DEATH LETTER BLUES – SON HOUSE

Een opname van Son House, een bijzonder intense bluesmuzikant, met een zeer expressieve stem. Hij was tevens een begenadigd bottleneckgitaarspeler. Hier voert hij Death Letter Blues uit, een van zijn bekendste opnames. De track is terug te vinden op de cd Son House: The Original Delta Blues. Er staan ook schitterende, geremasterde Son House klassiekers op als John The Revelator, Empire State Express, Preachin’ Blues en Grinning In Your Face. Veel kijk- en luisterplezier, ook al is het onderwerp droevig. Met dank aan Lonesome Zorro die me op het idee bracht om deze beelden op hoochiekoochie te zetten. Het werd trouwens de hoogste tijd: ik heb de titel van mijn blog aan een blues van Muddy Waters ontleend, nog zo’n reus uit de Mississippi delta.

ODE AAN DE GROOTSTAD EN DE RIJPE LEEFTIJD

shaving preparations # 6

Op mijn eigenzinnige wijze baan ik mij een weg door het leven. Ik ben geen vrolijke jongen, dat weet ik. Ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid tegen een gebrek aan vrolijkheid, tegen teveel levensernst, tegen een te hoge zuurtegraad, ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid me om donkere dagen te doorstaan. (It’s been a blue, blue day, zingt Ian Matthews…) Martine, een bezoekster van deze blog, schrijft “dat het leven inderdaad niet altijd een pretje is, maar dat er veel aan onszelf is gelegen om het zo aangenaam mogelijk te maken.” Ze heeft gelijk. We mogen niet toestaan dat anderen ons het leven zuur maken. Domme of vijandige woorden mogen ons niet van ons stuk brengen. Onze huid moet dik zijn, figuurlijk dan wel. De vraag is wel hoe je zulke dikke huid krijgt, als je geboren bent met een dunne? Het zij zo. We mogen al evenmin berusten in onze zwaarmoedigheid (of er een aangenaam tijdverdrijf van maken). There’s more to the picture than meets the eye…

Ik had het in mijn vorige tekst over de onaangename kanten van de grootstad, over de vervreemding, de vervuiling, het feit dat je er vaak onzichtbaar bent. Maar ik wil er toch ook op wijzen dat ik zielsveel van grote steden houd, ook van Brussel. Alleen al bij het horen van stadsnamen als Berlijn, Boedapest, Wenen, Lissabon en New York krijg ik een warm, hunkerend gevoel. Ik zou meteen een hotel en een vlucht willen boeken en mijn koffers pakken. Het moet snel gaan, een vliegtuig vliegt niet snel genoeg! Nu, onverwijld, wil ik over Broadway lopen, langs The Strand, er een half uur of zo wat van die fraai ingebonden Amerikaanse boeken doorbladeren; de geur van de Oranienburgerstrasse opsnuiven, een groot glas Tsjechisch bier drinken in café Oranium; door de straatjes van Alfama slenteren, en er ergens in de schaduw inktvis eten, ik hoor de droeve stem van Mariza al op de achtergrond weerklinken; of op een Weens plein koffie zitten drinken, een glas Grüner Veltliner mag ook.

Zonder de sfeer en de mogelijkheden die een grootstad biedt zou het leven voor mij nog veel minder zin hebben. Dat geldt ook voor Brussel. Als de zon schijnt begeef ik me hier graag tussen de mensen, ook al begroeten ze me niet; ik ga naar toneelvoorstellingen in het Kaaitheater, de KVS of Les Brigittines, naar concerten in het Koninklijk Circus, de AB en de Botanique – en naar de bioscoop (hoewel dat lang geleden is). Ik heb me al vaak afgevraagd tot wanneer ik naar de Botanique en de AB en zo zal gaan. Tot het bittere einde misschien? Maar ik zal als halfkale grijsaard zeker vreemd bekeken worden door de mooie jonge goden. Wat maakt het ook uit: daar zal ik niet wakker van liggen.
In Brussel zijn talloos veel winkels waar je tweedehands boeken of platen kunt kopen. Gisteren heb ik in de Fnac een prachtig boek over Paula Rego aangeschaft. Eergisteren voor een prikje bij de Slegte een zeer mooie uitgave van George Eliots Middlemarch, een kanjer van een boek, moeilijk om in bed te lezen, dat wel.

