DODE KONINGEN

dood,koningen
Sally Mann, Untitled, 2001

Ik droomde van dode koningen, velen in gouden gewaden gehuld. Ze waren dood, sommigen in stukken gehakt; hun mantels en kronen glinsterden in de wat doffe, stofferige zon. De koningen, en samen met hen vele edellieden, werden met bulldozers in grote aantallen in kleiputten geschoven. Deze koningen verschilden nauwelijks van de uitgemergelde joden die in de concentratiekampen werden aangetroffen bij de bevrijding.

ECLIPS

Eclipse

Ik herinner me de eclips van 1999. Die vond plaats op een woensdag in augustus. In mijn straat en in de straten in de buurt was het opvallend stil. Het was een rust die tot de verbeelding sprak, helemaal anders dan de zondagsrust. Wolken, waardoorheen heldere zon, om halfelf, op weg naar het Bracops ziekenhuis, hier vlakbij. Ik moest bij de tandarts zijn. Ook daar hing een andere sfeer dan op andere dagen; het was er vooral ongedwongen. Ik kwam zelfs een kwartier vroeger dan voorzien aan de beurt.

Ik was pas om negen uur uit bed gestapt, nogal in de war. Na het ontbijt raakte ik nog meer in de war doordat een van de luidsprekers van een nieuwe micro stereoketen het al niet meer deed en ik kon hem niet hersteld krijgen. Terwijl ik met de kabeltjes van de aansluiting bezig was rinkelde de telefoon. Het was mijn moeder. Ik vroeg me af hoe zij wist dat ik thuis was. Ach, wellicht wist ze niet eens meer dat ik in normale omstandigheden nu op mijn werk zou zijn geweest. Zou ze me vaak hier thuis bellen als ik op mijn werk ben, vroeg ik me af. Aan mijn moeder zelf kon ik het niet meer vragen, ze herinnerde zich niet eens wat ze een minuut eerder gedaan had.
Het moment nadert, zei ze, het is bijna zover.
Welk moment, vroeg ik, hoewel ik dacht te begrijpen dat ze het over de eclips had.
Ja, welk moment was dat nu weer, ging ze verder.
Van dat atoom of zo, voegde ze er aarzelend aan toe.
Ja, de zonne-eclips, bevestigde ik.
In mijn woorden klonk het heel wat banaler dan in de hare. Bij mijn moeder leek het over de Apocalyps te gaan.
Op weg naar het Bracops ziekenhuis, in de hierboven al beschreven serene sfeer, zag ik vier witte figuren een in goud gehuld lichaam dragen. Iemand die pijn heeft, een stervende mens misschien, maar heel even zag wat ik zag eruit als een zinnenbeeld van verheven schoonheid.

Later op weg naar het Poelaertplein om daar de 99%-eclips te gaan bekijken, ontwaarde ik, terwijl ik door de regen liep, boven de Regentschapsstraat een engel in dezelfde gouden kleur. Je zou kunnen opwerpen dat het gewoon maar een bespottelijke schepping was van een of andere kitschartiest, maar ook nu weer was het de echte engel die ik zag, in het stralende licht dat door de donkere wolken priemde. De ene kant van de stad was helemaal zwart, de andere kant helder, met een blauwe hemel erboven. Het was enige minuten over twaalf.

Een half uur eerder had ik op de Anspachlaan vrouwen zien lopen die zich van niets bijzonders bewust leken te zijn. Ze waren niet opgewonden, haastten zich nergens heen. Het was voor hen een dag als een ander. Voor de meesten was dat echter niet het geval. Ze voelden een leegte in zichzelf en hoopten in Virton of op een andere plek waar de duisternis die dag zich zou voltrekken getuige te zijn van een wonder, opdat er in hen toch weer iets zou gaan zinderen. Een vonkje moest toch ergens te vinden zijn, iets wat hen zou verbinden met de anderen en met de wereld. Althans, dat schenen ze te denken of op zijn minst te vermoeden. De zon moest hen aan elkaar en aan het geheel vastlassen, al was het maar een heel klein beetje. Vandaar die lasbrillen wellicht. Ja, sommigen maakten gebruik van echte lasbrillen om de zonne-eclips te bekijken.
Ik was blij dat ik ook dat verlangen in mijn voelde bruisen. Dat ik wat dat betreft niet anders dan de anderen was. Dat ik die leegte ook met iets onbekends en ongelofelijks wilde vullen.

