EENZAAM OF ALLEEN

damaged

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard ’s morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren ’70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek.

CARNAVAL IN HASSELT

carnival 1968

Een straatfotograaf maakte deze foto in café Skalden in Hasselt in 1968 tijdens het grote carnavalfeest dat jaar. Mijn vrienden en ik wilden carnaval op een andere manier vieren dan de ‘anderen’. We verkleedden ons zonder ons te verkleden. Wat we deden was onszelf, de manier waarop we ons aan de wereld presenteerden, nog wat meer accentueren. Een bepaalde overdrijving is mij nog steeds niet vreemd, zoveel jaar later. Skalden was de beatnikkroeg van Hasselt. Alle plaatselijke kunstenaars kwamen er over de vloer. Ik plaats deze foto hier omdat ik een paar dagen geleden de opmerking kreeg dat ik nogal leek op Rick Wright van Pink Floyd. Ik weet niet of dat waar is, maar alleszins was ik in de periode dat deze foto werd gemaakt een groot bewonderaar van de toetsenspeler van Pink Floyd. Vandaar ook de hoed (die ik van mijn vader had ‘geleend’).

 

DE TWEE IRENES

a quiet day at the office

Ik zou gaan lunchen met mijn vriendin Irene. Maar dan bleek dat ik ook nog met een andere vrouw had afgesproken, die eveneens luisterde naar de naam Irene. Ik werkte in een ministerie waar tevens les werd gegeven. Het was een oud gebouwencomplex, met een patio in het midden.
Omstreeks tien uur ‘s morgens kreeg ik het bericht dat een inspecteur met me zou komen praten over een nieuwe methode die in het werk zou worden toegepast. De methode was op wiskunde gebaseerd. Die mededeling irriteerde me mateloos. Ten eerste omdat de man tijdens de lunchpauze zou komen, ten tweede omdat ik een afkeer had van wiskunde en ook niets aan mijn werkmethode wilde veranderen. Om twaalf uur stipt klopte de inspecteur op de deur van mijn bureau. Op een pleintje wat verderop zag ik Irene ongeduldig staan wachten op me. Toen ik merkte dat ze mij door het raam zag kijken deed ik haar teken dat het nog een vijftal minuten zou duren.
Maar geheel onverwachts stonden mijn broer en mijn moeder nu in mijn kamer. En waar was de tweede Irene? Wat moest ik doen? De inspecteur liet ik duidelijk verstaan dat een wiskundige werkmethodehervorming mij niet aanstond. Ik zou er weliswaar over nadenken en later weer contact met hem opnemen. De man, die een zekere autoriteit uitstraalde, was duidelijk beledigd. Ik zou nog problemen krijgen, dat was duidelijk te voelen aan de handdruk bij het afscheid. Mijn moeder en mijn broer toonde ik waar ze het brood en het beleg konden vinden. Ze mochten eten wat ze wilden, zei ik.
Een volgend probleem was de verdwijning van mijn schoenen. Ik vroeg me af of ik op mijn sokken met de twee Irenes kon gaan lunchen. Misschien kon ik onderweg gauw een paar nieuwe schoenen kopen. Maar dan moest ik nog kunnen verklaren waarom ik met die twee Irenes tegelijk had afgesproken.

Foto: Martin Pulaski, Arenberg, 2006

 

IK SLOEG EEN VETTE KEREL

Vorige nacht sloeg ik een vette kerel, een misdadiger die al was gevangen genomen, recht in het gezicht. Hij had de vreselijkste misdaden gepleegd, maar spijt scheen hij niet te hebben. Hij zat recht voor me in bloot bovenlijf en lachte luidkeels, trots op zijn daden. Daarom klopte ik hem ook nog met mijn haarborstel op het hoofd. Het enige wat ik zo bereikte was dat hij mij nu volop uitlachte. Ik sloeg harder en harder, ook op zijn wit, papperig bovenlijf, maar ik had net zo goed op een zak bloem kunnen slaan. Dit alles vond ik hoogst onbevredigend.