Van leeftijd gesproken. Gisteravond in de metro naar huis ben ik beledigd en gecharmeerd tegelijk: een jonge vrouw vroeg me of ik niet op haar plaats wilde zitten. Ik schrok even, maar heb toch bijna meteen ja gezegd, dan kon ik verder lezen in Restless, van William Boyd, dat nogal meeslepend is. Ik ging ervan uit dat het lieve en aantrekkelijke meisje aan de volgende halte zou uitstappen en vond haar vraag getuigen van charme en hoffelijkheid, twee eigenschappen die ik erg mis in deze stad. Ze bleef echter zeker nog een tiental minuten (zeven haltes) staan. Nu is het bewijs geleverd dat ik echt een oude man ben. Ik zal dan toch wel duidelijk zichtbare rimpels hebben (die ik in de spiegel niet zie) ofwel zie ik er heel ziekelijk uit, dat is ook mogelijk. Als ik die man mijn plaats niet afsta valt hij zodadelijk over mij heen, heeft ze misschien gedacht. Wie zal het zeggen… Ik heb niet haar naar haar beweegredenen gevraagd.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

ELKAAR WEER LEREN ZIEN

IMG_2744 (2)

Ik woon sinds 1991 in Brussel, in de deelgemeente Anderlecht. Ik spreek meestal van Brussel omdat ik tegen de artificiële indeling in baronieën ben. Negentien burgemeesters en honderden schepenen zijn nergens voor nodig. Aan de negentien verschillende reglementeringen op allerlei vlak heb ik al helemaal een broertje dood. Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen: ondanks het feit dat ik hier al zo lang woon ben ik nog altijd een vreemde – of zal ik schrijven ‘een vreemdeling’, daarbij verwijzend naar het lang geleden ophef makende boek van Albert Camus.

Ik verbleef onlangs anderhalve week in Lissabon en daar werd ik in sommige restaurants en cafés na één of twee bezoeken al begroet alsof ik een goede klant was. In een muziekwinkel in Coimbra knoopte de zaakvoerder met mij een gesprek aan over de stand van zaken in de muziekbusiness. Hij beweerde dat de meeste Portugezen slecht opgevoed zijn en weinig van muziek kennen. Als ik hem zijn zin had laten doen was hij nu nog altijd met me aan het praten. Ik weet niet of de Portugezen slecht opgevoed zijn. De treinen in Portugal rijden in ieder geval op tijd en worden zelfs schoongemaakt. De meeste gevels zijn netjes geverfd. De mensen zijn vriendelijk en vaak ook hoffelijk. In stations word je duidelijke informatie gegeven. De echte onbeschofteriken werken volgens mij allemaal in toeristische informatiecentra. Daar ben ik niet bepaald over te spreken. De Portugezen zullen een hekel hebben aan toeristen omdat velen er op aangewezen zijn voor hun levensonderhoud. Is dit een vreemde gevolgtrekking? Ja, ik weet het, ik zit niet logisch in elkaar. Ik spring ook graag van de hak op de tak. Maar toch kom ik altijd weer met mijn voeten op de grond.

In Brussel word ik nooit begroet in winkels, cafés of restaurants, zelfs niet als ik er al fortuinen heb uitgegeven zoals in de Fnac. Ik durf er niet over nadenken hoeveel franken en euro’s ik daar al naartoe heb gebracht, in ruil voor kortstondige eeuwigheid. Met dat bedrag had ik een huis kunnen laten bouwen en een bosje aanleggen. Misschien geen villa maar toch ook geen fermette.

In onze straat wordt evenmin gepraat of geglimlacht. Niemand neemt zijn hoed af of geeft een tikje tegen de rand ervan. Als men je passeert kijkt men een andere richting uit, of richt de blik naar de grond. Op die grond liggen nochtans vaak hondendrollen. Zou het daardoor zijn dat wij op straat niet worden begroet? Uit schrik om in zo’n drol te trappen? John Donne schreef dat niemand een eiland is. Ik zou willen dat het waar was en dat de wereld, zoals ook vaak wordt beweerd, een dorp is. Ik zou graag veel mensen groeten en zelf ook begroet worden zoals dat in de dorpen gebeurt (of gebeurde, want ik ben al lang niet meer in Belgische dorpen geweest). Ik zou willen gezien worden, zodat ik opnieuw, zoals in mijn kinderjaren, het gevoel krijg dat ik besta. Nu ziet noch hoort iemand mij en dat is juist de pest. Kan dit spoedig veranderen?