Het mooiste moment van het natuurverschijnsel vond ik om kwart over elf ongeveer, toen de maan voor de zon kwam, een klein stukje nog maar, ik was toen beneden in mijn straat, twee oude mensen liepen me voorbij, ik zette mijn brilletje op om even te kijken, zette het weer af, en zag de vrouw vriendelijk glimlachen. Hoewel ze zelf niet echt veel belangstelling leken te hebben vonden ze het toch niet bespottelijk wat ik deed. Op dat moment kwam tram 56 aangereden en ik moest een heel stuk teruglopen. Want ik had me bedacht, beter de tram nemen, boven de grond, zodat ik getuige kon zijn van het fenomeen, ook al was er weinig te zien, dan de metro, onder de grond, waar ik vast het gevoel zou hebben iets unieks te missen. En natuurlijk was het op een bepaalde manier een bijzondere rit. Er was bijna geen verkeer, er zaten weinig mensen in de tram. Een vader met zijn vrouw en hun drie kinderen. Opgewonden kinderen, ze maakten opmerkingen over alle gewone dingen die ze zagen en die voor hen blijkbaar heel ongewoon waren.

Op het Poelaertplein, in de schaduw van het Justitiepaleis, was er een man met een hond. Dat geblaf klonk ook weer helemaal anders dan op doordeweekse dagen. Het was een geblaf dat ik kon verdragen, een geblaf waarin verwondering, verbazing doorklonk. Op het Poelaertplein voelde ik mij niet eenzaam, maar ik was toch alleen. Door mijn brilletje zag ik lange tijd niets. Er waren te veel donkere wolken. Een jonge man naast me vroeg me of ik iets zag. Nee, zei ik, ik zie niets. Rien du tout?, vroeg hij. Non, rien du tout, zei ik. Waarschijnlijk vroeg hij zich net als ik af of zijn brilletje wel deugde. Je hoefde echter maar om je heen te kijken om vast te stellen dat niemand iets kon zien. Met het blote oog natuurlijk wel. Maar dan kon je slechts een seconde kijken (waar ik veel later nog altijd pijn van aan de ogen had). Het werd wat donkerder, maar echte duisternis was het niet.
Na een paar minuten was iedereen tevreden: eindelijk konden we onze brilletjes gebruiken en zagen we het stukje zon achter de maan uitsteken. Dat stelde echter niet veel voor. Alles was zwart en daarin een geel sikkeltje, meer niet. De hele sfeer die eraan vooraf ging, dat was voor mij ‘de eclips’, hoe de mensen zich gedroegen, het feit dat ze de steden verlieten, dat ze ergens in velden gingen zitten wachten op Iets.

Om twintig voor één ben ik met tegenzin weggegaan. Af en toe ben ik blijven staan om toch nog een blik te werpen op het natuurfenomeen. Intussen waren de wolken weggetrokken en nu kon ik mijn brilletje naar hartenlust gebruiken. Maar ik durfde niet lang kijken. Stel je voor dat het ding toch niet voldoende bescherming bood. Even later stapte ik de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Zavel binnen. Na de eclips was dat een beetje een anti-climax, vooral omdat ik er een week eerder ook al was binnengegaan en toen was de kerk overspoeld geweest door licht. Hoe dan ook nam ik me voor er vaker een bezoek te brengen, maar zeker niet om er te gaan bidden voor de god van Clothilde – en van Clovis, herinnerde ik me nog, terwijl ik de geschiedenisleraar weer voor me zag staan, met zijn perkamenten vingers naar het bord wijzend.

Die avond ging ik met pijn aan de ogen en hoofdpijn naar bed. Maar ik was gelukkig. Ik had iets bijzonders meegemaakt. Ik was een deel van de wereld geweest.