 

DE HUMANISTISCHE TUIN BLIJFT ONVOLTOOID

Bij het doorbladeren van Tzvetan Todorovs ‘De onvoltooide tuin’ heb ik nog twee voortreffelijke ‘tuinteksten’ aangetroffen:

“Aan het humanistische streven kan nooit een einde komen. Het wijst het ideaal af van een paradijs op aarde waarbij de definitieve orde tot stand zou worden gebracht. Het beschouwt de mensen in hun reële onvolmaaktheid en denkt niet dat die stand van zaken kan veranderen; het aanvaardt, met Montaigne, de gedachte dat hun tuin voor altijd onvoltooid zal blijven.”
“God is ons niets verschuldigd; noch de Voorzienigheid, noch de natuur. Het menselijk geluk is altijd voorlopig. Toch kunnen we boven elk ander koninkrijk de voorkeur geven aan de onvoltooide tuin van de mens, niet als een noodoplossing maar omdat die tuin ons in staat stelt waarlijk te leven.”
Tzvetan Todorov, De onvoltooide tuin – Het humanistische denken in Frankrijk.

 

TUIN IN DE WINTER

first snow #1

‘Onze’ tuin in november 2005. De cipres waarover ik het in het vorige stukje had was zoals je kunt zien een soort siamese tweeling. Nu is daar een leegte. De sneeuw onttrekt de lelijkheid ook nog wat aan het oog.
Ach, misschien was het zelfs geen cipres, ik ken niets van bomen, ik ben een stadsmens, zoals de mensen zeggen.

Foto: Martin Pulaski.

DE VERDWIJNING VAN DE CIPRES UIT ONZE TUIN

Laura was nog maar net thuis van het werk gisteravond toen ze me riep om even te komen kijken door het raam van onze slaapkamer. Van daaruit heb je het beste zicht op ‘onze’ tuin. Het was een stralende februariavond, de wolken in het Westen kleurden al wat rood. Had je dat al gezien, vroeg ze. Onze boom is weg. Welke boom, vroeg ik. De grote cipres, zei ze. En inderdaad, de hoge cipres, die zo vaak voor afleiding heeft gezorgd in ons leven, was verdwenen. Ik was de hele dag thuis geweest en ik had helemaal niet gemerkt dat iemand de boom was komen omzagen en uit de tuin verwijderen. Het is een vreemd zicht, de tuin zo leeg en in de nabije verte de vuile achterkant van merendeels lelijke huizen en de vele hokken die erachter ‘gebouwd’ zijn. Honden, duiven, ganzen, hanen, geiten, stuk voor stuk dieren die er grauw en ziekelijk uitzien. Die ene cipres onttrok die lelijkheid aan ons zicht, aan onze schone zielen. Vaak zaten er vreemde vogels in onze boom, soms zelfs de limoengroene parkieten van een buurvrouw. Waar moeten die parkieten nu naartoe als ze eens een luchtje willen scheppen? En hoe moeten wij ons onttrekken aan de nieuwsgierige blikken van de onbekenden in de vuile huizen aan de overkant? Elke mens maakt – na de verbanning uit het paradijs – bewust of onbewust een moordkuil van zijn hart, las ik afgelopen nacht nog, zowel in een roman van Georges Simenon als in een surrealistisch manifest van André Breton.

Ik moet hier in het licht van voorgaande discussies en commentaren verduidelijken dat de tuin niet echt van ons is. Ik kan er niet zelf in werken. Een keer per jaar wordt hij door studenten van de tuinschool aan een mij volstrekt onduidelijke orde onderworpen. De grote tuin hoort bij de gelijkvloerse verdieping, waar een nogal mysterieus bedrijfje is gevestigd, dat geld leent aan een bepaalde categorie van mensen die een huis bouwen maar daar het geld niet voor schijnen te hebben. In ons huurcontract staat dat wij van de tuin gebruik mogen maken, maar dat doen we nooit. We moeten daarvoor immers een hele afstand afleggen en tenslotte via de kelder de tuin betreden. Je kunt net zo goed naar het Astridpark gaan, dat is hier maar honderd meter vandaan. Het is wel een mooie tuin om naar te kijken, vooral als hij er wild bijligt. Dan denk ik vaak aan Virginia Woolfs To The Lighthouse, waar een tuin in voorkomt die er vooral in het hoofdstuk ‘Time Passes’ nog veel wilder bijligt. Liggen? Neen, je ziet en hoort hem groeien in de betoverende en vaak ook ontluisterende woorden en zinnen van Virginia Woolf. De tuin van Voltaire zijn we inmiddels grondig vergeten.