Foto: Anderlecht. Martin Pulaski, 2007

 

DE SCHOONHEID VAN HET VERGANKELIJKE

paula rego vanitas

In Lissabon bezocht ik het prachtige museum van de Armeense verzamelaar Calouste Gulbenkian. Het is een evenwichtig en luchtig gebouw waar de Egyptische, Romeinse, Middeleeuwse en recentere kunst goed tot haar recht komt. Ik zag er mooi werk van Fragonard, Rubens (portret van Helène Fourment), Rembrandt, Gainsborough, Turner, Renoir (een interessant portret van mevrouw Claude Monet), Burne-Jones (hippiemeisjes in de 19de eeuw), Degas, Dirk Bouts en Rogier Van der Weyden.

Er was een tijdelijke tentoonstelling gewijd aan juwelen en uurwerken van Cartier, maar die kon mij minder boeien. Juwelen zien er vaak zo kitscherig uit, of komt dat door de rijke apen die ze dragen, mensen als de hertog en hertogin van Windsor? Ik had wel graag zo’n diamanten tiara meegenomen, maar zou het ding meteen hebben laten verkopen. Met de opbrengst zou ik dan wellicht een werk van Paula Rego hebben gekocht. Aan recent werk van haar was ook een tentoonstelling gewijd. Eigenlijk ging het slechts om één enkele triptiek, maar wel een meesterstuk, Vanitas geheten. Het vanitas-thema heeft kunstenaars al altijd geboeid, en voor mezelf is het een leidmotief. Het leven is vluchtig, de dingen zijn er langer dan wij, vergeet niet dat je moet sterven: the way of all flesh. Je ziet op die vanitas-schilderijen de typische attributen zoals muziekinstrumenten, schedels, uurwerken, dure gewaden en maden. Ook bij Paula Rego (hoewel ik me geen maden kan herinneren), maar zij maakt zicht het thema geheel eigen, je kijkt ernaar, verliest jezelf en je gedachten in het werk, de tijd houdt op te bestaan. Heel even ben je onsterfelijk. Dat is wat ware schoonheid vermag.

Paula Rego, Vanitas, rechterluik van de triptiek.

DE BOEKEN IN LOOD VAN ANSELM KIEFER

anselm kiefer,bosnie,geschiedenis,kunstenaar,televisie,boeken

Anselm Kiefer is een van de belangrijkste kunstenaars van deze tijd. Zijn werk opent de ruimte en geeft je tijd om na te denken. Poëzie, mythe en geschiedenis gaan er hand in hand. Kiefer gebruikt weinig kleur, vooral zwart, grijs en wit, en toch denk je achteraf dat je alle mogelijke kleuren hebt gezien. Ogenblikken van geluk, extase, losgerukt van de gruwel van de geschiedenis. Het absurde universum krijgt een zin. Een mens is even belangrijk of onbelangrijk als een ster. Stenen, zonnebloempitten, sperma. Ziggoerats in Irak, het heilige land van de Tigris en de Eufraat. Eigenaardig dat dit land zo’n grote rol speelt bij Kiefer. Toevallig natuurlijk, maar ik leerde zijn werk kennen tijdens de golfoorlog, toen de Westerse bommen voor de eerste keer op Bagdad neervielen. Ik denk nu terug aan mijn gedicht uit 1993, “In loden boeken”:

In loden boeken in groot octavo
heb ik uw naam neergeschreven,
al vloekende, al tierende. Geschiedenis
mag weten wie aan het woord is.

U hebt het geslacht opnieuw
aan de tand gevoeld, zonder genade
raak gezaaid, overal in het rond,
waar ’s zondags klokken luidden.

Ik zie uw donkere voetsporen
in de sneeuw van een voetbalveld
waar zij geen rust kunnen vinden
nabij de doelen zonder wachters.