 

KAVAFIS, MONTAIGNE: GEDICHTEN VAN ZILVER, PROZA VAN GOUD

kavafis 2

Gedichten die mij van mijn stuk hebben gebracht : ‘Trouweloosheid’ en ‘Wachtende op de Barbaren’, allebei van Kavafis. Het eerste gedicht gaat over het verraad van Apollo, die Achilles’ moeder, Thetis, een lang en gezond leven belooft voor haar zoon, maar die later zelf de Trojanen steunt in de strijd tegen de Grieken, waarbij Achilles sneuvelt. In het tweede gedicht wordt een hele reeks scènes opgevoerd die allemaal betrekking hebben op de komst van de barbaren. Alles en iedereen is op de intocht van die gevreesde barbaren gefocust. Uiteindelijk komen ze niet en dat is een grote teleurstelling, want wat moet nu gebeuren?

Bij Montaigne vond ik een mooi fragment over de diversiteit (Hoofdstuk 37, p. 276, Over Cato de Jongere):
“Ik ben niet behept met de veel voorkomende fout anderen naar mijzelf te beoordelen. Ik neem gemakkelijk aan dat een ander eigenschappen heeft die heel anders zijn dan de mijne. Dat ik mijzelf aan één manier van leven gebonden voel wil niet zeggen dat ik, zoals alle anderen doen, daartoe verplicht. Ik geloof dat er duizend andere manieren van leven zijn; en in tegenstelling tot de meesten ben ik eerder overtuigd van de verscheidenheid dan van de gelijkheid van de mensen. Zoveel men maar wil ben ik bereid een ander niet met mijn leefwijze en principes te belasten; ik beschouw hem enkel op zichzelf, zonder te vergelijken, en vorm hem naar zijn model. (…) Ik heb bijzonder graag dat men ieder van ons op zichzelf beoordeelt en dat men over mij geen conclusies trekt uitgaande van de gangbare voorbeelden.”
Dit diep inzicht zou ik nooit uit het oog mogen verliezen. Ik denk dat het een goede raad is voor alle situaties in het leven.

DE VRUCHTBAARHEIDSSYMBOLEN OP HET KERKHOF

Carnival-of-Souls-2

Ik zit met Laura in een 4×4, zij achter het stuur. We rijden een berg af, over een kronkelige weg, rechts van ons gaapt de afgrond. Ze rijdt snel en roekeloos langs de afgrond, tot we door de vangrails gaan en in de lucht zweven. We maken allerlei bewegingen met onze ledematen en onze rompen om toch maar in de lucht te blijven. Tot mijn verbazing lukt dat. Maar dan zie ik dat we eigenlijk niet in de lucht hangen, maar op een bijna onzichtbare weg naast het normale rijvak zijn beland. Ik wijs Laura hierop en zij begeeft zich nu snel weer op de normale weg naar beneden. Tot we aan het oude kerkhof in de vallei komen, waar we uitleg krijgen van een paar jongens, met donkere huid. Ze hebben iets van Zigeuners, maar waarschijnlijk zijn het Kosovaren. Achter de zerken staan muurtjes, met dwarse openingen, je kunt ze vergelijken met schoorstenen maar dan rechthoekig, iets meer dan een meter lang, dertig à veertig centimeter breed, een meter hoog. Er groeien stokachtige gewassen uit de dwarsopeningen, donkergrijs, asachtig van kleur, maar ze zijn niet dood aangezien ze groeien. Ze groeien uit de graven. Alle graven op dit kerkhof zijn goed onderhouden. Als er iemand wordt begraven, wordt aan het hoofdeinde van het graf zo’n open muurtje gemaakt; daarin worden stukken hout gelegd, die bevrucht worden door de lichaamsvochten van de overledene. Een jongen vertelt ons dat zij eigenlijk van vissers afstammen. Dat verklaart waarom zij om hout te gaan vergaren om hun doden mee te geven nog altijd op zee gaan. Alleen hout dat zij op het zeeoppervlak vinden mag worden gebruikt voor de graven. Alleen daaruit groeien de asgrijze stokken. Die worden zo’n twee tot drie meter hoog. Ze hebben een doordringende geur. Ik vraag me af of dit nu een echte lijkengeur is.

