld. Maar er waren nog ergere exemplaren, van wie ik de naam vergeten ben. Jo Röpke was anders. Hij kon boeiend over film vertellen en gaf je zin om naar de cinema te gaan, om de laatste Polanski of Fellini te gaan bewonderen. Het was niet echt lesgeven wat hij deed, het was werkelijk met veel enthousiasme en ironie vertellen. Een beetje zoals in zijn televisieprogramma Première, maar dan minder afgeborsteld, vrijer. Ik herinner me dat ik voor mijn examen bij Jo Röpke een uiteenzetting over de paranoia in Easy Rider gaf. Die uiteenzetting zal ongetwijfeld zeer idiosyncratisch zijn geweest, vooral omdat ik nog veel meer paranoia aan de film toeschreef dan er sowieso al in werd getoond. Jo Röpke vond mijn invalshoek origineel en gaf me een warme handdruk toen ik de examenruimte verliet. Dat was in 1970. Sindsdien heb ik hem nooit meer teruggezien. En nu is hij dood. Wel mooi dat hij in Cannes is gestorven. Moge hij in vrede rusten. Maar daar twijfel ik eigenlijk niet aan.