U klapt in uw handen voor deze doden.
Uw ploeg scoort voortdurend
tegen Bosniërs met bloed in hun haar.
Ze zijn doodmoe. Ze bukken zich.

Ze woelen het grijze gras om.

Het gedicht was uiteraard geïnspireerd door de schokkende beelden over Bosnië die ik elke dag op televisie zag. Maar de loden boeken kwamen van Kiefer. De tanden van de kunstenaar had ik nog niet gezien toen ik dit gedicht schreef.

anselm kiefer,bosnie,geschiedenis,kunstenaar,televisie,boeken
James Nachey, Bosnia

CARPE DIEM

coimbra philosophy

Ik ben terug uit Portugal, vermoeid maar tevreden. Het lijkt of mijn hoofd nu helemaal leeg is, maar uit ervaring weet ik dat dergelijke schijn bedriegt. Wellicht zijn mijn hersencellen bezig met het verwerken van alle nieuwe informatie en komen de resultaten daarvan spoedig aan de oppervlakte. De thuiskomst, gisterenmiddag, was geen pretje. Een donker, vochtig en koud Brussel. Een leeg, donker, koud en vochtig huis. Onze benedenbuur, de enige buur die we hadden, is verhuisd. Geen spatje warmte van anderen valt ons nog te beurt. In onze kamers was het maar tien graden en het duurde tot deze ochtend eer de temperatuur draaglijk werd. Wat een verschil met Portugal, waar we vorige vrijdag nog bier hadden zitten drinken en inktvis eten op een zonovergoten terras. Maar ik wil niet klagen. De kaartjesknipster in de trein van Zaventem naar Brussel had veel gevoel voor humor. Humor is het licht in de duisternis. Bovendien wil ik me graag houden aan de levensregel die ik in universiteitsstad Coimbra op een muur las en die hierboven staat afgebeeld.

Foto: Martin Pulaski

BRIEF UIT EVORA

IMG_5344 (2)

Zo ben ik dan in Evora in Alentejo aangekomen. Dank zij mijn rusteloze geest. Lissabon is een parel aan de Atlantische oceaan. Later, als ik weer azerty ter beschikking heb, vertel ik er meer over. Dit is moeilijk typen. In Evora is het zo stil dat ik de echo van mijn eigen voetstappen kan horen weerklinken. Als ik zelfs niet meer dan fluister weerkaatsen de zuilen van de Romeinse tempel van Diana mijn stemgeluid.

Het water smaakt niet als wijn maar de wijn uit Alentejo smaakt heerlijk en zacht als de zon op mijn huid. Ik ben in een romantische bui. Nog niet helemaal heb ik de duisternis van me afgeschud, but I’m getting there. Ik volg mijn voetstappen. Morgen ben ik in Coimbra en misschien tref ik daar mijn goede vriendin Cristina. Ze is net terug in Porto van een verblijf in Amsterdam. Maar ook met alleen Laura aan mijn zijde is het hier aangenaam verblijven. Gisteren bijvoorbeeld was ik in de Kapel van de Beenderen. Schedels een beenderen van vijfduizend doden liggen er hoog opeengestapeld. Monniken hebben er muren en zuilen mee opgetrokken. De beenderen fluisteren ons toe dat ze op ons wachten. Ik neem nog even de tijd en drink een glas wijn op de gezondheid van Fernando Pessoa. Zijn geest dwaalt hier ongedurig rond. Kijk, op dit ogenblik doet hij een paar danspasjes. Ik denk dat hij graag een glaasje wijn met me zou drinken, maar de kloof tussen de levenden en de doden is te groot. Het zijn trouwens kleine schedels daar in die kapel. Dat daar zoveel hersens in kunnen…

Wij hebben het hier bijzonder goed getroffen met het weer. Alle dagen tussen de twintig en de vijfentwintig graden. Het zal wennen zijn in België, waar ik ondanks alles met enig heimwee naar terugverlang, als een zieke hond naar zijn hok. Het meest van al verlang ik terug naar mijn rock & roll en naar mijn vrienden. Maar de tijd vliegt en het leven is vluchtig als een schaduw op een witgeverfd huis. Ik maak me daarover geen zorgen: weldra ben ik weer in de oude vertrouwde kamers. Ik groet jullie allen.

Foto: Martin Pulaski, Evora 2007