Later in de auto zijn we vrolijk en maken grappen. We hebben een sterk drankje gekregen. Mag je eigenlijk van die stokken eten als je vegetariër bent, had ik nog aan de Kosovaarse jongens gevraagd. De jongens hadden gelachen om mijn grap. Ze worden in ieder geval gebruikt bij huwelijken, zeiden ze, want zo’n stok is in deze streken een vruchtbaarheidssymbool.

Dit alles vertelde ik Else, zij het minder vlot en minder literair, terwijl ik door het raam keek. Ik voelde aan dat zij me bekeek terwijl ik vertelde. Wat zou zij denken, dacht ik? Zou zij allerlei betekenissen geven aan de beelden in deze droom? Zal zij deze droom zelf verderdromen als zij straks een dutje doet?

Foto: Carnival Of Souls

MAG IK MET DIE VROUW NAAR BED?

psychiatrie,daniel menaker,beinvloeding,else,polly magoo,psychoanalyse,william klein,elias canetti,boeken,vs,seventies,vrije liefde,seks,erotiek
Lee Remick, Experiment In Terror.

Ik herinner me dat ik het met Else over de prachtige roman ‘De behandeling’ van Daniel Menaker had. Het gaat, zoals de titel al laat vermoeden, over een behandeling bij een psychiater. Ik vertelde haar over de pyschoanalyst in dat boek, hoe hij zijn patiënt, de verteller, vaak allerlei dingen suggereert, zelfs advies geeft, bijvoorbeeld om met een bepaalde vrouw naar bed te gaan; zie je dan niet dat zij iets voor je voelt, zegt hij.

Ik zei tegen Else dat dit toch al vrij ver ging, de patiënt laat zich gemakkelijk beïnvloeden, hij bevindt zich in een ondergeschikte positie. Op die manier kan hij niet langer vrij beslissen – en is het nu niet precies dat waar het allemaal op neerkomt, waarom je in therapie gaat: je wil zelfstandiger worden, vrijer, gemakkelijker kunnen beslissen, kunnen argumenteren en weloverwogen kiezen… Een orthodoxe psychoanalyse is het zeker niet, zei Else. Ach, het speelt zich ook af in de jaren ’70 en in de Verenigde Staten, in die tijd en vooral in dat land werd er waarschijnlijk wel meer geëxperimenteerd dan hier en nu. Maar zou jij dan graag hebben dat ik je advies geef, dat ik je dingen aanbeveel, vroeg ze? Ik weet het niet goed, zei ik. Dat maakt het leven natuurlijk gemakkelijker, als je bij iemand terecht kunt om raad te vragen. Maar aan de andere kant word je dan weer afhankelijk van die persoon en dat is toch ook niet goed.

“Men denkt zich voor de wereld te openen en boet daarvoor met blindheid in de naaste omgeving. Onbegrijpelijk is de hoogmoed, waarmee je erover beslist wat je aangaat en wat niet. Alle lijnen der ervaring zijn je voorgeschreven, zonder dat je het weet, wat zonder letters nog niet te begrijpen zou zijn, blijft ongezien en de wolfachtige eetlust, die zich weetgierigheid noemt, merkt niet wat hem ontgaat.”
(Elias Canetti, De Behouden Tong, 320.)

REVOLUTIE IN MINIROK

De wereld is klein. Bij deze foto schreef ik ironisch dat ik ervan overtuigd was dat bloemen in het haar en liefde en minirokken de wereld in een paradijs zouden veranderen. Als iedereen zich de flower power-gedachte eigen maakte zou er geen geweld meer zijn, dacht ik. De oorlog in Vietnam zou meteen worden beëindigd.

De wereld is klein, zei ik. Rachel Fagen uit Massachussetts, die zich als fotografe Redcord noemt, schreef onder mijn foto uit vrolijker tijden dat ik nog steeds een ‘handsome devil’ ben. Ik was natuurlijk zeer gevleid. Ze voegde eraan toe dat de minirok-revolutie voor haar spoedig een aanvang zou nemen. Het eerste resultaat van die uitspraak streelt inmiddels iedereen die een internetaansluiting heeft de ogen, potentieel dan toch. Hopelijk breidt deze revolutie zich snel uit.

TEGEN HET WANTROUWEN

katholicisme,fanatisme,schoonheid,film,kunst,wantrouwen,literatuur,hypocrisie,denkfouten,hollywood,bush,moraal,guattari,deleuze,consumentisme
Contes Immoraux, Walerian Borowczyk

Op mijn vorige stuk, voornamelijk een lofzang op de schoonheid van sommige stemmen in film, muziek en – in de verbeelding dan wel – in de literatuur, kwam nogal bedenkelijk commentaar. Ik zou er niet op mogen reageren, maar ik kan het niet laten.

De commentator schrijft dat film en literatuur bedrieglijk zijn. In mijn stuk had ik het helemaal niet over de waarheid van film en literatuur. Iedereen doet wat hij wil, maar ik begrijp desondanks niet waarom deze man zijn ‘ideeën’ over de éne goddelijke waarheid uitgerekend onder mijn nogal religieus aandoende tekst komt plaatsen.
Hij schrijft dat ‘in films en literatuur op subtiele wijze aan de consument duidelijk wordt gemaakt wat en wie goed of kwaad is’. In één zinnetje maakt hij op zijn minst drie denkfouten. Dat is althans mijn overtuiging. Films en literatuur worden niet geconsumeerd. Ik ben geen consument van films en boeken. Ik lees en becommentarieer boeken, ik denk erover na; ik bekijk films, ik spreek erover, denk erover na, schrijf er soms iets over, laat mij er door inspireren, maak mij boos, et cetera. Ik ben geen consument van om het even welke vorm van kunst. Kunst opent mijn wereld (als kunst mij aanspreekt). Dat is één. Een tweede fout is de veronderstelling dat films subtiel zijn. Talloos veel films zijn allesbehalve subtiel. De moraal wordt er bij de ‘consument’ met veel gedreun en bombast ingeramd. Film made in Hollywood maar ook op andere plaatsen, met de goedkeuring van George W. Bush en de boekhouders van de Heer. ‘Literatuur’ is evenmin subtiel. Is Herman Brusselmans subtiel? Een gebrek aan subtiliteit is misschien wel zijn belangrijkste stijlmiddel. Een derde fout is het uitgangspunt dat literatuur, film en kunst zeer nauwkeurig gedefinieerd kunnen worden. Er zijn talloze literaturen, ook subtiele, zeer kleine en zeer grote. Gillles Deleuze en Félix Guattari hebben hier aandacht aan besteed, onder meer in verband met Kafka. Er zijn meerdere vormen van films, ook subtiele, ook zeer morele, ook immorele (denk aan Contes Immoraux van Walerian Borowczyk), ook amorele, etcetera. En ik zie zoveel verschillende soorten kunsten en kunstjes op tentoonstellingen en in musea dat ik er duizelig van word. De commentator ziet voornamelijk kunst ‘die een vuil spel kan spelen met het ethisch bewustzijn van de mensen’. Alsof, indien dat zo zou zijn, de mensen geen verweer hebben, geen kritisch vermogen, geen eigen ethica.

katholicisme,fanatisme,schoonheid,film,kunst,wantrouwen,literatuur,hypocrisie,denkfouten,hollywood,bush,moraal,guattari,deleuze,consumentisme

“Wantrouw dus de kunst – nog veel meer dan de politiek!” voegt hij er nog aan toe. En op die manier zet hij zijn handtekening, die van een ware katholiek. Want, zoals ik hier onder in een woede-uitbarsting al schreef, en ik blijf erbij, ook nu ik wat kalmer ben, in wantrouwen en paranoia zijn katholieken altijd heel goed geweest. Ze waren bijzonder vindingrijk in het stichten van paranoïde, vervolgende, mensverwoestende ordes. Ze hadden een zeer duidelijke moraal: die van de foltering en de brandstapel. Nu zijn hun vormen van repressie heel wat subtieler geworden. Het spijt me, maar dit moest me even van de lever.